Ruggengraat

ruggengraat

 

Ik haat mijn lichaam.

Ik haat de dokter die me vertelde dat ik reuma heb.

Ik haat de onbekende fysiotherapeut en de patiënten met wie ik moet gaan werken.

Vanuit mijn geparkeerde auto observeer ik als een privédetective de ingang van het Jan van Breemen Instituut. Witte taxi’s van het Verenigd Ziekenvervoer Amsterdam rijden af en aan; veel passagiers hebben bij het uitstappen hulp nodig van de chauffeur; sommigen strompelen op krukken en een enkeling komt zelfs met een rolstoeltaxi. Daar hoor ik niet bij: zó erg ben ik niet beschadigd. Ik kan ervandoor gaan, doen alsof ik helemaal niets mankeer en leren leven met de voortdurende pijn.

‘Uw rug kan nog wel stijver worden,’ zei dokter L., toen ze in het Academisch Medisch Centrum de diagnose ziekte van Bechterew ofwel spondilytis ankylopoëtica stelde. Ik zie haar nog met die gelakte nagel wijzen naar de röntgenfoto’s van mijn wervelkolom en mijn bekken, naar de kapotte gewrichten tussen heiligbeen en darmbeen. ‘Spondylitis ankylopoëtica betekent krommakende wervelontsteking,’ doceerde ze. ‘Sommige patiënten worden zo krom dat ze de horizon niet meer kunnen zien. Hoewel dat bij u niet het geval zal zijn, want u bent tamelijk recht verstijfd.’

Ik ben niet knap van uiterlijk en atletisch al helemaal niet, maar die rechte rug en dat slanke postuur waren het enige waarop ik trots was. Blijkt die rechte ruggengraat een starre bezemsteel te zijn.

‘Meestal komt de ziekte op de middelbare leeftijd tot stilstand,’ zei dokter L. Wanneer begint de middelbare leeftijd? Bij veertig? Bij vijfenveertig? En moet ik in 1984, op mijn achtendertigste, vol verwachting gaan uitkijken naar de jaren negentig, met de kans dat ik voor niets uitkijk?

‘Dan is het zaak dat u zo soepel mogelijk bent,’ zei ze nog, op dat bekakte toontje. De minutenwijzer van de klok in het dashboard verspringt. Als ik nog langer wacht, kom ik te laat op die groepstherapie en trek nog eens extra de aandacht van de fysiotherapeut en die groep.

Met in mijn hand het loopbriefje dat ze me bij de balie gegeven hebben volg ik de route naar de Grote Oefenzaal. Net als de gang lijkt de kleedkamer de set voor een film die moet spelen op een internaat in de jaren vijftig. De verlichting brandt op halve kracht, het marmoleum op de vloer is bij de plinten donker verkleurd en de kastjes zijn afgewerkt met verschoten, splinterend fineer. Ik pak een hanger met de naam en het telefoonnummer van een stomerij die vermoedelijk al lang ter ziele is en berg mijn kleren op. Dan trek ik met een onwennig gevoel een T-shirt en een korte broek aan. Wat zijn die benen onder mijn lichaam wit en dun!

‘Grote Oefenzaal’ is een royale naam voor een grauwe, versleten gymzaal met de irritant prikkelende lucht van rubber, kurk, touw, leer, stof en vooral zweet, oud zweet. Er zijn ringen, touwen, halters, ballen, rackets en hometrainers, maar omdat ik geen zin in beweging heb, ga ik liever op een lange houten gymnastiekbank zitten wachten tot het tijd is. Ik ben de eerste, zoals overal. Het is koud hier.

Pas vijf minuten later komen er andere patiënten binnen. Hoewel ik het liefste helemaal niet op zou vallen, zint het me ook weer niet dat ze mij nauwelijks zien en dat maar een enkeling een soort groet mompelt. Sommigen gaan net als ik zitten kleumen op een bank, terwijl anderen een volleybal pakken om die zwijgend rond te spelen.

Klokslag negen komt de therapeute binnen. Ze lijkt een sterke Friezin of Scandinavische, want alles aan haar is licht: de huid, het haar, de ogen en het vliesdunne pak van blauwe lycra. Marianne N. is haar naam. En wat een stevige handdruk.

Op het moment dat ze me aanstreept op een presentielijst heb ik pas echt het gevoel dat ik niet meer terug kan.

‘Vooruit, jongens, lopen!’

Hardlopen is het allerlaatste waar ik zin in heb. Het gaat stroef en het duurt ook erg lang, want ik ben al aan mijn tiende rondje als het verlossende ‘Stop maar!’ klinkt. Hebben we nog maar drie minuten gelopen? Is die klok aan de muur wel in orde? Ik ben nog niet eens behoorlijk op adem gekomen als we opdracht krijgen opnieuw te gaan hardlopen, nu met hielaanslag. Daarna met knieheffing. Die Marianne N. schijnt zich niet af te vragen of mijn beschadigde rug en mijn ongetrainde hart dit allemaal wel aankunnen. Zijzelf is een fervente sporter, te oordelen naar die gespierde benen in dat strakke pak. Wanneer ze ‘Ja!’ roept, moeten we door de knieën zakken en vanuit die hurkzit zo hoog mogelijk opspringen. Dat is de zwaarste oefening. De genantste is het huppelen. Dertig jaar geleden heb ik dat voor het laatst gedaan en het is goed dat geen buitenstaander de therapeute en haar huppelaars ziet, want ze hebben wel iets van Sneeuwwitje en de zeven dwergen, die ‘Hey ho! Hey ho!’ zingend naar hun werk toe gaan. Tijdens de rekoefening voor de bovenbenen, waarbij we de hiel van het te rekken been naar de bil moeten trekken, lijkt de kring wankelende mannen aan het wandrek een grove parodie op een groep balletdansers aan de barre.

De aanwijzingen die Marianne geeft zijn kort en krachtig, haar bewegingen zijn doelgericht en haar lichte ogen kijken je strak aan wanneer je in de buurt komt.

‘Andere kant heen,’ is het telkens, als een oefening links gedaan is en dan rechts moet. Bizar, dat “heen”. Waar komt dat mens vandaan?

Het enige goede aan deze groepstherapie is dat we geen gebruik maken van de toestellen waar ik vroeger in de gymnastiekles op school zo beducht voor was: het paard met de hoge rug waarover je een doodsmak kon maken, de gladde ringen, de handpalmen en wreven schurende touwen, en vooral de rekstok, die de vertrouwde wereld op zijn kop zette. We gebruiken alleen de matten, om oefeningen voor lenigheid en kracht te doen. Vooral die in handen- en knieënstand zijn volgens Marianne bijzonder goed; in de ene maak je je wervelkolom afwisselend hol als een schonkige paardenrug en bol als een kattenrug, en in de andere maak je een kwispelbeweging als een hond. Daar probeer ik onderuit te komen; ik zie mezelf nog niet kwispelen voor die fysiotherapeute.

Het laatste kwartier is bestemd voor een partijtje volleybal. Ik ga er nog meer van transpireren dan van het hardlopen, terwijl ik dat uur therapie nu juist wou ondergaan als een regenbui waar ik zonder paraplu zo droog mogelijk onder probeer te blijven.

In de kleedkamer is het een gedrang van zweterige lijven, met ieder een eigen variatie op het thema stijve rug. De anderen praten niet allemaal met de nasale Amsterdamse galm, maar degenen die het doen hoor je boven alles uit. Ze hebben het over vakantie, over een gezellige groepsreis naar Oostenrijk met allemaal reumapatiënten. Inteelt, bah.

‘Wat doene me? Gane me naar boven voor een bakkie koffie in de ketine?’

Ongeveer de helft gaat mee. De rest moet naar zijn werk.

‘Jij, hoe heet je?’

Hoeheetje schudt zijn hoofd. Hij heeft de maandagochtend vrij, maar drinkt zijn koffie liever thuis. Ondertussen geneert hij zich wel voor zijn totale gebrek aan vriendschappelijke gevoelens voor zijn medepatiënten.

Maanden later weet ik nóg niet hoe de meeste anderen heten; zij weten mijn naam ook niet en zelfs een paar patiënten die al jaren meegaan lopen naamloos door de Grote Oefenzaal. Overbodig te zeggen dat ik in het Jan van Breemen Instituut nog geen enkele vriend of zelfs maar goede kennis heb. Natuurlijk komen we niet vrijwillig en hebben elkaar niet uitgezocht, maar daar staat tegenover dat we lotgenoten zijn met één vast onderwerp van gesprek: de ziekte van Bechterew, en je zou toch verwachten dat de gelijke pijn en sores de banden verstevigen. Soms probeer ik me kijkend naar mijn medepatiënten een noodsituatie voor te stellen, een brand die ons insluit in de Grote Oefenzaal, zonder Marianne, die even tevoren aan de telefoon geroepen is. De met zware banken te rammen ruiten veranderen voor de duur van mijn ramp in stevig gemetselde muren. Zou de groep zelfredzaam zijn? Wie zou een vriend blijken, wie een vijand en wie een door de hele groep geaccepteerde leider? Hoe zou ik me zelf gedragen? Het gedachtenspelletje heeft komische, maar ook beangstigende kanten.

