Met bevende handen

images
 

De wielen op de rails hebben de hele reis het ritme geslagen van een etude die ik heb voorbereid. Het tempo wordt nu trager: de trein nadert Den Haag. Ik pak het handvat van mijn trombonekist, die ik meteen na het instappen in Haarlem tussen mijn knieën heb gezet; met mijn gedachten zo geconcentreerd op het proefspel zou ik de klassieke fout kunnen maken het instrument in de trein te laten liggen.

Voor de laatste keer stel ik mezelf gerust: ik speel zeven jaar trombone en twee jaar piano; ik heb iets aan koorzang en solfège gedaan en bestudeer de muziektheorie en het klassieke repertoire. Dat laatste ‘s nachts, met behulp van een oude, bakelieten radio, waarvan ik het geluid met de dekens demp. De radio in de huiskamer is veel beter, maar die wordt zodra er een concert begint uitgezet of afgestemd op gladde amusementsmuziek. Ik houd van geschonden muziek: de klanken van verre zenders in Oost en West die na een helder begin langzaam verdwijnen in ruis. De in een sonoor Russisch of Tsjechisch aangekondigde heroïsche hymnen en symfonieën die zo verloren gaan, krijgen in mijn verbeelding iets tragisch. Soms lukt het me de muziek terug te halen; dan voel ik me als een archeoloog die een kostbaarheid opgraaft uit het gruis.

Als ik de trein ben uitgestapt, is het of mijn zelfvertrouwen is blijven liggen in de warme coupé. Dit vriesweer maakt het mondstuk ijskoud en kan mijn lippen doen springen. Misschien vertoont mijn trombone straks kuren: wordt de crème op de schuif te dik, dan smeert ze niet meer, maar werkt remmend in de snelle etude die ik wil spelen. Ik druk mijn trombonekist tegen me aan en stap aarzelend het bevroren Stationsplein op. Welke tram gaat naar het Koninklijk Conservatorium? Het plein met zijn sporen en voetstappen in de sneeuw lijkt een partituur met noten die haastig en nauwelijks leesbaar op de balken zijn gezet.

Het gebouw aan de Korte Beestenmarkt ziet er gewoontjes en versleten uit, alsof het de aandacht niet wil afleiden van de muziek in zijn binnenste. De portier stuurt me naar een slecht verlichte gang met bruinachtig houtwerk en gebarsten plavuizen. Uit de op een na laatste kamer klinken de koninklijke tonen van een trombone. Graag zou ik het uitbazuinen dat ik hier wil studeren, maar het lijkt of er een demper in mijn keel zit. De entree die ik thuis heb gerepeteerd valt in het water: mijn schoenen zijn kletsnat, mijn bril beslaat en ik ril van de kou en de zenuwen.

Ik klop.

De deur gaat open.

Ik noem mijn naam en geef tromboneleraar Bijlsma een bevende hand.

‘Ga zitten,’ zegt hij met een lachende en onderzoekende blik. ‘Kom eerst maar even bij: het schijnt koud te zijn buiten.’

Ik zet mijn trombonekist onder de vleugel, trek mijn jas uit en ga zitten. Bijlsma keert zich naar de student en geeft een paar laatste aanwijzingen. Ik kijk naar zijn geprononceerde mondpartij, wijkende voorhoofd en kalende kop, zijn benen en naar verhouding te korte bovenlichaam, gehuld in een broek en een jasje van ondefinieerbare tinten. Mooi is hij niet.

De student pakt in en gaat naast Bijlsma aan de vleugel staan. Die neemt een stapeltje papieren voor zich met op elk een zelfgemaakt weekrooster. ‘Wanneer kom je weer,’ zegt hij.

De student stelt een dag en tijd voor en Bijlsma schrijft de naam in het betreffende hokje. Een vreemde gang van zaken: ik ben gewend dat de leraar de tijd noemt en de leerling zich aanpast.

