Over het vertalen van de fabels van Eliëzer Sjteinbarg

Steinbarg

 

Je zou de fabel kunnen definiëren als een onwaar verhaal dat de waarheid vertelt. Bekende meesters in dit genre zijn Aesopus, Jean de La Fontaine, Ivan Krylov en onze eigen Schoolmeester (Gerrit van de Linde). Er is echter nog een minder bekende, maar niet minder grote meester en dat is de Jiddisje dichter Eliëzer Sjteinbarg. Hij werd geboren in 1880 in Bessarabië, het huidige Moldavië, en stierf in 1932 in de stad Czernowitz, toen Roemenië en nu Oekraïne. Sjteinbarg schreef 248 fabels, die verschenen in kranten en tijdschriften en voorgedragen werden door hemzelf en bekende acteurs. Pas laat stemde hij toe in een boekuitgave; kort na zijn onverwachte dood in 1932 verscheen het nog door hem geredigeerde eerste deel met 150 fabels en in 1956 verscheen het tweede deel met 98 fabels. In zijn tijd genoot Steinbarg een buitengewone populariteit onder brede lagen van de bevolking en was wat je noemt een people’s writer. Tegenwoordig is hij een writer’s writer; weinig mensen lezen nog Jiddisj, hij wordt zelden vertaald en er bestaat amper literatuur over hem. Misschien worden Sjteinbargs fabels ook weinig gelezen, doordat men veronderstelt dat ze kinderliteratuur zijn, maar dat is beslist niet het geval, al kent het wereldbeeld in Sjteinbargs fabels een geraffineerde naïveteit.

Een goed voorbeeld van een fabel als een onwaar verhaal dat de waarheid vertelt is Sjteinbargs fabel Hodl un die nodl (“Aaltje en het naaldje”), die ik hier uitgebreider wil behandelen. Hierin spreekt een mens tegen een naald. Dat kan heel goed, en ik heb het kortgeleden zelf gedaan, toen ik een draad niet in een naald kreeg. Maar in deze fabel praat die naald terug tegen de mens en ook nog eens tegen een schaar en een strijkijzer. Dat kan niet. Waarom kiest Sjteinbarg de vorm van de fabel, van het onware verhaal? Omdat hij de lezer een waarheid wil vertellen die moeilijk te aanvaarden is. In dit geval gaat het om de veroudering en het lichamelijke verval van de mens. Door het sprekend opvoeren van een ding en door het gebruik van zwarte humor, die kenmerkend is voor Sjteinbargs fabels, kan de dichter de waarheid voor de lezer aanvaardbaar maken. Twee citaten hieronder, respectievelijk uit de fabels Die kro oen deer koekoek (“De kraai en de koekoek”) en Deer hammer oen dos sjtiek aizn (“De hamer en het stuk ijzer”) tonen aan dat dat inderdaad de opzet van de dichter was.

bieter iez deer emes, bieter,
oen miet tsorn hert men iem, miet sjoider oen miet teister –
noe, iez mach a biesele iem sjieter!

woordelijke vertaling:
Bitter is de waarheid, bitter,
En met woede hoort men hem, met huivering en met siddering –
Nu, maak haar een beetje vloeibaar!

troirik, kiender, oif deer welt deer breejter, gromer!
bieter! miet a mosjl chotsj ziech kwiekn lomier.

Treurig, kinderen, in de wijde wereld!
Bitter! Laten we ons maar verkwikken met een fabel.

Hieronder meer over de bovengenoemde fabel Hodl oen die nodl, die voor de duidelijkheid onder dit essay is afgedrukt in een transliteratie (Jiddisj wordt in Hebreeuwse letters en van rechts naar links geschreven) en in mijn vertaling.

De traditionele opbouw van een fabel is als volgt. De “moraal van het verhaal” staat ofwel in het promythium aan het begin ofwel het epimythium aan het eind. De res beschrijft de uitgangssituatie. In de actio komt de hoofdpersoon aan het woord, die in de reactio een tegenspeler krijgt. De dialoog tussen beide personages mondt dan uit in de eventus, de beschrijving van de nieuw ontstane situatie.

In Aaltje en het naadje volgt Sjteinbarg deze traditionele opbouw, maar op een onconventionele manier. De eventus bestaat uit twee delen, voor ieder van de personages een. Er is niet alleen een kort en nuchter epimythium, dat uit het laatste vers bestaat, maar ook de aanduiding van verheven promythium in de res, namelijk de suggestie dat het hier om een tragische heldin gaat. Door deze afwijking van de norm houdt Sjteinbarg zijn lezer of toehoorder bij de les. Maar hij beschikt nog over een groter arsenaal aan middelen om de lezer te boeien.

