Zweet en parfum

images 2

 

Haar naam kwam uit een beduimelde Gouden Gids. Omdat de keus overweldigend groot was, had hij blind een naam uit de rubriek geprikt, vervolgens zijn schaamte onderdrukt en gebeld om een afspraak te maken. Hij had het getroffen, want in plaats van een antwoordapparaat kreeg hij haarzelf aan de telefoon en bovendien had ze een mooie stem. Was ze niet om aan te zien, dan zou hij wel een andere kant uitkijken of zijn ogen dichtdoen en als hij klaar was meteen vertrekken. Zo behoedzaam alsof hij in een laboratorium een proefopstelling in beweging moest zetten plaatste hij zijn wijsvinger op de glanzende knop en belde aan.

Het leek of de natuur een vlotte poging gedaan had een schoonheidsrecord te verbeteren en inderhaast wat rimpeltjes bij de ogen en plooitjes bij de neusvleugels en mondhoeken was vergeten glad te strijken. Die minieme onvolkomenheden maakten de vrouw tegenover hem interessanter: hij hield net zo min van effen, karakterloze gezichten als van gladde, krachteloze lichamen. Opeens besefte hij dat zijn gestaar een nogal lompe indruk moest maken en stak zijn hand uit.

‘Meneer Van de Woestijne?’

Hij knikte. ‘Lex van de Woestijne.’

‘Len Tuinstra.’

De handdruk bij de naam was prettig stevig en hij kreeg de hele hand in plaats van alleen de vingers. Om het parfum, het aangename parfum beter tot zich door te laten dringen wreef hij met de vingers van zijn rechterhand over zijn kin, als om te voelen of die glad genoeg geschoren was.

‘Komt u binnen.’

Haar stem had meer klank en vooral meer laagte dan hij zich herinnerde en dat beetje heesheid was blijkbaar de ruis van de telefoon geweest.

‘Als u alvast uw jasje uit wilt doen: hier is de kapstok.’

Hoewel hij over zijn T-shirt speciaal een schoon en niet al te gekreukt exemplaar had aangetrokken, viel hem op hoe flets het afstak bij het jasje van haar, dat perfect van snit was en dieprood van kleur.

‘Eh… Zullen we dan maar meteen? U hebt me al verteld wat u wilt, en dat is helemaal geen probleem. Is het de eerste keer? Dacht ik al. Dat voelt een beetje onwennig zeker?’

Hij haalde zijn schouders op en grijnsde.

‘Voor de meeste mannen is de drempel nogal hoog. Ik weet niet, maar misschien zijn ze bang dat ze zich belachelijk maken of dat ik ze pijn doe. Ja, sommige mannen hebben vreemde opvattingen over mijn vak.’ Ze draaide zich om en ging hem voor.

De kamer, die een even doordachte en smaakvolle indruk maakte als haar kleding en make-up, had een smetteloze vloer van grijs materiaal met confetti-achtige witte en zeegroene spikkeltjes. In het midden stond een grote stoel zonder leuningen, bekleed met zachtglanzende kunststof; ervoor een taboeret en ernaast een verrijdbaar tafeltje met plateaus waarop een uitgebreide verzameling hulpmiddelen en apparaten, ook elektrische. Alle voorwerpen leken nieuw, misschien door de zorgvuldig geplaatste lampen en spotjes, die er een esthetische glans aan gaven.

‘Nou, meneer Van de Woestijne,’ zei de aantrekkelijke altstem. ‘Uw broek hoeft niet uit; u mag hem oprollen tot de knie, dat is genoeg.’

Klanten móchten altijd van alles, dat was overal hetzelfde.

‘En als u uw schoenen en sokken uit hebt mag u plaatsnemen in de behandelstoel.’

