Nile in de hel

JazzSinger1927_046Pyxurz

 

 

Jitschok Lejb Perets

 

Eens, op een doodgewone dag zonder jaarmarkt en zonder veiling, hoorden de marktkoop­lieden in de verte het geluid van wielen en het spatten van modder. Wie zou dat kunnen zijn? Een rijtuig! Toen dat echter eenmaal de markt opreed, keek iedereen de andere kant uit met een mengeling van ontzag, angst en woede. Het rijtuig was be­kend. Het was van een naburig sjtetl op weg naar de districtshoofdstad, met de politie­spion van daar! God weet wie hij nu weer te pakken gaat nemen.

Plotseling wordt het stil. Onwillekeurig kijkt iedereen om. Het rijtuig staat stil, het paard buigt zijn hoofd om van het modderwater in een poel te nippen en de spion is op zijn achterste gevallen en ligt uitgestrekt op de grond.

Omdat hij ondanks alles een mens is, schiet iedereen te hulp, maar hij is mors­dood. Een deskundige komt erbij en zegt: ‘Het is afgelopen!’ De mensen van de begrafenis­onderneming gaan aan het werk…

Paard en rijtuig worden verkocht, de spion wordt begraven zoals het hoort en waar de duiveltjes ook gezaaid zijn daar ontspruiten ze om de ziel naar de hel te brengen en af te leveren bij de poort.

Ze houden de spion een tijdje vast bij de hellepoort en de poortduivel die bijhoudt wie de hel in- en uitgaan, stelt verveeld de vragen en schrijft met een slome pen in het boek: wie, wanneer en waarom.

De spion, in de hel geen gewichtig persoon meer, geeft antwoord: geboorteplaats, trouwdatum, ondersteuning door schoonouders, jaar van vertrek van vrouw en kin­deren, vestigingsplaatsen, beroep, werkzaamheden, alles heel uitvoerig.

Tot het punt waarop hij met zijn rijtuig over de markt van Niemendal –

Dan is het duiveltje dat bij de hellepoort de registers bijhoudt midden in een gaap ineens geïnteresseerd:

‘Hoe zeg je? Niemendal?’

‘Niemendal!’ herhaalt de spion.

Het poortduiveltje wordt rood in zijn gezicht en in zijn oogjes komen sprankjes verwon­dering:

‘Ooit van gehoord?’ vraagt hij aan zijn hulpjes.

Die halen hun schouders op, schudden hun hoofd en steken hun tong uit.

‘Nooit van gehoord.’

‘Bestaat dat sjtetl wel?’

In de hel heeft iedere gemeente een eigen boek en de boeken staan op alfabet. Iedere letter heeft een eigen kast. Ze slaan er alle boeken met de N op na: Nadworna, Nasielsk, Niemitz, Nikolajev, wat je maar wilt, maar geen Niemendal!

‘Het bestaat echt!’ zegt de spion, ‘het is een sjtetl in Polen!’

‘Sinds gisteren? Eergisteren?’

‘Nee. Het bestaat al twintig jaar. De landheer heeft het gesticht. Er zijn twee jaarmark­ten. Er is een school, een sjoel, een badhuis, een mikwe… Twee kroe­gen voor niet-joden…’

‘Is er al eens eerder iemand uit Niemendal geweest?’ vraagt de portier aan zijn hulpjes.

‘Niemand!’ antwoorden ze.

‘Hoezo, gaan ze daar niet dood?’ vragen ze de spion.

‘Waarom zouden ze daar niet doodgaan?’ zegt hij, naar joodse gewoonte de vraag met een wedervraag beantwoordend. ‘Krappe en bedompte huizen, een badhuis waar je geen adem kunt halen. Het hele sjtetl is een soort moeras!’

De spion is in zijn element…

‘Er is een begraafplaats! En een begrafenisonderneming die je het vel over je oren haalt. Nog niet zo lang geleden was er zelfs (herinnert hij zich) een epidemie…’

De spion krijgt zijn verdiende loon en naar het sjtetl Niemendal wordt een onder­zoek ingesteld. Er moet iets aan de hand zijn. Een sjtetl dat al twintig jaar bestaat en met een epidemie, en dan helemaal geen doden daarvandaan.

