Muziek over muziek: een fado op tekst van Pessoa

club_de_fado17_foto_eric_van_nieuwland
 

Há uma música do Povo,
Nem sei dizer se é um Fado –
Que ouvindo-a há um ritmo novo
No ser que tenho guardado…
 
Er is een muziek van het Volk,
Ik kan niet zeggen of het een Fado is –
Want, als ik haar hoor, is er een nieuw ritme
In dat wezen dat ik bij me houd.
 
Ouvindo-a sou quem seria
Se desjar fosse ser…
É uma simples melodia
Das que se aprendem a viver…
 
Als ik haar hoor ben ik wie ik zijn zou
Indien verlangen wézen zou zijn…
Het is eenvoudig een melodie
Van de soort die je al levend leert…
 
[E ouço-a embalado e sozinho…
É isso mesmo que eu quis…
Perdi a fé e o caminho…
Quem nâo fui é que é feliz.]
 
[En ik beluister die wiegend en eenzaam…
Dát is wat ik heb gewild…
Ik ben het geloof en de weg kwijt…
Hij die ik niet ben, is gelukkig.]
 
Mas é tão consoladora
A vaga e triste cancão…
Que a minha alma já não chora
Nem eu tenho coração…
 
Maar het is zó troostend,
Dit onbestemde, trieste lied…
Dat mijn ziel al niet meer treurt
En ik geen hart meer heb…
 
Sou uma emoção estrangeira,
Um erro de sonho ido…
Canto de qualquer maneira
E acabo com um sentido!
 
Ik ben een vreemde emotie,
Een dwaling van een vergane droom…
Ik zing voor de vuist weg
En uiteindelijk heeft het zin!

 

Tekst

De tekst van deze fado is afkomstig uit de onuitgegeven gedichten van Fernando Pessoa (1888-1935). Dat de keus van componist Mário Pacheco op dit gedicht viel, zal geen toeval zijn, want de hoofdpersoon maakt al meteen een toespeling op de fado:

Er is een muziek van het volk,
Ik kan niet zeggen of het een fado is –

In het Portugees zijn hoofdletters voor abstracta niet ongebruikelijk, maar in dit gedicht zijn “Povo” (“volk”) en “Fado” de enige begrippen met hoofdletters, wat zou kunnen duiden op respect en tegelijk op een zekere afstand. De ik kan de muziek van het volk niet benoemen, mogelijk omdat hij niet goed weet wat fado is, maar waarschijnlijker omdat de muziek waarop hij doelt niet in een bepaald genre past. Wat het volk is, weet hij blijkbaar wel; hij staat er echter tegenover, niet uit vijandschap, maar omdat hij ervan vervreemd is. Iemand die tot het volk hoort, zal er niet gauw over schrijven en het al helemaal geen hoofdletter geven. In zijn vervreemding doet de ik denken aan de schrijvende hoofdpersoon van Pessoa’s grote gedicht Tabacaria, die de zinloosheid van zijn geïsoleerde bestaan beseft en in zijn wanhoop fantaseert over een huwelijk, uitgerekend met de dochter van zijn wasvrouw – de manier om bij het volk te horen en gelukkig te worden, zoals hij tegen beter weten denkt. Ook bij de hoofdpersoon van Há uma música do Povo gaat niets vanzelf. Hij hoort geen nieuw ritme, maar dat ritme “is er” en wordt waargenomen door een “wezen” dat hij “bij zich houdt”: afstandelijker kan het niet. In plaats van te leven blijft hij steken in een verlángen naar leven en hij mist iedere spontaniteit en natuurlijkheid, zoals blijkt uit zijn opmerking over muziek “die je levend leert” en trouwens ook uit de bedachtzame puntjes aan het einde van veel regels. In de derde strofe lijkt het gedicht een wending ten goede te nemen, want de hoofdpersoon voelt zich getroost. Maar die troost maakt hem niet tot een mens uit één stuk, want hij ervaart een gespletenheid tussen hart en ziel. Het hart, orgaan van het alledaagse geluk, dat bij het volk zo warm en vanzelfsprekend klopt, bestaat voor hem niet meer; alleen zijn boven het alledaagse leven verheven ziel is van treurnis verlost. Hoe onbestendig deze verlossing is, blijkt dan uit de laatste strofe. De ik ervaart het ontbreken van treurnis als een “vreemde” emotie – sterker nog: hij “heeft” niet gedwaald, maar “is” een dwaling, een dwaling van een vergane droom. Zijn zingen klinkt al even hol als zijn bewering dat dat nu eindelijk zin heeft.