Behandelstoel: het woord klonk klinisch en erotisch tegelijk. Terwijl het woord behandeltafel – hij had zo’n ding in zijn praktijk, bekleed met saai, zwart skai – zijn hart geen slag sneller deed slaan. Hij zag hoe ze voor de spiegel even haar hoofd schudde en een hand met gespreide vingers door haar zwarte haren haalde. Hijzelf stond nooit stil voor een spiegel, behalve voor die in de badkamer, die je nu eenmaal niet vermijden kon als je aan de wastafel stond; de enige spiegel die tot zijn verbeelding sprak was een serie etalageruiten met de voorbijschietende schim van een loper. Len Tuinstra verwisselde haar rode jasje voor een wit jasschort met korte mouwen, dat haar net zo schitterend stond: het medisch wit, dat afstak bij haar licht gebruinde huid, gaf haar het aanzien van een knappe verpleegster, een reddende engel in de ziekenhuisnacht. Uit een zak van dat jasschort diepte ze een wit lint op; ze bracht haar handen naar achter en bond haar haar bijeen. Hijzelf stond voor zijn kledingkast nooit lang stil. In zijn praktijk droeg hij een T-shirt en een spijkerbroek, en wanneer hij naar buiten moest voor een training of een wedstrijd keek hij wat voor weer het was en trok aan wat zijn sponsor daarvoor bedacht had. Als hij al scherp op het uiterlijk van een ander lette was het op het gezicht en de benen van een concurrent: of die nog soepel liep en adem had voor een tempoversnelling.

‘Zo,’ zei Len Tuinstra, terwijl ze zijn bovenlichaam een eindje liet zakken, ‘een man in de stoel: dat gebeurt me niet vaak. Een man die nou eens geen vooroordelen heeft over mijn vak.’

‘Nee,’ loog hij, ‘anders zat ik hier natuurlijk niet.’ Ondanks die stem had hij een vrouw verwacht met geëpileerde wenkbrauwen, oranjerood geverfde konen in een glimmend blotebillengezicht en iets gëxalteerds over zich. ‘Ik zou wel eens willen hardlopen zonder pijn aan mijn tenen,’ zei hij bij wijze van inleiding.

‘O ja, u bent jogger, begreep ik al uit uw telefoontje.’

Jogger? Over vooroordelen gesproken! Ze maakte van hem iets als een discuswerper met een frisbee of een speerwerper met darts.

‘Als ik niet geblesseerd ben loop ik wel iets harder dan een jogger; bovendien verdien ik met lopen mijn brood, gedeeltelijk tenminste: ik heb ook een halve baan als fysiotherapeut.’

‘Fysiotherapeut…’ herhaalde ze, terwijl ze op de taboeret aan zijn voeten ging zitten. ‘Mooi beroep. En eh, dan hebben we misschien wel iets gemeen: u werkt net als ik aan… aan de cultivering van het lichaam, mag ik het zo zeggen? Ik meer van buitenaf, u meer van binnenuit.’

Hij trok sceptisch zijn wenkbrauwen op.

‘Wanneer hebt u last van dat eelt en die likdoorns?’ vroeg ze, zijn tenen betastend.

‘Vooral wanneer mijn tenen tegen mijn schoenen schuren, als de voeten wat opgezet zijn aan het eind van een training of een wedstrijd.’

Ze knikte. ‘In deze stoel zitten vaak mensen die ik niet alleen moet opfrissen, maar ook opmonteren, en van hún moeheid word ík wel eens moe. Bij u is het alleen maar een kwestie van lekker prutsen.’ Met stralende ogen stond ze op van de kruk, pakte van een tafel een doekje met bandjes eraan en bond dat voor. De witte mondbeschermer maakte haar nog meer nachtzuster en gaf haar donkere uiterlijk ook iets oosters.

Meteen nadat ze begonnen was begreep hij de bedoeling van de mondbescherming: zodra de slijpspil aan het motortje het uiteinde van een teen raakte, vlogen er schilfertjes eelt in het rond. Tot zijn opluchting deed de behandeling geen pijn. Wel bleken zijn voeten gevoeliger dan hij gedacht had: al lag hij minstens één keer per week bij de masseur op tafel, er waren nog nooit zoveel opwindende prikkels van beneden naar boven gegaan en hij kreeg kippenvel.

