Visioenen van pompoenen

halloweenpompoen

 

Er was eens een koning die zich ongelukkig voelde, en wel zo diep ongelukkig, dat het leven voor hem geen kraak of smaak meer had. Zijn paleis was een juweel van bouwkunst, vond iedereen, maar hij had het er alleen maar koud. Er hingen de prachtigste schilderijen, maar hij liep ze voorbij, omdat voor hem de kleur eraf was. Een concert van de hofkapel zat hij niet uit, omdat de muziek hem neerslachtig maakte. De heerlijke geuren van de bloemen in zijn paleistuin lieten hem alleen maar niezen. En de vijfsterrendiners die zijn chefkok voor hem klaarmaakte hadden voor hem geen kraak of smaak. Het was nog een geluk dat hij niet getrouwd was, want geen koningin had het naast de koning uitgehouden. Ook van het regeren werd de koning somber. Vooral als de ministers hem vertelden hoe verschrikkelijk sterk het leger van Verweggistan de laatste tijd werd. De koning stond ‘s morgens op omdat zijn ministers, zijn hovelingen en zijn volk dat nu eenmaal van hem verwachtten, maar niet omdat hij uitgeslapen en verkwikt was. Als hij traag zijn smetteloze mantel aangetrokken had, at de koning met lange tanden het uitgebreide ontbijt dat de chefkok voor hem klaargemaakt had. Daarna sleepte hij zich naar zijn gouden troon om te regeren en pijn in zijn zitvlak te krijgen. Hij hield het kort, om door de staatszaken niet ongelukkiger te worden dan hij al was.

Op een dag kreeg de koning bezoek van een koopman die eenmaal per jaar het paleis aandeed. De man bereisde verre landen en kocht daar de bij-zonderste dingen in. Vroeger hadden die de koning wel veel geld gekost, maar ieder jaar weer blij en gelukkig gemaakt. De koopman ontvouwde een grote fluwelen doek, legde die voor de troon en stalde er zijn waren op uit. Het waren kristallen flesjes met bedwelmende parfums, kruikjes met wonderbalsems, ringen met edelstenen in flonkerende kleuren, geneeskrachtige kruiden tegen alle denkbare kwalen, zeldzaam zachte zijden doeken en in marokijnleer gebonden boeken over de harems van oosterse vorsten.

De koning overzag de vorstelijke luxe die aan zijn voeten uitgestald was. Dit jaar werd hij er niet heet of koud van. Want hij kreeg het gevoel dat hij alles al eens eerder had gezien. Behalve misschien dat zijden zakje achter de potjes geneeskrachtige kruiden tegen alle kwalen. Hij wees ernaar en vroeg: ‘Wat zit daarin?’

‘Neemt u me niet kwalijk, sire,’ zei de koopman haastig. ‘Dat zakje hoort er niet te liggen.’ Hij nam het op en stak het diep weg in zijn mantelzak.

‘Ho ho!’ zei de koning en ging recht op zijn troon zitten. ‘In dit paleis hoort niets voor mij verborgen te blijven. Laat me dat zakje zien.’

‘Sire, uw wil is wet,’ zei de koopman en haalde het weer tevoorschijn.

Cu-cúr-bi-ta cu-cúr-bi-ti-fi-cans…’ las de koning hardop. ‘Dat klinkt als een toverformule.’

‘Sire, ik smeek u,’ zei de koopman, ‘gooi me niet in de gevangenis!’

‘Hoezo?’ vroeg de koning.

De koopman fronste zijn wenkbrauwen. ‘De zaden in dat zakje zijn in uw koninkrijk verboden waar. Als ik ze te koop aanbood en als u ze kocht, zou dat bijzonder onverstandig zijn!’

Liever onverstandig dan ongelukkig, dacht de koning. Hij bekeek het zakje van alle kanten en rook eraan.

‘Sire,’ vervolgde de koopman, ‘wie eet van de vruchten die uit de zaden groeien, zal zich in het begin gelukkig wanen. Maar van meester wordt hij slaaf.’ Hij hield even in en keek de koning aan. ‘Hij betaalt voor zijn geluk een hoge prijs.’