Ten eerste manipuleert hij de ruimte, door een verandering van het vertelperspectief. In de verzen 1-8 gebruikt hij een nulfocalisatie, waarbij hij de gebeurtenissen als alwetende auteur bekijkt. De brede blik wordt benadrukt door enjambementen, die elders bij Sjteinbarg zeldzaam zijn. Vanaf vers 13 gebruikt hij daarentegen externe focalisatie, waarbij hij de gebeurtenissen observeert alsof hij geen invloed heeft op de personages, die hun eigen gang gaan. Een tweede ruimtelijke manipulatie betreft de dimensies in de fabel. In de verzen 4-7 gaat het over het oneindige heelal, in vers 8 over één mens en vanaf vers 10 over het oog van de naald; in vers 14 wordt dat toch al kleine oog zelfs te klein voor de draad van de naaister. In de verzen 27-28 ten slotte komt het perspectief op de wijde hemel even terug door de vergelijking van de mens, de naaister, met de engel.

Ten tweede manipuleert Sjteinbarg de dimensie van de tijd. In de verzen 1-3 gaat het over een hele dag, die zich in de verzen 4-7 vernauwt tot de schemering. In de verzen 9-37 staat het heden centraal, in de verzen 38-47 het verleden en in de verzen 48-52 opnieuw het heden. De leeftijd van de naaister is in de verzen 8-37 nog onbekend en onbestemd, waarna in de verzen 38-48 plotseling blijkt dat ze oud is en daaronder lijdt. Door deze vernauwing in ruimte en tijd wordt de blik van de lezer als het ware de fabel in getrokken.

Ten derde maakt Sjteinbarg gebruik van tegenstellingen. Het duister van de schemer (vers 4) en de zwarte draad van het lot (12) stelt hij tegenover het licht, wit of zilver van de ster (4), de maan (7), de tanden (39), de haren (41) en de sneeuw (46). Het kleine, de naald, heeft een grote macht, waarmee hij de mens erg kan dwarszitten. Die naald is weliswaar scherp, maar uit zich bot. Bovendien gedraagt hij zich passiever, naarmate de naaister actiever wordt en tegenover zijn provocerende kalmte staat haar uitbarsting met zelfs een vorm van zelfverminking. Het verlies van de kleur van haar haar wordt een schijnbare rijkdom, die ze vervolgens weg wil geven. En ten slotte staat tegenover de hooggestemdheid van de res in de verzen 1-12 de kleinzieligheid in de verzen 13-48, waarna de hooggestemdheid in de eventus in de verzen 49-52 terugkeert, ditmaal als karikatuur. Dat de naald in deze laatste verzen tot de schaar en het strijkijzer spreekt, heeft een diepere betekenis. Een schaar kan ongewenste dingen gecontroleerd wegknippen, in plaats van ze wild uit te rukken, zoals Aaltje in vers 48 met haar haar doet, en een strijkijzer kan lelijke plooien gladstrijken en dingen zodoende een nieuw en fris aanzien geven. Dat gebeurt hier niet, integendeel: zowel de schaar als het strijkijzer worden voorgesteld als vriendjes van de naald, wat Aaltjes nood benadrukt. Tegenover de tegenstelling staat een parallel: die tussen aan de ene kant de draad – een bekend symbool voor het lot en de levensloop – die niet door het oog van de naald gaat en aan de andere kant de haren die Aaltje uit haar hoofd rukt. Al heeft Sjteinbarg ook hier een tegenstelling aangebracht, want de draad is zwart en de haren zijn wit.

