Van de Rivièra

 

nice-prom-du-midi-vers-1900b

 

Sjolem Aleichem

Wat de Rivièra is moet je mij niet vragen. Net zoals ik nog nooit van de Rivièra gehoord had, zo zou ú daar niets van moeten weten. En ik wou dat ik er ook niets van wist. U wilt dus weten wat “Rivièra” betekent? Dat kan ik u in drie woorden vertellen: “Zjid, dawai harosji!” Rivièra, dat is een plek in Italië die doktoren bedacht hebben om mensen geld uit de zak te kloppen. De hemel is daar altijd helder. Dezelfde hemel als bij ons. De zon is ook dezelfde. Maar de zee, die is gevaarlijk! Die gaat tekeer, die ruist, die werkt op je zenuwen – en je blijft maar betalen. Betalen? Waarom? Daarom. Nergens om. Omdat je een rund bent en je de Rivièra hebt laten aansmeren, daarom betaal je. En je betaalt. Probeer maar eens slim te zijn en niet te betalen! Denk je dat je ruzie krijgt? Gedonder? Vernederingen? Absoluut niet! Ze zijn juist aardig. Allervriendelijkst nemen ze je te grazen. Eén voordeel heeft ze wel, die Rivièra, dat is niet te ontkennen: het is daar warm. En als het warm is, hoest je minder, zeggen ze. En warm is het daar altijd, het hele jaar door. Zomer en winter. Waar wil je naartoe? denkt u. Dat is toch normaal? De zon schijnt, dus is het warm. Nou en? Als je goed stookt, is het bij ons ook niet koud. Maar dan zeggen ze: “de lucht”. De lucht is inderdaad geen slechte lucht. Hij ruikt niet slecht. Naar kruiden. Het is niet de lucht die je ruikt, het zijn de sinaasappels. Er groeien daar sinaasappels. Ik weet niet of je er daarvoor naartoe moet. Lucht is denk ik overal. En sinaasappels kun je bij ons ook kopen. Maar de doktoren zeggen dat lucht en lucht twee verschillende dingen zijn. Van lucht die naar kruiden ruikt word je beter, zeggen ze. Dat zeggen ze, de doktoren dan. Maar luister niet naar de doktoren! Waarom zeggen ze dat de zee aan de Rivièra alle kwalen wegneemt? Ik ontken niet dat hij bij iemand misschien kwalen weggenomen heeft. Van mezelf weet ik dat hij, diezelfde zee, iets weggenomen heeft op de plaats waar ik een groschen had! En niet zozeer de zee als wel de doktoren. Mij heeft God aan de Rivièra een dokter gezonden en wat zal ik daarvan zeggen? Nou ja… Hij is eigenlijk een heel vriendelijke man, zelfs een jood, en wat voor een! Spreekt Jiddisj, net als ik tegen u, en zo zoet, zo snoeperig, zo koekerig, zo taarterig: echt om op te vreten. Alleen moet je geld ophoesten, o, wat moet je ophoesten! Stel je voor wat ik al opgehoest heb! Zo kan het wel weer! Ik besef, hoort u, dat ik me tot het allerlaatst heb laten beetnemen. Ik zag al gauw met wie ik te maken had. Maar ik hield me van den domme. Moet je ophoesten, hoest dan. Eerst hoort hij me uit, stelt allerlei vragen, onderzoekt me met hamertjes en kloppertjes, met buisjes en met slangetjes, en vraagt me de volgende dag terug te komen. Ik vraag: ‘Neem me niet kwalijk, dokter, ik weet niet hoe dat gaat hier; wat rekent u voor een consult?’ Hij kijkt me aan door zijn bril, met zijn handen in zijn zakken en hij zegt: ‘Dat komt wel.’ Ik denk bij mezelf: ‘Goed, komt het wel, dan komt het wel…’ Kom ik de volgende dag, weer hetzelfde: uitgehoord, ondervraagd, betast en beklopt – laat hij me over twee dagen terugkomen, dan krijg ik een injectie. Ik vraag: ‘Neem me niet kwalijk, dokter, wat rekent u?’ Hij zegt: ‘Komt wel.’ Dat komt dus wel. Ik kom twee dagen later, hij geeft me een prik en laat me de volgende dag terugkomen, dan krijg ik een massage. Ik kom de volgende dag terug voor die massage, geeft hij me de massage, dat wil zeggen hij wrijft de prik van de vorige dag uit, zo begrijp ik het, en laat me de volgende dag terugkomen voor weer een prik. Ik vraag: ‘Wat rekent u?’ Hij zegt: ‘Komt wel.’ Dat komt dus wel. Steeds hetzelfde kunstje, dag in, dag uit: de ene dag een prik, de andere dag de prik uitgewreven. Al gauw kreeg ik genoeg van dat gedoe. Een van de twee: wil je me kaalplukken? Pluk dan. Maar waarom dat rekken? Waar staat dat je de ene dag geprikt moet worden en dat het op een aparte dag uitgewreven moet worden? Het lijkt me beter om dat in één moeite door te doen. Dat is toch logisch: ik geef je een prik en ik wrijf het uit. Maar dan? Poespas? Mogen wij weten waarom, als je ons wil uitmelken? Melk dan! Maar misschien wordt er helemaal niet gemolken? En als er niets te halen is? Ken jij mij? Weet jij wie ik ben? Ben jij in mijn zak geweest? Heb jij mijn geld geteld?

