Kabbalisten

heaven

 

Jitschok Lejboesj Perets

 

In slechte tijden vindt zelfs de Toire – de beste koopwaar – minder afnemers.

Van de jesjieve in Lasjtsiëv resteert alleen nog het hoofd, reb Jekel, met één enkele student.

Het hoofd van de jesjieve is een oude, magere man met een lange, warrige baard en oude, uitgebluste ogen. Lemech, zijn geliefde leerling, is nog jong, ook mager, en lang en bleek met zwarte, krullende peies, vurige, zwarte ogen met wallen eronder, droge lippen en een spitse, beweeglijke adamsappel. Beiden gaan gekleed in vodden en zonder hemd, waardoor je hun blote borst ziet; het hoofd van de jesjieve kan zich nauwelijks voortbewegen in zijn boerse laarzen en de leerling draagt geen sokken, terwijl zijn schoenen bijna van zijn voeten vallen.

Dat is er nog over van de beroemde jesjieve.

Het verarmde sjtetl stuurde steeds minder voedsel en uitnodigingen om mee te eten, en zo verdwenen de arme jongens. Toch wil reb Jekel hier sterven en zijn leerling moet de scherven op zijn ogen leggen.

En díe twee hebben soms ook honger. Van weinig eten komt weinig slapen, van hele nachten niet slapen en niet eten komt hunkeren naar de kabbala!

Je moet het zo zien: áls je dan hele nachten waken en hele dagen hongeren moet, laat het dan nog enige zin hebben, laat het dan vasten met versterving zijn, dan openen zich tenminste alle poorten van de wereld op geheimen, geesten en engelen!

En ze studeren de kabbala al een tijd.

Nu zitten ze aan de lange tafel, helemaal alleen. Iedereen heeft zijn middageten al gehad, en zij moeten nog ontbijten. Maar daar zijn ze aan gewend. Het hoofd van de jesjieve staart in de verte en is aan het woord; de leerling steunt zijn hoofd op zijn handen en luistert.

‘Hierin,’ zegt het hoofd van de jesjieve, ‘heb je veel niveaus: de een kent een stukje, de ander de helft en weer een ander de hele melodie. De rebbe zaliger kende een hele melodie, zelfs met begeleiding! Dat is mij niet vergund,’ voegde hij er treurig aan toe, ‘ik ken maar een heel klein beetje, zoiets…’

Hij meet op een magere vinger een klein stukje af en vervolgt:

‘Er zijn melodieën die woorden nodig hebben… Dat is het allerlaagste niveau… Er is een hoger niveau: een melodie die vanzelf zingt, helemaal zonder woorden: een zuivere melodie. Maar díe melodie heeft nog een stem nodig… En lippen waardoor de stem naar buiten treedt. En lippen, begrijp je, zijn nu eenmaal stoffelijk. En zelfs de stem, al is ze nog zo edel, is stoffelijk!

Laten we zeggen dat de stem zich op de grens tussen geest en stof bevindt.

Maar hoe dan ook: de melodie die voortgebracht wordt door een stem en afhankelijk is van de lippen, is nog niet zuiver, nog niet volkomen zuiver… Nog niet puur geestelijk.

Daarentegen zingt de echte melodie helemaal zonder stem… Die zingt van binnen, in het hart, in de ingewanden!

Dát is het geheim van de woorden van koning David: “Heel mijn gebeente looft de Heer…” In het merg van de botten moet het zingen, daar moet de melodie zich bevinden: de hoogste lof voor God, Hij zij gezegend. Dat is geen melodie van vlees en bloed, dat is geen gecomponéérde melodie. Dat is al een deel van de melodie waarmee God de wereld geschapen heeft, van de ziel die Hij daarin heeft gelegd…

En zo zingt het hemelse koor! Zo zong de rebbe zaliger nagedachtenis!’

