Itsik Manger: De Bijbel volgens Itsik: Samuel

De kleermakersgezel Note Manger lernt de Tenach

 

De invloed van kleermakersgezel Note Manger op mij en mijn werk is heel groot geweest.

Hij was een inspirerende persoonlijkheid, eersterangs en uniek. Zijn grote literatuurkennis, zijn scherpe, kritische intellect, zijn vermogen om in twee, drie zinnen de kern van een probleem te formuleren waren een uitdaging en leidden tot resultaat.

Hij heeft niet geschreven, maar tussen zwijgen en zwijgen gebliksemd met gedachten, paradoxen, formuleringen.

Mijn broer, de kleermakersgezel Note Manger, werd geboren op 10 augustus 1903 in Czernowitz en overleed eind 1942 in Samarkand, Oezbekistan.

Een illustere persoon, een droom, een legende, een prins achter de naaimachine. In zijn werkplaats kwamen de geleerden en dichters van alle volkeren vaak bijeen en schiepen menigmaal genoegen in zijn opmerkingen en commentaren.

 

Hanna en Peninna

Peninna kamt haar dochtertje
En wiegt haar kleine puk,
Diep in haar hart, God zij geloofd,
Kriebelt wat nieuw geluk.

‘Dobele, doe je jurkje uit,
En je schoenen, kom op!
Ga nu maar gauw naar bed en zeg
Je avondgebedje op.

Peninna buigt zich over de wieg:
‘Stil, meisje, wees nu stil,
Als je van je moedertje
Een liedje horen wil:

Suja poppedeine…
Je papa koopt voor zijn kleine
Een trojka, fijn is dat,
Dan gaat hij naar de stad,
Daar zal papa kopen
Veulens die hard lopen,
Met belletjes die klingen
En chazzaniem die zingen,
Suja, poppedein.’

Het kindje slaapt en Peninna is moe
Van vreugde en geluk:
‘Heer der wereld, behoed en bescherm
Mijn kind en mijn kleine puk.’

Maar dan klinkt uit de alkoof opeens
Een scherp en dun gehuil,
De kinderloze Hanna gaat
Daar in het donker schuil.

‘Hanna, God zij met je, lieve schat,
De kinderen slapen juist!’
En Peninna hoort hoe Hanna’s jurk
Zacht de trap op ruist.

En in haar kamertje geknield
Houdt ze zich dan schuil
Tot aan de nieuwe dageraad,
Verdiept in gebed en gehuil!

Peninna draait de olielamp uit,
De schaduwen op de wand
Die vallen nu op ieder hoofd
En elke beroete hand.

Een krekel tsjirpt op het fornuis,
De klok tikt nauwgezet,
Peninna schuifelt barrevoets
In stilte naar haar bed…

[1 Samuel 1]
trojka: licht rijtuig met drie paarden.
chazzaniem: voorzangers.

 

Hanna’s wiegelied

Hanna wiegt haar enige zoon:
‘Slaap, Samuel, godlof
Zie ik drie oude mannen gaan,
Drie van de lamed-vov.

De eerste komt uit Jaroslav,
De tweede uit Lublin,
De derde draait een sigaret
Uit het Turkse Titin.

De eerste man uit Jaroslav
Strijkt over zijn witte baard:
‘Ziet gij de pomp daar op de markt
En dat gebouw vermaard?

Daar woont Elkana, die heeft wel
Het meeste geld vergaard,
Fortuinen in het hele land
En schepen in de vaart.’

Dan zegt de man uit Oud-Lublin:
‘Overvloed vervliegt,
Maar kinderloze Hanna heeft
Een profeet die ze wiegt.

En op de drempel is het daar
Een engel die ik zag,
Hij leest bij het lantarenlicht
De heilige Tenach.’

Dan zegt de derde oude man,
Die de roker was:
‘De krekels zeggen het avondgebed
In het vochtige gras.

En elke vogel zingt nu nog
Die in zijn nest verdwijnt,
De sterren op een rijtje staan,
Van begin tot eind;

Het is een boek van zilver en goud,
Begrijpen doet het geen;
De zin van dat geschrift verstaat
De grote God alleen.

Wij doen er nu het zwijgen toe,
We gaan vertrekken en
Profeetje Samuel, slaap wel.
Zegt allen luid: ‘Amen!’’’

[1 Samuel 1]
lamed-vov: de 36 wijzen, zonder wie de wereld verloren zou gaan.
Tenach: de Hebreeuwse Bijbel.

 

De profeet Samuel en de herder David

Op de heuvel waar de molen staat,
Bij een oude perenboom,
Daar fluit David, het herdertje,
De winden waaien loom:

‘Hé, zilverwol, jij schaapje wit,
Vrees niet de wolventand,
Want in de hemel is een God,
Een helpende vaderhand.

Hé, inktpotje, jij schaapje zwart,
Vrees niet het duister dik,
Want in de hemel is een God,
Een wakende vaderblik.

Hé, simpelmans, jij geitebok,
Spring, dartel in het veld,
Graas het gras en niet de bloem
En wees op de wereld gesteld.’

Maar wie is toch die man met de stok,
Die oude, grijze vent,
Die voor hem staat, met zijn gezicht
Naar hem toegewend?

Het is Samuel van de “Rode Brug”,
De profeet woont daar alleen,
Zonder vrouw en zonder kind,
Eenzaam als een steen.

De profetie, zegt hij, is zijn vrouw,
Tot honderdtwintig jaar,
Die schreeuwt en vloekt net als een vrouw
En kwelt hem altijd maar.

