Verarmde mensen

Vera Kholodnaya - A Life for a Life (1916)

 

Dovid Bergelson

 

1

Als Tsivje, de jongste en verzuurdste van de twee ongetrouwde gezusters Foezis, het oude, verarmde leven ondraaglijk begint te vinden, houdt ze op met eten en drinken en wast haar gezicht niet meer. Dagenlang waart ze rond in peignoir met een wollen sjaal om haar ongekamde hoofd en maakt alle kamers schoon, vooral de grote, lege salon; vlot stoft ze de muren, het plafond en ieder vergeeld blad van de grote, oude ficussen, waarbij ze zwaar door haar neus ademt, geen antwoord geeft als iemand iets tegen haar zegt en heel kwaad wordt als ze haar roepen om te komen eten.

Een paar etmalen vast ze dan, zonder een hap eten en zelfs zonder een glas warme thee, en ten slotte laat ze zich dan in het bed vallen dat altijd onopgemaakt in haar kamer staat, om uit te barsten in een hartverscheurend huilen. Het huilen klinkt wanhopig en jammerend en houdt wel een dag of twee aan.

‘Heer der wereld,’ brengt ze snikkend uit, ‘je rot hier in huis nog zonder doodshemd weg… Levend lig je hier weg te rotten…’

En die woorden komen hard aan bij haar oudere zuster Rochele, een jonge vrouw van vierendertig, klein van stuk en met een lichtbehaarde bovenlip. Zij is de hele tijd hier bij Tsivje in de kamer om een oogje op haar te houden. Ze staat met haar gezicht naar het raam te kijken hoe de buurvrouw, de vrouw van de kuiper, op de binnenplaats verschijnt met opgetrokken jurk en met een volle, hoog opgetilde tobbe naast haar uitpuilende, zwangere buik. Een klein, vuil meisje loopt de kuipersvrouw voor de voeten en wordt telkens door haar uitgefoeterd. Rochel ziet door het dichte raam de dikke, volle lippen van de kuipersvrouw onophoudelijk bewegen, zonder de stem van de vrouw te horen. Bij Rochel zelf staan ook de tranen in haar ogen en terwijl ze uit het raam kijkt, bijt ze op de knokkel van een vinger en denkt de hele tijd aan Tsivje:

‘Heer der wereld, wat wil die Tsivje van mijn leven hebben?’

En verder:

‘Tsivje, weet je wel waar je mee bezig bent? Tsivje…’

Ze denkt deze woorden niet, maar herinnert ze zich alleen maar.

Dit gebeurt meestal na Sjvoeës, tegen tammez, als in het oude, vervallen huis de dikke bakstenen muren, die bijna een meter diep de grond in staan, weer beginnen te zweten. Hun stenen bezoedelen de witte kalk en verspreiden een muffe geur, zoetig en gistend als het aroma van de kokende distilleerderij waarin ze ooit gemetseld zaten. In alle kamers is het overdag dan stil en koel. En alleen in de eetkamer, onderuit op de canapé, ligt de oude Foezis, de heer des huizes. Hij is blind. Hij knippert met zijn blinde ogen, die helemaal wit zijn, luistert aandachtig naar het huilen dat uit Tsivjes kamer komt en informeert:

‘Waarom ligt Tsivje daar te huilen?’

Uit diepe verveling krabt hij op zijn grijze hoofd en in zijn baard, gaapt uitgebreid en fluistert daarbij met wijdopen mond en een erg trage tong:

‘Ach, ach, Heer der wereld! Gottegot… O gottegot…’

Hij ligt te wachten:

Jekoesiël, de boekbinder en de berooide sjammes van de Sadegerer klaus, zal nog wel even langskomen om te zien of de thee klaar is, en die zal hij dan aan de praat houden en vertellen wat een ellende het is met die meisjes van hem.

