Johann Faustus

dr-faust

 

Hanns Eisler

 

Inleiding

De componist Hanns Eisler (1898-1962) was leerling van Arnold Schönberg; hij componeerde in zijn geboortestad Wenen, in Berlijn, in zijn Amerikaanse ballingschap en in de DDR een zeer gevarieerd oeuvre met onder andere muziek voor de concertzaal, toneelmuziek, filmmuziek en strijdliederen voor arbeiderskoren.

Voor zijn geplande opera Johann Faustus schreef Eisler een eigen libretto. Hij kwam op het idee voor deze opera door het zien van een poppenspel over de Faustlegende. Zijn Faust speelt in de tijd van de Duitse boerenoorlogen in de vroege zestiende eeuw met als sleutelfiguren twee grote hervormers: Thomas Müntzer, de strijder voor de bevrijding van de boeren, en diens tegenspeler Martin Luther, die zich verbindt met de vorsten. Faust is een boerenzoon die zich heeft ontwikkeld tot geleerde en viermaal gepromoveerd is. Hij was aanvankelijk een medestrijder van Müntzer, maar belandde later in het kamp van Luther. Hij heeft zijn afkomst verloochend en verraad gepleegd aan zijn politieke overtuiging. Aan het begin van de opera moet Mefisto zijn meester Pluto, die heerst over de onderwereld, de ziel bezorgen van een intellectueel. Zijn oog valt op Faust, die door zijn lafheid en afzijdigheid van de strijd van de boeren een kwetsbare figuur is geworden. Na een lange strijd met Mefisto laat Faust het leven. Voor zijn dood concludeert Faust in de Confessio aan het einde van de opera: “Nu ga ik ellendig te gronde, / en zo zal het ieder vergaan / die niet de moed op kan brengen / voor zijn eigen zaak te staan.”

De confrontaties van Faust en Mefisto – en vele bijfiguren, onder wie de kleine realist Hansworst – spelen zich de eerste en derde akte af in de Duitse stad Wittenberg, en de tweede acte in het fictieve land Atlanta. Terwijl het grauwe Wittenberg, de stad van Luthers 95 stellingen, bepaalde overeenkomsten vertoont met het zwaar gehavende naoorlogse Duitsland, doet het stralende Atlanta vaak denken aan de moderne Verenigde Staten, waar Eisler tijdens de Hitlerdictatuur asiel kreeg. De opera is echter geen strakke allegorie, maar vertoont een bizarre mengeling van thema’s. Naar de vorm is ze een nummeropera met zeer verschillende vormen en stijlen. Het op zestiende-eeuwse volkskunst geïnspireerde karakter wordt versterkt door vele knittelverzen met rijm, maar een onregelmatig ritme. In navolging van zijn vriend Bertolt Brecht, die hem bij het schrijven adviezen gaf, schreef Eisler een libretto in de traditie van het epische theater, dat niet streeft naar emotionele overweldiging van de toeschouwer, maar naar distantie, die de toeschouwer tot stellingname dwingt.

Nadat Eisler vele jaren aan het libretto had gewerkt, publiceerde hij het in 1952 in de DDR als boek, op een moment dat hij het overgrote deel van de muziek nog moest componeren. De publicatie van dit libretto leidde in 1953 tot heftige discussies. Eisler en zijn medestanders, onder wie Bertolt Brecht en de regisseur Walter Felsenstein, moesten zich verdedigen tegen scherpe aanvallen van andere kunstenaars en van partijfunctionarissen. De critici hadden bezwaar tegen de veronderstelde minachting van het klassieke Faustdrama van Goethe, tegen de voorstelling van Faust als renegaat en verrader van de boeren, en tegen de kritiek op het repressieve Duitsland en het rooskleurige beeld van Amerika in de vorm van Atlanta.

Na deze heftige kritiek, die vaak een persoonlijk karakter had, kon Eisler het niet meer opbrengen om verder te werken aan de muziek voor zijn opera, laat staan aan het grote drieluik, waarvan Johann Faustus deel had moeten uitmaken. Nadat hij al tweemaal was onderdrukt en veroordeeld: de eerste keer als linkse componist en halfjood door het naziregime in Duitsland en de tweede keer door het anticommunistische MacCarthy-tribunaal in de Verenigde Staten, werd hij nu ook in de DDR het slachtoffer van politieke en culturele repressie. Nadat Eisler de eerste twee keer gedwongen was te vluchten, ging hij nu vrijwillig enige tijd naar het buitenland om zijn depressie en artistieke crisis te boven te komen. Nog in 1968, zes jaar na zijn dood, werden initiatieven om het libretto van Johann Faustus als toneelstuk uit te voeren verboden. Pas lang na de Wende werd het libretto gecomponeerd door Friedrich Schenker (1942-2013), die zijn opera in 2001 voltooide.

 

Voorspel

Dwars over het toneel de dodenrivier. In het midden een aanlegplaats, vanwaar treden naar de poort van de onderwereld leiden. Charon roeit op de dodenrivier, legt aan, loopt met zijn roeiriem de trap op en bonkt op de deur.

PLUTO van binnen
Wie durft Pluto,
heer van de onderwereld,
bij zijn berekeningen te storen?
CHARON bonkt weer met zijn riem op de poort
Ik ben het, Charon,
de trouwe veerman van de doden!
Bonkt weer op de poort.
PLUTO
Doe open,
Anders slaat hij de deur in!
De deur gaat open, Pluto wordt zichtbaar.
CHARON brullend
Hé!
PLUTO
Hé?
CHARON
Zo!
Gooit zijn riem neer.
PLUTO kijkt naar de riem
Wat is er?
CHARON
Zo wil ik niet varen.
PLUTO
Wat is er, dat je me
zo wild laat schrikken?
CHARON
Geen zakelijke dingen, heer, geen zakelijke dingen!
Uw mensen zijn lui,
ze brengen me te weinig grote geesten.
De jonkers, wisselaars, kooplieden en rechters
tellen en betalen niet,
zijn de moeite niet waard,
door hen gaat mijn schip alleen maar stinken.
Zo klein zijn ze, dat er al weer
drie door de kieren van de boot geglipt zijn.
PLUTO
Ik zal meteen mijn agenten roepen
en bevel geven
dat er een groot man geleverd moet worden
die een goede reputatie heeft
en wiens ziel meer waard is
dan tienduizend andere.
CHARON
Het is hoog tijd, heer!

 

PLUTO’S BEVEL

PLUTO
Kom hier, o schurken groot en klein!
Bandieten en misdadigers, kom hier!
Woordbrekers, schurken, smeerlappen,
verleiders, dieven, saboteurs,
spionnen, boeven en verklikkers,
en renegaten, kom hier!
En ook jullie, zonden, groot en klein,
smeerlap, geil en vraatzuchtig,
ophitsers ook,
niet hitsen deze keer,
en kom nu zonder dralen
terug bij jullie heer.
Tijdens het bevel komen Pluto’s geheime agenten naderbij. Sommigen hebben een bruin vel, stoppelhaar en een kwispelstaart. Onder hen Mefisto in burger.
PLUTO bekijkt hen
Wat zien jullie er weer uit!
En daar moet ik mee werken!
Scherp Auerhaan, Asmodee, Zachariël!
De drie krimpen ineen.
Er zijn weer klachten binnengekomen.
De drie proberen tegelijk een snaterende verontschuldiging te laten horen.
Stilte!
Auerhaan, hoe vaak moet ik het nog zeggen:
als jullie je met je achternaam voorstellen
is dat je bankroet.
Kijkt hem doordringend aan. Auerhaan laat beschaamd zijn hoofd hangen.
En Zachariël heeft weer eens
parmantig rondgelopen als Beneckenstein.
Zachariël laat beschaamd zijn hoofd hangen.
En jullie familieleden boven?
Die zullen wel weer klagen,
en jullie weten toch dat ik
voor het Hemelse Gerecht wijst naar boven
zulke processen verlies.
Waarvoor heb ik jullie die schuilnamen gegeven?
Ze zwijgen.
Waarvoor dat bruine vel?
Ze zwijgen.
Waarvoor die staart?
Ze zwijgen.
Brullend Papenburg tot Beneckenstein, waarvoor?
ZACHARIËL berouwvol
Om te kwispelen, heer!
PLUTO
Kwispel dan, bruintjes!
Ze kwispelen.
Met de zaken gaat het slecht,
er komt niets meer binnen,
een en al gezeur,
de ene klacht na de andere!
ZACHARIËL steekt zijn hand op
Heer, het is niet onze schuld,
de zonden schieten tekort!
PLUTO schreeuwt
Wat?
MEFISTO
Dat is nog nooit gebeurd, heer!
PLUTO tegen Mefisto
De hoofdzonden!
Mefisto hinkt achteruit en duwt de zeven Hoofdzonden naar voren.
Wat hoor ik nu? Jullie,
die ik in mijn hart gesloten had, jullie, die nooit opgeven, geven het op!
Wat is er met jullie?
Een Hoofdzonde steekt zijn hand op.
Spreek op, Vraatzucht!
VRAATZUCHT
Zo ellendig leeft het volk,
zo vreselijk is de nood,
het krijgt geen brood,
kan zich mij niet meer veroorloven.
PLUTO
En jij, Onkuisheid?
ONKUISHEID een hoge stem
De boer heeft
nauwelijks kracht genoeg
voor het echtelijke bed.
PLUTO
En jij, Toorn?
TOORN
Van mij is niets overgebleven.
Door vorsten, jonkers en papen
Ben ik uit het volk verdreven.
PLUTO
Begeerte, Hoogmoed, Luiheid, Nijd,
is er niets beters te melden?
DE HOOFDZONDEN in koor
Niets beters!
Toorn en Vraatzucht, Luiheid, Begeerte, Nijd –
Het volk is helemaal van ons bevrijd.
PLUTO
Maar ik heb de Tenhemelschreienden
toch al te hulp geroepen!
Vier in gewaden gehulde gestalten komen naderbij. Pluto, vol afkeer
Weg uit mijn buurt!
Al heb ik jullie nodig,
ik wil jullie niet zien!
AUERHAAN zacht tegen Mefisto
Wie zijn dat?
MEFISTO
Tegennatuurlijke neigingen,
dat mag je hardop niet zeggen.
AUERHAAN
Zeg het dan zacht!
MEFISTO fluisterend
Onderdrukking van arme weduwen en wezen;
Inhouding van het dagloon.
AUERHAAN huivert.
PLUTO tegen de Tenhemelschreienden
Een ernstig bericht:
onze veerman van de doden weigert dienst.
Het is een schande.
Maar heeft hij ongelijk?
Jullie komen immers met stinkend schorem aanzetten!
Die waardeloze figuren kan ik niet gebruiken.
Beroemde namen heb ik nodig, met een grote reputatie.
Begrijp me goed:
jullie hebben na die onrust van de afgelopen tijd veel meegebracht.
Maar er moet toch nog meer zijn.
Waar is de bloem van de natie:
waar zijn de denkers, de gravers, de oordelaars?
Wat doen die?
MEFISTO
Ze denken.
PLUTO brullend
Wat?
Radeloze gebaren van de Tenhemelschreienden. Pluto tegen allen
Duitsland is beroemd om zijn geleerden.
Breng me een geleerde en ik zeg jullie:
voor mij is zo iemand meer waard dan drie kardinalen:
hoogmoediger dan een baron,
sluwer dan een roomse paap,
corrupter dan een rechter
en grof als een boer,
als je aan zijn geleerdheid twijfelt.
Er zijn werkelijk prachtexemplaren bij.
Een ervan woont, is me verteld, in Wittenberg,
een zekere Johann Faustus, viermaal gepromoveerd!
vertrouwelijk tegen Mefisto
Mefisto, waarom is hij viermaal doctor geworden?
Was één keer niet genoeg?
Was het ijver, leergierigheid,
loffelijk streven, hoge vlucht van de geest?
MEFISTO
Nee, heer, het was wanhoop.
PLUTO
O, dat Duitsland!
Daar promoveert iemand viermaal uit wanhoop!
Ik was heel vaak wanhopig,
maar zoiets heb ik nooit gedaan.
Waar is hij nu mee bezig?
In de onrust van de afgelopen tijd –
ik dacht dat het weer eens de boeren waren –
gedroeg hij zich zoals wij het graag zien!
MEFISTO
De doctor bevindt zich
in een diepe scheppingscrisis;
hij is afgestompt en niet in staat tot
geestelijk en lichamelijk genot.
De wetenschappen vervelen hem,
intelligentie hangt hem de keel uit.
Hij snakt naar het “volle leven”.
PLUTO
Dat klinkt niet gek.
We moeten met hem praten.
MEFISTO
’t Is niet eenvoudig, heer!
Hij heeft steeds andere smoezen.
PLUTO
Zo? Doet alsof hij drinkt.
MEFISTO
Nee. Zo! Doet alsof hij bidt.
Hij wil terug,
terug naar hij stottert het geloof.
PLUTO bromt
O ja?
MEFISTO
Hij leest in de aarzelt even B-ij-b-e-l.
PLUTO
Ik heb niets tegen de Bijbel.
In het Boek der Boeken is veel bruikbaars te vinden,
ook voor onze doeleinden.
Leid zijn hand bij het bladeren,
dat hij bij die bepaalde plaatsen komt
die op de nietigheid van al het aardse streven
zinspelen.
Ik denk aan Job:
“De mens, van een vrouw geboren,
is kort van dagen, en zat van onrust.”
 

Doek

 

Acte I

 

Scène 1

De studeerkamer van Faust. Vroege ochtendschemering.

FAUST
Zo kan het niet doorgaan!
Mismoedig en slordig in alles
ben ik geworden, traag en aartslui.
Waarom moest ik me vroeger plagen
en stond op, nog voor het ging dagen,
om hier heel vroeg te zitten.
Toen was het vrolijk, mijn gezwoeg!
Wat moet ik nu doen, zo vroeg?
De ratten zijn te horen.
Met gepiep en gedruis
jagen de ratten in huis.
Straks brengen ze hier nog de pest,
maar die regeert al in oost en west,
vorsten en jonkers in het land
brachten over ons de schand.
Blind, stekeblind Duitsland!
Er heerst stompzinnige orde!
Is dit een bestaan?
Hier kan ik niet akkoord mee gaan.
Even later
Ik zou graag teruggaan.
Misschien moet ik, viermaal gepromoveerd,
viervoudig wanhopend aan verstand en wetenschap,
terug, terug naar het geloof.
Draagt een Bijbel naar zijn schrijftafel.
O, bevatte het Boek der Boeken
ook maar bruikbaars voor degeen die, ach,
te veel in boeken las.
De Bijbel valt vanzelf open.
Vreemd, hij valt uit zichzelf open.
Ik zie het als een teken.
Buigt zich over de Bijbel.
Het boek Job is ontzettend,
ik wil het niet lezen.
Hij leest.
“De mens, van een vrouw geboren,
is kort van dagen, en zat van onrust.”
Slaat het blad om, leest binnensmonds verder en dan
Er zit geen zin in dit fragment,
het geloof helpt je niet meer,
als je geen kind meer bent.
Hoe ik het ook wend of keer,
de Zwarte Kunst blijft telkens weer.
Maar die is gevaarlijk!
Gaat naar de boekenkast.

