Koper achter IJzeren Gordijn

Koper
 

1

Ik schakel de richtingaanwijzer in en rijd de Autobahn Karl-Marx-Stadt – Plauen op. Lastig: de oprit van gladde keien is erg kort en een vluchtstrook ontbreekt. Deze Autobahn is nog uit de tijd van Adolf, zoals Helmut zegt. Op de verweerde, slecht aaneensluitende betonplaten gieren de banden een vierstemmig heksenkoor, begeleid door woeste slagen op de grote trom.

We zijn al vroeg uit Zwickau vertrokken. Naar “ganz unten”: Markneukirchen ligt in het uiterste zuiden van het land, vlakbij de Tsjechische grens. Mijn plannen om naar de stad van de muziekinstrumentenbouwers te gaan zijn al jaren oud, maar tot vandaag is het nooit van een reis gekomen. Markneukirchen is hemelsbreed niet eens zo ver van Nederland, maar de stad ligt in een uithoek tussen het Thüringer Woud en het Ertsgebergte en bovendien heb ik altijd opgezien tegen het gedoe bij het passeren van de Oost-Duitse grens.

De wielen boksen met de stuurstang, die op zijn beurt een gevecht aangaat met mijn polsen en schouders. Moet dit een autoweg voorstellen? Er zijn soms versmallingen, er ontbreken hele rijstroken en na de oorlog is er kennelijk niets meer aan onderhoud gedaan. Helmut en Theo zwijgen; ze lijken zich voor deze ongastvrije route te generen. Of misschien verbeeld ik me dat maar en denken ze aan heel andere dingen.

‘Kijk eens wat een klein, laag stuur, Theo,’ zegt Helmut tegen zijn vader, alsof hij mijn auto verkopen moet. ‘En de versnellingspook zit op de vloer.’

‘Mm,’ zegt Theo, terwijl hij heel even opzij kijkt.

Moeten we hem wel lastigvallen met technische verhalen? Maar waarom ook niet: deze hele dag is gewijd aan techniek, aan metaalbewerking om precies te zijn. In ieder geval zit Helmuts vader lekker en misschien is hij opgelucht dat hij zich een dag heeft kunnen vrijmaken uit zijn drukke gemeente. “Pfarrer” noem ik hem in gedachten steeds, want dat woord klinkt sympathieker dan het Nederlandse “dominee”. Voor zijn harde werken krijgt hij een loon dat ik eerder een fooi zou noemen en hij moet op huisbezoek in een Trabant, uit de fabriek vlak bij huis in Zwickau.

Duizenden heb ik er nu zien en horen rijden. Ik zou mijn auto niet graag willen ruilen voor een Trabant, maar verbazingwekkend vind ik het wel, het achterlijke neefje van Mini en Daf. Er wordt in binnen- en buitenland gelachen om het pruttelende wagentje, maar lang geleden was het een knap ontwerp en met zijn tweecylinder-tweetaktmotor en kunststof carrosserie even verbluffend van eenvoud als de Lelijke Eend. Alleen is de Trabant in de loop van de jaren niet echt gemoderniseerd.

Op een nieuwe moet de klant een jaar of vijftien wachten; een gebruikt exemplaar is onmiddellijk leverbaar en dus duurder. Ik moet denken aan een Berlijnse kennis, die een briefje van tien mark uit zijn portemonnee haalde en me de achterkant voorhield met de afbeelding van de jonge vrouw in de overvolle, ingewikkelde regelkamer van een energiecentrale. ‘Weet je wat dit is?’ ‘Nou?’ ‘Zie je het niet? Dit is een vrouw die per computer een nieuwe Trabant bestelt.’ Hij keerde het briefje om, zodat het eerbiedwaardige grijze hoofd van de oude communiste Clara Zetkin boven kwam. ‘En zo zag ze eruit toen hij geleverd werd.’

Ik heb een heel nieuwe moppencultuur leren kennen. De meeste grappen hebben waarschijnlijk al een lange baard, maar dat telt voor mij niet. ‘Weet je het verschil tussen kapitalisme en socialisme?’ ‘Nee?’ ‘In het kapitalisme wordt de ene mens door de andere mens uitgebuit; in het socialisme is het precies andersom.’ Ook leuk: ‘Het is geen wonder dat de mensen in onze republiek altijd zo moe zijn.’ ‘Hoezo?’ ‘Het gaat al veertig jaar aan één stuk door bergopwaarts.’

Ik grinnik hardop.

‘Wat is er?’ vraagt Helmut.

Ik vertel de mop. Hij kent hem nog niet en moet kort maar hard lachen.

De Pfarrer glimlacht. ‘Tja, er zullen in onze arbeiders- en boerenrepubliek wel meer dingen zijn die u absurd voorkomen,’ zegt hij opde rustige en nadrukkelijke toon die typerend voor hem is. Ik begrijp waar die manier van spreken vandaan komt: zijn vrouw is slechthorend, en bovendien moet hij zich in de grote Martin-Lutherkerk iedere zondag een preeklang zonder microfoon verstaanbaar maken. Hij schakelt over op een leuker onderwerp: ‘Weet u hoe de naam Markneukirchen is ontstaan?’

Ik schud mijn hoofd, terwijl ik het wegdek van de Autobahn naar die stad scherp in de gaten blijf houden.

‘Die heeft met de grens te maken. In het midden van de zeventiende eeuw gingen Boheemse vioolbouwers, die in de loop van de contrareformatie hun land moesten verlaten, zich in die streken vestigen. In de mark, het grensgebied, bouwden ze hun nieuwe kerken. In de achttiende eeuw begon de bouw van houten blaasinstrumenten, daarna die van waldhoorns. Die huisindustrie breidde zich in de negentiende eeuw geweldig uit en er werd zelfs veel geëxporteerd. Na de stichting van de huidige republiek werden in 1953 een paar particuliere firma’s samengevoegd tot het huidige VEB B&S.’

Het verhaal van de Pfarrer kan zo gedrukt worden. Tijd om naar VEB B&S – voluit “Volkseigener Betrieb Blechblas- und Signalinstrumenten-Fabrik” in Markneukirchen en Klingenthal te gaan, hebben we niet. Het lijkt me ook niet waarschijnlijk dat ze daar bezoekers rondleiden. En ik heb niet zo’n behoefte om verhalen aan te horen over produktiecijfers, die toch altijd hoog zijn en ieder jaar overtroffen worden. Interessanter dan de kwantiteit is de kwaliteit die ontstaat bij particuliere bouwers thuis. Helmut weet uit zijn hoofd al vier bouwers te noemen die niets anders dan trombones maken. Voor trompetten en hoorns zijn er minstens zoveel, en dan worden er nog strijkinstrumenten, tokkelinstrumenten, accordeons, strijkstokken, snaren, mondstukken en koffers gemaakt: alles wat musici nodig hebben. Zo’n concentratie is uniek in de wereld, zeker wanneer je er de Amati-fabriek net over de grens in het Tsjechische Kraslice nog bij rekent.

‘Hoe is het met uw vrouw?’ vraagt de Pfarrer, als we na een paar hellingen en passeermanoeuvres aan een rustiger stuk Autobahn beginnen.

‘Ze is bezig met de repetities van Don Giovanni.’

‘Hoe is ze zo bij de Komische Oper terechtgekomen?’ vraagt hij, kennelijk verwonderd dat iemand uit het Westen hier wil werken.

‘Het huis staat internationaal in hoog aanzien. Harry Kupfer regisseert ook wel eens in Amsterdam en Thea heeft hem daar een jaar of twee geleden gevraagd of ze in Oost-Berlijn auditie mocht doen.’

‘Er zijn vast wel operahuizen die beter betalen.’

