Mister Grien heeft een dzjob

winkel

 

Sjolem Alejchem

 

‘Hau doe joe doe, mister Sjolem Alejchem! Ik weet niet of u mij kent? Ik ben een beetje familie van u… Dat wil zeggen niet van u, maar van Tevje de melkboer en zijn familieleden, Menachem-Mendl uit Jehoepets… Ik zie dat het u interesseert, anders hield u niet in! Laten we hier dan heel even stilstaan op de saidwok om een beetje te kletsen over dat fijne Amerika, wat een Gouden Land het is. Maar niet zozeer over Amerika als wel over de bizzenis hier, hoe je hier midden in de luxe kunt creperen, tot God je een mooie dzjob bezorgt en als God je erbovenop helpt met de juiste dzjob is er nog hoop dat je je mettertijd op kunt werken om rijk te worden als een Jacob Schiff, een Nathan Straus, of op zijn minst een Harry Fischel, kortom: dat je olrait wordt… Op dit moment kan ik nog niet van mezelf zeggen dat ik olrait ben, maar, God zij geprezen, ik heb een dzjob, en het mooie van die dzjob is dat ik hem zelf gevonden heb, puur door mijn hersens te gebruiken… Maar ik zie dat u ontzettend graag wilt weten wie die vent is die tegen u praat! Als ik u zeg dat dat mister Grien is, denkt u natuurlijk: Grien? Groen? Geel? Blauw? Zegt me eigenlijk niks… Hier heet ik Grien. Ginder heette ik Grienberg. Waar ik vandaan kom? Van Odessa, denkt u? Ja, van Odessa… Van Jehoepets? Ja, van Jehoepets… Van Kasrilevke, van Teplik, Sjpole, Oeman, Berditsjev, kortom: van díe plaatsen… En je zat in de handel, zoals alle joden. Je sjoemelde, je sjacherde, tot het goede moment kwam en je weggejaagd werd en je hier terechtkwam, in het land van Columbus. En je at tot je geen hemd meer aan je lijf had, toen werd je leven versjwartst, alleen op een andere manier en je moest al dat teringwerk doen – dat was ook niks! Tot de eerste Ellel kwam. En toen die eerste Ellel kwam, zag ik in de pepers hoe je chazzonim, sjoels en minjes edvertaizt. In de stoors zag ik ze siddoerim, machzorim, sjoifers, talleisim in de etalage zetten, ik zag hoe ze de Heer der Wereld begonnen te slijmen omwille van de bizzenis. En ik denk na en ik zeg tegen mezelf: ‘Mister Grien! Hoe lang wil jij nog een groentje blijven? Probeer ook een graantje mee te pikken van de eerste Ellel en de tien dagen van inkeer!’ Alleen een graantje meepikken is makkelijker gezegd dan gedaan… Wat kon ik nou eens aanpakken? Mezelf als gazzen presenteren? Ik heb me nooit in een hoek laten drukken… Sjoichet dan? Mijn pa is nooit koetsier geweest. Revverend kon natuurlijk ook niet, want ik ken Hebreeuws en ik weet wat de woorden betekenen… Een striktlie koosjer boetsjer dan? Ik heb vroeger thuis nooit in gestolen paarden gehandeld… Verdiept in gedachten, zoals uw Tevje zegt, stap ik bij een sjoel naar binnen… De eerste Elloel, de mensen bidden ‘Ledovid oiri, de Heer is mijn licht…’ Ze zijn klaar met bidden, zegt er een:

‘En wie gaat voor ons de sjoifer blazen?’

Ik zeg: ‘Blazen? Laat mij maar…’

Nou vraagt u natuurlijk: ‘Hoe kom je erbij om te blazen?’ Dat zit zo. Thuis ben ik nooit baltekeie geweest. Mijn pa ook niet. Mijn opa ook niet. Maar hoe gaat dat als je jong bent: als het de eerste Ellel was en je kreeg een sjoifer te pakken maakte je er een sport van om te blazen en te blazen, net zolang tot de sjammes een emmer water over ons heen gooide en ons de sjoel uit joeg. Kortom: ik weet hoe het moet, en hoe zeg je dat: de praktijk zal het uitwijzen… Enfin, ik pak die sjoifer en blaas een eind weg: tekieje-sjworem-troeë, en ik eindig me daar met een tekieje gedoile, zonder gekheid, van hier tot Broeklin Bridzj! Toen ze die blazerij gehoord hadden zeiden ze tegen mij:

‘Waar kom jij vandaan, jongeman?’