 

DE BOEKENSCENE

Mijn boeken!
Wat was ik zonder Gutenberg,
wat had ik het dan zwaar –
als de vorsten zonder hun Berthold Schwarz!
Boeken en buskruit maken,
dat kunnen we in Duitsland,
maar vraag niet
voor wie de boeken zijn –
en voor wie het buskruit.
Bukt geërgerd
Daar heeft Wagner
alweer Luther
naast Müntzer gezet.
Die horen niet bij elkaar.
Hij verplaatst ze, slaat een geschrift van Müntzer open en leest
“Ze zullen jullie verkopen als vee.
Waren jullie eerst lijfeigenen,
nu zullen jullie echte slaven zijn.
Begin en ga de strijd aan,
zolang het dag is.
De muren gerammeid,
opdat je je bevrijdt,
al duurt het nog een tijd!”
O, Müntzer, edele Müntzer!
Slaat het geschrift van Müntzer zorgvuldig dicht en pakt een ander boek.
“Je moet de boeren verscheuren,
wurgen en steken,
heimelijk en openlijk,
zoals je een dolle hond dood moet slaan.
Wie aarzelt begaat een zonde.
Daarom, mijne heren,
steekt, slaat, wurgt hen waar je kunt.
Kost het je leven, wees dan blij;
een zaliger dood zul je nooit kunnen sterven.”
O, Luther, grote Luther,
wat heb je ons aangedaan!
Houdt in de ene hand het geschrift van Luther en in de andere dat van Müntzer, met de titels naar het publiek gekeerd
Zo spraken beiden op hun beurt.
Maar wat gebeurd is, is gebeurd.
En tot mijn overgroot verdriet,
o, leraren die elkaar bestrijdt,
zie ik de weg nog niet.
Zet de geschriften zorgvuldig terug in de kast.
Naar de wetenschap!
Zoekt in de rijen boeken.
Daar is mijn goede Agricola.
Bladert erin.
“De animantibus subterraneis –
Over de schepselen van de onderwereld.”
“Salamanders, ringslangen en pissebedden,
de olm heeft gehoor en gezicht verloren.”
Dat is makkelijk: kan hij niet zien en horen.
“Salamanders, gehard in het vuur.”
Zo’n hardheid in een felle brand
zou welkom zijn in de boerenstand.
“Basilisken met dodelijke blikken.”
Dat zijn zeker hun vorsten.
“Aardgeesten, ook kobolds genaamd,
proberen uit de onderwereld
met de mens
in aanraking te komen.”
Hij bladert verveeld verder en zet het boek terug.
Wat heb ik weinig aan de wetenschap!
Naar de magie!
Pakt een enorme foliant en draagt die naar zijn schrijftafel. Bladert.
“Nigromantia” zie onder “Zwarte kunst”.
Bladert.
“Zwarte kunst is het vermogen
geesten te citeren
om met hen
zaken te doen.
Daarvoor is moed nodig,
want ze houden ervan
in afschuwelijke vermommingen
te verschijnen.
Zie onder: de magicis artibus.”
Bladert.
“Magie kent regels en gewoonten.”
Hij leunt achterover.
Wat wetenschap niet geeft
kan magie geven!
Dat ik groots en roemrijk kan leven,
Dat ik het niet bij mijn treurnis houdt,
maar dat mijn wezen zich ontvouwt
en ik opgroei als een boom met een machtige groene romp
al is de aarde nog zo’n zomp!
Dat ik geniet van ieder jaar,
ook als ik me bij de duivel schaar!
Hij leest binnensmonds verder, klapt het boek dicht en slaat woedend op tafel. Als een echo wordt er op de deur geklopt. Faust, hardop
Ik ben aan het werk!
De deur gaat open: Wagner.
WAGNER
Stoor ik?
Faust leest.
Twee studenten van de universiteit van Krakau
willen graag binnenkomen.
Faust schudt zijn hoofd. Wagner af.
FAUST weer in de encyclopedie
“Er moet echter een boek zijn,
‘Clavicula Salomonis’,
waarin men uitstekende spreuken vindt
om gemakkelijk met de onderwereld
in aanraking te komen.
Dat boek schijnt spoorloos te zijn.”
Er wordt geklopt.
WAGNER
Vreemd.
De studenten zijn verdwenen, maar hebben
een traktaatje in de voorkamer achtergelaten.
Faust kijkt vragend. Wagner slaat het boek open.
“Clavicula Salomonis”.
FAUST bleek
Ik wil het niet lezen.
Wagner legt het traktaatje op de schrijftafel.
Ik ga een wandeling maken
om meer onder de mensen te zijn,
je moet niet altijd
in je eentje zitten.
Af, met een schuwe blik op het traktaatje.
 

Doek

 

Scène 2

 

DE WANDELING

Voor de poorten van Wittenberg. Onder een linde de invalide boer Karl. Hij heeft een stevig postuur, grove gelaatstrekken, grijs haar en is blind. Zijn armstompen steunen op krukken. Naast hem een jongen.
JONGEN bedelend
Toen Jezus de tuin binnenschreed
begon zijn bittere leed;
daar treurde ‘t loof en ‘t groene gras,
omdat Judas hem vergeten was.
Hij moest het rechthuis in en uit,
met scherpe striemen op zijn huid;
gegeseld en met doornenkroon,
ach, hoe vreselijk was de hoon.
Tijdens het lied komt er een dokter aangelopen met een geestelijke. Een oude vrouw brengt Karl en de jongen soep. De oude vrouw vraagt de dokter een middel tegen haar rugpijn. De dokter werpt een blik op haar, trekt een kruid uit het gras en geeft het haar. Er komt een jurist, die de twee geleerde heren groet; het ziet ernaar uit dat ze willen ontbijten. Hij loopt met een grote boog om Karl heen.
JURIST zacht tegen de dokter, terwijl hij naar Karl wijst
Die heeft de marteling doorstaan.
DOKTER kijkt hoofdschuddend naar Karl
Hoe bestaat het!
PACHTER met een zak op zijn schouder
Als je de heer het pachtgeld brengt
is de weg lang.
Om de tijd te doden
wil ik aan eten denken.
Er zijn bijzondere spijzen,
die ik nog nooit geproefd heb.
Ik was al tevreden met gewone kost,
als ik die had.
Hij droomt.
Eerst pens in gelei,
dan gekruide leverworst,
braadworst ook en preskop,
erwtenbrij, gebraden varkensvlees,
en het bruin bier niet vergeten!
Dat zou lekker zijn!
Loopt verder.
Nu verder naar de stad gegaan,
Wat doe ik straks mijn pachtheer aan?
Die wordt niet anders, al zijn levensdagen
voordat hij ooit wordt neergeslagen.
Dan wordt hij anders.
Ziet Karl.
Een slok voor onze held.
Geeft hem te drinken.
Hoe gaat het, hoe staat het
met de puntige spies, heia ohé?
Karl knikt goedmoedig.
“Helaas” heet de bruid,
en de bruidegom: “Dat God erbarm’”!
Zo bezitten we geen duit
en zijn we samen arm.
DIENDER met een stok
Jij hond, weet je wel
dat het gezag van de stad Wittenberg
de bandieten van Müntzer in de ban gedaan heeft?
En dat ieder die met hen omgaat
zwaar gestraft wordt?
PACHTER
Geef me niet aan,
ik heb genoeg narigheid thuis.
Af.
DIENDER naar Karl wijzend
Nu moet hij van aalmoezen leven
die de andere armen hem geven.
Af. Dit is gezien door een raadsheer en zijn vrouw, die rijk gekleed gaan. Ze wandelen onverschillig verder. Faust komt op.
JONGEN
Kom, buk nu, boom,
kom, buk nu, tak,
daar ’t Judas steeds aan rust ontbrak;
ach, treur toch, grasje groen en loof,
over dit schrijnend ongeloof.
Hij houdt zijn hand op als hij Faust ziet.
FAUST herkent Karl
Wat hebben ze met je gedaan, de honden?
KARL
Wie ben jij?
FAUST
Hans uit Ried.
KARL
Hans van buurman Faust?
FAUST
Ja, die.
KARL
Die van huis weggelopen is?
Wat hebben ze met je gedaan, de honden?
Faust zwijgt. Karl tegen de jongen
Kijk hem eens aan
en zeg hoe hij eruitziet.
JONGEN
Bleek, als iemand
die te lang binnen gezeten heeft.
FAUST
Luther had gelijk:
Ze hadden de wapens niet op moeten nemen.
KARL
Houd je bek!
We hebben het verkeerd gedaan,
we waren het niet eens.
Ook was er te veel verraad en lafheid.
Faust zwijgt. Karl zegt zacht tegen hem
Hans, alleen een domkop gelooft
dat we verslagen zijn.
Ik zeg je: onze dag zal komen, net zo zeker
als het amen in het gebed.
FAUST
Maar wanneer?
KARL
De geest is niet gebroken.
FAUST
En het vlees?
Karl zwijgt.
Karl, ik ben nooit tegen jouw Müntzer geweest;
hij was goed te lezen,
maar met de grote heren vechten
was een dwaasheid.
KARL
Jouw Luther was de schuld van alles,
die heeft de bloedige Mansfeld tegen ons opgeruid,
de hond!
FAUST
En wat nu, na alle bloed en ellende?
Karl zwijgt.
Daar zit je – niets geleerd en je bedelt.
Karl herhaalt met vaste stem
Daar zit ik – niets geleerd en ik bedel.
Wenkt met zijn wijsvinger.
Kom eens hier, Hansje,
mijn jongen, dan zal ik wat voor je zingen.
JONGEN Zingt zacht voor Faust
“Heia, ohé!
Verslagen liggen we languit,
onze kleinzoons vechten het beter uit.”
KARL
Hij heeft een goed gehoor,
hij moet muzikant worden,
die hebben we nu nodig.
FAUST schudt zijn hoofd, haalt geld uit zijn zak
Wat ik toevallig bij me heb.
JONGEN opgewekt
Zeven cent!
KARL
Dank je wel, Hans.
FAUST
Het ga je goed.
KARL als Faust weggaat
Hans, kom terug bij je Karl.
Ik had Luther misschien
geen hond moeten noemen,
want hij hield stand
toen in Worms;
maar dat hij tegen ons tekeerging
kan ik niet vergeten.
Faust legt zijn hand op Karls schouder.
Wat is je beroep?
FAUST
Filosofie.
KARL
Wat doe je dan de godganse dag?
FAUST aarzelend
Naar de waarheid streven.
KARL
Naar welke waarheid?
Hij steekt zijn armstompen uit.
FAUST zacht
Jij bent de waarheid niet, Karl,
jij bent het ongeluk.
Waarom moest je zo nodig achter Müntzer aanlopen?
KARL
Je bent dus een filosoof.
FAUST
Onder de filosofen
heb je moedige mensen
die heel standvastig zijn.
Er is een beroemd verhaal
over Archimedes.
KARL
Dat wil ik graag horen.
FAUST
Archimedes, die wijze man,
leefde in het Egyptische land.
Alexandrië heette de stad
waar hij zijn kennis verbreid had.
 
De stad verkeerde in grote nood,
op de poorten bonsde de Hunnendood.
In de straten vloeide bloed,
het volk dat vocht met leeuwenmoed.
 
En toen de Hun kwam bij zijn huis,
kwam Archimedes er niet uit.
Hij zat en schreef met vaste hand
zijn berekeningen in het zand.
 
En als hij dan hun zwaarden ziet,
zegt hij: ‘Verstoor mijn cirkels niet!’
En toen hij daarna was vermoord
roemde iedereen zijn laatste woord.
 
Want, Karl, dat is het grootste.
Onbekommerd om de dagelijkse strijd
streeft de filosoof naar de waarheid.
KARL schatert van het lachen
Die Archimedes!
Die liet zich neersteken
met al zijn wetenschap!
Faust is sprakeloos.
En dat is jouw filosofie, Hans?
Dat hale je de duivel!
Faust gaat beteuterd af.
 

Doek

 

Scène 3

 

EEN DIENAAR WORDT AANGENOMEN

WAGNER
Je bent een dienaar en hebt nu geen meester.
Dit huis heeft een dienaar nodig,
maar ik neem niemand aan
van wie ik niet precies weet
waar hij vandaan komt en wie hij is.
HANSWORST
Ik kom uit de streek van Salzburg
en was knecht van de bisschop.
WAGNER
Waarom ben je weggelopen?
HANSWORST
Hij wou een soldaat van me maken.
WAGNER
En daar had hij jou voor nodig?
HANSWORST
Toen de boeren hem belegerden
nam hij iedereen aan, de bisschop.
WAGNER wantrouwig
Waarom ben je naar ons gekomen?
HANSWORST
In de herbergen riepen ze opeens:
Vooruit, naar het Oosten,
daar hebben ze een nieuw geloof
en een nieuwe vlag.
Ik was niet te houden en ging naar het Oosten.
De vlag beviel me alleen al, zo edel;
er was een beker wijn op afgebeeld,
en het geloof al helemaal! Bij het avondmaal
mag de priester de wijn niet alleen drinken,
maar moet hem met de gemeente delen.
Ik had meteen begrip
voor deze nieuwe gewoonte.
WAGNER
En toen ben je bij ons rond gaan zwerven!
HANSWORST
In Leipzig wilde ik eerlijk worden.
Het slagersvak beviel me wel,
daar ben je dicht bij de worst;
maar het gilde liet me niet toe.
Toen ging ik bij Fischer in de vrije leer;
die kwam uit Ketsch in het Zwabenland,
en was ook niet in het gilde; een buitenlander.
WAGNER
Waarom ben je niet bij Fischer gebleven?
HANSWORST
Hij zong liederen.
WAGNER
Dat begrijp ik niet,
zingen is toch christelijk –
daar kom ik later trouwens nog op terug.
HANSWORST
Het waren Zwabische liederen,
en een maakte me ongerust.
Ik vroeg:
‘Fischer, wat zong je gisteren toch?’
Toen zei hij:
‘Gewoon, hetzelfde als anders.’
En toen ik vroeg: hoe zit dat dan met dat
“Rode haan, het is haast zover”,
kon hij het zich niet herinneren;
en toen ik vroeg:
‘Fischer, was jij niet bij de arme Konrad?’
zei hij niet eens nee,
maar had een kille blik,
en ik heb hem nooit meer gezien, die Fischer;
hij was waarschijnlijk bang, die Zwaab.
WAGNER
Wat heb je toen gedaan?
HANSWORST
Ik was bij de studenten.
Een goede dienst, maar
als er een bij zijn eerste preek
tekeerging tegen de katholieken,
dacht ik vaak: ik zou lachen
als wij het verkeerde geloof hadden.
WAGNER
Denk erom: wat het geloof betreft
duld ik geen grappen – nooit en te nimmer!
Je kunt vandaag nog bij ons beginnen:
vijf daalder ‘s jaars, kost en inwoning
en een toelage voor feestdagen;
maar twee dingen moet ik eerst weten
voor ik je aanneem.
 

HET GODSDIENSTIG ONDERZOEK

WAGNER
Kun je een geheim bewaren?
HANSWORST
Volkomen, ik ben bijna stom.
WAGNER
Ben je ook vroom?
Hansworst knikt.
Ga je veel ter kerke?
HANSWORST
Eet ik veel kersen?
WAGNER
Ik vroeg of je veel naar de kerk gaat.
HANSWORST
Je ziet aan mijn gezicht
dat ik een vroom man ben.
WAGNER
Als ik naar je gezicht kijk
zeg ik eerder drankneus dan gebedenboek.
Hansworst haalt zijn schouders op.
Martin Luther leert:
“Niet het gezicht, maar het gehoor
is het ware orgaan van de christen,
het orgaan voor de onzichtbare dingen.”
HANSWORST
O jee, onzichtbaar!
WAGNER
Om je geloof te bewijzen
moet je een koraal zingen.
HANSWORST
Maar ik ben niet muzikaal,
heb geen muzikaal gehoor,
de woorden vergeet ik ook altijd,
en de melodieën zijn zo moeilijk
sinds Luther eraan knutselt.
WAGNER
Knoop dit in je oren:
de grote Luther heeft niet geknutseld;
hij heeft verbeterd en christelijk gecorrigeerd.
HANSWORST
Maar ze klinken allemaal hetzelfde,
altijd plechtig, altijd treurig,
als bij een lijk;
dan heb ik liever de volksliedjes:
die zijn telkens verschillend:
sommige doen pijn,
omdat ze om iets treuren;
andere zijn vrolijk,
omdat je moet lachen;
en dan zijn er ook die vertellen,
en die zijn weer anders.
WAGNER
Je hebt een bedorven smaak.
Ik denk dat je geen gevoel voor kunst hebt.
Je kunt je toch wel een koraal herinneren?
Hansworst loopt mismoedig heen en weer, neuriet wat, blijft dan staan, alsof hij iets gevonden heeft, en slaat zich dan weer voor zijn hoofd. Wagner, verbaasd
Die kent niet eens ons geloofslied!
HANSWORST
Het geloofslied? Dat ken ik heel goed.
Gaat in de houding staan.
Een vaste Wartburg is onze God,
een toevlucht voor de zijnen.
WAGNER
Schoft, je maakt een toespeling
dat onze Luther naar de Wartburg moest vluchten
voor de roomse ketterjagers.
Had hij zich in het ongeluk moeten storten
alleen voor jou?
HANSWORST
Helemaal niet, van mij
hoeft er niemand verbrand te worden.
WAGNER
Een vaste burcht is onze God,
een toevlucht voor de zijnen.
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet zijn hulp verschijnen.
Zing maar verder!
HANSWORST
Ik heb alleen het begin onthouden,
maar mag het een volkslied zijn –
dat is ook geestelijk – over onze Jezus,
en hoe Petrus hem verraden heeft?
Wagner krimpt ineen bij het woord “verraden”.
Het is misschien niet zo voortreffelijk
als dat van Luther,
maar ook heel bruikbaar.
WAGNER
Knoop dit in je oren: in het huis van doctor Faust
mag het woord “verraad” niet uitgesproken worden,
nooit ofte nimmer! Begin maar!
HANSWORST
De Heer richtte een gastmaal aan
met al zijn twaalf apostelen.
Ze gingen toen een tuin in
en iedereen was vrolijk.
WAGNER
Ze waren niet vrolijk, ze waren treurig.
HANSWORST
Bij ons waren ze vrolijk; bij een gastmaal
ben je vrolijk, omdat er iets te eten is.
 
Toen de vervolgers kwamen,
werd het de apostels te heet.
Petrus die werd bij zijn mantel gepakt:
“Zo, Kaalkop, nu heb ik je beet.”
WAGNER
“Kaalkop”! Hoe kun je
de geweldige Petrus een “kaalkop” noemen?
HANSWORST
Omdat hij geen haar had.
 
En Petrus trekt zijn sabel,
voor hulp aan de Heer inderhaast.
Hij slaat heel miserabel,
de meeste houwen gaan naast.
WAGNER
Dat is fout, je zegt “treffen geen doel” – niet “gaan naast”.
HANSWORST eigenwijs
De Heer gaf hem een teken:
“Ach, Petrus, doe weg dat zwaard.
Dat zijn maar muggensteken,
jouw zwaard dat is niets waard.”
WAGNER laat diep geschokt zijn hoofd hangen
“Dat is niets waard”!
HANSWORST
Maar Petrus vond niet prettig
dat hij niets waard was geweest,
hij wond zich op tot hij rood zag
en ging tekeer als een beest.
WAGNER klaaglijk
“Tot hij rood zag”!
HANSWORST
Knecht Malchus die stond naast hem,
maar had het niet allemaal door.
Die kreeg de eerste klap haastig
en weg was zijn ene oor.
 
