Mejlech Magnoes

admin_1-asset-503782d5de326

 

Der Nister

 

1

Tja, wanneer was dat ook weer?!

Het was omstreeks 1906, 1907 dat Mejlechke Magnoes (zoals ze hem toen nog noemden) een vaste gast bij Fejgele werd… Ook al had die een ziekelijk rode kleur op haar wangen, doordat haar longen niet in orde waren, waarover ze tegenover alle jongens die haar naliepen en bewonderden altijd nogal luchtig deed en voor de grap vroeg: ‘En, wat denken jullie? Hoe lang zal deze dame hier nog ademhalen en hoeveel meisjes kan ze hun toekomstige man afhandig maken?’ Al trof je haar in haar typische meisjeskamer altijd op de zachte sofa aan, met haar voeten onder haar lichaam, haar jurk over haar knieën en altijd met een zachte sjaal om zich heen, omdat ze het koud had, ze kreeg toch veel meer mannen op bezoek dan anderen. Waarom? Omdat van onder haar knap geknipte zwarte haar over haar nogal strenge, jongensachtige voorhoofd iets op hen neerkeek wat haar de charme verleende van beide seksen tegelijk. En als ze zich ook nog katachtig lenig bewoog of alleen maar een blik wierp op een van haar vriendjes en bewonderaars, kregen die het heet en koud tegelijk. Daarbij had ze een geslepen tongetje, waarmee ze de ene slimme opmerking en de ene grap na de andere debiteerde en voor niemand hoefde onder te doen…

“O, o,” dachten haar bewonderaars in stilte; ze zuchtten verliefd en wilden dicht bij haar zijn.

Zo ging het als je verliefd op iemand was… En wie had gedacht dat de gelukkige, die het meeste succes bij haar had, iemand zou zijn die nog nooit bij haar binnen geweest was en ook nooit op dat idee gekomen zou zijn, de boekenwurm die vrouwen uit verlegenheid uit de weg ging en over wie al zijn kameraden van de Socialistische Partij van Karlików, waar hij lid van was, grappen maakten als over een oude vrijgezel, al was hij in werkelijkheid nog helemaal niet oud, maar juist jong en van een voordelige leeftijd, altijd netjes gekleed, altijd met zijn haar in een scheiding en altijd zo glad geschoren dat anderen konden denken dat er niets te scheren was…

Ja, hij was wel een aparte figuur, dat wil zeggen een buitenbeentje dat zich nergens mee bemoeide behalve met zijn werk voor de partij, dat bestond uit het redigeren, corrigeren en herschrijven van de kopij voor de krant of voor gewichtiger publicaties, waarvoor ze hem hadden aangetrokken als iemand met een ruime algemene ontwikkeling.

Maar buiten die verplichtingen bemoeide hij zich niet eens met zijn eigen partijgenoten en dat ging zover, dat zij geen idee hadden waar hij woonde, hoe hij leefde en met wie hij bevriend was…

Ze wisten alleen dat hij heel muzikaal was, dat hij zonder muziek voor zijn neus hele opera’s kon zingen, alsof hij de partituren voor zich had liggen. Verder wisten ze dat hij in zijn eentje concerten gaf zonder publiek, soms ook terwijl hij voor het raam stond of zelfs met zijn gezicht naar de muur. Een beetje vreemd!

En nog vreemder was dat hij altijd beleefd en hoffelijk omging met de mensen van zijn eigen politieke richting, maar onbeleefd en onhoffelijk met mensen van andere richtingen, zelfs met mensen met wie hij net vriendschap had gesloten, maar die dan een iets ander standpunt innamen dan hij, omdat ze laten we zeggen bij een andere partij in Karlików waren, terwijl het verschil tussen zijn en hun mening eigenlijk niet eens zo groot was.

Zo vertelden ze hoe hij in 1905 een kameraad die betrokken was bij een samenzwering een nacht bij hem thuis had moeten laten onderduiken, een kameraad die kort daarvoor was overgestapt naar een andere partij; en toen hij met hem op zijn kamertje was met dat ene tafeltje, die stoel en dat kleine bed en toen het tijd was om te gaan slapen liet hij die vroegere partijgenoot in zijn bed liggen en bleef zelf de hele nacht op, omdat hij niet wilde slapen zolang die ander erbij was, met wie hij voor het slapengaan uit weerzin en gebrek aan begrip ook bijna geen woord gesproken had.

Ja, als hij tegenover mannen al zo’n verstokte sektariër kon zijn, begreep je wel dat hij zich niet met vrouwen bemoeide; de mensen snapten dat wel en schreven het toe aan zijn nuchtere karakter, waarover ze af en toe een grapje maakten, maar meer niet.

Ze hadden vrede met zijn gesloten karakter en lieten hem met rust, omdat ze geen behoefte hadden iets te veranderen aan zijn gedrag, dat nu eenmaal was zoals het was. Ze accepteerden hem uit groot respect voor de consciëntieuze manier van werken en de grote kennis die hij demonstreerde bij het vervullen van zijn partijtaken en -plichten.

En als het op een religieuze feestdag of een feestje met vrienden soms vrolijk toeging en als iedereen flink innam, zag je hem ook ontdooien en plezier maken met de anderen. Dan brachten ze hem het ene glas na het andere: ‘Drink, drink, Mejlechke!’ En als hij dan ook een beetje verhit werd en als er op zijn altijd wat bleke gezicht een beetje kleur kwam, als zijn grijzige ogen begonnen te schitteren en zijn altijd zwijgende mond al wat wartaal begon uit te slaan, kregen ze er niet meer uit dan het vaste nummer dat hij voor zulke gevallen achter de hand hield: het bekende volksliedje Ja ik heb een Michelke, dat hij bij die gelegenheid altijd met groot enthousiasme en zelfs met een goede, geschoolde stem ten gehore bracht…

‘Ja, ik heb een Michelke, een Michelke, die woont aan de Langestraat…’ Daarbij stond hij dan plechtig op van zijn stoel, en als ze bij het refrein waren: ‘Maakt hij voor mij, maakt hij voor mij een fluitje fijn’, dan gaf hij een kunstige demonstratie met zijn lippen om het gezelschap dat hem in de maat begeleidde te laten zien hoe je zacht en buitengewoon muzikaal het “fluitje fijn” moest fluiten…

Dat was het dan. Als hij het nummer eenmaal afgedraaid had en klaar was met Michelke zag hij er weer uit als de buitenstaander met de dunne lippen stijf op elkaar in het gezicht dat weer bleek was, ondanks de drank, die hem voor het zingen en tijdens het zingen een poosje opgewarmd had, en als iedereen de rest van de avond, meestal eerst met het licht aan en dan soms met het licht uit, als iedereen dan in het donker iemand vond om intiem mee te zijn, dan bleef hij, Mejlechke, in zijn eentje ergens in een hoekje zitten en of hij die eenzaamheid vervelend vond was in het donker niet te zien…

En nu was hij, Mejlechke, zomaar opeens bij Fejgele, die voortdurend bezoek kreeg van jonge mannen uit de stad en van buiten de stad, die goed ontvangen werden door haar ouders en vooral door Fejgele zelf, die als ze op de sofa in haar kamer zat, geen enkel paar jongemannenvoeten haar kamer voorbij kon laten gaan en of die nu serieuze bedoelingen hadden of niet, naar binnen moesten ze…

In partijkringen stond ze bekend als een meisje uit de betere kringen, dat alleen maar sympathisant was en waarvan je niet te veel verwachten moest, net als van haar ouders, die weliswaar politiek niet actief waren, maar de deur niet gesloten hielden voor mensen die bij de toenmalige overheid slecht aangeschreven stonden en door de overheidsdienaren: de politie en de gendarmerie, speciaal in de gaten werden gehouden.

Die ouders deden dat overigens om twee redenen: ten eerste omdat hun dochtertje daar een meisjesachtig plezier in had, en ten tweede omdat ze er liberale ideeën opna hielden en wisten dat hun herenhuis boven verdenking stond en daarom als wijkplaats kon dienen voor mensen die wel verdacht waren en van wie eigenlijk beter nagegaan zou moeten worden of ze een dergelijk huis frequenteerden.

Ja, alles goed en wel, maar hoe kwam die Mejlechke dan bij Fejgele terecht?

Dat zat zo.

Het was al na 1905, toen de revolutie uitgedoofd was, toen in Karlików veel partijen en partijtjes weggezakt en verdwenen waren, de teleurgestelde massa’s weggeëbd waren en hun rivierbedding zo sterk opgedroogd was, dat die helemaal verdwenen leek… Het was nadat de meeste geëngageerde intellectuelen en activisten in de beweging, die in feite nauwelijks geworteld waren in die massa’s waarvan ze in de jaren van de revolutie de spreekbuis waren geweest, onverrichter zake teruggekeerd waren in de oude beroepen van hun vaders, sommigen in de handel en de financiën als medewerker in een kantoor of een bank en anderen in de studie die ze eerder hadden afgebroken om zich in de politiek te storten.

Toen was ook iemand als Mejlechke Magnoes, die ten val gekomen was en geen politiek onderdak meer had, doordat het afgelopen was met zijn vroegere partijwerk, gedwongen de leegte na het kabaal op te vullen, al moest hij daarvoor achter een vrouw aan lopen…

Of hij nu uit eigen beweging een avond bij Fejgele op bezoek was gegaan of daarentegen door een vriend of kennis op sleeptouw genomen was, nieuw en onvoorstelbaar bleef het; hoe dan ook, toen het gebeurde, dat wil zeggen toen Mejlechke op Fejgeles kamer kwam, voor hemzelf haast net zo onverwacht als natuurlijk voor Fejgele, die al vaak had horen vertellen dat hij heel serieus was en ook nog veel wist, zich nooit met vrouwen bemoeide en door de mensen heel raar gevonden werd, toen dat haar, Fejgele overkwam, was ze natuurlijk gevleid door het bezoek, dat ertoe leidde dat zij zichzelf net zo’n bijzonder geval ging vinden als hij, Mejlechke, die uiteindelijk ook niet aan haar vrouwelijke charme had kunnen ontsnappen en al of niet uit eigen vrije wil bij haar de drempel was overgestapt…

Afgezien van het feit dat hij, Mejlechke, voor het eerst in het gezellige domein van een meisje verscheen, in een meisjeskamer met tapijten voor de muren en het meisje zelf op een sofa in het licht van een lamp met een rozerode kap op een toilettafeltje naast die sofa, en afgezien van het feit dat hij daar voor de allereerste keer verscheen, was het begrijpelijk dat zijn gezicht van kleur verschoot, van bleek naar rood en weer terug en dat hij zijn dunne lippen eerst stijf op elkaar hield, waarna ze opengingen en er een soort hesige, stamelende bas uitkwam, onevenwichtig als bij een jongen die de baard in de keel had of iemand die vergeten was zijn keel te schrapen.

Hij voelde zich die hele eerste avond verschrikkelijk ongemakkelijk en als zij, Fejgele, niet geweten had wie het was die tegenover haar zat, had ze hem later, na zijn vertrek, na alles wat hij die avond tegen haar gezegd had – nee, niet gezegd, maar half gegromd en half gemompeld had volkomen belachelijk kunnen maken en hem op haar sluwe manier met pek en veren kunnen besmeren…

Maar dat deed ze niet: ze zag dat zijn hulpeloosheid en zijn nauwelijks verstaanbare gebabbel niet voortkwamen uit domheid en nietszeggendheid; nee, het kwam doordat zij als vrouw op een man die niet gewend was met vrouwen om te gaan zo’n verpletterende indruk maakte dat hij er sprakeloos van werd of juist maar een eind wegkletste…

Hij was verkocht… Hij, Mejlechke, was al na zijn eerste bezoek aan Fejgele wat je noemt smoorverliefd: had hij zich eerst niet met vrouwen bemoeid, nu hij de eerste stap gezet had wist hij van geen ophouden, hij was eraan verknocht en er niet meer bij weg te slaan en voorzover hij vroeger een sektarische liefde en ijver voor zijn partijzaken had gehad, droeg hij die nu over op een ander gebied en voor hem bestond er op zijn wereld nu niets anders meer dan zij, Fejgele op de sofa, die altijd met een sjaal om zich heen een beetje ziekelijk zat te rillen.

Hij werd een vaste gast bij haar… Of hij nu iets zei of vertelde als hij tegenover Fejgele zat of zijn mond hield, dat maakte niet uit; hij kon zijn ogen niet van haar afhouden en keek naar haar als een gelovige naar zijn idool, met zo’n sprakeloze bewondering dat het leek of hij aanstonds zijn mond open zou doen om een gebed voor haar uit te spreken.

Fejgele stuurde hem niet weg. Integendeel: van alle visites van jonge mannen vond ze die van hem de belangrijkste en omringde ze met een ceremonieel; als hij voor haar zat veroorloofde ze zichzelf niet de gewaagde grappen en de losse houding als tegenover anderen, integendeel: uit respect hield ze zich in en durfde zich niet te laten gaan als hij iets in haar oor fluisterde en zelfs ook niet als hij zwijgend-verliefd en in zichzelf gekeerd bleef zitten.

Al degenen die tot dan toe achter haar aan gelopen hadden merkten dat ze een andere verhouding had met die vreemde man om wie ze bij zijn eerste bezoekjes zelfs nog gelachen hadden en die ze niet als een concurrent beschouwden… Maar nu kwamen ze met spijt tot de conclusie dat hun eigen inspanningen en hun grote intimiteit met Fejgele geen succes hadden, integendeel: juist degene die volgens hen niet bij haar in de smaak kon vallen was door een misverstand of een vrouwelijke gril van haar uitverkoren om uiteindelijk op een goede dag te horen te krijgen waar anderen zo lang vergeefs op hadden zitten wachten: dat ze de zijne was…

En het was zover dat niet alleen haar bewonderaars het zagen, maar ook haar ouders, die daar zeker niets op tegen hadden, omdat ze Mejlechke beschouwden als een heel betrouwbare, bijzonder verliefde en ook nog onberispelijke man, die hun enige, innig-geliefde dochtertje zeker met respect zou behandelen, wat typerend was voor mensen zoals hij, die zich zo aan de liefde overgaven dat ze nergens anders meer aan konden denken… Het was al zover dat één woord van haar of één gebaar van hem genoeg zou zijn om hun relatie officieel te maken, maar eigenlijk was dat niet eens meer nodig: het was ook zo al duidelijk dat je die twee, Mejlechke en Fejgele, vandaag of morgen hand in hand naast elkaar zou zien zitten als bruid en bruidegom.

Maar toen gebeurde er plotseling iets wat de vereniging van het paar tegenhield.

Toen Mejlechke op een avond bij Fejgele kwam als haar aanstaande, die zich bij haar thuisvoelde, omdat alle anderen hen binnenkort met rust zouden laten, zodat zijzelf het verlossende woord konden spreken, toen kwam er tegelijk met Mejlechke toevallig nog een kennis van Fejgele langs, een vroegere activist uit de socialistische beweging, die na 1905 en na het wegebben van de revolutionaire golf ook vastgelopen was; het verlies van zijn werk had hem blijkbaar zo teleurgesteld en wanhopig gemaakt, dat hij als man met een sterk sociaal temperament het gevoel had dat hij geen lucht meer kreeg; hij was overgegaan naar de zogeheten anarchistische partij, die in werkelijkheid helemaal geen partij was, maar een ongeorganiseerde, gedemoraliseerde bende met voor de vorm nog een partijfraseologie en met bonzen die zogenaamd de partij dienden, maar in werkelijkheid gewetenloze, volgevreten zakkenvullers waren.

Hij was een van de mannen van Gomel en Białystok, de laatste broedplaatsen waar toen nog resten van die beweging te vinden waren, een vroeger succesvolle beroepsagitator en -propagandist met de nodige kennis en kwaliteiten en verder ook een slimme, sluwe man, die als hij niet uitgegleden en gevallen was populair had kunnen worden in diverse kringen, vooral bij vrouwen, waar hij gek op was, wat wederzijds was, omdat hij mannelijke charme en intelligentie bezat en al die andere aantrekkelijke eigenschappen.

Hij kwam halfdronken binnen en met de losse manier van doen van een slordige anarchist, die wist dat hij hier zat of er niets aan de hand was, maar in werkelijkheid al op de zwarte lijst stond van de politie, die achter hem aan zat en hem binnenkort wel te pakken zou krijgen om hem af te leveren waar hij hoorde, en na een kort proces en een tijdje in de dodencel zouden ze hem uithuwelijken aan de strop… De politie kon dat doen, maar misschien ook niet, omdat hij het niet zover zou laten komen; hij zou verzet plegen, wat voor anarchisten een gebod was, en als hij zag dat hij omsingeld was, zonder hoop op ontsnapping aan zijn achtervolgers, zou hij zich neerschieten met zijn eigen “blaffer”, die iemand als hij altijd bij zich droeg en zelfs ’s nachts onder zijn kussen had liggen.

Hij kwam binnen als iemand die hier thuis was als een oude bekende van Fejgele, wat hij ook was, als een van degenen voor wie Fejgeles ouders de deur niet gesloten hadden gehouden.

Hij kwam zoals gezegd een beetje aangeschoten aan en toen hij Fejgeles kamer binnenkwam en daar Mejlechke trof op de hem toekomende plaats als bruidegom, heel dicht naast Fejgele, en toen hij bleek te weten wat die twee binnenkort van plan waren, stak hem dat erg, omdat hij misschien ook ooit serieuze bedoelingen had gehad, die hij alleen om zijn tijdrovende sociale activiteiten, die iedereen toen in beslag namen, had uitgesteld tot later, tot een passender tijdstip, waarna hij zag dat hij nu gepasseerd was en dat zijn plaats was ingenomen door een ander.

Ja, toen hij binnen was en zag hoe intiem die twee met elkaar omgingen, bleef hij een tijdje met onderdrukt en enigszins jaloers respect zitten… Maar al gauw vermande hij zich, want iemand als hij mocht niet aan kleinburgerlijke zwakheid toegeven als het ging om iets wat voor zijn geestverwanten zo heilig was dat geen staat, geen maatschappij en geen individu het recht had zich ermee te bemoeien, namelijk de vrije wil en de vrije keus van iedereen.

Toen schudde hij opeens zelfverzekerd en met gespeelde overtuiging de lafheid van zich af die hem daarnet nog beheerst had en kijkend naar Fejgele, die zoals altijd in het licht van een rozerode lamp op haar sofa zat, deze keer met Mejlechke naast zich, wilde hij degene die gewonnen had zijn superioriteit tonen.

‘Fejgele, laat eens iets te drinken brengen voor je gast, want ik wil toosten op jou en ook op hem,’ zei hij bot en met nauwelijks ingehouden jaloezie, en hij wees naar Mejlechke, die Fejgele zo dicht naast zich had. ‘Veel geluk, als het niet anders kan.’

Hij brabbelde halfdronken en wilde tegelijk een wens uitspreken en een ironische opmerking maken tegen het paar dat zo gezellig op de sofa zat en zo ver verwijderd was van zijn eigen gevaarlijke praktijk met de riskante actie die hij misschien binnenkort moest ondernemen of juist met de situatie die hem bijna de kop had gekost.

‘Laat eens iets te drinken brengen, Fejgele,’ zei hij voor de tweede keer.

Fejgele wees zijn verzoek natuurlijk niet af; misschien vond ze het alleen maar halfdronken gezwets wat hij zei of misschien wist ze dat er iets achter zat, dat in zijn woorden de spijt doorklonk van iemand die misliep wat hij had kunnen krijgen, en voelde zij van haar kant ook spijt, wat op hetzelfde neerkwam; in ieder geval gaf ze hem zijn zin en omdat ze in een goed humeur was, met naast haar de man die binnenkort de hare zou zijn, wilde ze dat ook hij, de nummer drie, hoe dan ook in een goed humeur was.

Ze zorgde dat hij kreeg wat hij wilde en al gauw stonden er op de kleine toilettafel drankjes en de nodige hapjes, waar in het welgestelde huishouden van haar vader nooit gebrek aan was.

Meteen sloeg hij zijn glas achterover en toen dat glas alweer gevuld was haalde hij voor de ceremonie en als extraatje bij de aanstaande toost zijn pistool, waar hij net als zijn soortgenoten nooit afstand van deed, uit zijn zak om, zoals hij half serieus en half voor de grap zei, zijn toost op Fejgele met een vurig saluut te begeleiden.

‘Schrik niet,’ zei hij, toen hij zag hoe de twee tegenover hem elkaar aankeken, ‘wees maar niet bang: het is leeg, niet geladen.’ Hij wilde het alleen maar als getuige voor zich hebben liggen en voor mensen zoals hij was het een trouwe kameraad in alle levenssituaties…

Lechajim, lang zul je leven!’ zei hij, terwijl hij het glas in zijn linkerhand nam en ondanks zijn toezegging dat hij het pistool alleen maar als getuige voor zich zou leggen nam hij het in zijn rechterhand, en toen hij van zijn stoel opstond om nu eerst een wens uit te spreken en daarna te toosten op de gezondheid van de mensen die voor hem zaten, zagen Mejlech en Fejgele tegenover hem dat hij niet te vertrouwen was en dat ze zich vergist hadden door te denken dat hij nog halfnuchter was, en toen hij opstond om door te gaan met wat hij begonnen was, waren ze nog meer van hun vergissing overtuigd.

Lechajim, lang zul je leven!’ ging hij verder. ‘Fejgele, misschien heb ik ooit een kans bij jou gemaakt, misschien ook niet, en nu al helemaal niet, door wat ik ben en waar ik voor sta; jij hebt iemand gevonden met wie je verder wilt… Nou, ga verder met die ander en dat je gelukkig mag zijn. En om te laten zien dat ik je niets verwijt, dat jouw wil voor mij wet is en dat ik me daar niet tegen verzet, los ik nu dit schot, niet voor mezelf, maar als eerbetoon en gelukwens aan jou.’