Volgens Marianne heeft het volleybal met zijn buig- en strekbewegingen een goede invloed op de stijve rug van een Bechterewpatiënt. Wat ze niet zegt, is dat het wedstrijdje aan het eind van ieder uur therapie ook dienen moet als pleister op de wonde. De meeste patiënten komen eigenlijk alleen maar voor het volleybal en nemen de drie kwartier gymnastiek die eraan voorafgaat op de koop toe. Degenen die de oefeningen maar op halve kracht meedoen weten niet hoe gauw ze het net op moeten hangen; pas bij het volleybal zijn ze echt wakker en schreeuwen rauwe kreten door de zaal. Ik niet, want sport laat me koud.

Als ik die bal dan toch over het net moet slaan, dan maar zo hard mogelijk, denk ik na verloop van tijd. De tegenpartij reageert daarop door tegen me in stelling te gaan, en dat doet me heimelijk plezier. Na honderden sets ben ik een speler die redelijk veel punten maakt. Langzaam, heel langzaam verdwijnt mijn desinteresse in de sport om plaats te maken voor een ander, nieuw gevoel, een soort geciviliseerde drift: de wil om te winnen. Op een dag, als ik een wedstrijd afmaak met het vijftiende punt, hoor ik ook uit mijn eigen mond een schreeuw. Geschrokken kijk ik naar mijn gebalde vuist en van die vuist naar de gezichten anderen: kan het wel wat ik hier sta te doen?

Hoe meer ik scoor, des te beter zie ik hoe moeilijk volleybal is. Een onderhandse pass, een set-up en een smash – ik begin zelfs de termen te leren – vragen veel training, om over het samenspel niet te praten, en het is jammer dat we technisch en tactisch geen vorderingen maken. Al wordt er nog zo fanatiek gespeeld, niemand van de groepwil ook maar één minuut verspillen aan technische oefeningen. De therapeutes beginnen er wel eens mee, maar iedere keer loopt dat initiatief stuk op de demonstratieve traagheid van de groep. Het gaat niet om de slagen, maar om de adrenalinestoten.

Ik ben voor het vierde jaar in het Jan van Breemen Instituut, als ik in een heftig partijtje volleybal na een sprong voor het net een trap tegen mijn linkerachillespees voel, en een harde trap ook. Bliksemsnel draai ik me om.

Daar staat Jos.

‘Klootzak!’ bijt ik hem toe.

Mijn medepatiënt kijkt me een ogenblik stomverbaasd aan, maar zegt niets terug, want het spel gaat door.

Ik besef dat hij twee, drie meter van me af staat en me onmogelijk geraakt kan hebben.

Omdat de pijn aan de achillespees al een stuk minder is, besluit ik de wedstrijd uit te spelen. Het opspringen bij het net kost me opeens veel moeite, maar we staan een punt voor en ik wil winnen, liefst op mijn eigen service.

De volgende dag ziet een buurman, orthopedisch specialist en virtuoos knutselaar aan de Black & Decker-werkbank en de operatietafel, me lopen. Hij komt meteen naar me toe. ‘Joh, je loopt of je je linkerachillespees gescheurd hebt; als je verstandig bent, laat je er zo gauw mogelijk naar kijken.’

Mijn huisarts verwijst me onmiddellijk naar de fysiotherapeute in het gezondheidscentrum. Die bevestigt wat de orthopeed al dacht en ze zegt erbij dat de oorzaken van de scheur wel eens zouden kunnen liggen in de harde zolen van mijn goedkope schoenen, in een gebrekkige warming-up en een te zware belasting van de zwakke plekken die de peesaanhechtingen van een Bechterewpatiënt nu eenmaal zijn. Die explosieve acties van het volleybal zijn niet zonder risico. De fysiotherapeute doet er alles aan om de blessure te verhelpen, maar omdat littekenweefsel geen veerkracht heeft, is mijn linkerachillespees verkort. Blijvend. Als ik door de knieën ga en zie dat mijn linkerhiel eerder van de grond komt dan de rechter, krijg ik hetzelfde gevoel als voor de röntgenfoto van mijn geruïneerde rug: vrees voor verval van mijn lichaam, panische angst om een lopend wrak te worden. Kunnen ze die pees in het AMC niet oprekken? Geld speelt geen rol en pijn ook niet.

Als ik vier weken later weer in de Grote Oefenzaal ben, ga ik zodra ze om kwart voor tien het net ophangen in staking. Ik volleybal niet meer. Nooit meer. Ze bekijken het maar.

‘Het is toch echt goed voor je,’ beweert Marianne.

‘Dat heb ik gemerkt,’ zeg ik, het pijnlijke litteken aan mijn achillespees betastend. Zij had die blessure kunnen voorkomen en op zijn minst kunnen opmerken. ‘Nee, ik stop ermee. Trouwens, dat slaan van die bal is gevaarlijk voor mijn vingers en zoals je misschien weet ben ik musicus.’

‘Dan stel ik voor dat je het laatste kwartier voortaan duurtraining doet op de fietsergometer of, zodra je pees weer belast kan worden, op de tredmolen.’ Nooit zit Marianne N. om een antwoord verlegen, nooit twijfelt ze en nooit wordt ze moe. ‘Fietsen en hardlopen zijn ook goed voor je.’

Als je met iemand in gesprek bent, kijk je hem niet de hele tijd aan, maar slaat af en toe je ogen neer of kijkt opzij. Maar Marianne blijft me recht aankijken met haar lichtblauwe ogen. ‘Ik kan je niet beter maken,’ zegt ze. ‘Je moet het zelf doen. Ik kan je alleen de weg wijzen.’

Het zal wel, denk ik en houd me doof. Nu moet ik op een fatsoenlijke manier naar de kleedkamer zien te komen. Het is moeilijk een houding te vinden en niet sluipend, maar met een rechte rug en een vanzelfsprekend gezicht de Grote Oefenzaal uit te lopen. Maar die moeite heb ik er iedere keer wel voor over.

In de kleedkamer verkneukelt mijn slechtere ik zich over het feit dat er voortaan een kwartier van het uur groepstherapie afgeknabbeld is en dat de krappe ruimte niet meer vol staat met tien of meer van die zweterige lijven.

De groep wordt wel eens geleid door andere therapeutes dan Marianne. Hoewel ze ons in grote lijnen hetzelfde laten doen: hardlopen, oefeningen voor kracht en lenigheid en volleybal, verschillen de therapeutes in hun aanpak en hun opvatting van het vak. De een is rekkelijk, de ander precies; de een heeft het zorgzame van een verpleegster, de ander het ordelijke van een lerares lichamelijke opvoeding; de een draagt een oude spijkerbroek, de ander een pantalon met een scherpe vouw en een parelkettinkje op een twinset. De hardste is Marianne. De zachtste – maar niet de slapste – is Marijke N., de therapeute die ik verreweg het beste kan verdragen. Ze is iemand die net zo aanstekelijk vrolijk als aanstekelijk ernstig kan zijn, het eerste met een jong gezicht en een hoge stem, het tweede met een frons en haar stem een octaaf lager.

Ik krijg een oproep om bij haar een individuele therapie te volgen, een gebruikelijke aanvulling op de groepstherapie. Bij het binnenkomen merk ik dat het gezicht ernstig is en de stem opvallend laag en zacht.

Marijke laat me drie rugoefeningen doen, simpele oefeningen, die ik zittend kan doen en in gewone kleren. Een: rug bol en hol maken; twee: bovenlichaam naar links en rechts buigen; drie: romp in beide richtingen draaien. ‘Dit rijtje moet je iedere dag een paar keer afwerken,’ zegt ze zacht, maar dringend. ‘Het geeft niet waar: op de rand van je bed, op je bureaustoel of waar dan ook. Doen hoor, het is echt nodig.’

Ik knik, wetend dat ik de oefeningen morgen zal doen, maar overmorgen al niet meer. Ik ben musicus, zelfs blazer, en het diepe in- en uitademen dat ik doe is al oefening voor mijn ribbenkast en mijn rug, misschien niet genoeg, maar toch aardig wat. Meteen besef ik dat veel leerlingen tegenover mij zo zijn: vriendelijk maar laks. Nooit zegt er een: ‘Ik heb de afgelopen week niet gestudeerd.’ Nee, het is altijd: ‘Ik heb de afgelopen week niet kúnnen studeren.’ Vorige week kon een leerling van tien niets doen omdat hij op school de plantjes water moest geven. Was hij nog verbaasd over mijn honende gelach. Waarom kan ik de lamlendigheid die me in mijn leerlingen zo stoort zelf niet overwinnen? Ik verdien het niet dat Marijke aardig en geduldig tegen me is. In plaats van aardig terug te doen zou ik haar recht aan moeten kijken zoals Marianne dat doet en nee moeten zeggen. Dat was tenminste nog eerlijk.