Hoewel hij in zijn praktijk heel wat vrouwenarmen onder ogen kreeg, wonnen de hare met gemak de schoonheidsprijs. Ieder plekje van de huid wekte intense streelneigingen bij hem op: het stukje bovenarm onder de mouw, dik en gaaf en aan de minder bruine binnenkant ook teer; de elleboog, van buiten een nuance donkerder met wat grovere poriën, van binnen fijn in het intiem geplooide kuiltje; de huid van de onderarm, egaal getint zonder één enkele sproet of moedervlek en bekroond door het matzwart leren bandje en de glanzend witte wijzerplaat van het cijferloze horloge; het aantrekkelijkst waren de rug van de hand en de soepele vingers met de rood gelakte nagels. Prachtig, de rechterhand die het motortje vasthield, en alsof het niet op kon was er nóg zo’n mooie hand, in spiegelbeeld, als om monotonie te vermijden. Bij het kijken naar zijn voeten in haar handen viel hem op hoe benig, pezig en blauw dooraderd die onderdanen van hem eruitzagen: het waren meer bruikbare werktuigen dan lichaamsdelen waarvan hij zich voorstellen kon dat iemand er opgewonden van zou raken; alleen als hij liep, lang en hard, kreeg het publiek de handen op elkaar.

Eindelijk hield het motortje aan zijn voeteneinde stil. ‘Dat viel wel mee,’ zei de door de mondbeschermer omfloerste stem. ‘Nu die likdoorns. Daarvoor heb ik een mesje nodig.’

Het zweet brak hem uit. Hij beet op zijn lippen.

Ze deed het doekje af en liet een troostende glimlach zien. ‘Het gaat hygiënisch, hoor, en pijnloos.’

Pijnloos: dat woord was hij tegengekomen in een van die advertenties in de Gouden Gids, met een uitroepteken dat er allesbehalve geruststellend uitzag. Hij was al genoeg kwijt om ook de laatste kilometers van de komende wedstrijden haast zonder pijn aan zijn tenen te kunnen lopen. Was dat mesje nog wel nodig? Hij zou haar pijnloos moeten kunnen laten inslapen, en wel zo dat ze bij het wakker worden haar snijplannen vergeten was, dat ze nog even geeuwend afrekende en hem liet gaan. Ja, die vrouw zou hij even in slaap moeten kunnen brengen op deze behandelstoel…

Een kuchje onderbrak zijn gefantaseer.

Hij probeerde alleen naar haar gezicht te kijken en niet naar het mesje dat met een scherpe draai de pit uit de aardappel moest lichten.

‘U bent een echte man.’ Mannen hebben meer pijnpunten dan vrouwen. Daarin zijn ze allemaal hetzelfde.’

‘Ik dacht toch dat ik behoorlijk stil bleef zitten.’

Ze glimlachte. ‘Doet hardlopen eigenlijk wel eens pijn?’

‘Wel eens pijn! Pijn is de keerzij van de medaille. Om te winnen moet je niet alleen hard lopen, maar ook afzien. De laatste kilometers van een marathon kunnen een kwelling zijn; dan vervloek ik soms die wedstrijd en ik denk: dit is de allerlaatste keer dat ik zo gek ben om tweeënveertig kilometer hard te lopen. Dan is lopen het ergste wat er is, of het op een na ergste.’

‘Wat is dan het ergste?’ vroeg ze zonder op te kijken.

‘Stoppen. Ik weet dat mijn schaamte over het uitstappen erger zal zijn dan de pijn van het lopen.’

‘Ik zou uitstappen in plaats van door te lopen,’ zei ze na een stilte. ‘Ik zie de zin niet van zo’n marathon. Klaar. Nou: pijnloos of niet?’

‘Jawel.’ Hij bewoog zijn niet bijgesneden, maar bijgeschaafde en –geschuurde voeten in alle richtingen en rekte de spieren van zijn kuiten, die van het stilzitten wat stijf geworden waren.

‘Ja, zo hoort een voet eruit te zien,’ zei Len Tuinstra, terwijl ze haar jasschort uittrok als een beeldhouwster haar werkkleding. ‘En een mannenbeen.’

