Rive Josl Boentsiës

00924-009_01

 

Der Nister

Ze was zelfs in het kleine, oud-sefardische, ouderwets-vrome Pools-joodse sjtetl een opmerkelijke verschijning, een soort historisch relict voor in het museum.

‘Wie?’

‘Rive Josl Boentsiës, die je zomer en winter kon zien lopen in een lange jas met losse panden, met een ouderwetse hoed nog uit de tijd van koning Sobieski, een bamboestok met een witte benen knop als van een bisschop, en haar plechtstatige, nogal zware pas als van een voorname geestelijke.

Je zag haar ook nooit alleen, maar altijd met een jong meisje, een wees, die door haar was opgevoed en grootgebracht; zij, Rive, beschouwde het als haar mitswe het meisje uit te huwelijken en in haar plaats meteen een ander op te nemen om groot te brengen.

De wees die altijd bij haar was droeg een collectebus waarmee Rive vaak rondging door de stad, meestal bij de plaatselijke welgestelden om geld in te zamelen voor de behoeftigen en ook wel bij kooplieden en handelaars van buiten de stad, die van tijd tot tijd naar het sjtetl kwamen.

De caféhouders informeerden haar over de komst van de reizigers en dan ging zij in haar volle lengte, in haar jas met losse panden en met de bamboestok voor de bezoeker staan bij wie ze iets dacht te halen en deed geen gewoon verzoek met poeslieve woorden en roerende gebeden, maar sprak jong en oud aan op commandotoon, zoals zij dat nu eenmaal gewend was en allesbehalve beleefd.

‘Koopman, geef iets voor de armen.’

Wie bij haar binnenkomst meteen zonder morren iets gaf was goed, maar wie wilde weten wie ze was, gewoon uit nieuwsgierigheid of om een idee te krijgen wat hij verondersteld werd te geven en vroeg: ‘Wie bent u? En voor wie collecteert u?’ kreeg van Rive als antwoord:

‘Geen vragen, meneer de zakenman, dat zit wel goed: ze kennen me hier in de stad en ze weten dat ik en mijn arme mensen je geld niet over de balk zullen gooien.’

En als iemand een keer gierig was en niet gaf wat volgens Rive paste bij zijn voorkomen en kredietwaardigheid, bekeek ze hem van top tot teen met een strenge, vermanende blik en zei:

‘Gulle man! Milde man! Meneer de zakenman… Maak hem open, Gods geldbuidel, die niet van jou is…’

Ze zagen dat je met zo iemand geen ruzie moest maken, niet dwars moest gaan liggen en niets terug moest zeggen. Ze staken hun hand nog een keer in hun zak, stopten nog iets in de collectebus en dan knikte Rive goedkeurend en voegde eraan toe:

‘Geef maar, geef, het is in orde, je zult er geen spijt van krijgen!’

Als ze kreeg wat ze nodig had, draaide ze zich om met haar grote lijf als van een man, dat niet evenwichtig op haar voeten stond, maar een beetje naar links overhelde, alsof ze van de ouderdom wat mank liep; en met een blik op haar ouderwetse hoed, die met twee bandjes van voren onder haar kin vastzat en er van onderen uitzag als een vreemdsoortig vogelkuifje, begeleidden ze haar naar de deur, verwonderd en tegelijk met een respectvolle glimlach, zonder een goede reden voor die glimlach en dat respect…

Zo ging het bij vreemden. Maar haar eigen sjtetl kende haar goed en behandelde haar met veel respect als een soort universele grootmoeder of stammoeder; mannen bewezen haar alle eer en vrouwen kwamen bij haar om zich te laten bensjen.

Er was in het sjtetl geen bruiloft of Rive wenste het bruidspaar als eerste geluk, geen besnijdenis of Rive was de gevatterin en met allerlei vrouwenkwesties en voor halachische adviezen gingen ze eerder naar haar dan naar de rebbe.

Dat verdiende ze ook: ze was niet alleen ontwikkeld, maar ook iemand die met veel zelfvertrouwen haar opinie debiteerde; daarom beschouwden de vrouwen haar als een leidersfiguur, naar wie je luisterde, die je volgde en met wie je rekening hield.

Dat was de rol die ze speelde: je moest haar zien, zeiden de mensen, ’s avonds op tisjebov, bij het rouwritueel, wanneer de vrouwen van het halve sjtetl bij haar gekomen waren en op dekens op de vloer zaten met in het midden Rive, die eruitzag als een keizerin die van haar troon was afgedaald en nu op een kussen zat om met een kaars in de hand iederen uit de Taitsj-Choemesj voor te lezen over de verwoesting van de Tempel.

Je moest de strenge Rive horen lezen, met die uitdrukking en met ieder beeld van de verwoesting zo helder of alles pas gisteren gebeurd was; hoe bijvoorbeeld commandant Neboezaradan de joden, jong en oud, in ketenen door de woestijn dreef, waar ze alleen gezout voedsel te eten kregen en toen ze iets te drinken vroegen dierenhuiden kregen gevuld met lucht, die ze gretig aanpakten, maar die hun dorst niet lesten; en hoe de bewakers, toen ze aan de rivieren van Babylon kwamen, van de Levieten eisten dat ze de liederen van hun land, van Tsiën, zouden zingen en spelen op hun instrumenten; en hoe de gevangenen eerst hun vingers afhakten en toen tegen de bewakers zeiden: ‘Eich nasjier? Hoe moeten we spelen? Kijk: we hebben geen vingers…’ En daarbij hief Rive voor alle vrouwen die op de grond zaten haar hand als bewijs, en dan zagen de vrouwen net als bij de Levieten afgehakte vingers…

Zo moest je haar ook een andere keer zien, op Rosjesjone, bij de belangrijkste gebeden, zoals bijvoorbeeld het Oensanne-toikef, als de weegschaal in de hemel doorsloeg naar de zonden of naar de verdiensten… Naar het leven of, God verhoede, naar het tegenovergestelde… En als alle biddende vrouwen de moed in de schoenen zonk omdat weldra het lot bepaald zou worden van henzelf, hun mannen, kinderen en familieleden… Dan moest je zien hoe Rive na het beëindigen van haar gebeden opstond van haar plaats bij de lessenaar, in haar volle lengte en steunend op haar stok, die ze bij het lopen niet meer kon missen, en hoe ze de ronde deed tussen de lessenaars waar alle anderen zaten; en alsof ze het oppercommando had en het bevel voerde over soldaten die ze moed insprak voor de strijd waarin ieders lot zou worden bepaald, zei ze, Rive, zo luid dat iedereen het horen kon:

‘Meisjes, luister… Kijk eens om je heen of de engel des doods niet tussen jullie zit…’

Ja, de stad had respect voor haar en bewees haar niet alleen alle eer, maar gaf haar ook wat ze vroeg als ze met weesmeisje en collectebus langskwam voor de behoeftigen, voor wie ze de zorg op zich genomen had.