‘Zeker, maar de opvattingen van de Komische Oper spreken haar aan: de zangers daar zijn geen galmende klerenkasten – die uitdrukking heeft een schrijver bij ons bedacht – maar zingende acteurs. Er is ook geen sterrencultus: een opera wordt uitgevoerd door een collectief. Ruim een jaar geleden, voorjaar ‘86, heeft Thea in Berlijn voorgezongen. Het ging naar haar zin en ook de dirigent en de regisseur waren tevreden: ze kreeg een aanstelling als vaste gastsoliste aangeboden. Nu is ze sinds februari, vijf maanden dus al, in Berlijn om een nieuwe produktie in te studeren en twee rollen in lopende produkties.’

‘Ze is dus wel erg lang van huis. Heeft ze het naar haar zin in onze republiek?’ vraagt de Pfarrer meesmuilend.

‘Ze heeft nog nooit zo hard en zo grondig gewerkt als onder leiding van Harry Kupfer.’

‘Dat vind ik fijn om te horen; wij menen altijd dat bij ons alles slechter is dan in het Westen.’

‘Dat is niet zo: waarom gaan we anders naar Markneukirchen? Het was voor haar wel wennen aan het wonen in de DDR, maar ze heeft in Berlijn al gauw vrienden gemaakt.’

‘Hoe hebben Helmut en u elkaar leren kennen?’

Ik ben er langzamerhand aan gewend dat Duitsers niet gauw tutoyeren. ‘Tussen de bedrijven door ben ik met mijn zoon Willem een week naar Berlijn gekomen. Op een vrije avond zijn we naar een voorstelling van La Bohème gegaan. U begrijpt dat ik als trombonist vooral lette op het orkest in de bak, dat ik vanaf het balkon goed kon zien. Kort voor het eind van de pauze, toen het grootste deel van het orkest al op zijn plaats zat, werd ik zo nieuwsgierig naar de musici en de instrumenten dat ik besloot even naar beneden te gaan om over de rand van de bak te kijken. De trombonisten zaten helemaal vooraan. “Ik ben ook trombonist,” zei ik. “Waar komt u vandaan?” vroeg de eerste trombonist. “Uit Amsterdam,” zei ik. Zo leerde ik Helmut kennen.’

‘Heel toevallig waren wij daar anderhalve maand eerder geweest,’ zegt Helmut. ‘Het was er vreselijk koud, maar wel heel interessant.’

‘Dat geloof ik,’ zegt de Pfarrer. ‘Maar ik kan er niet naar toe.’

‘We hebben na die voorstelling in Berlijn verder gepraat in de artiestenfoyer,’ vervolg ik. ‘We hebben iets gedronken en Helmut heeft op mijn verzoek zijn trombone gedemonstreerd. Dat was voor mij een bijzonder instrument uit een heel andere traditie.’

‘Ik heb toen het slot van La Bohème gespeeld met dat meedogenloze fortissimo,’ zegt Helmut.

Ik knik. ‘De muziek waarbij Thea als Mimi zal sterven, het komende seizoen. Helmut en ik hebben de volgende dag nog een afspraak gemaakt in de kantine. En omdat we niet verlegen zaten om onderwerpen van gesprek vonden we dat we de gedachtenwisseling maar per brief moesten voortzetten.’

‘Geen slecht idee,’ vindt de Pfarrer.

‘Meestal komt er van zo’n afspraak niet veel terecht,’ zeg ik. ‘De afstanden tussen de brieven worden steeds groter en je kunt de gedachtegangen van de ander niet goed meer volgen; uiteindelijk blijven alleen de ansichtkaarten in de zomer en de nieuwjaarswensen over.’

We rijden het stadje Oelsnitz binnen en ik moet me concentreren op de route. Helmut geeft als een goede dirigent beknopte en duidelijke aanwijzingen.

Het afgelopen halfjaar is er van eenrichtingverkeer tussen ons geen sprake geweest. Er komen interessante berichten uit Berlijn, de voorpost van het Oosten. En ik vertel Helmut van alles over het Westen; hij interesseert zich voor de gewoonste dingen – naar de hoek van de straat lopen en een paar partituurbladzijden kopiëren – die ik steeds minder vanzelfsprekend ga vinden. Ook kan ik hem veel materiaal bezorgen: stapels bladmuziek verhuizen naar Berlijn. Door de schaarste in de muziekhandels en de onmogelijkheid om zonder speciale relaties fotokopieën te maken kan hij er wat dat betreft niet veel tegenoverstellen.

Het wegdek is tot nu toe even slecht als gevarieerd geweest: verweerd beton, ondefinieerbaar materiaal vol gaten, koppige kinderhoofdjes, asfalt met de ribbels van een strand bij eb. Het laatste stuk van Oelsnitz naar Markneukirchen, waaraan we nu beginnen, lijkt beter: het is van nieuw, glad asfalt en de route heeft allerlei aantrekkelijke bochten, zodat er iets te sturen is. Bovendien wordt de weg omzoomd door mooie oude bomen. Er is hier van alles opgeofferd, maar die bomen staan er nog, dankzij de achterlijkheid van het verkeer.

 

2

De stad Markneukirchen ziet er heel gewoon uit. Ik had van een plaats met zo’n cultuur ook een buitengewoon aanzien verwacht. Het bijzondere van Markneukirchen speelt zich waarschijnlijk binnenshuis af, in de werkplaatsen. De grote fabrieken staan twintig kilometer verderop in Klingenthal en het Forschungszentrum – een woord waarbij ik me besnorde mannen met hoge boorden en knijpbrilletjes voorstel – in het plaatsje Zwota. Het enige opmerkelijke in het straatbeeld van Markneukirchen is een grote muurschildering met muziekinstrumenten.

De eerste bouwer die we zullen bezoeken is Horst Voigt. Helmut en Theo spreken de naam uit als Fookt. De man woont in het hoger gelegen deel van het stadje, dat ze de Berg noemen. Het gaat inderdaad steil omhoog.

Terwijl ik gedachten aan krassen over metaal onderdruk en de auto tussen de muurtjes van de erg smalle oprit parkeer, gaat de deur van het huis langzaam open; de meester verschijnt. Volgens Helmut is hij achter in de zestig, maar hij ziet er veel ouder uit: het gezicht lijkt op dat van een farao met een hoofdhuid die iets heeft van gelooid leer; het haar lijkt door een conservator aan het hoofd geplakt. De stem is dun en hees. De handen voelen ondanks de arthritis krachtig aan. Voigt stelt ons voor aan zijn vrouw, die er jonger en sterker uitziet dan hij en neemt ons mee naar zijn werkplaats. We kijken een tijdje in stilte rond: Horst Voigt is geen spraakzaam man.

Het hokje meet vier bij vier meter, wat niet betekent dat je er vier of zelfs maar twee meter kunt lopen; dit is een ruimte die me doet denken aan mijn eerste studentenkamer. En mevrouw Voigt lijkt op de hospita. Hoe kan iemand hier tussen de draaibank, de overladen werkbank en de rijen instrumenten, en met de dubbele ramen potdicht, werken zonder last te krijgen van claustrofobie? Het werk lijkt me ook voor het lichaam niet gezond: daar hangt de lepel waarmee Voigt het het hete lood in de buizen giet, om ervoor te zorgen dat ze bij het buigen niet worden platgedrukt. Een eeuwenoude, giftige traditie.