Hoeveel mannenbenen zou ze gezien hebben, niet in deze behandelkamer, maar privé?

‘Veel spier en weinig vet. Heel wat klanten van me zijn te zwaar: het is net of ze het hele jaar, ook midden in de zomer, een rugzak en een heuptas vol winterkleren meesjouwen. Het liefste zouden ze van mij een vermageringspil krijgen en verder niks aan hun leven veranderen. Ik zei net wel dat ik de zin van een marathon niet inzie, maar ik heb toch bewondering voor de discipline van een sportman. Goed… U mag uw schoenen weer aan.’

De toppen van zijn tenen waren vrij, ze hadden geen contact meer met de neuzen van zijn schoenen; hij merkte het direct en het was of hij verender liep. Het wegschuren van het eelt en het secure laagje voor laagje afschaven van de likdoorns hadden succes gehad. Misschien zorgde Len Tuinstra net voor de beslissende seconde winst in de wedstrijd.

‘Gaat u maar vast naar de spreekkamer, bij de voordeur. Ik kom zo.’

Hij pakte zijn jasje van de kapstok en deed wat ze gevraagd had.

In de spreekkamer hing een ingelijste foto, die hij nog niet had gezien. Daar stond Len Tuinstra. Op een erepodium. Haar gezicht was gladder dan nu, jonger en anders; naïever was misschien het juiste woord. Ze droeg een witte sjerp, die bedrukt was met sierlijke, gouden letters. Miss Milo 1987, las hij van linksboven naar rechtsonder. Op de donkere haren van Hélène Tuinstra, zoals ze volgens het onderschrift heette, prijkte een kroon die alleen voorkant, alleen façade leek te zijn, een kroontje met de vorm van een rechtop gezette zonneklep van een tennisster. Hij moest denken aan de foto bij zijn eerste overwinning in een marathon, waar hij op de hoogste trede stond met in plaats van een kroon de haarband met het logo van zijn sponsor. Hoewel Len Tuinstra en hij zich om uiteenlopende redenen op erepodia hadden bevonden en totaal niet op elkaar leken, zelfs niet in de houding – hij stond ondanks zijn vermoeidheid bijna overdreven recht, zij ontspannen op één been, het andere losjes ervoor en haar hoofd wat naar opzij – waren ze in één opzicht hetzelfde: ze hadden het gemaakt.

‘De mensen in de wachtkamer vinden het leuk en vertellen het door; zo levert die mond-tot-mondreclame af en toe een nieuwe klant op. Dat gedoe interesseert me allang niet meer, maar toen ik won was ik in tranen: amper tweeëntwintig en het doel van mijn leven al bereikt!’

Ja, een erepodium leek achteraf soms minder hoog dan van tevoren.

‘Goed, ik heb er het een en ander aan overgehouden, geld, een contract…’

‘Wat voor contract? Sorry dat ik me met uw zaken bemoei.’

‘Een contract als fotomodel. Door zo’n miss-verkiezing kom je in de picture. Ik heb een jaar of wat goed verdiend. Toch begon dat werk me te vervelen: iedere dag doen wat de heren zeggen, ik bedoel de fotograaf, de stylist en de visagist; je gezicht laten dichtplamuren met pancake; poseren in allerlei badpakken of sportkleren, in de hitte van de lampen of de zon, of juist op een ijzig koud strand.’ Ze legde de handen in haar nek, stak haar borsten naar voren, trok een stereotiep sexy gezicht en hield dat een paar seconden vol. Abrupt deed ze haar tong tussen haar lippen, ademde sissend uit en zakte in als een opblaaspop met geopend ventiel.

Hij lachte.

‘Weet u wat het vervelendste was? Dat ik de hele dag door beoordeeld werd. Niet op mijn zogenaamde schoonheid, want die zagen ze als een soort natuurver–schijnsel, maar op de kleine gebreken die ik heb.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Als ik weer model zou willen worden, zouden de heren me niet eens meer zien staan.’

Zo’n vrouw! Om die paar rimpeltjes?

‘Waarom niet?’ vroeg hij.