In Sjteinbargs fabels staan ontelbare verwijzingen naar de Hebreeuwse Bijbel, de Talmoed (het uitgebreide commentaar op de Bijbel en de joodse religieuze wetten) en andere joodse religieuze werken en praktijken. In deze fabel zijn de engel in vers 27 en de duivel in vers 42 uit het volksgeloof afkomstig, evenals de linker haarlok in vers 26 – links is minder gunstig dan rechts. De naam van God komt in de 248 fabels meer dan 170 maal voor en het chaliele, “God verhoede”, wordt door veel mensen, dieren en dingen welhaast routineus gebruikt. In veel van Sjteinbargs fabels speelt God een positieve rol, maar in deze fabel laat Hij verstek gaan, terwijl Aaltje de troost toch zo dringend nodig heeft. Dit is des te opvallender omdat troost in Sjteinbargs fabels een veel voorkomend verschijnsel is. Om een voorbeeld te noemen: in de fabel Sjtievl (“Laarzen”) moeten twee laarzen de winter door zien te komen en de ene laars troost de andere, die lek en versleten is. In de verzen 46-47 van Aaltje en het naaldje roept de naaister God aan, maar eerder om Hem een verwijt te maken dan om hulp te vragen. Hij heeft haar namelijk iets opgedrongen wat ze niet wil. De enige troost in de fabel – hoewel eerder voor de lezer dan voor de hoofdpersoon – is het besef dat de tragische, vergankelijke mens deel uitmaakt van de niet-tragische, onvergankelijke kosmos. Een persoonlijke God met een wil en een plan met de mens is hier afwezig. Nu was Sjteinbarg filosofisch geschoold, wat onder andere blijkt uit zijn komische, maar niet minder serieuze fabels Deer tisj wos freegt kasjes (“De tafel die vragen stelde”) over filosofische twijfel en Deer loch foen beejgl oen mesjene kneplech (“Het gat in de bagel en de koperen knopen”) over het filosofische niets. Bovendien in de fabel Dos tsappel-mentsjele (“Het zenuwpeesje”), een zelfportret als “filozofl” (“filosoofje”). Er is in Hodl oen die nodl een zekere overeenkomst met ideeën van de zeventiende-eeuwse Nederlandse filosoof Spinoza. Deze spreekt in zijn Ethica van Deus sive natura, “God of de Natuur”, die hij aan elkaar gelijkstelt. Alles in de fabel: de mens, de naald, de schaar, het strijkijzer, de aarde, de maan, maakt deel uit van de natuur. De zogenaamde amor dei intellectualis, de verstandelijke liefde tot God, dus niet tot een denkend opperwezen, maar tot de alomvattende Natuur, kan leiden tot een serene gemoedsrust, waar Sjteinbarg in het begin van de fabel wel op zinspeelt, maar die hij de naaister niet laat bereiken. Spinoza noemde dit inzicht inderdaad moeilijk bereikbaar. Een tweede, niet minder belangrijke overeenkomst met Spinoza’s Ethica is de gedachte dat alle wezens handelen volgens hun natuur, wat niet bij voorbaat moreel goed of slecht is. Dat geldt in deze fabel voor de naald.

Er bestaan van Sjteinbargs fabels bloemlezingen in het Duits, Engels, Roemeens en Hebreeuws en vertalingen van losse fabels in het Frans, Engels en Nederlands. Van de 248 fabels zijn er 93 voor zover ik weet nog in geen enkele taal vertaald. De Nederlandse vertaling, die ik in 2016 voltooide, lijkt de eerste volledige.

Bij het maken van de metrische en rijmende vertaling had ik niet alleen te maken met rijmdwang en metrische dwang, maar ook met twee nog grotere problemen. Het eerste was het ontbreken van een groot wetenschappelijk woordenboek van het Jiddisj. Het Groiser werterboech foen der jiddisjer sjprach van Joedl Mark is nooit verder gekomen dan de letter alef. Het tweede grote probleem was het doordringen in de gedachtenwereld van een milieu en een tijd die voorgoed verdwenen zijn, en wel de sterk door de religieuze traditie bepaalde wereld van Oost-Europese joden aan het begin van de twintigste eeuw. Al heb ik alle fabels vertaald, ze bleken niet allemaal even goed vertaalbaar, zeker niet de fabels over letters van het Hebreeuws/Jiddisje alfabet.

Bij het vertalen koos ik de volgende uitgangspunten. Allereerst handhaving van de vers libres, de metrische en rijmende verzen van ongelijke lengte. Dat is blijkbaar niet vanzelfsprekend, want de Duitse vertalers Hermann Hakel en Andrej Jendrusch kozen consequent voor viervoetige jamben, waardoor een Max und Moritz-effect ontstond met de onvermijdelijke dreun:

Hodel müht sich mit der Nadel,
zielt mit schwarzem Zwirn ins Öhr –
mit dem Faden ihres Lebens,
doch sie findet kein Gehör, […]