Daarbij richtte hij het pistool in zijn halfdronken onschuld op Fejgele… En voor zij en Mejlechke, die het ergste vreesden, zijn hand konden afwenden of hem met een woord konden tegenhouden en zeggen dat hij geen grappen moest maken of de mislukte bruiloftsclown spelen, voor ze dat konden doen en toen Fejgele toch van haar plaats opstond om hem op de een of andere manier van die bezopen grap te weerhouden, zakte ze meteen weer terug, getroffen door een kogel die hij, niet beseffend dat het pistool geladen was, had afgevuurd…

Fejgele gaf geen kik… Ze zakte alleen maar met haar hoofdje opzij in elkaar op de sofa, stil, zonder één kreun en zonder één druppel bloed.

Een ongeluk! Wat een ongeluk! Hij had dat beslist niet bedoeld en beslist niet gewild, die man, al was hij nog zo jaloers op haar geweest, maar wat deed zijn mening er nog toe? Fejgele was er niet meer…

We hoeven niet te vertellen wat een ramp het voor de ouders was; we hoeven niet te vertellen hoe de persoon in kwestie, de man zelf, na het onopzettelijk door hem veroorzaakte ongeluk het huis uit sloop, vast en zeker helemaal ontnuchterd, en hoe hij zijn gezicht en zijn schuldige blik nergens kon vertonen… We moeten wel vertellen hoe Mejlechke door de gebeurtenis getroffen was: “als door een donderslag” was nog te zwak uitgedrukt; je zag hem al de tijd dat Fejgele in huis lag opgebaard in een hoek van de kamer zitten met zijn hoofd in zijn handen en een verwrongen gezicht, en na de begrafenis liet hij zich zo lang niet zien dat ze dachten dat hij zelfmoord gepleegd had of ergens levend begraven was.

Dat was bijna het geval. Ze ontdekten later dat hij als huurder zijn intrek had genomen in een niet-joodse wijk, in een niet-joods armenhuis, en dat hij leefde op water en brood, als in een gevangenis, dat hij zich geen pleziertjes gunde en zelfs geen leren schoenen droeg maar klompen, die hij ergens gekregen had en waarop hij rondkloste en -klepperde en bij de bron water haalde voor zijn niet-joodse hospita, die hem dat liet doen, omdat hij toch al huishoudelijk werk voor haar deed, wat eigenlijk niets voor hem was.

Een tijdlang verwaarloosde hij zich ook, nadat hij er altijd zo gladgeschoren bij gelopen had dat je zelfs had kunnen denken dat hij niets te scheren had…

Hij leefde zo als een kluizenaar teruggetrokken en verwaarloosd, dat de spionnen van de tsaar, die na 1905, ten tijde van de reactie, op zoek gingen naar de laatste overgebleven, nog niet verbannen vroegere activisten uit de beweging om die overeenkomstig bepaalde politieverordeningen goed op te bergen, dat die spionnen, toen ze uiteindelijk arriveerden bij het huis van Mejlechke, die op hun lijst stond, om hem dezelfde behandeling te geven als zijn soortgenoten: hem gratis kost en inwoning te bezorgen in een appartement achter de “hoge ramen”, toen die spionnen hem zo behaard, verwaarloosd en op klompen aantroffen, als een soort hulpje bij zijn niet-joodse, afgelegen wonende hospita, voor wie hij, Mejlechke, water droeg en alle andere huishoudelijk karweitjes opknapte, toen die spionnen hem in die toestand en die kleren zagen, maakten ze een wegwuivend gebaar, omdat ze dachten dat zo’n wereldvreemde, seniele man geen kwaad kon; ‘Laat die maar grazen,’ zeiden ze, ‘die vent met zijn wilde baard en zijn klepperende klompen…’

 

***

Een tijd later, toen de wond van het incident met Fejgele geheeld was, nadat hij een tijd als kluizenaar geleefd had en hem niets restte dan klompen en water en brood als in een gevangenis, kreeg hij opeens behoefte om de studie weer op te pakken die hij net als iedereen tijdens de opkomst van de beweging afgebroken had, en hij vertrok zoals hij was, bijna in dezelfde kleren, naar het toenmalige Kroonstad, waar zich een gerenommeerde universiteit bevond, die veel toekomstige geleerden trok.

Hij kwam zonder iets, met lege handen, zonder bagage, zonder tas, met misschien alleen een paar boeken en wat schoon ondergoed… Hij vestigde zich in een arme arbeiderswijk, in een woning waarvoor hij alleen maar in natura hoefde te betalen, dat wil zeggen met lessen aan de hele bende kinderen van de huisbaas, die niet naar school gingen.

Hij had voor steun zeker kunnen aankloppen bij maatschappijen voor cultureel werk, die donaties kregen van vermogende mensen en filantropen, net als veel andere arme studenten, maar hij deed dat niet, omdat hij nu eenmaal zijn hand niet wilde ophouden of zich schaamde als hij in aanraking kwam met mensen die hij ontwend was doordat hij al lang geen contact meer met hen had.

In ieder geval kon hij zich redden: hij had zoals gezegd een kamer en dankzij het gymnasiumdiploma met goede cijfers dat hij lang geleden behaald had kon hij lesgeven, waardoor hij van zijn geldnood bevrijd was; om nu ook nog in de mensa goedkoop te kunnen eten, zijn kleren te laten wassen en af en toe een schoen te laten repareren plaatste hij net als andere arme studenten een advertentie in de krant: zo en zo, die en die student filologie gaf les in vreemde talen voor het lage lesgeld van drie roebel per maand… En onderaan de advertentie stond vetgedrukt: Rasstojanijem nje stjesnjajoes, “afstand geen bezwaar”, wat betekende dat de repetitor ongeacht de afstand zou komen lopen, omdat hij voor openbaar vervoer geen geld had…

Dat was dat. En zo doorliep Mejlech Magnoes, een buitenstaander die door niemand opgemerkt werd, stilletjes de universiteit, zelfs in veel minder dan de vijf jaar die daarvoor stond, terwijl hij ook nog eens twee studies tegelijk aankon; en even stilletjes kreeg hij ten slotte zijn bul, al was hij nu niet rijker dan vroeger, voor hij die bul had of toen hij hier kwam om ervoor te studeren… Nog steeds niet rijker, maar met een bul voorzien van de handtekeningen van de professoren en de stempels van de universiteit, liep hij die dag door de drukste straat van de hoofdstad om het te vieren, als het niet kon in een ambiance van afgestudeerden, dan toch met een middagmaal met drank, die hij zich altijd ontzegd had, en nadat hij opeens zin had gekregen om dat eindelijk eens te doen, naar die ene straat te gaan en naar een of ander restaurant, kwam hij snel tot bezinning en na zijn zakken te hebben doorzocht om te zien of hij genoeg had voor die luxe, kwam hij tot de conclusie dat dat niet het geval was en bleef beteuterd staan.

Maar terwijl hij daar zo teleurgesteld en stilletjes beteuterd stond, zag hij ineens een kennis uit zijn tijd bij de partij, een rijke levensgenieter, die af en toe een partijactiviteit gefinancierd had.

Boris Grosbaitl heette hij, een echte geweldenaar, breedgeschouderd, met een vlezig gezicht en een volle, gesoigneerde baard, waarmee hij ongemerkt een beetje koketteerde; hij deed alsof die baard hem niet interesseerde en niet bij hem hoorde, terwijl hij hem in werkelijkheid heel erg belangrijk vond en hem streelde, alsof iedere haar een speciaal plekje had.

Die baard had hem in 1905 overigens aan zijn legale status geholpen: doordat hij als zoon van een rijke joodse grootgrondbezitter ergens in het noordwesten niet alleen over rijkdom beschikte maar ook nog over zo’n volle, gesoigneerde baard, kwam niemand op het idee dat hij sympathisant was van de staatsgevaarlijke beweging en al helemaal niet dat hij die op de een of andere manier substantieel ondersteunde. Dat was het ene voordeel van die baard en het andere was dat van de sporen van de kalkoen en de kam van de haan: succes bij de vrouwen; dat had hij al meer dan voldoende als knappe en rijke man, goedgeefs en met voorname manieren, maar omdat hij daar niet genoeg aan had wilde hij steeds meer om als man zoveel mogelijk in de smaak te vallen.

Die Boris, die vaak naar de hoofdstad reisde, zowel om de zaken te behartigen van zijn oude vader, van wie hij weldra erven zou, als om in de grote stad de bloemetjes buiten te zetten, was nu heel blij Mejlechke te zien, een oude kennis van “toen”, en nam hem zonder plichtplegingen bij zijn arm om koers te zetten naar een van die duurste restaurants, waar Mejlechke nog nooit naar binnen had durven gaan en zelfs nu, op sleeptouw genomen door Boris, had hij nauwelijks de moed met zijn ordinaire stappers de drempel over te gaan.

Zodra ze naar binnen waren gegaan en plaatsgenomen hadden, werden ze aan hun tafeltje bediend met de suikerzoete gemaniëreerdheid van obers die op het uiterlijk afgaan en zien dat ze voor een welgestelde klant staan.

Boris, die door de ontmoeting in een heel goed humeur was, liet zich van zijn gulle kant zien door een oude kameraad een plezier te doen van wie iedereen vroeger zo’n hoge dunk had en hij, Boris de mecenas, was op de hoogte, in het bijzonder van de geschiedenis met Fejgele en Mejlechs rouwvolle, ascetische leven daarna…

Hij was genereus en vroeg de obers allerlei specialiteiten op te dienen van het mondaine restaurant, waarvan hij als vaste gast een groot kenner was, en daarbij drank, en terwijl hij met Mejlechke van de beste soorten nipte en nog eens nipte, werd Mejlechke een beetje spraakzamer en omdat hij het in de voor hem ongewone omgeving van het restaurant naar zijn zin had, vertrouwde hij Boris toe dat hij dit vóór hun ontmoeting al had willen doen, dat wil zeggen naar een restaurant gaan, omdat het vandaag een bijzondere dag voor hem was, een dag waarop hij zijn universitaire studie afgesloten en zijn bul in ontvangst genomen had.

‘O ja?! Waarom ben je dan zo stil?’ vroeg Boris, ook een beetje verhit door de drank en getroffen door het goede nieuws van de tegenover hem zittende Mejlechke, de arme, pas geslaagde student, wiens bleke wangen nu bloosden van zoveel eten en drank als hij met zijn beperkte middelen lang niet gezien en laat staan geproefd had.

‘O ja? Waarom ben je dan zo stil? Kom op dan!’ Hij moest meteen zijn spullen pakken en met hem, Boris, meegaan naar zijn zomerverblijf op het landgoed en in de winter naar zijn huis in de stad, want zowel hier als daar was plaats voor hem en hij zou alles krijgen wat hij nodig had… Mejlechke wist toch dat hij, Boris, altijd eerlijk was geweest in partijaangelegenheden en net zoveel respect had hij voor kennis. En hij grapte over zichzelf dat hij, Grosbaitl, die bepaald geen domoor was, naast al zijn wereldlijke pleziertjes toch zeker wel een geleerde, een schriftgeleerde mocht steunen voor wie hij niet zo’n klein beetje respect had.

Het waren oprechte woorden van iemand die begrip had voor een ander die het waard was ondersteund te worden en die tegelijk als weldoener graag zag hoe geleerde mensen tot op zekere hoogte afhankelijk waren van zijn gulle gaven, al waren die afkomstig van een vriend.

Mejlechke liet zich overtuigen. Hij ging praktisch helemaal akkoord met Boris’ voorstel, ten eerste omdat het oprecht was en ten tweede omdat hij graag terug wilde naar huis, naar het verplichte woongebied, zo ver mogelijk van de hoofdstad, waar hij zich zijn hele studietijd een vreemde had gevoeld, een tijdelijke gast; hem trok de streek waar hij zijn zorgeloze jeugd had doorgebracht met partijvrienden en meer in het algemeen met mensen met wie hij zich zowel vrij als verbonden had gevoeld en die voor hem altijd een bron van inspiratie waren geweest.

Hij verlangde daar waarschijnlijk niet minder naar dan Boris Grosbaitl, de rijke zoon van de rijke grootgrondbezitter uit het noordwesten, die nu tegenover hem zat met zijn aristocratische baard met ieder haartje op zijn plaats, en die ondanks de welstand die hem in staat stelde hier in de hoofdstad te blijven wonen toch nog terugverlangde naar zijn eigen mensen, alleen omdat ondanks zijn rijkdom ergens in hem een vonkje gloeide waardoor hij zich verbonden voelde met het volk waaruit hij voortkwam en waarvan hij niet vervreemd was zoals anderen uit zijn maatschappelijke klasse… Door dat vonkje van het volk voelde hij zich gerechtigd allerlei partijactiviteiten te steunen, vroeger tijdens de opkomst van de revolutie, en nu, in de tijd van stilstand en reactie, wilde hij in ieder geval nog graag iemand als Mejlechke onder zijn hoede nemen om hem te betrekken bij de zogeheten culturele renaissance, die een deel van de joodse intellectuelen, die na 1905 de algemene, landelijke politiek de rug hadden toegekeerd, organiseerde in een spirituele heropleving… En zeker hij, Boris, stond klaar om die beweging als sympathisant en filantroop zoveel mogelijk financieel te steunen.

Kort en goed, omdat Mejlechke blijkbaar ook behoorde tot die invloedrijke laag van de culturele intelligentsia en zo’n beetje dezelfde politieke wortels had, kwam het voorstel van de tegenover hem zittende Boris precies op het juiste moment. Het stond hem aan en de verbintenis werd ter plekke aan tafel in het restaurant bezegeld.

Niet lang daarna verscheen Mejlechke al op Boris’ landgoed, waar hij vaste gast was en een comfortabel leven leidde alsof hij een onbemiddeld familielid bij een rijke machnes-oirech was.

Het ontbrak hem aan niets op dat landgoed met niet alleen bos, velden, boomgaarden en tuinen, maar ook stallen met trekpaarden en rijpaarden en honden voor de jacht, die Boris beoefende met een gezelschap adellijke buren; hij had zelfs een keer een jonge beer levend gevangen om hem groot te brengen. Hij leidde hem vaak rond aan een ketting en kwam dan soms bij Mejlechke binnen, onderbrak hem bij zijn werk en zei bij wijze van grap:

‘Zie je wel? Het is een zij.’ Hij zou het grootbrengen als een vrouwtje voor zijn vriend, voor het geval die niet zou willen trouwen “volgens de wet van Mozes en het joodse volk”, zoals God het gebood.

Nee, het ontbrak Mejlechke aan niets. Hij was vrij om te doen wat hij wilde, met alle nodige hulpmiddelen bij de hand, zoals in de eerste plaats de welvoorziene bibliotheek die Boris als grootgrondbezitter zelfs in deze afgelegen streek bijeen had kunnen brengen, en daarbij kreeg Mejlechke nog de kans om in binnen- en buitenland het beste en nieuwste te bestellen dat verschenen was op de diverse gebieden die hem interesseerden, en Boris, zijn mecenas, zijn weldoener, die het beste met hem voorhad, bezuinigde daar nooit op. En hier moet ten gunste van Boris nog gezegd worden dat hij van Mejlechke maar één tegenprestatie verwachtte: van tijd tot tijd kwam hij naar Mejlechkes kamer om zo te zeggen aan “Toire” te doen, dat wil zeggen vragen te stellen en zich te laten informeren over de nieuwste ideeën op het gebied waar Mejlechke zich mee bezighield. En doordat Mejlechke van alle gemakken voorzien was en niet gestoord werd kon hij zich helemaal aan de studie wijden; Boris had als drukbezette zakenman en levensgenieter geen tijd om bronnen te bestuderen, maar kon zijn nieuwsgierigheid als amateur gelukkig toch bevredigen met de kennis die hij opdeed via Mejlechke.

En hier moet met betrekking tot Boris’ zwakke kant gezegd worden dat hij buiten zijn interessen als zakenman en uitspattingen als levensgenieter nog andere, spirituele interessen had, in tegenstelling tot andere mensen van zijn stand…

Een van die uitspattingen was bijvoorbeeld dat hij na 1905 conspiratieve verbindingen onderhield met een aantal ondergedoken mensen van de partij waarvan hij vroeger sympathisant en financier geweest was. Onder anderen met een ondergedoken lid van het centraal comité en een gewone beroepsrevolutionair, die hij onder de tafel nog steeds van tijd tot tijd een lening gaf, sjeloi almenas lehachazir, dat wil zeggen een lening die nooit terugbetaald zou worden, want hij wist dat de ander nu heel krap bij kas zat en zag aan hun gezicht en hun lijf hoe ze eraan toe waren nu ze gewoon niet rond konden komen.

Een andere uitspatting was dat hij soms een hele groep illegalen uit de omgeving stilletjes bij zich op het landgoed onderbracht om hen te ondersteunen, in vrije uren met hen te praten en bij hen te informeren hoe de beweging ervoor stond en of het niet weer de goede kant opging, omdat hij hun de tijdelijke nederlaag wilde laten vergeten, de hoop wilde wekken dat hun zaak niet verloren was en dat ze spoedig weer opgeroepen zouden worden om hun geliefde activiteiten te hervatten als de zaak weer op zou leven…

Dan organiseerde hij ook altijd een bal, dat hen herinnerde aan vroegere feesten met kameraden, met veel spijs en drank en met kaarslicht in luchters en kandelaars, waarbij de lange tafel in de aristocratische eetkamer door hen gedekt werd. En als de gasten, die niet veel meer gewend waren, warm geworden waren en aangeschoten door de wijn en de punch, dan riep hij ook Mejlechke bij zich om de feestvreugde te verhogen en de schijn van een ouderwets feest op te houden; die moest dan voor de dag komen met zijn nummer, met Ik heb een Michelke enzovoort, dat Mejlechke ook ditmaal zong uit volle borst, met dronken enthousiasme, muzikaliteit en gevoel voor maat en ritme, ook als hij dirigeerde en de hele bende aan tafel vroeg om hem te begeleiden.

Maar dan werd in de heer des huizes zelf, in de organisator van het feest, de aangeschoten edelman de losbol wakker en de andere kant van de medaille werd zichtbaar. Dan gaf hij iemand van het personeel die aan tafel bediende stiekem de order om ongemerkt zijn pupil binnen te brengen, zijn beertje, dat hij dan onverwacht voor de gasten op tafel liet, waar zijn pupil met haar rare kopje en haar al op jonge leeftijd gebroken botten kriskras over de tafel begon te lopen, zonder te letten op de borden, de flessen, de kandelaars en het buffet.

‘Kijk!’ zei de aangeschoten Boris dan tegen het gezelschap aan tafel, dat verrast was door het beertje, ‘zijn jullie kenners? Het is een zij, en misschien wil ze als ze groot is de uitverkorene worden van onze Mejlechke, die maar koppig volhoudt dat het hier een klooster is in het huis van een jood, terwijl iedereen weet dat dat niet zo is…’

Dat hele verhaal met het beertje en het trouwen was voor Mejlechke natuurlijk maar gekheid, zowel wanneer ze met zijn tweeën waren en niemand anders het hoorde, als wanneer hij het zich veroorloofde in een gezelschap zoals dit, en in beide gevallen sloeg Mejlechke alleen maar beschaamd zijn ogen neer zonder, God verhoede, beledigd te zijn, omdat hij wel wist dat de verhouding met zijn beschermheer Boris eerlijk en welhaast broederlijk was.

Ja, het was een grap, maar om de een of andere reden leek het erop dat Boris, Mejlechkes beschermheer, het in zijn hoofd gezet had dat Mejlechke geen vrijgezel mocht blijven en dat hij, Boris, blijkbaar verplicht was hoe dan ook een vrouw voor hem te vinden.

Je kon niet zeggen dat het alleen maar een gril van een rijke levensgenieter was tegenover een kwijnende asceet die hij echt wilde laten leven, net als andere mensen. Nee, hij maakte zich vooral bezorgd als hij zag hoe Mejlechke door zijn intensieve studeren soms ingevallen slapen had, hoe zijn wanger bleker werden en zijn lippen dunner en hoe zich op die lippen vaak droge velletjes vormden als bij iemand die ze tijdens lang vasten niet bevochtigde.

Hij hield echt van hem en was hem toegewijd en behalve wat hij als mecenas voor Mejlechke deed: zorgen dat hij zich aan de wetenschap kon wijden, zou hij hem graag ook nog zien opbloeien als vader van een gezin, zoals het hoorde, en daarom wilde hij Mejlechke verlossen van de eenzaamheid waarin die zich verschanste zonder in overweging te nemen waar Boris, zijn beschermheer, allang bij hem op aandrong.

Voor zover Mejlech daartoe bereid was, nam hij hem zoveel mogelijk mee om hem in contact te brengen met vrouwen, en dat had lange tijd weliswaar geen succes, omdat de ontmoetingen niet aansloegen en er geen vertrouwelijke relatie tussen man en vrouw ontstond, maar uiteindelijk lukte het wel en leek het de goede kant op te gaan.

Het gebeurde toen Mejlechke in de wetenschap al zo ver was, dat hij grote bekendheid genoot, niet alleen in joodse wetenschappelijke kringen in het binnenland, maar ook in het buitenland en bij niet-joden, onder wie beroemde germanisten, die zich incidenteel, als nevenactiviteit, met de Jiddisje taal bezighielden en dan Mejlechke ontdekten, die zich speciaal aan onderzoek van het Jiddisj wijdde en blijk gaf van grote kennis en groot meesterschap, en wiens hulp die geleerden van tijd tot tijd, bij bepaalde gelegenheden, wel in moesten roepen.