Ze keek hem even aan, deed een stap naar achteren, spreidde haar armen met een elegant gebaar en keek omlaag naar haar lichaam. ‘De wet van de zwaartekracht…’

Len Tuinstra leek geen vrouw die ten koste van alles jong wilde blijven en oud zou worden met borsten vol siliconen en een gezicht en hals vol vreemde, trekkende naden. Hoewel hij zich heel goed kon voorstellen dat ouder-worden haar onrustig maakte, want ook hij kreeg het soms benauwd bij de gedachte dat ooit zijn tijden niet beter maar slechter zouden worden, tot hij uiteindelijk de jogger zou zijn waarvoor zij hem eerst had aangezien.

‘Is uw uiterlijk een voordeel?’ Voor de klanten, wou hij zeggen.

‘Vaak juist een nadeel.’ Ze lachte met een lucht¬stoot¬je door haar neus. ‘Ik ben

altijd aantrekkelijk geweest voor mannen waar ik niet zo’n zin in had: mannen met alleen maar poen, mannen met vet in plaats van spieren, mannen met spieren en verder niks, mannen die’ – haar vingers maakten aanhalingstekens – ‘goodlooking waren, maar geen good look hadden. En nu, in mijn praktijk, zie ik weinig mannen. Weet u, mannen generen zich gauw voor mooi-zijn en verzorgd-worden. Sommigen krijg ik pas onder ogen wanneer ze ontoonbaar zijn gewor–den; het mankeert er nog aan dat ze hier komen met een krant of een attachékof–fertje voor hun gezicht, als verdachten die tussen de camera’s door bij het paleis van justitie naar binnen moeten. Als vakvrouw wil ik graag mijn best doen een man minder zielig te maken, maar als vrouw privé zou ik dat niet willen.’ Het klonk of ze alleen was. ‘Ik houd van mannen die niet zielig zijn, die iets presteren, die een doel willen bereiken; niet met hun ellebogen en zeker niet met hun vuisten, maar bijvoorbeeld…’

Met hun benen?

‘Ik ben anders nooit zo openhartig tegen een klant,’ zei ze glimlachend. ‘Eh… hebt u misschien zin in… een pittige espresso?’

‘Graag. Als u tijd hebt.’

‘Meneer Van de Woestijne, ik heb een Italiaans espressomachientje, dat snel op temperatuur komt, en bovendien bent u mijn laatste klant vandaag.’

Hij keek haar na. Tegenover haar elegante motoriek was die van hem lomp of liever louter functioneel. Toch was er een overeenkomst, want zowel voor haar als voor hem betekende lopen meer dan je bewegen van A naar B, onverschillig hoe: hun passen daagden uit. Hij had haar lopen in zijn geheugen als een camera een finishfoto. Hoe zou die vrouw eruitzien na een eind hardlopen? Met een diepe blos op haar gezicht, met zweetdruppeltjes die door het fijne poeder van de make-up heen gedrongen waren en er als pareltjes op bleven liggen; met schitterende ogen, die groter leken; met de geur van vers zweet die het parfum verdrong en met borsten die rezen en dalen van het hijgen. De inspanning van het lopen zou het effect kunnen hebben van een extra schoonheidsbehandeling.

Hij ging aan het bureautje zitten, op de stoel die voor de klant bedoeld was en staarde naar de telefoon, het antwoordapparaat en de agenda. Een nieuwe af–spraak zou hij moeten maken, maar dan privé. Hij zou er wat voor geven om meer van die vrouw te zien. Wat hij kon doen was een blaadje van het memoblok pakken, er zijn naam en nummer op schrijven met de hartekreet “Bel me” en dat in haar bureau-agenda schuiven. Maar het kon zijn dat hij haar houding helemaal verkeerd interpreteerde; misschien praatte ze alleen met hem om de tijd te doden en zou ze het papiertje dat zomaar tussen haar blanke bladzijden was gaan liggen met twee gelakte nagels opnemen om het fronsend of lachend te versnipperen en in de prullenbak te gooien. Hij bukte zich en wierp een blik onder het bureautje. Een glanzend verchroomde cilinder: zelfs haar prullenbak had een verantwoord design.

