Mortuarium en andere gedichten

 
 

Gottfried Benn

Morgue und andere Gedichte verscheen in 1912 en was de eerste bundel van Gottfried Benn (1886-1956). Benn schreef de afdeling Morgue I op één avond, na een sectiecursus die hij als aankomend patholoog-anatoom gevolgd had. Hij creëerde zoiets als een literaire tegenhanger van George Grosz’ tekeningen van vervallen en verminkte mensen en het is of hij de verschrikkingen in de veldhospitalen van de Eerste Wereldoorlog voorvoelde. De reacties waren uitgesproken negatief of positief. De dichteres Else Lasker-Schüler schreef: ‘Ieder vers van hem is de beet van een luipaard, de sprong van een wild dier. De knook is zijn griffel, waarmee hij het woord opwekt.’ Ook meer dan een eeuw later zullen de rauwe, sarcastische en illusieloze gedichten niemand onverschillig laten. De twee korte afdelingen Mortuarium I en II zijn compleet vertaald en van de elf overige gedichten de drie die in een ziekenhuis gesitueerd zijn. De gebruikte uitgave is Gottfried Benn, Gedichte in der Fassung der Erstdrucke, mit einer Einführung herausgegeben von Bruno Hillebrand (Fischer Taschenbuch Verlag, Frankfurt am Main, 1982).

 
 

Inhoud

 

MORTUARIUM I
1. Kleine aster
2. Mooie jeugd
3. Kringloop
4. Negerbruid
5. Requiem

 

Blinde darm
Man en vrouw lopen door de kankerbarak
Zaal van de krijsende vrouwen

 

MORTUARIUM II
1. Plotseling schreeuwt een lijk
2. En ik dan?
3. Een lijk zingt
4. Vreemd – mompelt een nog niet dichtgenaaide man –
5. Een zelfmoordenaar

 
 

MORTUARIUM I
 

1

Kleine aster

Een verzopen brouwersknecht werd op de tafel getild.
Iemand had een lichtpaarse aster
tussen zijn tanden geklemd.
Toen ik vanuit de borst
onder de huid
met een lang mes
de tong en het gehemelte wegsneed,
moet ik haar geraakt hebben, want ze gleed
in de hersenen ernaast.
Ik stopte haar in de buikholte
tussen de houtwol,
toen alles dichtgenaaid werd.
Drink je maar zat in je vaas!
Rust zacht,
kleine aster!

 

2

Mooie jeugd

De mond van een meisje, dat lang in het riet gelegen had,
zag er zo aangevreten uit.
Toen we haar borstkas openden, zat de slokdarm vol gaten.
Uiteindelijk in een koepeltje onder het middenrif
vonden we een nest jonge ratten.
Eén klein zusje was dood.
De anderen leefden van de lever en de nieren,
dronken het koude bloed en hadden
hier een mooie jeugd gehad.
En mooi en snel kwam ook hun dood:
We gooiden ze allemaal in het water.
Ach, wat piepten die kleine snuitjes!

 

3

Kringloop

De eenzame kies van een hoer
die anoniem gestorven was,
had een gouden vulling.
De andere waren als op stilzwijgende afspraak
uitgevallen.
Deze sloeg de lijkdienaar eruit,
verpatste hem en ging dansen.
Want, zei hij,
alleen aarde moet tot aarde wederkeren.

 

4

Negerbruid

Daarna lag er in donker bloed gebed
de blonde nek van een roomblanke vrouw.
De zonnestralen woedden in haar haren,
ze likten verder langs haar lichte dijen
en knielden bij haar wat bruinere borsten,
nog niet misvormd door zonde en geboorte.
Een neger naast haar: door een paardenhoef
ogen en voorhoofd stukgetrapt. Die boorde
twee tenen van zijn vuile linkervoet
zo binnen in haar kleine, blanke oor.
Maar zij lag als een bruid zo stil te slapen:
als aan de zoom van haar nog prille liefde
en voor de aanvang van veel hemelvaarten
van ‘t jonge, warme vrouwenbloed.
Tot wij
het mes haar blanke keel in lieten glijden
en een purperkleurig schort van dood bloed
al om haar heupen spreidden.

 

5

Requiem

Op elke tafel twee. Mannen en wijven
kruislings. Nabij, naakt, en toch zonder pijn.
De schedel en de borst open. De lijven
die nu voor het laatst aan het baren zijn.

Ieder drie kommen vol: van brein tot zak.
En zie Gods tempel en des duivels stal
nu borst aan borst beneden in een bak
grijnzen naar Golgotha en zondenval.

De rest: wedergeborenen in kisten:
mansbenen, kinderborst en vrouwenhaar.
‘k Zag het van twee die ooit naast de pot pisten,
als uit één moederlichaam lag het daar.

 

Blinde darm

Alles is wit en klaar om te snijden.
De messen dampen. De buik is bestreken.
Onder witte doeken hoor je iets smeken.

‘Geachte heer, we gaan u verblijden.’

De eerste snee. Het lijkt wel brood.
‘Klemmen graag!’ Het spuit hier rood.
Dieper. De spieren, vochtig, fonkelen en blozen.
Staat er op tafel soms een bosje rozen?

Is het etter wat daar spuit?
Een snee in de darm, dat hij niet meer sluit?
‘Dokter, u staat in mijn licht, da’s niet kien,
Zo kan ik verdomme het buikvlies niet zien.
Narcose, ik opereer zo niet, hoor,
die man gaat er met zijn buik vandoor.’

