Samenvatting in het Nederlands

De sjofar is, evenals de menora en de davidster, een centraal symbool van het jodendom. In de Hebreeuwse Bijbel is hij het meestgenoemde instrument, dat de openbaring van de tien geboden aankondigt, oproept tot religieuze rituelen, doorklinkt in de vermaningen van profeten en op het slagveld het sein geeft tot de strijd. Een muziekinstrument is hij in de Bijbel maar zelden. In de gebedenboeken voor de joodse hoge feestdagen Rosj Ha-sjana en Jom Kippoer is de sjofar prominent aanwezig en Rosj Hasjana wordt zelfs Jom Teroea genoemd, “dag van het sjofarblazen”. In de dienst produceert de sjofar een woor­deloze voortzetting van gebeden en ook daar is hij geen muziekinstrument. Aan het eind van de 19e eeuw gingen schrijvers, componisten en kunstenaars de primi­tieve ramshoorn anders beoordelen en dankzij hen begon de sjofar aan een tweede jeugd, waarin hij zijn onvermoede artistieke kwaliteiten kon onthullen zonder zijn religieuze verleden te verge­ten.

A Tool of Remembrance is een onderzoek naar het gebruik en de betekenissen van de sjofar als traditioneel religieus symbool in de nieuwe, seculiere context van moderne muziek, literatuur en kunst, waar het instrument niet langer onderworpen is aan religieuze beperkingen en gericht is tot een algemeen, niet exclusief Joods publiek van luisteraars, lezers of kijkers, die niet worden aangezet tot actie of opgewekt tot inkeer, maar uitgenodigd tot het ervaren van de persoonlijke interpretaties van joodse tradities door kunstenaars.

Een status questionis met betrekking tot het gebruik van de sjofar in moderne kunst bestaat in feite niet. De relevante literatuur over het instrument bestaat uit enkele artikelen en hoofdstukken in handboeken en één artikel over de sjofar in moderne muziek, en er bestaat nog geen wetenschappelijke monografie over de sjofar. Intensief zoeken in bibliotheken en musea en op internet leverde 300 kunstwer­ken op uit de periode van eind 19e tot begin 21e eeuw. Met als voornaamste criterium een verrassend of controversieel karakter werden daaruit 30 muziekstukken, 30 literaire werken en 10 kunstwerken geselecteerd, overeenkomstig de getalsverhoudingen tussen de gevonden werken in de drie kunsten. Het getal 70 (30+30+10) is bovendien dat van de “standing blasts” van de sjofar in de dienst van Rosj Hasjana en in de joodse traditie het symbool van volledigheid.

Het onderzoek heeft een synchronistisch karakter en be­handelt dan ook niet de historische ontwikkeling van de sjofar in moderne kunst, maar alleen een aantal werken. Voor een beter begrip van de dialoog tussen enerzijds traditionele sjofarteksten en -signalen en anderzijds moderne kunstwerken dienen concepten van de Russische filosoof Michaïl Bachtin, de Amerikaanse filosoof John Searle en de Brits-Amerikaanse schrijver Thomas Stearns Eliot.

Sjofarsignalen klinken in het grensgebied van gesproken taal en muziek, maar gaan in de Bijbel en de gebedenboeken vergezeld van taaluitingen die hun intentie verdui­delijken. Ze kunnen in de zin van Searles taalhandelingstheorie worden beschouwd als assertieve, directieve, commissieve, expressieve of declaratieve taalhandelingen. In de Bijbel zijn sjofarsignalen vaak directieve taalhandelingen, waarmee God zelf of een sjofarblazer in Zijn naam gezag uitoefent over de luisteraar; in de gebeden­boeken zijn ze vaak expressieve taalhandelingen waarmee de gemeente uiting geeft aan haar gevoelens jegens God.

In de Bijbel roept de sjofar op tot gehoorzaamheid en in de gebedenboeken tot gebed en overgave aan God; volgens de terminologie van Bachtin is dit sjofarblazen “gezaghebbend discours”. Een kunstenaar die zijn publiek meevoert in een gefantaseerde wereld rondom de sjofar heeft geen ge­zag, maar overtuigingskracht, en zijn uiting is “innerlijk overtuigend discours”. In het kunstwerk klinken twee stemmen: die van de traditionele religieuze tekst en die van de kunstenaar. De kunstenaar richt zich tot een adressaat, een Joods of niet-Joods, religieus of seculier publiek; daarnaast heeft hij wat Bachtin noemt een superadressaat, een hogere instantie waarvan hij veronderstelt dat die zijn kunstwerk volledig doorgrondt. Deze kan de God van het jodendom zijn, de God van het christendom, een voor-bijbelse godheid, het zionisme of het eigen geweten.

De sjofar wordt in de Bijbel geblazen op plaatsen en tijden bepaald door Gods wil, een ritueel, een noodsituatie of een militaire campagne, terwijl het sjofarblazen van de gebedenboeken gebonden is aan de hoge feestdagen in de synagoge. Bachtin noemt dergelijke hechte verbindingen van plaats en tijd “chronotopen” en de kunstwerken tonen daarvan tal van nieuwe voorbeelden. Bij het onderzoek naar de stijl van de kunstwerken worden nog drie concepten van Bachtin gebruikt: “hybridisering”, “stilering” en “parodistische stilering”; bij hybridise­ring blijven de traditionele en moderne elementen in het sjofarkunstwerk herkenbaar, terwijl bij stilering één stijl een andere aan zich onderwerpt en als ruw materiaal ge­bruikt.