‘Een doffe ellende…’

Hij zal met hem een praatje maken over van alles, over de stad, over de mensen en over zichzelf, Kalmen Foezis, over zaken die hij vroeger deed: hoe hij ooit voor een schijntje een bos kocht, de Zavaline heette het; hij herinnert het zich als de dag van gisteren:

‘We bleven maar hakken in de Zavaline, misschien wel twaalf jaar achtereen, en we hadden een volle portemonnee; je weet toch wel, Jekoesiël, dat ik, Kalmen Foezis, eerst de slimste was… Maar later, toen het tegenzat, was mijn vrouw Leie zaliger de slimste, want zij had een rijke familie. Nu nemen mijn kinderen mij, Kalmen, niet serieus.

Jaja! Wat zeg jij daar nu van, Jekoesiël?’

Maar Jekoesiël is zo verstandig dat hij weet wanneer hij een opmerking moet plaatsen of juist zijn mond houden. Hij heeft een mooie vlassen baard en ook van die mooie vlassen wenkbrauwen, en als hij binnenkomt bekijkt hij de oude Foezis al van een afstand met een verstandige blik en er glijdt een glimlach over zijn gladgeschoren bovenlip.

‘Hoe gaat het met u?’ roept hij tegen de blinde Foezis, ‘het is niets gedaan, reb Kalmen! Op zo’n lange zomerdag valt het niet mee om arm te zijn.’

En de oude is opeens van zijn stuk gebracht; hij weet niet wie Jekoesiël bedoelt, zichzelf of hem, de oude, verarmde Foezis. Even blijft hij als een armzalig hoopje mens liggen en knippert dwaas en verlegen met zijn blinde, witte ogen.

‘Ga zitten, Jekoesiël.’

‘Dank u, reb Kalmen.’

Stilte.

‘Dat waren nog eens jaren, hè, Jekoesiël?’

‘Wat u zegt, reb Kalmen.’

‘Maar die zijn voorbij, Jekoesiël.’

‘Ja, voorbij, reb Kalmen.’

De oude zit te peinzen.

‘Hoe oud ben jij, Jekoesiël?’

Geen antwoord.

De oude wil weten hoe de wereld, die hij in geen twaalf jaar meer gezien heeft, er nu uitziet en hoe Jekoesiël eruitziet.

‘Jekoesiël,’ vraagt hij voorzichtig, als iemand die op zijn tenen loopt, ‘ben je al grijs, Jekoesiël?’

Maar Jekoesiël is er al niet meer. Hij merkte dat er in huis iets aan de hand was en dat er voorlopig geen thee kwam, en is er gauw vandoor gegaan. En de oude Foezis ligt alweer in zijn eentje in de mooie eetkamer en hoort uit een andere kamer Tsivjes doordringende gehuil. Hij ligt zich te vervelen en te wachten:

In de hitte van vijf uur ’s middags zullen schaduwen over de kasseien van het kleine sjtetl glijden. Het verhitte sjtetl zal uitgestorven zijn en de plaatselijke postbode zal zich haasten door de smalle straat en misschien langskomen om hier precies honderdvijftig roebel te bezorgen met een kwitantie waarop precies vermeld zal staan:

In opdracht van de weledele heer … doe ik u hierbij toekomen … enz.

En die zijn dan afkomstig van zijn enige zoon Sjmoeël, die ergens bij Jekaterinoslav een aantal distilleerderijen bezit en iedere maand een toelage stuurt.

Maar de postbode komt zo zelden, alles bij elkaar één keer per maand. De lange zomerdagen slepen zich voort en Tsivje huilt. De oude krabt op zijn grijze hoofd en in zijn baard en fluistert bij iedere langgerekte gaap:

‘Ach, ach, Heer der wereld! Gottegot… Gottegot…’

 

2

Maar dan:

Van Sjmoeël, zijn rijke zoon, komt er een brief, dat Tsivje moet komen. Zijn schoondochter schrijft een P.S.:

Daar zal Tsivje geen spijt van hebben.

