Ode

b74aeed81ef158e2abc2b1d34091aa12

 

Arthur O’Shaughnessy

 
 

Wij zijn de muziekmakers,

Wij dromen een eeuwige droom,

Zwervend langs woelige baren

En stil aan een sombere stroom;

Wij lieten de wereld al varen,

De maan beschijnt ons met schroom;

Toch schudden wij zonder bedaren

De wereld, geen houdt ons in toom.

 

Met fraaie, onsterflijke wijzen

Laten wij steden verrijzen

En uit een fantastisch verhaal

Een keizerrijk, monumentaal;

Eén man met een droom naar believen

Verovert de kroon van een rijk,

En drie die een nieuw lied aanhieven

Vertrappen een rijk in het slijk.

 

Wij bouwden in ‘t verre verleden,

Nu begraven in de aard,

Aan Ninivé, moegestreden,

En Babel, lachend, onvervaard;

Wij braken die steden aan scherven

En verkondigden een nieuwe aard;

Elke tijd is een droom die moet sterven

Of een die weldra wordt gebaard.

 

 

Deze Ode (1873) van de Britse dichter Arthur O’Shaughnessy (1844-1881) werd door de componist Edward Elgar (1857-1934) gebruikt voor zijn oratorium The Music Makers (1912).