Hij correspondeerde toen al met veel beroemde filologen uit steden als Wenen, Berlijn en Boedapest. Vanzelfsprekend kenden de geleerden uit het binnenland hem goed, al hield hij zich verre van de grote steden, waar geleerden gewoonlijk verbleven, en zij stuurden hem altijd hun werk voordat het gepubliceerd zou worden, om hem te raadplegen en zijn advies te vragen, of na publicatie als cadeau ter ere van hem.

Het was in de tijd dat zijn beschermheer, de bovengenoemde Boris, op een overdreven en dilettantische manier over hem opschepte als over een eigen succes, omdat hij begreep welke plaats Mejlechke begon in te nemen in de Jiddisje taalwetenschap en ook omdat hij wist dat diens naam al heel ver buiten joodse kringen bekend was bij grote geleerden van andere volkeren en landen.

Hij begon iedereen die hij tegenkwam en die volgens hem iets van dergelijke dingen begreep over hem te vertellen, waarbij hij zijn intellectuele cliënt tegenover mannen om zo te zeggen als een edelsteen presenteerde en datzelfde natuurlijke met speciale bedoelingen deed tegenover jonge, ongetrouwde vrouwen van wie hij wist dat ze nog vrij waren en ontvankelijk voor iemand die hun hart zou willen veroveren, dat nog niet door anderen in bezit genomen was.

Toen viel zijn oog op een meisje, een ver familielid van hem, Bljoemke heette ze, een vrolijk en vlot meisje met maar één minpuntje: dat ze wat al te vrolijk en te vlot was, een meisje met twee kittige pijpenkrullen als bakkenbaarden langs haar wangen, een beetje krullend naar haar gezicht, een meisje dat vaak een beetje dubbelzinnige liefdesliedjes zong uit Jiddisje operettes, waar ze een zwak voor had en vaak naartoe ging als die in de stad te horen waren.

 

Wil je naar de hel,

Met daarbij een del,

Ga dan trouwen, ga dan trouwen…

Als je haar hoorde zingen bij het huishoudelijk werk of terwijl ze zich zat op te maken, uit volle borst, klonk haar stem niet slecht, hoewel ook niet bijzonder, maar als je haar bij het zingen zag werden de tekortkomingen van haar stem goedgemaakt door haar kittige pijpenkrullen, haar wipneusje en haar speelse oogjes.

Ze was een goede en praktische huisvrouw en zorgde voor het huishouden in een gezin zonder moeder, waar zij als oudste voor de jongere kinderen moest zorgen en ook voor de vader, de kostwinner in huis.

De vader, een respectabele, stille man en kenner van de Toire, was handelsreiziger van beroep en kaartspeler uit hartstocht. Hij kon met zoveel stille, ingehouden passie oke spelen, dat hij soms een nacht en een ochtend niet van zijn stoel opstond om vervolgens weer de hele dag door te spelen tot diep in de nacht.

Hij was een jood die zonder een woord Russisch te kennen toch vooral zaken deed in de streek van de Don-Kozakken, die buiten het verplichte woongebied lag en waar een jood geen stap mocht zetten, en wie daar wel mocht komen moest in ieder geval Russisch kennen om met een Kozak te kunnen praten.

Hij niet; hij was vertegenwoordiger van de een of andere buitenlandse, Duitse firma, die landbouwmachines leverde tegen contante betaling en op krediet, en die firma had hem een soort document verstrekt dat hem toegang tot verboden gebied verleende en vrijstelling van het spreken van de taal, want dat kon hij niet. Hij werd “Duitser” genoemd en redde zich met een Jiddisj woord en verder met gebarentaal…

Hij ging gewoonlijk een tijd op reis om nieuwe bestellingen op te nemen en de kooplieden die bij zijn firma een betalingsachterstand hadden aan te manen; dan kwam hij thuis met het onderweg verdiende geld om zich rustig en aandachtig te kunnen wijden aan zijn lievelingsbezigheid, waarvoor hij onderweg de rust niet had gehad: kaarten.

Dan bleef hij veel langer thuis dan zijn verdiensten hem toestonden en als het geld dan op was kochten ze op de pof in de winkels, bij de slager, bij de hout- en kolenhandelaar enzovoort.

Dan verscheen zijn praktische dochtertje Bljoemke ten tonele, dat het huishouden deed en wist hoe je een ontevreden leverancier aan moest pakken als die kwam waarschuwen dat de rekening van meneer Dinges (bedoeld was Bljoemkes vader) al tot onaanvaardbare hoogten gestegen was…

Dan staakte meneer Bljoemkes vader noodgedwongen zijn geliefde bezigheid, het kaarten, om weer daarheen te gaan waar hij niet hoefde te praten en met gebarentaal kon volstaan om in zijn verdere levensonderhoud te voorzien.

Na haar vaders vertrek was zijn dochtertje Bljoemke, die dan een tijd helemaal zonder huishoudgeld zat, gedwongen zich eruit te kletsen en de schuldeisers, die de deur platliepen, te vertellen dat ze uit de vele ervaringen met haar en haar vader toch wisten dat ze, God verhoede, geen hardnekkige wanbetalers waren en dat zodra vader terug was van de reis alles wat ze de zeergewaardeerde leveranciers verschuldigd waren afbetaald zou worden.

Dan was ze niet alleen de huisvrouw en degene die de kinderen te eten gaf, maar ook baas over haar eigen lichaam en geest, die ze trakteerde op bezoekjes van jonge mensen, die heel graag bij haar over de vloer kwamen en met wie ze, net als haar vader bij het kaarten, nu eens de dag doorbracht en dan weer de avond, soms ook tot diep in de nacht, en het was een beetje een passie om bij hen op schoot te zitten, echt niet om te ver te gaan, maar gewoon om na een dag hard werken, als de kinderen verzorgd en naar bed gebracht waren, een beetje te flirten, al of niet met een liedje, zonder, God verhoede, iemand aanstoot te geven.

Dat deed ze trouwens ook wel eens als haar vader thuis was en in de ene kamer druk zat te kaarten met zijn vrienden, terwijl zij met haar vrienden in een van de andere kamers zat… Ja, daar gaf ze aan toe: bij een jongen op schoot zitten, heel dicht tegen hem aan, maar tegelijkertijd een arm bij zijn gezicht houden om te voorkomen dat hij iets meer wilde dan haar op schoot houden…

En bij die Bljoemke was Boris, toen haar vader terug was van een reis, een keer op bezoek gekomen als een ver, maar heel geliefd familielid, dat bijzonder welkom was. Aan de ene kant omdat hij in het huis en bij de familie op zijn plaats was als een schatrijk familielid waarmee je kon pronken, en aan de andere kant omdat ze in moeilijke tijden bij hem konden aankloppen voor een kleine, tijdelijke lening, die hij, de rijke Boris, dan helemaal vergat en waar het huis dat bij hem geleend had blijkbaar ook niet meer aan dacht…

‘Hoe is het, Bljoemke?’ ‘Hoe is het, Boris?’ Ze groetten elkaar hartelijk en uitbundig op de vriendelijke en opgewekte manier die ze gewend waren. Hij als een knappe oudere man met een hoffelijke, zelfverzekerde houding zelfs tegenover vreemde en wat oudere vrouwen en zeker tegenover deze jonge vrouw, die bovendien familie van hem was… En nu zij, Bljoemke, hem zag, haar familielid en ook zoals gezegd die knappe man, wilde zij natuurlijk graag bij hem in de smaak vallen.

‘En waaraan hebben we het bezoek van deze welkome gast te danken?’ vroeg Bljoemke, zodra Boris aan tafel had plaatsgenomen tegenover haar eerbiedig zwijgende vader en tegenover haarzelf, die onophoudelijk draaide en als een vogeltje kwetterde.

‘Waaraan? Aan patrijs… Aan radijs met vet…’ antwoordde Boris, die ondanks zijn rijkdom en zijn toegang tot allerlei luxe niet vervreemd was van zijn eigen mensen, die geen totaal andere smaak had en van tijd tot tijd trek had in gewone volksgerechten, die hij at met heel veel smaak, waarbij hij soms zelfs een restje of een brokje in zijn baard liet vallen.

Het werd een gezellig, ontspannen en familiair gesprek met de vader, bij wie hij informeerde naar wat je zoal kon en wilde weten van een vader, en vaak keek hij tijdens het gesprek met hem naar de dochter, wie hij namelijk ook iets te vragen had:

‘En Bljoemke, heb je al trouwplannen?’ Hij vroeg het bij wijze van grap.

‘Waarom niet… Graag zelfs… Als u een geschikte man weet,’ reageerde Bljoemke met een grapje, terwijl ze half voor zichzelf sprak en half met een tersluikse, gegeneerde blik op haar vader ook voor hem antwoordde: ‘Ja, maar waar vind je zo iemand?’

‘En als het, laten we zeggen, iemand was als Boris, was het dan goed?’

‘Dan wel,’ anwoordde ze, terwijl ze Boris met nauwelijks verholen plezier bekeek…

‘En als er nu eens een betere man was dan hij?’

‘Dan zeker… Maar is die er dan?’ vroeg ze op een toon alsof ze niet wilde geloven dat zo iemand bestond.

Kortom: terwijl hij met hen in gesprek was en de joodse lekkernij at die ze hem hadden voorgezet, vond Boris de manier om Bljoemke, die hem met grote aandacht volgde, en ook haar vader te vertellen over Mejlechke Magnoes, een man en een geleerde op wie je trots kon zijn.

In ieder geval, eindigde hij, als die lieve Bljoemke geïnteresseerd was zou ze hem nog dankbaar zijn en dan zouden ze al gauw toosten bij de verloving en daarna op de bruiloft en daarna, grapte hij als een soort huwelijksmakelaar, als er een besnijdenis was wilde hij peetvader zijn, en was het een meisje, dan was dat fijn voor die lieve Bljoemke en dan stelde hij het peetvaderschap wel uit tot een volgende keer…

En hetzelfde wat hij bij Bljoemke, de bruid, gedaan had, deed hij daarna bij haar beoogde wederhelft, Mejlechke; hij drong erop aan een keer bij zijn familieleden op bezoek te gaan en dan zou hij zien, zei hij ook tegen Mejlechke half voor de grap en half gemeend, dat hij hem, God verhoede, niet dwong om een kat in de zak te kopen…

Het lukte hem uiteindelijk de twee bij elkaar te brengen. Maar het was moeilijk geweest om Mejlechke met een list het huis uit te lokken en hem mee te krijgen naar een omgeving die hij niet kende, omdat hij op de weg die iedereen ging al een keer door ongeluk getroffen was; hij verzette zich aanvankelijk met hand en tand en zei dat het niet ging, telkens met een ander excuus: de ene keer was hij met dit en dit bezig en de andere keer met dat en dat, en hij zat er middenin en het moest af.

Maar uiteindelijk liet hij zich door Boris toch op de een of andere manier overhalen; hij gaf toe en maakte tijd vrij om voet te zetten in dat huis.

Bedenk wel dat het voor hem geen kleinigheid was… Stel je voor hoe hij de eerste keer echt geen woord kon uitbrengen en zich zo onwennig en verloren voelde dat hij niet wist hoe te beginnen en te eindigen.

Maar hier kreeg hij hulp van haar, van Bljoemke, die praktisch genoeg was om meteen te zien met wie ze te doen had en te begrijpen dat ze niet op initiatief van hem moest wachten, maar zelf als eerste toenadering moest zoeken.

Ze wist al hoe ze het aan moest pakken, al had ze als meisje nog nooit te maken gehad met iemand zoals hij: een bleke man met dunne, stijf op elkaar gedrukte lippen met droge velletjes erop als bij iemand die in een lange vastentijd niets gedronken had…

Eerst voelde ze zich gevleid dat iemand als hij, die in die geleerde dingen zoveel hoger stond dan zij, bij haar kwam, en al was het niet helemaal vrijwillig gegaan, ze kon hem nu bespelen. Hij zag er dan wel een beetje uit als een vrijgezel, zo afstandelijk en in zichzelf gekeerd, en er kwam geen woord en zelfs geen blik uit, maar het was toch wel uit te houden, dacht ze: mettertijd zou alles goed komen en ze zou er wel voor zorgen dat hij ging kijken en zelfs praten zoals zij het wilde…

Ze wilde er eerst achter komen, zoals je dat zegt, zien wat voor iemand hij was, wat er in hem omging en of zij, Bljoemke, een vrolijk meisje met lokjes en strikjes en ook met operetteliedjes, plezier van hem kon hebben en hem aan kon passen aan haar opgewekte smaak.

Dat lukte haar uiteindelijk ook: nadat hij eerst naar haar huis gesleept was, kwam hij vervolgens uit zichzelf, uit gewoonte en zoals bleek ook nog om een andere reden; hij begon al vrijwillig te komen, zonder enige aandrang van de kant van Boris, en altijd werd hij bij Bljoemke thuis ontvangen met een glimlachje, waarmee ze ook weer afscheid van hem nam, als met een voorschot en een vordering op een volgende ontmoeting.

Ze pakte dat goed aan, want ze wist al hoe ze die gesloten man aan het praten kreeg en hoe ze bij iemand die altijd zo druk bezig was met dingen die haar begrip te boven gingen zelfs een glimlach op kon roepen…

Ze merkte wel dat zijn karakter gevormd was door de afzondering en de onwennigheid in de omgang met mensen zoals zij en daarom moest ze zichzelf eerst ook een beetje geweld aandoen door net als hij wat op een afstand te blijven… Toch zorgde ze dat hij af en toe op de een of andere manier haar nabijheid voelde door een quasitoevallige aanraking, die hem zoals ze merkte in verwarring bracht en zijn hart en zijn hersenen op een prettige manier liet overstromen…

Ze merkte ook al gauw dat zij de baas was, want iedere keer dat het tijd werd om afscheid te nemen kon hij dat niet en het was of hij aan zijn stoel vastgekleefd zat en niet op kon staan.

En ze zag ook dat hij van zijn binnenkomst tot zijn vertrek zijn blik zo op haar gefixeerd hield dat hij niet hoorde en zag wat er om hem heen gebeurde, en soms kon je er zelfs om lachen, dan was het of ze hem wakker moest schudden door te zeggen dat hij haar niet zo aan moest staren…

Zoals gezegd: hij kon inderdaad niet anders, maar als zo iemand verliefd werd nadat allerlei hindernissen zoiets tot dan toe onmogelijk hadden gemaakt, als zo iemand op een dag begon te dwepen met iemand als Bljoemke met haar zwarte pijpenkrullen en haar verstandige, praktische kijk op de dingen, was er niets aan te doen, dan kon hij zich al niet meer losmaken van de vrouw op wie hij tot over zijn oren verliefd was…

Er zat schot in… Het was al zover, dat zijn mecenas en weldoener Boris merkte dat Mejlechkes gezicht een andere kleur begon te krijgen, niet meer dat kwijnende van vroeger, en toen zijn verstrooide, in zichzelf gekeerde blikken een andere glans begonnen te krijgen, voelde Boris als hij dat zag van binnen plezier en van buiten verscheen er in zijn aristocratisch gesoigneerde baard een glimlach.

Ja, het was al zover dat diezelfde Boris, als hij soms laat, heel laat op de avond Mejlechke tegenkwam, de vroegere huismus die nu de deur uit geweest was, voor de grap en half in gebarentaal vroeg:

‘Zo…? Daar geweest? Bij haar…?’

‘Mm,’ antwoordde Mejlechke dan, terwijl hij zich omdraaide en gauw naar zijn kamer ging, alsof hij zijn mond niet wilde ontwijden met een goedkope grap of met gewone taal, nadat hij inderdaad daar geweest was, bij haar, bij zijn hoogstaande en voorlopig nog geheime trots, die hem vandaag al, leek het, met een hand had aangeraakt en door die hand haar hele vrouwelijke wezen had laten voelen…

Ja, er zat schot in en beide partijen waren op de goede weg… Maar tot ongeluk van Mejlechke bemoeide de grillige liefdesgod Amor zich er nu opeens mee, in de persoon van de directeur van een soort rondreizend circus annex dierentuin, dat de duivel naar de stad bracht…

Een jonge man met een goed figuur, een soort jeune premier, met een sierlijke ring aan de ringvinger van zijn rechterhand, in een cape en daarbij nog gladgeschoren, dat wil zeggen niet alleen zonder baard, maar ook zonder snor, wat toen nog niet zo in de mode was… En al die dingen bij elkaar: het goede figuur van de man, de cape en de gladgeschoren bovenlip, en de ring aan de ringvinger van zijn rechterhand hadden veel succes bij een bepaald soort dames en meisjes, zeker bij iemand als onze Bljoemke, die (onder ons gezegd) ook in staat was aan zo iemand haar niet overdreven grote hoofdje te verliezen, net als aan al haar operettezangers, die ze op het toneel bewonderde en die ze beschouwde als de mooiste gevleugelde gevederte op aarde.

Maar dat betekende nog niet dat ze echt haar hoofd verloor en van lichtzinnigheid was geen sprake, en tot echte verliefdheid was het ook in dit geval zeker niet gekomen, zoals vroeger met de operettezangers.

Maar het trof zo, dat die directeur een buurman van haar werd… Dat kwam doordat het slecht ging met het dierencircus, waarvan de kassa niet meer door een enthousiast publiek bestormd werd; in afwachting van meer publiek en goede gages vond de directeur eerst onderdak in een nog wel redelijk hotel, maar toen een sjlemiel kassier bij hem geworden was en straatjongens bij die vent door de raampjes naar binnen begonnen te kijken om hem belachelijk te maken en ‘Koekoek!’ te roepen had de directeur vanwege de sjofele financiën een stap terug moeten doen en het hotel moeten verwisselen voor een pension, zogenaamd omdat hij niet van hotels hield en zich meer op zijn gemak voelde bij mensen thuis.

Het kwam zo uit dat hij onderdak vond in het huis van onze Bljoemke en bijna onder één dak met haar woonde.

Hij bleek joods te zijn en geïnteresseerd in joodse ontbijten, lunches en diners, die de hospita hem op krediet verstrekte, in de hoop dat die op tijd betaald zouden worden, tegelijk met de overeengekomen huur.

Op die manier raakte hij wat meer vertrouwd met de hospita, die weer bij Bljoemke over de vloer kwam – buurvrouwen onder elkaar – nu eens om iets te lenen en dan weer om te vertellen over haar fantastische huurder: over hemzelf, over zijn verfijnde garderobe met de cape, met het gesteven witte overhemd en met de glanzend gelakte schoenen die een directeur zoal droeg.

Soms was het andersom: dan ging Bljoemke naar die hospita om iets te lenen of om een andere reden: om een steelse blik te werpen op de huurder, die toevallig ’s morgens uit zijn kamer kwam in zijn mooie kamerjas en eruitzag als een heer van stand.

Het gebeurde ook wel dat de directeur bij het oversteken van de binnenplaats Bljoemke door het open raam of de open deur hoorde zingen, omdat ze dat zo gewend was: ‘Wil je naar de hel, Met daarbij een del, Ga dan trouwen, ga dan trouwen…’ Of misschien omdat ze met een bepaalde bedoeling was gaan zingen in de wetenschap dat hij voorbij zou komen… Hoe dan ook, ze maakten kennis, waarna Bljoemke eenzeer frequente bezoekster werd in het halflege circus, dat al de sjlemielige kassier had, die uitgedaagd werd door straatjongens, die ‘Koekoek!’ door het raampje van de kassa riepen en een andere keer letters veranderden en een nog bedenkelijker woord naar binnen schreeuwden…

Ze werd een bezoekster zonder geld en met alle privileges en recht op de beste plaatsen, als een heel goede kennis van de directeur, die haar na de voorstelling altijd naar huis bracht, omdat hij toch naast haar woonde…

Kortom: die kleine Bljoemke met de zwarte pijpenkrullen en de strikjes beviel de directeur eigenlijk wel, en hij haar trouwens ook. Hij, de goedgebouwde man met de cape en de ingestudeerde pas van een provinciale prins, wist wat hij waard was en wist ook dat hij in staat was weekhartige dames en meisjes te veroveren, eerst door zijn aristocratische houding en dan door zijn zelfverzekerde benadering, aan het succes waarvan hij nooit twijfelde, omdat hij ruime ervaring had op het terrein van de jacht en wist dat de god van de liefde hem niet zou laten vallen.

Hun liefde werd een heel serieuze aangelegenheid, waarbij hij, de zelfbewuste directeur, niets overhaastte, terwijl zij, onze Bljoemke, al in vuur en vlam stond, anders dan vroeger, wanneer ze alleen maar bij een jongen op schoot zat met een arm voor zijn gezicht om te voorkomen dat hij verder ging dan zij wilde…

Nu was dat niet zo, nu voelde ze zich een beetje verloren en helemaal in macht van die goedgebouwde man, die met de ring aan de vinger van zijn rechterhand en met het gladgeschoren gezicht, ook nog zonder snor; daarbij met een vleugje bijzonder parfum en de geur van het dierencircus, die haar prikkelde met zijn artistieke professionaliteit, die ze nu van binnenuit leerde kennen…

Ze raakte zo in de ban van haar verliefdheid dat ze haar oude bewonderaar en bezoeker al bijna helemaal uit het oog verloren had: Mejlechke, die al tot over zijn oren verliefd was en aan niets anders dacht dan aan haar, die onwillekeurig zelfs zijn studie begon te verwaarlozen, zich er minder in verdiepte en vaak merkte dat hij zich achter een boek dat hem vroeger geboeid had, dat hem alles had doen vergeten en dat hij niet had kunnen wegleggen, nu niet kon concentreren, omdat zijn gedachten afdwaalden naar iets wat niets met het boek te maken had: naar haar…

Natuurlijk bleef Mejlechke haar opzoeken. Al trof hij haar de laatste tijd wanneer hij ’s avonds op bezoek kwam niet één keer thuis, net als vroeger, en als hij dan naderhand een keer vroeg waar ze gisteren, eergisteren en die en die of die en die avond geweest was antwoordde ze dat ze in het circus geweest was, waar ze veel van hield en waar ze hem, Mejlechke, half koeltjes en half verstrooid ook voor uitnodigde.