Bijlsma kijkt me glimlachend aan. ‘Zo, jongen.’

‘Wat moet ik spelen?’ vraag ik met het instrument in mijn linkerhand en het boek in mijn rechterhand. ‘Ik heb etudes gestudeerd.’

‘Dat is goed, joh. Maar als ik gezien heb hoe iemand zijn instrument uitpakt en in elkaar zet, weet ik al een heleboel. Ik zie dat je zorgvuldig bent. Ga maar zitten en speel de toonladder van F-majeur in twee octaven, stijgend en dalend, lange tonen.’

Dat is wel erg makkelijk, denk ik, zet het gekafte boek gesloten op de lessenaar en begin.

Na een paar tonen begint Bijlsma om me heen te lopen; terwijl ik doorspeel bekijkt hij me van verschillende kanten. ‘Ik zie iets bekends,’ zegt hij als ik terug ben bij de lage f. ‘Het lijkt wel of ik mijn eigen leraar zie spelen. Van wie had je ook weer les gehad?’

‘Van Jan Groot aan de Muziekschool Toonkunst in Haarlem.’

‘O ja, van die kleine Jan… Die heeft dezelfde leermeester gehad als ik. Nou, ik moet zeggen dat hij de aanwijzingen van Lodewijk Schweitzer nauwkeurig heeft doorgegeven. Wat voor etudes heb je bij je?’

‘Robert Müller, Technische Studien deel III,’ antwoord ik en sla het boek open.

‘Laat maar horen,’ zegt Bijlsma, zonder nummers op te geven of mee te lezen.

‘Ik heb je door de telefoon niet veel kunnen vragen,’ zegt hij. ‘Leg je instrument maar even in de koffer. Wanneer ben je begonnen met de trombone?’

‘In 1960.’

‘Wat voor soort muziek maak je?’

‘Jazz: ik heb een kwintet met tenorsax, piano, bas en drums. En klassiek: sinds ‘63 zit ik in het Nationaal Jeugdorkest. Ik begon als derde trombonist en nu ben ik eerste.’

Hij glimlacht. ‘Wat voor schoolopleiding heb je?’

‘Gymnasium.’

Hij knikt vol respect.

‘Vier jaar,’ zeg ik. ‘Behalve in Nederlands en muziek waren mijn prestaties niet zo best en volgens mijn vader kwam dat door de trombone. Ik heb een hele tijd niet mogen spelen. Zodra hij om de hoek van de straat verdwenen was, begon ik te studeren, fanatiek, maar natuurlijk niet te hard. Hij heeft me zonder het te willen dus erg geholpen. Ze vonden dat ik een echt vak moest leren en ik heb me laten overhalen naar de kweekschool te gaan. ‘Hou je van kinderen?’ vroeg de directeur op het spreekuur. Toen moest ik wel ja zeggen.’

Bijlsma trekt een borstelige wenkbrauw op en perst zijn lippen op elkaar.

‘Volgend jaar heb ik het papiertje. Dan wil ik niet voor de klas gaan staan, maar naar het conservatorium om trombone en schoolmuziek te studeren. Op eigen kosten of een renteloos voorschot.’

‘Waarom in Den Haag en niet in Amsterdam?’

‘U kent Wim Ouwerkerk, die trompet speelt in het Nationaal Jeugdorkest. Die zei: “Je moet naar Bijlsma.”’

‘Zo. Nou, ik neem je wel aan het handje en help je door dat toelatingsexamen.’

Ik ben nu helemaal ontdooid.

‘Wanneer kom je weer,’ zegt hij met dezelfde intonatie als een uur geleden en pakt zijn roosters.

Blijkbaar ben ik nu zijn leerling.