En Malchus zet op een grote keel,
hij is helemaal geknakt:
“Heer, maak mijn oor toch weer heel,
Kaalkop heeft het afgehakt.”
 
Wagner krimpt ineen.
 
De Heer die pakte Malchus’ oor
en wilde het meteen genezen.
Toen sprong Petrus kwaad naar voor
om hem de les te lezen:
 
“Wat heeft mijn houwen dan uitgehaald?
Wees nu toch eens reëel:”
WAGNER
Een smerig straatlied!
HANSWORST
“Wat ik er zo dapper heb afgehaald
dat maakt u nu weer heel.”
 
Faust komt op en luistert met een duistere blik.
 
Bij het kolenvuur was gegaan
Pilatus, bleek als een lijk.
Toevallig komt er een vervolger aan
en Petrus herkent hij gelijk.
 
“Die vent die zijn vervolgers tart
was ook bij Jezus daar!”
Maar Petrus liegt glashard
en schreeuwt: “Dat is niet waar!”
FAUST
Wat doet deze jongeman hier?
WAGNER
Hooggeleerde heer, ik heb hem
aangenomen voor huishoudelijk werk.
HANSWORST
Waar kan ik mijn spullen leggen?
FAUST tegen Wagner
Wijs hem maar waar hij kan slapen.
HANSWORST buigt onderdanig voor Faust, terzijde
Wat ziet hij bleek!
Tegen Wagner Laat me maar zien waar de keuken is.
 

Scène 4

 

DE EERSTE PROEF

 
Pantomime
Faust tekent het magische vierkant en raadpleegt telkens weer de “Clavicula Salomonis”.
DE HOOFDZONDEN onzichtbaar
Fauste!
FAUST kijkt op
Wie roept daar?
DE HOOFDZONDEN als een echo
Trots, Begeerte, Nijd,
Vraatzucht, Wellust,
Toorn, Luiheid!
FAUST
Quos ego! Dat is niet genoeg.
Het magische vierkant is klaar. Faust mompelt bezwerende formules. Verschijning: Auerhaan, Asmodee, Zachariël.
Wie zijn jullie?
DE DRIE
Wij zijn de agenten van Pluto,
heer van de onderwereld,
en gekomen om u te dienen.
FAUST
Hoe heten jullie?
De drie, snel, snaterend
AUERHAAN
De naam doet niet terzake.
ASMODEE
Wat is een naam?
ZACHARIËL
Ik heb er vier, maar ik heet –
Asmodee trapt op zijn voet.
FAUST
Quos ego!
De drie slaan hun hand voor hun mond.
Ik heb dienaren nodig, die mijn wensen snel vervullen!
Naar Auerhaan wijzend Hoe snel ben jij?
AUERHAAN
Zo snel als de zwarte pest.
FAUST
Die is niet snel genoeg,
er leven nog mensen.
Naar Asmodee wijzend Hoe snel ben jij?
ASMODEE
Zo snel als de wraak na verraad.
FAUST
Die is niet snel genoeg.
Ik leef nog.
ASMODEE
Misschien is de wraak wel dat u nog leeft!
FAUST
Wil jij mij een lesje leren, hond?
Naar Zachariël wijzend Hoe snel ben jij?
ZACHARIËL
Zo snel als de gedachten van de mensen.
FAUST
Die zijn sneller dan snel,
maar als het om de waarheid gaat,
wat zijn ze dan traag!
Zijn er snellere geesten?
AUERHAAN
Ja: Mefistofeles.
FAUST
Breng hem hier.
DE DRIE
Je moet hem zelf roepen!
Ze verdwijnen.
FAUST
Ik, Johann Faustus,
viermaal gepromoveerd,
bezweer jou, Mefistofeles,
als jij de snelste bent,
voor mijn kring te verschijnen
en mij te woord te staan.
Mefisto verschijnt in burgerkleren.
Kom je in menselijke gedaante?
MEFISTO
Pluto gaf me de macht
om in elke gedaante te verschijnen.
FAUST
Hoe snel ben je?
MEFISTO
Zo snel als de overgang van goed naar kwaad.
FAUST
Dat is genoeg. Ik heb gemerkt
hoe snel hij is, ach, ik heb het gemerkt!
Wil je met mij een pact sluiten?
MEFISTO
Altijd!
FAUST
Nee! Nee! Nee!
Niet zo snel, ik heb nog geen besluit genomen.
Maar ik beveel je vannacht
om twaalf uur weer te verschijnen.
MEFISTO
Zo gauw je aan me denkt, ben ik bij je.
Af. Faust valt op de grond. Hij staat moeizaam op.
FAUST
Ik kan niet meer, ik moet gaan liggen.
Hij gaat liggen.
BOERENKOOR
Toen wij gestreden hadden
en bij Frankenhausen verslagen waren
was ons grote en roemrijke leven
ten einde.
Wat daar voor Frankenhausen lag
zag niet het einde van de dag.
En wie niet lag, maar vluchtte weg
die heeft daarvan alleen maar pech.
Ook wie niet meestreed dag aan dag
verloor toen met ons deze slag.
FAUST
Lucht, lucht, ik stik!
 

Doek

 

Scène 5

 

ONBEHOUWEN SCENE

 
Pantomime
Hansworst is aan het vegen met een bezem. Hij ziet de magische kring en vindt het boek op de grond. Hij slaat het open.
HANSWORST
Mooie letters! Spelt “Perlicke.”
Agenten van Pluto in duivelsgedaante verschijnen rond de kring.
“Perlacke.”
De duivels verdwijnen. Hansworst kijkt op.
Geen storing bij het werk,
alsjeblieft! “Perlicke.”
De duivels verschijnen.
“Perlacke.”
Ze verdwijnen. Hansworst kijkt op.
Stilte alsjeblieft, als ik studeer!
Dat is mooi, wat hier staat,
dat moet ik nog een keer lezen.
“Perlicke.”
Ze verschijnen. Hansworst, zonder op te kijken
“Perlacke.”
Ze verdwijnen. Hansworst kijkt op.
Wie maakt hier herrie als ik lees?
“Perlicke.”
Ze verschijnen. Hansworst kijkt snel op en ziet de duivel.
Wat moet dat? Wat willen jullie?
DE DUIVELS
We willen je dienen.
HANSWORST
Jullie zien er afschuwelijk mooi uit.
DUIVELS
Wij zijn de duivels.
HANSWORST spuwt
Foei, duivels! Wat willen jullie?
DE DUIVELS
Jou je nek omdraaien.
HANSWORST
Nee, dat zou zonde zijn.
DE DUIVELS
Kom uit de kring!
HANSWORST
Maak dat je wegkomt!
DE DUIVELS
We gaan niet weg.
HANSWORST
Waarom gaan jullie niet weg?
DE DUIVELS
We willen je verscheuren.
HANSWORST naäpend
Verscheuren?
Waarom verscheuren jullie me dan niet?
DE DUIVELS
We kunnen de kring niet in.
HANSWORST
Kunnen jullie er niet in,
dan kan ik er niet uit.
DE DUIVELS
Geef ons een hand.
HANSWORST
Schurken een hand geven?
Maak dat je wegkomt!
Gaat zitten. De duivels gaan ook zitten. Hansworst staat weer op. De duivels staan op. Hansworst gaat zitten. De duivels gaan zitten. Hansworst leest
“Perlacke.”
De duivels verdwijnen. Hansworst kijkt om zich heen.
Waar zijn ze nu?
Aha, wat heb ik gelezen?
Kijkt in het boek. “Perlicke.”
De duivels verschijnen weer. Hansworst roept
Nu zijn ze er weer! Hij lacht.
DE DUIVELS schreeuwend
Houd op met dat citeren.
HANSWORST
Misdadigers! – “Perlacke!”
De duivels verdwijnen.
Ik zal jullie leren dansen!
Hij pakt zijn bezem.
“Perlicke!”
De duivels verschijnen. Hansworst, die telkens de dichtstbijzijnde duivel met zijn bezem op zijn hoofd slaat
“Perlacke!”
Ze verdwijnen. Hansworst moet onbedaarlijk lachen.
“Perlicke!”
Ze verschijnen.
“Perlacke!”
Ze verdwijnen. Hansworst, steeds sneller
“Perlicke – Perlacke!”
Hij geeft de duivels een pak slaag.
 

Scène 6

 

HET PACT

 
De studeerkamer van Faust. De klok slaat twaalf, Faust luistert naar de slagen.
MEFISTO
In qua forma me vis videre?
FAUST
In welke gedaante je voor mij moet verschijnen?
Tegen zichzelf Ik moet moed tonen.
Roept In de vreselijkste gedaante
die er maar bestaat.
Mefisto verschijnt in harnas en stalen helm en met een zwaard.
Je komt als soldaat?
MEFISTO
Had ik dan als boer moeten komen?
FAUST
Houd op!
MEFISTO
Vertel me punt voor punt
wat voor pact ik met je moet sluiten.
 

DE ONDERHANDELING

 
FAUST
Punt één: je moet me
vierentwintig jaar gehoorzamen en trouw dienen.
MEFISTO
Vierentwintig jaar?
Is de helft niet genoeg?
FAUST
Vierentwintig jaar, bij een jaar
van driehonderdvijfenzestig dagen.
MEFISTO denkt even na
Goed!
FAUST
Punt twee: je moet me
handenvol geld geven, want ik wil
alle pleziertjes van de wereld genieten.
MEFISTO
Goed!
FAUST
Punt drie: je moet
de mooiste en beminnelijkste man van me maken,
en als ik er zin in heb
wil ik op mijn mantel door de lucht vliegen,
waarheen ik ook wil,
maar zonder gevaar voor mijn persoon.
MEFISTO
Goed!
FAUST
Punt vier: je moet me
de kunsten leren.
MEFISTO
Noem maar op!
FAUST
De grote schilderkunst,
de verheven muziek,
de edele dichtkunst.
MEFISTO
Dat kan ik niet.
FAUST
Heb je die niet in je macht?
Mefisto zwijgt.
Ik heb roem nodig. De heren van deze wereld
moeten voor mij buigen,
en bezorgd kijken of ik wel in een goed humeur ben.
Slaat op tafel.
Het belangrijkste punt van het contract!
MEFISTO
Met een nieuwe kunst die ik je leer
kun je helden laten verschijnen
alsof ze echt bestaan en leven.
FAUST denkt na
Hoog en laag heeft helden nodig en bewondert die.
Hardop Uitstekend!
Helden zullen komen en gaan op mijn bevel.
Dat is de macht waarnaar ik honger.
Terzijde Heb ik mijn eer verloren,
dan moet ik iets beters, veel beters winnen!
Punt vijf: je moet me
waarschuwen voor ieder gevaar,
geen ongeluk mag me treffen,
geen haar mag me gekrenkt worden.
MEFISTO ongeduldig
Goed!
FAUST
Want ik moet vierentwintig jaar
in goede gezondheid leven.
MEFISTO
Als je het heel erg bont maakt
met vreten, zuipen en naaien –
hoe kun je dan gezond blijven?
Maar daar heb ik mijn huismiddeltjes voor.
Denkt even na.
Faust, ik heb over de voorwaarden nagedacht
en ga akkoord.
FAUST
Goed!
MEFISTO
Luister nu naar mijn voorwaarden!
FAUST
Wil je voorwaarden stellen?
Zijn na het verstrijken van de termijn
mijn lichaam en geest niet de jouwe?
MEFISTO
Dat wel, maar denk niet dat bij zo’n handeltje
jij als enige regels opstelt.
Slaat op de tafel. Punt één:
Je mag je niet wassen en kammen
en niet je nagels schoonmaken.
FAUST
Dan keren de mensen zich vol afschuw van me af.
MEFISTO
Laat dat maar aan mij over:
de mensen zullen Faust altijd
de mooiste man ter wereld vinden.
FAUST
Goed!
MEFISTO
Punt twee:
je mag geen boek meer aanraken
en geen universiteit meer binnengaan.
FAUST
Denk even aan mijn naam als geleerde!
MEFISTO
Ik kan de mensen zo verblinden
dat ze denken
dat Faust de ijverigste van alle geleerden is.
FAUST
Goed!
MEFISTO
Punt drie:
je moet je de liefde ontzeggen!
FAUST
De liefde?
MEFISTO
Het belangrijkste punt van het contract!
FAUST
Geen liefde voor een vrouw?
MEFISTO
Nee!
FAUST
Ook niet voor mijn ouders?
MEFISTO
Nee!
FAUST
Ook niet voor vrienden en kameraden?
MEFISTO
Nee!
FAUST
Ook niet voor mijn eigen stand?
MEFISTO
Welke stand bedoel je?
Die van de professoren?
FAUST
Die minacht ik. Ik bedoel de boeren.
MEFISTO
Faust, wat houd je jezelf voor de gek!
Waar was je in dat moeilijke uur,
Toen ze doodgemarteld werden in Frankenhausen?
Dat was zo’n diepe ellende,
dat de duivel bijna meelij kreeg.
FAUST zacht
Mag ik van mijn land houden?
MEFISTO
Het land waarin de stad Frankenhausen ligt?
FAUST
Nee, verschrikkelijk!
Dat heeft Thomas Müntzers bloed gedronken!
MEFISTO telt op
Bedoel je Saksen, Anhalt, Mecklenburg,
Hessen, Beieren, Zwaben?
Bedoel je Schleiz, Greiz, Lobenstein,
Lauenburg, Ratzeburg, Schwarzburg,
Rudolstadt, Putbus en Lanken?
FAUST
Ik bedoel het geheel: Duitsland!
MEFISTO
Dat van de vorsten, jonkers en papen?
FAUST
Nee, die veracht ik!
MEFISTO
Dat handel drijft, goede zaken doet,
veel voordeel heeft?
FAUST
Nee, die verachten mij!
MEFISTO
Bedoel je het volk?
FAUST Laat het hoofd zakken. Na een tijdje
Mag ik trouwen?
MEFISTO
Nee!
FAUST
Zonder liefde, zegt men,
is het leven onverdraaglijk.
Van wie mag ik houden?
MEFISTO
Van jezelf!
Zoals je ziet, wordt er met liefde
in ons contract rekening gehouden,
alleen wordt die van iets algemeens
iets bijzonders – voor jou alleen.
FAUST
Laat die kunstjes,
ik heb die al genoeg gebruikt in de disputen!
Peinzend Daarvoor heb ik een zuiver geweten nodig.
MEFISTO
Dat regel ik wel! Knipt met zijn vingers.
Nadat je ’s nachts gezopen en genaaid hebt,
word je goed en rein wakker en zegt tegen jezelf
dat het maar een aardigheidje was.
FAUST
Zo’n geweten is niet genoeg.
Ik heb een ander nodig.
MEFISTO
Wat voor een?
Faust zwijgt.
Zeg op, Faust!
FAUST
Er knaagt iets in me,
ik word onrustig
en slaap er niet van.
MEFISTO
Vertel het me, Faust!
FAUST
De oorlog!
MEFISTO
Welke?
Er zijn er veel en ze zijn allemaal verschillend.
FAUST
Die de boeren gevoerd hebben.
Ik heb me erbuiten gehouden.
MEFISTO
Heel verstandig! En verder?
FAUST
Ik ben een boerenzoon.
Mefisto lacht.
Lach niet, hond die je bent!
MEFISTO
Waarom word je boos, Faust?
Je bent toch doctor nu –
viermaal gepromoveerd!
Faust zwijgt. Mefisto slaat op tafel.
Wat wil je?
FAUST zacht
Zorg dat ik twee liederen vergeet.
MEFISTO
Verder niets?
Zing ze maar, en je bent ze al vergeten.
FAUST
Ik wil ze niet zingen,
je moet ernaar raden.
MEFISTO
Er zijn er veel en ze zijn allemaal verschillend.
Hij kijkt Faust onderzoekend aan.
Het eerste lied werd gezongen door de jonkers.
Terwijl Mefisto het lied van de jonkers zingt, houdt Faust zijn ogen dicht.
Wil je je niets ontzeggen,
jij jonge edelman,
doe dan wat ik ga zeggen,
bestijg je paard en dan
wees opgewekt en oversaagd!
 
Als je een boer met hout ziet,
val onbarmhartig aan,
en dwing hem zijn bezit en
zijn paardjes af te staan.
 