Als ze met iemand onderhandelde hoefde ze hem zelden te overtuigen en als ze een keer merkte dat de ander aarzelde, zei ze:

‘Idioot… Wat? Wil je niet? Dat kan niet! Dan geef ik zelf wel… Ik hoef die mitswe van jou niet al niet meer… Ik heb genoeg…’

En dat had Rive ook: behalve de mitswe van de opvoeding van de wezen tot een bepaalde leeftijd en daarna het huwelijk met pracht en praal, met alles erop en eraan, met muziek, met religieuze functionarissen en de medewerking van haast alle gezinshoofden van de stad, behalve dat en haar collectes voor gewone armen en stille armen, waarover niemand anders iets hoefde te weten, behalve dat volbracht ze nog een mitswe: het op een fatsoenlijke, joodse manier verzorgen van eenzame overledenen die geen kinderen en familie hadden en als dakloze landlopers hier in het sjtetl aan hun eind gekomen waren en behalve haar, Rive, niemand hadden die zich om hen bekommerde.

Dan kon je haar zien zonder het weesmeisje, alleen, in diezelfde jas met losse panden, met haar stok en haar hoed, terwijl ze een paar fraaie, goed gepoetste zilveren kandelaars droeg met een brede voet en allerlei versieringen. Als het begrafenisgenootschap haar gewaarschuwd had kwam ze naar de dode om de kaarsen aan te steken, ze bij zijn hoofdeinde te zetten en om, voor de dode een behoorlijke begrafenis kreeg, rond hem te lopen en hem te bewenen zoals het hoorde.

Als je haar met de kandelaars zag lopen wist je dat er in de stad een begrafenis op algemene kosten was, waarvoor eerst vrouwen van verschillende leeftijden bij elkaar kwamen en daarna ook mannen, tot er zoveel volk bijeen was dat zo’n begrafenis altijd weer veel groter opgezet was dan voor de bekendste inwoner van de stad.

Overigens was de bijeenkomst van de hele stad bij zo’n begrafenis niet zozeer een kwestie van respect voor de dode als wel van respect voor de zilveren kandelaars, die Rive droeg als iets heiligs en bijzonder dierbaars.

Dat waren namelijk de kandelaars geweest van haar vader, Josl Boentsiës, die ze voor zijn dood bestemd had voor de man van zijn enige dochter Rive, om ze steeds aan te steken bij het lernen, want dat was zijn enige bezigheid en andere hield hij er niet op na.

Rives man was een heel apart persoon met ouderwets-vrome opvattingen en Josl Boentsiës bracht hem in verband met zowel deze wereld als de andere wereld: met deze wereld als levend eerbetoon aan hemzelf en met de andere wereld, omdat Josl Boentsiës zich voorstelde hoe zijn kandelaars altijd voor de man zouden staan die zich verdiepte in de Toire, waar hij zijn ogen en mond dag en nacht niet van afhield, eigenlijk praktisch nooit.

Die kandelaars mocht Josl Boentsiës van zichzelf alleen gebruiken op Rosjesjone en Jom Kipper, vanwege hun grote belang, maar hij gaf ze aan zijn schoonzoon voor gebruik door heel het jaar.

Al was Josl zelf niet de eerste de beste, niet wat je noemt een boerenkinkel, en net zo goed een man van davvenen en lernen, hij besteedde toch zijn meeste tijd aan iets anders; hij had namelijk te maken met landheren, aan wie hij goed verdiende door de verkoop van benodigdheden voor hun landgoederen en de inkoop van hun land- en bosbouwproducten.

Hij, Josl Boentsiës, had hetzelfde postuur als zijn dochter Rive. Hij was een krachtige figuur met aanzien en autoriteit bij de inwoners van de stad en de kehille en natuurlijk wat minder aanzien bij de landheren die hij frequenteerde en die je discreter en bescheidener tegemoet moest treden. Toch voelde hij zich ook tegenover hen niet de mindere en niet afhankelijk, alsof hij geen zaken met hen deed; zeiden ze ja, dan was het goed; zeiden ze nee, dan was het ook best, en zijn woord, dat wil zeggen zijn prijs bij de koop of de verkoop stond altijd vast, alsof er helemaal geen andere kopers of verkopers en geen concurrenten waren.

Daardoor beschouwden ze hem als een eerlijk man en hadden veel vertrouwen in hem, omdat ze wisten dat hij zich in zaken aan zijn woord hield, dat wil zeggen dat hij van tevoren zei hoeveel hij aan de koop of verkoop wilde overhouden en als iemand dat niet wilde maakte hij gewoon plaats voor een ander, in wie de landheren meer vertrouwen hadden…

Ze betaalden hem beter dan alle anderen en deden hun hele leven alleen zaken met hem, en als een oude landheer van deze wereld afscheid moest nemen zei hij voor zijn dood tegen zijn zoon en erfgenaam dat die voortaan alleen zaken moest doen met Josl, die hij kende en voor wie hij instond.

Hij genoot zoveel vertrouwen en sympathie dat hij op de landgoederen altijd werd uitgenodigd voor feestdagen, bruiloften en bals; aan de andere kant verwachtten zij ook een uitnodiging als er bij hem iets te vieren was, want anders zou dat een belediging zijn en een inbreuk op de vriendschap.