Nadat ik betaald heb voor de privéles biedt hij aan me met de auto naar station Hollands Spoor te brengen. Ondanks de sneeuwlaag herken ik het merk en type dat hij rijdt; je ziet het weinig, maar het is al klassiek en heeft net als de Snoek en de Eend een bijnaam gekregen: de Banaan, omdat het van voren en van achteren opvallende, haast identieke rondingen heeft. Dat Bijlsma een Panhard rijdt verbaast me niet; echt iets voor hem, denk ik, al ken ik hem pas een uur.

 

*

Na lang zoeken vind ik een parkeerplaats aan de Lange Beestenmarkt. Het is nu drukker dan in de tijd dat ik hier woonde, kort na mijn studie in het oude gebouw aan de Korte Beestenmarkt, aan de andere kant van de Prinsengracht. Deze buurt is niet meer wat hij geweest is: het Koninklijk Conservatorium heeft een nieuw gebouw bij het Centraal Station en het oude is nu de Stedelijke Muziekschool. Ik zie aan alles: de naambordjes, de inrichting van kamers, de rommel op de stoep, dat de Lange Beestenmarkt nog steeds een straat is met allerlei buitenbeentjes en nauwelijks een zogenaamd normaal huishouden; Bijlsma, die hier sinds een paar jaar woont, past er eigenlijk heel goed.

Het naambordje op de deur vermeldt zijn naam in een ouderwetse schrijfletter met dunne ophalen en dikke neerhalen en in de Friese spelling: Anne Bylsma, musicus. Oude mensen keren wel vaker terug tot dingen van hun jeugd. Het is meer dan twintig jaar geleden dat ik hem voor het eerst de hand heb gedrukt, besef ik, en zet mijn wijsvinger op de bel.

Terwijl hij me laat wachten, tel ik de keren dat we elkaar na mijn conservariumexamens hebben gezien. Een, twee en drie: lessen en morele steun voor een proefspel. Vier: een visite bij mij thuis, waar hij mijn kleine zoon bewonderend op zijn arm heeft genomen. Vijf: een bezoek van mij, niet lang geleden, samen met Viktor, de Tsjech, een andere oud-leerling. We zijn met zijn drieën koffie gaan drinken in de gerestaureerde Boterwaag, vroeger een bijgebouw van het Conservatorium. Alles leek nog zoals toen, maar we hebben Bijlsma een paar keer taart met slagroom zien morsen, terwijl hij het niet merkte.

Nu ben ik hier weer. Maar hij doet nog steeds niet open. Misschien is hij in de achterkamer aan het lesgeven; alleen hoor ik geen muziek. Naar binnen spiedend zie ik dat de voorkamer leeg is. Aan de muur hangt de tekening die mijn leraar gemaakt heeft van het boventoonschema: horizontale lijnen, verdeeld in steeds meer gelijke delen, voorstellend de intervallen van octaaf tot en met secunde; materiaal dat hij, vrijmetlaar, beschouwt als gegeven door de Opperbouwmeester des Heelals. Misschien is hij helemaal niet thuis. Misschien is hij de afspraak gewoon vergeten of wil hij geen herinneringen ophalen. Ik denk aan zijn reactie op het boek van Frits Hotz. Die schrijver en trombonist heeft kort les gehad van Bijlsma en daarvoor van Lodewijk Schweitzer. Over mijn leraars leraar heeft hij een prachtig verhaal geven met de titel Toonkunst. Ik heb Bijlsma de bundel waarin het staat cadeau gedaan. Hij heeft het boek niet gelezen en weggegeven aan een leerling, zegt hij me later ronduit; liegen doet hij niet. Ik heb mijn boze antwoord ingeslikt. Mijn wijsvinger drukt op de bel, ongeduldiger nu.

Na een minuut gaat de deur open.