‘Geld speelt geen rol,’ besloot de koning. ‘Ik koop die zaden.’

‘Hoeveel?’ vroeg de koopman haastig.

‘Allemaal,’ antwoordde de koning. En voor het eerst in lange tijd voelde hij in zijn koude borst een sprankje geluk.

‘Sire,’ waarschuwde de koopman nog, ‘bewaar het zaad, maar zaai het niet! En eet vooral niet van de vruchten!’

Nauwelijks was de koopman vertrokken, of de koning riep zijn hovenier bij zich. Hij gaf opdracht een uithoek van de paleistuin te omheinen en achter het hoge hek het zaad te zaaien. Aan dat verborgen hoekje van de paleistuin moest de hovenier de allergrootste zorg besteden; hij moest het zorgvuldig begieten als het lang droog was en alle onkruid uitroeien met wortel en tak. Bovendien was het hem streng verboden met iemand over de uitzaaiingen van de koning te spreken.

Het duurde niet lang of uit het zaad groeiden vruchten. Grote, bolle vruchten in felle kleuren. Oranje. Geel. Groen. De hovenier zag dat het pompoenen waren en alleen al aan de malle naam van de vrucht had hij een hekel. In zijn ogen waren de pompoenen pompeuze indringers in de paleistuin. Toch deed hij tegenover de koning enthousiast. Want bij het overhandigen van de eerste pompoen had hij in de anders zo ongelukkige ogen van de koning wat glans gezien. Niet veel, maar toch.

De nacht nadat hem de eerste pompoen was overhandigd, kon de koning niet in slaap komen. Hij wachtte tot het hele paleis in diepe slaap was, pakte zijn jachtmes en sloop door kille gangen naar de zaal waar de vrucht lag. Bij het licht van de volle maan halveerde hij de pompoen. Vervolgens sneed hij een heel klein partje af en stak dat voorzichtig in zijn mond.

De duistere, verlaten zaal veranderde in een schitterend verlichte spiegelzaal met muziek en wervelende dansers, verblindend mooie vrouwen en buffetten met bedwelmende wijnen. In de borst van de koning begon iets te gloeien. Wat was het?

Geluk.

Geluk!

De koning greep zijn jachtmes en sneed met bevende handen een tweede partje van de pompoen. Het was iets groter dan het eerste. Voor de maan achter de wolken verdwenen was, had de koning de pompoen leeggegeten. Er bleef niets over dan twee helften van een holle kalebas. De koning zweefde door de niet meer zo kille gangen terug naar zijn slaapvertrek en gleed zijn hemelbed in. Het was of het zware meubelstuk niet stilstond op zijn vier poten van geloogd eikenhout, maar zachtjes wiegde, heen en weer, heen en weer. En plotseling hoorde de koning zichzelf neuriën:

    Pom pom poen, pomperdepoen,
    vroeger, ja toen, toen was ik een oen,
    ik at geen pompoen en had geen visioen,
    pom pom poen, pomperdepoen…
 
    Pom pom poen, pomperdepoen,
    hier is mijn poen, wat moet ‘k ermee doen,
    geef me pompoen, dan krijg je een zoen,
    pom pom poen, pomperdepoen…

Toen hij uitgezongen was, viel hij met een in- en ingelukkige glimlach om zijn mond in slaap.

De volgende morgen keek de koning voor het eerst in jaren weer eens in de spiegel zonder angst daar ongelukkiger van te worden.

Wat hij zag, was een bolleboos van een vorst met een blozende kop.

Iedere nacht sloop de koning op zijden kousenvoeten zijn slaapvertrek uit om op de een of andere manier aan een pompoen te komen. Als er in het paleis geen lag, ritselde hij de tuin in om er een af te snijden. De hovenier herkende de voetafdrukken, maar hield zijn mond.

Van dag tot dag zag de koning zijn hoofd boller en blozender worden. En nog steeds was hij gelukkig. Dat wil zeggen ‘s nachts, als hij pompoen at. Overdag voelde hij zich een stuk minder en het enige wat hem op de been hield, was de gedachte aan een dikke, sappige pompoen in de nacht.