De les wordt onderbroken door een morsige jongen met een riem om zijn middel, een loopjongen. Hij komt het studiehuis binnen, zet naast het hoofd van de jesjieve een schaaltje grutten met een stuk brood op tafel en zegt met rauwe stem: ‘Eten van reb Tevel voor het hoofd van de jesjieve!’ En hij draait zich om en voegt er voor hij wegging aan toe: ‘Ik kom nog terug om het schaaltje te halen!’

Het hoofd van de jesjieve, die door de grove stem van de loopjongen ruw uit de goddelijke harmonie weggerukt is, staat moeizaam op en sjokt met zijn grote laarzen naar de gootsteen om zich te wassen.

Al lopend spreekt hij door, zij het minder geïnspireerd, en zijn leerling volgt hem vanaf zijn plaats met gespitste oren en vurige, verdroomde ogen.

‘Maar,’ vervolgt reb Jekel met treurige stem, ‘ik heb nog niet eens het voorrecht om te weten op welk niveau dat bereikt kan worden. En door welke hemelpoort. Kijk,’ voegt hij er glimlachend aan toe, ‘ik weet welke verstervingen en formules ervoor nodig zijn en misschien geef ik die vandaag nog aan je door.’

De ogen van de leerling puilen bijna uit hun kassen; hij houdt zijn mond open om geen woord te missen. Maar de rebbe houdt op; hij wast zich, droogt zijn handen, zegt het gebed, gaat weer aan tafel en spreekt met bevende lippen de zegen over het brood uit…

Met magere, bevende handen pakt hij het schaaltje op. De warme damp slaat in zijn benige gezicht; dan zet hij het schaaltje weer neer, neemt de lepel in zijn rechterhand en warmt zijn linkerhand aan de rand van het schaaltje. Ondertussen breekt hij met zijn tong in zijn tandeloze mond het stuk brood met zout.

Nadat hij met zijn handen zijn gezicht verwarmd heeft, fronst hij zijn voorhoofd, tuit zijn dunne lippen, die blauw van de kou zijn, en begint te blazen.

Al die tijd houdt zijn leerling zijn ogen niet van hem af. En op het moment dat de eerste lepel grutten naar de bevende mond van de rebbe gaat, trekt zijn hart zich samen; hij slaat zijn handen voor zijn gezicht en krimpt ineen.

Een paar minuten later komt er nog een jongen binnen met een tweede schaaltje grutten met brood:

‘Van reb Joisef: ontbijt voor de leerling!’

Maar de leerling blijft met zijn handen voor zijn gezicht zitten.

Het hoofd van de jesjieve legt zijn lepel neer en gaat naar zijn leerling. Hij bekijkt hem even trots en liefdevol en slaat vervolgens zijn hand in zijn jaspand en tikt hem op zijn schouder.

‘Er is eten voor je gebracht,’ zegt hij met vriendelijke stem om hem in beweging te krijgen.

Langzaam en treurig haalt de leerling zijn handen van zijn gezicht. En zijn gezicht is nog bleker en zijn omwalde ogen kijken nog vuriger.

‘Ik weet het, rebbe,’ antwoordt hij, ‘maar ik wil vandaag niet eten.’

‘Een vierde vastendag?’ vraagt het hoofd van de jesjieve verwonderd. ‘En dat zonder mij?’ voegt hij er verwijtend aan toe.

‘Dit is een ander vasten,’ antwoordt de leerling. ‘Dit is vasten als boetedoening.’

‘Wat zeg je? Jij en vasten als boetedoening?’

‘Ja, rebbe. Vasten als boetedoening… Daarnet, toen u begon te eten, kwam er een gedachte in me op… Tegen het gebod dat je niet mag begeren.’

 

***

Heel laat diezelfde nacht maakt de leerling de rebbe wakker. Ze slapen tegenover elkaar op banken in de klaus.

‘Rebbe! Rebbe!’ roept hij met zwakke stem.

‘Wat is er?’ vraagt het hoofd van de jesjieve, die wakker schrikt.