Vochtig en muf is het. Met veel misbaar
valt op de grond een gegooide schaar.
De zuster, als een engel begaan,
geeft steriele watten aan.

‘Ik kan niets vinden in die troep, wat maf!’
‘Bloed wordt zwart. De maskers af!’
‘Maar beste man – o goeie God –
houd die klem vast, straks gaat het kapot!’

Alles vergroeid. Toch niet gemist!
‘Dichtbranden, zuster!’ En het sist.

Geluk gehad, mijn zoon, een ovatie.
Het ding had haast een perforatie.
‘Zie je die kleine, groene vlek? –
Drie uur nog, dan zat die buik vol drek.’

Buik dicht. Huid dicht. ‘Hechtpleisters, kom aan!
Goede morgen, mijne heren.’
De zaal stroomt leeg, ‘t werk is gedaan.
De dood, die al in woede ontstak,
besluipt knarsentandend de kankerbarak.

 

Man en vrouw lopen door de kankerbarak

De man:
In deze rij heb je verteerde buiken
en deze rij is voor vergane borst.
Bed stinkt bij bed. Ieder uur nieuwe zusters.

Kom, licht die deken nu maar rustig op.
Kijk: deze vetklomp met rottende vochten
betekende voor een of and’re man
ooit veel: een roes, een thuis.

Kijk eens naar dit litteken op die borst.
Voel je de rozenkrans van zachte knobbels?
Voel maar gerust. Zacht vlees, het doet geen pijn.

En deze bloedt als uit wel dertig lijven.
Geen mens heeft zoveel bloed.
Uit deze sneden ze
eerst nog een kind, de buik die was verkankerd.

Ze mogen slapen. Dag en nacht. – De nieuwen
horen: Hier slaap je je gezond. – Maar ’s zondags,
voor het bezoek, worden ze weer wat wakker.

Gegeten wordt er weinig. Doorgelegen
zijn alle ruggen. Kijk die vliegen. Zusters
wassen ze soms. Zoals je banken wast.

Hier rijst de akker al rond ieder bed.
Vlees ligt gelijk met land. De gloed verdwijnt,
het vocht begint te stromen. Aarde roept. –

 

Zaal van de krijsende vrouwen

De armste vrouwen van Berlijn
– tien kind’ren, één bed met zijn vijven,
hoeren en paria’s vol pijn –
krommen hier jammerend hun lijven.

En nergens hoor je zoveel schreeuwen.
En nergens word op pijn en leed
Zo slecht gelet. Het duurt al eeuwen
En het is hier altijd een keet.

‘Kom op, mens, persen moet je hier!
Je ligt toch niet voor je plezier?
Probeer de zaak niet zo te rekken.
Je drukt ook stront en dat geeft plekken!
Je bent hier nog niet met pensioen.
Het komt niet vanzelf. Je moet wat doen!’
Daar komt het, blauwig en klein als het is.
Het wordt gezalfd door poep en pis.

En elf bedden met bloed en traan
heffen gejammer als welkom aan.
Alleen uit twee ogen zingt een koor
De hemel een jubilate voor.

En door dit kleine, vlezige stuk
gaat alles heen: ellende, geluk.
En sterft er een, rochelend door een kwaal,
liggen er tien anderen in de zaal.

 
 

MORTUARIUM II

 

1

Plotseling schreeuwt een lijk in een gemiddelde voedingstoestand:
Jongens, laat niet met je sollen!
Er wordt schandalig met ons omgesprongen.
Wie heeft bij mij bijvoorbeeld mijn hersenen in mijn borstholte gegooid?

Moet ik daarmee ademhalen?
Moet mijn kleine bloedsomloop daar soms doorheen?
Nee, nou wordt hij mooi!
Dit gaat te ver!

 

2

En ik dan?
Hoe lig ik erbij?
Als uit een ei gepeld!
En nu??
Wast u alstublieft de stront uit mijn oksel, ja, u!!
En mijn rechterhartoor hoeft ook niet recht uit mijn reet te piepen!
Het lijken wel aambeien. –

 

3

Een lijk zingt:

Weldra gaan door mij heen velden en wormen.
Het land knaagt en de muur wordt niet gespaard.
Het vlees vervaagt. En in de donk’re vormen
Van ledematen juicht de eeuw’ge aard.

Ik ben verlost na veel vergoten tranen,
Verlost van honger, zwaard en traliekluis.
Zoals meeuwen zich ’s winters veilig wanen
Op zoet water, dus thuis: het is gebeurd.

 

4

Vreemd – mompelt een nog niet dichtgenaaide man –
Als ik zo met mijn hand naar beneden ga:
Waar houdt mijn borst op?
Waar begint mijn buik?
Waar zat je drekfistel, vraag je je af?

Volkomen veranderd systeem.
Mijn navel overboordgegooid.
Vereenvoudigd mechaniek.
Terug naar de natuur, lijkt het devies. –

 

5

Een zelfmoordenaar:

Sta niet zo te keffen, melkmuilen! Tuig. Gepeupel.
Mannen, behaard en bronstig, beesten van vrouwen, laf en gemeen,
Uit jullie strontleven weggeslagen,
Omjammerd door mensenvee.

Ik ben opgestegen als een jonge adelaar.
Zo stond ik: naakt, door het koude sterrenlicht
Ombrand mijn hoofd en bloed. –