Ook als hij maar een cent heeft,
boei hem! Kwel hem! Trap hem! Sla hem!
Steek hem! Pers hem! Brand hem! Hang hem!
Snijd hem zijn keel maar door!
Met bezwerende gebaren
Vergeet het! Vergeten! Nachtegaaltje zing!
Faust doet zijn ogen open en veegt met zijn hand over zijn voorhoofd.
Mefisto zint met wilde gebaren, alsof hij met gestrekte speer in de aanval gaat. Faust bekijkt hem aandachtig.
Heia, ohé! Hei, ohé! Ohé! Ohé! Ohé! Ohé!
Heeeeeeeeeeeeeeeeee!
Nu tellen slot, abdij en stift,
heia ohé!
Wij kennen slechts de Heilige Schrift,
heia ohé!
Speren klaar, steken maar…
FAUST onderbreekt hem
Ik kan het niet horen, dat vreselijke lied!
MEFISTO
Vreselijk? Het kent geen vrees!
Schudt zijn hoofd, gaat naar de rand van het toneel.
Een moeilijk geval, vraagt een bijzondere aanpak.
Is misschien wat onhebbelijk, maar zo ben ik nu eenmaal.
Gaat terug naar Faust en spuwt hem in zijn gezicht.
FAUST
Een grove grap!
MEFISTO
Grap? Ben je het vergeten?
FAUST
Vergeten? Wat moet dat?
MEFISTO Luid
Nu de twee liederen, Faust!
FAUST
Ik kan me niet herinneren dat ik het over liederen had.
MEFISTO
Hier is het contract.
Eerst je bloed!
Haalt met zijn hanenveer bloed uit Fausts arm.
Tekenen!
Faust pakt de pen, zijn hand beeft.
Wat beef je, ik moet je hand vasthouden.
Mefisto houdt Fausts hand vast en stopt het contract in zijn zak.
Nu, Faust, je eerste wens!
FAUST
Ik wil reizen
naar waar ik geen kreupelen,
waar ik geen ruïnes,
waar ik geen verraders zie –
waar niemand me kent.
Ik wil alleen maar weg!
MEFISTO bij een wereldbol
Waar wil je heen?
FAUST
Weg!
MEFISTO draait de wereldbol
In het westen, voorbij de grote zeeën,
ligt een land, Atlanta.
Het is rijk en kleurig.
Met een nieuwe kunst, die ik je leer,
zul je veel eer behalen.
FAUST
Hoe reizen we?
MEFISTO
Door de lucht.
Hij stampt op de grond en Auerhaan verschijnt.
Auerhaan, we gaan naar Atlanta.
Jij komt later met Hansworst.
Met een wenk laat hij Auerhaan verdwijnen. Mefisto keert zich naar Faust.
Kijk niet zo schuw, het is niet gevaarlijk.
Hij spreidt een mantel uit op de grond.
Hier, je mantel moet ons dragen.
Mefisto pakt Fausts hand en gaat met hem op de mantel staan.
Naar Atlanta!
 

Doek

 
BOERENKOOR
Ga deze weg maar, Faustus!
Wij zullen je vergezellen.
Wat je ook doet,
wij nemen je bij de hand.
Als je een leugen wilt zeggen
zul je de waarheid zeggen
tegen je wil.
Wij zullen je breken.
 

Acte II

 

Scène 1

 
In Atlanta. Tuin van de heer van Atlanta.
 
GRETE pelt zwarte erwten en doet ze in een mand.
“Al ben ik ver van jou,
‘k ben in mijn slaap bij jou
en praat met jou;
en als ik weer ontwaak
ben ik alleen.
Er vergaat geen uur in de nacht
dat mijn hart niet smacht
en aan jou denkt.
Omdat jij duizendmaal
het aan mij schenkt.”
Wat is dat voor een geschreeuw in de lucht?
HANSWORST stort neer
Mijn paard heeft me afgeworpen
op een vreemde manier,
zo van boven naar beneden,
en toen ben ik eraf gevallen,
omdat ik een slechte ruiter ben.
GRETE
Wie ben je?
HANSWORST zegt niets
Hm, hm.
GRETE
Kun je niet praten?
HANSWORST
Hm!
GRETE
Daarnet praatte je nog;
hoe kun je dan
opeens stom geworden zijn?
HANSWORST
Om mijn mond niet voorbij te praten,
maar het lukt niet.
Wie ben jij, vreemde schoonheid?
GRETE
Het keukenmeisje van de heer van Atlanta.
HANSWORST
Keukenmeisje! Vertel eens,
is die keuken net zo mooi als jij?
Grete knikt.
Een mooi keukenmeisje in een mooie keuken!
Dat is het hoogste wat bestaat,
zoals mijn meester altijd zegt,
het utile cum dulce:
het aangename met het nuttige verenigd.
GRETE
Zeg toch niet van die gemene dingen!
HANSWORST
Gemene dingen?
Is een keuken dan gemeen?
Is die niet iets lieflijks, en is het gevoel
dat er straks iets te eten is
niet iets voornaams, en staat er,
wanneer het eten dan op tafel staat,
niet iets voornaams op tafel?
En is dat dan geen troost
voor de gekwelde mensheid?
In hun middagslaapje, zeg ik je,
mooi buitenlands meisje, zijn zelfs
de bloeddorstigste landsknechten ongevaarlijk.
Ik heb een heer van stand gekend
die altijd zei: Je moet
tussen de etenstijden niet werken,
dat geeft maar ontevredenheid.
GRETE
Dan heeft die blijkbaar geld.
HANSWORST
De duivel schijt altijd op de grootste hoop.
GRETE
En wat doet hij nu, die heer van stand?
HANSWORST
Ze hebben hem doodgeslagen, de boeren.
Grete lacht.
Mag ik je een klein vraagje stellen,
vreemde schoonheid?
Grete knikt. Hansworst fluistert
Waar is hier ergens de keuken?
GRETE
Praat er toch niet omheen,
jij krijgt ook iets te eten van me.
Stapt achteruit Wat zie je eruit!
Je hemd is gescheurd, dat moet ik verstellen,
de naad van je broek is los,
die zal ik vastnaaien, mooi
ben je niet met je aardappelneus,
en je moet je ook nog wassen.
Maar je bent vrolijk,
en ik vind het fijn als iemand vrolijk is.
HANSWORST
Hoe heet je?
GRETE
Grete.
HANSWORST
Ik heet Hans met nog wat erbij,
iets ronds, iets korts,
iets wat je op de groente legt,
iets wat lekker is, iets
waarzonder de mens geen mens is.
GRETE
Dat raad ik nooit!
HANSWORST
Worst!
GRETE
Wat klets je nu?
HANSWORST
Kletsen?
GRETE
Kletsen is het als iemand te veel praat,
net als de vogels, als die kwetteren.
HANSWORST
Het is gemeen om mij
een kletskous te noemen.
GRETE
Vogels zijn mooi, Hansje.
HANSWORST
Zeg niet zo makkelijk mooi,
dan word ik onrustig en vraag meteen
of het eten al bijna klaar is.
Als ik drie dagen niets in mijn maag heb
zeg ik ook altijd: Mooi, Hansje,
je hebt je lijf dit kweeer er mooi verraden,
lafaard die je bent!
GRETE
Honger is een droeve zaak.
Jouw grapje is niet leuk!
HANSWORST
Ik had niet aan eten moeten denken,
want daar krijg ik altijd zo’n dorst van.
Grijpt naar zijn hart Wat krijgen we nu?
Ach, mijn oude kwaal: zwakte en duizeligheid!
Hij wil Grete omhelzen.
 

Duet

 
GRETE
Had ik een emmer met koud water,
dan zou ik jou daarmee verkwikken,
maar ik heb niet genoeg tijd en zin;
ik moet mijn werk doen als kokkin,
geen tijd verspillen met gesnater.
HANSWORST
Ik wacht ook liever niet tot later.
GRETE
Ik moet het avondeten maken,
dat er iets warms op tafel staat,
en ik mag geen werk laten staan;
daarna wil ik naar bed toe gaan.
HANSWORST
Naar bed toe gaan?
Grete knikt.
Het lijkt of je me wilt bespotten!
Hij kreunt.
GRETE
Hoe kom je dan zo ongezond?
Laat je dan naar het ziekbed dragen.
HANSWORST
De ziekte is: ik voel het knagen.
Mijn maag knort als een hond.
GRETE
Probeer mij niet in slaap te sussen;
uit zwakte mag je mij niet kussen,
verleiden niet dit arme dier.
HANSWORST
Ik bedoel het toch eerlijk!
GRETE
Eerlijk?
Hansworst steekt twee vingers op bij wijze van eed
Eerlijk!
GRETE
Kom naar de keuken, het is tijd!
We moeten kijken of het braadvlees
bruin is of nog rood.
HANSWORST
Is het waar dat ze het vlees hier
eten zonder brood?
GRETE
Als ik de kippen moet bereiden,
HANSWORST
Wijk ik niet meer van je zijde.
BEIDEN
Kom in de keuken!
Het is tijd!
Hoog tijd!
Tijdens het duet is de heer van Atlanta met secretaris en lijfwacht opgekomen. Het is een groep duister kijkende mannen. Ze vormen een kring rond Hansworst en Grete.
 

Scène 2

 
EERSTE DUISTER KIJKENDE MAN
Dat flikflooit in de zon!
Schreeuwt Vooruit, naar de keuken!
Grete af.
HANSWORST wil achter haar aan, struikelt
Wacht op mij!
TWEEDE DUISTER KIJKENDE MAN
Hier blijven! Dat zou je wel willen.
HANSWORST
Een arm weeskind, blootgesteld
aan de ongemakken van het weer,
vraagt een kleine verfrissing.
DERDE DUISTER KIJKENDE MAN
Waarom ga je niet terug
naar je land van herkomst, als je
bij ons het weer niet zo bevalt?
HANSWORST geïntimideerd, houdt zijn hand op met de rug naar boven
Ik dacht even dat het regende.
TWEEDE DUISTER KIJKENDE MAN
Heb je geld, sieraden,
brieven, boeken, geschriften?
HANSWORST
Die heeft mijn heer.
SECRETARIS
Hoe heet je heer?
HANSWORST
Dat mag ik niet zeggen.
VIERDE DUISTER KIJKENDE MAN
Waarom niet?
HANSWORST
Dat is me verboden.
De Duister Kijkende Mannen grijpen Hansworst.
Laat los! Je draait mijn armen uit de kom!
Op een wenk van de heer van Atlanta gaan de Duister Kijkende Mannen achteruit. Hansworst wrijft over zijn armen.
Kan ik het met een pantomime laten zien?
De heer van Atlanta knikt.
Pantomime
Hansworst steekt zijn hand uit. Hij wijst ernaar. De heer van Atlanta knikt. Dan doet Hansworst zijn hand half dicht en wijst ernaar. De heer van Atlanta knikt. Dan balt Hansworst hem tot een vuist.
HEER VAN ATLANTA
Faust!
HANSWORST
Bij hem ben ik in dienst.
Snel Maar ik heb niets verraden!
HEER VAN ATLANTA tegen Hansworst
Je kunt nu naar de keuken om daar
een kleine verfrissing tot je te nemen.
Hansworst af, met een schuwe blik op de heer van Atlanta.
 

Scène 3

 
HEER VAN ATLANTA
Wat zeggen de mensen over onze grote gast in het land?
SECRETARIS
Atlanta wacht op uw oordeel, heer!
HEER VAN ATLANTA
Ik begrijp hem niet.
SECRETARIS
Hij is vreemd schuw en mijdt gezelschap;
alleen met uw vrouw wordt hij vaak gezien.
HEER VAN ATLANTA
Dat moet ophouden!
SECRETARIS gaat naar de groep Duister Kijkende Mannen, krijgt een geheim bericht en leest dat voor
Hij onderhoudt zich met haar over iets
wat hij de zwarte spelen noemt.
Vraag je hem naar bijzonderheden,
dan is hij terughoudend;
betrap je hem soms op een tegenspraak,
dan wordt hij kwaad en roept:
Zo doe ik dat nu eenmaal, punt uit!
Kijkt op Zijn vreemde kleding
en zijn ongewone kapsel
maakt grote indruk. Ik ben bang
dat dat bij ons mode wordt.
HEER VAN ATLANTA
Wat in Atlanta mode wordt
dringt overal door.
Een Duister Kijkende Man geeft een teken.
We zullen ze afluisteren.
Gaat met zijn secretaris haastig naar een tuinhuis.
 

Scène 4

 

TUINSCENE

ELSA
Ze zeggen dat in uw vaderland
de vogels zo lieflijk zingen.
Faust knikt.
In mijn tuin zijn ze stom,
alsof ze verdriet hebben.
Ik heb het zingen van vogels nog nooit gehoord.
Faust schrijft iets op een stuk papier en gooit het op in de wind; dan steekt hij zijn hand op. De vogels in de tuin beginnen te zingen. Faust en Elsa luisteren. Niet zonder ontroering hoort Faust het zingen van de vogels uit het vaderland. Na een poosje geeft hij een wenk. De vogels vallen stil.
Is het mooi, uw land?
FAUST
Eentonig, niet zo kleurig als hier,
maar we hebben goede geleerden,
aan onze universiteit doceert Maarten Luther.
ELSA
Kunt u Luther naar Atlanta brengen?
Het zou prachtig zijn
om zo’n bijzondere man bij ons te hebben.
FAUST duister
Naast zijn grote werk, de bijbelvertaling,
heeft hij nauwelijks tijd om te reizen.
ELSA
Waarom moet hij de Bijbel vertalen?
Vindt hij die zo niet goed genoeg?
FAUST
Mijn arme Duitsland,
verscheurd en versplinterd,
het kan maar geen geheel worden.
Tolhekken, grenzen overal,
Je kunt er niet eens reizen.
Op ieder stukje grond regeert een andere heer,
en ieder kwelt het volk op zijn manier.
Was onze Bijbel Duits, dan spraken we
dezelfde taal, van noord tot zuid, van oost tot west,
werden we misschien één.
ELSA
Hoe vindt u onze tuin?
FAUST
Hij gaat met al zijn rijkdom
tuinarchitectuur te buiten en treedt
in de wereld van de edelstenen en juwelen.
ELSA
Dank u.
Faust maakt een buiging.
Je zou hem niet moeten prijzen zonder
te denken aan al het werk dat erin gestoken is.
De aanleg was moeilijk. Onze negers
moesten een afschuwelijk moeras droogleggen,
ontzettend werk, niet ongevaarlijk
door de krokodillen.
Ik wil op de details niet ingaan,
maar het heeft ons veel offers gekost.
Al spoedig zagen we dat zorg en onderhoud
nog meer grote offers kosten zou.
Mijn arme man is daar bezorgd om.
Faust begint onrustig heen en weer te lopen.
Als op de koele avonden zwermen
van muggen en groene vliegen verschijnen,
zegt hij heel vaak peinzend:
“Eens een moeras, altijd een moeras,
al ziet het er nog zo mooi uit.”
Faust knikt instemmend.
Gisteren moesten we weer vijf negers
afranselen; dat helpt, maar
niet lang, want troebel water
komt telkens weer op en
laat de wonderlijkste bloemen bloeien.
FAUST
In die boompaddenstoel zie ik
een vaalbruine met oranje vlekken
en haar lip vertoont sidderende voelhorens.
Onschuld en ontucht wonderlijk vereend.
Hij geeft Elsa de bloem.
ELSA
Ze zeggen wel, dat wij geen zorgen hebben.
Van verantwoordelijkheid, de zware
die op ons rust, spreekt niemand.
De waarheid is: ik twijfel aan mezelf
en denk dan dat ik misschien schuldig,
want onzorgvuldig ben: mijn tuin kon toch
nog mooier bloeien en nog rijker groeien.
Faust slaat een hand voor zijn ogen.
Wat is er met u?
FAUST
Dat felle licht!
ELSA
Het kost tijd voor je dat gewend bent.
FAUST
’t Is moeilijk als je van het donker houdt.
ELSA
Wat zijn in u toch kracht en zwakheid
wonderlijk vereend. En ook uw kleren en
uw kapsel zijn wat eigenaardig, maar
kunnen hier mode worden. Hoe u met een gebaar
een simpel woord een diepe zin verleent,
verbaast me. Hoe was het ook weer:
“als je van het donker houdt.”
FAUST
Ik zal u zeggen: aan de kennis
dank ik de gave alles te verachten.
Want overal om mij heen zag ik verachting,
verveling, weerzin zonder onderscheid.
De mens kwelt overal zijn medemens,
grijpt andermans bezit, en liefde blijft
dat wat een bed omsluit. Dus
haat ik licht en houd van duisternis.
ELSA
Wat moet u geleden hebben!
Ze omhelst Faust. De heer van Atlanta en zijn secretaris stormen het tuinhuis uit, gevolgd door de Duister Kijkende Mannen.