Aangeboren optimisme geeft de mens het zorgeloze geloof dat ziekten overgaan en dat de dood nog ver is. Toch krijg ik nu een waarschuwing, nog meer door mijn neus dan via mijn ogen. Bijlsmakan me niet begroeten, omdat hij beide bevende handen nodig heeft voor het ophouden van zijn broek. Haastig doe ik de deur dicht. Hij wil mijn hulp vragen, maar ik ben al geknield om de rits dicht te trekken en de bretels vast te knopen. Het ritueel brengt me terug naar mijn tijd als kwekeling, naar schoolreisjes met kleine kinderen en de gevolgen van wagenziekte en overmatig limonadegebruik. Ik ben op een vreemde manier vertederd en de achting die ik voor mijn leraar voel neemt toe in plaats van af.

Als hij is aangekleed draait hij zich om en schuifelt voor me uit naar de ruime woonkamer. Alles wat hij nodig heeft staat hier en toch is het vertrek niet huiselijk. Toen ik in deze straat woonde, was mijn kamer ook zo sober als een tent, maar ik had geldgebrek, terwijl Bijlsma iets nomadisch heeft. ‘Ik ben geen man voor een vrouw,’ zei hij me soms. En als ik tegenwerpingen maakte: ‘Die schat heeft weinig aan me, want ik ben er nooit.’

Hij biedt me niets aan, wat ik kan begrijpen: bevende handen moeten geen kokend water opgieten. Ik zou thee kunnen zetten, maar betwijfel of hij iets wil drinken. En ik weet niet eens of hij wel een keuken heeft. Vroeger vergat hij vaak te eten, als de muziek hem in beslag nam.

We wisselen een paar zinnen uit.

In mijn studietijd liepen de gesprekken vanzelf; sterker nog: we kwamen steeds weer tijd tekort. Wanneer we na een halfuur eindelijk uitgemaakt hadden welke symfonie van Beethoven de geniaalste was, schrok hij op en zei: ‘Pak je trombone: ik word betaald om je les te geven op dat instrument.’ Vroeger gingen we naar zijn verbouwde binnenschip in de Voorschotense jachthaven. Zijn tweede vrouw, een Franse violiste, hield niet van de ruigheid van die boot en dat vond hij jammer. Maar onder studenten was de Boot een begrip. Wanneer we geen ensemblerepetitie hadden, draaide Bijlsma een symfonie van Mahler in de uitvoering van Leonard Bernstein, onder wie hij zelf gespeeld had. Tijdens het luisteren stak hij af en toe zijn hand op om een mieters thema te signaleren, een harmonische wending te boetseren, het koper een inzet te geven of alleen maar te glimlachen. Anderhalf uur lang konden we zo luisteren. Nu merk ik dat hij de concentratie voor een gesprek niet meer kan opbrengen en zie dat zijn ziekte een masker op zijn gezicht heeft geplakt.

Ik sta op om me te vertreden. In een hoek van de kamer staat een ding dat je wel in posterwinkels vindt: een grote standaard met scharnierende metalen lijsten; je kunt erin bladeren als in een reusachtig, rechtop gezet boek, groter dan een Statenbijbel met koperbeslag op een lessenaar. Bijlsma werkt aan een soort autobiofie in beeld.

‘Het is nog niet af,’ zegt hij zwakjes, zonder om te kijken.

Ik vermoed dat hij het nooit af zal krijgen; is het niet door zijn ziekte, dan wel door zijn ongedurige natuur. Bij het bladeren in zijn Onvoltooide zie ik foto’s van dirigenten en solisten: Leonard Bernstein, die voor het Residentieorkest een slotakkoord afsloeg met een luchtsprongetje, dat Bijlsma me ooit demonstreerde; de serieuze, melancholieke Antal Dorati; Karl Böhm met de zure trek om zijn mond die mijn leraar ondanks zijn opgewekte aard zo goed kon imiteren; Wanda Landowska, de verfijnde klaveciniste; Bijlsma junior, het wonderkind op de cello. Er zijn recensies van het Residentieorkest, notities van een tournee in Amerika met foto’s van bassist Piet Swinkels, hoornist Piet Schijf en de hanige trompettist Theo Laanen. Ik zie foto’s van studenten in koperensembles, de orkestklas van het Conservatorium, de Koninklijke Militaire Kapel, het Rotterdams en het Concertgebouworkest. Ik zie mezelf.