En verder:

Als ze geen jurk heeft, mag dat geen beletsel zijn.

Het gaat overduidelijk om een huwelijksaanzoek, en de bruidegom is niet zomaar iemand: als hij bij Sjmoeël en Broche in de smaak valt, gaat het hem blijkbaar niet om een knap gezicht en hij kijkt dus vooral naar “karakter” en “klasse”.

De oude is opgewonden. Liggend op de canapé knippert hij de hele tijd met zijn blinde, witte ogen en hij is tevreden:

‘Natuurlijk! Sjmoeël… Was het niet allang duidelijk dat hij een bruidegom voor haar zou vinden?’

Hij heeft het niet meer, zo graag wil hij weten wie de bruidegom is en helemaal wie zijn vader is, de schoonvader in spé. Om erachter te komen of daar in Sjmoeëls brief misschien een paar woorden te vinden zijn, vraagt hij de meisjes telkens glimlachend:

‘Zeg Rochele, liefje, hoeveel distilleerderijen heeft Sjmoeël eigenlijk?’

Hij weet dat de meisjes Sjmoeël hoog hebben zitten en daarom zegt hij de hele tijd tegen zichzelf:

‘Als jonge man was hij een chassied, Sjmoeël… Na zijn trouwen ging hij met zijn schoonvader naar het buitenland, naar zijn rebbe. En nu zeggen ze dat hij glacéhandschoenen draagt en de vrouwen van de landheren met wie hij zakendoet een hand geeft. En hij zal wel een mooie baard hebben, een zwarte baard, hè? Ja toch, Rochele, een zwarte baard?’

Maar de meisjes denken dat hun moeder, Leie zaliger, de verstandigste van de twee was en hem, hun blinde vader, nemen ze niet serieus. Uit fatsoen houden ze hun mond, terwijl je ze ziet denken:

‘Wat moet je daar nu op zeggen?’

Een paar dagen is het huis vol onderdrukt, opgewonden rumoer. Bij Tsivje in de kamer verkeert de hele tijd de modern denkende vrouw van de plaatselijke dajen; ze was vroeger bevriend met Rochel, heeft al drie kinderen en is ergens opgevoed in een grote stad bij een vrome stiefgrootvader, een rijke man. Zij naait kleine dingetjes voor Tsivje en geeft adviezen. Ze is zwanger en heeft vlekken in haar gezicht en praat met de zelfverzekerdheid van een expert op dit gebied, die een toverformule kent om een bruidegom te behagen en over wonderkruiden beschikt…

Eindelijk is Tsivje klaar om te vertrekken. Voor het huis wacht een huurkoetsier met Tsivjes bagage en Rochel staat erbij met tranen in haar loensende, meelijwekkende ogen en een onderdrukte jaloezie waar ze nooit voor uit zal komen en ze slaat op het kussentje van de koets:

‘Tsivje zit in ieder geval goed!’

Maar vier weken later is Tsivje terug, vermagerd en met een verbrand gezicht, alsof ze uit een kuuroord komt, met een nieuwe, stille wanhoop in haar hart en barstende hoofdpijn van de doorwaakte nacht in de trein.

Als ze uit het rijtuig klimt glimlacht ze nog, alsof ze blij is om weer thuis te zijn. In huis lijkt het ook wel feest. Op de tafel in de eetkamer ligt een schoon, geel kleed en iedereen drinkt thee. De modern denkende vrouw van de dajen is er ook, terwijl Tsivje haar gezicht vertrekt en klaagt over hoofdpijn en over het rumoerige bruiloftsfeest bij Sjmoeëls rijke schoonvader thuis, dat wel een week duurde.

‘Och arme ik,’ kreunt ze, ‘wat een herrie, als de deur piept hoor ik nog steeds die muzikanten spelen.’

De oude ligt ernaast op de canapé te knipperen met zijn blinde, witte ogen.