Hij had geen behoefte om de uitnodiging aan te nemen, omdat hij circus in het algemeen leeg vertier vond en al helemaal geen zin had om er zo vaak heen te gaan als zij, zijn Bljoemke, die er zo bezeten van was dat ze hem, Mejlechke, liet staan en hij moest erkennen dat hij de laatste tijd merkte dat ze zelfs anders uit haar ogen keek: dromerig, afwezig, en vaak als hij, Mejlechke, haar iets vroeg, herhaalde ze zijn vraag werktuiglijk zonder te weten wat ze moest antwoorden.

Welnu, het eind was treurig, treurig voor iedereen: voor Bljoemke, die zich als een onschuldig diertje zomaar, zonder reden liet vangen; treurig voor haar vader, die een kind verloor, zijn oudste kind, zijn huishoudster en kindermeisje, en die niet eens wist waar haar stoffelijke resten zich bevonden, wat voor iedere vader in zo’n situatie niet alleen een schande is, maar ook een onverdraaglijk leed; treurig ook voor Boris, die Mejlechke toen het verhaal hem ter ore kwam niet meer in de ogen kon kijken, hem een tijdlang uit de weg ging en hem zelfs niet toevallig tegen het lijf liep, omdat hij zich echt schuldig voelde; en natuurlijk was het treurig voor Mejlechke, die op het punt had gestaan om net als andere mensen een verbintenis aan te gaan met een wederhelft, waartoe hij zich zo jongensachtig eerlijk aangetrokken had gevoeld… En dan opeens deze ramp!

Wat was er gebeurd?

Sjlemiel de kassier had zowel overdag als ’s avonds een aardig tijdje voor niets achter het loket gezeten: heel weinig mensen kwamen geld bij hem brengen en er kwamen toch al heel weinig mensen zijn kant uit om enige belangstelling voor het circus te laten blijken, doordat er crisis heerste of doordat er niets te zien was…

Dat had natuurlijk kwalijke gevolgen voor de artiesten, de goochelaars, de acrobaten en het gewone technische personeel, die midden in het seizoen vertrokken, contractbreuk pleegden en hun baan opzegden, omdat ze hun loon niet meer uitbetaald kregen.

Het had zelfs kwalijke gevolgen voor de directeur; hij had als chef altijd als eerste geld opgenomen uit de kassa, maar die was nu leeg en daardoor kon hij als directeur ook niet meer aan zijn financiële verplichtingen voldoen en was al vaak gedwongen zijn schuldeisers uit de weg te gaan en zijn knappe verschijning voor hen verborgen te houden.

Hij begon de garderobe uit zijn directeursbagage ondershands te verkopen om de hospita hoe dan ook het achterstallige bedrag voor joodse kost en inwoning te betalen.

Kortom: hij ging failliet en toen moest hij, de directeur met zijn goede figuur en met de cape en met de mooie ring aan de ringvinger van zijn rechterhand, vluchten.

Hij deed het, zoals dat heet, halsoverkop en op een nacht was hij opeens verdwenen, zonder van iemand afscheid te nemen, om geen sporen achter te laten, en een paar dagen na zijn verdwijning kon je zien dat er van zijn hele circusonderneming niets meer over was dan het lege gebouw met zijn muren van planken en zijn dak van canvas en daarbij een aapje, moederziel alleen, hongerig, met niemand om hem eten te geven, ook nog tuberculeus en ziekelijk, dat zich nauwelijks meer kon bewegen, zelfs niet als je dichtbij kwam… Dat aapje zag je met zijn lijfje hangen als aan een draad in de openstaande deur van de ingang van het circus, waar het zielig met een uitgestoken handje bedelde en alles aannam wat ze hem toestopten om te eten of mee te spelen, en als hij niets kreeg plukte hij de vlooien uit zijn eigen vachtje…

Er was ook een kameel achtergebleven met twee bulten, een voor en een achter, en een versleten, bolle buik waar je een trom van zou kunnen maken, al had niemand die willen hebben, zelfs de slachter niet. Die kameel stond de hele dag aan de oever van de rivier, niet ver van het circus, en omdat hij niets te eten had stond hij woestijnachtig peinzend zijn eigen eenzaamheid te overdenken en zonder te knielen bleef hij op zijn platvoeten staan om lucht zonder iets erin te kauwen en te herkauwen…

Ja, de directeur vertrok zonder zich te vertonen aan zijn personeel, aan degenen die hij onder contract had en zijn technische medewerkers en zelfs niet aan zijn hospita, wie hij het meeste geld verschuldigd was dat hij niet betalen kon en bij wie hij een paar lege koffers met wat vuile spullen achterliet… Daarentegen sloofde hij zich heel erg uit voor onze beklagenswaardige Bljoemke, die zo in zijn ban was dat ze niet eens vroeg en niet wilde weten waar hij haar midden in de nacht mee naar toe nam, zonder enige bagage, behalve met wat ze thuis inderhaast mee kon pakken, zonder tijd om zelfs maar met een kus afscheid te nemen van de slapende kinderen, die ze als een moeder had grootgebracht.

Ze was zo verblind dat ze zelfs haar eigen vader vergat en zich niet afvroeg hoe hij, de stille, respectabele en geleerde jood, die op dat moment op reis was, het bericht zou verwerken dat ze ervandoor was gegaan met iemand van wie niemand wist waar hij vandaan kwam en waar hij naartoe ging met haar, zijn oudste dochtertje, zonder achterlating van een adres waar hij te vinden was.

Natuurlijk vergat ze ook Mejlechke, de man die voor haar al een tijd zijn werk verwaarloosde om zich over te geven aan haar betovering. Ze stelde zijn offer niet op prijs en romantisch verblind als ze was verliet ze zijn volgeladen schip om een frivole liefdesreis te maken met degene die haar, zoals later na lang zoeken en informeren duidelijk werd, onderweg van Hamburg naar Buenos Aires verleidde; zo eindigden dergelijke reizen toen vaak en halverwege hoorde de zwijgende zee, die ook stormen kon, soms de angst van overweldigde meisjes als Bljoemke.

Op dat moment brak de Eerste Wereldoorlog uit en een van de gevolgen daarvan was de stichting van de staat Polen, waarin ook het gebied opgenomen werd met de stad waar Mejlech Magnoes woonde.

Later werd in die stad met haar oude joodse culturele traditie een wetenschappelijk instituut opgericht met afdelingen voor de studie van verschillende disciplines en het hoofd van een van die afdelingen – taalwetenschap – werd de door al zijn vakgenoten gewaardeerde Mejlech Magnoes benoemd, die zelfs groot respect genoot bij buitenstaanders, niet-specialisten, en vooral bij de plejade studenten en promovendi die onder zijn leiding werkten en water op zijn handen goten, dat wil zeggen hem dienden als leerlingen een leraar en die zoveel respect voor hem hadden dat ze in zijn aanwezigheid niet gingen zitten, zelfs niet als hij dat vroeg…

Mejlech Magnoes, die een eenzame man was, leidde zijn afdeling niet als al zijn collega’s van een afstand, dat wil zeggen dat hij niet zoals gebruikelijk maar een beperkt aantal uren aanwezig was; hij kreeg er zelfs een privéwoning, een speciaal appartement, waar hij bediend werd door medewerkers van het instituut, omdat hij zelf niemand had die dat voor hem deed.

Ze zagen dat hij zo opging in zijn werk, er zo volkomen in opging, dat hij geen oog en oor leek te hebben voor zijn omgeving, alsof hij altijd watten in zijn oren had en een soort waas voor zijn ogen, zoals iemand die altijd in gedachten was.

Alleen degenen die hem bedienden en degenen die ook buiten het instituut met hem in aanraking kwamen waren op de hoogte van zijn eenzame gewoonte om in zijn vrije uren door zijn studeerkamer te ijsberen, nu eens tussen twee muren heen en weer, dan weer diagonaal door de kamer of langs alle vier de muren, telkens in een andere richting, nu eens zus en dan weer zo.

En de mensen die hem bedienden merkten dat hij nog een gewoonte had: als hij alleen was, praatte hij ook in zichzelf, nu eens zo luid dat anderen het konden horen en dan weer alleen maar met zichzelf als toehoorder.

Dat was alles en het enige contact met mensen en met de gewone wereld buiten zijn instituut bestond eruit dat hij van tijd tot tijd naar een concert ging in een zaal waar hij een abonnement en een vaste plaats had en waar hij de hele avond met zijn ogen dicht zat, met zijn hoofd naar één kant en zijn oren gespitst op het kleinste geluid van het orkest of de solist, en zijn gezicht pijnlijk vertrok als iemand, God verhoede, een foute noot speelde of die niet op de juiste manier uitvoerde… Als hij na het muziekbeluisteren thuiskwam, kon je hem nu net als vroeger in zijn jonge jaren met zijn gezicht naar het raam of naar een blinde muur zien staan, terwijl hij herhaalde wat hij tijdens het concert gehoord had, en als hij bij de passage kwam waar de dirigent of de musicus een fout had gemaakt, vertrok hij bij de muur of het raam opnieuw zijn gezicht uit ontevredenheid over de fout van de uitvoerende musicus.

En toen iedereen zeker dacht te weten dat hij, Mejlech Magnoes, nooit van zijn bezetenheid los zou komen en er alleen maar steeds dieper in weg zou zinken, toen veranderde hij zomaar opeens: hij kroop uit zijn schulp en trouwde, helemaal zonder hulp van wie dan ook. En in feite ook zonder enige verliefdheid.

Hoe kwam dat?

Dat kwam zo: hij, de kamergeleerde die dag en nacht zo door zijn werk in beslag genomen werd dat hij er zich geen minuut van kon losmaken, die altijd zo teruggetrokken leefde, zeker nu, na zijn vervelende ervaringen en na zijn dubbele teleurstelling in de liefde, beleefde nu – ziet, een wonder: helemaal zonder hulp van anderen, zonder hulp van iemand als Boris, die vroeger voor hem de weg geëffend had naar Bljoemke, was hij nu in contact gekomen met een vrouw en had zowel de tijd als de vrijmoedige woorden gevonden om haar een voorstel te doen, dat zij, die vrouw, als vanzelfsprekend had aangenomen, alsof ze het had zien aankomen.

Het was een wel een niet meer zo jonge vrouw, een weduwe of een gescheiden vrouw, zonder lokken en pikzwarte pijpenkrullen die maakten dat hij beefde of stilviel in haar aanwezigheid, zoals vroeger bij die andere vrouw, maar ze was een evenwichtige persoonlijkheid met een zelfs al wat uitgebluste blik en zonder verblindende vrouwelijke grillen, maar wel verstandig genoeg om te weten wie ze voor zich had, wie haar het voorstel deed en hoe ze dat op moest vatten.

Misschien was ze wel een oude kennis van hem of iemand ergens uit zijn geboortestad of van iets later, iemand uit zijn vroegere partijkringen hier in de stad waar hij zich nu bevond, iemand die toevallig een keer bij hem op bezoek was geweest en een medelijdende, trouw-moederlijke blik had geworpen op die man alleen in zijn huis, in zijn stoffige studeerkamer vol boeken… En die blik was voor hem, Mejlech Magnoes, het teken geweest dat de vrouw die hem zo eenzaam had aangetroffen in staat zou zijn om zijn leven te verlichten door in huis te brengen wat er tot dan toe ontbroken had: vrouwelijke gezelligheid…

Na wat heen-en-weergepraat en na een bezoekje en nog een bezoekje van haar bij hem vond hij de woorden om haar een voorstel te doen, want hij voelde dat er van haar kant niets in de weg stond en dat hij hier niet iemand voor zich had die hem om welke reden dan ook zou afwijzen.

Zo was het gegaan en hij was er al de eerste dagen van overtuigd dat hij zichzelf niet voor de gek hield en geen fout maakte door zijn verlangen naar haar te laten blijken, al was hij er laat bij, omdat hij al tegen de veertig liep…

Wat geweest was, was geweest, maar nu vond hij de dagen prettiger dan vroeger, alsof de zon eerder opging en later onderging… Zijn weinige vrije uren werden op een veel betere manier gevuld en hij hoefde niet meer in zijn eentje door zijn studeerkamer te ijsberen en gesprekken met zichzelf te voeren, zoals vroeger, toen er niemand in huis was en hij zich in zijn eenzaamheid niet kon beheersen.

En zonder enige twijfel was zijn leven compleet toen hij later, nadat ze elkaar beter hadden leren kennen en intiemer werden, met haar trouwde en toen zij hem een paar maanden later in een gesprek tussen man en vrouw toevertrouwde dat ze in verwachting was.

Er begon opeens een heel orkest vrolijk in hem te spelen als aan de vooravond van een tijd van voorspoed die, zij het met vertraging, eindelijk aangebroken was. Hij kreeg namelijk een liefhebbende vrouw, die hem zo geweldig wist te waarderen, en binnenkort ook nog een derde schepsel, dat hen tweeën nog meer zou verbinden en hun relatie zou versterken.

Hij, Mejlech Magnoes, schoof in die tijd van grote vreugde zelfs zijn werk opzij, omdat hij er geen behoefte aan had, want hij had genoeg aan het geluk van het komende vaderschap.

Wanneer het hem duizelde van geluk, neuriede hij vaak zachtjes hele stukken vrolijke muziek, wanneer hij alleen was en door niemand gestoord werd en zelfs ook in aanwezigheid van anderen, zoals zijn studenten in het instituut, van wie hij zich niets aantrok als ze het merkten, en de studenten waren als ze het merkten heel blij voor hem, omdat ze wisten waar die vreugde vandaan kwam…

En hij had wel de allergelukkigste man op de wereld moeten zijn, nu alle rampen die hij doorstaan had werden goedgemaakt…

Maar helaas, hoe zeggen ze dat: eens pech, altijd pech, en als het ongeluk je treft kun je alleen maar je mond opentrekken en moord en brand schreeuwen tegen het onbarmhartige en onbegrijpelijke lot…

Toen het zover was dat ze moest bevallen had de vrouw niet genoeg kracht om het kind ter wereld te brengen. Of het kwam doordat het haar eerste kind was en daarbij een late bevalling of door iets anders, het kind moest in ieder geval gehaald worden… Het was een zware bevalling en uiteindelijk moest er één leven opgeofferd worden voor een ander, en het resultaat was dat de moeder stierf en het kind een bar-kajomme was, dat wil zeggen gezond en levensvatbaar.

Natuurlijk moest Mejlech Magnoes na wat hem nu weer overkomen was tegen zichzelf zeggen: ‘Dat was dan mijn persoonlijk geluk, waarvoor ik God dank, en ik heb op deze wereld tenminste nog één kleine troost: mijn kind.’

Hij wijdde zich aan het kind met alle toewijding waartoe iemand na een voorbije liefde in staat was…

Er kwam een voedster, zodra het kind die nodig had en toen die overbodig was werd het kind natuurlijk niet aan zijn lot overgelaten, integendeel: het was of niet één paar ogen van één moeder het in de gaten hielden, maar tien paar van tien moeders…

Zo goed, trouw, zorgvuldig en van alle gemakken voorzien verzorgde de vader zijn kind, dat het zijn moeder de eerste jaren helemaal niet miste, want het had genoeg aan zijn vader, die zoveel van hem hield en zo goed voor hem zorgde dat hij vader en moeder tegelijk was.

Daardoor erkende het kind vanaf zijn eerste levensdagen zijn vader als degene met wie het de intiemste relatie had en nadat het voor het eerst zijn handjes had uitgestoken om de liefde te beantwoorden van degene die dat verdiende, gebeurde dat steeds vaker en met steeds meer liefdevolle erkenning…

Altijd als het kind wakker werd en naar zijn vader verlangde en ook wanneer het in slaap viel kon je zien hoe zijn vader over hem waakte; na zijn werk of tussendoor boog hij zich dan over het bedje en kon zijn vaderlijk bezorgde en liefdevolle blik niet van hem afhouden.

Jaren verstreken. Eerst kon je Mejlech Magnoes zien wandelen met een peuter aan de hand en later, toen het kind groter werd, met een kleuter van drie, vier jaar.

 

2

In de biografie van Mejlech Magnoes zit nu een hiaat van minstens tien, vijftien jaar waarover niets te vertellen is, behalve dat zijn zoon in de loop van die tijd opgroeide van kind tot jongen en van jongen tot jonge man. Verder moet hier nog een heel belangrijke politieke beweging vermeld worden die in dat nog zo nabije verleden opkwam en die later, toen ze eenmaal tot volle wasdom gekomen was, leidde tot de verwoesting en verplettering van miljoenen levens, waaronder die van Mejlech Magnoes en zijn zoon.

Het gaat om die beweging in het bekende West-Europese land, dat nu al van de hele wereld het kaïnsteken gekregen heeft en dat iedereen toen tot nadenken dwong, zeker iemand als Mejlech Magnoes, die zich verre hield van politiek en zich alleen verdiepte in de wetenschap, die hij bleef dienen omdat hij niet anders kon.

Als je hem toen van een afstand zag kon je denken dat die volkomen in zijn werk verdiepte vakman zich niet voor de zaak interesseerde en je kon je zelfs afvragen of hij wel wist wat er gezegd en in de pers geschreven werd over dat dreigende, opkomende verschijnsel waarvan het lot van een aardig deel van de wereld afhing.

Dat kon je denken, als je hem van een afstand zag. Maar wie dichterbij kwam en hem beter kende merkte dat dat niet zo was, dat de zaak hem zeer ter harte ging.

Je merkte hoe er tegelijk met de onrust die aandreef als een donkere wolk een paar denkrimpels ontstonden in Mejlech Magnoes’ voorhoofd, verticaal boven zijn neus, en dat hij er helemaal uit ging zien als een dier dat geruisloos aangeslopen was en klaarstond voor de verdediging of de aanval.

Mejlech Magnoes was inderdaad nog niet van zijn vroegere politieke praktijk vervreemd en zijn weg daarheen was nog niet door mos overwoekerd; nu die genoemde mogendheid zich ten doel stelde de trein van de historische vooruitgang terug te slepen naar het oerwoud van de prehistorie, moest je wel boven de middelmaat uitsteken om direct te willen toetreden tot de gelederen van degenen die zich tegen het terugdraaien van de geschiedenis wilden verzetten.

Dat gold in het algemeen en in het bijzonder voor Mejlech Magnoes, die behoorde tot de volksgemeenschap die de mogendheid anders dan anderen wilde behandelen als ze die eenmaal in haar grijpgrage handen zou krijgen…

En bij zijn bezorgdheid als mens en als jood kwam nog de bezorgdheid om degene die hem persoonlijk het dierbaarste was: de bezorgdheid om zijn zoon, die toen al een hele kerel was, en iedere keer als hij las of hoorde wat er in dat niet ver weg gelegen land gebeurde of op het punt stond te gebeuren wierp hij met een diepbezorgd gezicht ongemerkt een blik op zijn zoon, zowel met onuitgesproken medelijden als met het nog net ingehouden gekrijs van een kip die haar kuikens bedreigt ziet en haar vleugels uitspreidt om ze te beschermen.

In die tijd kon je zien dat zijn gezicht niet alleen verontwaardigd en bezorgd stond in aanwezigheid van zijn zoon, maar ook in aanwezigheid van anderen en zelfs als hij alleen was keek hij waakzaam en gespannen en spitste zijn oren, alsof hij ieder moment verwachtte dat er iemand aan de deur zou kloppen met een of ander rampzalig bericht.

In die tijd liet hij vaak een kwaad woord of een boze vraag horen en soms zelfs een opgewonden tirade tegen degenen die het gevaar onderschatten en met een wegwuivend gebaar zeiden: ‘Ach, er is nog geen man overboord, de schade valt nog wel mee en ze zijn dáár echt niet zo stom om te denken dat ze de hele wereld aankunnen; sterker nog: die verhalen over wat ze met ons joden willen doen zijn alleen maar opgeblazen agitatie om te zorgen dat de opgehitste massa’s die blind achter hen aanlopen een tijdje in staat van alarm verkeren, maar zodra ze een ander land moeten besturen zullen ze zich wel anders moeten gedragen en hun misdadige praatjes van nu moeten vergeten.’

‘O ja?’ De stille kamergeleerde Mejlech Magnoes werd dan woedend en de opgewonden tirade die hij liet horen paste helemaal niet bij het bezadigde temperament van een al wat oudere man; ‘O ja? Zijn dat praatjes? Ze kunnen de wereld niet veroveren, dat is waar, maar ze kunnen de wereld wel ellende bezorgen en zeker ons, want op ons hebben ze speciaal gestudeerd en met ons hebben ze al duizend jaar ervaring.’

‘Vergeet niet,’ vervolgde hij dan, ‘dat een willekeurige struikrover in de Middeleeuwen, een ridder die Rindfleisch heette, de hele joodse gemeenschap van meer dan honderdduizend mensen in het land tussen de Rijn en de Oder af kon slachten, dus waarom zou nu een andere schurk dat niet kunnen doen, die “luizige korporaal”, zoals de bekende veldmaarschalk Wilhelm hem vol verachting noemde, waarom zou die pathologische kreupelaar met zijn ziekelijke drang om de wereld te veroveren, net als een Napoleon, een Karel de Grote, een Alexander de Grote, dat dan niet kunnen met zijn onvergelijkelijk veel grotere mogelijkheden, zijn nog ziekelijker fantasie en zijn veel gevaarlijkere legers, die veel meer en betere wapens hebben dan die van die middeleeuwse struikrover Rindfleisch?’

Dergelijke dingen hoorde je Mejlech Magnoes zeggen als hij opgewonden was.