De koning Manco was altijd al een beetje kaal geweest. Maar naarmate hij meer pompoen at, begon er meer haar uit te vallen. Hij troostte zich met de gedachte dat het kwaaltje bij oudere mannen, zelfs oudere mannen met blauw bloed, normaal was. Waar hersenen zitten kan geen haar zitten, was een bekend gezegde, dat hij zelf bedacht had. Bovendien werd alles goedgemaakt door de blos op zijn wangen, die dieper en dieper werd en van roze langzaam naar oranje kleurde. De koninklijke volheid van zijn hoofd begon indrukwekkende vormen aan te nemen.

Op een dag bij het aankleden kletterde de kroon op de grond. De koning pakte hem op en zette hem terug op zijn hoofd. Maar opnieuw viel de kroon op de grond. De koning moest erkennen dat het teken van zijn waardigheid hem niet meer paste. Bij het luisteren naar zijn ministers merkte hij dat zijn oren kleiner werden. Heel erg vond hij dat niet, want de verhalen van zijn ministers maakten hem niet gelukkig. Zijn mond daarentegen werd steeds groter, en dat was een voordeel, omdat hij er forsere stukken pompoen in proppen kon. De laatste keer dat de koning in de spiegel keek, zag hij holle ogen. Maar ze stonden niet hol en angstig, zoals de ogen van zijn vader, de oude koning, in de tijd van de oorlog met Verweggistan. Ze waren eerder leeg. En door die ogen heen zag de koning het licht. Boven de koninklijke hersenen, die hem vroeger zo ongelukkig hadden gemaakt, was ruimte ontstaan. En in die ruimte – ja, hij zag het goed – daar flakkerde een lichtje.

De koning gaf opdracht de hele paleistuin om te spitten, overal de gouden regen, prinsessenboon, koningsvaren en keizersalade onder te schoffelen en alleen nog maar pompoenen te verbouwen. Rond de tuin en het paleis werd een omheining gemaakt, geen houten hek, maar een stenen muur om boeren en burgers weg te houden. Want als het volk naar de pompoenen greep, zou de koning al gauw niets meer te eten hebben.

De onderdanen hadden geen idee wat er in het paleis gebeurde. Wel merkten ze dat de koning zich steeds minder met hen bemoeide en daar waren ze eigenlijk wel gelukkig mee.

De chefkok was ongelukkig. De koning stuurde alle heerlijke en voedzame maaltijden terug naar de keuken en wilde alleen nog maar in partjes gesneden pompoenen. Geleund tegen het koude fornuis keek de chefkok peinzend naar het hakblok met de aangesneden pompoen, die een eigenaardige, zoetige geur verspreidde. Als de koning niets anders meer bliefde, moest er in die vreemde vruchten wel iets zitten. Zou hij zelf niet eens een hapje proeven? De chefkok pakte zijn mes, sneed een snippertje af en legde het op zijn tong. Wat een ongekende sappigheid! Dit was een eigenaardige pompoenensoort, die je ongekookt kon eten… De kok nam een grote hap. Na die hap pompoen had hij opeens zo’n vreselijke zin om op zijn aanrecht te gaan liggen, met zijn hoofd op het hakblok. Hij vond het niet zo passen bij een chefkok in uniform, maar deed het toch. En toen hij eenmaal languit onder de messen lag, kreeg hij visioenen van pompoenen.

Een paar dagen later zag de chefkok zijn gezicht in een pas geschuurde koekenpan. Hij was veranderd. Zijn hoofd was groot, bol en oranje. Hij sloop langs een omweg naar de hofkleermaker en liet de maat nemen voor een nieuwe koksmuts. Maar op het moment dat de kleermaker naald en draad neerlegde, paste de koksmuts al niet meer. Elke week moest ze uitgenomen worden. En toen dat niet meer kon, nam de kleermaker het patroon van een geruite kindermuts en vermenigvuldigde de maat met tien, met het oog op de groei.