‘En?’ vraagt hij, ‘hoe ziet het eruit bij de vader van de bruidegom? Die is rijk, hè? Zit hij er warmpjes bij?’

En over de brief die Sjmoeël een maand geleden gestuurd heeft zegt niemand meer een woord. Tsivje slaapt anderhalf etmaal uit op haar kamer en als ze opstaat heeft ze nog steeds dat gezoem in haar oren en bij iedere piep van de deur hoort ze de muzikanten of de stoomfluit van de trein. De lange zomerdagen verstrijken alweer en iedereen is thuis. Het is koel in huis en de oude ligt eenzaam op de canapé. Hij krabt van diepe verveling op zijn grijze hoofd en in zijn baard en fluistert bij iedere langgerekte gaap:

‘Ach, ach, Heer der wereld! Gottegot! O gottegot!’

Nu is het of er in huis nooit meer iets zal gebeuren.

 

3

Toch gebeurt er iets:

Van Sjmoeël, de rijke zoon, komt er op een dag een telegram, dat hij overmorgen op het stationnetje in de buurt is, in zijn eentje op doorreis naar een kuuroord in het buitenland, en hij vraagt hun naar het station te komen, dan kunnen ze elkaar zien.

Het loopt tegen zonsondergang. En het is zo’n heldere, warme nazomerdag. De oude Foezis ligt in de eetkamer op de canapé te wachten tot ze hem in zijn sjabbeskaftan helpen en met hem de straat opgaan om een eindje te wandelen. Nog niet lang geleden is hier in het sjtetl Jisroël Kitiver in rijkdom gestorven, die vroeger jarenlang zijn compagnon geweest is. En Kitivers kleinzoon Note-Hirsj verbouwt nu het huis van zijn opa en breidt het uit met een nieuw portiek aan de kant van de markt. Liggend op de canapé stelt de oude zich voor hoe hij daar binnenkort als blinde op de markt zal staan voor de uitbouw van het huis. In zijn sjabbeskaftan zal hij daar staan om Note-Hirsj op iets te wijzen met zijn stok:

‘Kijk eens, Note-Hirsj, hier, waar jij het portiek bouwt was vroeger, herinner ik me, een diepe geul; het heeft zin om hier te graven en te kijken of de bodem stevig genoeg is.’

En om hen heen staan mensen uit de stad te kijken:

‘Natuurlijk!’ zeggen ze, ‘Kalmen Foezis… Die heeft in zijn leven wel het een en ander gebouwd!’

De oude popelt om naar het huis van Kitiver aan de markt te gaan.

‘En, Rochele, liefje?’ vraagt hij om de haverklap, ‘waar blijft die sjabbeskaftan?’ Maar Rochel geeft geen antwoord. Er is in huis iets gebeurd: het telegram van Sjmoeël is de meisjes blijkbaar overhandigd door het raam van hun kamer, en van daar is iemand haastig weggelopen om het bericht door te geven. Nu is hier alweer de modern denkende vrouw van de plaatselijke dajen. Alle monden spreken tegelijk en een feestelijk rumoer omringt iedereen. Het lijkt of het huis zich op het laatste wanhopige moment plotseling heeft opgericht, onverwacht en deze keer voorgoed. Is er geen verband tussen Sjmoeëls telegram en de brief waarin hij aan het begin van de zomer schreef dat Tsivje komen moest? Brengt hij nu geen redding hier in huis? Vast en zeker reist hij niet alleen…

Bij Rochele staan de tranen in haar loensende, meelijwekkende ogen. Ze staart voor zich uit, glimlacht en is sprakeloos. En opeens valt ze neer op de stoel in de hoek en barst in huilen uit:

‘Sjmoeël! Acht jaar niet gezien, die Sjmoeël!’

En het lijkt wel of ze hem roept, terwijl hij hier in een andere kamer is.

De hele volgende dag hebben de meisjes het heel erg druk.