De tijd staat niet stil en het gevaar dat al voor de drempel op de loer lag groeide, terwijl elders ook de verborgen tegenkrachten groeiden, en bovendien groeiden de zonen van de vaders, die aan verschillende kanten het toekomstige conflict moesten uitvechten, onder wie de zoon van Mejlech Magnoes, die je vaak met zijn vader kon zien wandelen, als de zoon vrij van school was en de vader vrij van zijn werk.

Dat was toen de zoon al dertien, veertien jaar was en in staat om alles op te nemen wat hem verteld werd door zijn vader, die dat zo bracht dat een kind het kon begrijpen, en toen de zoon zoveel respect voor zijn vader gekregen had dat hij alle brandende vragen stelde die maar in hem opkwamen en zoals ieder kind op die leeftijd stelde hij die vragen nog aan zijn vader.

Dat was toen de dertien-, veertienjarige jongen al lang niet meer werd opgevoed door de kindermeisjes uit zijn jonge jaren, maar op een meer volwassen manier door zijn vader, die hem goed in het oog hield, hem zo nodig bij zijn huiswerk hielp en bovendien antwoord gaf op allerlei vragen die de intellectueel nieuwsgierige opgroeiende jongen kwelden.

Dat laatste deed de vader altijd wanneer hij tijd had en vooral op de vrije dagen, wanneer ze wandelden in de buurt of in het stadspark, waarbij hij als de leraar en zijn zoon als de leerling zo’n saamhorigheid lieten zien, dat het leek of de kennis uit de bron van de vader zonder één druppel te morsen werd overgegoten in de dorstige keel van de zoon naast hem.

Als illustratie van die saamhorigheid van vader en zoon kan een foto van de twee dienen die uit die tijd bewaard gebleven is.

Daarop zie je het volgende.

Ze staan naast elkaar, de hand van de vader rust op de schouder van zijn zoon en de zoon heeft zijn arm om zijn vaders middel geslagen. De blik van de vader is vol bevend-ingehouden triomf dat hij ondanks zijn zo onfortuinlijke lot uiteindelijk toch een geluksnummer getrokken heeft: de jongen met het gave gezicht die naast hem staat, al lijkt de vader toch nog bang dat hetzelfde lot zijn zoon bij hem weg zal nemen… De jongen daarentegen, die zijn arm om zijn vaders middel slaat, is vol jeugdig zelfvertrouwen, dat contrasteert met zijn vaders angst: nee, lijkt hij te denken, hier staan we, we blijven altijd bij elkaar en niemand kan ons scheiden…

 

***

En hier komen de verschrikkelijke gebeurtenissen, inderdaad als een onverwachte onweerswolk, waarbij Mejlech Magnoes alleen maar kon doen wat alle Poolse burgers toen deden: eerst verbijsterd en weerloos de hagelbuien ondergaan en daarna getroffen worden door de bliksemserschicht uit de donderwolk, die in één klap een berg met miljoenen met de grond gelijkmaakte.

Kortom: toen de vreemde mogendheid het Poolse land niet lang daarna bezet had, moest Mejlech Magnoes met al zijn soortgenoten naar het beruchte getto, met zijn hele hebben en houden en zijn beklagenswaardige reputatie, die al niets meer voorstelde, al handhaafde de bezetter om degenen die zich voor de gek lieten houden voor de gek te houden zijn instituut en hemzelf in zijn functie van directeur met alle zogenaamde eerbewijzen en privileges… Hij trok ook naar het getto met het laatste en dierbaarste wat hij had: zijn zestienjarige zoon, die hij altijd met zoveel bezorgdheid had opgevoed.

Onnodig te vertellen wat daar gebeurde: de overlevende en gevluchte getuigen van daar hebben ons immers mondeling en schriftelijk rijk materiaal geleverd waarover wij, de huidige generatie, ons de haren uit het hoofd getrokken hebben en er zal voor de latere generatie nog genoeg overblijven om eventueel hetzelfde te doen als wij…

Ja, dat is allemaal bekend en we hoeven daar geen woord aan vuil te maken en als er iets aan toegevoegd moet worden is het alleen dat Mejlech Magnoes stilviel toen hij merkte dat hij gevangen zat in de kooi van die hondenvanger, alsof zijn spraak hem afgenomen was, niet alleen in het gezelschap van vreemden, maar zelfs tegenover zijn eigen kind, zijn al bijna zeventienjarige jongen, voor wie hij zijn ogen beschaamd neersloeg, alsof hij zich schuldig voelde dat hij hem op de wereld gezet had en alsof hijzelf de schepper van de wereld was en hem zoiets infaams liet overkomen.

Dat gebeurde kort nadat zijn zeventienjarige jongen voor het eerst had gezien hoe goed de bezetters het handwerk verstonden om zijn soortgenoten tot op het bot te vernederen en ze te verlagen tot het laagste niveau van minderwaardigheid, en terneergeslagen en kapot van wat hij gezien had ging hij naar zijn vader, die voor hem altijd zo’n hooggewaardeerde autoriteit was, die alles uit kon leggen, met de vraag:

‘Papa, wat gebeurt er? Wat doen ze? En waarom moeten ze óns hebben?’

‘Ik weet het ook niet,’ zei zijn vader, die zelf ook geschokt was, niet meer wist wat hij zeggen moest en zijn ogen beschaamd neersloeg als iemand die geen zuiver geweten had en een ander niet aankeek, omdat hij zichzelf niet kon rechtvaardigen.

Zo gedroeg hij zich tegenover zijn zoon en ook tegenover anderen die bij hem kwamen als bij een oudere en ervarener iemand van wie ze in een noodsituatie eens een troostrijk woorden dachten te horen.

Omdat hij geen keus had moest hij het aan zijn kind overlaten om het onverwachte en bittere ongeluk dat uit de hemel was komen vallen te verwerken. En natuurlijk vroeg hij dat ook van anderen, die de weg kwijt waren en niet wisten vanwaar ze hulp konden verwachten.

Zo ging het in het begin. Maar later kreeg dat land, dat eerst de ene overwinning na de andere had behaald op zoveel zwakkere tegenstanders, op zijn beurt klappen, zowel aan de fronten van de niet verslagen tegenstanders in het oosten, wie het ook lichtzinnig de oorlog had verklaard met het idee hen op dezelfde manier aan te pakken als de eerdere tegenstanders; het werd gegrepen en gewurgd aan het front en daarna ook van binnen aangepakt, dat wil zeggen overal in het achterland, waar alle mensen die maar een beetje naar vrijheid snakten bijeenkwamen om samen te werken, voor zover ze de middelen hadden en voor zover ze hun hoofd niet kwijt waren, om de bezettingsmacht te saboteren, te verzwakken en te beschadigen waarvan ze alleen woede en razernij hadden ondervonden en helemaal niets gezonds.

En nog later, toen dergelijke verhalen over het verzet steeds dichterbij kwamen, kon je zien hoe in de ogen van Mejlech Magnoes een beetje vermoeid een sprankje hoop opgloeide en als hij hoorde wat er steeds vaker gefluisterd werd over de nederlagen die dat land zowel aan het front als door het verzet moest incasseren, liet hij al vaak een instemmend, boos gemompel horen en soms maakte hij dan zelfs een opmerking:

‘Wat dachten ze wel, die honden, die keurtroepen? Dat het met die tegenstander een gemakkelijke strijd zou worden? Maar dan hebben ze geen benul van zijn karakter, van de eigenschappen waarover hij beschikt en van het ideaal dat hem inspireert en waaruit hij de sterke wil put om zich te verdedigen en zijn leven te riskeren.

Wat dachten ze wel, die keurtroepen? Dat ze thuis of bij anderen een wandeling konden maken op strakke asfaltwegen? Ze wisten niet dat de grond daar zuigt en je zolen en je voeten kapotmaakt, en dat alleen al de geografie daar hun dood betekent, wat andere lichtzinnige veroveraars al meer dan eens ondervonden hebben toen ze erheen trokken om even de rijkdommen in beslag te nemen, waarna ze nauwelijks hun vege lijf konden redden…’

Dit betekende niet dat de nogal trotse woorden Mejlech Magnoes werden ingegeven door een overdreven heldhaftigheid die helemaal niet bij zijn gevorderde leeftijd paste en misschien ook niet bij zijn karakter, nee, ze kwamen gewoon voort uit zijn menselijke waardigheid en zijn behoefte zichzelf te verdedigen, die tot uiting kwamen in de wraakzucht die onder dergelijke omstandigheden in iedereen gloeide die zijn vijand verpletterd wilde zien en die aan alle kanten uitkeek naar redding, zelfs uit de lucht…

Maar achteraf beschouwd was dat gevoel genoeg om niet totaal wanhopig te worden en naar redding uit te kunnen blijven kijken, al was dat dan passief en wist hij niet waar die redding vandaan kon komen, maar hij was ook wel wat actiever, wanneer hij zag, ook wel weer voorzichtig en gereserveerd, hoe zijn zoon er blijkbaar al naar uitkeek, alsof hij wel wist waar de redding vandaan kon komen.

In die tijd kon Mejlech Magnoes zien hoe zijn eigen zoon van al bijna zeventien niet alleen blootgesteld werd aan het gevaar dat iedereen in het getto bedreigde, maar ook nog aan een gevaar dat zijn zoon zichzelf op de hals haalde en waar hijzelf als vader door zijn bovengenoemde instelling tegenover bepaalde dingen, die zijn zoon niet verborgen kon zijn gebleven, hem in zeker opzicht toe gedreven had.

Hij zag hoe de jongen iets te bevriend raakte en geheimzinnig deed met een groep jongeren waarmee hij vanaf het begin van de gettotijd naar de vroegere ambachtsschool was gegaan, waar jongeren opgeleid konden worden tot timmerman, slotenmaker en dergelijke. En die school hadden de bezetters in stand gehouden, alleen maar om goedgelovige mensen voor de gek te houden en vooral om te zorgen dat hun medewerkers en betrouwbare personeelsleden de studerende jongeren in de gaten hielden, dat die niet op het verkeerde pad terechtkwamen en niet ten prooi vielen aan vreemde invloeden voor zij, de bezetters, zouden besluiten hen te liquideren…

De vader zag hoe een groep jongeren van die school in een vrij uur vaak samenkwam bij zijn zoon thuis om half met woorden, half met gebaren iets met elkaar te delen… Maar altijd ging hun gesprek zo dat hij, de vader, niet aan de weet kwam waar het over ging, zelfs niet als hij heel goed luisterde.

Blijkbaar had de groep als verzamelpunt het hoekje uitgezocht dat hem in het getto toegewezen was, in de wetenschap dat het daar veiliger was voor spionerende blikken dan elders. De groep vergiste zich niet: binnenlandse en buitenlandse spionnen die tot taak hadden het getto te controleren moesten toch weten wie waar woonde en wie ze het scherpst in de gaten moesten houden en moesten dus weten dat hier een min of meer beschermde en door de bezetter geprivilegieerde persoon woonde. Daardoor zou het langer duren voor de kleine vergaderingen van de niet al te grote groep door iemand opgemerkt werden en verdenking wekten.

De vader keek het aan en deed eerst of hij niets wist en geen reden zag om in te grijpen…

Maar later, toen hij zeker wist waar het hier om ging en waar die half-verborgen woorden en gebaren toe leidden: de bezetters konden merken dat hun schade werd toegebracht en dan wist hij dat ze met de jongens zouden doen wat ze om dergelijke vergrijpen al met anderen hadden gedaan: hen dagen en nachten aan de galg laten hangen als waarschuwing aan iedereen.

Toen hij later helemaal overtuigd was van wat hij eerst niet helemaal had willen geloven, begon hij te aarzelen en er gingen allerlei tegenstrijdige gedachten door zijn hoofd.

Aan de ene kant dacht hij: waarom anderen wel en zij niet? Waarom was hij zo toegeeflijk als het om vreemde waaghalzen ging en voelde hij zelfs met hen mee, terwijl hij tegenover zijn eigen waaghalzen zo terughoudend was? Het was toch één van de twee: als iets goed en rechtvaardig was, was het goed en rechtvaardig voor iedereen, en zo niet, dan was het dat voor niemand; en hadden in wezen niet diegenen gelijk die wisten dat ze toch al ter dood veroordeeld waren en besloten hadden dan in ieder geval eervol en met een wraakzuchtig gebalde vuist afscheid van de wereld te nemen?

Aan de ene kant wel. Aan de andere kant: wie wist of hij zichzelf misschien nog uit de klem bevrijden kon, temeer omdat hij van de bezetter toch privileges had gekregen, en als dat zo was, zou het lot hem misschien ook in de toekomst goedgezind zijn. En bovendien: mocht je je hoofd wel in de strop steken als er nog een sprankje hoop was?

Dit waren de laffe gedachten die hij had en die iedereen heeft die voor een moreel dilemma staat en hoe dan ook een beslissing nemen moet.

Toen kreeg hij op een dag bezoek, en wel van de secretaris van de Joodse Raad. Formeel was die in dienst van de bezetter, maar in werkelijkheid hielp hij anderen: de mensen van het ondergrondse verzet, die de nodige verbindingen onderhielden, ook met het openbare leven; hij was een man van vijf-, zesentwintig met een aristocratisch uiterlijk en goede manieren, die hij van de natuur had meegekregen en die hij welbewust cultiveerde; je zag hem zelfs in het getto altijd piekfijn gekleed gaan, gladgeschoren en met zijn haar in een scheiding; een man uit een boek, die uit een heel andere wereld kwam dan degenen die hier in het getto bijeengedreven waren.

Hij kwam uit een afgelegen streek, helemaal bij de Duitse grens, waar hij een Poolse middelbare school doorlopen had en daarna hoger onderwijs; hij was verregaand geassimileerd en had in zijn vroege jeugd heel weinig contact gehad met andere joden; pas later werd hij meegesleept en gevormd door de joods-nationale bourgeoisbeweging en bekende zich tot zijn volk, zelfs een beetje te veel, want hij hield er te veel separatistische ideeën op na; en toen hij zich nog later opnieuw heroriënteerde en toetrad tot de internationale beweging, deed hij wat iemand in dat geval doet, maar zonder zich los te maken van zijn eigen mensen bleef hij onder hen werken en volgde de juiste koers.

En toen hij activiteiten begon te ontplooien die de Poolse staat niet welgevallig waren, moest hij vluchten uit zijn geboortestad en –streek, waar hij zich gemakkelijk had kunnen bewegen, en vertrok onder een schuilnaam en met een opdracht van zijn superieuren naar de stad waar Mejlech Magnoes woonde.

Hij moest zich voor die opdracht meteen oriënteren in zijn nieuwe omgeving, dat wil zeggen de mensen en omstandigheden waarmee hij te maken kreeg leren kennen. Terwijl hij zich op de achtergrond hield om niet te veel op te vallen, moest hij op de hoogte blijven van alles wat om hem heen gebeurde en inlichtingen verzamelen met behulp van degenen die door de partij waren toegewezen aan hem, de leider gestuurd door de centrale.

Hij kende iedereen al in de stad, van de actievere leden van de halflegale vakbeweging tot degenen die de partij pas later bij de activiteiten hoopte te betrekken, en ook alle intellectuelen, van wie hij moest nagaan wie er nog jong waren en eventueel in aanmerking kwamen voor scholing door de partij en van degenen voor wie dat niet gold wilden ze in ieder geval weten aan welke kant die stonden en waarmee ze sympathiseerden, om hen achter de hand te houden voor als ze later nodig waren.

En op het moment dat hij uit die afgelegen Poolse streek kwam brak de oorlog uit; na zijn illegale status in vredestijd werd hij nu dubbel illegaal en kwam midden in de heksenketel terecht waar hij het dubbele risico liep dat de verraders in de stad hem ontdekten en aan de bezetter uitleverden, en dat de bezetter met zijn eigen spionagenetwerk hem uit de weg ruimde.

Hier profiteerde hij echter van zijn aristocratische voorkomen en zijn goede kennis van het Pools en bovendien van zijn ervaring in joodse aangelegenheden.

En dankzij dat alles, dankzij zijn imposante verschijning, dankzij zijn kennis, die in zo’n functie noodzakelijk was, en vooral doordat belanghebbenden in het geheim een behulpzame hand hadden toegestoken, werd hij benoemd tot secretaris, en de bezetters hadden geen reden om hem niet te vertrouwen, want ze dachten dat iemand die er zo onverdacht uitzag vast geen verrader kon zijn.

Hij volgde een bepaalde gedragslijn: eerst probeerde hij in de gunst te komen bij degenen die hij nodig had om voor het nodige krediet te zorgen… Als hij eenmaal zover was gebruikte hij zijn meer legale status om te doen wat zijn vertrouwensfunctie van hem eiste… Hij begon het illegale verzet te organiseren onder de jongeren die zich daartoe geroepen voelden en ook onder de ouderen van wie bekend was aan welke kant ze stonden, want die mensen moest je niet afhouden maar juist in ere houden en hen nog meer dan anderen helpen met voedsel, kleding en de nodige papieren en documenten voor het verkrijgen van privileges.

En tot die laatsten behoorde ook iemand als Mejlech Magnoes, over wie de secretaris in zijn tweede “baan” het een en ander wilde weten, en of hij het bovengenoemde bezoek deze keer uit eigen beweging bracht of er speciaal van iemand opdracht toe had gekregen, dat doet er niet toe; een feit is alleen dat hij op bezoek kwam, zogenaamd in verband met een verordening van de bezetter betreffende aangelegenheden van het instituut, waarvoor de hoge heren zich interesseerden, maar in werkelijkheid voor iets heel anders.

Zodra hij bij Magnoes in de kamer was, zodra hij tegenover hem aan tafel was gaan zitten en zodra hij de zogenaamde verordening van de bezetter afgehandeld had, wat niet veel tijd in beslag nam, ging hij verder met het volgende onderwerp, de hoofdreden van zijn bezoek.

Hij zei het volgende.

Voorzover hij de instelling en de gezindheid van zijn gespreksgenoot Mejlech Magnoes kende, dacht hij dat wat hij hem hier toevertrouwde wel onder vier ogen zou blijven.

Niemand anders, vervolgde hij, deed hij zulke vertrouwelijke mededelingen, omdat dat gevaarlijk was voor hemzelf in zijn officiële functie, als het uitlekte, en ook voor degene die hij in vertrouwen nam, als die iets overbriefde aan de bezetter… Maar Mejlech Magnoes vertrouwde hij…

Om kort te gaan: zoals Mejlech Magnoes wist werd er nu behalve de strijd aan het front nog een andere strijd gevoerd in bezet gebied, een verborgen, hardnekkige strijd van de beste vertegenwoordigers van het volk tegen de vijand die gekomen was om alles en iedereen te vernietigen; en misschien wist hij het niet, zei de tegenover hem zittende secretaris van de Joodse Raad, maar hij, Mejlech Magnoes, had ook een zoon die ondanks zijn jonge leeftijd en overvarenheid – die niets uitmaakten, die geen rol speelden en juist wel een voordeel waren – aangetrokken werd tot het illegale werk, dat door de bezetter bestreden werd.

En daarom kwam hij vertellen dat als hij, Mejlech Magnoes, die misschien nog niet op de hoogte was, met de kennis van nu zijn zoon wilde weerhouden om deel te nemen aan wat die vrijwillig en met al zijn jeugdige vuur begonnen was, dat hij, Mejlech Magnoes, volgens de secretaris een vergissing zou maken tegenover zichzelf en tegenover zijn zoon.

Hij dacht niet, vervolgde hij, dat Mejlech Magnoes in het algemeen enig bezwaar had tegen dat werk. Hij kende immers de toestand van de hele hier in het getto bijeengedreven bevolking en had zelf de gezegende gelegenheid gehad om te zien wat hier tot nu toe gebeurd was… Hij was waarschijnlijk ook goed op de hoogte van het karakter en de misdadige methodes van degenen aan wie iedereen hier overgeleverd was en hij wist dat als die zich iets in hun hoofd gezet hadden, als die iets van plan waren, al was dat het gruwelijkste en onmenselijkste, ze dat nauwkeurig en zonder uitstel ten uitvoer brachten, zonder zich door iets te laten weerhouden en zonder enige gewetensnood, waarvan nog geen druppeltje te vinden was op de bodem van hun zogenaamde ziel.

De secretaris van de Joodse Raad was er zeker van dat iemand als Mejlech Magnoes met die wetenschap geen enkel bezwaar kon hebben tegen het verzetswerk. Integendeel: hij zou dat toejuichen als iemand die het beste voorhad met zijn eigen volk, met alle andere volkeren en alle mensen en vooral met zichzelf en met zijn eigen zoon.

Als secretaris ontkende hij weliswaar niet dat er risico’s aan verbonden waren, dat de kans groot was dat je in handen van de vijand viel en op een verschrikkelijke manier aan je eind kwam, maar was het aan de andere kant dan niet verschrikkelijk en bovendien schandalig om zelf je hoofd op het hakblok te leggen, terwijl het verzet waardig was en altijd iets troostrijks had, zowel voor degene die sneuvelde als voor de achterblijvers?

Hij hoefde dat hier vast niet te zeggen, zei de secretaris toen weer; agitatie was overbodig als iets zo duidelijk was voor een willekeurig persoon en zeker voor iemand als zijn gespreksgenoot, Mejlech Magnoes, maar hij wilde er toch nog iets aan toevoegen: strijd was niet alleen waardig, zelfs al was hij uitzichtsloos, maar in dit geval waren er wel degelijk vooruitzichten op redding van zowel zichzelf als anderen.