Omdat hij er niet onderuit kon, had Josl dat een keer moeten doen, hen uitnodigen… En hij was dat zeker verplicht bij het huwelijk van zijn enige dochter Rive met zijn gebensjte schoonzoon, dat lot uit de loterij dat hij bemachtigd had, en toen had hij, Josl, buiten zichzelf van trots (want wat had hij anders dan zijn enige dochter), een grote tent op laten zetten voor de hele stad, voor iedereen, jong en oud; hij had een paar orkestjes laten komen, die zeven, acht dagen achtereen speelden, alsof er iedere dag een bruiloft was; toen zo’n vreugde voor de stad en zelfs voor de wijde omgeving niet verborgen kon blijven moest Josl natuurlijk ook zijn zakenrelaties onder de landheren uitnodigen, die zijn uitnodiging heel graag aannamen en hun hele gevolg meenamen met koetsen, rentmeesters, honden en ook hun jonge zoons en dochters, om de joodse leverancier een plezier te doen die ze zo sympathiek en respectabel vonden.

Josl kreeg dan wel respect, maar hij had ook genoeg kopzorgen om de families van de landheren, die weliswaar hele bergen huwelijkscadeaus meebrachten, zoals dure stoffen en stapels mooie dingen, maar om wie hij zich telkens los moest maken van zijn eigen familie om even naar de anderen aan de aparte tafel te gaan en te kijken of ze genoeg hadden, want ze moesten zo goed mogelijk bediend worden, dat ze tevreden zouden zijn.

Josl kreeg het vooral heel moeilijk tegen het eind van het huwelijksdiner, toen de landheren al aardig wat ingenomen hadden en wilden dansen, per se niet met hun eigen adellijke mensen, maar met mensen van de kehille, dat wil zeggen met de rebbe, met de sjoichet, met het bruidspaar en met de vader van de bruid, met Josl zelf.

Josl moest wel toegeven en vroeg de rebbe of die mee wilde helpen de lieve vrede te bewaren, de landheren niet te ergeren en hun de hand te reiken om met hen een rondedansje te maken.

De adellijke heren hadden plezier om het dansen met de rebbe, met de sjoichet, met het bruidspaar en met Josl zelf, maar de rebbe wreef daarna stiekem zijn handen, alsof die lang klem gezeten hadden; ook de bruidegom voelde zich aan de hand van een landheer niet echt de koning te rijk, maar eerder een verdwaald schaap en Josl zelf dankte God aan het eind dat het gedoe met de adel goed afgelopen was…

De bruiloft liep verder goed en Josl was God natuurlijk nog dankbaarder dat hij zijn dochter uitgehuwelijkt had aan de man van zijn keus en hij kon zich geen groter geluk wensen: een fantastische schoonzoon, respect en een kroon op déze wereld en goede vooruitzichten voor de andere wereld; en toen hij hem verworven had ging hij denken hoe hij zijn schoonzoon kon belonen met het beste wat hij bezat en bedacht dat hij in de jaren die hij, Josl, nog te leven had moest zorgen dat zijn schoonzoon, dat briljante studiehoofd, na zijn dood niet hoefde te doen wat hij, Josl, moest doen: handel drijven met de adel, want dat zou hem maar storen in zijn roeping.

Dat was wat hij zijn laatste jaren deed: almaar sparen voor degene die het van hem over zou nemen en de draad van zijn generatie op zou pakken om een nieuwe in het leven te roepen…

Maar zover kwam het niet, niet bij zijn leven en niet na zijn dood: zijn dochter Rive kreeg geen kinderen, doordat zij te groot was of haar man te klein, te dor en te duf… Hij voelde wel hoe zijn immense respect voor zijn schoonzoon zich ook uitstrekte tot zijn dochter en hij wist zeker dat zij hem er niet van zou weerhouden diens zelfgekozen weg te volgen, maar net als hijzelf, Josl, juist alles zou doen om te zorgen dat hij er niet van afraakte.

Josl wist dat hij iemand had op wie hij kon vertrouwen, als hij zag hoe zij, zijn dochter Rive, zijn schoonzoon naar de mond zag, in afwachting van de woorden die hij zou zeggen en die zo ongeveer heilig voor haar waren en hoe ze hem ook naar de ogen zag, alsof ze bereid was al zijn wensen te vervullen voor hij die uitsprak, als een moeder die weet wanneer het tijd is om haar kind te zogen…

En toen Josl Boentsiës dat zag, vond hij dat zijn taak op deze wereld ten einde was. Zeker nadat hij in stilte zijn balans had opgemaakt en zich ervan overtuigd had dat zijn schoonzoon geen zakenman was, maar op de lange duur genoeg zou hebben aan wat hij, Josl, bijeengebracht had.

Hij had geen lang ziekbed. Hij was de hele tijd voor zijn dood helder van geest en toen hij ten slotte zijn testament opstelde en bedacht wat hij zijn schoonzoon het beste als aandenken na kon laten, herinnerde hij zich de kandelaars, die hij, zoals bleek, geërfd had van een eerbiedwaardige vader of grootvader, en die liet hij aan zijn schoonzoon na, zonder acht te slaan op de notabelen die bij het opstellen van het testament aanwezig waren en hem adviseerden ze na te laten aan het publiek, aan de synagoge in de stad, waar ze op de omed een bestendig licht zouden zijn op sjabbes en de feestdagen.

‘Ja,’ antwoordde Josl de notabelen, ‘maar ik heb zelf een soort omed,’ en daarmee doelde hij op zijn schoonzoon, want hij vertrouwde er ook op dat die bij het licht van de kaarsen in zijn kandelaars, God verhoede, geen slechte daden zou begaan…