Om zich een houding te geven posteerde hij zich voor de grote glazen kast met cosmetica in lange rijen flesjes, potjes, doosjes en tubes. Bij iedere grotere bewe–ging tijdens de voetverzorging had hij haar parfum geroken. In welk flesje zou die geur verborgen zitten?

‘Interesse?’ vroeg Len Tuinstra, terwijl ze met de kopjes binnenkwam.

Hij voelde zich even betrapt. ‘Och…’

‘Ik heb ook parfums voor mannen.’

Hij lachte. Trainen op de baan, andere lopers inhalen en achterlaten in een geparfumeerde slipstream! Nee, zweet en parfum stootten elkaar af als water en olie; water zwoegde voort en droeg de schepen, terwijl olie zich lui mee liet deinen en mooie, maar nutteloze kleurtjes op de oppervlakte toverde.

‘Ik wil u niks aansmeren, hoor. U ziet er blakend van gezondheid uit. Toch zou ik nog wel mogelijkheden weten om iets aan uw uiterlijk te doen.’

Hij herinnerde zich de tientallen kolommen in de Gouden Gids met schoonheidsinstituten, schoonheidssalons, beauty centers, beauty gardens, beauty studio’s, hair studio’s en nail studio’s, met opsommingen van de wildste behandelingen. Ontelbare vrouwen en misschien ook heel wat mannen in de stad moesten bijzonder ontevreden zijn over hun uiterlijk. ‘O ja? Wat dan?’

Ik zou u een schoonheidsmasker kunnen geven met wat daar zo bij hoort.’

Waarom stelde ze nóg een behandeling voor? dacht hij, nippend van de hete espresso. Om aan hem te verdienen? Om hem langer hier te houden?

‘Wanneer?’ informeerde hij losjes.

De glimlach was onweerstaanbaar. De geest was uit de parfumfles. Toch zou het niet goed zijn wanneer hij al te gewillig in die stoel ging zitten. ‘Als ik morgen maar geen opvallende luchtjes verspreid onder mijn patiënten en zeker niet onder mijn medeatleten,’ zei hij, met alle onverschilligheid die hij nog op kon brengen.

‘Nee, nee, daar hoeft u niet bang voor te zijn.’

‘Ik weet niet wat ik me bij zo’n behandeling voor moet stellen.’

‘Dat kan ik u allemaal uitleggen, maar u kunt alles ook gewoon over u laten komen.’ Haar stem klonk nog lager dan daarvoor.

Zijn aarzeling was half gespeeld. ‘Oké,’ zuchtte hij.

‘U mag uw jasje weer uittrekken. En uw T-shirt.’

Zitten was deze keer niet genoeg: Len Tuinstra draaide de stoel zo ver achterover, dat hij vrijwel lag. Anders dan bij de sportmasseur wist hij niet wat hem te wachten stond en in zijn praktijk waren de rollen omgekeerd: daar lag de patiënt, en hij stond erboven. Over zijn onderlichaam en zijn benen legde ze een soort dekbed, zoals misschien bij elke klant, om afkoeling te voorkomen. Hij moest wennen aan de houding van een rijke, luie passagier op de dekstoel van een schip dat kruist door een lauwe Middellandse Zee, ver verwijderd van de wal met zijn klokken, agenda’s en telefoons.