Het is of Marijke in het naargeestige, door een flets plastic gordijn afgeschoten hok steeds ernstiger wordt; ze maakt nu echt een matte indruk en heeft niet dat sprankelende uit de tijd dat ze onze groepstherapie leidde. Misschien heeft zij ook geen vertrouwen in mijn discipline. Maar ze is hier nu eenmaal aangesteld en ze moet ervan uitgaan dat haar patiënten te motiveren en te veranderen zijn.

Een week later zit ik naast mijn medepatiënt Ed op een bank in de Grote Oefenzaal te wachten tot de groepstherapie begint. Het gesprek komt op Marijke.

‘Jammer dat ze ziek is,’ zegt hij.

‘O, is ze ziek? Ja, er hebben veel mensen griep op het ogenblik.’

‘Nou, ze heb schijnbaar hoe heet het, MS. Al een tijd.’

‘Wát zeg je?’

‘Multipele sclerose…’ zegt Ed peinzend. ‘Dat meissie heb het moeilijk,’ voegt hij eraan toe.

De tranen springen in mijn ogen. Ik kijk weg van Ed en de volleyballers, naar een lege hoek van de zaal.

‘Ze kreeg eerst van die eigenaardige tintelingen in haar vingers, en toen werd het van lieverlee steeds erger. Abnormale vermoeidheid, hè. Ze heb pas een kleine, weet je wel. Het zal moeilijk worden om daar een beetje voor te zorgen. In ieder geval heb ze hier alleen nog de lichte gevallen, zal ik maar zeggen, handentherapie en ekcetera meer.’

Machteloze woede komt in me op. Dan bloos ik als een schooljongen, uit schaamte dat ik te beroerd ben om Marijkes goede raad te volgen. Want dat ik haar oefeningen morgen nog steeds niet zal doen, weet ik zeker, net zoals een kettingroker weet dat hij na het aanhoren van een verhaal over een creperende longkankerpatiënt met bruine, bevende vingers weer een pakje zal openpeuteren, uit misplaatste piëteit nog niet meteen, maar wel de volgende ochtend, zelfs al op de rand van het bed. Wie is hier in het Jan van Breemen Instituut de stakker? Het meissie dat het moeilijk heb? Nee: Marijke is sterk en intelligent, terwijl ik slap en dom ben. Ik heb geen ruggengraat.

Op een goede dag komt Marianne de Grote Oefenzaal binnen achter een wagentje met een geluidsinstallatie. Hoewel ik musicus ben, of liever: omdát ik musicus ben, krijg ik de pest in: zonder muzikale begeleiding is die therapie al erg genoeg. Straks wordt de Grote Oefenzaal nog een ruggensteun- en verwencentrum, een variant op het tropisch zwemparadijs. Bovendien vind ik muziek niet passen bij Marianne: daar is ze veel te prozaïsch voor.

Poe poe, poe poe, poe poe, poe poe… Een tuba heeft het zo bekende basje ingezet. En ja hoor: daar is de muzikale welzijnswerker Herman van Veen.

 

Opzij, opzij, opzij!

Maak plaats, maak plaats, maak plaats!

Wij hebben ongelofelijke haast!

Ik wil wel hardlopen, al heb ik nog geen ongelofelijke haast, maar waarom moet het uitgerekend op dit olijke muziekje?

‘Een and’re keer misschien,’ eindigt Herman van Veen. En als dat op het lopen en de muziek mag slaan, ben ik het daarmee eens.

De favoriete groepen van Marianne zijn de mijne niet en de installatie staat me veel te hard. Iedere ronde maak ik bij het passeren van de luidsprekers een akelige opmerking over het aantal decibels. De oefeningen in stand en in lig doe ik uit de maat van de muziek, met opzet en niet per ongeluk, zoals sommige andere patiënten. De ergernis over mijn eigen kinderachtige gedrag komt nog boven op de ergernis over de muziek en de pret.

Mariannes eerste therapie in ‘93 wordt slecht bezocht: het is nog kerstvakantie en we zitten in de slappe tijd, liever gezegd in de stijve tijd, want net als gewone mensen eten en drinken Bechterewpatiënten meer en bewegen minder. Er is maar één andere patiënt van de groep, de enige vrouw, die steevast binnenkomt na de warming-up van het lopen. Ik betrap me er de laatste tijd op dat ik haar manier van doen slap vind. Ook nu weer: als Marianne haar opdracht geeft een paar kilometer op de fietsergometer te rijden, draait ze de regelknop zover terug, dat ze niet moe zal worden en geen druppel zweet op haar voorhoofd zal krijgen. Ik word juist energieker, misschien door de aandacht die ik krijg, misschien ook uit mijn neiging in de contramine te zijn, die er nu voor zorgt dat ik wil afsteken bij mijn slome medepatiënt. In een gesprek merk ik vaak dat ik terughoudend reageer op iemand die energiek uit de hoek komt, terwijl een verlegen gesprekspartner me juist provoceert. In ieder geval wil ik nu eens alles uit mijn stijve lijf halen. En dat kan, want voor mij schakelt Marianne de tredmolen in. Het is een groot apparaat met niet alleen een regelbare snelheid, maar ook een instelbare helling. Ik sta voor de eerste keer op zo’n ding en moet wennen aan de aardbeving onder mijn voeten. Toch vind ik al gauw mijn evenwicht.

‘Je moet de reling loslaten,’ zegt Marianne, ‘en voor je uit kijken in plaats van naar je voeten. Denk eraan: het hoofd is het roer van het lichaam.’

Goede vergelijking. Ik houd mijn roer recht en zet de motor op volle kracht vooruit. Wij hebben ongelofelijke haast: wij lopen met een snelheid van wel 10:00 km/h. Wij kunnen nu niet langer blijven staan, anders worden wij meesleurd naar achteren, waar we onherrroepelijk van de tredmolen vallen. Lopen is eigenlijk wel leuk, zeker als je je zwoegende lichaam in een manshoge spiegel kunt zien en je voor kunt stellen dat je doodmoe maar voldaan naar de eindstreep van een wedstrijd loopt. Bovendien kun je de snelheid en afstand van een digitaal schermpje aflezen. Het is allemaal net echt.

‘Ik moet zeggen: je loopt goed.’

Een compliment! Daar is Marianne anders niet zo scheutig mee.

Ik mag dan goed lopen, lang houd ik het niet vol: na 600 meter is mijn brandstof op.

‘Geen slecht begin,’ zegt Marianne en kijkt me aan of dat geen oordeel is maar een vraag.

Een begin?

‘Ik vind eigenlijk dat je aan sport zou moeten gaan doen. Een duursport, bedoel ik. Zwemmen, wielrennen of hardlopen. Denk er eens over na.’

‘Zal ik doen.’ Anders dan in de individuele therapie bij Marijke meen ik wat ik zeg.

‘Zwemmen is goedkoop, wielrennen natuurlijk niet, en lopen kost je een paar schoenen van tweehonderd gulden. Ik geef je straks een paar adressen van gespecialiseerde sportzaken, voor het geval dat.’

In de kleedkamer bedenk ik dat zij alle sporten beoefent die ze genoemd heeft, dat ze op de racefiets naar het Jan van Breemen Instituut komt, dat ze baantjes trekt in het Bijlmerbad, dat ze ieder jaar naar de wintersport gaat en openbloeit zodra de vaarten dichtvriezen. Ze is wel zakelijk en nuchter, maar op haar manier ook gepassioneerd. Wat zal ik kiezen? Sneeuw en ijs, daar loop ik met een wijde boog omheen. Zwemmen valt af, dat is me te koud en te nat. Wielrennen is al beter, hoewel ik op geen enkel zadel lang kan zitten, wat wel met mijn reumatische heiligbeen te maken zal hebben, en die gekromde houding lijkt me ook niet ideaal. Bovendien moet ik dan een fiets kopen, zonder te weten of ik die investering eruit haal. Lopen trekt me meer, misschien omdat het zo primitief is, omdat de mensen het altijd gedaan hebben, omdat het altijd en overal kan en met niets. Op het moment dat de douche begint te ruisen als een klaterend applaus weet ik dat mijn keus is gevallen op hardlopen.

Als ik tussen de middag aan tafel zit, zie ik zoals gewoonlijk heel wat lopers voorbijkomen. Die zijn al verder. Nu moet dat plan op tafel, nu moet ik mijn vrouw mijn beweegredenen uiteenzetten. Ik heb de gevoelens van een late bekeerling: enthousiasme over het nieuwe dat hij aan het ontdekken is naast angst om van zijn geloof te vallen en zijn gezicht te verliezen. Bekeerlingen weten altijd plaats en tijd waarop ze het licht hebben gezien. Ik zag het bij zuster Marianne in de grote tent van de Jan van Breemen Evangelisatie, 4 januari 1993, ‘s morgens om 10 uur, met een douche als doop.