Pani Magnoes wist waarschijnlijk, en zo niet, dan vertelde hij dat nu, dat de ondergrondse verzetsstrijders na gebleken geschiktheid en betrouwbaarheid één voor één of in groepen werden overgebracht naar veiligere plaatsen, waar hele detachementen werden gevormd met betere bewapening, onder deskundiger militaire leiding en met uiteraard meer mogelijkheden om effectievere methodes in te zetten, die voor henzelf veiliger waren en tegelijk de vijand meer schade toebrachten. Iedereen doorliep deze procedure en uiteindelijk ook zijn zoon, als die hier eerstdaags zijn eerste gevechtstraining had gehad… Als lukte een groot aantal jongeren uit het getto te laten ontsnappen was het ook niet uitgesloten dat ze een behulpzame hand zouden bieden aan ouderen, die dan naar de daar gevormde detachementen gingen, en dan zou hij, Mejlech Magnoes, misschien wel meekunnen, al was hij oud en niet in staat om te vechten…

Dat laatste had de secretaris niet hoeven zeggen: toen hij het over Mejlech Magnoes zelf en zijn redding had, zag je dat diens oude, vermoeide ogen niet levendig en enthousiast begonnen te glanzen, maar wel toen hij sprak over de vooruitzichten van zijn zoon, als die door de selectie kwam.

Terwijl hij naar de secretaris luisterde, had Mejlech Magnoes de hele tijd gezwegen en geen woord teruggezegd; pas toen de secretaris klaar was en hij, Mejlech Magnoes, zag dat de ander blijkbaar niets had toe te voegen aan wat hij gezegd had en alleen maar wachtte op een antwoord: ja of nee, eens of oneens, toen keek Mejlech Magnoes hem zwijgend, begrijpend en dankbaar aan. Hij kwam ook even overeind van zijn stoel en stak zonder iets te zeggen zijn hand uit om te laten zien dat hij akkoord ging.

Op het moment dat de secretaris aanstalten maakte om weg te gaan, nadat hij uitgesproken was en als teken van instemming een hand gekregen had, verscheen in de deuropening van de kamer waar de twee zaten Mejlech Magnoes’ zoon… Toevallig of niet, dat was moeilijk te zeggen; waarschijnlijk niet, want op het moment dat de jongen de bezoeker bij zijn vader zag en de bezoeker hem, had een buitenstaander gezien dat er tussen die twee iets als een blik van verstandhouding gewisseld werd als tussen twee kennissen die iets hadden afgesproken.

Toen zag ook de vader, Mejlech Magnoes, zijn zoon, na het gesprek met zijn gast en nadat die hem iets verteld had waarmee hij hem had overtuigd. Hij stond vlug op van zijn stoel, ging naar zijn zoon en wilde eerst doen wat normaal gesproken een vader doet die naar zijn geliefde zoon gaat. Maar nee, deze keer ging het niet als anders… Hij ging naar hem toe en in plaats van zijn gewone vraag ‘Waar ben je geweest?’ vroeg hij nu helemaal niets, maar legde zonder iets te zeggen zijn handen op het hoofd van zijn zoon, zoals oude mensen soms bij kinderen doen op de avond van Jom Kipper om ze te bensjen, en terwijl hij zijn handen zo een tijdje op het hoofd van zijn zoon hield, zou je zweren dat hij iets prevelde als ‘Jevorechecho, Hij zal je zegenen,’ wat de zoon ontging, net als de gast, die erbij zat en het zwijgende tafereel met onverholen belangstelling gadesloeg.

De gast die hier gekomen was met zijn goedbedoelde missie begreep dat de vader met de zwijgende toenadering tot zijn zoon en zijn handen op diens hoofd bevestigde wat er tevoren besproken was en dat hij als het ware een stempel zette op wat hij eerder ondertekend had…

Bij het zien van de ceremonie die zich voor hem afspeelde begreep en voelde de secretaris ook dat zelfs als hij hier niet gekomen was voor zijn missie en de zoon zijn vader zelf had uitgelegd hoe het zat, dat zijn plan om toe te treden zowel gevaarlijk als eervol was, dat de vader ook niet geprotesteerd zou hebben en dat de handen die nu in het bijzijn van een vreemde op het hoofd van zijn zoon lagen daar ook gelegen hadden zonder hem…

Hij maakte dat op uit het nauwelijks merkbare glimlachje om de mond van de vader, toen die deed alsof hij nu eenmaal gewend was zijn geliefde zoon bij het binnenkomen de handen op te leggen… Het was dan wel de glimlach van een veroordeelde, die een gettovader toen kon opbrengen, maar toch ontdekte de gast er ook iets in van de voldoening van iemand die erin slaagde zichzelf te overwinnen…

Ja, voor zover een gettovader in die tijd nog in staat was om te glimlachen, zeker wanneer hij zijn eigen zoon eigenhandig bloot moest stellen aan het gevaar van een mes, vond hij, Mejlech Magnoes, na met gemengde gevoelens toestemming gegeven te hebben, nog de moed een angstige glimlach op te brengen.

. . . Als getuigenis en bewijs moet de beschrijving hier heel even onderbroken worden. Om te laten zien op wat voor mond die glimlach verscheen, kan hier een foto dienen van Mejlech Magnoes en zijn zoon die uit die tijd bewaard gebleven is.

Een foto? Uit die tijd?

Ja, een fotograaf die in hetzelfde gettohuis als Mejlech Magnoes woonde, waar hij vroeger een atelier had gehad dat na de komst van de bezetter verwoest was, had van zijn hele vroegere bezit alleen nog een klein cameraatje over, dat in een hoek zielig lag te verstoffen; die fotograaf herinnerde zich van tijd tot tijd dat hij dat mooie toestelletje nog had, pakte het dan soms op en vroeg degene die toevallig in de buurt was te poseren, omdat hij van iemand een portret wilde maken.

‘Ik doe het voor niets,’ zei hij altijd. ‘Geen probleem,’ voegde hij er dan aan toe, als hij iemand gevonden had en als die ander er dan onderuit probeerde te komen door te zeggen: ‘Maar wie heeft daar nu wat aan?’ overtuigde hij hem altijd met: ‘Daar hebben we nog plezier van… Later, als we van de ellende bevrijd zijn en de mensen willen weten hoe wij er toen uitzagen.’

En die fotograaf had op een een rustdag Mejlech Magnoes en zijn zoon samen een keer op de foto gezet en toen hij zijn niet-betalende klanten vriendelijk verzocht een paar minuten voor zijn camera te poseren, kon Mejlech Magnoes dat niet weigeren, al had hij er toen natuurlijk net zo weinig zin in als alle anderen.

Je zag dat de fotograaf zowel bij het fotograferen als het retoucheren moeite had gedaan om een behoorlijke foto te maken van iemand die hij blijkbaar kende en voor wie hij groot respect had, omdat hij wist wie hij voor zich had en waarin die man zich van anderen onderscheidde; hij wilde een goed portret maken en voor nu of voor later een stukje vakwerk leveren waar hij trots op kon zijn.

Dat was hem gelukt… En nu hebben we als getuigenis deze foto, die een idee geeft van wat er in onze tijd gebeurd is in een groot deel van Oost- en West-Europa en bewijst hoezeer de moderne Hunnen die van vroeger overtroffen hebben.

Op het eerste gezicht is het helemaal niet zo geweldig… Op de foto zie je twee mensen: een vader met zijn zoon. De vader is niet vermoord, net zo min als zijn zoon; de vader ziet er alleen uit als iemand die uit de dood is opgestaan om te laten zien hoe je kijkt als je uit de andere wereld komt… Mejlech Magnoes, die van jongs af aan zijn haar gladgekamd gedragen had met iedere haar op zijn plaats en die ook op hogere leeftijd niet van die nette gewoonte was afgeweken, had nu helemaal verwaaid haar, dat wel een borstel leek; je hoefde maar één keer naar de foto te kijken om die blik te zien als van een hasjiesjverslaafde die ontnuchterd is, maar nog een tijd in zijn halfversufte, verdwaasde verwarring verkeert, of van Ahasverus op het moment van zijn diepste wanhoop, als hij ziet dat hij veroordeeld is tot eeuwig leven en eeuwig zwerven zonder rust, zonder verlossing…

Maar nog verschrikkelijker om te zien is de zoon: al is hij nog jong en uiterlijk nog niet zo aangetast door de vervloekte werkelijkheid, hij werpt een meelijwekkende blik op de man die naast hem staat en zijn hand op zijn schouder legt, alsof hij al niet meer de hand van zijn levende en altijd zo geliefde vader voelt, maar die van een dode, die je zowel uit verdriet als uit angst liever uit de weg gaat.

Genoeg nu over de foto en die glimlach van Mejlech Magnoes.

Maar hoe dan ook, zolang zijn zoon nog zijn zoon was en zolang zijn vader hem voor ogen had, iedere morgen voor hij naar zijn werk ging en ’s avonds als hij thuiskwam, hamaar d hij genoeg aan het genoegen van het zien, terwijl hij al zijn arme zintuigen op de een of andere manier van indrukken moest voorzien.

Maar later, toen de zoon zo bij het veeleisende en allesverslindende ondergrondse werk betrokken werd dat hij geen minuut meer over had om zijn vader blij te maken met zijn aanwezigheid, omdat hij ’s avonds, als hij vrij was van dwangarbeid, naar de vergaderingen moest, waar altijd besproken werd wat er vandaag en gisteren van de plannen terechtgekomen was en ook te bekijken wat er morgen en overmorgen moest gebeuren, toen zijn vader hem niet alleen ’s avonds, maar ook niet meer ’s morgens bij zich had, als zijn zoon zelfs vóór zijn werk altijd ergens heen moest, toen begon het oor van zijn vader berichten op te vangen over vele mislukte acties zowel in de stad als in het getto, waarbij verzetsmensen op heterdaad betrapt waren bij het dragen of doorgeven van dingen die door de bezetter verboden waren, en ook over verzetsmensen die hun illegale activiteiten duur hadden moeten betalen…

Als iemand toen een blik had willen werpen op Mejlech Magnoes, de vader van een enige zoon, die nu met bovengenoemde activisten meewerkte, had hij het advies gekregen: doe dat maar niet, kijk maar niet hoe een man die zich al zo van de wereld heeft afgekeerd dat hij geen woord meer tegen zijn zoon hoeft te zeggen of zelfs maar een blik op hem hoeft te werpen, wanneer die zich soms vrijmaakt om een hele avond of een deel daarvan bij zijn vader te zijn en hem op de een of andere manier toch een beetje troost te bezorgen.

Hij leek zijn zoon niet op te merken, natuurlijk uit liefde, omdat hij zag en voelde dat de laatste draad met het laatste wat hij had ieder moment kon worden afgebroken.

 

***

En uiteindelijk gebeurde er wat hij, Mejlech Magnoes, de vader, al een tijd voorvoeld had en wat hij bevend zo ver mogelijk uit zijn gedachten had verbannen.

Het gebeurde toen hij, de jongen, van het verzet opdracht had gekregen om dingen het getto binnen te smokkelen, dingen die hij op zijn werk had kunnen bemachtigen, wat illegaal en uiteraard levensgevaarlijk was; op een dag kwam hij met onder zijn jas zo’n voorwerp, een geweer of iets dergelijks, bij de poort van het getto aan, waar de mensen die uit de stad kwamen altijd gefouilleerd werden, en hij werd betrapt.

Onder de fouillerende politieagenten bevond zich toen een doortrapte duivel, iemand die alle trucs en kunststukjes kende van degenen die terugkwamen en iets verbodens het getto binnen wilden smokkelen, en die vond de zoon van Mejlech Magnoes verdacht.

Hij beval hem uit de rij te stappen en bij hem te komen om zich te laten fouilleren. En toen de jongen eerst vergeefs probeerde zich tussen de andere mensen te verstoppen en toen hij zag dat dat niet lukte een poging deed om te ontsnappen, in de wetenschap dat hij weinig kans maakte en dat het slecht zou aflopen, gezien het voorwerp dat hij bij zich had, probeerde hij weg te rennen, waarop de politieman met zijn geweer al in de aanslag ‘Blijf staan! Halt!’ riep en toen de jongen niet luisterde en niet bleef staan, vuurde de ander een paar kogels op hem af, een in zijn rug en een in zijn hoofd bij zijn nek, en na die twee schoten leek de jongen ‘Papa!’ te roepen, waarna hij dood neerviel en het afgelopen was…

Toen iedereen in het getto die avond wist wat er gebeurd was, behalve de vader, omdat niemand de moed had het hem te vertellen, toen de bezetters wisten wie er neergeschoten was, waar hij woonde, en bij zijn vader huiszoeking kwamen doen in de veronderstelling dat ze bewijzen zouden vinden voor de connecties van het slachtoffer met zijn medestanders op de zwarte lijst, vertelden ze zijn vader niets en lieten hem in de waan dat zijn zoon levend gearresteerd was, dat wil zeggen zonder bewijs van schuld, en dat ze eigenlijk alleen maar inlichtingen kwamen verzamelen.

Toen de rechercheurs weg waren kreeg de vader bezoek van dezelfde secretaris van de Joodse Raad die kort tevoren bij hem was geweest met een missie, namelijk om hem te informeren en hem ervan te overtuigen dat het verzetswerk van zijn zoon in ieder opzicht wenselijk was, omdat zowel hijzelf als alle anderen er baat bij hadden. Nu kwam diezelfde secretaris met een volgende missie: hem vertellen wat er gebeurd was, zo rustig mogelijk en zo gebracht en geformuleerd dat hij, de vader, Mejlech Magnoes, zich bij het horen geen beroerte zou schrikken.

Bij zijn binnenkomst zag hij op het gezicht van de vader alleen het verdriet dat gebleven was nadat de bezetters vertrokken waren en hem in de waan gelaten hadden dat zijn zoon een ongeluk had gehad, zonder te zeggen wat er precies gebeurd was… Toen de secretaris dat op het gezicht van de vader zag, wilde hij een moment rechtsomkeert maken, omdat hij de moed en de woorden niet had om de waarheid te vertellen… Maar al gauw beheerste hij zich, want hij beschouwde het als zijn plicht dat zelf te doen om te voorkomen dat de vader het van anderen zou horen.

Toch kon hij eerst niet uit zijn woorden komen, omdat hij niet wist hoe hij beginnen moest en zelfs niet hoe hij de ander aanspreken zou. ‘Pani Magnoes, meneer Magnoes, kameraad Magnoes,’ stamelde hij, tot hij uiteindelijk de zelfbeheersing vond om af te maken wat hij begonnen was.

‘Tja, eh,’ zei hij, hoe moeilijk het voor hem ook was om het te vertellen, het moest toch, want er was geen weg terug… Mejlech Magnoes moest proberen flink te zijn als hij hoorde dat zijn zoon het ergste overkomen was… Hij was niet de eerste en zou ook niet de laatste zijn. Een troost was misschien dat hij bij het vervullen van een waardige taak met opgeheven hoofd was omgekomen.

Wat had de secretaris anders moeten zeggen? Hij zag alleen maar dat de gezichtsuitdrukking van de vader, die van een veroordeelde, bij het horen van het bericht vrijwel niet veranderde en dat de vader zich niet ter aarde wierp. Hij beukte niet met zijn hoofd tegen de muur. Hij liet zijn hoofd alleen nog wat meer hangen dan anders, alsof hij zwijgend het laatste aanvaardde wat het onvermijdelijke lot hem had toebedeeld. Even later sloeg hij zijn ogen op naar degene die hem het nieuws had meegedeeld en vroeg alleen maar:

‘Meneer de secretaris, denkt u dat ik hem mag zien en de begrafenis mag bijwonen?’

‘Ja,’ antwoordde die, al wist hij dat de bezetter de familieleden of anderen niet zo makkelijk toestemming gaf zo iemand naar zijn laatste rustplaats te begeleiden.

Toen vertrok de secretaris en zag erop toe dat alles geregeld werd zoals hij toegezegd had en voor morgen of overmorgen, als ze toestemming kregen voor een behoorlijke begrafenis, kon de secretaris het zo regelen dat hij, de vader, mee mocht rijden met de lijkwagen die de doden uit het getto naar de joodse begraafplaats bracht, zogenaamd als iemand van het begrafenisgenootschap, een doodgraver.

Onnodig te zeggen hoe de confrontatie van de vader met zijn zoon was, toen die op de lijkwagen werd gelegd, onbedekt en in dezelfde kleren als toen de kogel hem getroffen had, omdat er onder die omstandigheden natuurlijk veel doden waren en weinig respect, waardoor ze niet de gebruikelijke behandeling kregen: ze werden niet gewassen, niet aangekleed, en alleen maar zo goed en zo kwaad als het ging begraven.

Onnodig ook te zeggen dat er behalve de vader niemand meeging, zelfs niet van de naaste familieleden. Vermeldenswaard is alleen dat toen de lijkwagen met de dode weg zou rijden, de voerman op de bok de vader een seintje gaf om naast hem te komen zitten, zoals was afgesproken door de Joodse Raad en de betreffende officiële instanties, want hij, Mejlech Magnoes, was zogenaamd een van de mensen van het begrafenisgenootschap, een doodgraver…

Nadat de voerman dat seintje gegeven had, leek het minutenlang alsof Mejlech Magnoes het gebaar niet begrepen had, totdat de voerman hem nogal grof toeriep: ‘Ga zitten, wat sta je daar nou, kerel?’ Toen ging hij zitten, zo stil en met zo’n uitdrukking op zijn gezicht dat de voerman, die gewend was aan de dood en aan begeleiders van doden, zeker de laatste tijd in het getto, zich bij het kijken naar degene die naast hem zat nog veel ongemakkelijker voelde dan wanneer ze een lijk naast hem hadden neergezet.

Hij zweeg, de vader, tot ze met speciale toestemming de poort van het getto uitgereden waren. Hij zweeg ook de hele tijd dat de lijkwagen door de stad reed en keek niet achterom om te zien wie daar lag en hoe hij lag; hij keek niet achterom en niet vooruit, alsof hij niet meer over zijn gezichtsvermogen beschikte. Pas toen ze de stad uit waren en koers zetten naar de begraafplaats, keek de vader, de medewerker van de voerman op de bok, plotseling om naar de laadbak en bij het zien van degene die daar lag, onbedekt en in dezelfde kleren waarin hij, zijn vader, hem altijd gezien had, keerde hij zich naar de voerman en zei:

‘Een ogenblikje, meneer… Ik wil even naar hém toe…’ Hij wees met een vinger naar de dode, die niet in een kist werd vervoerd, maar los in de laadbak.

Zo gezegd, zo gedaan, en voor de voerman een woord kon zeggen stapte de ander vlot, zelfs vlotter dan zijn leeftijd hem toestond, van de bok in de laadbak van de lijkwagen, en wat de voerman nog nooit had gezien bij iemand die bij zijn verstand was en zelfs niet bij iemand die niet bij zijn verstand was, zag hij nu: de vader ging naast zijn zoon liggen als naast een levende.

De voerman zette de lijkwagen stil, stapte af en probeerde de gek geworden passagier tot rede te brengen en weer terug te krijgen op zijn plaats op de bok, maar zijn pogingen waren vergeefs; of hij nu hoog of laag sprong, zijn medepassagier kwam niet in beweging en wilde niet luisteren, tot de voerman bijna op de grond spuwde en zei: ‘Die vent is gek…’ En ten einde raad klom hij zelf weer op de bok om de paarden aan te zetten, en nadat hij de weg naar de begraafplaats in de gebruikelijke tijd had afgelegd arriveerde hij ten slotte bij de poort, niet met één dode, maar met twee tegelijk.

Met veel moeite scheidden de mensen van het begrafenisgenootschap de vader van zijn dode zoon. En toen dat uiteindelijk gelukt was en de dode zo goed en zo kwaad als het ging verzorgd was en toen ze hem naar de groeve brachten – een graf voor hem alleen, wat onder die omstandigheden iets bijzonders was en een voorrecht, blijkbaar door de Joodse Raad geregeld voor iemand die dat gewoon verdiend had – toen ze de dode naar het graf brachten, hem erin lieten zakken en het dicht begonnen te gooien, zweeg de vader, die de hele tijd als versteend stond, zoveel mogelijk. Maar toen het graf ten slotte al half dichtgegooid was, kwam hij plotseling in beweging, stapte naar voren en ging met beide voeten in het half gevulde graf staan. ‘Gooi maar dicht, mensen,’ zei hij, ‘wat maakt het uit…’ Hij wilde alleen maar als grafsteen op het graf van zijn zoon blijven staan.

Natuurlijk kregen ze hem ook daar op de een of andere manier uit, al kostte dat veel moeite.

En hier hadden ze het deksel van de doodkist ook boven hem, de vader, mogen sluiten, nadat de aarde zijn enige zoon, het enige wat hij bezat op deze wereld, toegedekt had. Maar dat gebeurde niet, want het gaat nu eenmaal niet altijd zoals je wilt.

 

***

Enige tijd later kon je Mejlech Magnoes aantreffen in een bunker, een vakkundig bouwwerk van een ervaren vakman, een bouwkundig ingenieur, die niet alleen beschikte over de vereiste kennis, maar blijkbaar ook over de materialen die voor zo’n gebouw nodig zijn.

De bunker was gebouwd als een grot in een grot. De eerste grot begon bij een trap naar beneden, verborgen onder een huis aan een zijstraat en als je die afgelopen was kwam je eerst bij een gecamoufleerde deur in een muur, waarachter gangen en smalle doorgangetjes leidden naar een zwaarbeveiligde ruimte; zelfs de meest ervaren spion kon van buiten geen licht zien en geen stem horen en zelfs de best afgerichte speurhond kon met zijn gevoelige neus geen spoor daarheen ontdekken.

De bunker lag wel in de buurt van de stedelijke riolering, waaruit heel wat vocht en stank doordrong en vooral een massa ratten, zwarte, grijze, gele, oude en jonge met spitse snuiten en dikke buiken, die niets anders wilden dan ongehinderd ronddarren; je kon niet van ze afkomen en ze zelfs niet weghouden bij de etenswaren, maar omdat je geen keus had, moest je maar aan ze wennen.

Daarentegen waren de voorzieningen daar in alle andere opzichten voorbeeldig, voor zover het woord “voorbeeld” hier op zijn plaats is.