Om niet voortdurend vast te lopen stond ik mezelf per regel maximaal één versvoet meer of minder toe. Aan de opzet van de fabels veranderde ik niets en maakte geen nieuwe indeling in strofen, wat vele vertalers wel doen. Ik handhaafde de trochee (met de opeenvolging zwaar-licht) als versvoet. Aan het begin van een regel is dat vaak een lastige versvoet; veel regels beginnen met de persoonsvorm, bijvoorbeeld: “Zogt der …”, terwijl “Zegt de …” in het Nederlands nogal geforceerd klinkt. In dat geval moest ik er een lettergreep bij verzinnen of met woorden schuiven. Ik gebruikte in principe geen elisie en verving dus zo weinig mogelijk klinkers door een apostrof om met het aantal lettergrepen uit te komen. Hodl oen die nodl is een van de weinige fabels waarin ik dat niet kon volhouden, wat te zien is in de verzen 8 (“ ‘k Steek van wal”), 22 (“uit ’t oog”) en 32 (“and’re”). Ik vermeed enjambementen (het doorlopen van een zin in een volgende regel), omdat die bij Sjteinbarg vrijwel niet voorkomen. Andere vertalers denken daar soms anders over, zoals te zien is in de fabel Rainer foen gold (“Zuiverder dan goud”) in de vertaling van Curt Leviant:

while the hammer, with its rhythmic, singing blows, address-
es it with love: ‘I confess
that I hold
dear my gold, […]

Handhaving van het rijm stond voorop, want doordat het rijm bij de lezer of de luisteraar een verwachtingspatroon voor de volgende regel schept, geeft dat de vaart aan het gedicht; je zou het rijm de motor van het gedicht kunnen noemen. Verder streefde ik naar een vertaling met zo weinig mogelijk toelichting. Zo vind je in vers 42 van Hodl oen die nodl de term “sjwartse joor” (“boze geest” of “duivel”); in plaats van deze term in een voetnoot toe te lichten vertaalde ik die met het algemenere “naar de hel”. En ten slotte streefde ik steeds naar gebruik van het juiste stijlregister en het vermijden van te moderne woorden. Op het randje is het woord “werkschuwe” in vers 32 van deze fabel, dat in Sjteinbargs tijd weliswaar al bestond, maar dat oudere Nederlanders doet denken aan kritiek op hippies in de jaren 1960.
Vaak had ik te veel woorden om in de vertaling goed uit te komen; een vertaling bevat namelijk vaak ook een element van uitleg. Niet toevallig is een “begrijpwoordenboek” van een vreemde taal in het Nederlands gewoonlijk dikker dan zijn tegenhanger, het “productiewoordenboek” van het Nederlands in de vreemde taal. Hodl oen die nodl telt 340 woorden en mijn vertaling 357 woorden in hetzelfde aantal regels. De Duitse vertaling van Hakel und Jendrusch telt 183 woorden, mede doordat de voor het perspectief zo belangrijke verzen 1-8 zijn weggelaten. In het hierboven geciteerde voorbeeld “Hodel müht sich mit der Nadel” is te zien dat de oorspronkelijke zes verzen 9-14 zijn teruggebracht tot vier.

In mijn vertaling moest het ritme en het rijm in “Hodl” en “nodl” behouden blijven. De enige vrouwennaam die in aanmerking kwam was “Aaltje”, een ouderwetse naam, wat in dit geval geen nadeel was, en een naam die ook in joodse kringen veel voorkwam. De naald zorgde niet alleen in de handeling van het gedicht, maar ook taalkundig voor een probleem. In het Jiddisj heeft een naald een “oierl” (“oortje”), waarin je iets kunt fluisteren (zie vers 10). In het Nederlands daarentegen heeft een naald een “oog”. Een oor waarin je een geheim fluistert moet dus een oog worden dat je vertrouwelijk iets laat zien. Het metrum en vooral de rijmdwang bepalen soms de keus; zo moest het “poiken oen troemeejtern” (“pauken en trompetteren”) uit vers 3 vereenvoudigd worden tot “trompetgeschal”, dat een bruikbare rijmklank opleverde. Soms wordt een vertaler door de eigenaardigheid van zijn eigen taal tot een interpretatie gedwongen: het “raist” in vers 48 kon ik vertalen met “plukt” of “rukt”. “Plukken” betekent de haren één voor één en geweldloos uittrekken, “rukken” betekent met geweld of in paniek er een aantal tegelijk uittrekken. Woordspelingen en connotaties zijn vaak onvertaalbaar. In vers 30 volgt op een “broch” (een kleine ramp) een “choerbn” (een grote ramp, met de connotaties van de verwoestingen van de Eerste Tempel in de zesde eeuw voor de jaartelling, die van de Tweede Tempel in de eerste eeuw van de jaartelling en de Sjoa in de twintigste eeuw,) Deze connotaties moesten vervallen, maar om de climax te behouden vertaalde ik met respectievelijk “ziekte” en “dood”. Nederlanders verwensen elkaar immers vaak met ziekten en dood. In vers 42 van de fabel staan de termen “sjwarts” (“zwart”) en “sjwartse joor” (“duivel”, letterlijk “zwart jaar”). De duivel is de Nederlandse “hel” geworden. Het verloren gaan van de woordspeling en de connotaties heb ik gecompenseerd door in de verzen 21-22 een woordspeling van eigen vinding te gebruiken waarin het beangstigende element bewaard blijft. Het “ingraaft” van vers 21 loopt al vooruit op vers 40 met “een graf gegraven”. een klein winstje kon ik boeken in vers 22: het “kieder-wieder” (“overhoop liggen”) van de naald met de naaister werd hier: “de naald verliest de draad uit het oog”. Dit is in het Nederlands niet alleen een heel gewone uitdrukking, maar ook een die de achteloosheid van de naald tegenover de naaister goed weergeeft.