Een aantal gelukkige nachten later merkte de chefkok dat zijn muts in de mode raakte. Eerst zag hij hem bij de koninklijke afwasser tweede klasse, daarna bij de afwasser eerste klasse, later bij de hovenier, en ten slotte bij het voltallige personeel en zelfs bij de ministers. Op de dag dat iedereen aan het hof een muts droeg, liet de chefkok haar af. Weer volgden de andere hovelingen de nieuwe mode. Er was niets meer te verbergen. Blozen van schaamte viel niet meer op. Iedereen, van kamermeisje tot minister, toonde ongegeneerd zijn oranje, gele, groene of gestreepte hoofd. En ieder keek de ander recht in de holle ogen, waarachter het vlammetje flakkerde.

Op een dag keerde een gezant van de koning onverwachts terug uit Verweggistan. Hij kwam om te zeggen dat de regering van Verweggistan zijn troepen samentrok bij de grens. Er dreigde oorlog. Een oorlog, misschien nog verschrikkelijker dan die onder de vorige koning. De koning moest onmiddellijk tegenmaatregelen nemen.

Toen de gezant arriveerde, wist hij niet wat hij zag. Om paleis en tuin was een hoge muur gemetseld. De hovelingen keken hem aan met een holle, flakkerende blik. In het paleis hing een zoetige, vreemde, hoewel niet onaangename lucht. En op de lang niet aangeveegde vloeren lagen grote, geruite mutsen vol oranje, kleverige plekken. Ergens tussen de mutsen vond de gezant een zijden zakje. Hij raapte het op en las de woorden Cucúrbita cucúrbitificans. ‘Dat klinkt als een boze toverformule,’ zei hij hardop. Het gevoel bekroop hem dat de oorlog nog sneller dichterbij kwam. Zo snel als hij kon liep de gezant naar de koning, om hem te waarschuwen voor de aanval van Verweggistan en vervolgens te vragen wat er in zijn eigen land aan de hand was.

Op de troon zat een man met een wanstaltig hoofd. En om zijn uitgeteerde lichaam hingen de voor hem te wijde kleren van de koning. De man liet zich stukjes zoet geurend fruit voeren door iemand in lakeienkleren, die een al even wanstaltig hoofd had.

‘Heb ik de eer voor Zijne Majesteit te staan?’ vroeg de gezant voor alle zekerheid.

De lakei hield op met voeren. ‘Zijne Majesteit eet een pompoentje,’ legde hij uit en hij grijnsde. ‘De smaak is te gek, weet je. Stoor hem niet, want dan wordt hij ongelukkig, weet je.’

‘Sinterklaas Pompoentje…’ zong de koning, terwijl het sap over zijn kin droop. ‘Geef de vorst een zoentje…’

De gezant wiste het zweet van zijn voorhoofd. ‘Sire,’ zei hij, ‘als ik u een goede raad mag geven: breng onmiddellijk, maar dan ook onmiddelijk het leger in paraatheid, want de troepen van Verweggistan staan aan de grens. Ze willen het land binnenvallen en ons tot slaven maken.’

‘Nemen ze pompoenen mee?’ vroeg de koning met de stem van een piepjong prinsje.

‘Met zo’n koning zal de vijand weinig moeite hebben…’ mompelde de gezant. ‘Mijn vorst heeft visioenen van pompoenen. Hij is een slaaf geworden.’ Daarop haalde de gezant diep adem en slaakte een lange zucht.

Dat had hij beter niet kunnen doen. Het licht in de ogen van de lakei doofde uit en zijn lichaam viel om. Het grote, bolle hoofd bonsde hol op de grond en rolde in het rond.

De gezant boog zich over de gevallen hoveling. Hij besefte dat Verweggistan geen kanonnen nodig zou hebben. Het kleinste windje was genoeg om het hele hof uit te blazen. Gelukkig flakkerde het vlammetje van de koning nog. De gezant keerde zich om en trok de deur in het slot. In de tuin pakte hij een mes, kapte alle pompoenen en gooide ze op een hoop. Er waren hovelingen die hem wilden tegenhouden, maar ze stonden zo wankel op hun benen, dat ze de gezant niet aankonden. De gezant raapte een dor takje op en stak het door het oog van de hovenier. Met het brandende takje liep hij naar de grote hoop pompoenen. Die vatte vlam en al gauw steeg er een walgelijke walm uit op.