Ik was geen gemakkelijke leerling. Onverdraaglijk moet ik soms zijn geweest in de tijd dat we actievoerden tegen werkelijke en vermeende misstanden. Al werd de opstandigheid van ons muziekstudenten gedempt door het feit dat we nooit in grote collegezalen zaten, dus ver van de docenten, maar altijd oog in oog met hen in kleine kamers, we maakten reactionaire leraren het leven zuur. Bijlsma’s reacties op mijn gedrag varieerden van een besmuikte lach met de toevoeging ‘Stout jongetje’ tot – dat gebeurde één keer en schokte me diep – ‘Ga weg, ik geef je geen les.’ Meestal vond hij de linkse jongens leuk en zelfs nuttig. Hij haalde herinneringen op aan zijn tijd in de AJC – in mijn ogen een weinig revolutionaire organisatie – en vertelde dat hij lang had rondgelopen in een Russische kiel – gekoketteer met de revolutie. Hij gaf ons in veel gelijk, maar dreef nooit de spot met wereldvreemde docenten als Orthel, Hengeveld en Stam. Wij hoonden de trage kraakstem van Léon Orthel: ‘Jongen… de wijze waarop jij dat speelde… was púre poëzie…’ We hoonden Gerard Hengeveld, sigarenroker en componist van het Agio Adagio. En Edward Stam, die zo met zijn hoofd in de wolken liep, dat zijn vrouw de wanten aan zijn mouwen had vastgenaaid. Wij lachten onze Roomse docent muziekgeschiedenis uit, maar Bijlsma luisterde naar Stams colleges gregoriaans en ontzag de man die katholiek was geworden in een tijd dat de Moederkerk in verval raakte. Ik zocht mijn heil bij Marx en Mao. Terwijl andere docenten mijn opvattingen heftig bestreden, negeerden of onderschreven, zei Bijlsma: ‘Geef mij eens iets van Mao te lezen.’ Ik gaf hem het beroemde artikel Over de tegenstelling. Een week later maakte hij aan het begin van de les een paar opmerkingen waaruit ik begreep dat hij de tekst goed gelezen had. Daarna gaf hij het meest vernietigende commentaar dat denkbaar was: ‘Het viel me tegen; ik vond er eerlijk gezegd niet veel aan.’ De man die zo makkelijk warmliep voor nieuwe ideeën haalde koeltjes de brochure uit zijn tas, legde haar naast zijn roosters op de vleugel en begon met de les.

Verder bladerend in de lijsten met foto’s van studenten uit jongere lichtingen dan de mijne, denk ik aan mijn eigen lespraktijk. Bijlsma’s methoden vinden navolging. Soms hoor ik uit mijn mond echo’s van zijn zinnen en intonaties. Eerst vind ik dat vervelend en probeer krampachtig origineel te zijn; napapegaaien, zoals hij het noemde, stond ook Bijlsma tegen. Later leer ik mezelf te zien als een schakel in een keten: ik geef een traditie door en voeg daar iets, niet eens zoveel, aan toe. Ik vraag van mijn leerlingen precies wat hij van de zijne vroeg: toewijding aan het instrumentale ambacht en liefde voor de muziek. En net als hij geef ik les aan beginners en gevorderden. Maar anders dan hij in zijn privépraktijk niet op instrumenten die ik zelf niet kan bespelen: mijn directeuren zien me aankomen! En anders dan hij speel ik mijn leerlingen veel voor. Hij ging vaak niet eens naast me zitten om mee te lezen in de partituur, maar zette zijn stoel in een hoek van de kamer. ‘Goed, jongen, het Concert van Rimski-Korsakov. Begin maar. Ik ken de noten, en jij kent de noten – anders hoor je niet thuis op dit conservatorium. Ik luister of er iets gebeurt, of je er muziek van maakt.’ Schijnbaar teruggetrokken in zichzelf zat hij scherp te luisteren. ‘Ik doe wat ik het liefste doe en krijg er nog voor betaald ook,’ was een ander gevleugeld woord. ‘Ik leer nog steeds. Over jullie ruggen.’ Dat laatste altijd met een aanstekelijke lach.