 

Scène 5

 

DE ZWARTE SPELEN

HEER VAN ATLANTA na een ongemakkelijke stilte
Wat zijn zwarte spelen?
FAUST
Een nieuwe kunst.
HEER VAN ATLANTA
Nieuw klinkt niet goed. Nieuw brengt onrust.
Een Duister Kijkende Man maakt een dreigende beweging. De Heer van Atlanta maakt een afwerend gebaar.
Heeft het met schilderkunst te maken?
FAUST
Misschien.
HEER VAN ATLANTA
Met toneel?
FAUST
Ook.
HEER VAN ATLANTA
Met vertelkunst?
FAUST
Zeker wel.
HEER VAN ATLANTA
Met muziek?
FAUST
Soms.
HEER VAN ATLANTA
Met dans?
FAUST
Zeker.
HEER VAN ATLANTA schreeuwend
Wat zijn zwarte spelen?
FAUST
De vereniging van alle kunsten – het allerhoogste!
De Heer van Atlanta is sprakeloos van woede.
ELSA
Denk aan je lever!
Zal ik wijn laten komen?
HEER VAN ATLANTA
Niets daarvan! Tegen Faust Laat me direct
een paar voorbeelden van dit allerhoogste zien
en vergeet daarbij niet
dat je met zakenmensen te doen hebt.
Nietsnutten sturen we terug, waar ze ook vandaan kwamen –
Faust steekt zijn hand op als protest.
niet zonder een gewetensvol verhoor.
Voor onze verhoren hebben we
een aantal krachtige jonge mensen opgeleid,
ware kunstenaarsnaturen, vol temperament,
maar ook bezield door noeste vlijt. Ik denk
dat het geen kwaad kan dit te weten, Faust.
En laat dan nu je kunsten zien, maar snel,
want ik heb niet veel tijd.
Negerbedienden hebben tuinstoelen klaargezet, een gezelschap is bijeengekomen: het zijn de dames en heren van Atlanta met hun personeel, bedienden en slaven.
FAUST
Ik moet me voorbereiden! Waar is mijn secretaris?
SECRETARIS VAN DE HEER VAN ATLANTA roept
De secretaris van doctor Faust!
Het bericht wordt doorgegeven. Mefisto komt op; de secretaris haast zich naar hem toe en begroet hem met een handdruk.
MEFISTO
Is uw heer altijd in zo’n slecht humeur?
SECRETARIS zacht
Hij heeft het aan zijn lever. En hoe is die van u?
MEFISTO
Kerngezond.
HEER VAN ATLANTA
Toverij is in Atlanta afgeschaft;
bijgeloof veracht ik.
Dus vraag ik de laatste keer:
wat zijn zwarte spelen?
MEFISTO
De natuurlijkste zaak van de wereld.
Mijn heer heeft deze kunst door de studie
van het Opus Mago-caballisticum et theosophicum verworven.
Zijn meesterschap vergroot hij door nieuwe apparaten,
die hij zelf ontworpen heeft.
Hij geeft een wenk. Hansworst komt met de apparaten. Mefisto geeft een demonstratie.
Met deze metalen plaat, miror genoemd,
is het ons gelukt kosmische stralen op te vangen.
In deze kist van electricum metallicum
hij klopt ertegen worden die gebundeld
en op een soort stolp hij laat die zien geworpen.
Door klanken worden ten slotte voorstellingen
opgeroepen die zichtbaar zijn.
HEER VAN ATLANTA
Ik heb alles begrepen en zie
dat het om de natuurlijkste dingen van de wereld gaat.
Jullie kunnen beginnen!
FAUST
Wat kan ik doen?
MEFISTO
Alles, alleen niets van oud en nieuw.
FAUST
Ik ken het land niet,
ik ken de gewoonten niet.
MEFISTO
Niets van goed en slecht,
Niets van krom en recht,
niets van hoog en laag,
niets van snel en traag,
niets wat kan ontroeren,
niets over je boeren!
FAUST
Wat dan?
MEFISTO
Laat hen het onderwerp kiezen en
toon alles daarna van de
mooiste kant!
Tegen de Heer van Atlanta
Mijn heer verzoekt u
onderwerpen op te geven
waarover hij improviseren zal.
HEER VAN ATLANTA
Ik kies natuurlijk
onderwerpen uit de Bijbel.
MEFISTO
Dat komt goed uit.
Hij huivert.
SECRETARIS tegen een bediende
De Bijbel!
De boodschap plant zich als een echo voort. Vier negerslaven brengen op een zijden kussen een grote Bijbel en een lessenaar, waarop het boek plechtig neergelegd wordt.
HEER VAN ATLANTA
Ik heb deze kortgeleden
uit Londen gekregen; het is de
vertaling van King James.
Allen nemen hun hoed af.
Sla het boek open!
Hij wenkt Faust, als die aarzelt.
MEFISTO
Pardon, mijn heer heeft het aan zijn ogen;
zijn lijfarts heeft hem streng verboden
een boek zelfs maar aan te raken.
HEER VAN ATLANTA wantrouwig
Ik probeer niemand ooit iets wijs te maken.
Ik ben geen boekenwurm.
Maar het Boek der Boeken!
Hoe vaak heeft het in droeve uren mij verkwikt,
hoe vaak heb ik daarin ook troost gevonden.
Wat echter de vertellingen betreft,
is veel voor mij onhelder en verward,
vol tegenspraak en soms gewoon absurd.
Zoals het verhaal van David en Goliat.
SECRETARIS slaat die passage op
In zijn zware harnas strijdt Goliat,
dreigend zwaait hij met zijn zwaard.
Zonder harnas strijdt David, met een katapult,
zoals de boeren bij het verjagen van wolven gebruiken.
Na heel veel strijd is David overwinnaar.
HEER VAN ATLANTA kijkt naar de generaal
Ik zei het al: absurd!
GENERAAL
Een opruiend sprookje!
Slechtbewapenden overwinnen goedbewapenden!
Alsof mijn geharnaste troepen door een willekeurige
bende boeren met knuppels verslagen konden worden.
Ik zou dit verhaal verbieden.
SECRETARIS
Maar bedenk wel: het is de Bijbel!
GENERAAL
Ik maak u erop opmerkzaam dat het gevaarlijk is
het toch al wankele moreel van onze geharnaste troepen
met opruiende sprookjes nog verder te ondermijnen.
SECRETARIS
Ik zal in Londen informeren
of door drukfouten of fouten in de vertaling
dit verhaal misschien bedorven is.
GENERAAL
Als Londen meedeelt dat eigenlijk
Goliat David verslagen heeft
is dat al genoeg.
ELSA
Had David behalve de katapult
nog een ander wapen bij zich?
FAUST
De goede zaak waarvoor je vecht
wordt een krachtig wapen
Applaus van de dames. Mefisto geeft Faust een trap.
HEER VAN ATLANTA geërgerd
Wat is dat nu weer?
SECRETARIS
Meneer bedoelt alleen: je moet je ook afvragen:
Wie vecht voor wie?
ELSA
Voor wie vecht dan die Goliat?
FAUST
Voor de Filistijnen.
HEER VAN ATLANTA
En dat waren?
FAUST
Geldwisselaars en rijke handelaars.
ELSA
Voor wie vocht dan die David?
FAUST aarzelend
Voor de boeren.
Mefisto grijpt naar zijn hoofd.
NEGERSLAAF hoge stem
Hoe werd het oorlog?
FAUST
De Filistijnen overvielen het land van David.
HEER VAN ATLANTA
En toen hadden de boeren
ook niets beters te doen
dan meteen oorlog te voeren?
FAUST
Ze onderhandelden eerst
en voerden toen oorlog.
ELSA
Wat een treurige wereld!
Oorlog, niets dan oorlog!
HEER VAN ATLANTA
Genoeg gepraat!
De Heer van Atlanta wenkt Faust, Faust wenkt Mefisto. Mefisto wenkt Hansworst, die een grote kring rond de apparaten trekt. Dan begeeft Hansworst zich naar Faust, helpt hem in zijn mantel en overhandigt hem plechtig hoed en stok. Faust treedt in de kring. Hansworst bedient de apparaten en luidt dan de klok.
 

ZWART SPEL NR. 1

Verschijning
Goliat danst zwaar en houterig. Na iedere serie danspassen zwaait hij dreigend zijn zwaard.
Verschijning
David (die op Faust lijkt) heft zijn katapult. De strijd wordt uitgebeeld door bewegingen vooruit en achteruit. David treft Goliat met een steen uit zijn katapult; Goliat dood op de grond. David grijpt Goliats zwaard en zwaait er dreigend mee. Vier negerslaven in ketenen begeleiden de handeling.
NEGERSLAVEN
Goliat was een knecht van de Filistijnen.
David was vrij man.
Goliat kreeg zijn wapens van de Filistijnen,
David maakte zijn wapen zelf.
Toen het tot een gevecht kwam, trof David hem,
hij trof hem met zijn goede katapult.
Dood is Goliat, knecht van de Filistijnen.
David bleef vrij man.
De verschijning verdwijnt. Het succes is matig, de dames en heren geven een beleefd applaus. Het applaus van personeel, dienaren en negerslaven wordt door de Heer van Atlanta met een bruusk gebaar afgebroken. Faust geeft Hansworst mantel, hoed en stok, treedt uit de kring en gaat naar Elsa.
ELSA
Kunnen jullie dat nog een keer laten zien?
Maar zonder Goliat, alleen met David.
Hij maakt zulke sierlijke bewegingen.
Ze doet David met een paar danspassen na. Faust kijkt vragend naar de Heer van Atlanta. De Heer van Atlanta schudt zijn hoofd.
HANSWORST
Aha!
EEN DUISTER KIJKENDE MAN
Stilte daar achterin!
HEER VAN ATLANTA tegen Faust
Ik kies als tweede het verhaal
van Jozef en de vrouw van Potifar.
MEFISTO
Voorzichtig, Faust!
Faust knikt.
SECRETARIS over de Bijbel gebogen
De vrouw van Potifar houdt van Jozef,
maar Jozef beantwoordt de liefde niet.
Haar pogingen hem tot liefde te dwingen
eindigen in een lelijke scène:
Jozef rent naakt haar kamer uit.
Dit voorval baart groot opzien
en is het gesprek van de dag.
De vrouw van Potifar vreest de
ontzettende wreedheid van haar man,
de onderkoning van Egypte.
Haar lievelingsslavin Naomi verzint een list.
Gezelschapsdames worden nu
voor een sinaasappelmaaltijd uitgenodigd.
Als ze bij elkaar zijn en
babbelend sinaasappels schillen,
laat men Jozef binnenkomen.
Groot is zijn schoonheid.
Maar in de stad zeggen ze:
Alles wat een elegante rok draagt
smacht naar Jozef.
De Heer van Atlanta wenkt Faust, Faust wenkt Mefisto, Mefisto wenkt Hansworst. Hansworst helpt Faust in zijn mantel en overhandigt hem plechtig hoed en stok. Faust treedt in de kring, Hansworst bedient de apparaten en luidt dan de klok.
 

ZWART SPEL NR. 2

Verschijning
De vrouw van Potifar uit haar verwarring in een dans. Naomi met de slavinnen. In ketenen. Beraadslaging. Naomi haalt de dames erbij. Ze beginnen met elegante gebaren sinaasappels te schillen. Naomi haalt Jozef (die op Faust lijkt) en aan een gouden ketting geketend is. De dames kijken in extase naar Jozef, vergeten de sinaasappels, snijden zich in de vingers, en de sinaasappels kleuren rood als bloedsinaasappels.
NEGERSLAVEN
Jozef, vergeet je ketenen niet,
ze zijn van goud,
maar ze zijn ketenen.
Jozef, vergeet je volk niet,
het zucht in bronzen ketenen.
Weersta de schoonheid,
weersta de schoonheid van het Egyptische land!
Jozef keert zich af.
Hij heeft de schoonheid weerstaan!
De verschijning verdwijnt. Faust geeft Hansworst mantel, hoed en stok, treedt uit de kring en gaat naar Elsa. Enorm succes.
ELSA
Van nu af aan eet ik sinaasappels,
dan moet ik steeds aan de vrouw van Potifar
en aan Jozef denken.
Applaus voor Elsa’s elegante opmerking; Faust maakt een buiging voor Elsa.
GENERAAL droogt zijn ogen
Dat “Weersta de schoonheid” vond ik meeslepend.
Snuit zijn neus.
HEER VAN ATLANTA tegen Faust
Het beste vond ik
het zingen van mijn slaven.
Wat een mooie melodieën,
wat een rijke uitdrukking van dat leed!
Ik kies als derde:
het lied van de drie mannen in de brandende oven.
Een in het zwart geklede man applaudisseert.
Scherprechter,
hoe gaat het met uw gezondheid?
SCHERPRECHTER
Ik mag niet klagen;
alleen kan ik ’s nachts niet slapen –
de jicht!
HEER VAN ATLANTA
U moet leerlingen opleiden.
SCHERPRECHTER
Talent: moeilijk te vinden.
Als zich iets openbaart,
dan blijkt het later weer een heel zwak vonkje,
niet echt de moeite waard.
HEER VAN ATLANTA
Geef het niet te gauw op, mijn beste.
Hij geeft de secretaris een teken.
SECRETARIS bladert in de Bijbel
De grote koning Nebukadnezar
heeft de joden onderworpen
en eist van hen
dat ze hun geloof afzweren.
Drie weigeren dat.
Tegen de Heer van Atlanta
Moet ik hun namen voorlezen?
HEER VAN ATLANTA
Nee.
SECRETARIS
Als ook na herhaalde aanmaningen
de drie koppig volhouden,
worden ze in de brandende oven geduwd.
Maar de drie zetten in het vuur een lied in
dat de grote koning aangrijpt.
Hij laat hen vrij.
GENERAAL
Aha, weer een opruiend sprookje.
Fanatici zingen in een oven liederen,
worden vrijgelaten, en ik als generaal
moet zoiets aanhoren.
Ik wil van mijn beroep plezier hebben.
Waarvoor ben ik anders op deze wereld?
HANSWORST
Dat vraag ik me ook altijd af!
EEN DUISTER KIJKENDE MAN brult
Stilte daar achterin!
FAUST fluistert in Mefisto’s oor
Kun je niet gedaan krijgen
dat het onderwerp veranderd wordt?
MEFISTO
Dat is onmogelijk. Je moet
alles kunnen vertonen.
FAUST
Ja, maar dat kan ik niet
op de oude manier laten zien.
MEFISTO
Doe wat je niet laten kunt!
Luid Door een gewaagde interpretatie
zal mijn heer de beroemde legende
een nieuwe gedaante geven.
HEER VAN ATLANTA
Ga uw gang.
De Heer van Atlanta wenkt Faust. Faust wenkt Mefisto, Mefisto wenkt Hansworst. Hansworst helpt Faust in zijn mantel en overhandigt hem plechtig hoed en stok. Hansworst bedient de apparaten en luidt dan de klok.
 

ZWART SPEL NR. 3

Verschijning
De drie mannen roepen “Sta op, Israël!” Een scherprechter met twee medewerkers probeert hen tot zwijgen te brengen. Hun mond wordt dichtgehouden. Ze worden voor de koning en zijn minister geleid. De minister probeert hen de les te lezen. Ze zetten weer hun lied in. Op een wenk van de koning duwt de scherprechter hen in de brandende oven. Weer zetten ze hun lied in. De negerslaven wijzen naar de drie standvastige mannen. Ze rammelen bijval met de ketenen aan hun voet. De drie verbranden tot as. De dames en heren lachen en applaudisseren voor Faust. De negerslaven gaan door met het gezang van de verbrande mannen.
NEGERSLAVEN
Sta op, Israël!
Sta op uit de vernedering!
De Duister Kijkende Mannen slaan de negerslaven met zware leren zwepen. Het gezang breekt af. Faust geeft Hansworst mantel, hoed en stok, treedt uit de kring en gaat naar Elsa.
ELSA
Dat had je niet moeten laten zien!
Zoiets willen we niet weten
en er vooral niet aan herinnerd worden.
Ze valt flauw. Kameniersters met reukwaterflesjes. Onder grote belangstelling van het gezelschap komt Elsa weer bij.
MEFISTO
Ik had je gewaarschuwd.
FAUST
Het is de waarheid.
Ik heb die gezien en kan
die niet verzwijgen.
De leugen blijft steken in mijn mond.
O waarheid, bittere drank!
O kennis, mijn ongeluk!
SECRETARIS tegen de Heer van Atlanta
Een ongelukkig onderwerp.
Het Boek der Boeken staat toch
vol mooie en bekoorlijke verhalen!
Een negerslaaf steekt zijn hand op. De Heer van Atlanta knikt.
NEGERSLAAF
Gouden lied, heer.
HEER VAN ATLANTA
Goud?
NEGERSLAAF
Tijgers trekken ploeg,
Wolven zogen schaap.
Wijst met zijn hand en roept
Vier manen!
HEER VAN ATLANTA
Dat is onzin.
HANSWORST
Hij bedoelt Luilekkerland, heer,
maar hij is het eten vergeten.
SECRETARIS
De woorden van uw slaaf herinneren me
aan de grote Ovidius, die
het Gouden Tijdperk bezongen heeft.
Vreemd! De grote Ovidius heeft
dezelfde droom als de nederige slaaf.
ELSA
Zou u voor ons een paar verzen
van Ovidius voor kunnen dragen?
SECRETARIS
Het is Latijn.
HEER VAN ATLANTA
Verstaat hier iemand Latijn?
Stilte.
FAUST
Ik zal het wel vertalen.
“Aurea prima sata est aetas, quae vindice nullo,
Sponte sua, sine lege fidem rectumque colebat.
Poena metusque aberant, nec verba minacia fixo
Aere legebantur, nec supplex turba timebat
Iudicis ora sui, sed erant sine vindice.”
Het Gouden Tijdperk was de tijd waarin mensen leefden
die uit inzicht in het noodzakelijke het juiste deden.
Niemand kwam voor de rechter of sidderde voor hem.
Angst was onbekend.
Zonder vrees leefden de mensen, vrij in veiligheid.
Enorm applaus, ook van de dames en heren. De slaven rammelen enthousiast met hun ketenen.
HEER VAN ATLANTA
Stilte!
Het wordt doodstil.
Dat vinden jullie mooi! Moet ik jullie dan telkens weer
aan onze grondwet herinneren? Moet ik
telkens weer zeggen dat bij ons in Atlanta
rijk en arm dezelfde rechten en
dezelfde plichten hebben?
Een paar voorbeelden:
een wet van verheven grootsheid
verbiedt zowel arm als rijk
onder een brug te slapen!
Een andere wet geeft arm en rijk
de vrijheid, ik herhaal: de vrijheid
om een stuk grond te kopen.
Een derde wet schaft verwaandheid af.
Iedereen mag mij met Oscar aanspreken
als ik toestemming geef.
Tegen de slaven
Ze zouden jullie in je slaap
de ketenen van je voeten stelen,
als recht en wet niet bestonden.
EEN NEGERSLAAF
Dan waren we vrij, heer!
HEER VAN ATLANTA
Vrij om te verhongeren, domkop!
FAUST
Ik zal een rijke, gemengde verschijning kiezen:
het Gouden Tijdperk in het paradijs.
HANSWORST roept
Het eten niet vergeten!
De Heer van Atlanta wenkt Faust, Faust wenkt Mefisto, Mefisto wenkt Hansworst. Hansworst helpt Faust in zijn mantel en overhandigt hem plechtig hoed en stok. Faust treedt in de kring. Hansworst bedient de apparaten en luidt dan de klok.
 