Mijn vrouw lacht om mijn goede voornemens voor het nieuwe jaar, niet cynisch, maar wel sceptisch, en als de zoveelste loper voorbijkomt wijst ze naar buiten om me te herinneren aan de opmerkingen die ik jarenlang heb zitten maken over de beoefenaars van de draf- en rensport. ‘Daar is er weer een op de vlucht voor de kwalen en de ouderdom. Zinloos, want die halen hem toch wel in.’

In de auto op weg naar de hardloopwinkel kom ik vanzelf op een vergelijking van het lichaam met een auto. Een lichaam giet je vol water, een auto vol benzine. Een lichaam rimpelt en wordt ziek, een auto roest en slaat niet meer aan. Een lichaam presteert iets meer dan een auto: het vervangt zijn oude cellen doorlopend door nieuwe; dat doet het uit zichzelf, ook als het oud is, hoewel steeds een beetje minder goed en soms met een kankerende wildgroei. Een lichaam met gebreken als het mijne kan geholpen worden door een fysiotherapeut. Een auto heeft een monteur nodig, die zijn olie ververst, zijn bougies vervangt, nieuwe banden monteert, zijn carrosserie schuurt en overlakt en zijn onderstel repareert. Maar hij heeft ook nieuwe onderlen nodig. Een aantal jaren kan de monteur die nog halen bij de dealer; als het model verouderd is moet hij naar de sloperij en als zelfs die geen donororganen meer oplevert, moet de monteur een speciaal mannetje zien te vinden dat een niet-origineel onderdeel zo bij kan vijlen dat het redelijk te transplanteren is en de auto nog wat kilometers aan de gang kan houden. Maar op een dag is het werkplaatsje in de doodlopende straat donker, en wanneer je navraag doet bij de buren halen die zwijgend hun schouders op. Het is tijd voor het autokerkhof. En mijn lichaam? Dat moet ik onderhouden door beweging, voor het verder roest door rust.

‘Hoeveel kilometer loopt u per week?’

Hoeveel kilometer loop ik per week? Nul komma vijf, in een groepje reumapatiënten. Deze week nul komma zes: in het land der Strompelaars is Dribbelaar koning. ‘Niet zo geweldig veel,’ antwoord ik.

Voor de tweede keer vandaag gaat de tredmolen draaien; deze keer kan ik mijn voeten na afloop van achter bekijken op een vertraagde videoband.

‘U overproneert,’ constateert de verkoper. ‘Maar dat is geen ramp; veel lopers’ – voor het eerst word ik ingedeeld bij de lopers – ‘hebben voeten die na de landing te veel naar binnen knikken. We verkopen een heleboel modellen met zolen die aan de binnenkant harder zijn dan aan de buitenkant en zo die overpronatie tegengaan.’

Het blijkt te kloppen: ik zie het aan mijn eigen voeten op de monitor. Nu de juiste schoenen eenmaal aan mijn voeten zitten, heb ik nog iets als een trainingspak nodig, want ik moet mijn benen beschermen tegen de kou en niet te vergeten tegen de blikken van anderen.

‘U wilt waarschijnlijk niet zo’n supersonische outfit,’ veronderstelt de verkoper, me verder indelend. ‘Ik zal de running tights maar laten hangen.’

Dat blijken strakke maillots te zijn.

Het trainingspak dat me het beste bevalt heeft dezelfde korenblauwe kleur als mijn trainingspak vroeger op school, waarmee alle overeenkomsten ophouden, want het is niet van dik katoen, maar van vederlichte kunststof, die fijne zweetdruppels doorlaat en grote regendruppels tegenhoudt.

In het praatje bij de kassa zegt de verkoper achteloos dat hij twee maanden geleden de marathon van New York gelopen heeft.

‘Zo,’ zeg ik bewonderend.

‘Weinig last van mijn astma gehad,’ voegt hij er terloops aan toe.

Er treedt bij mij een mechanisme in werking dat ik ken uit het Jan van Breemen Instituut: het afwegen van de klachten van de ander tegen die van mij en een bliksemsnel hoofdrekensommetje met de zieligheidsfactor. Ik ben er waarschijnlijk niet erger aan toe dan de man aan de andere kant van de toonbank, en dat stelt me tegelijkertijd gerust en teleur.

‘U hebt vrij veel uitgegeven,’ zegt de verkoper, als hij me de twee volle plastic zakken aanreikt. ‘Maar u hebt nu goede spullen, die lang meegaan: het trainingspak jaren en de schoenen zeker anderhalfduizend kilometer.’

Buiten op de kille Overtoom heb ik opeens het voorgevoel dat ik geen anderhalf duizend, maar anderhalve kilometer op de nieuwe schoenen zal lopen, dat de spullen over een paar weken in de kast zullen blijven hangen en dat ik zal afgaan voor mijn vrouw, mijn therapeute en mezelf.

‘s Morgens vroeg loop ik mijn rondjes in het Gaasperpark. Maar na vijf minuten hardlopen zie ik weinig meer van het verantwoorde parklandschap. Mijn hart bonkt tegen mijn ribbenkast als een amok makende gevangene met levenslang tegen het tralievenster van zijn cel. Je moet luisteren naar je lichaam, heeft Marianne gezegd. Ik begin de taal wel degelijk te verstaan, maar gedraag me als de cipier, die het rauwe geschreeuw en getier van de gevangene negeert en cynisch rammelt met zijn sleutelbos. Dit is dus het echte afzien. Tot nu toe heb ik alleen afgezien bij geestelijke inspanning. In mijn studietijd, toen ik met mijn 1.85 meter 63 kilo woog, waren er dagen dat ik op mijn zolderkamer fantaseerde over een leven zonder lichaam, een leven van versterving op een noodrantsoen aan voedsel en drank, met een minimum aan beweging en een maximum aan subtiele gedachten, een leven met een lichaam als de broze schaal om het eiwit en eigeel van de geest. Als student had ik die felle rugpijn al, herinner ik me, zonder te weten dat ze veroorzaakt werd door de ziekte van Bechterew. Ik reageerde op de pijn door minder te bewegen in plaats van meer. Het lichaam van een reumapatiënt is als een kind met leer- en opvoedingsmoeilijkheden. Je kunt het veilig thuis houden, maar dan ontwikkelt het zich niet. Wanneer je net doet of het normaal is, loopt de opvoeding mis. Alleen wanneer je het naar een speciale opleiding stuurt, heb je een kans dat het later op eigen benen kan staan. In mijn eigen lom-schooltje, dat tevens openluchtschooltje is, ben ik leerling en leraar tegelijk.

Ik ben begonnen met lopen in de donkerste tijd van het jaar. Net zoals het park iedere nieuwe morgen een heel klein beetje lichter is valt het lopen me iedere keer iets minder zwaar. De pijn in mijn rug verdwijnt voor een groot deel en de pijn in mijn heupen, die ervoor zorgde dat ik periodiek mank liep, helemaal. Zo simpel is het in mijn geval: help jezelf. Mijn hart gaat trager slaan, wat ik vooral later op de dag merk, gewoon zittend. De liters extra zuurstof die ik ingeademd heb geven me het gevoel dat ik van binnen ben schoonmaakt. Ik begin het effect te voelen van de ophitsende adrenaline en de kalmerende endorfine, die mijn lichaam bij de inspanning zelf maakt. ‘Ja, die stofjes werken verslavend,’ zegt de parmantige dokter L., mijn huisarts, ‘maar ik heb liever dat je een verslaafde bent die loopt dan een die steelt.’ Mijn maag begint te protesteren als er uit de slokdarm brokken kleverige, mierzoete mars, vette loempia of patat met mayonaise in hem neerplonzen en vraagt om ander voedsel, zoals pasta en salades. Ik eet ook steeds meer, terwijl ik steeds minder weeg: in een paar maanden branden vijf kilo op. Als je bij de slager vijf kilo pens bestelt, denkt hij dat je een hondenkennel hebt. Mijn huid, die altijd zo gevoelig is geweest dat hij de afdruk van een volleybal bewaarde als papier een douanestempel en die in de zomer door een dun overhemd heen verbrandde, wordt door het buiten lopen gehard. De scherpe randen van mijn scheennen en de kopjes van mijn buitenste middenvoetsbeentjes verdwijnen onder lagen pezen en spieren. Mijn bovenbenen worden hard. Het lichaam lijkt een machine die je kunt aanpassen en versterkken. Ik heb het altijd op dezelfde manier gebruikt als mijn auto, als een ding waarnaar ik behalve bij het tanken niet omkeek, maar waarvan ik wel verwachtte dat het zonder storingen functioneerde. Ik sla er handboeken anatomie en fysiologie op om erachter te komen hoe het lichaam onder de ondoorzichtige verpakking van de huid in elkaar zit en werkt. Verbluffend geraffineerd: daarbij vergeleken is die auto hopeloos lomp en primitief. Ook in mijn bovenkamer veranderen dingen: naarmate ik langer en sneller loop verruimt en verfijnt zich mijn besef van afstand en tijd, waardoor ik steeds beter kan schatten hoe lang een kilometer is en hoeveel minuten en seconden ik erover doe. Wou ik eerst lopen om gezond te zijn, nu wil ik gezond zijn om te lopen. Het gaat me niet in de eerste plaats om betere tijden en langere afstanden, maar plezier in het lopen als zodanig wordt mijn voornaamste reden om de deur uit te gaan.