Er worden boodschappers gestuurd om erachter te komen hoe dat kan.

Na een tijdje komen de boodschappers teruggevlogen:

‘Het klopt!’

Het zit zo: het is een sjtetl net als alle andere, met wat goede daden en een hele hoop zonden. Verdiensten en meer dan genoeg kwade neigingen. Maar waarin zit het hem dan? In de chazzen die ze daar hebben! Het is geen bijzondere man, maar die stem! Hij heeft een zangstem, om te huilen zo mooi, die harten van steen binnen­dringt en ze week maakt als was. En nauwelijks staat hij achter de omed of de men­sen komen tot inkeer, met heel hun hart en allemaal tegelijk, en boven wordt al­les vergeven en vergeten en de poorten van Gan Ejden staan open voor heel Niemendal. Komt er iemand van Niemendal, dan worden er verder geen vragen gesteld!

Natuurlijk is de hel daar niet blij mee en Satan zelf bemoeit zich ermee.

Wat doet hij?

Satan laat zich uit de andere wereld een levende kalkoen bezorgen met een vuurrode kam en die laat hij voor zich op tafel zetten.

De kalkoen, die angstig en hulpeloos is in zijn nieuwe omgeving, verroert zich in ieder ge­val niet en Satan, vervloekt zij zijn naam, begint tegen hem te krijsen, gaat voor hem zitten en kijkt hem en zijn rode kam net zo lang aan tot de rode kam krijtwit wordt. Als hij merkt dat de Allerhoogste echt boos begint te worden, krijst hij, ver­vloekt zij zijn naam, het uit:

‘Dat hij zijn zangstem mag verliezen! Tot aan zijn dood!’

Wie hij bedoelt begrijpen jullie wel, en vóór de lel van de kalkoen weer rood kan worden is de chazzen van Niemendal zijn stem kwijt. Zijn keel moet het ontgel­den en hij kan nauwelijks nog een woord uitbrengen.

Ze weten wel wie de schuldige is. Dat wil zeggen: wonderrebbes weten het. En die mis­schien ook niet allemaal. Maar wie durft het te zeggen, als hij het weet? – Het is ge­beurd. Als de chazzen een vent was, gebeurde er misschien nog wat, maar hij is alleen maar een stem en meer niet…

Hij gaat van de ene rebbe naar de andere, maar vergeefs. Eén keer gaat hij zelfs naar de tsaddek van Apt, valt op zijn knieën en wil niet meer weg. Een meelij­wekkend gezicht. De tsaddek probeert hem te troosten:

‘U weet,’ zegt hij, ‘dat uw heesheid duurt tot uw dood. U zult uw vidoej uit­spreken met een heldere stem, die in alle hemelen gehoord zal worden.’

‘En tot die tijd?’

‘Niets aan te doen!’

De chazzen dringt nog een keer aan:

‘Waarom, rabbi, waarom?’

En hij dringt zo lang aan, dat de tsaddek van Apt hem alles vertelt.

‘Dan,’ schreeuwt de hese chazzen, ‘neem ik wraak!’ En hij loopt naar buiten…

‘Hoe en op wie?’ roept de tsaddek hem na, maar de chazzen is al uit het zicht verdwe­nen.

Dat gebeurt dinsdag of volgens anderen op woensdag, en op donderdagavond gaan de vissers van Apt het water op om vis te vangen voor sjabbes. Het net wordt zwaar, ze halen het op en daar is de verdronken chazzen!

Hij was van de brug in het water gesprongen. Voor zijn schuldbekentenis had hij, zoals de tsaddek van Apt hem verzekerd had, zijn zangstem teruggekregen, want Sa­tan had gezegd: tot aan de dood! Alleen had hij tijdens het vallen en verdrinken geen vidoej uitgesproken en zijn stem binnengehouden, en dat was zijn wraak, zoals jullie nog zullen zien…

De chazzen wordt als zelfmoordenaar apart begraven en de duiveltjes nemen zijn ziel mee naar de hel. Bij de poort stellen ze vragen, maar hij geeft geen antwoord. Ze martelen hem met een speer en met brandende kolen, maar hij zwijgt.