Horst Voigt laat ons allerlei pas voltooide instrumenten zien en zien is iets wat muzikanten met hun handen willen doen. We houden de instrumenten van de meester vast alsof het werkstukken van een goudsmid zijn. De kordate mevrouw Voigt haalt een dik, gebonden album met foto’s van alle instrumenten en geeft het ons ter inzage. Vol schuchtere trots, de ene hand met de andere masserend, wacht Voigt op onze reacties. Hij blijkt alle denkbare koperen blaasinstrumenten te hebben gebouwd, van de kleinste trompet tot de grootste tuba en er zijn zelfs historische koperinstrumenten als serpenten bij. Aan ieder model moeten veel berekeningen en proefnemingen voorafgegaan zijn. Ik ben ervan overtuigd dat ieder instrument goed werkt, stemt en klinkt. Er zijn ingenieuze details in ventielen en overbrengingen. Zo is er een trompet die gewone drukventielen lijkt te hebben; maar onder de drukknoppen zitten hefboompjes verborgen die draaiventielen bedienen. Kennelijk heeft Voigt deze constructie moeten bedenken omdat drukventielen niet leverbaar waren. Wat zullen er in de loop van de eeuwen veel uitvindingen en uitvindinkjes gedaan zijn door vergeten ambachtslieden in deze stad! We praten zacht, uit respect voor de meester en door de benauwdheid in het kleine werkplaatsje. Als het fotoalbum uit is en de koffie op, nemen we afscheid.
 

3

Overal waar we komen maakt de Pfarrer dia’s; ze moeten een serie worden. Die reportage is mijn idee. Helmut en zijn vrienden van het Berolina-Posaunenquartett hopen paspoorten te krijgen om een cursus in Zwitserland te kunnen volgen, waar de Joegoslavische trombonist Branimir Slokar een meesterklasse zal geven. Die paspoorten krijgen ze misschien wel – ze horen dat dan de dag van tevoren – maar het probleem is dat ze geen mogelijkheden hebben om aan harde valuta te komen, echt geld, zoals ze dat noemen. Hun eigen geld mogen ze niet meenemen en dat heeft ook niet de minste zin, want het is in het Westen waardeloos. De organisator van de cursus wil de vier wel helpen, maar ze zullen in het dure Zwitserland nog extra geld nodig hebben.

‘Ik speel desnoods op straat met een pet voor me,’ bedacht Helmut.

‘Je bent gek,’ zei ik. ‘De solotrombonist van de Komische Oper die uit bedelen gaat! Is het niet een idee om in Markneukirchen een fotoreportage te maken over de instrumentenbouwers en aan de hand van de dia’s een voordracht te houden tegen betaling?’

Hij keek me verbluft aan. ‘Zoiets kan alleen een buitenlander bedenken.’

Het trombonekwartet is voor alle vier belangrijk, onder andere om tournees in het Westen te maken. Financieel levert zo’n reis weinig op, omdat een groot deel van het honorarium naar het onverzadigbare staatsimpresaririaat moet, maar het is een unieke gelegenheid om over de grenzen te kijken. Normaal gesproken kunnen ze hier alleen op vakantie naar Tsjechoslowakije of Hongarije; Polen is al bijna ontoegankelijk, want te liberaal. Naar het Westen mogen ze pas wanneer daar een familielid van ze overleden is of wanneer ze de 65 bereikt hebben. Voor het station Friedrichstrasse in Berlijn heb ik lange rijen gepakte en gezakte bejaarden gezien: geen verheffend gezicht. Het leek wel oorlog.

Ons geplande bezoek aan het Muziekinstrumentenmuseum van Markneukirchen gaat niet door: aan het hek hangt een bordje met de mededeling dat het museum wegens reorganisatie gesloten is. Ik heb zulke bordjes vaker gezien. We kunnen het Paulusschlösschen, een elegant barokgebouw met mansardedaken, nu alleen van buiten bewonderen.

‘Dan maar naar de Migma,’ besluit Helmut na een krijgsraad in de auto. ‘Het heeft waarschijnlijk weinig zin, maar je kunt nooit weten.’

De Migma, heeft hij me verteld, is de vereniging van onafhankelijke instrumentenbouwers in Markneukirchen. De meeste bouwers die niet in de fabriek werken verkopen hun instrumenten via die organisatie. Tegen beter weten in willen we proberen langs de officiële weg voor mij een instrument te kopen.

Het kantoortje is een toonbeeld van orde: nergens slingeren folders of prijslijsten rond en nergens liggen instrumenten in veel plaats vragende vitrines. Achter een schrijfmachine zonder papier zit een vrouw.

‘Goedemorgen,’ zegt Helmut. ‘Wij komen speciaal uit Berlijn. Komische Oper. Kunnen wij hier een instrument kopen?’

‘Kopen?’ zegt ze stroef. ‘Bestellen.’

‘Wij zijn geïnteresseerd in trombones.’

‘Basblokfluiten kan ik u uit voorraad leveren.’

‘Ik heb momenteel geen bas-blok-flui-ten nodig,’ zucht Helmut. ‘Wat is de levertijd voor trombones?’

Die blijkt zeven tot acht jaar te zijn. Zoveel jaren zijn een stuk van je leven dat je moeilijk kunt overzien. Het kind van zes dat muziek wil gaan maken is meestal nog niet toe aan de keuze van een instrument; de muziekstudent van twintig gaat er niet van uit dat hij over acht jaar een kind heeft dat naar hem luistert of met hem meezingt; de orkestmusicus van in de vijftig zal niet verder komen dan dagdromen over de kamermuziek die hij wil maken na zijn carrière in het orkest; eenmaal met pensioen zal hij er niet van uitgaan dat hij over acht jaar niet meer kan spelen.

We laten de dame en haar schrijfmachine met rust en gaan het kantoortje uit.

‘In het k.A. zijn instrumenten van hier volop te krijgen,’ zegt Helmut. ‘Als de koper D-marken op tafel legt, kan alles.’

Ik weet ondertussen dat k.A. “kapitalistisches Ausland” betekent. Daar kan alles: achter op het omslag van ieder nummer van het internationale koperblazerstijdschrift Brass Bulletin staat een grote advertentie van de Migma en B&S uit Markneukirchen onder de kop Der Tradition verpflichtet

Omdat we honger hebben, stelt Helmuts vader voor dat we op zoek gaan naar een restaurant. Mijn culinaire ervaringen in dit land zijn werkelijk uitstekend en de fout van de eerste keer zal ik niet meer maken. Ik ben toen zomaar naar binnen gelopen en met mijn vrouw aan een vrij tafeltje gaan zitten. ‘Bitte warten! Sie werden plaziert!’ werd ons toegesnauwd. We begrepen de zin door de toon want het woord “plazieren” kenden we niet. Een kwartier later knikte dezelfde ober hoffelijk en ging ons voor naar hetzelfde vrije tafeltje.

We stoppen voor een restaurant dat er aanlokkelijk uitziet; alleen hangt op de deur net zo’n briefje als op het museum. Het tweede restaurant dat we vinden is vandaag gesloten. We stappen in de auto en zoeken verder. Voor het derde restaurant staat een socialistisch wachtcollectief, zoals ze een rij hier noemen. ‘Een uur,’ zegt Helmut met een kennersblik. Met het vierde restaurant schijnt ook iets aan de hand te zijn, maar we stappen niet meer uit.

We eindigen waar we begonnen zijn: op het plein bij het voormalige station van Markneukirchen. De auto krijgt onmiddelijk weer veel bekijks van kleine jongens. Twintig meter verder staat een worstkraampje. Het is er druk en het ruikt er naar zweet, maar het broodje Bockwurst met mosterd en het glas leidingwater – een automobilist mag hier geen druppel alcohol drinken – smaken me voortreffelijk. De Pfarrer zegt niet veel.

Als we onze broodjes ophebben gaan we de Strasse des Friedens in; het is mooi weer en Helmut en zijn vader lopen vooruit om voor de reportage wat buitenopnamen te maken.