‘Ik was nu op het hoogste niveau…’

‘Hoezo?’ vraagt het hoofd van de jesjieve nog een beetje slaperig.

‘Er zong iets in me!’

Het hoofd van de jesjieve gaat rechtop zitten:

‘Hoezo? Hoezo?’

‘Ik weet het zelf niet, rebbe,’ antwoordt de leerling met een nog zwakkere stem. ‘Ik kon niet slapen, en daarom verdiepte ik me in wat u gezegd had… Ik wilde de melodie leren kennen… En van verdriet dat ik de melodie niet kende begon ik te huilen… Alles in me huilde; al mijn ledematen huilden voor de Heer der wereld.

Daarbij sprak ik de formules die u me gegeven had… Wonderlijk genoeg niet met mijn mond, maar van binnen… Vanzelf. Plotseling werd het licht… Ik hield mijn ogen dicht, en het was licht, heel licht, heel erg licht!’

‘Ja!’ Het hoofd van de jesjieve buigt zich naar hem toe.

‘En toen werd ik door het licht zo goed, zo licht… Het leek wel of ik niets meer woog, of mijn lichaam gewichtloos was geworden, of ik kon vliegen…

‘Ja! Ja!’

En toen werd ik vrolijk, lachend, opgewekt… Mijn gezicht bewoog niet, mijn lippen bewogen ook niet, en toch moest ik lachen… Zo goed, zo hartelijk, zo vrolijk moest ik lachen.’

‘Ja! Ja! Ja! Van vreugde!’

‘En toen neuriede er iets in me, iets neuriede als het begin van een melodie!’

Het hoofd van de jesjieve springt op van zijn bank en staat ineens voor zijn leerling:

‘En toen? En toen?’

‘Toen hoorde ik hoe het in me ging zingen.’

‘Wat voelde je? Wat? Wat? Vertel!’

‘Het was of al mijn zintuigen verstopt en afgesloten waren, en van binnen zong er iets… En zoals het hoorde: helemaal zonder woorden, zo…’

‘Hoe? Hoe?!’

‘Nee, ik kan het niet… Eerst kon ik het… Toen werd het zingen… Werd het…’

‘Wat werd het? Wat?’

‘Een soort muziek… Alsof ik – neemt u me niet kwalijk – een viool in me had. Of alsof Joine de muzikant in me zat en sjabbesliederen speelde, zoals bij de rebbe aan tafel. Alleen klonk het mooier, edeler, meer vergeestelijkt. En er kwam geen stem aan te pas, geen stem – alléén maar geest!’

‘Wat heerlijk! Wat heerlijk! Wat heerlijk!’

‘Nu is alles weg,’ zegt de leerling treurig, ‘mijn zintuigen werken weer, en ik ben zo moe, zo móé, zo doodmoe, dat ik…’

‘Rebbe!’ roept hij opeens, terwijl hij naar zijn hart grijpt, ‘rebbe, zeg widoei met me! Ze komen me halen! Daar in het hemelse koor ontbreekt een zanger. Een engel met witte vleugels. Rebbe! Rebbe! Sjema Jisroël! Sjemaaa… Jis…’

 

***

Het hele sjtetl, iedereen, wil zo’n dood, alleen voor het hoofd van de jesjieve is het niet genoeg.

‘Nog een paar dagen vasten,’ kreunt hij, ‘en dan was hij gestorven door een Goddelijke Kus!’

 

Toire: de Hebreeuwse Bijbel

jesjieve: talmoedschool

peies: slaaplokken

kabbala: joodse mystieke stroming

“Heel mijn gebeente looft de Heer”: Psalm 35:10

reb: meneer

rebbe: chassidisch geestelijk leider

klaus: kleine synagoge

widoei: gebed met schuldbekentenis van een stervende

 

Mekoeboliem. Jitschok Lejboesj Perets, Ale Werk, deel 5: 55-60