Hij stierf. De stad gaf hem een behoorlijke begrafenis en ontving heel wat gulle schenkingen aan allerlei liefdadigheidsverenigingen; goed bedeeld werd natuurlijk ook zijn dochter Rive, die hij bedacht met alle rijkdom, met een comfortabel huis met tuin aan een voornaam plein, als ook met huisraad, kleding en meer dan genoeg contanten; en natuurlijk bedacht hij ook zijn schoonzoon, ten eerste met zijn dochter Rive als vrouw, die op hem paste als op een enig kind, en ten tweede met alles wat zo iemand nodig had aan “meel”, dat wil zeggen aan materiële ondersteuning, die je nodig hebt om de Toire te kunnen studeren; zoals gezegd bedeelde hij hem ook met het allermooiste uit zijn bezit: de kandelaars voor zijn Toire, die ieder die dat wilde ’s avonds altijd kon zien branden voor de ramen van het huis waar hij, Josls schoonzoon, zat te lernen… En meer had hij eigenlijk niet nodig: hij had alles voor zijn levensonderhoud, een grote, sterke vrouw als Rive, die voor hem zorgde en hem vertroetelde als een kind en die zich in stilte gelukkig prees met zijn tederheid en gevoeligheid, waarvoor ze haar vader heel dankbaar was… Ja, ook Rive had niets meer te wensen. Al bleef haar schoot gesloten, ze stelde zich tevreden met de zegen van haar man, die voor haar de plaats innam van een kind, niet van een, maar van vele die ze had kunnen krijgen…

Maar al gauw verloor ze ook hem; hij verviel in lethargie, door weinig eten en veel lernen of door de erfelijke belasting die hij als jonge man meegekregen had van zijn ouderlijk huis. Hij bleef ook niet lang in leven en stierf, Rive achterlatend als een jonge weduwe die alles bezat behalve het belangrijkste wat een mens nodig heeft, maar die behoefte had aan iemand anders.

‘Waarom niet?’

Een ander met haar jeugd en rijkdom zou na een rouwperiode om haar man op zoek zijn gegaan naar een nieuwe man, ze zou vrienden gemaakt hebben en zich gedragen hebben zoals God van haar verwachtte, maar zij niet. Zij liet zelfs na lang treuren geen huwelijksmakelaars binnen en wilde niet naar zo iemand luisteren, en toen ze een keer een zeer respectabel persoon op haar afstuurden, naar wie ze wel moest luisteren en wie ze niet zomaar de deur kon wijzen, te weten de rebbe van de stad, die door huwelijksmakelaars overtuigd was dat hij zich met de zaak moest bemoeien, omdat het een mitswe was en ook omdat hij een deel van het honorarium zou krijgen, toen luisterde zij, Rive, natuurlijk zonder hem in de rede te vallen; maar toen hij ten slotte dacht ze ja zou zeggen, zei ze:

‘Nee, rebbe, ik doe het niet.’

‘Waarom niet?’

‘Ik wil het niet.’ En op dat moment leek Rive voor het eerst de strenge, scherpe toon aan te slaan die de rest van haar leven kenmerkend voor haar zou blijven en ze veroorloofde zich de rebbe te antwoorden met bijna dezelfde woorden als de vrouw van een rabbijn uit de Oudheid, over wie ze ergens in haar vrouwenboeken had gelezen dat die, toen de bekende rabbijn Jehoede Ha-Nosi haar na de dood van haar geliefde man bij zich liet komen en haar voorstelde met hem te trouwen, antwoordde: ‘Nee, het vat dat gebruikt is voor het heilige mag je niet gebruiken voor het alledaagse,’ wat betekende dat zij, Rive, die twee dingen niet door elkaar zou halen; ze zou niet trouwen, ook al was dat volgens de rebbe tegen de wet en tegen de gewoonte en ongewenst…

Toen de mensen zagen dat haar besluit vaststond, kwamen ze niet meer met huwelijkskandidaten aanzetten, al waren er spoedig na de dood van haar man en ook nog veel later aardig wat geïnteresseerden.

Ze bleef weduwe en omdat ze van alles voorzien was en niets had om haar tijd aan te besteden en haar vrouwelijk-moederlijke aandacht op te richten ging ze zich bezighouden met liefdadigheid, zoals de opvoeding van wezen en collectes voor liefdadige doelen en stilletjes wierp ze af en toe een tersluikse blik op de kandelaars waarbij haar echtgenoot altijd had zitten lernen en zijn tijd als man had doorgebracht…

Die kandelaars dienden niet alleen als herinnering aan wat ze verloren had, maar ook als een soort bezinning op haar alledaagse doen en denken. Ze gebruikte ze ten eerste voor het lichtbensjen, waarbij ze die aan de kant zette op een meer doordeweekse plaats, waar zij toen haar man nog leefde gebensjt had, en verder gebruikte ze die bij het rouwritueel, dat wil zeggen als ze een dode, vooral een arme, de laatste eer bewijzen moest en dan kwam om ze aan het hoofdeind neer te zetten.

In de stad wisten ze dat en als ze haar met de kandelaars zagen lopen voelde iedereen dan ook zowel respect als medeleven om haar jeugd die ze offerde, omdat ze geen afstand kon doen van wat nooit meer terug zou keren.

Er stond een jonge generatie op, die stiekem al eens lichtzinnig had durven lachen om Rive, om haar bamboestok, om haar plechtige, bisschoppelijke pas en om haar hele, ouderwets-sefardische manier van doen, maar zelfs zij durfden dat kleine beetje minachting niet openlijk te tonen, integendeel: zelfs de jongeren gingen wanneer ze haar zagen opzij en groetten haar vriendelijk en wanneer er een begrafenis was waarop zij met haar kandelaars aanwezig was bleven de jongeren hoe dan ook niet weg.

Afgezien van de ouderen, voor wie Rive gewoon Rive was, een algemeen bekende verschijning met een familie en een geschiedenis die ze zich goed herinnerden, vanaf haar vader, de goudeerlijke man die zakendeed met de adel, tot aan haar opgebrande echtgenoot, die haar maar kort gegund was en aan wie ze alleen de herinnering bewaarde in de gedaante van de kandelaars.

Dat was het. En hier wordt de geschiedenis van Rive Josl Boentsiës plotseling onderbroken om van diep gewortelde tradities uit te lopen op een onvoorziene en onvoorstelbare ramp…

 

***

Toen de Hitleristen tijdens hun aanval op Polen het sjtetl binnentrokken waar Rive Josl Boentsiës woonde, deden ze wat ze overal, in alle Pools-joodse gemeenschappen deden. Eerst kwamen ze met uitzonderingswetten en vernederende verordeningen, zoals bijvoorbeeld dat joden niet op de stoep maar alleen midden op de weg mochten lopen en dat ze een bepaald merkteken moesten dragen, opdat de niet-joden zich aan hen konden ergeren; daarna met allerlei vorderingen in de vorm van bijzondere belastingen, die de daarvoor bestemde Joodse Raad zelf moest innen, eerst zogenaamd om alleen te voorzien in de behoeften van het leger, dat kwam en ging, en later ook voor de bezettingsmacht in de stad die bestond uit plaatselijke collaborateurs met aan het hoofd functionarissen van de SS-horde.