Onverbrekelijk met de fado verbonden is het begrip “saudade”. Een Nederlander die het goed kende en er gedichten aan wijdde was Jan Slauerhoff (1898-1936). Hij omschreef het in een toelichting op zijn bundel die in een eerste versie Saudades heette: “Saudade is voor de Portugees de herinnering, gemengd met vreugde om het beleven en droefheid om het voorbije. Van dit gevoel zijn de meeste dezer gedichten doortrokken en tevens van het heimwee en de herinnering aan de verte.” (Hazeu p. 591).

De afgelopen jaren hebben Portugezen een aantal van Slauerhoffs fadogedichten vertaald en op muziek gezet: een teken dat zijn saudade een authentieke indruk maakt. Há uma música do Povo voldoet aan Slauerhoffs definitie: er is sprake van heimwee, droefheid en vreugde en deze emoties lijken ongeneeslijk. Toch is hier meer aan de hand dan saudade en dat verraadt een onlogische wending die in een gedicht van dit niveau uit de toon valt. Op het verlangen van de tweede strofe volgt direct de crisis van de derde strofe en het lijkt of de hoofdpersoon een emotionele fase overslaat. En dat is inderdaad zo, want Pessoa’s oorspronkelijke gedicht telt hier een strofe meer:

E ouço-a embalado e sozinho…
É isso mesmo que eu quis…
Perdi a fé e o caminho…
Quem nâo fui é que é feliz.
 
En ik beluister die wiegend en eenzaam…
Dát is wat ik heb gewild…
Ik ben het geloof en de weg kwijt…
Hij die ik niet ben, is gelukkig.

Nu krijgt het “maar” aan het begin van de derde strofe betekenis: hier is geen sprake meer van heimwee en melancholie, maar van totale hopeloosheid. De hoofdpersoon zegt niet: “Ik ben ongelukkig”, maar: “Hij die ik niet ben, is gelukkig” en daarmee is de vervreemding compleet. Deze derde strofe heeft componist Mário Pacheco niet in zijn fado opgenomen. Weliswaar passen vier strofen beter in zijn compositie dan vijf, maar dat zal niet de reden zijn voor zijn ingreep in het gedicht. Met een vijfde strofe zou de fado twintig seconden langer zijn en ongeveer drieëneenhalve minuut duren; Mariza’s cd Transparente, die met dit lied begint, heeft echter vier fado’s van die lengte, dus tijdsduur is waarschijnlijk geen argument geweest voor het weglaten van de derde strofe. Het is denkbaar dat Pacheco die strofe ál te desolaat vond of de tegenstelling tussen Pessoa’s onrustbarende woorden en zijn eigen geruststellende tonen niet meer overbruggen kon. Muziek kan geruststellen, maar geen geloof bewerkstelligen, de weg wijzen of duurzaam gelukkig maken.

 

Muziek

Pacheco’s muziek klinkt inderdaad geruststellend: de melodie verloopt overwegend in sequensen – herhalingen op verschillende toonhoogte van eenzelfde motief – en ritmisch bestaat het lied uit trajecten van twee maten met steeds een aanloopje in achtsten, gevolgd door een uitloop van halven. De Portugese gitaar leidt de zangeres in en bepaalt de sfeer met een fijnzinnig vibrato en gevoelige portamento’s. Een strijkkwartet begeleidt met liggende akkoorden, die de solostem meer glans verlenen en de luisteraar onderdompelen in een weldadig warm bad van klank. Er is een climax, waarin de harmonieën een nieuwe richting inslaan, maar dan volgt een slot met een plagale cadens of amen cadence, zoals de Amerikanen zo beeldend zeggen.