In een Conservatorium vergeven van de jaloezie kon Bijlsma bewonderen. Hij was gul met het predicaat “mieters” en had de neiging zijn eigen verdiensten weg te cijferen, wat hem in de ogen van ambitieuze collega’s degradeerde tot een naïeveling. Hij bewonderde mensen als zijn broeder in de vrijmetselarij Jan van Dijk, met wie ik een jaar lang fuga’s uit Bachs Wohltemperierte Klavier analyseerde, zonder me een moment te vervelen; Piet Swinkels, de rustige collega, die zo licht en makkelijk contrabas speelde als een ander cello. Hij bewonderde zelfs dirigent Willem van Otterloo, die hem en andere orkestleden het leven zo zuur had gemaakt dat hij uit protest was opgestapt om nooit meer terug te komen, maar wiens mieterse Symphonie fantastique hij bleef draaien.

‘Ik krijg mijn beeld niet terug,’ zegt Bijlsma opeens.

Kan ik helpen?

‘Mijn televisie doet het niet.’

‘Mag ik eens proberen?’ vraag ik. Hij weet wel iets van techniek en is zijn carrière begonnen als horlogemaker, maar misschien leeft hij al zo in het verleden, dat hij de werking van de afstandsbediening niet goed begrijpt. Maar nee: ook ik kan de beelden niet terughalen en het toestel reageert op mijn commando’s met sneeuw.

‘Goed dat je er bent,’ zegt hij. ‘We gaan naar de radiozaak op de Prinsengracht.’

Ik loop naar de stoel waarover zijn jas ligt; om dingen als kapstokken heeft hij nooit veel gegeven. Het bemorste vod vervult alleen nog zijn wezenlijke functie: bescherming tegen kou. Hem in de jas krijgen is als een tweedehands boek dat je voor het weggeven nog even hebt ingekeken moeizaam terugschuiven in de verpakking, die heel moet blijven.

‘In die kast,’ wijst Bijlsma bevend, ‘ligt een envelop.’

Het ding ligt voor het oprapen.

‘Daar zit geld in.’

Inderdaad, en veel ook.

‘Geef me die.’

Ik doe wat hij vraagt.

Hij steekt de open envelop achteloos in zijn jaszak.

‘Zo kan dat niet,’ zeg ik op de toon van een onderwijzer.

‘Dat doe ik altijd,’ zegt hij, even eigenwijs als ik vroeger.

‘Veel te gevaarlijk: ze slaan bejaarden wel voor minder tegen de grond.’

Hij mompelt iets onverstaanbaars.

Ik krijg hem niet zover dat hij het grootste deel van het geld thuislaat en verstopt; wel mag ik de envelop in zijn binnenzak schuiven.

Zelden heb ik hem langzaam zien lopen. Gewoonlijk ging hij, na een haastige boterham, recht op zijn doel af: de volgende les, de volgende repetitie. Niet zoals sommige collega’s om veel te verdienen, maar om alle studenten en amateurs die les bij hem wilden hebben van dienst te zijn. Ik heb hem pas langzamer zien lopen na de komst van de bril. ‘Weet je dat ik nu beter kan kijken?’ Ja, logisch. ‘Ik kan zelfs lang voor schilderijen staan: dat donkere montuur is een soort lijst, die mijn aandacht gevangen houdt.’

De honderd meter naar de radiowinkel loopt mijn leraar in het tempo van een schildpad en vanonder een onzichtbaar schild kijkt hij de buitenwereld in.