‘Neem hem dan maar mee!’

Ze weten immers wie en wat hij is; ze hebben op hem zitten wachten. Ze brengen hem zoals gebruikelijk binnen en zetten hem naast een ketel. Die wordt opgestookt om hem erin te gooien en te koken! Ondertussen tikt hij met zijn duim tegen zijn keel en barst los:

‘Jisgadal!’

De Kaddisj van Nile…

Hij zingt, en zijn stem zwelt aan en klinkt overal door, net als vroeger, alleen be­ter, nog lieflijker, nog tederder dan toen… En in de ketels, waaruit tot dan toe alleen geborrel, geschreeuw en gejammer geklonken heeft, wordt het plotseling stil, en dan beginnen ze mee te doen. De deksels komen omhoog, hoofden kijken naar buiten en verschroeide monden zingen mee…

De duiveltjes bij de ketels zeggen nog niets, maar blijven verward en geschrokken staan, sommigen met in hun hand een stuk hout voor het vuur, anderen met een pook om in het vuur te porren en weer anderen met een vork om het vuur op te rakelen; de monden staan open, de tongen hangen eruit, de gezichten zijn verwrongen, de ogen puilen uit. Sommigen vertonen een soort stuiptrekkingen en vallen op de grond… En hij zingt en hij zingt Nile… En het vuur onder de ketels gaat uit, het dooft… De doden beginnen eruit te kruipen…

Hij zingt en de mensen in de hel zingen mee uit volle borst. En verderop in het ge­bed worden hun lichamen weer heel, vlees komt op hun botten, huid groeit weer aan en ze zijn gelouterd…

En als hij in het Sjmoine-esre bij Mechaje-mejsim komt, worden allen plotseling weer levend, alsof ze net binnengekomen zijn. En in koor zingen ze hem na: ‘Omejn.’ En bij het ‘Omejn, jehai sjemei raba…’ is het zo’n leven, dat de hemelen in den hoge opengaan en het berouw van de zondaars bereikt de zevende hemel en Zijn zetel en er is een moment van goede wil, waardoor alle zondaars ineens heiligen zijn, plotseling vleugels krijgen en de een na de ander de hel uit vliegen en de poorten van Gan Ejden geopend vinden…

In de hel zijn alleen nog de duiveltjes, die schuimbekkend van woede over de grond rol­len, en de chazzen zelf, die als versteend staat…

Net als bij zijn leven heeft hij allen tot inkeer gebracht, maar zelf komt hij niet tot inkeer, zelfmoordenaar als hij is.

Na een tijd is de hel toch weer vol.
Er is een nieuwe vleugel bijgebouwd, en het wordt weer krap.

1915

 

Woordenlijst

 

chazzen: voorzanger.

Gan Ejden: Hof van Eden, paradijs.

Jisgadal: “Geprezen” (zij Gods naam).

kaddisj: gebed voor de doden.

mechaje-mejsim: de opstanding van de doden.

mikwe: ritueel bad in een synagoge.

Niemendal: in het Jiddisj heet het sjtetl “Lahadam”, een acroniem van “Lo haja ha-davar me-olam”, “zoiets heeft op de wereld nog nooit bestaan”.

omejn, jehai sjemei raba: amen, moge Gods grote naam gezegend zijn.

sjabbes: sjabbat, rustdag.

sjmoine-esre: het Achtiengebed.

sjoel: synagoge.

tsaddek: wijze rabbijn.

vidoej: schuldbekentenis.

 

Jitschok Lejboesj Perets, Neïle in gehinem. Uit Ale Verk 15: Gesjichtn oen stsenes: 166-172. Vilner Farlag foen B. Kletskin, Vilna, 1925. De vertaling is eerder verschenen in het Jiddisj-Nederlandse literaire tijdschrift Grine Medine, nr. 57 (2014). Foto: still uit The Jazz Singer (1927).