Zeg ik tegen mezelf

straat

 

Moisje-Lejb Halpern

 
 

– Wat moet je hier bij het raam staan?
Waarom niet de straat opgegaan?
 
– De straat is voor hen het werkveld
die meten hun uren met geld;
de straat is voor trams vliegensvlug
die rijden steeds heen en terug;
de straat is voor ’t kind en de kat
die springen als vissen in ’t vat;
de straat is voor zuiplappen ook
die wankelen asgrauw als rook,
verspillen hun levenstijd rap
met elke onzekere stap.
 
– Kom, scheer je en kleed je, allee,
en ga naar je oude café.
 
– Daar zitten ze toch in een kring,
naakt als in een badinrichting,
daar kruipen ze ook almaar op
en slaan ze zichzelf op hun kop,
zo met een paar twijgen drijfnat,
net als op een tree van het bad.
Drie dingen bespreken ze trouw:
zichzelf en het bed en de vrouw,
dan vallen ze allen in slaap
aan tafel, meestal na een gaap.
 
– Koop bloemen, een kleurige pracht,
en ga waar iemand op je wacht.
 
– Ik hoef geen hooghartig gezicht
met trots op een hard kaakgewricht.
Ik hoef echt geen namaakfluweel
en rijkdom die schreeuwt me te veel.
Ik hoef ook geen vuurtje dat brandt
in edelstenen aan een hand.
Ik hoef geen liefde van een wijf
dat toont me haar nakende lijf.
Ik hoef ook geen rijkdom die lacht
om alles wat nadenkt en smacht.
 
– De wereld hierbuiten is groot,
waarom stap je niet in de boot?
 
– De wereld is groot, dat is waar,
natuurschoon ligt overal klaar,
toch neem ik maar steeds geen besluit
en ga mijn huis en stad niet uit.
Ook hier blijven kan ik niet meer,
want hier blijven drukt me terneer.
Een wonder is ’t waar ik naar streef,
dood ben ik terwijl ik nog leef
en zoekend en zwijgend verdwaal,
de wereld is chaos, totaal.

 

 

Zog iech tsoe mier –. Uit Ien Njoe Jork, pp. 18-19. New York, 1919