Ze maken Moskovisch gebak en meer zoetigheid voor onderweg. Ze wassen zakdoeken uit en persen zelf hun witte jakjes. De ramen staan open. Het dienstmeisje verdenkt Rochel ervan dat ze haar haren aan het krullen is, en de man ligt in de eetkamer op de canapé en heeft het idee dat hij in de derde kamer, waar de meisjes aan tafel staan en met het strijkijzer in de weer zijn, telkens iemand hoort zingen… Hij babbelt met Jekoesiël, de berooide sjammes van de Sadegerer klaus:

‘Vroeger, als jongeman, was Sjmoeël een chassied, hoor! Na zijn trouwen ging hij met zijn schoonvader naar het buitenland, naar zijn rebbe… En nu is hij rijk, die Sjmoeël, schatrijk.’

Als hij stilvalt, knippert hij met zijn blinde ogen en stelt zich voor hoe Sjmoeël er nu uitziet:

‘Hij moet een mooie baard hebben, een zwarte baard. Hij draagt glacéhandschoenen en geeft de vrouwen van de landeigenaars met wie hij zakendoet een hand… Die Sjmoeël!’

Hij doet ’s nachts bijna geen oog dicht. En ’s morgens, als hij samen met de meisjes in zijn nette jas naar buiten gaat, waar de gehuurde faëton voor het huis staat te wachten, maakt hij geen haast om te gaan zitten; blind als hij is loopt hij om de faëton heen, voelt of die een leren kap heeft en stelt zich voor dat het schaduwrijke, geplaveide straatje vol staat met nieuwsgierige mensen uit de stad:

‘Kalmen Foezis gaat uit rijden naar zijn zoon.’

‘Heeft het rijtuig een kap?’ vraagt hij. ‘Eh, is dit hem?’

Ze maken een omweg van heel wat kilometers op de brede postweg. Ze zitten opgedoft in de faëton en in feeststemming, alsof ze naar een bruiloft gaan, en ergeren zich aan de oude, die geen moment zijn mond houdt. Maar als ze op het stationnetje zijn, merken ze meteen dat ze te vroeg van huis zijn gegaan en zitten zich uren te vervelen. Sjmoeël komt met een snelle exprestrein die alleen gereserveerde plaatsen heeft. Als die met hoge snelheid het stationnetje nadert, wordt meteen twee keer de seinklok geluid en de fraai geüniformeerde hoofdconducteur heeft hier op dit kleine station voor niemand respect en staat te foeteren, dat ze het derde kloksein moeten geven:

‘Klaar? Ja?’

Op het perron is het een heel gedrang en dan klinkt midden in het tumult een vaste, krachtige, warme bariton:

‘Vader! Hier ben ik! Ik sta voor het raam!’

Voor een raampje van een rijtuig staat een stevige jonge man met een mooie zwarte baard, die een tikje verwaand uit zijn glanzende ogen kijkt. Dat is Sjmoeël, de rijke, gelukkige zoon Sjmoeël. Hij steekt zijn hand uit om te groeten en de oude staat voor het raampje, bevend van schrik. Hij knippert hevig met zijn blinde, witte ogen en zoekt met al zijn tien bevende vingers de hand, en de meisjes houden zijn arm bij de elleboog op om hem te helpen de hand te vinden. Eindelijk kan hij hem dan pakken, die hand. Hij gebruikt al zijn tien bevende vingers om hem haastig te betasten en te onderzoeken.

‘Dit is toch Sjmoeël zijn hand?’ vraagt hij. ‘Sjmoeëls hand?’

Maar de arrogante, fraai geüniformeerde hoofdconducteur heeft al voor elkaar gekregen dat ze het derde kloksein geven en de trein zet zich al in beweging. De vingers van de oude tasten nog even in de lucht met zoveel gevoel of ze nog steeds het gladde oppervlak van een nieuwe chamoisleren handschoen aanraken en zakken dan langzaam.