In de dialoog met de traditionele religieuze teksten kan een kunstenaar drie uitgangs­punten kiezen. In het eerste wordt het heden bepaald door het verleden: de kunstenaar gaat uit van traditionele religieuze teksten over de sjofar of van sjofarsignalen. In het tweede wordt het heden eveneens bepaald door het verleden, maar indirect, via een ander kunstwerk. In het derde uitgangspunt wordt het verleden veranderd door het heden: een artistieke, psychologische, sociale of politieke “eigen kwestie” (Bachtin) van de kun­stenaar brengt hem tot een traditionele religieuze tekst, die een voorbeeld, illustratie, analogie of contrast oplevert; na het ontstaan van het kunstwerk is er aan de betreffende traditionele tekst iets toegevoegd, waardoor die nooit meer op precies dezelfde manier gelezen kan worden.

De werken waarin de kunstenaar het verleden als uitgangspunt neemt, blijken geïnspi­reerd te zijn door veel verschillende Bijbelpassages, niet altijd met de sjofar als onderwerp. De meest gebruikte zijn de theofanie op de berg Sinaï, de verovering van Jericho en de lofpsalmen met sjofar. Zelfs de halacha met betrekking tot de sjofar uit de Misjna blijkt een bruik­baar uitgangspunt. Uit de gebedenboeken voor Rosj Hasjana en Jom Kippoer kiezen kun­stenaars vooral de secties Malchoejjot, Zichronot en Sjofarot uit de dienst van Rosj Has­jana en de Neïla uit de dienst van Jom Kippoer. Sjofarsignalen worden in muziekstukken geciteerd, in literaire werken door middel van een onomatopee geïmiteerd, of getransformeerd ten gehore gebracht door een sjofar dan wel een ander instrument. Inspiratiebronnen zijn ook het ruige sjofartimbre zelf en het systeem van 100 sjofarsignalen in de dienst van Rosj Hasjana, waarvan de hele structuur wordt overgenomen of het principe van de driedeligheid.

Het tweede uitgangspunt, waarbij het heden indirect wordt bepaald door het verleden, leidt tot kunstwerken geïnspireerd door een moment uit een ander werk, of tot de bewerking van een compleet kunstwerk in een ander artistiek medium, zoals een illustratie bij een gedicht, een cantate op een gedicht, en een opera gebaseerd op een toneelstuk.

Bij het derde uitgangspunt, waarbij het verleden wordt veranderd door het heden, blijken kunstenaars zich bezig te houden met een verdediging van de sjofartraditie tegen de opdringende technische en zakelijke moderniteit of juist met de technische modernisering van de sjofar. De Sjoa is in de kunst een belangrijk onderwerp met als thema’s pogroms, heiliging door de sjofar, kracht vanuit het geloof en herdenking. Oorlogen tussen Israël en zijn buurlanden en het fenomeen terrorisme zijn het uitgangspunt van enkele kunstenaars. Andere belangrijke inspiratiebronnen zijn religieuze confrontaties tussen de joodse religie en een natuurreligie, tussen jodendom, christendom en islam, of binnen het jodendom tussen religiositeit en seculariteit. En ten slotte gaan veel kunstenaars uit van ideeën over een betere wereld, gebaseerd op een messiaanse, zionistische, socialistische, ecologische ideologie of op respect voor andersdenkenden.

In de behandelde kunstwerken blijken drie traditionele verbindingen verbroken te zijn. De eerste is die met de synagogale ruimte; van de bima in de besloten synagoge verhuist de sjofar naar openbare en seculiere podia in de concertzaal, het theater, het museum, de straat en het woonhuis. Door gebruik van boeken, geluidsdragers en digitale media vallen ruimtelijke beperkingen weg en terwijl de sjofarblazer in de synagoge zich richt naar Jeruzalem, richt een sjofarkunstenaar zich tot zijn publiek. De tweede is die met de liturgische tijd, in het bijzonder met Rosj Hasjana en Jom Kippoer; bovendien maakt de techniek het mogelijk sjofarsignalen op te nemen en ieder willekeurig moment op te roepen. De derde verbinding is die met de halacha en de rabbinale autoriteiten en hun interpretatie van de traditionele religieuze teksten; kunstenaars gebruiken sjofarsignalen in het algemeen niet om richting te geven aan het leven van een joodse gemeente, maar om de fantasie te prikkelen van een algemeen publiek van kunstliefhebbers.

Drie kwaliteiten van de sjofar lijken een bron van inspiratie te zijn voor moderne kunstenaars. Ten eerste de rijkdom aan religieuze connotaties van het instrument met tegelijkertijd een concentratie op de existentiële thema’s van leven, dood en bevrijding, die ook klassieke thema’s zijn in de kunst. Ten tweede de ruwe toonkwaliteit van de dierhoorn, die contrasteert met de gepolijste toon van moderne, gestandaardiseerde muziekinstrumenten. En ten derde de eenvoud van de vier traditionele signalen en het driedelige systeem van 100 signalen, die bruikbaar materiaal leveren voor kunstenaars in zeer uiteenlopende stijlrichtingen.

Contents

Glossary