Later dreven ze de joden bijeen in het getto, dat wil zeggen in een kleine, speciaal voor hen bestemde wijk, ten eerste om te zorgen dat ze zich in het nauw gebracht voelden op een fractie van de woonruimte die mensen normaal gesproken nodig hebben, waardoor vuil, smerigheid en allerlei vernederingen toenemen – de gevolgen van ruimtegebrek – en ten tweede om hen in de gaten te houden en beter te kunnen bijhouden hoe ze uitgeperst werden.

Al beroofd van meer dan de helft van hun bezittingen kwamen ze in het getto aan, maar de muil van de bezetter en zijn collaborateurs was zo begerig dat wat ze meenamen nog te weinig was.

Er werden steeds weer ondergoed, bedlinnen, kleren en schoenen gevorderd en ook etenswaren: zo en zoveel vlees, suiker en honing, die in het getto al niet meer te krijgen waren en alleen nog voor hoge prijzen te koop bij de boeren in de omgeving tegen betaling met contant geld, gouden voorwerpen, ringen, horloges en dergelijke, en als er in een huis niets meer te vinden was eiste de Joodse Raad dat de bewoners in het algemeen belang uitgezet werden en anders moesten ze, God verhoede, betalen met hun leven.

De mensen gaven hun laatste geld uit en lieten zelfs hun meubels het huis uitdragen; het beste viel ten deel aan de bezetters en de minder waardevolle dingen aan jaknikkers, dat wil zeggen een bewaker of een lagere ambtenaar die de bezetters van dienst was en wachtte tot er iets overbleef van de welvoorziene dis…

En eerst maakten de bezetters alleen nog individuele slachtoffers en rechtvaardigden hun optreden door het een misverstand of toeval te noemen of de straf voor een ernstig misdrijf dat de slachtoffers begaan zouden hebben, terwijl je in oorlogstijd streng moest optreden en niets door de vingers kon zien…

En daar er nog geen sprake was van moord, waren de mensen niet karig en gaven alles, tot zelfs een draad die ze uit hun kleren moesten trekken of een gouden tand uit hun mond, waarmee ze toch niets meer konden beginnen…

En ieder die belasting moest betalen deed dat, of hij nu rijk was of arm, en natuurlijk was Rive Josl Boentsiës geen uitzondering. Integendeel: zij bevond zich met haar eigendom, het gerieflijke huis met de vele kamers en de mooie tuin, juist in de wijk die aangewezen was als getto; door haar gevorderde leeftijd begreep ze eerst niet goed wat er aan de hand was, want ze had zoiets nog nooit meegemaakt en van haar ouders nooit iets dergelijks gehoord; zij, Rive, voelde die later ook meer aankomen dan dat ze die begreep, de verordening die op haar mensen afkwam vanwege een soort nieuwe Neboezaradan, van wie ze inderdaad een ouderwetse of misschien toch wel een juiste voorstelling had; toen ze de verordening aan voelde komen, handelde ze eerst als eigenares van een huis, voor zover ze daar nog recht op had: anders dan anderen die uit hun huizen gezet waren regelde ze alles zoveel mogelijk zelf en reserveerde voor zichzelf en haar weeskind maar het kleine hoekje dat haar volgens de verordening toekwam. En daarna, toen successievelijk de belastingen kwamen, weigerde zij natuurlijk ook niet te geven wat van haar gevraagd werd: kostbaarheden, kleding en ondergoed die ze al jaren bezat en bewaard had sinds de tijd dat haar vader nog leefde en nooit meer gebruikt had.

Ze gaf nog meer: zichzelf, dat wil zeggen haar aanwezigheid, die iedereen tot troost was; ze leek een grootmoeder die zelf weinig nodig had en het goede dat ze in zich had wijdde aan haar kinderen en kleinkinderen en in dit geval was het de hele stad die daar behoefte aan had.

Het was verbazingwekkend hoe allen, vooral vrouwen, vanaf het moment dat de ellende hen in de benauwdheid van het getto samengedreven had, Rive gingen zien als een grootmoeder, een familielid waarbij je je hart kon uitstorten.

Zo kwamen oudere, jongere en zelfs heel jonge vrouwen bij haar en keken naar haar bamboestok en naar haar jas, die ze uit respect had mogen aanhouden, als naar een levende, beschermende amulet, een moeder van het volk, bij wie ze zich wat veiliger voelden en beter beschermd.

Ze luisterde als mensen haar over politiek vertelden en voorlazen uit de kranten over de nieuwe Homen, die zulke boze plannen had met de joden, en onder het luisteren bromde ze dan zacht en vol zelfvertrouwen:

‘Maak je geen zorgen, hém hebben ze opgehangen en híj komt ook aan de beurt.’

‘Ach, Rive, dat zie ik nog niet gebeuren.’

‘Wat dacht je!’ antwoordde ze dan. ‘De galg is hoog en het duurt een tijd voor hij boven is…’

Ondertussen kwam er geen eind aan de vorderingen. Ze namen de bevolking van het getto alles af en eisten steeds meer en wel zoveel, dat zelfs de grootste pers het niet meer uit hen had kunnen persen, of ze hadden de doden hun lijkwaden af moeten nemen.

Niemand hield ook maar iets over. Ook Rive Josl Boentsiës niet, behalve haar twee zilveren kandelaars, die ze van haar vader en haar man geërfd had en die ze gebruikte bij het ritueel voor de arme doden en tot aan de ramp voor het lichtbensjen.