De neus – toch al het meest conservatieve zintuig – wordt bij mij nostalgisch geprikkeld door de penetrante geur van tweetaktuitlaatgassen en af en toe scherpe sigarettenrook of een vleug van een vreemd parfum. Zwartwitbeelden van vroeger doemen op, beelden van kolenkachels in donkere kamers en van veld

jes met smeulend aardappelloof: een heerlijke geur. Hoe zou het er hier uitzien in de herfst, met mist en neerdwarrelende blaren op glanzende keien? En hoe in de winter, met pasgevallen sneeuw? Een open, volgeladen vrachtwagen rammelt voorbij: bruinkoolbriketten. Het is lang geleden dat ik een kit kolen in een kachel schudde. Hier hebben ze grote, lichtbruin betegelde kachels met een ijzeren luik; de bruinkoolbriketten die er ‘s winters met een emmer per dag in gaan, liggen nu nog buiten in hopen tegen de muur.

Treuzelend voor de etalage van een fotozaak ontdek ik iets wat we kunnen gebruiken: een grauw doosje met een diaserie over de instrumenten uit het gesloten museum. Helmut en zijn vader zijn al doorgelopen om vanaf een hoge brug een paar foto’s van de stad te maken. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik achter een dominee aanhol.

Om het doosje buit te maken wachten we tot de winkel na de middagsluiting weer opengaat. Hun jarenlange ervaring in wachten en in de rij staan heeft Helmut en zijn vader niet geduldiger gemaakt, integendeel. Het doosje dia’s uit het museum, het laatste exemplaar, zal prachtig in onze reportage passen.

Een eind voorbij de fotograaf is een muziekwinkel. Vreemd: er staat geen rij en binnen zijn geen klanten. We zien al gauw dat er weinig te koop is. Behalve basblokfluiten. Maar misschien ligt er bij de bladmuziek toevallig iets interessants; ik besluit alles te bekijken.

Als ik halverwege ben, gaat de deur open; er komen twee volwassenen en een tiener binnen die ook aan een nieuwsgierige rondgang beginnen. Het is een tijdje stil.

‘Moet je kijken, Bep! Hartstikke goedkoop!’ hoor ik plotseling achter me.

Helmut en zijn vader herkennen het Nederlands van de drie mensen niet. Voor mij klinkt jouw taal ongeveer als Deens, heeft Helmut wel eens gezegd, al kent hij geen enkele vreemde taal dan het verplichte Russisch.

Behalve basblokfluiten, mondharmonika’s en een paar kinderviooltjes is er aan instrumenten niets te koop. Het enige wat ik meeneem is een bundel arrangementen van volksliederen uit de Sovjetunie; geen zangen van gestaalde kaders, maar eenvoudige liedjes over eenzame steppen.

‘In Berlijn ben ik bij muziekhandel Takt und Ton in de Rathauspassage geweest,’ zeg ik tegen Helmut, als we de winkel uitgaan. ‘Ik dacht toen nog dat ik daar wel een Duits instrument zou kunnen kopen.

‘Nee, en je wordt daar altijd afgebekt,’ zegt Helmut.

‘Helemaal niet: de man stond me vriendelijk en uitvoerig te woord.’

‘Hoe bestaat het,’ zegt Helmut. ‘Maar weet je, ze zien aan je kleding en je brilmontuur dat je buitenlander bent.’

 

4

Wijdbeens als een zeeman aan boord van zijn schuit staat mondstukmaker Werner Christoph Schmidt in zijn werkplaats. De lange smalle vorm van de ruimte en de drijfriemen naar de machines versterken het beeld van een stoomboot met een kapitein. Op tafels langs de muur liggen ruwe klompen goud die de zeeman op zijn reizen heeft buitgemaakt – in werkelijkheid zijn het stukken automatenmessing waaruit Schmidt mondstukken moet maken.

Ik weet dat het draaien niet zo simpel is als het eruitziet. Een blazer voelt een subtiel verschil in maat of profiel, en een tiende millimeter metaal meer of minder kan de toon van een instrument veranderen. Schmidt opent voor ons een paar met blauw pluche gevoerde castes, waarin zijn levenswerk ligt: complete sets verzilverde mondstukken, gerangschikt naar model en grootte. De collecties zijn interessant, al is er natuurlijk niet zoveel aan te zien als aan een instrument.

‘Leest u Nederlands?’ vraag ik, wijzend op een recent Nederlands handboek over mondstukken, dat bovenop een stapeltje boeken ligt.

Schmidt kijkt naar me op. Hij is kort, al is hij anderhalf maal zo breed als ik. In mijn ooghoeken zie ik de Pfarrer rondsluipen: hij probeert met de camera een geschikt standpunt te vinden.

‘Nee; ze hebben het me opgestuurd.’ Zonder overgang vervolgt hij: ‘Ik heb een gezellige tijd gehad in Nederland.’

Met een schok begrijp ik wanneer dat geweest moet zijn: in de tijd dat westreizen voor Oostduitsers nog mogelijk waren.

Er zit kop noch staart aan zijn verhaal: hij vertelt trots hoe hij twee Hollanders, een vader met zijn dochter, het leven heeft gered door ze toe te schreeuwen dat ze in een mijnenveld liepen; wat waren ze dankbaar, toen hij de uitweg wees! Ik vraag hem wie die mijnen dan wel gelegd had en waarom, maar hij luistert niet; Löwarden, Hehrenwehn en Alkmahr zijn prachtige steden en de Nederlanders een bijzonder gastvrij volk. Hij praat door met alle ankers los, het verhaal met zijn wijsvinger op mijn borst kracht bijzettend, tot Helmut hem slim onderbreekt met een technische vraag.

Ik zeg tegen de Pfarrer dat ik op dit reisverhaal niet zo gauw een antwoord heb.

‘Heeft uw familie veel geleden in de oorlog?’ vraagt hij, zo zacht dat Schmidt, die met Helmut in gesprek is of liever gezegd tegen Helmut praat, het niet kan horen.

Valt wel mee, wil ik zeggen, maar ik bedenk dat de Duitsers – de bezetters moet ik zeggen – toch wel iets overhoop hebben gehaald. Mijn moeders eerste vriend, een piloot, stortte neer boven zee en is nooit teruggevonden. Haar tweede vriend, die mijn vader zou worden, moest onderduiken om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Mijn moeder en haar ouders woonden in Vlissingen. Toen de oorlog uitbrak was mijn opa als zeeloods buitengaats; hij zette koers naar Engeland, waar hij in Cornwall diende bij de geallieerde marine. Zo was hij vijf jaar gescheiden van zijn vrouw en zijn kind. Die besloten naar familie in Den Haag te gaan; een besluit waar ze later, in de hongerwinter, spijt van kregen. Ondertussen werd hun huis in Vlissingen verwoest en het eiland Walcheren onder water gezet. Eind ‘44 werkte mijn opa in de haven van Oostende in het bevrijde België op een mijnenveger, een levensgevaarlijk werk. Terwijl hij aan het roer stond liep zijn schip op een mijn en zonk half; hijzelf kwam er met een shock vanaf. Aan de plotselinge overgang van het bloembollendieet op het voedsel uit Engeland hield mijn oma een ernstige darmkwaal over.

‘Ja,’ antwoord ik de Pfarrer.

‘Luistert u eens,’ zegt hij, ‘waarschijnlijk is Schmidt opgelucht dat hij geen Nederlanders heeft hoeven neerschieten, en dat hij naar Nederland is gestuurd in plaats van naar Rusland. Ach, u moet maar denken: op zijn vakgebied is hij een expert, maar daarbuiten een naïeve man.’ Peinzend haalt de Pfarrer een nieuwe diafilm uit zijn tas en legt hem op tafel. Opeens klettert er iets op de harde vloer; het is de achterwand van de camera.