Steeds vaker sta ik maandagsmorgens in een file op de A2, waardoor ik te laat en gestresst op het Jan van Breemen Instituut kom en in ieder geval het hardlopen mis. Daarom besluit ik een halfuur eerder van huis te gaan en in de tijd die eventueel overschiet niet op een bank te gaan zitten kleumen, maar rondjes te lopen in de zaal. Therapieën overslaan doe ik al niet meer, omdat mijn lichaam me daarvoor straft met extra rugpijn. Iemand die niet beweegt, is als een mens op een kleutertekening: een koppoter met twee armzalige loopvoeten onder een groot denkhoofd.

Al heb ik er zelf ook jarenlang de kantjes afgelopen, ik verbaas me nu over de minimumlijders die altijd te laat binnenkomen, precies op het moment dat we het lopen achter de rug hebben. En ik verwonder me over degenen die de oefeningen doen in een lange broek of een T-shirt met een hemd eronder en dan zonder douchen doorgaan naar hun werk. Er is er een die al bij het binnenkomen van de Grote Oefenzaal naar zweet ruikt, niet naar vers zweet met die opwekkende, wat roestige of branderige lucht, maar naar zuur, oud zweet dat dagen in kleren is blijven plakken. Wetend dat ik boter op mijn hoofd heb, kijk ik naar de onverschilligste patiënten uit mijn groep. Het gaat er natuurlijk om of het functioneel is wat ze doen en de vraag of het er ook mooi uitziet komt pas op de tweede plaats. Ze bewegen zich of hun lopen alleen een noodzakelijke verplaatsing is en vállen meer op hun voeten dan dat ze er soepel op landen. De manier waarop ik mijn medepatiënten bekijk is nog even arrogant als in mijn eerste jaren hier, alleen op een andere manier. Ik zeg het niet hardop, maar ik vind, als je niet beter kunt lopen, red je figuur dan door iets flatteuzers aan te trekken: niet de goedkoopste gympen van de Albert Cuyp, maar mooie loopschoenen, geen groezelige, maar witte sokken en kleren in kleuren die bij elkaar passen in plaats van een willekeurige greep uit de kast. Omdat een T-shirt van katoen het zweet vasthoudt en na een kwartier om mijn lichaam hangt als een klam laken om een koortsige patiënt, koop ik een singlet en een short, het zomertenue van een atleet. Het blijkt een openbaring: in de stof die licht en dun als lingerie is lijkt het of je naakt loopt en bewegen wordt een haast erotisch genot. De andere patiënten zien wel degelijk hoe ik erbij loop, maar alle partijen onthouden zich van commentaar.

‘Het lopen begint vruchten af te werpen,’ zegt Marianne, alsof ik een soort wandelende tak ben. Mijn lopen is eerder een grote inhaalmanoeuvre. Haar opmerking, waarvan ik niet weet of hij spontaan of overwogen is, zorgt ervoor dat ik nog harder loop, zo hard dat ik na de vijfhonderd meter in de zaal moeite moet doen om niet te laten zien hoe afgedraaid ik al ben. Soms verschilt een mens maar weinig van een hond: klop hem op zijn rug en hij rent om de krant of de weggegooide stok voor je te halen. Uitslover, lijken sommige andere honden te denken. Toch heb niet het gevoel dat ik me meer inspan dan een paar maanden geleden en ook niet dat ik harder loop; het is eerder of de anderen steeds langzamer gaan, terwijl de Grote Oefenzaal steeds minder groot wordt. Ik zou er eigenlijk wel uit willen: bij het rondjes lopen in mijn eentje loop ik in de krappe bochten scheef, wat ik na een paar kilometer in mijn enkels en knieën ga voelen, en in de groepstherapie lopen de anderen me zo vaak voor de voeten, dat het tot botsingen komt. Daarvan heb je op een sportveld of atletiekbaan geen last.

Ook dokter D., mijn reumatologe in het Instituut, is enthousiast. ‘Je maakt vorderingen,’ zegt ze zomer ‘93, als ik een halfjaar loop. Ze zegt het op haar zorgeloze toon, als een aardige tante tegen een achtjarige neef; ieder moment zou ze haar portemonnee kunnen pakken om me een tientje te geven. ‘Je rug is aangetast en je heupen in mindere mate ook, maar je kunt wel wat beweeglijkheid missen. Aan de botten kun je niets doen, maar je kunt wel de banden soepel houden en de spieren versterken.’ Ze trekt haar wenkbrauwen op en inspecteert me over haar bril. ‘Joh, je moet volgend jaar de marathon van Amsterdam lopen.’

‘Ik weet niet of u het weet, maar dat is tweeënveertig kilometer.’

‘Joh, gewoon dóen. Lopen is gezond.’

De reumatische pijnen in mijn rug zijn door het hardlopen verminderd, maar verdwenen zijn ze niet. Op een dag heb ik zoveel last dat ik nauwelijks kan zitten en eigenlijk alleen maar als een plank op mijn buik kan liggen, wat me neerslachtig maakt. Het lijkt wel of de ziekte vanuit mijn onderrug oprukt naar mijn hoofd, wervel na wervel veroverend als commando’s huis na huis op hun weg naar de bunker van het vijandelijk opperbevel. Dokter D. bood me een effectief verdedigingsmiddel aan, Butazolidin, dat pijnaanvallen onderdrukt en weinig bijwerkingen heeft. Maar ik heb haar gezegd dat ik liever pijn lijd dan van iets afhankelijk te worden. Een helder moment brengt me op het idee dat lopen wel eens beter zou kunnen zijn dan liggen piekeren: de dynamische belasting doet mijn rug misschien minder kwaad dan de statische belasting van het liggen of zitten, en de zuurstof die ik binnenkrijg is meegenomen.

Het rondje van vijf kilometer om de Gaasperplas werkt op mijn gemoedstoestand als Davids harpspel op koning Saul: de demonen wijken. Bij het lopen heb ik vaak muziek in mijn hoofd, geen complete stukken maar flarden ervan, een loopje van Mozart, een riffje van Breuker. Nog prettiger is de tweede ronde om de Gaasperplas, waarin de motor echt soepel gaat draaien. Hoewel ik nooit meer dan tien kilometer achtereen heb hardgelopen, begin ik aan een derde ronde. De vermoeidheid laat zich gelden, maar het is een vermoeidheid die voldoening geeft, omdat ik bezig ben mijn grenzen te verleggen. Het loopt allemaal zo lekker, dat ik begin aan een vierde ronde. Toch ga ik tussen ogenschijnlijk even harde bestratingen verschil voelen: asfalt blijkt een heel klein beetje veerkracht te hebben, terwijl klinkers en beton bikkelhard zijn. Als ik twee kilometer na het begin van de laatste ronde het asfaltpad in het schaduwrijke Gaasperpark af loop en de betonweg in de volle zon op ga, verandert alles; opeens loop ik op soldatenlaarzen, met een ransel op mijn rug en een gasmasker voor mijn gezicht. Honderd meter verder kom ik de man met de hamer tegen, over wie ik in reportages van marathons en wielerwedstrijden al zoveel gehoord heb. Al kost het me vreselijk veel moeite om nuchter na te denken, ik begrijp door het lezen in theorieboekjes wat er met me gebeurt: mijn spieren hebben al hun glycogeen verbruikt en schakelen over op vetverding, die veel meer zuurstof kost, vandaar dat ademgebrek. Jaren geleden heb ik in plaats van super een keer normaal getankt, wat ik gelukkig in de gaten kreeg voor de tank van mijn auto vol was. Rijden kon, maar met te veel gas erop begon de motor pingelend te protesteren tegen de minder geschikte brandstof. Pingelen, dat is wat ik nu aan het doen ben. Maar glycogeen of vet, ik loop de vierde ronde wel op karakter. Ik sta nog niet stil of ik voel me uitstekend. Tot mijn beenspieren na een paar uur stijf als scheepstouwen zijn. Lopen is gezond, dokter D. zei het al.