Nu niet meer. Nu had ze ze verstopt… Eigenlijk wilde ze ze niet verstoppen. Waarom niet? Omdat de Joodse Raad niet gedwongen was de joodse bevolking alles af te nemen, en al had de Raad zijn controleurs en “verklikkers”, die doorgaven wat er bij wie nog te halen was, die hadden Rive de laatste overgebleven kandelaars, die iedereen kende, begrijpelijkerwijs niet afgenomen; toen de controleurs en verklikkers aan die kandelaars toe waren, had zelfs de Joodse Raad gedaan of ze er niets van wist en ze gespaard, ten eerste omdat ze er niets aan hadden als ze toch al niet konden voldoen aan de vorderingen van geld en kostbaarheden en ten tweede omdat de mensen de kandelaars niet alleen zagen als iets van Rive, maar ook als iets van de kehille, net als een sejfer-Toire, waarvan niemand het zelfs in zo’n tijd in zijn hoofd gehaald zou hebben die te verpatsen…

Ze hadden ze Rive niet afgenomen, maar dat was niet genoeg en daarom haalde zij ze nooit tevoorschijn, en zelfs de beste bergplaats vond ze eigenlijk maar te onveilig, tot ze ze uiteindelijk meenam naar haar oude, rommelige getto-bed om ze te verbergen voor het boze oog… Hoewel ze er geen plaats voor had en ze daarom naast zich neerlegde of aan haar hoofdeind, waar de harde dingen haar in de weg lagen, prikten en uit haar slaap hielden.

Toen de bezetters ten slotte zagen dat er in het getto niets meer te halen was en dat het tot het merg was uitgezogen, hielden de vorderingen op en begon de serie Aktionen, waarin ze eerst kinderen naar de slachtbank leidden en daarna ook ouderen die geen verklaring konden overleggen dat ze nodig waren en nuttig werk voor de bezetter deden.

Toen waren op een dag de vrouwen aan de beurt: oud, van middelbare leeftijd en jong, werkelozen en “nuttelozen”, omdat het niet loonde die zomaar rond te laten lopen…

Het was op een vrijdag… Zelfs de vroomste vrouwen beseften niet wat voor dag het was, omdat de wilde chaos die ontstond bij het geren, het tumult en het gejammer, toen er een aantal zich wilden verstoppen of probeerden over te lopen naar degenen die geselecteerd waren om te blijven. Maar toen zetten de ordebewakers: de plaatselijke politie en het speciaal voor de Aktion van een groter centrum overgekomen personeel, samen met de SS, die de leiding had en de dienst uitmaakte, hun wapens en honden in om dat te voorkomen…

Toen families verdeeld werden: de een deze kant uit, de ander die kant uit, toen moeder en kind, zuster en zuster voor altijd afscheid moesten nemen, toen de politie er uiteindelijk in slaagde de vrouwen uit elkaar te halen, de al veroordeelden van de (voorlopig) nog niet veroordeelden, en toen ze de geselecteerden voor het transport in een colonne opstelden, toen trof het dat aan het hoofd van de colonne, precies in het midden van de eerste rij, Rive Josl Boentsiës opdook, die met kop en schouders boven de meesten uitstak, met naast haar het weesmeisje dat de laatste tijd door haar grootgebracht werd, dat haar diende, zelfs nu niet van haar zijde week en zich niet van haar liet scheiden.

Niemand wist of Rive zelf aan het hoofd was gaan staan, of anderen haar als oudere vooraan hadden gezet of dat de bezetters haar hadden gelast voorop te gaan staan. Hoe dan ook, Rive met haar lengte, haar zware, massieve lichaam en haar bamboestok, die ze nu wegens haar leeftijd hard nodig had om op te steunen, verscheen in de eerste rij.

De bezetter had opdracht gegeven pakjes mondvoorraad mee te nemen voor de reis naar de nieuwe plaats waar ze zogenaamd naar toe gebracht zouden worden; sommigen hadden zelf eten en wie het niet had kreeg het van anderen; Rive had een pakje meegenomen dat ze niet uit handen gaf, zelfs niet aan haar weeskind dat haar hielp en het graag van haar overgenomen had.

En zo, met in de ene hand de bamboestok en in de andere het pakje, dat er anders uitzag dan de andere, niet rond, maar langwerpig, hard en scherp gepunt, wachtte Rive aan het hoofd van de colonne met allen achter haar op het bevel om te vertrekken.

En toen kwam het bevel. En doordat Rive vooropliep en doordat haar tempo door haar leeftijd werd bepaald, nadat ze al met veel moeite hier gekomen was, moest de hele colonne zich richten naar haar kalme pas, en ook de ordebewakers en politiemannen die de stoet vooraan, opzij en achteraan begeleidden met geweren en honden, moesten allen Rives pas aanhouden en konden de menigte niet opjagen, zoals anders, als ze sneller lopende mensen voor zich hadden.

Doordat Rive bijna een hoofd boven de colonne uitstak zag de politie haar onwillekeurig als een soort aanvoerster, met wie ze rekening moesten houden, zeker toen ze merkten dat iedereen in de stoet haar zo zag en dat ze niet zomaar en niet toevallig vooropliep in de eerste rij.

Het kon zijn dat de commandant die het bevel voerde over de politie en die haar zwijgend, gesloten en met haar stok in de hand zag lopen als een overste, een kloostermoeder, iets van respect voelde, wat soms zelfs de slechtste overkomt als hij onder de indruk raakt van iemands voornaamheid.

Ze liepen in stilte na het onherroepelijke afscheid, dat iedereen verscheurd had door het gehuil, het geschreeuw en de omhelzingen… Ze waren uitgeput als altijd na een verschrikkelijke inbraak, wanneer de tijd lijkt stil te staan…

Ze liepen in rijen naast elkaar, stil en bijna zonder gedachten, die teloor waren gegaan, ten eerste door de vermoeidheid en ten twegreepede blijkbaar doordat ze van tijd tot tijd naar het hoofd van de colonne keken, waar ze de grote, zware gestalte van Rive Josl Boentsiës zagen en zich bijna voelden als kinderen in aanwezigheid van een ouder op wie ze vertrouwden en die het denken overbodig maakte…

Al was daar geen reden voor en al was Rive een gevangene als de anderen, de groep gedeporteerden beschouwde haar om een of andere reden toch als aanvoerster; waar zij ging, volgden zij en als zij er was leek het of de Heer der wereld met hen was…

Ze hielden zichzelf natuurlijk voor de gek en dat bleek later ook.