ZWART SPEL NR. 4

Verschijning
In een weelderig landschap Adam en Eva; een kind aan hun voeten. Een groep mensen; blank, zwart, bruin en geel, vriendelijk naar elkaar wuivend. Leeuw, adelaar, beer vreedzaam naast elkaar liggend. Wolven met schapen, Tijgers met reeën. Hansworst maakt gebruik van een moment van onoplettendheid van Faust en draait aan de apparaten; er verschijnt eten.
KOOR
Broederschap! Gelijkheid!
NEGERSLAVEN rammelen met hun ketenen
Vrijheid!
Een witte duif vliegt op.
Vrede!
Op de voorgrond staat de duister kijkende Heer van Atlanta, omgeven door Duister Kijkende Mannen, die ontzet naar bijzonderheden in de verschijning wijzen.
 

Doek

 

INTERMEZZO VOOR HET DOEK

MEFISTO
Waarheen, Faust?
FAUST
Naar het banket.
MEFISTO
Ga niet, als je leven je lief is.
Faust reageert verrast.
De Heer van Atlanta wil je
bij het banket weghalen voor een verhoor.
FAUST
Hij is jaloers.
MEFISTO
Ook.
FAUST
Wat kunnen ze me ten laste leggen?
MEFISTO
Dat je niet in Atlanta geboren bent,
Faust reageert verbaasd
dat je uit Wittenberg komt
en dat je als boerenzoon
altijd voor de zaak van de boeren gestreden hebt,
als geheim agent van Müntzer,
die het volk van Atlanta wil oproepen
tot een opstand tegen zijn heren.
FAUST
Een domme leugen!
MEFISTO
In je zak zullen ze een boek vinden.
Hij laat het zien.
Herken je het?
FAUST
Nee!
MEFISTO houdt het boek op
De geschriften van Thomas Müntzer!
Weet je het nog?
FAUST
Nee!
MEFISTO leest
“Christus niet de zoon van God,
maar mens, leraar van het volk.”
FAUST
Godslastering! Daarop staat de doodstraf!
MEFISTO leest verder
“Streef allereerst naar voedsel en kleding,
dan zal het koninkrijk Gods jullie
vanzelf toevallen.”
FAUST
Wat laaghartig! Weer de doodstraf!
MEFISTO leest verder
“Alles moet gemeenschappelijk zijn,
de arbeid en de goederen.
Daarvan zal iedereen naar behoefte
en mogelijkheid gegeven worden.”
FAUST
Marteling, galg en rad!
MEFISTO leest verder
“Beperking van de woeker door de grote wisselbanken.”
FAUST
Ik ben verloren!
MEFISTO
Zijn laatste woorden:
“Een dag der wrake zal over jullie komen!”
FAUST
Zijn de rechters omkoopbaar?
MEFISTO
Met een kleinigheid! Maar die
domkoppen letten zo op elkaar, dat
als er een meer geld heeft dan de anderen,
hij direct verhoord wordt. Er zijn
geen moeilijker mensen dan
corrupte domkoppen die elkaar in de gaten houden.
FAUST
En jouw macht, Mefisto?
Denk aan ons contract!
MEFISTO
Wees niet bezorgd, Faust.
Haalt het contract uit zijn zak en leest voor.
Punt twee: “Je mag
geen boek meer aanraken.” Kijk me aan!
Houdt de geschriften van Müntzer op:
Heb jij dit boek aangeraakt?
FAUST zacht
Eén keer.
MEFISTO
Mijn macht kan jou in Atlanta
niet meer beschermen.
FAUST
Vluchten dus!
MEFISTO
Vluchten, direct!
FAUST
Wat doen we met Hansworst?
Hij weet te veel, vreet en zuipt meer dan ooit,
en heeft ook een liefje.
Hij zal niet weg willen!
Mefisto stampt met zijn voet en Auerhaan verschijnt.
MEFISTO
Auerhaan, Hansworst moet direct naar Wittenberg.
Je hoeft alleen maar het woord “verhoor” te zeggen
tegen die vreetzak!
AUERHAAN
Wittenberg!
Af. Mefisto stampt met zijn voet, er verschijnt een gapend gat, waarin hij met Faust verdwijnt.
 

Doek op

 

Scène 6

 

DE DIEVEN GEPAKT

De tuin bij de keuken. Hansworst ligt in het gras, Grete is bij hem en verstelt zijn wambuis.
HANSWORST
Ik ben doodop.
GRETE
Zes braadworsten, een groot stuk kaas,
twee flessen wijn
en daarna nog gebak!
HANSWORST
Dat kan ik echt niet meer op,
dat zou te gulzig zijn.
Even later
Kom, zing een liedje.
Als ik vol zit hoor ik graag muziek.
GRETE
Wat wil je horen?
HANSWORST
Ik vind alles best.
GRETE
Misschien het “Lied van de ring”?
HANSWORST
Dat vind ik niet leuk.
GRETE
“Ver van huis”?
HANSWORST
Dat ben ik wel!
GRETE
“Haastig naar God”?
HANSWORST
Te serieus!
GRETE
“De dieven gepakt”?
HANSWORST
Waar gaat dat over?
GRETE
Hoe twee dieven
bij de maagd Maria het kindeke wilden stelen.
HANSWORST
Dat moet ik horen!
GRETE zingt
Maria die de tuin inging
ziet driemaal een zoete jongeling.
De eerste is Sint-Daniël,
dan Rafaël, dan Michaël.
HANSWORST
Die zullen wel niet zo zoet geweest zijn,
die jongelingen, eerder stevig, als boeren
die willen vechten, zeker Michiel.
GRETE
Sint-Daniël spreekt: “Wij waken ‘s nachts
twee dieven hebben onverwachts
een plan gesmeed om dan gezwind
te stelen uw allerliefste kind.”
HANSWORST
Kinderen stelen!
GRETE
Maria sprak: “Verberg u stil,
als een het kindje stelen wil,
grijpt u hem en zijn metgezel,
dan zit hij vast, al is hij snel.
Sint-Rafaël, Sint-Michaël,
u grijpt hem en zijn metgezel.”
HANSWORST
Hoe zit het dan met het eten?
GRETE
Sint-Daniël sprak: “Laat ons begaan,
zie toch mijn sterke mannen staan.
Het zweet loopt dieven van ’t gezicht,
ze zijn alras voor hen gezwicht.
Geboeid zijn ze, vast als een rots,
door Gods hand aan de aarde Gods!”
HANSWORST
Door de Almachtige persoonlijk!
GRETE
“Zo blijven ze dan opgesteld
tot alle sterren zijn geteld,
de korrels strandzand bij elkaar,
elk ongeboren kind op aard.
HANSWORST
Dat kan lang duren,
tot dat allemaal geteld is, een leven lang,
en dat zou niet eens genoeg zijn.
GRETE
Maria had de dief bevrijd;
wie ‘t rechte doet, die kent geen nijd.
HANSWORST
Wat een lieve vrouw, die Maria!
GRETE
Een goede moeder, standvastig in het leed.
Hansworst kijkt naar Grete.
En nu krijg je je gebak.
Af.
 

Scène 7

 

AFSCHEID VAN GRETE

AUERHAAN buiten adem, trekt Hansworst aan zijn mouw
Ik kom je waarschuwen,
ze zitten achter je aan
en willen je verhoren!
HANSWORST
Zeker de twee die me
mijn arm bijna verrekten.
AUERHAAN
Geen twee. Schreeuwt Ze zijn met veel. Een
heb ik in het voorbijgaan “gehakt”
horen zeggen. Je moet direct naar Wittenberg.
HANSWORST bevend
Snel!
AUERHAAN
Langzaam!
Ik breng je alleen terug volgens contract.
HANSWORST
En wat staat daarin?
AUERHAAN
De voorwaarde is: ik moet je
veilig naar Wittenberg brengen,
en je ook nog twaalf jaar trouw dienen
en gehoorzaam zijn.
HANSWORST
Zeg me snel wat je daarvoor hebben wilt.
AUERHAAN
Je ziel.
HANSWORST Zijn mond valt open van schrik
Mijn ziel?
Grete brengt het gebak. Hansworst kijkt ernaar.
Ik heb maar een kleine, bescheiden,
vraatzuchtige ziel, maar ik hecht eraan,
want het eten zou me anders niet smaken.
En je weet hoeveel ik van eten houd.
AUERHAAN
Ik zeg alleen maar “gehakt”!
HANSWORST gaat voor het gebak zitten
Hier zit ik, ik kan niet anders!
Laat maar komen.
AUERHAAN tegen Grete
Ze zitten achter hem aan.
Tegen Hansworst Zul je ook standvastig zijn
bij de verhoren?
HANSWORST zijn mes beeft
Kijk naar me, hoe ik beef,
omdat ik geen moed heb.
Straks moet ik nog overgeven van ellende!
AUERHAAN terzijde
Als dat zo blijft, zal Mefisto wel tekeergaan.
GRETE tegen Auerhaan
Wat zweet hij.
Ik vind hem heel aardig, omdat hij vrolijk is,
en nu staat zijn leven op het spel.
AUERHAAN
Hansworst, je vriendin heeft me overtuigd
dat je naar Wittenberg moet. Daar
zullen we nog wel iets te bespreken hebben.
HANSWORST
Ik moet mijn gebak nog opeten en
en van mijn Grete afscheid nemen.
Auerhaan loopt heen en weer. Hansworst tegen Grete
Dat ik van je scheiden moet, terwijl ik
het zo druk heb en het reizen zo gevaarlijk is.
Maar bij mijn dunne soep in Wittenberg
zal ik aan je denken. Auerhaan,
ga jij eens een cadeau halen voor mijn Grete!
AUERHAAN
Wat wil je hebben?
HANSWORST
Een geborduurde sluier,
dat de zon haar niet verbrandt,
ook moet ze er bleek uitzien,
alsof ze verdriet om mij heeft.
Auerhaan grijpt in de lucht en geeft Hansworst een geborduurde sluier. Hansworst geeft de sluier aan Grete.
Dat hij je mag herinneren aan je Hansje,
die ronddoolt in zijn rauwe vaderland,
in plaats van bij jou te zijn.
AUERHAAN
Kom nu mee!
HANSWORST
Nee, het gaat niet.
Kan ik de onzekerheid tegemoetgaan?
Moet ik dan altijd bang zijn voor de toekomst?
Wijlen mijn moeder zei altijd: “Hansje,
doe niets voor niets, wees een brave jongen!”
Daarom wil ik ambtenaar worden, want
ook als oude man moet ik iets te eten hebben!
AUERHAAN geschrokken
Hoe moet ik nu een ambtenaar van je maken?
HANSWORST
Scheer je weg en stoor me niet.
AUERHAAN
Schreeuw niet zo.
Daar is mijn oom, de gier,
die heeft invloed bij het stadsbestuur.
Hij kijkt veelbetekenend in de lucht
Daar is zojuist een nachtwaker overleden,
en de stad is wanhopig,
omdat ze niemand kunnen vinden.
Hij knipt met zijn vingers.
Jij bent nachtwaker!
HANSWORST
Nachtwaker!
Dat is altijd mijn diepste wens geweest!
Als alle mensen slapen, dan moet ik waken.
Doe iets, dat ik het geloven kan.
Auerhaan spuwt driemaal in zijn linkerhand en geeft Hansworst tegelijkertijd zijn rechterhand, die Hansworst hartelijk schudt.
Het contract is bezegeld.
Tegen Grete Zeg eens eerlijk:
Kun je ook leven zonder mij,
jij droevige figuur?
Ik zie je al in de verweesde keuken
eenzaam de reuzel roeren.
GRETE
Pas goed op jezelf!
Hansworst kust haar. Op de achtergrond valt een machtige schaduw op het toneel.
AUERHAAN roept
Daar zijn ze!
HANSWORST
Kom!
Ze vluchten.
GRETE
Trekvogels zijn niet te houden
als het hun tijd is. Het zal niet makkelijk zijn
om hem te vergeten, die Hansje.
Een groep Duister Kijkende Mannen gaat in een kring om Grete staan. Grete met vaste stem
Achteruit!
De kring wordt kleiner.
Wat willen jullie?
De kring wordt nog kleiner.
Mij verhoren?
De kring is gesloten.
Honden!
 

Doek

 

Acte III

 

Scène 1

 

WITTENBERG

FAUST
Ik ben terug – helaas ben ik terug
en vind mijn vaderland weer grauw en koud,
en nauw en muf de oude stad
met haar smerige straten.
Wat heb ik die graag verlaten!
Nu heeft ze mij weer in haar klauwen.
Wat moet ik hier?
En mijn herinneringen
eraan zijn nauwelijks mooi te noemen.
En toch –
Atlanta, hoe geweldig straalt jouw zon!
MEFISTO
Jou blijft de roem, Atlanta denkt aan jou!
FAUST
Het denkt aan mij.
MEFISTO
Het hoe doet niet terzake;
de hoofdzaak is dat men je naam nu kent;
en of ze goeds of slechts van je zeggen maakt niet uit.
Faust gaapt. Twee bedienden brengen wijn.
We willen het hier in Wittenberg bont maken,
maar toch moet je je dienaar ontslaan.
FAUST
Hansworst?
MEFISTO
Hij heeft iets verraden.
FAUST roept
Wagner!
Wagner op. Faust schreeuwt
Wagner,
wat heb je nu voor een domkop
in dienst genomen? Die vent is lui,
hij kletst, en dan die grappen!
Er moet gewerkt worden.
Wagner, geen beste beurt!
WAGNER
Hooggeleerde heer, hij wordt direct ontslagen!
FAUST
Ontslag is niet genoeg,
hij moet eruitgegooid worden.
Wagner af. Faust even later
In dit Wittenberg vind je uitstekende mensen.
Toen ik over de vismarkt liep en
klaagde over de stank, zei een vishandelaar:
“Mijn vissen stinken niet, ik stink”
en bood ze me te koop aan.
Een goede koopman, dacht ik,
kiest het minste van twee kwaden,
daarom maakt hij zijn waar goed en zichzelf slecht.
Wat heeft hij eraan als je hem ziet en zegt:
“Wat ruikt die vishandelaar lekker,
maar wat stinkt zijn vis.”
MEFISTO
Dit Wittenberg bevalt je niet,
we moeten weer op reis.
Bij de wereldbol.
Waar wil je heen?
FAUST
Ik wil nooit meer naar een vreemd land,
nooit wil ik meer aan vreemde zeden
en gewoonten wennen, aanpassen dat
is niet wat ik wil!
Vanuit dit Wittenberg wil ik de Duitsers
als voorbeeld dienen.
En zo verbazend is mijn grote roem,
dat moeders die hun zonen wiegen, zuchten:
“Dat hij een man mag worden als die Faust.”
MEFISTO
Een groot voorbeeld? Dat regel ik wel!
Knipt met zijn vingers.
Ik zal het gerucht verspreiden dat
je uit Atlanta enorme schatten hebt meegebracht.
Heel Duitsland wordt uitgenodigd
voor een verbazende tentoonstelling,
waar de viermaal gepromoveerde Faust
schatten van het wonderland Atlanta
aan het volk zal laten zien.
FAUST
Het volk is niet genoeg. De grote heren
moeten voor me buigen, met bezorgde blik
of ik in een goed humeur ben.
MEFISTO
Dat regel ik wel!
Knipt met zijn vingers.
Het vertrappen van Müntzer heeft geld gekost.
De heren hebben schulden.
Begerig kijken ze naar het oosten, daar was
nog wat te halen, en denken aan
nieuwe rooftochten; maar er is geen geld.
Ik maak bekend dat jij
kredieten van Atlantisch goud regelen kunt.
Voor een man die goud verschaffen kan
buigt zelfs de keizer.
FAUST
Wie nodig je uit?
MEFISTO veelbetekenend
Wie de meeste schulden hebben.
FAUST
Wat voor schatten worden het?
MEFISTO
Enorme.
Maar je moet er voorzichtig mee omgaan,
je mag ze niet aanraken,
ze moeten achter glas.
Een schrandere kop is nodig, die dat uitlegt.
Dat moet jouw Wagner doen.
FAUST
Mijn Wagner is een domkop, die heeft niets
bij mij geleerd dan een paar frasen.
MEFISTO
Wees niet bezorgd, want met de macht
die Pluto me heeft gegeven
maak ik van die Wagner van jou een man
vol fantasie, vlotheid en warmte.
FAUST
Als je dat kunt neem ik mijn petje af!
 