Wat verheft deze muziek boven de middelmaat? Allereerst de harmonisatie, waarin meer gebeurt dan gebruikelijk is in een fado, die altijd min of meer een volkslied blijft. Het gedeelte van de eerste regel van de derde tot en met de eerste regel van de vierde strofe is gebaseerd op een serie van vijf harmonische sequensen, die steeds nieuwe verwachtingen wekken en nog versterkt worden door een lang crescendo; op het hoogtepunt wordt het sleutelwoord “emoçâo” overgebonden naar de volgende maat, waardoor de melodie quasi gewichtloos wordt. Het is of een wielrenner door haarspeldbochten met steeds nieuwe vergezichten een berg oprijdt en aan de top dan eindelijk kan freewheelen. En het laatste vers: “E acabo um sentido!” (“En uiteindelijk heeft het zin!”) krijgt door de amen cadence (IV-I) een geruststellende bevestiging of een ironisch commentaar – het is maar hoe de luisteraar het opvat.

Nog sterker dan het harmonische raffinement is de verhouding tussen muziek en tekst. Het gedicht, dat bij oppervlakkige beschouwing lijkt te gaan over een man die naar een liedje luistert, wordt in wezen bepaald door vervreemding en angst voor het niets. Een muziek die deze existentiële angst weerspiegelt, zou gecompliceerd en onbehaaglijk moeten klinken, maar zou ze even gecompliceerd zijn als het gedicht, dan werd de verstaanbaarheid geschaad en bovendien zou een beladen muziek op een al beladen tekst het lied te zwaar maken. Daarom is dit gedicht goed bediend met een rustige melodie met een tamelijk voorspelbaar verloop.

Deze fado heeft verschillende typen luisteraars iets te bieden. De onervaren luisteraar kan zonder Portugees te kennen of een vertaling mee te lezen genieten van een mooie fado-zonder-meer. De ervaren luisteraar kan geïntrigeerd raken door een fado met een onbehaaglijke tekst, waarvan het effect wordt versterkt door behaaglijke muziek.

Een componist die van dit wrange gedicht welbewust een zoetvloeiende fado maakt en het zo een andere identiteit geeft, kan zich beroepen op de dichter zelf. Fernando Pessoa publiceerde zijn gedichten namelijk onder drie pseudoniemen: Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos en gaf elk van deze drie personages een eigen karakter en biografie; hij liet hen dichten in hun eigen stijl en recensies schrijven over het werk van de andere twee dichters. Dat Pessoa met zijn heteroniemen zelfs correspondeerde, toont aan hoe hij geobsedeerd werd door kwesties van stijl en identiteit.

 

Uitvoering

Van Há uma música do Povo zijn drie opnamen beschikbaar: een studiosessie uit 2005, een openluchtconcert uit 2006 en een niet-gedateerd zaalconcert (met beeld), waarschijnlijk uit 2008. De uitvoering van 2005 is gaaf en die van 2006 levendig, terwijl 2008 de voordelen van beide combineert. De tijdsduur van de opnamen loopt nogal uiteen en is respectievelijk 3:08, 3:23 en 3:17. Ook melodisch zijn er verschillen: Mariza en Mário Pacheco nemen bepaalde loopjes, versieringen en rubato’s elke keer iets anders. Van het karakteristieke ritme van zes à zeven korte en twee lange noten zijn de korte noten nooit gelijk van lengte en de eerste van de lange noten valt zelden precies op de eerste tel. Zo zijn in de eerste regel “Há” en de eerste lettergreep van “música” langer dan een achtste en de overige lettergrepen korter; vervolgens komt “Povo” een fractie voor de tel. Zonder die losse voordracht zouden de eerste twee strofen, waarin harmonisch nog niet veel gebeurt, wat stijfjes klinken.