Ze smeerde zijn gezicht in met een crème, die ze met even grote zorgvuldigheid weer verwijderde. Het warme kompres waarmee ze vervolgens zijn hoofd en hals bedekte wekte bij hem associaties met de Beppu-Oita Mainichi Marathon: de dag na de wedstrijd had hij in een restaurant gegeten, zo goed en zo kwaad als het ging met die stokjes en wat bijstand van zijn vingers, waarna een buigend meisje hem een heet en vochtig doekje was komen brengen, speciaal om de vingers schoon te maken; waarschijnlijk een typisch Japanse gewoonte. Alleen had dit kompres een geur, een ouderwetse geur, het zou lavendel kunnen zijn. Len Tuinstra hanteerde een elektrisch draaiende borstel, die heel wat langzamer en zachtaardiger draaide dan de slijpspil voor zijn tenen; kennelijk moest er een lelijk laagje van zijn huid af. Ze blies stoom in zijn gezicht, waardoor zijn poriën zich openden als in een sauna, en behandelde zijn huid vervolgens met een verkoelende lotion. Geen halve maatregelen. Ging ze al haar klanten op zoveel manieren te lijf? Had hij een probleemhuid? Wilde ze net als bij zijn voeten lekker prutsen? Zag ze misschien ook iets in hem? Het bleef gissen, want ze deed alles zwijgend. Ze leek een koele minnares, die hem met een ongewone discipline op afstand hield. Misschien was hij zelf wel even gedisciplineerd en terughoudend, zonder dat hij het in de gaten had: zijn dagen, weken, maanden en seizoenen verliepen volgens schema, hij leefde van training naar training, van wedstrijd naar wedstrijd, hij liep met de stopwatch om zijn pols en de hartslagmeter om zijn borst. Het verschil tussen haar massage en die van zijn sportmasseur was groot: haar vingertoppen masseerden de oppervlakte van zijn huid, terwijl de handen van de masseur krachtig tastten naar de spieren eronder; op de massagetafel was het meedenken, terwijl je op de behandelstoel je gedachten kon laten gaan. Weer maakte Len Tuinstra zijn gezicht schoon. De spons die ze gebruikte leek op een spons in de marathon, al greep hij die zelf, in vliegende haast, waarna hij het uitgeknepen vodje op het wegdek smeet; deze spons depte, met langzame en beheerste bewegingen. Op zijn gezicht werd een gaas gelegd, zo behoedzaam alsof de huid door een valpartij in een wedstrijd geschaafd was. Hij deed zijn ogen dicht en ademde door de opening voor zijn mond. Het gaas werd bedekt met een laag crème, dik en koel van substantie. Het was of een beeldhouwster aanstalten maakte een gipsafgietsel van zijn hoofd te maken. Naarmate de geur van de crème dieper tot hem doordrong verdwenen zijn associaties met gips en de beslotenheid van een atelier. Hij lag halfnaakt in een korenveld, tussen halmen die wuifden in de wind, aan het eind van een zomerse dag, die was opgefrist door een malse regenbui; hij rook rustieke geuren van gras, graan, gerst, bier en zelfs honing. Als hij de ontspanning van dit liggen kon volhouden bij het lopen, als hij zijn voeten soepel kon afrollen en geen spier in zijn lichaam onnodig liet werken, zou hij de eerstkomende wedstrijd dan kunnen winnen? Er werd een grote handdoek over zijn borst gelegd. Hij voelde zich of hij de marathon al gelopen had en verzorgd werd.

‘Zo rustig blijven liggen.’

Niets kostte hem minder moeite. Hij glimlachte, maar zelfs dat was te veel: het masker wilde dat hij zelfs de kleinste spiertjes van zijn gezicht volkomen ontspande. Alles om hem heen leek luier te bewegen. Hakken tikten zonder zich te haasten heen en weer. Water spoot niet uit de kraan, maar liet zich vallen. Een deksel vlijde zich gewillig om de schroefdraad van een glazen pot. Een lome handdoek wuifde hem koelte toe. De stof van het jasschort ritselde geheimen. Lamellen vielen en wentelden traag en veranderden de schemer achter zijn oogleden onder het masker in een weldadige duisternis. De hakken liepen de behandelkamer uit en tikten op verschillende vloeren een wegstervende melodie. De geurige behaaglijkheid van het masker op zijn hoofd en hals vloeide als de warmte van wijn naar de rest van zijn lichaam: zijn borst werd warm, zijn buik ging gloeien; zijn voeten, die koel geweest waren, raakten tintelend doorbloed en zijn benen werden zwaar. Als vanzelf kwam de erectie.

Ze kwam de behandelkamer binnen. Niet op schoenen, besefte hij plotseling, maar op blote voeten.

 

 

Eerder verschenen in Hollands Maandblad, jaargang 1996.