Doek

 

Scène 2

 

DE TENTOONSTELLING

In vitrines de meest uiteenlopende dingen: juwelen, kledingstukken, flesjes parfum; in het midden een grote klomp goud met daarvoor een bordje met het opschrift “Atlantisch goud”. Links de groep inboorlingen: vier negerslaven, aan elkaar geketend. In hun midden een jong meisje, gesluierd. Bewakers in een leren wambuis en met een degen en een ruiterpistool; dienaren.
WAGNER
De algemene verwachting is
dat bij het zien van de verbazende tentoonstelling
de vorstelijke personen de verdienstelijke vorser,
de grote Faustus,
respect zullen bewijzen. Ik heb me
voor de plechtigheid zorgvuldig voorbereid.
Deze lijst bevat
titels en deugden van de grote heren.
Ik schep er een bijzonder genoegen in
grote namen uit te spreken, ze over de tong
te laten gaan en als wijn te savoureren.
Rolt de lijst op
O macht! O grootheid!
FAUST
Mijn secretaris verzorgt de presentatie.
WAGNER
De geleerde heer uit Italië,
die me uitstekende instructies gaf;
daarna kon ik ’s nachts nauwelijks slapen,
nu ben ik opgewondener dan ooit, want al die
gedachten zorgen voor onrust in mijn hoofd en
maken me opgewonden, de hang
naar overvloed pijnigt me als een ziekte.
O, die begeerte tot denken en duiden, ach!
Scheeuwend Geef me een publiek!
Faust neemt – met een veelbetekenend gebaar naar Wagner wijzend – langzaam zijn hoed af voor Mefisto, die met een handgebaar reageert.
STADSBEAMBTE
Een brief van het bestuur van de stad!
MEFISTO neemt de brief aan en leest en zegt dan zacht tegen Faust
“Door te dreigen met zware straffen
konden wij verhinderen dat de gilden,
bonden en boerendeputaties
de vorsten met hun verzoekschriften
en klachten lastigvallen; maar er zijn
weer samenscholingen van Müntzerbandieten,
en wij zijn bang voor storingen.
De stadswachten zijn met te weinig.”
Tegen een gewapende man
Met je vlag naar de stadspoort.
WAGNER tegen de stadsbeambte
Hoe was de ontvangst?
Zijn de vorsten in een goede stemming?
MEFISTO
Waren er incidenten?
STADSBEAMBTE
De ontvangst van de vorsten
door het stadsbestuur was
indrukwekkend. Terzijde De meisjes van de ontvangst
zongen weer vals, het
zal wel een tijd duren
voor die nieuwe muziek gemeengoed wordt.
Af.
EEN DIENAAR bij de deur
De hoge gasten!
MEFISTO tegen Faust
Wil je ze niet zelf ontvangen
en hun de complimenten doen?
FAUST
Nee!
Mefisto kijkt hem bevreemd aan en loopt dan dwars over het toneel naar de deur.
Pantomime
MEFISTO
Zijne Verheven Majesteit,
de Keizer van het Roomse Rijk!
De Keizer komt op. Iedereen buigt, behalve Faust. De Keizer schijnt bij Mefisto naar Faust te informeren. Mefisto wijst naar Faust, de Keizer kijkt naar hem, Faust kijkt terug. De Keizer loopt snel door de tentoonstelling, kijkt kort naar het Atlantische goud, blijft voor Faust staan, heft zijn hand, en Faust maakt een diepe buiging.
De adel van de Duitse natie, die
de boerenopstand neergeslagen heeft,
Ulrich, hertog van Zwaben, overwinnaar van Böpplingen.
Kapitein Georg van Frundsberg.
Truchsess van Waldburg, overwinnaar van Leipheim.
Oorlogscommissaris Wilhelm van Fürstenberg.
De markgraaf van Bayreuth, overwinnaar van Fürth.
De keurvorst van Saksen,
de hertog van Weimar,
de graaf van Mansfeld,
de overwinnaars van Frankenhausen.
Een oude dienaar geeft een schreeuw en valt flauw. Twee dienaren dragen hem weg.
EERSTE DIENAAR
Hij is te oud voor de dienst.
TWEEDE DIENAAR
Nee, hij heeft de bloedige hertog herkend;
die heeft vier van zijn zoons geëxecuteerd.
MEFISTO
Philipp van Hessen.
De hertog van Braunschweig,
overwinnaar van Bruchsal en Eppingen.
De markgraaf van Brandenburg, overwinnaar van Kitzingen.
De hertog van Lotharingen, overwinnaar van Zabern.
Commandants van de landsknechten: Schwend, Beinhaus,
Faulstroh, Kummer en Ehrübel.
De heren kijken naar Faust. Faust kijkt terug. Ze lopen snel door de tentoonstelling, kijken kort naar het Atlantische goud en blijven dan voor Faust staan en heffen hun hand. Faust maakt een diepe buiging. De commandanten van de landsknechten werpen een blik op het goud en lopen Faust voorbij.
Koorscène
Gilden, bonden en boerendeputaties met hun vaandels en insignes. Een groep met het bord “Niet tot het gilde toegelaten”. Ze stampen krachtig op de grond en zingen.
DE SCHOENMAKERS
Heeft het volk geen schoen,
schoenmakers in kwaden doen.
DE BAKKERS
Heeft het volk geen brood,
zijn de bakkers in nood.
DE KLEERMAKERS
Heeft het volk geen kleren,
leed zal de kleermakers deren.
DE BOEREN
Hebben de boeren geen land,
vervallen ze tot schand.
DE GILDELOZE GEZELLEN wijzend naar de gilden
Dwazen, over het paard getild,
laten ons niet in het gild.
ALLEN
Meel! Leer! Laken! Gilde!
BOEREN allen overstemmend
Land!
Achter de gilden de invalide boer Karl met de jongen.
OPZICHTERS VAN DIENST wijzen naar Karl
Een Müntzerbandiet.
Twee gewapende mannen grijpen hem.
EEN MAN uit de groep van de gildelozen, dik, stevig postuur, zwart haar – het is Fischer
Handen af!
Hij heeft de marteling doorstaan!
Iedereen kijkt naar Karl.
FISCHER tegen Karl
Ze willen je hier weg hebben.
Als je wilt blijven, zeg het dan!
Karl, die door de jongen geleid wordt, gaat af; allen kijken hen na.
WAGNER
De voorwerpen liggen achter dun glas,
het is verboden ze aan te raken.
Ik begin nu met de uitleg.
Hij gaat naar de achtergrond.
HANSWORST houdt Fischer tegen
Fischer, wat doe je daar?
FISCHER nors
Ik wil kijken.
HANSWORST
Ik vroeg me al af:
waar zit die Fischer toch?
Wat hebben ze met je gedaan?
FISCHER
Ben je nog steeds zo lui?
HANSWORST
Dat zou je tegenvallen: ik heb succes.
FISCHER
Bij wie?
HANSWORST
Eerst was ik bij de studenten,
maar na een verschil van mening
– met betrekking tot ons geloof –
ging ik naar Wittenberg.
Daar ben ik bij doctor Faust in de leer,
werd zijn favoriete student
en ging met hem op reis.
In Atlanta moest hij
vanwege een meisje
van mijn persoon scheiden.
FISCHER
En het succes?
HANSWORST
Toen ik terug in Wittenberg kwam,
schaamden ze zich in de stad,
dat een favoriet van de grote Faust
brodeloos was en gaven me een baan.
FISCHER
Wat voor ambsgewaad draag je?
HANSWORST
Mantel, lantaren, hoorn.
FISCHER
Een ordinaire nachtwaker!
Hansworst keert zich verontwaardigd om en mengt zich onder de toeschouwers. Iedereen luistert nu naar de uitleg van Wagner.
WAGNER
Deze juwelen
– een afscheidscadeau van de Heer van Atlanta –
hebben een buitengewone waarde. Hiermee
zou je een stad kunnen kopen
met alle levende have.
Onrust.
Hier schittert ons Atlantische goud.
Er wordt gezegd dat onze Faust
nog twee scheepsladingen verwacht.
Om de nood te lenigen waarin
de misdadige boerenopstand ons
gestort heeft, wil Faust ze aan de keizer
als teken van zijn vriendschap overhandigen.
Weer onrust.
Hier is de groep van inboorlingen.
Kijkt u naar de edele trekken,
ook zijn ze beroemd om hun zangkunst.
In hun midden een verraadster.
Over haar misdaden doe ik geen mededelingen,
daar er ook vrouwen aanwezig zijn.
De straf was rechtvaardig, maar vreselijk.
HANSWORST wijst naar de negerslaven
Kunnen die niet een liedje zingen?
WAGNER
Zingen in de tentoonstellingshal is
uit zedelijkheidsoverweging verboden.
Zacht Jij bij Faust in de buurt?
HANSWORST
Zeg niets tegen hem.
Als hij naar de groep loopt herkent hij de geborduurde sluier. Schreeuwt
Wat hebben ze met je gedaan, de honden?
Raakt een slaaf aan, die tot stof vergaat.
Weg, weg, weg!
Snel na elkaar vergaan de andere slaven tot stof; hij wil Grete omhelzen, maar die vergaat tot stof. Schreeuwend
Tot stof!
Hoe moet ik me haar herinneren
als ze tot stof is vergaan!
FISCHER neemt de leiding over
Opgelet! Sla de ruiten in!
De ruiten worden ingeslagen; de voorwerpen vergaan bij aanraking tot stof, dat de tentoonstelling als met as overdekt. Stilte.
Dat moeten we vreten, dat stof?
FAUST
Ik kan alles uitleggen.
Stilte.
De schatten zijn op zee
op de een of andere manier gaan rotten.
Ik wil nieuwe laten komen, rijkere,
en een feest organiseren,
zoals u nog nooit…
Scheldkoor dat uit scheldwoorden bestaat.
MEFISTO in klassieke pose
Faust, kom hier!
Hij slaat zijn mantel om hem heen. Tegen het koor
Maak dat je wegkomt, nietsnutten! Met jullie
zal mijn Faust nog wel afrekenen.
Als Fischer zich op Faust stort, lossen de wachters een salvo. Balken komen naar beneden, rookwolk waaruit klaaglijke geluiden komen.
HANSWORST bij het lijk van Fischer
Faust,
nu heb je mijn Fischer gedood!
 

Doek

FAUST voor het doek
Broeders, dierbare broeders,
waar moeten mijn hart
en mijn arme ziel nu
vrede vinden?
Zoals een hert
om water schreeuwt,
zo schreeuw ik.
Aan het slot van de Lamentatio komt de hand van Mefisto uit het doek en trekt Faust het toneel op.

 

Scène 3

 

VERWIJTEN

Feestzaal van het paleis, die geen sporen van de verwoesting draagt.
MEFISTO
Wat jammer je?
FAUST
Je hebt laten schieten!
MEFISTO
Ik schieten? Nee!
Ik heb mijn gewoonten en laat nooit schieten.
Ook haat ik lawaai, vermijd gedoe en nare dingen.
Ik ben een meester in de overredingskunst.
Schieten dat doen anderen.
FAUST
Je liegt, hond!
Ik heb geen bevel gegeven.
MEFISTO
Een bevel beslist niet.
Maar je keek angstig om je heen.
Wat doen landsknechten, als
hun heer angstig om zich heen kijkt?
Ze schieten.
Faust zwijgt.
Je bent door eigen schuld
in narigheid beland en
moet weg uit Wittenberg.
De doden moeten eerst begraven zijn,
en de wonden mooi gesloten,
voor je het wagen kunt
je hier weer te vertonen.
FAUST
Ik wil niet.
MEFISTO
Je zult wel moeten, Faust.
FAUST
Nee, ik wil alles uitleggen.
MEFISTO
Waarom? Het is duidelijk.
Er moet alleen gras over groeien.
FAUST
De gruwelijke belevenissen van de laatste jaren
hebben me veel geleerd.
Veel zie ik in een nieuw licht; zelfs
de vertrouwde gedaanten uit de Oudheid
krijgen nu nieuwe trekken.
Ik krijg weer zin in gewaagde interpretaties.
Ze moeten me begrijpen.
Schep nog een keer mensen;
nooit van mijn levensdagen heb ik
zo naar mensen verlangd.
MEFISTO
Mensen? Dat regel ik wel.
Knipt met zijn vingers.
We gaan naar Leipzig.
 

Doek

 

 Scène 4

 

VLUCHT IN DE KLASSIEKE OUDHEID

Auerbachs kelder. Faust midden in een uitvoerige interpretatie van de Orfeus-sage. De studenten vervelen zich dodelijk.
 
Recitatief
FAUST
Toen Orfeus zijn metgezellin,
de lieflijke Eurydice, de grote luisteraarster,
verloren had, verstomde hij.
De natuur, aan zijn gezangen gewend,
raakte ontzield.
De muzen smeekten hun lievelingszoon
het zwijgen te breken.
 
Aria
Orfeus,
onverdraaglijk is ons jouw zwijgen.
Niet vloeit lavende melk van de schapen,
niet de honing;
treurend sterft die in was.
Want sinds jij verstomd bent
zoeken wij zoetheid vergeefs.
Runderen maken een klaaglijk geloei
en willen het gras niet meer grazen.
 
Klankloos staat het gebergt,
ze kreunen, de dalen,
en de dorische stroom, rivieren
miezeren triestig.
Rozen, zo werd tot een treurnis het rood
en voor jullie ook, anemonen. De mensen
roepen elkander hun klacht toe.
 
Wie zal klanken ontlokken aan jouw mooie syrinx?
Wee degeen die het riet beroert met zijn lippen!
Kijk om je heen: sinds jij verstomd bent
worden de tijgers als vroeger weer tijgers,
en de mensen, vriendelijkheid weer ontwend,
worden barbaren.
DRONKEN STUDENT
Orfeus zwijgt, en hij
praat maar en praat maar en praat maar.
Gelach.
FAUST
Help, Mefisto! De woorden
worden tot as in mijn mond.
MEFISTO schiet te hulp
Tot slot het vrolijke ballet:
Orfeus en de varkens.
 
Verschijning
Aan een welvoorziene dis de tovenares Circe, Odysseus (die op Faust lijkt) en zijn metgezellen. Circe heft haar beker en drinkt Odysseus toe, die ongemerkt zijn beker omkeert boven de grond. Zijn metgezellen drinken en veranderen in varkens. Ze dansen de Grote Varkensgalop.
DE STUDENTEN slaan enthousiast met hun bekers op tafel
Knor, knor, knor, knor, knor!
FAUST tegen Wagner
Geef ze meer wijn. Dit is walgelijk.
Hij vlucht.
 

Doek

 

Scène 5

 

HET PALEIS VAN FAUST IN WITTENBERG

Wagner is bezig een grote geblindeerde spiegel te verhangen.
DOKTER
Wil hij een dokter ontvangen?
WAGNER
Weet ik niet, hij is zelf dokter.
DOKTER
Hoe uit zich die vreemde verwardheid?
WAGNER
Al zeven dagen komt hij niet in slaap,
kreunend sleept hij zich door ’t huis.
“Verhang de spiegels,” roept hij,
“kan mijn gezicht niet zien.” En dan weer
kruipt hij in een hoek en mompelt vloeken.
DOKTER
Wie vervloekt hij?
WAGNER
Zichzelf.
De dokter schudt zijn hoofd.
Dan maakt hij telkens de bewegingen
alsof hij lang zijn handen wast. En dat heb ik
hem een kwartier aan één stuk zien doen.
DOKTER
Heeft hij bij deze bewegingen ook iets gezegd?
WAGNER
Hij fluisterde, ik kon het niet verstaan,
maar ’t klonk als “bloed”. En dan weer
klaagt hij over kou en dat het herfst wordt.
DOKTER
Het beste is met hem op reis te gaan.
Misschien verdrijft de zee, de nieuwe landen
datgene wat nu zijn gemoed verwart,
waardoor zijn hoofd, dat altijd aan het werk is,
een eigen leven leidt.
Wat denkt u?
Wagner schudt zijn hoofd.
U moet het doek nog strakker spannen,
de hoek hier is nog niet geheel bedekt.
WAGNER
Pas op! Hij komt!
We trekken ons terug.
Beiden af. Faust op.
FAUST
De jongeren lachen me uit,
ik ben tot spot geworden.
Hoon heb ik gedronken,
minachting heb ik gegeten.
Wat staat me nog te wachten?
Laat komen dan wat komen moet,
dieper kan ik niet zinken.
Klokgelui.
Klokken? Wie wordt er begraven?
Lawaai.
Lawaai op straat? Wie zitten ze achterna?
Geroep “Faust! Faust!”
Dat ben ik!
De dienaren van Faust stormen binnen.
MEFISTO bij de deur
Wees niet bang, Faust,
de ommekeer waarnaar je zo verlangde
is aangebroken. De waardering
van je verdiensten, die je altijd zocht,
met krachtige stem vindt plaats.
FAUST
Wie is het die mij hier komt eren?
MEFISTO
Die op de wereld andere mensen komen eren.
Een deputatie van edelen verschijnt.
FAUST
Die niet! Schreeuwend Nee!
Hij blijft als versteend staan.
MEFISTO
Die Thomas Müntzer eerst vertrapt hebben
komen je een ereketting brengen.
HOOFD VAN DE DEPUTATIE VAN EDELEN
In een moeilijke tijd onbevreesd
en altijd met uw tegenwoordigheid van geest,
en zonder veel te vragen
hebt u de armoedzaaiers verslagen,
daarom wordt u door jong en oud
als een groot voorbeeld beschouwd.
Aanvaard deze keten van goud.
Hangt een grote keten om zijn hals.
MEFISTO aankondigend
De rector van de universiteit van Leipzig
overhandigt de eredoctorshoed.
RECTOR
Uw koene Orfeus-interpretatie
hebben wij begrepen.
De kunsten worden geëerd,
zo nodig
met gestrengheid
in onze landen.
Hij zet hem de eredoctorshoed op.
MEFISTO
Het licht van de Duitse natie,
doctor Martinus Luther, haast zich hierheen
om zijn lievelingsleerling te omhelzen.
Er ontstaat een erehaag. Luther omhelst Faust, die zijn gezicht afwendt.
ALLEN wijzend naar Faust
Ons grote voorbeeld!
 