Mijn plezier in het hardlopen wordt vergald door een blessure waaraan ik zelf schuld ben. De knieklachten die iedere keer na een paar kilometer opkomen, kloppen met de akeligste beschrijvingen in de boeken. Als u geblesseerd wilt raken, kies dan liever een andere blessure, zegt Tim Noakes, MD in zijn lijvige standaardwerk Lore of Running. Door mijn afstand ineens te verdublen ben ik nonchalant omgesprongen met de verfijnde constructie die de knie is. Ik zal de natuur de kans geven een menselijke fout te herstellen en stoppen met lopen. Maar niet definitief, want missen kan ik het niet meer.

Ik ben al lang en breed hersteld als ik op een dag het Amsterdam-Rijnkanaal ontdek. Op de westoever ligt een pad dat voor lopers gemaakt lijkt, omdat er geen ander verkeer is en ook omdat er kilometerpalen staan, zodat je exact kunt nagaan hoe hard je loopt. Op de kaart maakt het kanaal de indruk van een snee, een open wond in het landschap, maar in werkelijkheid harmonieert het ermee. Dit stuk van Nederland heeft een optimistische schoonheid, tot stand gebracht door bevlogen waterstaatingenieurs en vrij van knusse schilderachtigheid; daarom woekeren de paddestoelen van de ANWB er nog niet.

Het is koel, maar mijn spieren zijn warm. Mijn benen, mijn longen en mijn hart hebben hun duurritmen van vier passen per ademhaling en honderdtwintig slagen per minuut gevonden. Ze lijken een samenspel aan te gaan met de ritmen van de weg en het landschap, met de rijen hoge bomen, de voorbijzwenkende kavels, schijnbaar draaiend om een onzichtbare spil in de verte, en de aan het kanaal evenwijdige, rijzende, dalende hoogspanningsleidingen. Het uitzicht over de Gemeenschapspolder is weids. Water klotst tegen de beschoeiing van het kanaal. Binnenschepen met trotse en hoopvolle namen ronken voorbij. Een schipper steekt zijn hand op. Nadat ik een eind langs het water gelopen heb, ontstaat er iets nieuws in me: een sereen gevoel, dat zou passen bij een pelgrimstocht. Van holistisch gezweef houd ik niet; ik zie me nog verplicht op de grond liggen, mijn hoofd op een stapeltje nummers van Prana, met de opdracht van de cursusleidster aan Niets te denken; blijkbaar was mijn spiritueel niveau daarvoor te laag, want ik kon alleen maar piekeren over vluchten uit de muziekschool, zonder achterhaald te worden door die deskundologe of mijn directeur. Maar dit is een ander zweven: dit is zweven met telkens een terugkeer op de grond, zweven na een afzet, als deel van een training. Vreemd genoeg mis ik de gewaarwordingen die horen bij hard werken; het is eerder of ik vanzelf ga, gedragen over de weg als de auto op het dek van het binnenschip naast me over het water; het is of ik eindeloos door kan lopen zonder vermoeidheid, honger en dorst. In plaats van te lopen lijk ik pas op de plaats te maken, terwijl de dijk onder me wegrolt als de rubber band van de tredmolen in het Jan van Breemen Instituut, waarop ik voor het eerst warmliep voor deze sport. Als Marianne hier naast me liep of fietste, zou ik haar kunnen vertellen wat ik onderga, als ik er tenminste woorden voor kon vinden. In mijn benen en mijn gedachten – mijn benen zijn mijn gedachten en mijn gedachten zijn mijn benen – heerst een ongekende lichtheid, een gewichtloosheid als in de herhaling van een gefilmde finish. Het lijf met het kloppende hart en de lopende benen is mijn vijand niet meer. Ik heb een gevoel ten opzichte van mijn lichaam dat ik vroeger nooit gekend heb en waarvoor ik ook geen woord kan bedenken; het lijkt erotiek zonder seks, eigenliefde zonder ijdelheid, en respect voor het stuk natuur dat me het naast is, dat ik zelf ben. Even plotseling als het op kwam zetten, ebt het sublieme gevoel weg, hoewel ik nog steeds zonder pijn en moeite loop. Het moet de endorfine zijn die mijn uithoudingsvermogen vergroot en mijn pijndrempel verhoogt. Die endorfineproductie zal wel een overblijfsel zijn uit de tijd dat de mens moest lopen voor zijn leven. Hardlopen is intussen vrijetijdsbesteding geworden, net als zwemmen, speerwerpen, boogschieten, paardrijden en zelfs eten en drinken, voorzover je meer naar binnen werkt dan je nodig hebt om te overleven. Maar het lichaam werkt nog op een primitieve, directe manier; het regelt veel dingen zonder het denken in te schakelen, zoals het personeel van een bedrijf problemen soms op de werkvloer oplost zonder een omweg door de directiekamer op de hoogste verdieping. Mijn lichaam heeft helderheid in mijn hoofd gebracht.

Omdat ik inmiddels twee uur achtereen kan lopen zonder blessures te krijgen en bovendien het parcours goed ken, besluit ik mee te doen aan de halve marathon die eind mei ‘94 georganiseerd wordt door het Academisch Medisch Centrum. Nota bene het ziekenhuis waar ik van reumatologe dokter L. de diagnose spondylitis ankylopoëtica te horen kreeg.

Bij het inlopen kom ik Marianne N. tegen, onverwacht, maar niet helemaal toevallig, want ze woont in de buurt. Naast haar loopt haar vriend Paul, die er even sportief uitziet als zij. Ze zullen me op de halve marathon wel allebei voorbijgaan. Maar ze blijken een andere afstand te kiezen: de twaalf kilometer. Toch heb ik nu helemaal het gevoel dat ik niet mag falen.

Het is koud en ik ben nerveus. Ik sta achter de startstreep te rillen in mijn dunne singlet en short. Terwijl mijn hoofd nog zijn vergeefse bedenkingen heeft, wil mijn haast naakte lichaam maar één ding: lopen, en wel direct. Wij kunnen nu niet langer blijven staan.

Als het schot valt, ga ik met de grootste zelfbeheersing die ik op kan brengen van start. Achter in het veld van de paar honderd deelnemers loop ik de eerste kilometers tussen verlaten kantoorbouwen en eentonige huizenrijen in een tergend rustig tempo. Bij het vijfkilometerpunt lig ik een minuut achter op het schema dat ik had bedacht; als dit zo doorgaat wordt het verschil aan de finish meer dan vier minuten. Ik versnel door mijn pas iets langer te maken. Heel langzaam begin ik lopers in te halen, geholpen door de koelende regen die intussen is gaan vallen. Misschien kan ik beter niet denken aan de vele kilometers die nog komen en me in plaats daarvan concentreren op dit stuk Hogedijkpark, straks op de Ruwelswal en daarna op het stuk langs het Gein alsof dat aparte parcoursen zijn. Bij het tienkilometerpunt aan het Gein is mijn achterstand van een minuut veranderd in een voorsprong van drie minuten; als ik maar niet te hard ga en mijn energie te snel opbrand! Ik besluit de gok te wagen en mijn tempo aan te houden. Na het Gein gaan we linksaf het fietspad op langs de Provinciale Weg, terug naar Amsterdam. Ik voel me nog steeds goed, net zo goed als op een doordeweekse ochtend, wanneer ik sneller ben dan de forensen op weg naar hun Amsterdamse kantoren. Dan loop ik hier losjes in een shirtje en een korte broek, terwijl zij in een pak met das vastgesnoerd zitten in de gordel, gekooid in staal en glas, en luisterend naar de fileberichten. In het Gaasperpark, vijf kilometer voor de eindstreep, ben ik weer alleen, net als de eerste kilometers: de wedstrijdlopers zijn al over de finish en veel recreatielopers liggen ver achter me; toeschouwers zijn er in de regen niet. Ik kan mijn tempo volhouden, al kost het steeds meer moeite: van vier passen per ademhaling moet ik naar drie en op een brug of bij iets meer tegenwind naar twee. De laatste kilometers naar het AMC-complex, dat door zijn enorme dimensies op een moeilijk te schatten afstand ligt, duren eindeloos. Het botenhuis aan de Gaasperplas is het laatste van de omgeving dat ik nog met de ogen van een recreant zie; daarna heb ik al mijn aandacht nodig voor het wegdek en mezelf. Het verende hout van de bruggen is ijs van een paar nachten, waar ik met mijn doodvermoeide benen snel en vooral lichtvoetig overheen moet om heelhuids de andere oever te halen en niet door een zelfgetrapt wak weg te zinken in de dodelijke diepte. Een groepje onderzoekers van het Academisch Medisch Centrum gebruikt deze loop voor een experiment met een kalmerend middel in de bekertjes drinkwater, die ze ons schijnheilig kijkend aanreiken; de wedstrijdleiding heeft de nacht na mijn laatste training op het parcours de kilometerpaaltjes verder uit elkaar gezet; die Japanse fabriek heeft mijn stopwatch zo geprogrammeerd dat hij na anderhalf uur steeds sneller gaat lopen. Ik wil gaan liggen in het gras naast de weg of gewoon midden op het asfalt. Degenen die na me komen, lopen maar om me heen als om een paria. Hoe heb ik me op de Provinciale Weg nog zo goed kunnen voelen? Waarom ga ik door met dit zinloze gedoe? Waarom loop ik mezelf stap voor stap te slopen? Alleen maar om niet af te gaan voor mijn vrouw en voor Marianne, alleen maar omdat de schaamte over het uitstappen nog erger zou zijn dan de pijn van het lopen.