Je vond er twee rijen kamertjes tegenover elkaar, als kloostercellen, waarvan de muren, de plafonds en de vloeren met hout bekleed waren. Vanzelfsprekend werd het hele bouwwerk verlicht door elektriciteit, die ze gratis konden afnemen bij de centrale van de stad, en er waren nog veel meer gemakken, zoals een keuken en andere gemeenschappelijke voorzieningen.

Er was woonruimte voor een paar gezinnen en alleenstaanden, en alles werd bekostigd door de ons welbekende Boris Grosbaitl, die er een stuk ouder en fletser uitzag en lang niet meer zo’n verzorgde, volle baard had als vroeger.

Nadat het getto ingericht en de joodse bevolking haar onroerend goed afgenomen was, had Boris toch nog veel eigendommen uit handen van de bezetter weten te houden, zoals contant geld en compacte kostbaarheden, die hij met vooruitziende blik had kunnen kopen, wetend met wie ze hier te maken zouden krijgen en niet wetend hoe lang de rampspoed zou duren.

Hier moet natuurlijk wat uitvoeriger verteld worden over Boris.

Hem was hetzelfde overkomen als Mejlech Magnoes, alleen met een meisje, even oud als de zoon van Mejlech Magnoes. Ze was een geboren schoonheid, die op haar vader leek en al op haar veertiende, vijftiende een aantrekkelijke, liefdevolle persoonlijkheid was, die net zo’n levensgenieter leek te worden als haar vader.

Ze werd toen al voortdurend omringd door een zoemende zwerm jonge mannen, wat haar onbewust vleide en een speelse blos op haar wangen bracht, die anders de verzorgde bleekheid vertoonden die ze van haar vader geërfd had.

Ze groeide uit tot een ranke den en wie haar zag kon zijn ogen niet van haar afhouden, ook al wilde hij dat.

Zelfs de altijd afwezige en in zichzelf gekeerde geleerde Mejlech Magnoes, met wie haar vader Boris nog steeds als vriend en mecenas omging, bij wie hij vaak op bezoek ging en die hij af en toe thuis ontving, zelfs die Mejlech Magnoes had haar, toen ze de verstrooide professor een keer onder ogen was gekomen, beschouwd als een natuurwonder dat hem als oudere man aangenaam verrast had.

Ze verraste hem vooral en bezorgde hem prettige vaderlijke gevoelens als hij haar later samen met zijn opgroeiende zoon zag, die even oud was als zij en blijkbaar naar dezelfde school ging; dan zag hij dat de jongen bij haar paste, hoe hulpeloos, sprakeloos en verrast hij altijd naar haar keek en hoe ongedwongen en vertrouwelijk zij met hem omging, bijna als met een broer.

Mejlech Magnoes was als vader in stilte gevleid door de manier waarop die twee met elkaar omgingen, zijn zoon als stille aanbidder en zij haast als een zus en voorlopig nog zonder enige bijgedachte.

Hij was gevleid door de gedachte dat het later misschien wel iets zou kunnen worden tussen die twee…

Ook Boris, de vader van het meisje, zag dat blijkbaar graag en leek er niets op tegen te hebben als Mejlech Magnoes’ zoon de man van zijn dochter zou worden en Mejlech Magnoes zelf de schoonvader van zijn dochter.

Uiteindelijk zouden de sterren van zowel de ouders als de kinderen gunstig kunnen staan… Dan zou het wat je noemt toire oegdole bemokem eched zijn: geleerdheid en rijkdom verenigd, tot genoegen van beide ouders en ook tot geluk van het jonge meisje, dat hij zeker in ere zou houden volgens de overgeërfde amoureuze traditie van zijn vader, en zij zou met haar ranke gestalte als een boom opbloeien en hem gelukkig maken en schaduw geven.

In de toekomst had het zo kunnen gaan. Er waren al tekenen die daarop wezen. Maar… ergens was blijkbaar anders beschikt.

De oorlog brak uit, met alle gevolgen voor iedereen en in het bijzonder voor de joden, Boris en Mejlech Magnoes natuurlijk niet uitgezonderd. Wat er met Mejlech Magnoes’ zoon gebeurde is al bekend, en wat er met Boris’ dochter gebeurde zal de lezer weldra te weten komen.

Haar vader had jarenlang zaken gedaan met niet alleen de joodse inwoners van de stad, maar ook met de niet-joden, en toen de ramp uitbrak en de verordening kwam dat de joden hun woningen in de stad moesten verlaten om te verhuizen naar het voor hen bestemde getto, vond Boris dan ook een niet-jood die zijn dochter in bescherming wilde nemen, zogenaamd als familielid, onder een schuilnaam, om haar veiligheid en welzijn in het veilige arische milieu te garanderen, waarvoor haar vader natuurlijk goed betaalde en bij zijn vertrek naar het getto een genereus bedrag overmaakte op de rekening van de weldoener.

We weten niet of Boris’ arische vriend, na die bekende verordening van de bezetter dat op onderduikhulp aan een jood de doodstraf stond, hevig schrok en zich genoodzaakt zag de bescherming van diens dochter op te geven, of dat slechte buren verraad pleegden, tegen de wil van Boris’ goede vriend; in ieder geval viel Boris’ dochter al na één dag in handen van degenen aan wie niemand levend kon ontsnappen.

Een redelijke veronderstelling is echter dat haar joodse afkomst niet de enige reden voor haar arrestatie was, maar ook bepaalde ondermijnende activiteiten, waar Boris’ dochter bij betrokken was geweest nadat ze in contact was gekomen met mensen die haar hadden aangespoord of overgehaald en het kon ook nog zijn dat het initiatief van haar gekomen was, zonder dat iemand haar had overgehaald…

Ze was toch een kind van haar vader, die zielsveel van haar hield, haar vertroetelde, haar nooit iets onthield en haar naar de ogen zag. Voor haar opvoeding waren kosten nog moeite gespaard en buiten de school had ze privéleraren voor allerlei vakken als talen, muziek, dans en dergelijke. Op haar zestiende, zeventiende, toen de ramp uitbrak, had ze niet alleen meer algemene ontwikkeling opgedaan dan anderen van haar leeftijd en van minder bemiddelde ouders, maar ook nog groot respect voor haar volk, waarvan haar vader zoals gezegd niet vervreemd was en in de geest waarvan hij zijn kind had opgevoed om te zorgen dat ze er nauw aan verbonden bleef…

Toen ze zag wat haar vader en de hele joodse gemeenschap overkwam was het resultaat dan ook dat ze haar beschermde uitzonderingspositie niet accepteerde, maar die door de trots die ze in haar opvoeding had meegekregen en door de liefde voor haar vader juist als een zware morele druk ervoer.

Ja, ze vond haar bevoorrechte positie verstikkend en probeerde op een naïeve manier een helpende hand te bieden aan al haar lotgenoten, onder wie ook haar vader, die iemand leek met een besmettelijke ziekte, bij wie je niet in de buurt mocht komen.

Zoekt en gij zult vinden… Maar nee, zij vond geen middelen, maar werd zelf als middel ontdekt… Dat wil zeggen: ze werd door bepaalde arische kringen ontdekt als iemand die ze konden gebruiken voor illegale activiteiten en ook als iemand die zich zou laten gebruiken…

Ze waren wel degelijk op de hoogte van haar illegale status; ze kenden haar als iemand van wie de zogenaamde legaliteit aan een zijden draad hing: die kon ieder moment breken, omdat ze ieder moment door iemand verraden kon worden… Ze wisten ook in wat voor luxe ze was opgevoed door haar vader, van wie ze zielsveel hield en dat ze het heel erg vond dat hij nu van haar gescheiden was en zij van hem… En ten slotte wisten ze ook dat zij, die schoonheid, die zoveel mooie jurken had (omdat haar vader haar genoeg goede kleren meegegeven had voor hij afscheid van haar nam), absoluut geen verdenking zou wekken bij degenen voor wie je op je hoede moest zijn, maar dat ze juist veel succes zou kunnen hebben en dankzij haar schitterende verschijning altijd onder allerlei gevaren uit zou kunnen komen die anderen met een minder opvallend uiterlijk zouden treffen.

Met die wetenschap stuurden de mensen van bovengenoemde kringen een jongen van haar leeftijd op haar af om haar vertrouwen te winnen, en zij vertrouwde hem en liet zich overhalen om haar hart te volgen en de toch al gekwetste liefde voor haar vader en haar volk, waartoe ze zonder prikkel van buiten toch al geneigd was.

Ze volgde een bepaalde koers: ze werd belast met illegaal werk en kreeg altijd opdrachten die haar beter lagen dan anderen; als een schoonheid die ook nog zo elegant gekleed was slaagde ze er altijd in om dreigende gevaren uit de weg te gaan, wanneer ze op drukke locaties als theaters, cafés en clubs kwam waar anderen zich niet konden vertonen zonder te veel in de gaten te lopen.

Het doet er niet toe wanneer, na hoeveel tijd, hoe en bij welke missie ze gearresteerd werd; het doet er wel toe dat degenen die haar arresteerden met haar de felbegeerde sleutel tot allerlei geheimen in handen dachten te hebben, want ze zagen iemand voor zich die nog een kind was, waaruit ze goedschiks of kwaadschiks (natuurlijk eerder kwaadschiks) wel de nodige inlichtingen zouden krijgen…

Ze probeerden het eerst goedschiks, wat niet lukte: ze voelde te veel verantwoordelijkheid voor haar eigen mensen en te veel opgekropte haat en bitterheid tegenover de onderdrukkers en beledigers van iedereen om zomaar door te slaan. Daarbij was ze intelligent genoeg om te begrijpen dat ze na het aangeven van haar eigen mensen hoe dan ook hetzelfde lot zou ondergaan als zij.

Toen verhoorden ze haar terwijl ze halfnaakt was, zelfs zonder hemd, waardoor ze, beschermd opgevoed als ze was, bloed en tranen huilde… En toen ook dat niet hielp deden ze nog iets veel ergers met haar, wat haar half krankzinnig maakte, waarna ze de martelingen gevoelloos onderging en niet meer wist wat haar overkwam… Om kort te gaan: toen leverden ze haar uit aan een hele troep jonge mannen, die haar allemaal op dezelfde manier onderhanden namen en haar uithuwelijkten aan de strop.

En toen haar vader Boris hoorde wat zijn dochter overkomen was, scheurde hij eerst naar joodse gewoonte zijn kleren en liep lange tijd rond met gescheurde revers… Hij zat waarschijnlijk ook sjivve. Daarna herstelde hij zich en we weten we niet of hij zelf op het idee kwam of dat anderen het voorstelden, maar op één dag pakte hij verborgen kostbaarheden die hij naar het getto meegenomen had, taxeerde het goud en de edelstenen om de dagwaarde te bepalen, ging de volgende dag ergens staan waar de secretaris van de Joodse Raad langs zou komen, wachtte hem op en sprak hem aan om hem onder vier ogen iets strikt vertrouwelijks te vertellen.

Hij wilde met de secretaris iets vertrouwelijks bespreken.

‘U? Met mij?’ vroeg die verwonderd aan Boris, die er nu wel heel sjofel uitzag, zowel met zijn warrige baard als met zijn hele uiterlijk, want in het getto lukte het zelfs iemand als Boris niet om er verzorgd uit te zien.

‘Wat wilt u?’ vroeg de secretaris, terwijl hij zag hoe Boris, die bij iedereen bekend stond als een liberale filantroop en daarbij als een levensgenieter, die nooit voor iemand gêne of iets dergelijks leek te kennen en iedereen recht in de ogen keek, nu voor hem stond, halfverkreukeld en met lippen die begonnen te beven toen hij hem iets wilde vertellen.

Op de een of andere manier, zei Boris, kende de secretaris hem wel of had van hem gehoord… Hij was die en die… En hij kwam hem vertellen dat hij zijn hele vermogen, dat hij in stand had kunnen houden en naar het getto meegenomen had, ter beschikking wilde stellen van de zaak die ook hij, de secretaris, diende…

De secretaris moest hem niet vragen hoe hij op de hoogte was van diens dubbele bezigheden, de bovengrondse en de ondergrondse… Hij moest ook niet verbaasd zijn over het voorstel dat hem gedaan werd, want ook hij, Boris, was een beetje bij de zaak betrokken… En wel op een heel treurige manier… Misschien wist meneer de secretaris het niet, maar kortgeleden was zijn kind vermoord, met een groep jonge mensen, om een verzetsdaad… En hij kwam vragen of de secretaris bereid was zijn resterende vermogen over te nemen en er een zo nuttig mogelijke bestemming aan te geven; hij vertrouwde erop dat de secretaris dat zou doen… Hijzelf wilde alleen een bepaald bedrag reserveren om op de een of andere manier verder te leven en ook om een bunker te bouwen voor een paar mensen die hem na stonden en daarbij gaf hij de secretaris het recht ook van zijn kant mensen te recommanderen die hij daar onder wilde brengen.

Nadat hij dit allemaal gehoord had, keek de secretaris Boris een tijdje aan; hij kende hem wel en moest hem ook kennen in de functie waarin hij van hogerhand benoemd was en bovendien van vroeger, voor de inrichting van het getto. En wat Boris hier vertelde over zijn omgekomen kind was voor hem waarschijnlijk geen nieuws, omdat hij op de hoogte was van alles wat er gebeurde in het verzet, zowel in het getto als daarbuiten, in de stad.

Hij had dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de goede bedoelingen van Boris, die nu voor hem stond, omdat hij volkomen begreep hoe groot de wanhoop en de wraakgevoelens van iemand moesten zijn die op zo’n verschrikkelijke manier een kind verloren had.

Hij twijfelde niet aan Boris’ betrouwbaarheid en de goede bedoelingen achter zijn aanbod om alle mogelijke steun te verlenen aan de zaak waarvoor zijn kind gestreden had, weliswaar buiten zijn medeweten en zonder zijn instemming, maar post factum, nadat gebeurd was wat gebeurd was, onderschreef hij als vader de daad van zijn kind…

Daarom nam de secretaris Boris’ voorstel zonder aarzelen aan en wees het aanbod dat hij deed niet af…

Ze spraken af elkaar dan en dan nog een keer te ontmoeten om de gift die Boris voor bepaalde doelen had toegezegd in zijn geheel of gedeeltelijk in ontvangst te nemen. En ook met de tweede helft van Boris’ voorstel: het bouwen van een bunker, waarbij de secretaris het recht zou krijgen ook een paar door hem uitgezochte personen te recommanderen om daar onder te duiken, stemde de secretaris in; hij dacht er in nood verkerende kameraden onder te brengen, voor korte of lange tijd, afhankelijk van de situatie.

Hij dacht al na over een paar zogeheten civiele personen en daarbij zweefde hem de gestalte van Mejlech Magnoes voor ogen om daar in te kwartieren, al was dat niet nodig, omdat Boris al aan hem gedacht had en hem op zijn lijst had staan, omdat ze oude kennissen waren en bovendien omdat ze nu deelden in hetzelfde verdriet en dezelfde ellende.

Ja, ze waren bijna tegelijkertijd getroffen en een de weinige bezoekers die af en toe bij Mejlech Magnoes langskwamen om hem morele steun te geven was Boris, die hem troostte door hem te vergelijken met zichzelf en te zeggen dat hij er niet beter aan toe was en dat het natuurlijk anders had kunnen en mogen aflopen…

‘Zo…’ zei Boris altijd na een troostgesprek met veel stiltes, wanneer woorden verder tekortschoten en als Mejlech Magnoes, zelfs als zijn gespreksgenoot nog woorden had kunnen vinden, met een hoofd vol paniek was blijven zitten.

Want zo was het, na wat hem overkomen was, nadat hij de mensen van het begrafenisgenootschap gevraagd had om hem als steen op het graf van zijn zoon te laten staan, en ook nadat de doodgravers hem na de begrafenis naar de poort van de begraafplaats hadden gebracht om hem de weg terug naar de stad te wijzen, en hij als versteend was blijven staan, niet begrijpend wat ze tegen hem zeiden, waarop ze gezien hadden dat ze niets met hem konden beginnen, omdat hij al haast niet meer op deze wereld was, en begrepen dat hem daar laten staan betekende hem in de steek laten, omdat hij zou verdwalen en niet eens in de goede richting zou kunnen kruipen, waarna ze besloten hem met dezelfde lijkwagen als waarmee ze hem met zijn dode naar de begraafplaats hadden gebracht terug te brengen en hem te overhandigen aan de Joodse Raad.

Nadat ze hem teruggereden hadden naar het getto en met hulp van de secretaris van de Joodse Raad teruggebracht naar zijn woning, kon je hem een tijdlang in zijn huiskamertje zien zitten, afwezig en onverschillig tegenover alles wat er om hem heen in huis gebeurde, alsof hem niet meer aanging. En zo was hij ook als het hem wel aan zou moeten gaan, als bijvoorbeeld een paar van zijn studenten bij hem langskwamen om hem van dienst te zijn, hem ergens mee te helpen of hem eraan te herinneren dat hij schone kleren aan moest trekken enzovoort.

Een tijdlang gedroeg hij zich dommig, alsof hij niet goed bij zijn hoofd was.

In die tijd kwam ook de secretaris van de Joodse Raad een keer op bezoek om hem te troosten… Ofwel omdat de secretaris zich schuldig voelde nadat hij hem een keer had toegesproken en aangespoord om zich niet te verzetten tegen de wil van zijn zoon en hem zijn zelfgekozen weg te laten gaan, een weg die later fataal was gebleken, zowel voor de zoon als voor de vader, die zich niet tegen zijn zoon verzet had, waardoor hij de dood van zijn zoon juist bespoedigd had, wie weet hoeveel, ofwel omdat de secretaris zich tegenover Mejlech Magnoes een beetje schuldig voelde of gewoon medelijden en sympathie voelde voor de geleerde, die na de diverse Aktionen in het getto tot een zeldzame groep mensen was gaan behoren, en hij, de secretaris, die zelf uit een intellectueel milieu kwam, had na zijn zware en gevaarlijke werk in de Joodse Raad en elders vaak behoefte om bij zo iemand op bezoek te gaan en een gesprek over koetjes en kalfjes te voeren om zich een beetje te ontspannen en aan andere dingen te denken.

Hoe dan ook, juist in die tijd kwam de secretaris bij hem op bezoek, voor de vorm weer met een verordening van de bezetter betreffende het instituut, dat in feite al bijna ter ziele was, geplunderd, beroofd en geschonden door de bezetter.

Hij kwam binnen kort na zijn ontmoeting met Boris, die hem verteld had dat hij een goedbeveiligde schuilplaats wilde bouwen voor mensen die daar volgens hem, Boris, behoefte aan hadden, waarbij hijzelf als secretaris ook het recht kreeg om mensen te recommanderen die volgens hem in veiligheid gebracht moesten worden…

Bij zijn binnenkomst trof hij Mejlech Magnoes zoals gewoonlijk de laatste tijd diep in gedachten en toen hij nog in de deuropening naar hem keek was zijn eerste gedachte dat het misschien beter was hem niet te storen, hem met rust te laten, zijn bezoek uit te stellen tot een andere keer of misschien helemaal niet meer op bezoek te komen.

In zijn hoekje zat Mejlech voor zich uit te staren zonder iets te zien en zonder te merken dat er een min of meer vertrouwd iemand in de deuropening stond…

Uiteindelijk besloot de secretaris niet op te stappen om onverrichter zake weg te gaan, aangezien hij al tijd had vrijgemaakt om hier te komen. Maar hij moest Mejlech Magnoes, die daar zat te staren, wel eerst uit zijn dromerige toestand wekken…

‘Magnoes, beste vriend,’ zei de secretaris abrupt tegen de starende man, zonder twijfel of het vertrouwelijke woord “vriend” wel op zijn plaats was; hij gebruikte het immers niet om vertrouwen te winnen, als bij een zieke of een zwakzinnige. Nee, hij zei het oprecht, omdat hij iemand voor zich zag die meer willens dan nillens had bijgedragen aan de zaak die hem ter harte ging…

‘Magnoes, beste vriend,’ herhaalde hij om hem helemaal wakker te maken, ‘ik ben het, de secretaris van de Joodse Raad; ik ben al lang niet bij je geweest en nu kom ik iets met je bespreken.’

Toen zag de ander hem. Hij gaf hem een hand, maar de begroeting was koeltjes: een teken dat de gastheer niet met zijn gedachten bij de gast was en hem ook niet overdreven graag mocht.

‘Pak een stoel,’ waren de enige fatsoenlijke woorden die Mejlech Magnoes na de begroeting nog voor zijn gast overhad.

Die pakte een stoel, ging zitten en stak meteen van wal.

Hij had het erg druk gehad, anders was hij wel vaker op bezoek geweest… Hij maakte zich ernstig bezorgd om het slechte nieuws uit de betrouwbaarste ambtelijke bronnen dat dit getto binnenkort geliquideerd zou worden, net als bij veel andere al was gebeurd. Hij had zich met moeite vrij kunnen maken… En nu hij hier toch was moest Mejlech Magnoes hem maar niet kwalijk nemen dat hij hem eens duidelijk en klip en klaar vertelde waar hij een andere keer uitvoeriger bij stil zou staan: terwijl hij getuige was van wat de mensen hier tot nu toe allemaal door moesten maken en wist wat er nog gebeuren ging, zag hij, de secretaris, dat Mejlech Magnoes zich alleen maar om zijn eigen problemen bekommerde en het leek, met permissie, of de zee huilde dat een overvliegend vogeltje hem een druppel drinken had ontnomen…

Mejlech Magnoes moest hem, God verhoede, niet van harteloosheid verdenken en hem niet zien als iemand die hem zijn vanzelfsprekende recht wilde ontzeggen om te treuren over wat natuurlijk betreurd hoorde te worden, maar nogmaals: als hij als secretaris de ramp zag die zich hier voltrok en besefte dat niemand gespaard of gevrijwaard werd, dan leek de ander iemand die zich opsloot in zijn eigen wanhoop en iemand die zich beklaagde dat het dak lekte, terwijl buiten al veertig dagen de zondvloed heerste…

Hij verontschuldigde zich voor zijn scherpe woorden, die hij alleen maar gebruikte in het belang van een ander, om hem een ongemakkelijke waarheid te zeggen, zoals een dokter doet in het belang van de patiënt.