Zodra ze de stad uit waren, verlieten ze de landweg waar andere mensen liepen en reden en sloegen af, waarna ze uitzicht kregen op een verre heuvel, waarheen de aanvoerders van de colonne, de politiemannen met geweren en honden, de hele menigte commandeerden.

Het was een nazomerdag, mild, niet warm, waarop de naar het westen neigende zon als een barmhartig oog de wacht hield boven de beide zijden van het vrije veld waartussen de groep vrouwen onder bewaking voortliep, zonder te weten waarheen en waartoe.

Ze spraken niet met elkaar, ze hadden elkaar niets te zeggen, omdat ze alleen maar bezig waren met de scènes die zich hadden afgespeeld bij het afscheid kortgeleden, toen ieder van hen zich moest losmaken om afscheid te nemen van haar naasten en dierbaarsten…

Nu en dan gaf een vrouw een hysterische schreeuw of gil, als ze zich de laatste omhelzing herinnerde van een geliefd persoon die ze niet vergeten kon. En het was verbazend hoe alle andere gedeporteerde vrouwen, die zelf ook op de rand van hysterie verkeerden, die ene schreeuwende of gillende vrouw steeds kalmeerden, als ouders die kinderen sussen en als mensen die zelf beschikten over meer gezond verstand.

Misschien kwam het door het vrije veld aan beide zijden of door het barmhartige oog van de zon, die neigde naar de westelijke horizon, of door de meelopende politie, maar ook hun en de honden overviel in het veld een stilzwijgen, zowel vooraan, achteraan als terzijde van de groep, waar ze de orde alleen bewaarden met hun blik; of misschien kwam het door de vooropgaande Rive, die met haar hoofd met de ouderwetse hoed boven alle rijen uitstak, maar kijkend naar haar bleef iedereen op zijn plaats, net als zij stil, zwijgend en gesloten op de hare.

En toen kwamen ze op hun bestemming, bij een plek die de politie blijkbaar al kende en waar ze de gedeporteerden naartoe wilde brengen, een vrij hoog gelegen plek, waarachter een tamelijk lange groeve zichtbaar was, waarin mensen nog bezig waren met graven.

Toen moest de colonne blijven staan. Toen zag iedereen de groeve… En vreemd genoeg barstte niemand, zoals je zou verwachten, direct uit in onmenselijke, ten hemel schreiende kreten tot God, de mens, het veld en de ondergaande zon; in plaats daarvan volhardden ze bij het zien van de groeve in hun houding, omdat ze blijkbaar niet konden geloven dat er tussen zijn en niet-zijn maar een paar passen lagen, en dat spoedig gebeuren kon wat het treurig-barmhartige oog van de zon misschien al gezien had of misschien ook niet…

Ze volhardden in hun houding. Toen lette de politie, die blijkbaar even wilde uitrusten, niet meer op de opstelling van de rijen in de colonne, alsof ze de bijeengedreven menigte bewegingsvrijheid wilde geven voor ze ten uitvoer zouden brengen wat ze van tevoren bedacht hadden…

En toen de aangevoerde menigte vrouwen aan de ene kant diep geschokt en sprakeloos was en aan de andere kant verlost van het toezicht door de politie, zagen ze, toen ze uit de rijen stapten, hoe Rive, die aan het hoofd van de colonne had gestaan, plotseling naar de kant van de hemel keek waar de zon stond; en toen ze zag waar die stond – en weldra onder zou gaan – zei ze tegen de vrouwen om haar heen, een aantal van haar leeftijd, op een bruuske manier:

‘Meisjes, vergeet niet wat voor dag het vandaag is… Het is vrijdag…’

Daarbij zagen ze hoe Rive haar aandacht richtte op het pakje dat ze de hele tijd zelf gedragen had en zelfs niet toevertrouwd aan haar weeskind, dat meegekomen was om haar te helpen; en uit dat pakje haalde ze de twee zilveren kandelaars die haar geliefde man haar nagelaten had, die haar vader voor hem bestemd had en die zij, Rive, tot nu toe alle jaren gebruikt had bij het lichtbensjen en ook nog voor de heilige zaak: het rouwritueel voor de doden, en die ze de afgelopen tijd voor alle vorderingen en belastingen behoed had, omdat ze er zelfs ’s nachts in bed niet van kon scheiden en ernaast niet in slaap kon komen…

Ze pakte ze uit, evenals een paar stearinekaarsen, die ze blijkbaar als een kostbaarheid bewaard had in het getto, waar zulke dingen toen al niet meer te krijgen waren en waar zijzelf de laatste tijd alleen bij talg bensjte… Ze had ze blijkbaar verborgen voor een plechtig moment, misschien wel voor de laatste vrijdag voor haar dood, waarvan ze had gedacht dat die haar deze week of volgende week zou treffen…

Toen riep ze het weesmeisje en vroeg haar de kandelaars vast te houden, opdat zij de kaarsen erin kon zetten. Ze had ook iets bij zich om die aan te steken, want ze had eraan gedacht om lucifers mee te nemen… En toen kwam de hele menigte vrouwen rondom Rive staan en nam haar op in een kring.

Ze zagen hoe de lange Rive haar stok op de grond legde, toen hetzelfde deed met haar jas, en zich uitstrekte als om de menigte plechtig toe te spreken; toen ze vervolgens om zich heen gekeken had en gezien dat ze omringd was door alle vrouwen uit de colonne die hierheen gevoerd waren, zonder één uitzondering, toen zei ze alleen maar:

‘Meisjes, zeg mij na…’

Ze hield beide handen voor haar ogen en terwijl ze een ogenblik rechtop, onbeweeglijk en zwijgend voor de twee brandende kaarsen bleef staan, die bleek flakkerden in de milde lucht van de zomerse schemering, voor het grote, naar beide zijden uitgestrekte veld en ook voor de ondergaande zon in het verre westen, sprak ze met luider stemme, dat iedereen het horen kon, de zegen van het lichtbensjen uit:

Borech… Gezegend bent U, Eeuwige onze God, Koning van de wereld, die ons geheiligd heeft door Zijn mitswes en ons opgedragen heeft het sjabbesjlicht aan te steken…’

Toen volgden allen om haar heen, oud, jong en heel jong, uit zichzelf haar voorbeeld en hielden hun handen voor hun ogen en er klonk een gehuil, eerst zacht, alsof ieder huilde voor zichzelf, en daarna zo hartverscheurend door iedereen en zo luid, dat geen menselijk oor het kon bevatten…

Nadat de hele menigte vrouwen met de handen voor hun ogen heel lang en steeds luider gehuild had, tot ze buiten zichzelf geraakt waren en niet te bevatten geluiden lieten horen, en toen Rive ten slotte haar handen voor haar ogen vandaan haalde en het weesmeisje vroeg de kandelaars met de kaarsen die ze tot dan toe vastgehouden had op de grond te zetten… Toen vermande de commandant van de politie zich en met ambtelijke ijver en schijnbaar met spijt uit een zogenaamd genadige houding tegenover de daar staande veroordeelden schreeuwde hij luidkeels:

Ordnung!’