Ik ben zo diep gegaan, dat ik de eerste meters na de finish nauwelijks op de been kan blijven, terwijl ongeveer alles zeer doet wat zeer kan doen: mijn borstkas, mijn liezen, mijn dijen, mijn kuiten, mijn voeten; de veerkracht is uit mijn lichaam en mijn benen bewegen stroef als kunstbenen uit het Jan van Breemen Instituut. Pas als iemand een medaille om mijn hals hangt, word ik weer mens en kan weer nadenken. Als het waar is wat Marianne beweert, dat iedere voet bij iedere landing drie keer je lichaamsgewicht opvangt, zijn dat klappen geweest van meer dan tweehonderd kilo, en als ik passen van een meter maak, heeft iedere voet meer dan tienduizendmaal dat gewicht verwerkt, dan hebben eenentwintigduizend schokken zich voortgeplant door de verdiepingen van de niet bijster aardbevingbestendige torenflat die mijn wervelkolom is. Ik begin aan een serie oefeningen om mijn pijnlijke spieren op lengte te brengen en te voorkomen dat ik morgen de trap niet meer op of af kan. Mijn tijd lag zeven minuten onder mijn schema; dat is prachtig, daar ben ik trots op. Aan de andere kant bewijst het hoe slecht ik mijn lichaam en mijn mogelijkheden ken. Het erepodium is leeg, zie ik. De winnaar van de wedstrijd is al lang naar huis. Ik zal nooit in mijn leven een wedstrijd kunnen winnen, zelfs niet in de Paralympics. Op mijn achtenveertigste maak ik geen kans de tijden van de twintigers en dertigers te benaderen: voor mij geen tien kilometer binnen de veertig minuten en geen marathon binnen drie uur. Voor veel betere prestaties zou ik veel meer moeten trainen, maar dat kan weer niet, want van tweemaal trainen per dag als de toppers of zelfs maar zeven keer per week zou ik zeker weer geniepige overbelastingsblessures krijgen. Maar waarom al dat gepieker? Mijn prestatie mag gezien worden! Ik heb een medaille gekregen en mijn lichaam krijgt straks een douche en een pastamaaltijd. In plaats van mezelf te zien als een verliezer en mijn loopschoenen voorgoed in de kast te zetten moet ik mezelf zien als een winnaar en iedere verbetering van mijn persoonlijk record, zelfs iedere uitgelopen wedstrijd als een overwinning op Bechterew en mijn oude, lakse, zieke ik.

Twee dagen na de wedstrijd kom ik het Jan van Breemen Instituut binnen als een ander mens, en het gebruikelijke loopbriefje dat ik aan de balie moet halen heeft meer dan ooit een toepasselijke naam. Terwijl ik sta te wachten tot de baliemedewerker klaar is met zijn telefoontje valt mijn oog op het beeld drie meter verder, de bronzen kop van de man die zijn naam aan het instituut gegeven heeft. Toevallig ben ik hem tegengekomen in de memoires van Henriëtte Roland Holst, waar hij geen pionier van de reumabestrijding is, maar voorzitter van een organisatie met een naam waar ik eerst hartelijk om moest lachen, omdat ik niet kon geloven dat hij serieus bedoeld was: Bond van Revolutionair-socialistische Hersenarbeiders. Jan van Breemens diagnose was blijkbaar dat de kapitalistische maatschappij in zijn tijdsgewricht aan reumatische verstijving leed. De bronzen kop is die van een doorzetter: de kleine, ronde schedel heeft alleen het hoogstnoodzakelijke haar, diepliggende, felle ogen en een eigenwijze kaak met een opvallende voorbeet. Van Breemens Bond moest na de Eerste Wereldoorlog al gauw ophouden met de Hersenarbeid, maar zijn Instituut is een succes geworden.

‘Sorry hoor,’ zegt Marianne, als ik bij haar ben voor het halfuur individuele therapie dat al een tijd geleden afgesproken was, ‘maar Paul en ik zijn na onze twaalf kilometer meteen vertrokken en we hebben niet gewacht op de finish van de halve marathon. Het was achter dat AMC vreselijk koud.’

En vreselijk lawaaiig, denk ik erbij, met de twee popnummers die door elkaar denderden. Maar omdat ik niet de kleinste toespeling wil maken op de popmuziek die Marianne in haar therapie nog steeds gebruikt, zeg ik dat niet.

We wisselen onze wedstrijdtijden uit.

‘Mooi!’ is haar commentaar op mijn prestatie. ‘Nou, ik durf de halve marathon niet aan. En de hele zéker niet. Ik zal je vertellen: wij hebben kennissen die een marathon liepen voordat ze er echt aan toe waren en die kwamen zo uitgewoond over de finish dat ze hun liefde voor de sport helemaal kwijtraakten. Zoals ik zeg: voor mij is ook een hálve marathon te lang.’

‘Ik heb wel langer gelopen dan jij,’ zeg ik, ‘maar mijn tempo lag ook lager. Op de twaalf kilometer had ik jou nooit bij kunnen houden.’

‘Toch goed, hoor.’

Juist doordat ze dat op zo’n vriendelijke toon zegt, zie ik het betrekkelijke van mijn prestatie in.

‘Je bent eigenlijk te goed geworden voor de therapie,’ zegt Marianne.

Ook weer zoiets betrekkelijks. Bovendien kan ze dat beter niet te hard roepen, want sommigen in de groep zullen het me niet in dank afnemen. De sportiviteit van een ander kan irriteren, zoals die van Marianne mij in het begin irriteerde. Een patiënt die altijd eerder komt, zich in het zweet werkt, beter presteert en na afloop meteen naar huis gaat, staat niet alleen apart, maar wijst de anderen ook steeds op hun tekortkomingen. Het pikkie van de meester heette zo’n jongen op de lagere school en in de kazerne kan zo’n uitslover flink te grazen worden genomen. Ik heb het afgelopen jaar ook om de minder leuke grappen en woordspelingen van de komiek uit de groep gelachen, alleen maar om te zorgen dat ik zelf buiten schot bleef.

‘Wat mij betreft kun je stoppen.’

Stoppen? Na tien jaar is de therapie op maandagochtend negen uur iets onveranderlijks gaan lijken, iets voor de rest van mijn leven, net als het halflijkse bezoek aan de tandarts, met dezelfde periodieke berichten over het onstuitbare verval van het lichaam.

‘Kijk, je kunt de oefeningen voor lenigheid en kracht die we hier in de Grote Oefenzaal doen ook thuis doen: je hebt er de discipline voor. Ik wil je tot niets verplichten, maar het zou niet slecht zijn alsje daarnaast iets bleef doen in groepsverband, als je lid werd van de een of andere groep of club. Paul en ik zijn bij een groep van de Nederlandse Skivereniging, waar we iedere week conditietraining doen en een duurloop van een kilometer of twaalf. Je hoeft helemaal niet bij een vereniging te gaan, het mag ook een informeel trimclubje zijn. Als je maar iets doet.’

Sommige gevangenen schijnen na tien jaar aan hun cel gewend te zijn. Ik staar naar mijn schoenen en probeer me de maandagochtend en mijn hele leven zonder het Jan van Breemen Instituut voor te stellen. Het is te mooi om waar te zijn; misschien komt Marianne er volgende week op terug, misschien is dit maar een plan van haar waar dokter D. wel een stokje voor zal steken. Vergaderen de reumatologen en therapeuten over de patiënten? Hoe dan ook, het is oneindig veel aanlijker om een sporter met een trainer te zijn dan een patiënt met een therapeut. Ik zou kunnen overstappen naar haar groep bij de Skivereniging, maar die sport trekt me niet: in de auto stappen en duizend kilometer rijden om van een ontboste berg te glijden heeft iets tegennatuurlijks en daarvoor trainen is zoiets als droogzwemmen of schaduwboksen. Ik hoef ook helemaal niet de auto in, want naast de deur ligt het ideale parcours voor lopen. ‘Atletiek…’ zeg ik. Daar valt lopen toch onder. ‘Eigenlijk zou ik wel aan atletiek willen doen.’ Maar zou ik als atleet geen belachelijk figuur slaan?

Het gezicht van Marianne vertoont geen spoor van spot of zelfs maar verbazing.

Daarom durf ik verder te gaan. ‘AAC, dat is toch dé atletiekclub hier in de stad, dacht ik…’

Ze knikt met instemmend opgetrokken wenkbrauwen.

‘Die zou ik eens kunnen bellen.’

‘Doe dat.’

Ik kan nog steeds niet aan het idee wennen. ‘Als ik nog eens terug wil komen op de therapie, zo voor een keer, kan dat dan?’