‘Theo…’ zegt Helmut en grijpt naar zijn hoofd.

De film is nog niet teruggespoeld en het laatste gedeelte is nu door de lampen in de werkplaats belicht en onbruikbaar geworden. We hebben geen tijd om de verdwenen opnamen over te maken. De Pfarrer probeert behoedzaam de achterwand op zijn plaats te krijgen en de rest van de film te redden.

We willen weg. De mondstukmaker begeleidt ons met parmantige stappen naar de gang. Bij de voordeur tikt hij met de nagel van zijn wijsvinger tegen een schild van gedreven koper, waarop we een smid in zijn werkplaats zien en een spreuk in reliëf. ‘Zelfgemaakt!’

Op verzoek van de Pfarrer neemt hij het schild van het haakje om er buiten voor de deur in verschillende standen mee te poseren. De sierlijke letters vormen de tekst Zwaarden omsmeden tot ploegijzers.

Dat is misschien de enige leus waarmee we alle vier de straat op zouden willen.

We zouden er door de Volkspolitie onmiddellijk weer afgeknuppeld worden. En dat koperen bord werd vast en zeker omgesmolten.

 

5

We rijden een paar keer verkeerd. Metallblasinstrumentenbaumeister Karl Mönnich woont buiten Markneukirchen, in het gehucht Erlbach en daar eigenlijk ook weer buiten, aan de voet van de bergen waarachter Tsjechoslowakije ligt.

Mönnichs huis heeft meer weg van een boerderijtje dan van een atelier; het staat eenzaam in het landschap, aan een weggetje waarop zelfs twee Trabanten elkaar niet kunnen passeren. Tegen de gevel ligt een hoop rommel: oud hout, half overdekt met een zeil, zinken emmers, een zeis. Het raam van de werkplaats staat open. De bouwer moet onze luidruchtige diesel hebben horen komen, maar hij vertoont zich niet.

Als we naar binnen gaan verschijnt er in de gang een oudere vrouw, die geen woord zegt en haastig een andere kamer binnengaat. We volgen Helmut en komen in de werkplaats terecht, waar vader en zoon bezig zijn.

De zoon glimlacht, maar de vader kijkt stuurs. Toch geeft hij ons meteen een hand; misschien is hij vereerd met het bezoek uit Berlijn en uit Nederland. ‘U treft me niet in zo’n goede gezondheid,’ begint hij.

‘Wat mankeert u?’

‘Ach, meneer, mijn heupgewrichten zijn versleten; ze moeten vervangen worden.’ Hij zegt het of het over de reparatie van een instrument gaat. ‘Technisch kan het, maar de wachttijd voor de operatie is tweeënhalf jaar. U kunt zich niet voorstellen hoeveel pijn het doet: ik kan niet staan, niet zitten, niet liggen.’

Hangen, wil ik voorstellen, nog een beetje balorig na het bezoek aan Schmidt, maar ik slik de opmerking bijtijds in. Het beste wat we kunnen doen is belangstelling tonen voor zijn werk. Mönnich is bezig met de reparatie van een ouder exemplaar van de Karolus, het model met de nauwe boring. Ik heb oudere exemplaren van het type gezien en ontdek dat Mönnich in de loop der jaren een aantal verbeteringen en verfijningen heeft aangebracht. Er zijn drie modellen, zegt hij: behalve de Karolus, die zijn naam draagt, de concerttrombone en de bastrombone. Ik mag een concerttrombone vasthouden en aanblazen.

Dit is iets anders dan een willekeurig instrument uit een willekeurig rek in een willekeurige winkel. Koop je bij Mönnich, dan verwerf je een instrument waarvoor een meester gezweet heeft en, gezien zijn heupen, zelfs geleden. Ik moet eerst erg aan deze trombone wennen, maar dan gaat er een wereld voor me open: dit is het ideale instrument voor het klassieke Duitse repertoire, voor de symfonieën van Schumann en Brahms. De klank is ouderwetser, glanzender, minder extravert dan die van de instrumenten uit het Westen. Ik blaas het krachtige chaconne-thema uit de Vierde symfonie van Brahms en daarna de pianissimo-passage in E-majeur. Nadat die er prachtig uitgekomen zijn vraag ik me, freewheelend op wat langzame toonladders, af of het niet een heel goed idee zou zijn op een instrument als dit over te schakelen. Vrijwel geen enkele trombonist in Nederland speelt op een Duits instrument; overal zie je Amerikanen met daartussen steeds meer snelle Japanners. De typen en modes volgen elkaar in hoog tempo op en er is een sterke tendens in de richting van een grotere toon; de blazers willen in de steeds groter en luider wordende symfonieorkesten steeds sterkere instrumenten; ondertussen zorgen ze er met hun nieuwe modellen voor dat de orkesten weer harder gaan spelen: het lijkt een wapenwedloop. Ook ik speel, hoewel ik niet in een orkest zit, op zo’n Amerikaan; het is een nog vrij nieuw instrument, snel in elkaar gezet en niet perfect afgewerkt, zoals je van dichtbij kunt zien: de gesoldeerde verbindingen sluiten niet overal goed aan en er is al eens wat losgegaan. Het lakken is bepaald niet in een stofvrije omgeving gebeurd. Terwijl ik rustig doorblaas, zie ik nog veel meer verschillen. De Amerikaanse goudlak glimt als een spiegel, terwijl de Duitse lak een zijdeachtige glans heeft. De fabrikanten in de States kiezen de lengte- en breedteverhoudingen zo dat hun instrumenten groter lijken dan ze zijn. Autofabrikanten zijn daar ook meesters in: een Amerikaanse Ford lijkt groter dan een Europese met hetzelfde onderstel, tot je de twee auto’s naast elkaar parkeert. Ja, ik voel steeds meer voor zo’n instrument. Hoe pak ik het aan? Misschien kan ik de wachttijd overslaan met echt geld, maar ik wil niet de patser uit het buitenland zijn die met een stapeltje bankbiljetten zwaait. Op de werkbank heb ik toevallig een brief zien liggen met de prijs. Ook een indrukwekkende oorkonde: Fachgebietsleiter Schmidt van de Ministerrat der Deutschen Demokratischen Republik, Amt für Standardisierung, Messwesen und Warenprüfung, Arbeitsgebiet Musikinstrumente, verleent dit instrument het predikaat “Künstlerinstrument”, omdat Gebrauchswert, Materialeinsatz en Verarbeitung aan de eisen voldoen.

Dat zit dus wel goed.

Terwijl Helmut rondkijkt en zijn vader foto’s maakt blijft Mönnich bij zijn werkbank staan. Hij weet niet goed raad met zijn handen. Ik geef hem het instrument voorzichtig terug en bekijk een openliggende koffer, die er perfect afgewerkt maar niet zo praktisch uitziet. Ik vraag Mönnich of er niet een paar kleine verberingen mogelijk zijn, waardoor er minder kans is op beschadiging van het instrument.

‘Luistert u eens,’ antwoordt hij. ‘Ik heb de koffermaker wel eens meer kleine wijzigingen voorgesteld, ook de dingen die u noemt. Alles wat hij moet doen is de koffer vijf centimeter verlengen en twee schroeven verplaatsen. Maar daar wil hij niet aan, omdat het afwijkt van de norm. Ik mag blij zijn dat ik dit standaardmodel geleverd krijg. Niet alles wat ik wil hebben kan ik ook krijgen. Tombak bijvoorbeeld: vroeger gebruikte ik dat veel, maar het is er gewoon niet meer.’