Marsch!’ was het tweede bevel dat hij liet horen, toen de menigte vrouwen, geschrokken en ontnuchterd door zijn eerste schreeuw, zich weer opstelde in de vroegere colonne, met nog niet afgeveegde tranen en nog niet uitgehuild verdriet.

‘In groepen van vijf! In groepen van tien!’ klonk zijn derde bevel…

Tot zover, en over de rest is niets te zeggen, omdat het allemaal bekend is… Er moet alleen nog één ding worden toegevoegd: toen alle plannen met de van tevoren gereedgemaakte groeve ten uitvoer waren gebracht, dat wil zeggen dat alle levende wezens die hier daarnet nog gestaan hadden en adem gehaald hadden dood waren, niet meer ademden en omgekeerd in de groeve lagen met met de gezichten naar beneden, opgestapeld in de groeve als starre blokken hout, en nadat de groeve dichtgegooid was en de aarde geëgaliseerd, omdat die er een beetje “fatsoenlijk” uit moest zien, en toen hun politiehonden het verse bloed geroken hadden en niesten, hijgden en snoven, toen ze teruggekeerd waren op de plaats waar de eerder bijeengedreven vrouwen zich bevonden hadden, en toen ze de twee kandelaars zagen met de nog brandende kaarsen erin, toen doofde een van de politiemannen de kaarsen, gooide de kandelaars omver en en ontfermde zich erover; of dat voor eigen gebruik was of om te delen met anderen, dat doet er niet toe.

Moskou, december 1945

Rive Josl Boentsiës: Wegn a ferter fal inem gewezenem okoepirtn Poiln (“Rive Josl Boentsiës: Over een vierde affaire in het voormalige bezette Polen”). Uit: Dertseiloengen oen esejen (“Verhalen en essays”), Jidisjer Koeltoer Farband, New York, 1957, pp. 101-123.

Der Nister, “de verborgene”, was het pseudoniem van de Jiddisje schrijver Pinches Kahanowitsj (1884–1950). Hij werd geboren in Berditsjev in Oekraïne, verbleef lang in het buitenland en keerde in 1926 terug naar de Sovjet-Unie. Toen politieke druk het hem onmogelijk maakte om nog langer verhalen te schrijven in zijn fantastisch-symbolistische stijl, begon hij in de jaren 1930 aan een roman die tot op zekere hoogte beantwoordde aan de normen van het socialistisch-realisme. Van deze roman, Di misjpoche Masjber (“De familie Masjber”), verscheen deel I in Moskou (1939), maar deel II kon alleen in New York gepubliceerd worden (1948) en er is vermoedelijk een deel III geschreven, dat echter spoorloos is. De familie Masjber speelt in de jaren 1870 in een stad gemodelleerd naar Der Nisters geboorteplaats en behandelt de ondergang van een familie. In deze website zijn al zijn verhalen uit de jaren 1940 opgenomen, die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Ze schilderen op een subtiele manier vele aspecten van de jodenvervolging in het door Duitsland bezette Polen en Rusland, waarbij ze volgens getuigen gebaseerd zijn op historische gebeurtenissen. De meeste verhalen verschenen in de Verenigde Staten en pas lang na Der Nisters dood in de Sovjet-Unie, echter in een sterk gecensureerde versie, waaruit veel joods-religieuze elementen verwijderd waren. In het kader van de officiële liquidatie van de Jiddisje cultuur – in de nacht van 12 augustus 1952 zouden twaalf belangrijke Jiddisje auteurs vermoord worden – werd Der Nister in 1949 gearresteerd en naar een concentratiekamp gedeporteerd, waar hij in 1950 overleed.

 

Woordenlijst

 

bensjen, zegenen.

dávvenen, bidden.

gevatterin, vrouw die het kind bij de besnijdenis vasthoudt.

halachisch, volgens de joodse religieuze wetten.

Homen, figuur uit het boek Esther, die uit is op de vernietiging van de joden.

Jehoede Ha-Nosi (eind 2e, begin 3e eeuw), geleerde rabbijn, die werkte aan de redactie van de Misjna.

Jom Kipper, Grote Verzoendag.

kehille, joodse gemeente.

lernen, Toire en Talmoed bestuderen.

Levieten, een van de twaalf stammen van Israël.

lichtbensjen, het zegenen van de sjabbeskandelaars.

Misjne, de omvattende verzameling joodse religieuze wetten, geredigeerd in de 2e eeuw.

mitswe, religieus gebod.

Oensanne toikef, gebed in de dienst van Rosjesjone over wie zal blijven leven en wie zal sterven.

omed, lessenaar in de synagoge.

oud-Sefardisch, afstammend van joden in Zuid-Europa.

rebbe, leraar, rabbijn.

Rosjesjone, joods Nieuwjaar.

sejfer (Toire), boekrol met de Toire.

sjoichet, ritueel slachter.

sjtetl, stadje in Oost-Europa met aanzienlijk aantal joodse inwoners.

Sobieski, Jan III, van 1674 tot 1696 koning van Polen en grootvorst van Litouwen.

Taitsj-Choemesj, Jiddisje vertaling van de vijf boeken van Mozes, vooral bestemd voor vrouwen.

tisjebov, dag van rouw om de verwoesting van de Tempel.

Toire, de Hebreeuwse Bijbel.