Zo stond de zaak ervoor. Er ging een maand voorbij, stuurt hij me per post een rekening. Het werd zwart voor mijn ogen. Per prik laat hij me tien frank betalen – daar melken ze je uit in franken – en voor ieder inwrijven van de prik vijf frank. Een aardige rekening! Met zulke rekeningen kun je goudgeld verdienen! Ik dacht bij mezelf: wat nu? Met hem onderhandelen? Dat kon altijd nog. Als hij geen aanmaning stuurt, die slimmerd, waarom zal ik me nu dan haasten? Ik blijf gewoon naar hem toe gaan, om de dag, voor een prik. Ik ga en hij prikt. En zo ging de winter voorbij. Voor ik het wist was het Poeriem. Tijd om aan de terugreis te gaan denken. Zeker omdat ik me qua gezondheid, God zij dank, ook prima voelde, echt prima. Je kon zeggen – en waarom ook niet? – laten we hopen dat het niet érger wordt; beter kan natuurlijk altijd. Blijkbaar moet je blij zijn met zo’n knappe dokter en naar huis gaan! Ik ga naar de dokter: ‘Zo en zo, dokter, ik ga naar huis.’ Hij zegt: ‘Het beste ermee.’ Ik zeg: ‘En de rekening? Ik moet toch betalen, of niet soms?’ Kijkt hij me aan door zijn bril, met zijn handen in zijn zakken, alsof hij zeggen wil: ‘Ja, en?’ Alsof je zegt: wat houdt u tegen? Ik antwoord: ‘Neem me niet kwalijk, dokter, voor ik met u afreken, wil ik u een verhaal vertellen, als u even tijd hebt…’ Hij zegt: ‘Ik heb geen tijd, maar als het niet te lang duurt, ga uw gang.’ Ik ga zitten en vertel hem het verhaal:

‘Zoals u ziet,’ zeg ik, ‘ben ik een jood, God zij dank, niets aan de hand. God zij dank heb ik ook kinderen, vijf, mogen ze gezond zijn. Vier ervan zijn fijne, knappe jongens, maar ik heb geen idee wat nummer vijf bezielt – en zo een wens ik u niet toe. Hij wou niet leren: een nietsnut. Een rotjong. Ik sloeg hem en gaf dat koppige joch op zijn donder – probeerde het goedschiks en kwaadschiks. Een rotjong. Wat moet je dan? Mijn vrouw zegt: “Laat hem een vak leren.” “Een vak? Ben je gek geworden?” “Wat dan? Is het beter als je hem doodslaat?” Na wat heen-en-weergepraat zie ik dat ze gelijk heeft. Ik doe hem in de leer bij de beste kleermaker en spreek met hem een bedrag van driehonderd roebel af: “Hier hebt u een juweel en maak daar voor mij een vakman van…” En ik tekende met die kleermaker een duidelijk contract, dat hij in drie jaar tijd een volleerd vakman van mijn zoon zou maken en dat ik daarvoor driehonderd roebel zou betalen. Na het eerste jaar kwam mijn kleermaker, kreeg de eerste honderd roebel en tekende voor ontvangst. Mooi. Na het tweede jaar kwam mijn kleermaker, kreeg de volgende honderd roebel en tekende. Mooi. Na het derde jaar was mijn kleermaker er niet. Ik wacht een week. Ik wacht twee weken: niets. Wat is er aan de hand? Ik ga naar mijn kleermaker toe: “Kleermaker, waarom bent u niet gekomen voor de derde honderd roebel?” zeg ik. Hij antwoordt: “Die verdien ik niet.” “Hoezo niet?” “Nou, gewoon,” zegt hij. “In onze kleermakerij,” zegt hij, “gaat het om drie dingen: een kleermaker,” zegt hij, “moet ten eerste zijn vak beheersen. Ten tweede moet hij soms,” zegt hij, “een restant kunnen verwerken. Als u dat diefstal noemt, mij best. En ten derde,” zegt hij, “moet een kleermaker kunnen drinken, dat wil zeggen feest kunnen vieren met een glaasje. Op twee punten is uw zoon,” zegt hij, “een volleerd vakman. Dat houdt in: hij is een behoorlijke dief, en met wat drank,” zegt hij, “kan hij tegen alle dronkelappen op. Alleen een vakman zal hij nooit worden. Hoe kan ik dan nu honderd roebel incasseren?”’

Na dit verhaal aangehoord te hebben antwoordt de dokter: ‘Hoe komt u erbij om dit te vertellen?’ ‘Dat komt,’ zeg ik, ‘omdat het in uw vak,’ zeg ik, ‘de artsenij dus, net als in ieder vak om drie dingen gaat: ten eerste moet je een goede dokter zijn. Ten tweede moet je een eerlijk mens zijn. En ten derde,’ zeg ik, ‘moet een dokter geld kunnen verdienen. Wat van de eerste twee dingen bij u het zwaarste weegt,’ zeg ik, ‘dat weet ik niet. Maar u bent een dokter,’ zeg ik, ‘die rekeningen uit kan schrijven – ik wou dat ik dat kon. En nu,’ zeg ik, ‘úw waar en míjn geld – laten we onderhandelen…’

Mogen onze vijanden net zoveel plagen treffen als ik roebels bij hem afdong: meer dan twee derde. Maar eerlijk waar: ook dat was de behandeling niet waard, want als ik gewoon thuis was blijven zitten zonder iets te doen was ik met een beetje geluk toch wel beter geworden – dus waar is die Rivièra voor nodig?

1909

“Zjid, dawai harosji!” (Russisch): “Jood, hier met je geld!”

Foen der riviera. Uit: Alle Werk 21: 215-220. Sjolem Aleichem Folks-Fond Oisgabe, New York, 1921.