Hij als secretaris meende dat zelfs als je niet meer dacht in universele en algemeen-menselijke categorieën, die iemand als Mejlech Magnoes natuurlijk wel vertrouwd waren, en alleen besefte dat de engel des doods en de pest nu met bezems door de duizend jaar oude joodse gemeenschappen waarden om die aan te vegen tot ze judenrein waren, en als je wist dat uiteindelijk ook hij, Mejlech Magnoes, die tot nu toe door de bezetter bevoorrecht en gespaard was, zou moeten verdwijnen naar schandelijke plaatsen, waar geen gelegenheid was om zelfs je dierbaarste te betreuren, als je dat allemaal wist, was het dan niet verbazingwekkend dat iemand die nog ademhaalde en niet zoals anderen in dergelijke gevallen zijn eigen achterstallige rekeningen vereffende, dat wil zeggen zelfmoord pleegde, was het dan niet verbazingwekkend dat die niet het tegenovergestelde deed van wat hij nu deed, dat wil zeggen dat hij, als het dan moest, wilde lijden omwille van de waarheid en als hij dan niet meer kon strijden (omdat hij daar misschien niet meer toe in staat was), tenminste nog de waardige ambitie had om in leven te blijven tot hij zou zien hoe het reusachtige wereldspel, de strijd tussen Ormoezd en Ahriman, tussen licht en duisternis, zou eindigen?

Nee, zei de secretaris, hij zei het niet goed, hij drukte zich niet juist uit… Mejlech Magnoes wist toch wie hij was: een partijman, die het woord “spel” niet hoorde te gebruiken, omdat het in de oren van zijn eigen mensen, die een duidelijk doel voor ogen hadden en alles deden om het te bereiken, beledigend klonk en als een verzwakking… Tegenover hen, tegenover zijn eigen mensen, zou hij het zeker niet over zijn lippen krijgen, maar hier, voor hem, voor Mejlech Magnoes, iemand zonder partijboekje, veroorloofde hij zich dat wel, alleen om hem te overtuigen en hem aan de kant van de levenden te krijgen, waar hij als secretaris zijn gespreksgenoot zo graag zou zien…

Want ten eerste voelde hij zich tegenover hem een beetje schuldig en ten tweede: zelfs al was Mejlech Magnoes hem op zichzelf niet belangrijk genoeg, hij zag hem niet graag zo terneergeslagen en in de steek gelaten… Dat gunde hij de vijand niet… En ook al je medemensen verdienden niet dat de weinigen die hun hoofd nog niet kwijtgeraakt waren, dat hoofd moedeloos lieten hangen, verslagen door hun eigen rampspoed, al was die nog zo groot…

Hij als secretaris vertelde dat allemaal met het oog op de bunker, die zoals hij wist nu gebouwd werd voor een beperkt aantal mensen en eventueel ook voor hem, Mejlech Magnoes. Maar uit angst dat Mejlech Magnoes uit moedeloosheid en overschilligheid een daar aangeboden plaats zou weigeren, kwam hij hem vertellen dat het een vergissing zou zijn of nog erger als iemand zichzelf niet wilde beschermen, al was het maar om te zien hoe de wereld opgelucht zou ademhalen na de verlossing van de misdadige pest.

Mejlech Magnoes was ouder dan hij en al was hij als secretaris natuurlijk niet de man om hem de les te lezen, hij nam toch de vrijheid om dat onderwerp aan te snijden, om hem te laten zien hoe hij als secretaris iedere minuut, ieder moment het risico liep in handen te vallen van degenen van wie je wist wat je van ze kon verwachten, wat je niemand toewenste, en hoe hij danste op het slappe koord boven de afgrond, alleen om te gehoorzamen aan de strenge discipline van de leer, die eiste dat hij volhield tot het bittere eind, om de vijand duur te laten betalen voor de vele slachtoffers die hij gemaakt had, onder wie natuurlijk ook Mejlech Magnoes’ eigen slachtoffer.

Hij vroeg opnieuw excuus: het was natuurlijk niet fatsoenlijk om jezelf als voorbeeld te stellen voor anderen, maar nadat hij van buitenstaanders gehoord had dat Mejlech Magnoes zich als een slachtoffer gedroeg en nadat hij nu zelf gezien had dat driekwart van zijn verhaal het ene oor in en het andere oor uit ging, doordat Mejlech Magnoes geobsedeerd was door zijn eigen ellende, had hij zich de onbescheidenheid veroorloofd iets positiefs over zichzelf te vertellen, natuurlijk niet om daar prat op te gaan met een ijdelheid die in zijn kring niet te pas kwam, maar alleen met de bedoeling een laatste redmiddel te gebruiken om hem te overtuigen…

Dat was het dan en meer had hij had niet te zeggen, want dat was alles wat hij te vertellen had; voor zijn komst hier had hij niet gedacht dat iemand met zelfrespect zo bij de pakken neer zou kunnen zitten.

Mejlech Magnoes had de hele tijd dat de secretaris tegenover hem aan het woord was maar half geluisterd, blijkbaar meer niet dan wel. Maar toen de secretaris uitgesproken was sloeg hij zijn ogen op, keek hem een tijdje zwijgend aan en boog toen over de tafel waar de ander tegenover hem zat om hem, net als de eerste keer, toen de secretaris bij hem gekomen was om te praten over de missie van zijn zoon, zwijgend de hand te drukken om te laten zien dat hij de ander vertrouwde en het volkomen eens was met wat die zojuist gezegd had.

Een opmerkzaam oog had hier kunnen zien hoe er direct na de woorden van de secretaris iets als een frisse regen neerdaalde op Mejlech Magnoes’ lang verdorde bodem en dat hij tot nu toe weliswaar in diepe slaap was geweest, maar dat na diens woorden opeens, als door een wonder, zijn verstand en zijn belangstelling gewekt waren en ook het kleine beetje levensmoed, dat hij nog altijd in zich droeg.

Deze keer nam de secretaris na zijn verhaal niet meteen afscheid, maar bleef zitten voor een langer gesprek, waarin de wakker geworden Mejlech Magnoes hem tot in details begon uit te horen over de algemene toestand in het getto en zelfs ook over het bunkerproject, dat de secretaris hier ter sprake had gebracht, en daarop vertelde de secretaris hem dat het project eigenlijk niet door hem bedacht was, maar door Boris, die iedereen kende en met wie Mejlech Magnoes immers al lang bevriend was…

‘O ja? Is het Boris’ idee?’ Mejlech Magnoes was blij te horen dat Boris ook van de bunker op de hoogte was en in feite het initiatief tot de bouw genomen had…

 

***

En vanaf dat moment tot de voltooiing, dat wil zeggen tot het moment dat Mejlech Magnoes meegenomen werd naar de gereedgekomen bunker, die van alle gemakken voorzien was, leek hij een ander mens, iemand in wiens duisternis iets als een licht was gaan schijnen.

Hij keek weer helderder uit zijn ogen en praatte weer… En dat kwam waarschijnlijk niet doordat hij nu weer privileges en een betere verzorging kreeg, maar blijkbaar doordat het verdriet over de dood van zijn zoon al over zijn dieptepunt heen was, waarna de vermanende woorden van de secretaris hem de laatste duw in de goede richting gegeven hadden.

Het gebeurt immers wel dat een mens die diep in de put zit een ommekeer beleeft en opgewekt wordt, laten we zeggen door een opmerking van een ander op het juiste moment of zelfs door iets futiels, zoals een doodgewone vlieg die toevallig voorbijkomt, die hem zijn toestand doet vergeten en het omslagpunt in een ziekte wordt.

Ja, ook Mejlech Magnoes leek een ommekeer te beleven… Stil en ingehouden weliswaar, maar toch met een soort overdreven geëxalteerdheid, en voor een deskundig oog dat hem toen bekeken had zou die geëxalteerdheid net zo overdreven en onnatuurlijk zijn geweest als, laten we zeggen, de al te lange treurnis om zijn zoon…

Iedereen merkte dat Mejlech Magnoes zelfs op de gevaarlijke momenten van de nachtelijke razzia’s in die tijd, als het getto weergalmde van allerlei alarmerende geluiden, als de mensen elkaar wakker maakten om te waarschuwen voor de politie, die ’s nachts, als iedereen sliep, de slachtoffers van hun bed lichtte, omdat het moment zo gunstig was voor de jacht, als iedereen bleef waar hij was en zich niet verroerde, dat Mejlech Magnoes zelfs dan om onbegrijpelijke redenen in de algemene consternatie een soort eilandje van rust was en tegen zichzelf en ook tegen anderen zei: “Niets aan de hand… Het gaat voorbij…”

In die tijd hoorden ze hem zelfs vaak een liedje horen neuriën, en het was toch onvoorstelbaar dat iemand in het getto zomaar een of ander liedje ten gehore kon brengen, al was het dan zacht en ingehouden en alleen maar neuriënd.

Maar dat gaf niet, het stoorde immers niemand, ook hemzelf niet. Hij at in die tijd normaal en zelfs meer dan normaal, als er iets te eten was, en keek niet als vroeger weg, wanneer er gegeten werd, omdat hij het niet door zijn keel kon krijgen.

In die tijd ging hij ook op een normale manier met zijn buren om, met één eigenaardig trekje: als hij aan het woord was, gebeurde het vaak dat hij opeens een tijdje in gedachten verzonk en het gesprek het gesprek liet, alsof hij niet begonnen was, alsof hij niet meegepraat had en het gesprek een zaak van anderen was.

Maar ook dat gaf niet en niemand merkte er iets van, ten eerste omdat niemand het toen in zijn hoofd haalde om op andermans eigenaardigheden te letten en ten tweede omdat die paar genoemde afwijkingen, dus dat plotselinge geneurie soms en die afwezigheid midden in een gesprek altijd maar zo kort duurden dat je er zonder speciale aandacht voor iemands gedrag niet op lette, zelfs als je het merkte… Te meer daar Mejlech Magnoes zich in alle andere opzichten niet slechter of ongewoner gedroeg dan anderen, integendeel: je kon hem nu in een betere, opgewektere stemming zien dan vroeger, toen hij voortdurend gebukt ging onder verdriet.

 

***

En toen kwam het moment dat ze hem naar de gereedgekomen bunker moesten brengen, wat ze zelfs voor de naaste buren lang geheim gehouden hadden en natuurlijk helemaal voor vreemden, die hen hadden kunnen verdenken. Het had een aardige tijd geduurd voor ze het dubbele gat gegraven hadden en de afgegraven grond naar een geschikte plaats gebracht hadden om geen sporen achter te laten; het had ook een tijd geduurd voor ze na de graafwerkzaamheden de binnenkant hadden afgewerkt, voor ze de muren, de vloeren en de plafonds met planken hadden bekleed om de ruimte wat bewoonbaarder te maken.

En toen alles eindelijk klaar was en de anderen de ondergrondse schuilplaats al betrokken hadden en er nog één plaats over was om Mejlech Magnoes in te kwartieren, nam niemand anders dan Boris, die het initiatief genomen en de bouw bekostigd had, nam het op zich om hem erheen te brengen.

Met Mejlech Magnoes, die al oud was en in geval van gevaar niet erg snel, moesten ze extra voorzichtig omspringen… Voor de anderen was het ook geen kleinigheid geweest om zich na de afdaling naar de bodem van de eerste kelder klein te maken om op de een of andere manier door de rest van de nauwe gang te kruipen en de eigenlijke bunker te bereiken, dus met iemand als Mejlech Magnoes, die al bejaard was en niet over veel kruipvermogen beschikte, viel dat natuurlijk niet mee.

Het kostte zelfs al moeite om hem zijn huis uit te krijgen, wat ’s avonds moest gebeuren, voor de poorten van het getto dicht gingen en voor de avondklok in werking trad.

Boris nam het op zich om dat allemaal te organiseren, omdat hij in het getto een bekende figuur was en geen verdenking zou wekken als hij gezien werd, alleen en zeker met zo’n respectabel persoon erbij.

Hij ging voorzichtig te werk en lette goed op Mejlech Magnoes, nadat de secretaris er in ieder gesprek met hem over de toekomstige bewoners van de bunker op had aangedrongen met Magnoes nog meer rekening te houden dan met de anderen.

En zo haalde Boris hem van huis, waarbij hij tegenover de buren deed of zijn oude bekende bij hem ging overnachten, omdat ze hetzelfde hadden meegemaakt met hun kinderen en in een intieme omgeving hun hart eens voor elkaar konden uitstorten.

Ook op straat deed hij tegenover vreemden of ze voor zaken onderweg waren of naar huis gingen en wegens het late uur een beetje moesten opschieten om te zorgen dat ze niet werden aangehouden.

En hij bracht hem naar de woning waaronder, ergens achteraf en onzichtbaar voor nieuwsgierige blikken, de eerste kelder lag, waar ze doorheen moesten naar de nog lager gelegen kelder, waar zich de eigenlijke schuilplaats bevond.

Boris kroop vooruit om Mejlech Magnoes de weg te wijzen, wat hemzelf niet gemakkelijk afging met zijn nog enigszins gezette postuur van een rijke man en zijn nog brede schouders; al was hij tijdens zijn verblijf in het getto al aardig afgevallen, ze waren toch nog breed genoeg om problemen op te leveren die een jongere en slankere man niet gehad had. Maar hij kroop door. Hij kroop met in zijn hand een kaars, die telkens uitging en die zelfs als ze brandde niet meer dan een zwak schijnsel opleverde voor Mejlech Magnoes achter hem, omdat Boris de kaars voor zich uit hield en geen ruimte had om zich om te draaien en voor de man die achter hem aan kroop de weg te verlichten.

Ze kropen zo goed en zo kwaad als het ging door de eerste kelder en daarna door de tweede, tot ze met schaafwonden op de huid van hun handen en gezicht ten slotte de deuropening bereikten waar ze rechtop konden staan en naar binnen gaan.

Ze installeerden zich. Ieder kreeg een plaats toegewezen volgens een van tevoren opgesteld plan en toen Mejlech Magnoes aan de beurt was nam Boris hem net als onderweg onder zijn hoede als een hulpeloos kind dat niet voor zichzelf kon zorgen en stond te wachten tot een oudere hem hielp.

Toen werd Mejlech Magnoes volgens plan ingedeeld in het allerlaatste van de lange rij kamertjes, een eenpersoonskamer met een tafel van een paar planken op een in de vloer vastgezette poot en met ook een houten brits.

Hij kreeg ook licht, net als iedereen, en zelfs pen en inkt, omdat ze dachten dat iemand als hij daar zelf niet om zou vragen en in ieder geval de kans moest krijgen om te doen wat hij het beste kon, namelijk schrijven, dat misschien ook nog een troost voor hem zou zijn in zijn ondergrondse bestaan.

 

***

Het is overbodig om te vertellen hoe ze daar “leefden” en hun tijd doorbrachten, omdat dat met met meer kennis en kunde al gedaan is en gedaan zal worden door degenen die het bunker-“leven” zelf meegemaakt hebben en er met veel geluk aan ontkomen zijn.

Ook hier, in het geval van Mejlech Magnoes, is er zo iemand geweest, een student van hem die er heelhuids uit gekomen is en die uitvoerig en nauwkeurig verslag zou kunnen doen over de betreffende bunker, waarin zich behalve Mejlech Magnoes ook de genoemde Boris bevond, en zelfs ook de secretaris, die er uiteindelijk onderdak vond toen hij in nood verkeerde doordat in een laatste Aktion, waarin ook de Joodse Raad geliquideerd werd, alle andere vluchtwegen voor hem afgesneden waren.

Ja, die student zou hier veel kunnen vertellen, maar daar gaat het niet om. Het gaat hier om de kleine nalatenschap van zijn leraar, die hij had kunnen redden, en wel een bundel geschriften van Mejlech Magnoes, die tijdens zijn verblijf daar door zijn vrijstelling van alle andere werkzaamheden niets anders te doen had en fragmentarisch, niet systematisch of strikt geordend, bijgehouden had wat er op bepaalde momenten in hem opkwam, om dat op schrift te stellen.

Die enige overlevende student was daarna op een sjas-hakoisjer, dat wil zegge op het juiste moment, toen de stad waar dat getto zich bevond al bevrijd was, in de bunker afgedaald om daar met een kaars lang te zoeken… Hij had uit een muur een blikken doos gewurmd met een wanordelijke hoop papieren, die hij daar zelf verborgen had en met veel moeite was het hem gelukt de daar achtergebleven papieren chronologisch te ordenen, voor zover de data leesbaar waren of op de een of andere manier uit de inhoud afgeleid konden worden.

Toen hij daar eindelijk mee klaar was en de papieren ordelijk gebundeld had, gaf hij ze de Latijnse titel De profundis, omdat hij ontdekt had dat zijn leraar een fragment had ondertekend met “Een stem mimaämakim”, waarschijnlijk een citaat uit het bekende psalmvers mimaämakim kraticha adonai, dat betekende “Uit de diepte roep ik tot u, Heer”, en waarschijnlijk had hij in zijn toestand geen betere en toepasselijkere naam voor zichzelf kunnen vinden.

Dat was niet helemaal waar, want onder verschillende fragmenten had de student ook andere pseudoniemen aangetroffen; zo was er een fragment ondertekend met Troglodiet, een tweede met Ani hagever en een derde met “Ach is mijn naam

Zo waren er veel meer, terwijl de betekenis van al die pseudoniemen steeds dezelfde was, namelijk: de zo lijdende holenmens; wie weet hoeveel duizend of tienduizend jaar geleden het was dat een mens zoveel leed en onmenselijkheid te verduren had gekregen.

“Mejlech Magnoes,” schrijft de student in zijn korte inleiding tot de geschriften van zijn leraar, “nam de pen niet op om, zoals je zou verwachten, dingen te schrijven die verband hielden met zijn geloof, en zo een verbinding te leggen met zijn wetenschappelijke studie, maar alleen om verslag te doen van zijn gedeeltelijk heldere en gedeeltelijk duistere gevoelsleven, wat eerder zou passen bij een literaire auteur, wiens hoogste doel het was voortdurend zijn eigen zieleleven te onderzoeken om iedere rimpeling daarvan helder te formuleren en vast te leggen.”

Hier probeert de leerling te leraar te rechtvaardigen, alsof die dat nodig zou hebben; hier is immers sprake van sublimatie, dat wil zeggen het vermogen om ongewenste gevoelens en gedachten op een bepaald moment in goede banen te leiden, wat iemand kan doen ter afleiding of om psychische verschijnselen grondiger en langduriger te verwerken, wat overigens, zoals bekend, een van de gezondste instincten tot zelfbehoud is.

Dat was ook hier het geval bij zijn leraar Mejlech Magnoes en het resultaat was de bovengenoemde bundel geschriften, die de student met veel moeite bijeen had gebracht en op de juiste manier geordend.

 

1945-1946

Mejlech Magnoes: Bletter biografië (“Mejlech Magnoes: Biografische notities”). Uit: Widerwoeks, Dertseiloengen, Noveln (“Hergroei: Verhalen, Novellen”), Sovetski Pisatel’, Moskou, 1969, pp. 17-97.

Der Nister, “de verborgene”, was het pseudoniem van de Jiddisje schrijver Pinches Kahanowitsj (1884–1950). Hij werd geboren in Berditsjev in Oekraïne, verbleef lang in het buitenland en keerde in 1926 terug naar de Sovjet-Unie. Toen politieke druk het hem onmogelijk maakte om nog langer verhalen te schrijven in zijn fantastisch-symbolistische stijl, begon hij in de jaren 1930 aan een roman die tot op zekere hoogte beantwoordde aan de normen van het socialistisch-realisme. Van deze roman, Di misjpoche Masjber (“De familie Masjber”), verscheen deel I in Moskou (1939), maar deel II kon alleen in New York gepubliceerd worden (1948) en er is vermoedelijk een deel III geschreven, dat echter spoorloos is. De familie Masjber speelt in de jaren 1870 in een stad gemodelleerd naar Der Nisters geboorteplaats en behandelt de ondergang van een familie. In deze website zijn al zijn verhalen uit de jaren 1940 opgenomen, die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Ze schilderen op een subtiele manier vele aspecten van de jodenvervolging in het door Duitsland bezette Polen en Rusland, waarbij ze volgens getuigen gebaseerd zijn op historische gebeurtenissen. De meeste verhalen verschenen in de Verenigde Staten en pas lang na Der Nisters dood in de Sovjet-Unie, echter in een sterk gecensureerde versie, waaruit veel joods-religieuze elementen verwijderd waren. In het kader van de officiële liquidatie van de Jiddisje cultuur – in de nacht van 12 augustus 1952 zouden twaalf belangrijke Jiddisje auteurs vermoord worden – werd Der Nister in 1949 gearresteerd en naar een concentratiekamp gedeporteerd, waar hij in 1950 overleed.

 

Woordenlijst

 

Ani hagever, Ik ben de mens (die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn). Klaagliederen 3:1.

arisch, niet-joods en “raszuiver” volgens de nazi’s.

mimaämakim kraticha adonai, Uit de diepte roep ik tot u, Heer (Psalm 130:1).

Ormoezd en Ahriman, de goden van licht en duisternis in de zoroastrische religie.

pani, meneer (Pools).

sjivve zitten, rouwen.

Toire, de Hebreeuwse Bijbel.

troglodiet, prehistorische holbewoner.

1905, het jaar van de eerste Russische revolutie.