Ik zeg: ‘Wat maakt het uit waar ik vandaan kom?’

Zij weer: ‘Wil je bij ons komen blazen op de Hoge Feestdagen? Onze baltekeie is overleden.’

Ik zeg: ‘Als ik daar mijn brood mee kan verdienen, graag…’

‘Alleen met blazen je brood verdienen,’ zeiden ze, ‘is wel moeilijk. Of je moet er nog wat bij doen…’

‘Wat dan?’ zeg ik. ‘Wat moet ik erbij doen? Moet ik soms draiver worden? Garbidzjmen? Of strietkliener?’

Zij weer: ‘Als u baltekeie bent, kunnen we niet van u verlangen dat u van dat domme werk doet. Het enige wat we u aan kunnen bieden,’ zeiden ze, ‘is een tsjens, dat u,’ zeiden ze, ‘nog in een andere sjoel kunt blazen…’

Dat zag ik wel zitten en ik denk bij mezelf: als ik een tsjens krijg om nog in een andere sjoel te blazen, kan ik net zo goed in twee sjoels blazen. En waarom dan niet in drie sjoels? Dus ik ervandoor, dauntaun van de ene sjoel naar de andere, van de ene minje naar de andere om overal voor te blazen en mijn kunsten te vertonen in de tekieje-sjworem-troeë, met heel veel succes, want als ik blaas komen ze uit alle sjoels aangelopen. Dzjudzjes, kongres-mens en essemblie-mens hebben me horen blazen en allemaal zeiden ze: ‘Wonderfoel!’ U begrijpt dat ik het eerste jaar maar één sjoel had en twee minjes. Het tweede jaar drie sjoels en vijf minjes. Dit jaar krijg ik, als Allerhoogste het wil, misschien wel twaalf minjes en dan kan ik aardig wat dollars in mijn zak steken. Maar eh, hoe kan één man zoveel bizzenis attenden? Vraag het me niet; we zijn hier in Amerika, en in dit land red je je wel. Bij de een blaas ik de tekieje een beetje vroeger, bij de ander een beetje later en bij nummer drie nog later. Ik trai mijn best, dat het publiek settisfaid is, biekoz als ik te laat kom ben ik mijn dzjob kwijt en mijn repjoeteesjen. U vraagt zich natuurlijk af, mister Sjolem Alejchem, waarom ik meer Engelse woorden joez dan Jiddisje? Dat komt door de kinderen. Dat zijn al echte Amerikanen en die willen geen woord Jiddisj meer spreken! U zou mijn bois eens moeten zien, dan zou u absoluut niet zeggen dat het joodse jongens waren. En als u mijzelf na de Hoge Feestdagen ziet, herkent u me ook niet. Als de eerste Elloel eraankomt, gooi ik mijn soet uit, laat een baard staan, ga er ‘ouderwets’ uitzien, en de Hoge Feestdagen zijn nog niet voorbij of ik neem een sjeev, zet mijn hoed op en ben weer een dzjentelmen. Wat je in Amerika niet allemaal voor de bizzenis doet… Ik zie aan u, mister, dat u zin hebt om over mij te schrijven in de peper, u hebt uw opschrijfboekje zelfs al tevoorschijn gehaald. Nevermain, succes ermee! Ik wil u nog even bedanken. Want voor mij is dat een edvertaizment… Ik wou eigenlijk ook nog vragen of u mijn adres wilt publiceren: Mister Grien, Tsjerrie Striet, Njoe Jork Sittie. Pliez… Ik hoop dat we elkaar uptaun nog eens tegenkomen. Tot dan: goed-bai!’

 

1915

 

Woordenlijst

 

Ellel: de maand voorafgaand aan Rosj Hasjana.

versjwartst: vervloekt.

sjoichet: rituele slachter.

sjammes: huismeester van een synagoge.

tekieje, sjworem, troeë, tekieje gedoile: traditionele sjofarsignalen.

baltekeie: sjofarblazer.

 

Sjolem Alejchem, Mister Grin hot a dzjab. Uit Ale Werk, deel 21 Monologn, pp. 245-249. Folks-Fond Oisgabe, New York, 1921. De vertaling verscheen eerder in het Jiddisj-Nederlandse literaire tijdschrift Grine Medine, nr. 56 (2014). Een analyse van het verhaal is te vinden in hoofdstuk 4.8 van A Tool of Remembrance, elders in deze website.