Nu gaan ze naar huis; van de trein is al geen spoor meer te bekennen. Hij is verdwenen ergens in de verte, aan de uiterste rand van de nazomerhorizon. Ze gaan weer in de faëton zitten en zoeken een servet vol vers, wit Moskovisch gebak dat ze kwijt zijn. Maar waarvoor hebben ze het eigenlijk meegenomen, dat Moskovische gebak?

Iedereen zwijgt. De paarden voor het huurrijtuig zijn moe. De fut is eruit en de klokjes aan hun halzen klinken nauwelijks meer. Maar zelfs dat zwakke, vermoeide getinkel werkt op Tsivjes zenuwen en maakt haar kwaad:

‘Heer der wereld, ik word gek van die klokjes!’

Op een brede helling in een dal moet de koetsier stilhouden om eindelijk die klokjes eraf te halen. Links, boven een klein bos in de verte, is de vergrote zon bezig onder te gaan; ze wordt omringd door een vloeiende kring, geel en zuiver als pure barnsteen, en een korte, rose streep strekt zich aan de horizon uit en zuigt van ver aan haar. Maar daar is het of ze nooit onder zal gaan, die zon, en zal blijven hangen als in de tijd van het oude Gibeon.

De oude hebben ze al stil gekregen; ze hebben hem uitgefoeterd om zijn geklets en vanaf dat moment houdt hij zijn mond. Hij knipperde alleen maar met zijn blinde, witte ogen en glimlachte even in zijn baard:

‘Jaja! Ze denken zeker dat ik gek ben, die meisjes van me.’

Zo bibberen ze langzaam naar huis, zonder klokjes; ze willen er zo snel mogelijk zijn en ze zwijgen.

Nu zal er in het oude, vervallen huis echt niets nieuws meer gebeuren. Volgend jaar zomer, als daar de dikke bakstenen muren opnieuw gaan zweten, zal Tsivje weer rondwaren in haar peignoir om onverzettelijk alle kamers schoon te maken; ze zal niet eten en niet drinken en uiteindelijk op het bed in haar kamer neervallen om in huilen uit te barsten. En de oude Foezis zal dan weer van tijd tot tijd op de canapé in de eetkamer liggen en met zijn blinde, witte oogspleten knipperen. Om te voorkomen dat Jekoesiël, de sjammes, erachter komt wat Tsivjes gehuil te betekenen heeft, zal hij een praatje met hem aanknopen:

‘Dat waren nog eens jaren, hè, Jekoesiël?’

‘Wat u zegt, reb Kalmen.’

‘Maar ze zijn voorbij, hè, Jekoesiël? Ze vlogen als een schaduw heen.’

‘Als een schaduw, reb Kalmen.’

 

1910

Dovid Bergelson, “Jordim”. Uit Ale Werk II, Buenos Aires: ICUF, 1969, pp. 169-178. Eerder gepubliceerd in Grine Medine nr. 59-60, zomer 2015.

 
 

Woordenlijst

 

Sjvoeës: Wekenfeest, feest van het geven van de Wet op de Sinaï en feest van de eerste vruchten. Na Sjvoeës zijn huwelijken weer toegestaan.

tammez: tiende maand van het jaar (ca. juni/juli).

sjammes: huisbewaarder van een synagoge.

Sadegerer klaus: kleine synagoge van de chassidische sekte van Sadeger (Sadigora in Oekraïne). De rebbes van de sekte stonden bekend om hun luxe, vorstelijke levenswijze.

dajen: deskundige op het gebied van joods religieus recht.

faëton: licht open rijtuig, genoemd naar de Griekse zonnegod.

seinklok: opwindbare luidklok op een meer dan manshoge ijzeren zuil op een perron.

de stilstaande zon boven Gibeon: zie Jozua 10:12.

 

foto: uit Jevgeni Bauer, de film Zjizn za zjizn (“Een leven voor een leven”), 1916.