‘Tombak?’

‘Roodkoper, voor de beker; dat geeft een warmere toon dan geelkoper.’

‘Hoeveel instrumenten maakt u per jaar?’ vraag ik.

Hij denkt na. ‘Een stuk of twintig.’

‘Verkoopt u veel aan buitenlanders?’

‘Ze komen hier wel,’ zegt Mönnich. ‘Uit Japan zelfs. Ze zijn dan één dag in Markneukirchen en willen meteen een instrument meenemen. Geld speelt geen rol. Maar zo werk ik niet.’

Zijn zoon Karl-Ernst blijft maar glimlachen.

Ik besluit geen haast te hebben en later weer contact met hem op te nemen om zijn vertrouwen te winnen.

‘Probeert u het bij de Migma,’ zegt Mönnich effen, terwijl hij met zijn handen aan zijn overall veegt.

Als we wegrijden, klinkt in de verte het eenzame kraaien van een haan. Langzaam verdwijnt Mönnichs huis in de achteruitkijkspiegel.

 

6

Ik rijd het steile pad op naar het huis van Jürgen Voigt. Het lijkt of al die bouwers met opzet moeilijk bereikbaar zijn gaan wonen. Ik kom uit een vlakke streek, waar het Kopje van Bloemendaal al hoog is. Mijn entree is niet zo best, omdat ik bij het keren op het hellende vlak voor het huis pas aangeharkt grind omwoel. Maar de instrumentenbouwer, die meteen zijn werkplaats uitkomt, begroet ons of we langverwachte gasten zijn. Jürgen Voigt is een neef van Horst Voigt, de eerste bouwer die we vandaag bezocht hebben, maar een groter verschil in uiterlijk is niet denkbaar. En wat ons vieren betreft: in de sport zou Jürgen Voigt veel presteren als gewichtheffer, terwijl ik het type van een lange-afstandsloper ben; Helmut zou voetballer kunnen zijn en zijn vader een goede scheidsrechter.

‘Wat een mooie werkplaats,’ zeg ik na een minuut.

‘Meent u dat?’ vraagt Voigt. ‘Zo bijzonder is het hier toch niet.’

Ik vind van wel.

Hij vertelt dat hij dit huis aan de Strasse der Jungen Pioniere – een naam die onbedoeld toepasselijk is – zelf gebouwd heeft, samen met zijn buurman. Niet dat hij ervaring had in de bouw, maar hij heeft de zaak goed overdacht en kant-en-klare bouwtekeningen gekocht. Eerst heeft hij een stuk rotswand dat in de weg zat weggehakt. ‘Wat brengt u naar onze Vogtlandse Muziekhoek?’ vraagt hij.

‘Ik zie hier dingen die bij ons niet meer bestaan,’ zeg ik. ‘In Nederland bouwt vrijwel niemand meer koperen blaasinstrumenten; er zijn alleen nog drukbezette repateurs. Sommigen hebben wel het vakmanschap om te bouwen, maar ze beginnen er niet aan, omdat de instrumenten door de hoge loonkosten bij ons veel te duur zouden worden. In heel Nederland bestaat nog maar één fabriek van koperen blaasinstrumenten: Schenkelaars in Eindhoven, die voor de amateursector produceert. In plaats van rondleidingen te geven verhuren ze daar een videofilm over de productie. Maar ik wil niet voor de televisie zitten; ik wil liever over de schouder van de meester kijken.’

‘U hebt gelijk,’ zegt Jürgen Voigt, terwijl hij de twee delen van een baroktrombone van een haak boven zijn werkbank pakt en aan elkaar zet. Helmut neemt het lichtgebouwde instrument van hem over om het te proberen: het is het eerste van een compleet stel baroktrombones voor het Berolina-Quartett. Jürgen Voigt wacht tot ik de werkplaats, het gereedschap en de werkstukken bekeken heb en tot de Pfarrer dia’s gemaakt heeft. Dan nodigt hij ons uit in zijn woonkamer. Hij trekt zich terug om snel te douchen en zijn vuile overall te verwisselen voor schone kleren. Zijn vrouw Käthe brengt echte koffie, die hier verschrikkelijk duur is.

‘Hoe bent u met Helmut Polster in contact gekomen?’ vraagt Voigt, als hij geurend naar zeep de woonkamer inkomt.

Ik vertel het verhaal dat ik op de heenreis al aan de Pfarrer verteld heb. Zo’n publiek heb ik zelden: Voigt en zijn vrouw zitten doodstil en nemen ieder woord dat ik zeg in zich op. Daarom vraag ik na afloop of ze het verhaal willen horen van mijn adoptie van een Russische trombonist. Nog voor ik uitgesproken ben hebben ze ja gezegd.

Al jaren ben ik lid van de International Trombone Association; omdat Jürgen en Käthe Voigt niet op de hoogte zijn leg ik uit dat het een vereniging is van een paar duizend trombonisten in een stuk of veertig landen. Na een oproep in het ITA Journal gaf ik me op om een trombonist in de Sovjetunie of een ander land in Oost-Europa te adopteren. Dat geeft collega’s in de socialistische landen een moge

lijkheid om zich aan te sluiten, want met hun niet-converteerbare geld kunnen ze het lidmaatschap niet betalen. Meestal leidt zo’n adoptie tot interessante contacten. Ik krijg van William Cramer van het ITA-secretariaat in Amerika naam en adres van een trombonist die lid is van het orkest van het Bolsjoi-Theater in Moskou en lesgeeft aan het Tsjaikovski-Conservatorium. Ik schrijf mijn collega, die Anatoli Skobeljev heet, een korte brief om hem te vertellen dat ik hem adopteer. Geen antwoord. Ik probeer het nog een keer, maar ook de tweede brief wordt niet beantwoord. Dan lees ik dat het Bolsjoi-Ballet een aantal voorstellingen in het nieuwe Amsterdamse Muziektheater komt geven. Prachtig! En ik houd van ballet. Op de eerste dag van de kaartverkoop bel ik de kassa van het Muziektheater, maar het is al te laat: alle kaarten zijn verkocht. Het lukt me ook niet om een orkestrepetie bij te wonen: Nederlanders worden niet toegelaten. Een paar dagen na de komst van de Russen word ik vanuit een hotel in Den Haag gebeld door een collega van Anatoli Skobeljev die redelijk goed Engels spreekt; hij zegt dat Anatoli graag een afspraak wil maken. Ook dat lukt niet: wanneer hij vrij is moet ik werken en wanneer ik vrij ben heeft hij een repetitie. Er is maar één mogelijkheid om elkaar te spreken: na de laatste voorstelling in Amsterdam. Zonder het ballet gezien te hebben wacht ik bij de artiesteningang, tussen de bussen die walmend hun motoren warmdraaien. Anatoli Skobeljev komt als een van de laatsten naar buiten. Kort, stevig, blond, Russische wipneus. Er ontstaat een gesprek dat van beide kanten goed bedoeld is, maar dat niet erg vlot, alleen al door de taalproblemen. Wat kan ik zeggen tegen iemand die ik voor het eerst zie en al na vijf minuten moet uitwuiven? ‘Heb je mijn brieven ontvangen?’ vraag ik.

Tot mijn verrassing knikt hij. ‘Da, da. Wel geopend. Ik heb ze allebei beantwoord.’

‘Jouw brieven zijn niet aangekomen.’

‘We chave our prroblemz,’ zegt hij.

‘Heb je wat van Nederland gezien?’

‘Da,’ antwoordt hij. ‘Chotel. Avtóboes. Tjeatr.’