In de brandschone winkel vol glanzende apparaten en gepolijste achtergrondmuziek valt hij met zijn stoppelkin uit de toon, en hij wacht zijn beurt af zittend op de houten trap naar de bovenverdieping. Ik begin me een beetje te generen. De verkoper, die hem blijkbaar kent, is minder kleinzielig en spreekt hem aan zonder een spoor van irritatie of ongeduld.

‘Ik heb een televisie gekocht. Die doet het niet. Ik krijg alleen maar sneeuw,’ zegt mijn leraar in de beknopte zinnen die zijn conditie hem dicteert.

De verkoper lacht vriendelijk tegen hem en stelt in begrijpelijk Nederlands een aantal technische vragen.

‘Alleen maar sneeuw,’ herhaalt Bijlsma.

‘Dan is het denk ik het handigste als ik bij u langskom,’ concludeert de verkoper. ‘Lange Beestenmarkt?’

Mijn leraar noemt het nummer.

Ik schaam me voor mijn gène bij de gedachte aan dat bezoek.

Na onze terugkeer naar huis komen we tot niets meer. Bijlsma blijft onbeweeglijk in de kamer staan. Een Socrates is mijn leraar niet, maar toch moet ik denken aan de verhalen van Plato over die filosoof: hoe die urenlang verstard bleef staan, hoe lelijk zijn gelaatstrekken waren en hoe ongemakkelijk zijn vragen. Terwijl Bijlsma in zichzelf verdiept is, drentel ik voor de standaard met de foto’s die ik al uitgebreid bekeken heb. Ik voel me niet opgelaten, zoals bij sommige andere mensen die lang zwijgen. Maar het heeft niet veel zin nog te blijven. Ik loop naar hem toe, ga recht voor hem staan en zeg: ‘Ik ga maar weer eens naar huis.’

Hij reageert niet.

‘Anders kom ik nog vast te zitten in de avondspits,’ voeg ik eraan toe. Wat een cliché.

‘Ga je naar Amsterdam?’ Zijn zwakke stem klinkt of die stad een dagreis verwijderd is.

‘Ja, ik ga naar Amsterdam.’

‘Mag ik meerijden?’

‘Natuurlijk. Waar moet u zijn?’

‘In het ziekenhuis. Mijn zoon heeft een auto-ongeluk gehad.’

Ik heb het bericht gelezen: Anner Bijlsma, Vera Beths en Reinbert de Leeuw zijn op de terugreis van een concert in Zeeland van de weg geraakt, op een stil traject en midden in de nacht. Anner is gewond. Reinbert ook; hij heeft lang aan de kant van de weg gestaan tot er iemand stopte om te helpen. Vera heeft de koffer van haar geleende Stradivari niet durven openmaken en hem gesloten aan haar vioolbouwer gegeven; gelukkig bleek het instrument onbeschadigd.

‘Hoe gaat het met hem?’ vraag ik.

Er komt geen antwoord.

‘In welk ziekenhuis ligt hij?’

Bijlsma moet lang nadenken. ‘Het Prinsengrachtziekenhuis,’ herinnert hij zich ten slotte, tot mijn opluchting.

De tweede operatie jas aantrekken begint.

Ik haal mijn auto en parkeer dubbel voor het huis. Het verkeer in de gaten houdend neem ik Bijlsma bij zijn arm.

‘Wat is dat voor een jongetje?’ vraagt hij voor het geopende rechterportier.

‘Waar hebt u het over?’

‘Daar onder de pedalen.’

‘Gaat u rustig zitten. Ik zal u de gordel omdoen, dan bent u veilig.’

‘Je moet me maar niet kwalijk nemen,’ zegt hij, wanneer ik achter het stuur ben gaan zitten. ‘Het komt van de medicijnen tegen parkinson. Ik zie iets, maar er is niets.’