‘Natuurlijk,’ zegt Marianne met, als ik het goed zie, voor het eerst iets van ironie op haar gezicht, dat anders altijd zulke ondubbelzinnige uitdrukkingen vertoont. Om haar, dokter D. en mezelf de terugweg af te snijden pak ik thuis meteen het telefoonboek om het nummer van AAC te zoeken.

De atletiekbaan Ookmeer wordt omzoomd door hoge bomen en koestert zich in de avondzon. Het verschil met de winterse duisternis en regen tijdens mijn eenzame duurloopjes in het Gaasperpark kon niet groter zijn. Nu zie ik pas goed hoe mooi een atletiekbaan is met die strakke ovale vorm en die kleurencombinatie van steenrood tartan, helderwitte lijnen en fris groen gras. Ik kijk wat rond bij het sprinten van pupillen en het discuswerpen van senioren.

Dan arriveert trainer Gerard S.

Ik stel me voor en vertel wat ik hier zoek en wat hij – als ik tenminste mee kan doen – moet weten over mijn reuma.

Gerard S. is in zijn optreden wel het volmaakte tegendeel van Marianne N. Hij kijkt me flegmatiek aan en zegt half binnensmonds: ‘Mijn leermeester, Bob Boverman, zei altijd dat er in de training ruimte moet zijn voor mensen van verschillend niveau.’

Dat is een opmerking die ik naar twee kanten kan uitleggen: doe in godsnaam maar mee, of: een beetje verscheidenheid in de groep is nooit weg. Ik kan me voorstellen dat je juist het meeste leert van de achterblijvers, omdat je als het op de gewone manier niet lukt van alles gaat proberen. Zo is het tenminste in de muzieklessen die ik zelf geef.

In de groep van slanke, afgetrainde mannen ben ik met mijn achtenveertig jaar de oudste; zo te zien zijn ze allemaal onder de veertig en een ziet er zelfs niet ouder uit dan twintig. ‘Wie is hier de langzaamste?’ informeer ik.

Aarzelend gaat de hand omhoog van een Spaans of Portugees uitziende man.

‘Ik kom je aflossen,’ kondig ik aan.

Na de voorbereidende oefeningen op het binnenveld doen we op het verste rechte stuk de loopscholing. We trainen korte trippelpassen, waarbij je tenen nauwelijks van de grond komen, passen met knieheffingen en loopsprongen met het afzetbeen gestrekt en we doen versnellingen, waarin we rustig starten en aan het eind van de vijftig meter bijna voluit lopen. De oefeningen, die allemaal drie keer moeten, zijn zwaar; hierbij vergeleken is de groepstherapie in het Jan van Breemen Instituut bejaardengymnastiek.

Na het inleidende halfuur geeft Gerard zijn instructies voor het hoofdonderdeel van de training, dat vandaag vanwege de warmte erg licht is: tienmaal tweehonderd meter in een stevig, maar niet maximaal tempo, onderbroken door dribbelpauzes van tweehonderd meter, dus de rest van de ronde. Ik ben telkens hekkensluiter, maar ik kan beter de langzaamste zijn van een snelle groep dan de snelste van een langzame groep. En: deelnemen is belangrijker dan winnen, al zijn het hier de Olympische Spelen niet.

‘Je blijft wel achter bij de anderen,’ zegt Gerard, ‘maar die worden weer voorbijgelopen door de jongens van de selectie, daar aan de overkant, en die hebben ook weer hun meesters.’ Zijn mond springt in een brede grijns. ‘Je moet van goeden huize komen, wil je niemand voor je hebben.’

Als we bijna aan het eind van het loopprogramma zijn, ontlaadt de zomerhitte zich in een tropische regenbui. Iedereen rent naar het clubgebouw, dat een groot afdak heeft. De lopers staan te dampen en te trappelen om weer aan het werk te gaan; de werpers rekken de spieren van hun schouders; junioren maken gekheid, senioren bespreken de wedstrijd van gisteren en hun kansen voor volgende zondag. Ik moet denken aan de krappe kleedkamer van het Jan van Breemen Instituut, waar ik me na de groepstherapie altijd zo onbehaaglijk voelde tussen die tien, vijftien zweterige lijven. Van dat gevoel is hier geen spoor meer over. Als het geen typisch winterwoord was dat hoort bij een knappend haardvuur, een diepe leren leunstoel, een borrel, een stapel kranten en een herdershond die slaapt met zijn kop op zijn poten, zou je het hier zelfs knus kunnen noemen. Plotseling krijg ik, luisterend naar de ruisende regen, de kabbelende gesprekken en het klaterende gelach, het gevoel in een weldadig warm bad te liggen. Terwijl de tropische regenbui duurt en herduurt, vloeit het gevoel van saamhorigheid over in een soort dankbaarheid waar ik geen raad meeweet, omdat ik niet zou kunnen zeggen wie of wat ik dankbaar moet zijn. De vereniging? Ik ben nog niet eens lid! Marianne? Wie weet. Maar ik zou er niet over piekeren mijn dankbaarheid te tonen, daarvoor ben ik veel te terughoudend en is zij veel te nuchter.

Als de regen ophoudt, kunnen we de training eindelijk afmaken. Bij het uitlopen zegt de man naast me dat veel nieuwkomers na een paar weken al weer afhaken, omdat ze niet altijd de laatste willen zijn. Mij zal dat niet gebeuren: ik heb een stok achter de deur in de vorm van een dreigende degradatie tot de status van patiënt in het Jan van Breemen Instituut. Ja, ik ga straks naar de kantine om me aan te melden als lid. Van JBI naar AAC is geen slechte transfer. In plaats van vergoedingen te krijgen moet ik dan voor beweging gaan betalen: behalve ik kan ook het ziekenfonds tevreden zijn.

Drie dagen later is mijn laatste therapie in het Jan van Breemen Instituut. De Grote Oefenzaal is leeg en met de gloednieuwe vloer zelfs mooi; op een zomerochtend als deze valt het licht zo door het grote raam naar binnen dat je een gouden bundel met lichte, dansende stofjes ziet.

Als ik verslag heb gedaan van de eerste training bij AAC, pakt Marianne twee handhalters uit de kast om me de instructies te geven voor de krachttraining waar ik haar om gevraagd heb. De spieren van mijn armen en mijn bovenlichaam blijven namelijk achter bij die van mijn benen en bovendien heb ik al gemerkt dat krachttraining veel van de resterende pijn in mijn rug wegneemt.

Een meegaand karakter heb ik niet, maar er zijn omstandigden – die avond op de baan van Sportpark Ookmeer, deze ochtend in de Grote Oefenzaal – waarin ik het bijzonder prettig vind om opdrachten te krijgen en die zonder commentaar zo goed mogelijk uit te voeren. Ik doe de halteroefeningen in stand en houd op haar advies mijn armen iets gebogen om de ellebooggewrichten niet te zwaar te belasten; voor het bankdrukken ga ik over tot ruglig en vervolgens tot buiklig voor de oefening met de vliegbeweging. Hoe kon ik jaren geleden zo dwarsliggen, toen Marianne hier aan kwam zetten met een geluidsinstallatie, om de therapie voor onze groep wat leuker en afwisselender te maken? Hoe heb ik ooit de pest kunnen hebben aan deze therapeute en haar sportiviteit? Hoe kon ik zo onredelijk en onvriendelijk zijn? In het beknopte gesprek hier in de zaal hebben we het eigenlijk over datgene wat ons allebei ter harte gaat: de redzaamheid van een patiënt. Maar in plaats van te reiken naar hooggestemde woorden in de stijl van een modern geboortekaartje of te hurken tot het niveau van platte hulpverlenerstaal praten we over het manipuleren van ijzeren gewichten.

‘Ik denk dat we klaar zijn,’ zegt Marianne ten slotte.

We zijn een halfuur bezig geweest, zie ik op de klok aan de muur. Ooit krópen de minuten hier voorbij. Ik sta op, leg de mat terug op de stapel en ruim de gewichten op. Die stoffige kastdeur heb ik voor de laatste keer dichtgedaan.

Bij de uitgang van de Grote Oefenzaal steekt Marianne zonder iets te zeggen haar hand uit. De nuchtere, stevige handdruk is de juiste afsluiting van de tien jaar in dit instituut. Aangenaam, de strakke blik van die helderblauwe ogen. Ik neem afscheid met een gevoel dat misschien geen vriendschap is – daarvoor lopen onze karakters nog steeds te ver uiteen – maar dat zeker in de buurt komt. Met mijn eigen lichaam had ik door haar toedoen al vriendschap gesloten.

 

 

In 1997 bekroond met de driejaarlijkse prijs De pen als lotgenoot van het Fonds voor Chronisch Zieken. Gepubliceerd in De pen als lotgenoot: ervaringen over het leven met een ziekte. Uitgeverij SWP, Utrecht, 1998.