Terwijl de allerlaatste dansers en musici instappen wisselen we plastic tasjes met bladmuziek uit. We zullen de correspondentie nog een keer op gang proberen te brengen; hij mag in het Russisch schrijven, zeg ik: dat kan ik lezen maar niet goed schrijven; daarom zal ik doorgaan in het Engels. Anatoli stapt in en het uitwuiven van de traag op gang komende bus begint.

In de metro naar huis bekijk ik de bladmuziek. Ik kan een paar exotische werken aan mijn verzameling toevoegen: de tromboneconcerten van Znosko-Borovski en Alibjegasjvili.

Als ik na een paar maanden nog niets van Anatoli gehoord heb, besluit ik William Cramer in Florida mijn ervaringen met de adoptie te schrijven. Hij kijkt ervan op: het komt zelden voor dat een uitwisseling niet goed verloopt. Ik moet niet teleurgesteld zijn, schrijft hij, want iedere poging tot communicatie – zelfs al lijkt er sprake van eenrichtingsverkeer – is een bijdrage aan de vrede in de wereld en een verrijking van het leven van de betrokkenen.

‘Wilt u nog koffie?’ vraagt Käthe Voigt.

‘Ja, ziet u,’ zegt haar man, ‘dat was nog helemaal aan het begin van de Gorbatsjov-tijd. Er beginnen al dingen te veranderen in de Sovjetunie. Alleen bij ons zit er anno 1987 absoluut geen beweging in.’

‘Von der Sowjetunion lernen heisst siegen lernen,’ zegt Helmut: zo heeft hij het vroeger op school geleerd.

Het is een treurig onderwerp van gesprek. Ik wil niet aan één stuk door praten over misstanden, maar liever over de instrumentenbouw, die ons allemaal ter harte gaat. ‘U bent jonger dan de andere meesterbouwers die we vandaag gesproken hebben,’ zeg ik.

Voigt knikt. ‘Ik ben nog niet zelfstandig. Ik werk nu twintig jaar bij B&S als bekermaker, maar als alles goed gaat begin ik volgend jaar eindelijk voor mezelf. Een hele stap.’

‘Dus u maakt nu alleen maar bekers?’

‘In de fabriek bestaat een verregaande arbeidsdeling: je hebt mondstukmakers, draaiventielmakers, pompventielmakers, bekermakers en arbeiders die de instrumenten monteren. Ik ben een van de velen: er zijn zo’n vijftig meesterhandwerkers, tachtig gespecialiseerde arbeiders en driehonderd gekwalificeerde arbeiders. En vele, vele medewerkers achter bureaus. Als particuliere bouwer heb ik straks mijn eigen bureautje en ik maak het hele instrument, naar mijn eigen tekeningen.’

‘Behalve de ventielen,’ zegt Helmut.

‘Ja, dat is specialistenwerk, die zal ik niet zelf maken.’

‘En u gaat niet zelf de mijn in om het koper te delven,’ zegt de Pfarrer.

We lachen. Jürgen Voigt zou er fysiek geen moeite mee hebben. Hij is lid van de vrijwillige brandweer, heeft Helmut me verteld; hij rijdt de zware brandweerwagen en bedient de apparatuur.

‘Mijn werk wordt dan gecompliceerder, maar lichamelijk minder zwaar en minder eenzijdig,’ zegt hij, kijkend naar mijn smalle polsen. ‘U kunt zich gewoon niet voorstellen hoe zwaar het forceren van tubabekers is: de hele dag moet je je volle gewicht inzetten.’

Ruim boven de honderd kilo, schat ik.

‘U hebt een eigen stijl. Uw instrumenten zijn anders dan die van Karl Mönnich en Horst Voigt.’

‘Iedere bouwer heeft zijn geheimen,’ antwoordt hij. ‘Die zitten in de samenstelling van het materiaal en in de maatvoering.’

‘Kopiëren ze elkaars instrumenten?’

‘Nee: al haal je zo’n instrument helemaal uit elkaar, het lukt je toch niet om de geheimen te achterhalen.’

‘Waar komt zo’n geheim vandaan?’ vraag ik. ‘U vindt het toch niet vervelend dat ik van die interviewvragen stel?’

‘Helemaal niet! Wij zijn niet verwend met gasten uit het Westen. Een model ontstaat in de praktijk, proefondervindelijk.’

Hij staat op en pakt van een boekenplankje in de salon een voddig boekje, dat hij voor me openhoudt. Ik zie een wirwar van lijnen en getallen, die hij waarschijnlijk als enige kan ontcijferen.

‘Daar staat het,’ wijst hij met een brede hand en legt het boekje terug op de plank. ‘Toch ben ik nog maar een nieuweling: ik kom in dit vak pas kijken.’

We maken kennis met zijn twee dochters en er ontstaat een gesprek over opvoeding, waar de twee tieners aan meedoen. Ze zijn op een leeftijd dat ze aan een beroepsopleiding moeten gaan denken.

‘De meisjes mogen van mij worden wat ze willen,’ zegt Voigt, ‘maar één ding wil ik niet: dat ze aan de lopende band terechtkomen, in de produktie.’

Niet in de “Brodugdiön” dus. Ik begin het accent van de Muziekhoek mooi te vinden. De p’s en t’s worden goedig dikke b’s en d’s. Berlijners lachen wel eens om de uitspraak van de zuiderlingen; voor hen zijn de mensen uit Saksen en Beieren waarschijnlijk wat Limburgers voor Amdammers zijn. Zou het overigens toeval zijn dat zowel uit Limburg als uit Saksen zoveel goede muzikanten komen?

Het gesprek komt op de natuur en het milieu. De namen Thüringer Woud en Ertsgebergte hebben een romantische klank en vanuit de auto zie je hier meer ongerepte natuur dan bij ons.

‘Dat is bedrieglijk,’ zegt Voigt. ‘Het Thüringer Woud is op veel plaatsen nog mooi, maar het Ertsgebergte is kapot: de chemische fabrieken aan de andere kant bij de Tsjechen zijn totaal verouderd en versleten, en die zorgen voor de meeste zure regen; de bossen zijn in steppen veranderd. Gaat u er niet naar toe: het is treurig.’

‘Wij dragen nog wat bij aan de milieuproblemen in de DDR,’ zeg ik.

‘De Nederlanders, bedoelt u?’

‘Hier gaat een deel van ons industriële afval naar toe: dat is nou internationale samenwerking.’

We praten nog lang door en hebben de indruk dat we tot een veel betere internationale samenwerking zouden kunnen komen dan de politici. Maar ik moet terug naar Zwickau.

‘Wat een mooie auto hebt u,’ zegt de instrumentenbouwer buiten, op dezelfde manier waarop ik gezegd heb: ‘Wat een mooie werkplaats.’ Honderdduizenden Nederlanders rijden in zo’n Volvo uit eigen land; gewoner kan het haast niet. Wel is mijn sedan mooi donkerblauw en daarom noemt een vriend van mij hem altijd de directieauto; hier tussen de Trabanten, waarvan de meeste een regenachtige kleur hebben, is hij als iemand in een fraai pak tussen de grauwe overalls. Steeds weer worden we op de snelweg ingehaald door bestuurders die gevaarlijk omkijken. Wat sommige Trabantisten die ik ken wel vreemd vinden is dat je harder kunt dan 100 en het toch niet doet. Ik chauffeer in dit land als op een rijexamen: de Volkspolitie wacht hier in een hinderlaag om buitenlanders op de bon te slingeren en hoge boetes te laten betalen. In echt geld.

Langzaam rijd ik de berg af waarop het zelfgebouwde huis van Jürgen Voigt staat. De meesterbouwer, zijn vrouw en dochters stellen zich op om ons uit te wuiven. Ik draai mijn raampje open en zwaai terug tot we de hoek omgaan.