Ik begon met de stelling dat een fabel een onwaar verhaal is dat de waarheid vertelt. Samenvattend kan ik zeggen dat de waarheid in deze fabel de veroudering – en impliciet de sterfelijkheid – van Aaltje (en van de lezer) is. Ongewoon in de fabels van Sjteinbarg is de afwezigheid van de traditionele, antropomorfe God, die troost biedt aan een mens die onverdiend lijdt. Die troost is wel aanwezig in een andere, subtiele vorm: de plaatsing van Aaltjes pijnlijke veroudering in een groter geheel, dat niet aangetast kan worden en niet verloren kan gaan. Deze gedachte vertoont al of niet toevallig enige verwantschap met ideeën uit Spinoza’s Ethica. De hoofdpersoon in de fabel ervaart deze troost nog niet, maar de lezer wel; die wordt uitgenodigd de gebeurtenissen in een groter verband te zien en krijgt daarmee een creatieve rol toebedeeld.

 

2016

In verkorte vorm en Duitse vertaling was dit essay een referaat tijdens het Symposium Jiddisch aan de Heinrich-Heine-Universität in Düsseldorf, 13 september 2016.

 

Elieser Steinbarg, Der Regenbogen: Märchen und Fabeln. Edition Dodo, Berlijn, 2013.
Eliezer Shtaynbarg, The Jewish Book of Fables, Selected Works. Edited, Translated from the Yiddish, and with an Introduction by Curt Leviant. Syracuse, Syracuse University Press, 2003.

 

Eliëzer Sjteinbarg

Aaltje en het naaldje

[Res] [nulfocalisatie]
Over helden [“Promythium”]
Moet de rusteloze dag ons hier iets melden
Met trompetgeschal,
En tegen de schemer, als de eerste ster
[5] Schittert stil en eenzaam op de ster
Van de aarde, en haar begeleidster in ‘t heelal,
De door vele tranen schoongewassen maan, verschijnt heel ver, [“Promythium”]
Zal ik je van naaister Aaltje iets vertellen. ‘k Steek van wal.
[Actio]
Aaltje
[10] Vertrouwt een geheim toe aan haar naaldje.
Kijk maar: door het oog rijgt ze een aangepunte draad,
En die is haar lot, die zwarte draad.
Maar de naald ziet dat niet als haar plicht, [externe focalisatie]
Knijpt haar oogje dicht.
[15] Aaltje zit er echter mee omhoog
Dat de draad er niet doorheen gaat, door dat oog!
En door al dat dom gepriegel
Raakt ze nu geërgerd, wordt ze kriegel,
En ze steekt maar en ze steekt,
[20] Totdat ze de naald ten einde raad om medewerking smeekt
En zich met haar blik en heel haar lichaam ingraaft in dat oog.
[Reactio]
Maar de naald verliest de draad uit ’t oog
En ze giebelt,
Aaltje wordt nu met haar zwarte draad vrolijk gekriebeld!
[25] De naald plaagt haar en maakt flauwekul,
Aaltje heeft de draad te pakken, maar die hangt nu in haar pijpenkrul!
Zelfs een engel kan de draad niet door die naald heen duwen.
Aaltje is ook maar een mens, met zenuwen,
En in hoge nood
[30] Roept ze: ‘Krijg de ziekte, jij! Val dood!
En ook alle and’re scherpe naalden die zo steken!
O, jullie werkschuwen,
Ik zou graag op jullie allen spuwen
En je dan in stukken breken!
[35] Jullie halen het bloed onder mijn nagels vandaan!
[Eventus I]
Maar wat moet ik? Knarsetanden zal niet gaan,
Hoezeer ik me ook inspande,
Want heb ik dan nog mijn tanden?
Al die witte en die gave?
[40] Ook de naald heeft ooit voor mijn gebit een graf gegraven!
Witte tanden heb ik niet meer, maar ik heb wel witte haren,
Zwart waren ze ooit, maar naar de hel zijn ze al jaren!
Nu zijn ze van zilver. Ik ben rijk,
Maar ik geef het weg, neem het gelijk!
[45] Zilver op mijn hoofd, dat me zo zwaar bedrukt, val uit!
God, er ligt een laagje sneeuw op mijn hoofdhuid!
Heb ik daar dan om gevraagd?’
En ze rukt het uit, het zilver dat haar plaagt.
[Eventus II]
En de naald, die haar ziet, denkt nu dit:
[50] Hoor eens! Nooit geweten dat ik zoveel macht bezit!
En ze zegt tot strijkijzer en schaar:
[Epimythium]
‘Jongens, dit krijgt een naald toch maar voor elkaar!’
 