Doek

 

FAUST VOOR HET DOEK

FAUST
Ik dacht: ze zullen me vervolgen.
’t Is erger, ik kan niet wennen:
ze kwamen om me te eren.
Ik wil alles bekennen.
 

CONFESSIO

Ik ben een boerenzoon geweest,
maar kon het niet verdragen
dat moeder voor een noot van niets
mij viermaal had geslagen.
 
Naar ’t klooster ben ik gelopen,
naar papen zeergeleerd.
Daar hoorde ik toen stemmen
en vroeg: wie protesteert?
 
Een klacht tegen ’t evangelie:
dat was voor woeker en tirannie,
rente en aflaat kopen
alleen maar een alibi.
 
“Ik was recht in de leer,
en met goud ingeschreven;
wat werd de waarheid bij mij
schandelijk uitgedreven.
 
Als Jezus nu terugkeerde
op de gekwelde aard,
zouden ze hem weer vangen,
hem werd marteling niet bespaard.”
 
Ik kon het niet meer harden,
en liep uit het klooster weg.
Ik ging in de leer bij Luther,
die zei de waarheid kortweg.
 
En Luther had geschreven
hoe de paus de regels ontdook.
Hij schreef helder in Duitse woorden.
De boeren begrepen het ook.
 
Nadat ik zo een tijdje
bij Luther had geleerd,
hoorde ik toen weer stemmen
en vroeg: wie protesteert?
 
Het kind klaagt in de moederschoot;
komt het uit de duisternis,
dan moet het de dag betreuren
waarop het geboren is.
 
En Luther spijkerde thesen
op de kerkdeur van Wittenberg.
De boeren hoorden zijn bittere klacht
en hoe hij was getergd.
 
En op hun eigen manieren
gebruikten ze zijn leer.
Ze kwamen allen in opstand
en streden tegen hun heer.
 
Toen hij zo begrepen werd
raakte Luther verstoord.
Met de Bijbel had hij bewezen
dat de knecht zijn heer toebehoort.
 
Dat wilde ik niet horen,
ik voelde me bekocht.
Ik ging naar Thomas Müntzer,
’t was de waarheid die ik zocht.
 
“De oorzaak van de woeker
en iedere roofpartij,”
was volgens Thomas Müntzer
in wezen “de heerschappij.”
 
“Grijpt daarom de wapens
en slaat ze allen neer,
want jullie moeten strijden
voor een wereld zonder heer.”
 
In Altstedt begon de boer
slot en kapel te plundren.
Thomas Müntzer die keek toe
zonder het te verhindren.
 
Toen ben ik erg geschrokken
en zocht Martin Luther weer op.
Maar wist niet dat ik zou raken
van de regen in de drop.
 
Want toen de vorsten dreigden,
greep Müntzer naar het zwaard.
dat was zuiver en dapper;
te laat had ik dat aanvaard.
 
In Müntzers nieuwe orde
in Mühlhausen wordt verklaard:
“Wie niet werkt, die zal niet eten;
wie de ploeg trekt, trekke het zwaard!”
 
Luther begon te schelden:
Müntzer was van God los.
En op alle boeren
liet Luther de beulen los.
 
“De boeren moeten hangen,
wurg ze en sla ze neer,
want de duivel beheerst de wereld,
als de knecht vecht tegen zijn heer.”
 
O arm Frankenhausen,
o stad van duisternis,
de treurige getuige
van zoveel droefenis.
 
In jouw straten en stegen
stroomde toen het bloed;
en binnen jouw stadsmuren
heeft Duitsland zijn eer ingeboet.
 
Men zegt: zijn leraar eren
is voor elke leerling een plicht.
Maar wat ik niet meer zien kan
is Maarten Luthers gezicht.
 
Thomas Müntzer verslagen,
vreselijk werd de nood.
Door wurging en verbranding
gingen de boeren dood.
 
Toen ze hun nood uitschreeuwden
kwam ik, dokter, hals over kop,
maar ik kon ze niet helpen en raakte
van de regen in de drop.
 
Want tegen knagende honger
had ik geen kruid bij de hand,
en tegen winterse koude
hielpen geen zalf en verband.
 
Toen ik niet kon helpen
ging ik de andre kant op;
probeerde het als jurist en kwam
van de regen in de drop.
 
Want tegen de grote heren
sta je nooit in je recht,
en voor hun eigen rechters
was het pleit snel beslecht.
 
Het heeft me zeer verdroten,
ik ging de andre kant op,
probeerde de filosofie en kwam
van de regen in de drop.
 
Ik zag dat de filosofie
met al haar sofisterij
diende alleen maar jammerlijk
de herenheerschappij.
 
Toen ik dat had ingezien,
ging ik de andre kant op:
de zwarte kunst, maar raakte
van de regen in de drop.
 
Omdat ik mijn kracht niet vertrouwde
ben ik naar de heren gegaan.
Toen ben ik heel diep gezonken,
met mijn leven was het gedaan.
 
Want wie de heren de hand reikt
die zal de hand verdorren.
Op de eerste stap volgde de tweede,
bij de derde was ik verloren.
 
Nu ga ik ellendig te gronde,
en zo zal het ieder vergaan
die niet de moed op kan brengen
voor zijn eigen zaak te staan.
Een reusachtige hand, het is de hand van Mefisto, komt door het doek en sleurt Faust het toneel op. Hij moet nog doorspelen.
 

Scène 6

MEFISTO
Jij veelvraat, jij gulzigaard!
Je bent al dat bezit niet waard.
Schonk ik geen weelde ongekend,
waardoor je nu een voorbeeld bent?
FAUST
Ik kan nooit een voorbeeld zijn.
MEFISTO
Het is ook nooit goed!
Hij geeft hem een trap. Faust valt op de grond. Mefisto helpt hem overeind, slaat het stof van zijn rok en zet Faust op een stoel. Dan sleept hij voor zichzelf een stoel aan en gaat vlak voor Faust zitten om hem aandachtig te bekijken.
FAUST
Een wezen zoals jij kan niet begrijpen
wat er in mij omgaat.
Tussen “had ik maar niet” en “had ik wellicht”
aarzel ik als een uitdovend licht.
‘k Heb geen spuug om mezelf te bespuwen,
‘k Weet niet van wie ik meer zou gruwen.
MEFISTO
Een wezen zoals ik kan niet begrijpen
wat er in jou omgaat?
Je vergist je!
Want wie heeft zo als mijn persoon
machtig en onder hoon
geaarzeld als een uitdovend licht
tussen “had ik maar niet” en “had ik wellicht”.
FAUST
Jij ook, Mefisto?
Stilte.
Wie was je voor je bij Pluto in dienst trad?
MEFISTO
Ik was in een gemeenschap –
FAUST
Noem de naam!
MEFISTO
Die mag ik niet noemen –
Ik werd uitgestoten,
weggejaagd als een hond.
FAUST
Op welke grond?
MEFISTO
Dat mag ik niet zeggen.
FAUST
Geef een aanwijzing.
MEFISTO
Ik had iets verraden.
FAUST na een stilte
Wat zou je doen om weer
deel uit te maken van die gemeenschap?
MEFISTO staat op
Als er een ladder was,
en die was duizend voet,
en ik kon daarover terug
voor maar één seconde,
en de treden waren geslepen messen,
en ik had geen schoenen,
dan klom ik die ladder op.
FAUST na een stilte
Kan ik nog omkeren
of ben ik verloren?
MEFISTO
Iedereen kan omkeren,
want geen mens, Faust,
is verloren, zolang hij leeft.
FAUST
Is er een voorwaarde?
MEFISTO
Er is er één.
FAUST
Welke?
 

DE DANS

Mefisto begint een dansje, geheimzinnig en sierlijk.
MEFISTO
Is de mens tot het goede bereid,
heeft hij nog één ding nodig: tijd.
FAUST
Alleen tijd? Dan ben ik gered.
MEFISTO
Al loop je nu recht of krom,
Faustus, je tijd is om!
FAUST
Vannacht was de helft van de jaren om
sinds ik met jou het pact sloot,
en jij durft te zeggen dat mijn tijd om is?
MEFISTO
Faust, jij dacht het goed te weten,
maar bent de boerenregel vergeten.
Eind van de dans.
FAUST schreeuwend
De boerenregel!
MEFISTO
Als de boer een knecht in dienst neemt:
grof, in de houding van een boer
bij regen, sneeuw of hitteplaag
twaalf uren duurt de arbeidsdag.
Twaalf uren krijgt hij dan als nacht,
dat zich herstelt zijn arbeidskracht.
Dag en nacht heb je mij gejaagd,
dat die vierentwintig jaar
nu geworden zijn
twaalf jaar.
FAUST
Je wilt me bedriegen!
MEFISTO
Je hebt jezelf bedrogen!
FAUST
Geef me nog een jaar.
MEFISTO
Nee!
FAUST
Nog een maand!
MEFISTO
Nee!
FAUST
Nog een dag!
MEFISTO
Dat mag ik niet! Vannacht,
als de torenklok twaalf slaat,
kom ik je halen.
Hij verdwijnt.
FAUST
Ik ben verloren! Schreeuwend Wagner!
WAGNER komt binnenstormen
Wat is er?
FAUST
Doe afstand van de kunst die ik je heb geleerd!
Af.
WAGNER
Afstand doen van de kunst? Dat nooit!
Al zou alles te gronde gaan!
 

Doek

 

Scène 7

 

’S NACHTS, IN DE STRATEN VAN WITTENBERG

Diender met Hansworst, die dik geworden is.
DIENDER met een staf
Het is al tien uur en ik
ben nog steeds op straat.
Wat een tijd is dit.
De slechtheid van de mensen
is zo toegenomen, dat
de schrik je om het hart slaat!
Ik jaag op een bedelares,
spreek haar aan en zeg:
Maak dat je wegkomt,
in de stad mag je niet blijven;
ik heb me nog niet omgekeerd
of ze loopt alweer op straat.
Op die manier heb ik wel plezier van mijn werk!
Twee verwaarloosde kinderen komen langs.
HANSWORST
Sinds ze Thomas Müntzer verslagen hebben
is er in deze buurt geen kind
dat nog nooit een executie gezien heeft.
DIENDER
De boeren hadden ook niet
naar de wapens moeten grijpen!
HANSWORST
Mijn zwager vertelde me:
In Frankenhausen hebben de mensen
een pad naar de berg van de veldslag geëffend
waar Müntzer geleden heeft.
DIENDER
Dan zal ik daar weer op een hoek gaan staan,
dan duurt het vast niet lang
tot ik er weer een paar betrap.
Af.
HANSWORST
Daar komt Faust aan,
wat heeft hij een moed!
Faust komt op; hij is bleek en loopt moeilijk.
Iemand als u zou niet
zonder kogelvest rond moeten lopen,
en de landsknechten zouden
dubbel loon moeten krijgen,
anders hebben ze de pest in.
Weet u dan niet
dat de slagers tegen u zijn?
Gisteren heb ik er nog een
in het voorbijgaan “gehakt” horen zeggen.
En waarom? Omdat u een moordenaar bent.
FAUST
Ik ben ziek.
HANSWORST
Mensen als u zijn altijd ziek.
Hoe is het met uw vriend, de Keizer?
Zijn die twee schepen met goud
nog steeds niet aangekomen?
FAUST steekt zijn hand op
Kijk hoe ik beef.
HANSWORST
Dat is slim van u, dat u beeft;
en dat het zweet op uw voorhoofd staat
betekent dat ik een ontwikkeld man
voor me heb. Maar uw gezicht zou
nog wat bleker kunnen zijn, denk ik;
Auerhaan heeft me immers alles verteld over
de zaken met Mefistofeles.
Die komt u zeker gauw halen?
Wijst met zijn vinger naar hem.
Je moet me nog mijn loon betalen!
FAUST zoekt in zijn zak
Zeven cent, dat is alles wat ik
van mijn grote rijkdom over heb.
HANSWORST
Die hoef ik niet! Dat zou je wel willen,
zeven cent in plaats van vijf daalders.
FAUST
Mijn rok is van zijde, neem die,
dan ben je rijkelijk beloond.
HANSWORST
En dan moet ik jou zeker mijn rok geven?
Dat geeft verwarring, als je
de kleren door elkaar haalt!
Dan kon Mefisto de verkeerde betrappen.
Weet je wat, Faust?
Tikt met zijn wijsvinger op zijn voorhoofd.
Je blijft het me schuldig.
Af.
De Diender jaagt een bedelares met een kind op.
BEDELARES
Op de landwegen zijn er te veel!
FAUST terzijde
Misschien als ik een goede daad verricht?
Tegen de Diender
Waarom doe je zo ruw?
DIENDER neemt zijn hoed af
Heer, als ik niet ruw was,
trokken ze u de jas van uw lijf.
FAUST tegen de bedelares
Kun je dan niet werken?
BEDELARES
Ze hebben mijn man doodgeslagen
in Frankenhausen,
wie geeft me dan werk?
FAUST geeft het kind geld
Dit heb ik toevallig bij me.
HET KIND
Zeven cent.
BEDELARES
Dank u wel.
Af. De torenklok slaat elf.
EEN STEM
Fauste! Praepare te!
FAUST
Moet ik me gereedmaken?
Dat kan ik niet!
Timor mortis perturbat me!
Snel De boeren zeggen: wie
het hart bij een eerlijk mens
eruithaalt en bij zichzelf inplant,
kan de verdoemenis doorstaan.
Op dit kerkhof rust mijn vader,
ik wil zijn hart eruithalen
en bij mezelf inplanten –
Woelt in het graf van zijn vader.
Ach, ook het hart van een eerlijk mens
wordt tot stof.
DE STEM
Fauste in aeternum damnatus est.
FAUST
Nu is mijn eind nabij!
 

FAUSTS LAATSTE WOORDEN

O gij mensen die na mij leeft,
gedenkt Faust en zijn zware straf,
die op zich wachten liet, maar hard aankwam.
De torenklok begint twaalf te slaan. Faust leunt tegen een lantaarn. Twee burgers komen op hem af.
EERSTE BURGER
Wat is er met u?
TWEEDE BURGER roept
Een dokter! Is er een dokter in de buurt?
Bij de achtste slag Mefisto, gekleed als dokter.
MEFISTO
Ik ben dokter.
Faust schreeuwt met verstikte stem.
Een ernstig geval!
Legt zijn hand voorzichtig op Fausts hart. De torenklok slaat twaalf. Faust opent zijn mond en sterft.
Mensen kunnen hem niet meer helpen.
Tegen het publiek
Applaudite, amici! Contractum finitum est.
Twee dienaren in het zwart met een baar. Mefisto neemt beleefd zijn hoed af. Af.
EERSTE BURGER
De dood van onze Faust is
een zwaar verlies voor de stad.
TWEEDE BURGER
Hij noemde zich philosophus philosophorum,
maar velen klaagden dat hij hen bedrogen had.
EERSTE BURGER
Hoort u daar ook bij?
TWEEDE BURGER
Twaalf jaar heeft hij onze universiteit gemeden.
EERSTE BURGER
Het is bekend dat Faust kunstenaar werd.
TWEEDE BURGER
De mensen zeggen dat hij een tovenaar was
en een huisknecht opgevreten heeft.
EERSTE BURGER
Ik begrijp niet hoe een man van uw ontwikkeling
waarde hecht aan dergelijk geroddel.
TWEEDE BURGER
Het bevalt me niet als
een geleerde kunstenaar wordt.
EERSTE BURGER
Dat is een vooroordeel. Over onze Faust
praten ze over duizend jaren nog.
Ze lopen gesticulerend verder.
HANSWORST
Nu heeft hij Faust gehaald;
terecht: die was een slecht mens,
en we zullen nog lang aan hem moeten denken.
Achter Hansworst gaat een raam open.
EEN BARSE VROUW grijpt naar hem
Rotzak, je zat alweer
in de herberg in plaats van te werken!
Hansworst slaat het raam voor haar neus dicht. Haastig af. De Diender jaagt de invalide boer Karl en zijn jongen over het toneel.
 
[De onderstaande dialoog tussen de twee Burgers en de monoloog van de Jongen klinken tegelijk.]
 
EERSTE BURGER kijkt naar Karl
Een van de Müntzerbende.
TWEEDE BURGER
Die hebben ze flink beetgehad.
EERSTE BURGER
Moet je hem zien lopen!
TWEEDE BURGER
Niet kapot te krijgen!
 
JONGEN
Ik liep op de dorre heide,
daar hoorde een stem ik zingen
en wonderbaarlijk klinken:
“Lieve dag, breek aan;
duistre nacht, verdwijn!
Vrede, vreugde,
vriendelijkheid, verschijn.”

 

Hanns Eisler, Johann Faustus. Fassung letzter Hand. Herausgegeben von Hans Bunge. Mit einem Nachwort von Werner Mittenzwei. Henschelverlag Kunst und Gesellschaft, Berlijn, DDR, 1983

foto: Marionettenbühne Otto Bille, Unterschleissheim, Duitsland