 

7

‘Ik hoop dat Jürgen Voigt het redt als ondernemer,’ zeg ik, als we de stad uit zijn.

‘Hij krijgt het bijzonder moeilijk,’ veronderstelt de Pfarrer. ‘De staat en de partij proberen zulke initiatieven de kop in te drukken. Ze speculeren erop dat de zelfstandige instrumentenbouwers uitsterven, zodat uiteindelijk alleen de Volkseigene Betriebe overblijven. De “biologische Lösung” noemen ze dat.’

Ik zeg dat ik aan de Endlösung moet denken.

‘Luister eens,’ zegt de Pfarrer. ‘Kent u het boekje Elteï van Viktor Klemperer?’

Elteï, wat betekent dat?? vraag ik.

L.T.I.: Lingua Tertii Imperii, de taal van het Derde Rijk. Klemperer maakt een analyse van het officiële taalgebruik onder de nazi’s,’ zegt hij op zijn nadrukkelijke manier, en dan opeens hartstochtelijk: ‘Dat boek heb ik verslonden. Ik zal het u meegeven.’

In de beslotenheid van de auto vertelt Helmut dingen die hij in een andere omgeving misschien niet had verteld. Jürgen Voigt is in ‘68 als dienstplichtig soldaat ingezet bij de inval in Tsjechoslowakije – de tweede invasie in dertig jaar van Duitse troepen. Hij was niet schuldig aan die gewapende actie tegen een bevriend volk, maar nog steeds kan hij er niet zonder schaamte en woede over praten.

Helmut spreekt over zijn eigen diensttijd, de kadaverdiscipline en het gedrag van zijn meerderen ook alleen met de grootste weerzin. Dan komt het gesprek op zijn werk, op de moeilijkheden die hij met collega’s in zijn sectie van het orkest heeft. Ik ken zulke problemen uit eigen ervaring: een orkest is een verzameling gevoelige, nerveuze, ijdele mensen die dag in, dag uit onder hoge spanning in een kleine ruimte verkeren, als kippen in een legbatterij. Een collega kan jaloers zijn omdat hij vindt dat hij eigenlijk achter jouw eerste lessenaar hoort te zitten of juist omdat hij in zijn hart van die zware eerste plaats af wil; een ander voelt zich misschien miskend en vindt dat hij artistiek boven de anderen uitsteekt. Gewone menselijke problemen zijn het, maar hier krijgen ze een politiek karakter. Spontaan muziek maken lijkt me moeilijk als je niet alleen te maken hebt met orkestleden die bij de partij zijn, maar ook met collega’s die werken voor de geheime dienst.

Kortgeleden heeft het conflict zich toegespitst op de kwestie van de premies, vertelt Helmut. Het is gebruikelijk dat er na bijzondere prestaties premies aan een sectie worden toegekend; de uitbetaling vindt alleen plaats als alle leden van de sectie lid van de vakbond zijn. Helmut is dat niet en dat is zijn goed recht, want het lidmaatschap is vrijwillig. Na dit zoveelste conflict heeft hij na lang aarzelen toch maar besloten op dit punt toe te geven en lid te worden om eindelijk van het gezeur af te zijn.

Al vanaf het begin is Helmut openhartig geweest.

‘Hoe weet je wat je me kunt vertellen?’ heb ik een keer gevraagd.

‘Wij luisteren goed naar een buitenlander, naar zijn taalgebruik,’ zei hij, ‘en na een half uur weten we wel hoeveel we kunnen zeggen.’

Al is het nog vroeg in de avond, de zon begint geleidelijk minder helder te schijnen: we naderen het dal waarin de industriestad Zwickau ligt te roken als een hoop slechte sigaren in een vieze asbak.

‘Over een paar dagen moet ik weer terug,’ zeg ik. ‘Door jullie prikkeldraadgrens.’

Helmut buigt naar voren op de achterbank, zover als de gordel die ik hem ondanks zijn tegenzin heb laten omdoen hem toestaat. ‘Dat is onze Antifascistische Verdedigingswal! Wij voelen ons door jullie bedreigd! Dat je dat niet begrijpt…’

‘Ik weet het. De grenspolitie neemt ook iedere keer het zekere voor het onzekere: ze kijken me diep in de ogen om me met mijn foto te vergelijken en ieder risico uit te sluiten; dan kijken ze of ik op de zwarte lijst sta; daarna moet ik de mo

kap van deze auto openmaken om te bewijzen dat ik geen DDR-burger ontvoer; vervolgens moet ik de achterbank opklappen, want er zit een paar millimeter ruimte onder waar staatsgeheimen in passen, en ten slotte moet ik de bagageruimte openmaken, dat ze in mijn koffer met kleren kunnen woelen. De vorige keer hebben ze er een tas met gereedschap, reserveonderdelen en een verbanddoos uit

gehaald om die met een röntgenapparaat te onderzoeken op wapens en munitie.’

‘We worden goed beschermd,’ zegt Helmut.

Ik ga nader in op hun grens. ‘Een tijd geleden heb ik in een West-Duits boek een schematische tekening gezien van jullie grens; eigenlijk was hij daar nog niet zo bedreigend als in werkelijkheid, omdat je alles goed kon overzien.’

‘Licht u ons eens voor,’ verzoekt de Pfarrer.

‘Of ik alles goed onthouden heb weet ik niet: het is nogal veel. Een bord “Achtung! Grenze”. Een bord “Halt! Hier Grenze”. De eigenlijke grens, gemarkeerd door een grenspaal. Een controlestrook van tien meter breedte, die kaal is en waar goed geschoten kan worden. Een hoog hek van staaldraad. Een mijnenveld van enkele tientallen meters breed. Een hoog hek. Een controlestrook.’

‘Die heb je al gehad,’ zegt Helmut. ‘Of zijn er soms twee controlestroken?’

‘Helaas zijn we verdwaald in het Sperrgebiet,’ zegt de Pfarrer. ‘Ik zal voor ons bidden.’

‘Terug naar het mijnenveld,’ besluit ik. ‘Een hoog hek. Een controlestrook: ja, toch. Verder. Een greppel van twee meter diep, afgewerkt met betonnen platen. Een pad. Een rij observatietorens. Een telefoonnet ten behoeve van de grensbewaking. Schijnwerpers. Honden. Een net van struikeldraden. Een rij observatietorens. Een rij observatiebunkers en een verboden gebied. Dat is het. Techniek in dienst van de onmenselijkheid.’

De resterende Autobahnkilometers wordt er niets gezegd. Veel sneller dan de auto naar het noorden rijdt, gaan mijn gedachten terug naar Markneukirchen en de instrumentenbouwers in het zuiden; ik hoor hun stemmen en hun instrumenten. Zo gauw als het kan zal ik teruggaan voor nieuwe gesprekken en een nieuw instrument.

De afslag Zwickau is in zicht.

‘Laten we hopen dat er nog eens een ommekeer komt,’ zegt de Pfarrer zuchtend. ‘Laten we hopen op een nieuw Jericho, waarvan de muren zullen vallen door stoten op bazuinen. Maar voorlopig ziet het er niet naar uit.’

 

In twee afleveringen verschenen in de nummers april en juli 1991 van ITA Journal, het tijdschrift van de International Trombone Association, in een Engelse vertaling van Art Moore, getiteld A Day in Markneukirchen. Verder in de verhalenbundel Enkel zingen, De Bezige Bij, Amsterdam, 1993. De foto toont Jürgen Voigt in zijn oude werkplaats. Zijn nieuwe bedrijf is te zien op http://www.voigt-brass.de.

 

foto: Jürgen Voigt en Kees van Hage in gesprek over de restauratie van een Franse trombone uit de jaren 1920.