Getranslitereerde Jiddisje tekst
 
hodl oen die nodl
 
weegn heldn
zol deer toemldiker tog oendz meldn,
poikn oen troemeejtern;
oen far nacht tsoe, wen deer eersjter sjtern
[5] fiebert sjtiel oen eelnt oifn sjtern
foen deer welt, oen oendzer mame eerds baleejterin,
die levone, koemt arois an oisgewasjene ien trern –
tsait iez tsoe dertseejln wegn hodelen deer neejtorin.
hodl
[10] roimt a sod ien oi’rl foen ier nodl.
zeet: miet a farsjpietstn fodem tsielt zie glaich in oi’rl –
s’iez deer sjwartser fodem foen ier goirl.
iez die nodl ober dos niet gern,
posjet – wiel niet hern.
[15] noe, iez zol sjoin zain dort wos zol zain –
az se geejt ier gor ien oi’rl niet arain!
hodl fielt dos nebech, fielt,
doch azoi, zie berjet zich, zie tsielt,
noch a mol oen noch, oen toret,
[20] beet die nodl: noe sjoin! noe-zje!… oen farfientstert oen fartsoret
grobt zie ain ien ier ziech miet die oign oen miet alle glieder.
oen die nodl? kieder-wieder,
wietslt-sjpietslt,
freejlech! hodls sjwartser fodem kietslt zie gor, kietslt!
[25] sjtieft zie, sjlogt ziech kloimersjt miet deer deeje:
ot-o zie gechapt deem fodem, eersjt – eer liegt ier ien deer lienker peeje!
foen gedoeld ken dos aroisbrengen afiele doch a malech.
neejn? oen hodl meer niet wie a mentsj – miet nervn –
weert zie blas wie kalech
[30] oen sjiest ois: ‘a broch oif dier! a choerbn!
oen oif ale nedelech, die sjpietskep, wos zeej sjtechn!
wie ier liegt mier ien die zaitn!
wie se wiel ziech mier oif ale aich a sjpai toen
oen oif breklech aich tsebrechn!
[35] ier die kleej mier oisgetsoign foen die beejner!
nor wos ken iech toen den? krietsn miet die tseejn nor!…
neejn! dos ken iech oich niet, neejn!
worn woe – woe zenen maine tseejn?
maine waise tseejndelech die sjtarke?
[40] oich die nodl oisgegrobn zeej a karke!
noe, iez niet keejn waise tseejndlech, hob derfar iech waise hoor –
chotsj zeej zenen sjwarts geween doch, sjwarts tsoe al die sjvartse joor!
ietster zielber! iech bien raich ien zielber goor!
na dier zielber oif main kop!
[45] zielber… wos oif mier ziech ongezetst? arop! arop!
got, a sjneej oif mier geleejgt ziech oen eer liegt!
weer noch iem gesjiekt?’
oen zie raist dos zielber foen ier kop, zie fliekt.
oen dos needele, se koekt oen tracht:
[50] heer a maise! niet gewoest aleejn goor foen main macht!
oen se zogt tsoe sjeer oen aizn:
‘zeet nor, chevre, wos a nodl ken bawaizn!’