Toen ze erachter kwamen dat alles verbrand was, huilden de koning, de ministers en de hovelingen tranen met tuiten uit hun holle ogen. Naar hun dagelijkse portie pompoen met visioen konden ze nu wel fluiten. Die nacht kwamen ze niet in slaap, want ze lagen te krimpen van de pijn.

De volgende dag ging de gezant ongevraagd naar de koning. Hij zag dat het staatshoofd iets kleiner was geworden. De hersenpan paste weer bijna om de hersenen en er groeiden zelfs een paar haren op het hoofd. Het leek of de oogbollen weer terug wilden glijden in hun holten.

‘O… o…’ kreunde de koning. ‘Als je eens wist wat een pijn ik heb!’

‘Sire,’ zei de gezant, ‘houd moed. Als u zo doorgaat, past de kroon u binnenkort. Dan kunt u weer regeren. En dat wordt ook hoog tijd, want Verweggistan staat op het punt ons land binnen te vallen.’

Het vooruitzicht op regeren leek de koning niet gelukkig te maken. ‘Ik moet snel pompoen hebben tegen de pijn,’ zei hij en greep naar zijn hoofd. ‘Vannacht wist ik niet waar ik het zoeken moest. Ik heb me ongelukkig liggen piekeren.’

‘Ziet u wel,’ zei de gezant, ‘u bent alweer bijna de oude.’

‘Gelukkig wist ik vlak voor zonsopgang opeens wel waar ik het zoeken moest,’ zei de koning. Hij haalde een zijden zakje tevoorschijn.

De gezant herkende het zakje dat hij had zien rondslingeren tussen de geruite mutsen in het paleis.

‘Ik dacht eerst dat het leeg was,’ zei de koning. ‘Maar gelukkig is dat niet zo.’ Hij stak duim en wijsvinger in het zakje en viste er een piepklein pompoenzaadje uit. ‘Ik wil dat dit gezaaid wordt in de tuin van het paleis. Je moet me helpen, want alleen kan ik het niet. Mijn hoofd krimpt van de pijn en mijn benen die zijn te slap.’

‘Ik zal het zaadje zaaien,’ beloofde de gezant.

Op de bolle wangen van de koning verscheen een diep oranje blos. ‘Wil je dat voor me doen?’

‘Ik zal het zaadje zaaien,’ herhaalde de gezant. ‘In de laatste moestuin voor de grens.’

‘Waarom zover weg?’ klaagde de koning. ‘Aha, ik begrijp het: dat de mi-nisters en lakeien er niet bij kunnen!’

‘Sire,’ zei de gezant. ‘Gisteren kwam ik hier met een dringende boodschap. Ik hoop dat u vandaag naar me luistert. Sire, Verweggistan is sterker dan ooit, sterker dan in de tijd van uw vader, en tot de tanden bewapend. Het staat klaar om ons land te veroveren. De Verweggistaners willen ons tot slaven maken. Als dat lukt, wordt u ongelukkiger dan u ooit geweest bent. Dan zult u nog terugverlangen naar de tijd dat u alleen maar hoofdpijn had.’

Het oranje gezicht van de koning verbleekte tot zachtgeel en zijn ogen stonden holler dan ooit.

‘Sire,’ zei de gezant. ‘Ik zal het zaadje zaaien in de laatste moestuin voor de grens. Ik zorg dat het vertroeteld wordt. Om de tuin laat ik een schutting plaatsen. En bij de weg een bord met ATERET HOTPERDOM, wat zoals u weet in het Verweggistans “Streng verboden toegang” betekent. Vervolgens ga ik de grens over om in Verweggistan nieuwsgierigheid te zaaien. Sire, de prijs van de pompoenen zal hoog zijn…’

Met grote tegenzin stopte de koning het zaadje in het zijden zakje en overhandigde dat aan de gezant. Toen zag hij voor zich wat er zou gebeuren. Hij kreeg visioenen van pompoenen. En er verscheen een glimlach op zijn gezicht, al deed die glimlach nog pijn.

 

1996