In alle opnamen spelen strijkers mee: in 2005 en 2008 een kwartet en in 2006 de Sinfonieta de Lisboa met zesendertig musici. Het fenomeen strijkorkest komt van buiten de fado en wel uit de mainstream-amusementsmuziek. Het ensemble klinkt in de opname als het Metropole Orkest en het is dan ook geen toeval dat Mariza in 2007 met dit Nederlandse orkest is opgetreden: Nederland is een land met veel fadoliefhebbers. Mariza laat zich wel vaker begeleiden door in de fado ongebruikelijke instrumenten, zoals piano of trompet en ze heeft zelfs een lied op haar repertoire met een akkoordloze begeleiding op louter Afrikaanse slaginstrumenten. De fado is blijkbaar in staat elementen op te nemen uit andere muzikale genres – en uit andere literaire genres, want Pessoa is een auteur uit de “hoge” kunst en volgens velen zelfs de grootste uit de moderne Portugese literatuur.

De hedendaagse fado is geen muzikaal museum, waarin de klassieke traditie van artiesten als Amália Rodrigues angstvallig wordt geconserveerd. Er is een evolutie op muzikaal en ook technisch gebied. Meer dan ooit presenteren de fadistas zich met opgenomen muziek en in een tijd waarin het publiek beschikt over onverslijtbare muziekdragers, kan het zich gaan storen aan technische en muzikale onvolmaaktheden. Mariza is dan ook een zangeres met een perfecte zangtechniek en podiumpresentatie. Ondanks deze perfectie is zij geen gladde artiest die risico’s uit de weg gaat; ze biedt een interessante combinatie van raffinement en spontaniteit, “hoge” en “lage” cultuur, “elite” en “volk”, “zwart” en “wit” (een Mozambikaanse afkomst en een jeugd in Lissabon).

Deze professionaliteit in alles – zelfs in de haute-couturecreaties – staat bij haar in dienst van de muziek. En in dit geval is de muziek een fado die opvalt door zijn reflexiviteit: hier denkt de dichter na over zijn bestaan en de reddende rol van de muziek, de componist over zijn muziek in verhouding tot de tekst en de zangeres over haar dienstbaarheid aan de compositie en het luisterplezier van het publiek. Há uma música do Povo is muziek over muziek.

 
 

Literatuur

Omdat de partituur van deze fado niet is uitgegeven, heb ik een transcriptie met akkoordsymbolen gemaakt. Daarbij probeerde ik niet de ritmische en melodische subtiliteiten van één bepaalde uitvoering vast te leggen, maar de notatie algemeen en schematisch te houden. Mariza is een alt en zingt het lied in Es; ik heb het getransponeerd naar C, naar een middenligging zonder hulplijntjes. Met dr. Fernando Venâncio, docent Portugees aan de Universiteit van Amsterdam, had ik een inspirerende gedachtewisseling over de interpretatie en de vertaling van het gedicht.

Hazeu, Wim. 1995. Slauerhoff. Een biografie. Amsterdam: De Arbeiderspers.
Lourenço, Eduardo. 1997. “La mélancolie portugaise.” Mythologie de la Saudade. vert. Annie de Faria. Paris: Éditions Chandeigne: 19-67.
Mariza. 2005. “Há uma música do Povo.” Transparente. EMI-Music Portugal 724347764622.
Mariza. 2006. “Há uma música do Povo.” Concerto em Lisboa. EMI-Music Portugal 094637788622.
Mariza. 2008. “Há uma música do Povo.” Mário Pacheco. A música e a guitarra. https://www.youtube.com/watch?v=zt7-QmPc7aI.
Pellerin, Agnès. 2003. Le Fado. Paris: Éditions Chandeigne.
Willemsen, August. 1994. “Fernando Pessoa – of het volmaakte falen.” Het hoge woord. Amsterdam-Antwerpen: De Arbeiderspers: 35-66.

 

2008

 
 

 
 

 Dubbelklikken op muziekvoorbeeld om het te vergroten

fado-scan