Ik herinner me een uitspraak die hij soms deed wanneer we verrukt geluisterd hadden naar muziek van Mozart, waarin een banale drieklank van C opeens verrassend klinkt: ‘Een genie is iemand die in iets gewoons iets bijzonders ziet.’

Hij lijkt geen last meer te hebben van hallucinaties en kijkt weer strak voor zich uit. Ik start, rijd naar de hoek en wacht lang op een rustig moment om de drukke gracht op te rijden. Alsof er op de achterbank een trombone zonder kist ligt, zo laat ik de auto door de Haagse straten glijden; ik neem de bochten voorzichtig, rem niet abrupt, laat de auto uitrollen voor een verkeerslicht en voeg behoedzaam in. Op de snelweg blijf ik op de rechter rijstrook en rijd statig als met een volgauto. Misschien ben ik nog niet voorzichtig genoeg geweest: in de buurt van Voorschoten zet hij zich plotseling schrap.

‘De auto’s, de auto’s…’

‘Wat is er?’

‘Pas op, ze rijden achteruit…’ Vreemd genoeg schreeuwt hij niet bij het zien van die alarmerende situatie en maakt geen afwerende gebaren.

Het is druk op de weg. Als ik na een kilometer een geruststellende opmerking weet en opzij kijk, zie ik dat hij in slaap is gevallen met het hoofd op zijn borst, net als mijn zoon vroeger tijdens een rit naar het buitenland.

Op het Amsterdamse Stadionplein wordt Bijlsma wakker. ‘Sorry, ik was in slaap gevallen.’

‘Heel even maar,’ zeg ik. Na de auto bij de snackbar te hebben gezet laat ik mijn leraar alleen om in de telefooncel het huisnummer van het Prinsengrachtziekenhuis te zoeken: de langste gracht van de grote drie heeft meer dan duizend nummers.

Door het langzaam rijden in de spits en de motregen die is gaan vallen beslaan de ruiten; telkens moet ik voor mijn leraar langs reiken om de rechter zijruit schoon te vegen. Na eindeloos kruipen van verkeerslicht naar verkeerslicht arriveren we bij het ziekenhuis, maar zoals ik al verwachtte is er nergens een vrije parkeerplaats te bekennen. Een plaats gaan zoeken nadat ik Bijlsma heb afgezet heeft geen zin. Voor dubbel parkeren is de gracht te smal. Wat nu? Hem alleen naar binnen laten gaan? Doorrijden! toetert de file. Ik stap uit, maak een verontschuldigend gebaar naar de wachtenden, help Bijlsma de auto uit en lever hem af bij de poort met het opschrift Vereeniging Zieken Verpleging. Ik zoek zijn blik, maar vind alleen zijn bevende hand. Dit moet dan maar het provisorische afscheid zijn. Terwijl ik achter het stuur ga zitten, zie ik hem gebogen het ziekenhuis inschuifelen, als een blikken mannetje met een veer van binnen. Ik zal hem nog wel bellen om te horen of het goed gaat met zijn zoon.

Op een dag in juni 1990 valt Bijlsma’s overlijdensbericht in de bus. Ik besef dat ik na die rit naar Amsterdam niets meer van me heb laten horen. Want ik had het zo druk. Al jaren speel en doceer ik het instrument zoals hij het me geleerd heeft en ik hoefde hem niet meer om raad te vragen; hij kon me trouwens niets meer leren, had hij gezegd. Toch krijg ik nu het gevoel dat mijn vraagbaak is verdwenen, terwijl mijn inzicht in de materie nog maar beperkt is. Al kan ik me vrijmaken, ik besluit niet naar de rouwkamer of het crematorium te gaan: in de kist ligt een dode man, maar in mijn hoofd zit een geluidsaarchief met opnamen van levendige gesprekken en veel muziek.

 

 

Eerder gepubliceerd in Hollands Maandblad van mei 1993 en in de verhalenbundel Enkel zingen, De Bezige Bij, Amsterdam, 1993.