Hij kijkt maar naar het herdertje:
Is dat nu de persoon
Die eens vervangt, als God het wil,
Het fluitje door de kroon?

Zijn rode zakdoek veegt het zweet
Nu af van zijn gelaat,
De geur van psalm en vioolmuziek
Vermengt zich met het kwaad.

[1 Samuel 16]
Rode Brug: joodse wijk in Iasi, Roemenië, waar eind 19e eeuw een rabbijn Sjmoeël Taube werkte.
honderdtwintig jaar: de bijbelse levensverwachting van de mens.

 

De oude reb Isaï

Isaï drinkt een glaasje thee
Onder de kersenboom;
De bloesem van de boom is wit,
Verblindend als een droom.

Een zonnestraal valt op zijn voet,
Een kleine, gouden haas,
Alsof die zegt: reb Isaï,
Hier bent u de baas.

Isaï lacht: ‘Dat is geen nieuws,
Al houdt het zeker steek.
Zeg me liever, beste vriend,
Wat de sidra is van de week?’

De zonnestraal die siddert vroom
En glijdt dan weg, bedaard.
Een sprong! Kijk: de gevlekte kat
Die krijgt een gouden staart.

Dan tsjilpt een vogel in de lucht,
Isaï wordt voorzegd:
Een kroon, een psalmboek en een zwaard
Zijn voor David weggelegd.

Isaï lacht: de profeet Samuel
Voorspelde de hele boel
Gisteren bij het mincha-gebed
In de oude koude sjoel.

‘Isaï, zeg je jongste zoon:
Hij moet er klaar voor zijn,
Volgende week, als God het wil,
Breng ik hem met de trein

Naar het hof van koning Saul en daar
Isaï, wordt verklaard…’
Een dunne glimlach gaat er nu
Verloren in zijn baard.

Isaï denkt: Vooruit dan maar,
Het is dus voorbestemd.
De vogels roepen het nu al
Van de daken, ongeremd.

Kortom: de kroon die is de kroon,
Het zwaard dat is het zwaard,
Maar psalmen zullen het geweld
Beheersen op de aard.

Isaï drinkt een glaasje thee
Onder de kersenboom.
De bloesem van de boom is wit,
Verblindend als een droom.

[1 Samuel 17]
reb: meneer.
sidra: Bijbelfragment dat op een bepaalde sjabbat gelezen wordt.
mincha: middagdienst.
koude sjoel: grote synagoge.

 

Michal

Op de veranda zit Michal,
De zomeravond brandt
Vuurvliegjes in de lucht;
Een zoete zomerwind

Zingt in haar Titiaan-haar
Een pastoraal chanson
Dat geurt naar boerenroggebrood
En zilvert als een bron:

‘Hoor, prinses: een fluit vertolkt
De glorie van het land,
De vlag draagt er de davidster,
Het psalmboek draagt de hand.’

De trotse koningsdochter weet
Wat de niggoen beduidt,
Ze las het in het Sjmoeëlboek
En heeft dat tien keer uit.

Ze weet dat profeet Samuel,
Die oude intrigant,
Spint en speelt een duister spel
Met zijn ervaren hand.

Een spel rondom haar vaders kroon,
Zijzelf komt in het nauw;
Reeds fluistert ieder aan het hof:
Zij wordt wel Davids vrouw.

Ze ziet het beeld van de profeet,
De baard die hem behoort,
En in haar oren echoot al
Zijn scherp en doornig woord.

Ze huivert. In een bos vlakbij
Schrijnt een nachtegaal.
In haar rode Titiaan-haar
Zoemt het pastoraal:

‘Hoor, prinses: een fluit vertolkt
De glorie van het land,
De vlag draagt er de davidster,
Het psalmboek draagt de hand.’

Daar staat ze op. Haar zijden jurk
Ruist door de zomernacht.
– – – – – – – – – – – – – – – –
Een joodse dichter sluit nu moe
Het Sjmoeëlboek, heel zacht.

[1 Samuel 19]
Titiaan: Italiaans kunstenaar uit de Renaissance.
niggoen: religieuze melodie.
Sjmoeëlboek: joods religieus epos uit de 16e eeuw.

 

De dodenbezweerster van Endor

De dodenbezweerster van Endor
Zegt tot de kater: ‘Miau,
Hoe gaat het, excellentie zwart,
En met uw lieve vrouw?’

En tot de groene papegaai,
Die rondkwekt als een gek:
‘Hier is een koekje, zoetekauw,
Pak aan en houd je bek.’

En tot de grote, gele haan,
Wiens kam is rood als vuur:
‘Wie zie je, profeet, in de nacht?
Een droeve randfiguur?’

De haan die slaat van een, twee, drie,
Heftig zijn vleugels los,
De wolken zwaar en grijs als lood
Hangen boven het bos.

De oude vrouw die doden bezweert
Denkt: dat ik dit mag,
Dat ik, de oude waarzegster,
Een rol krijg in Tenach.

Een zwerver zwerft; hij vraagt de wind
Of die weet waar ik woon;
Zijn schaduw als een Shakespeare-clown
Speelt al met zijn kroon.

Een zwerver zwerft, hij sleept zich stil
Door de bossen guur:
In het profeet-Samuelspel
De droevigste figuur.

De oude vrouw die doden bezweert
Denkt: dat ik dit mag,
Dat ik, de oude waarzegster,
Een rol krijg in Tenach.

Een heel spel kaarten ligt voor haar
En dat kaartspel weet:
Deze droeve “schoppenheer”
Wacht alleen nog leed.

De haan die slaat van een, twee, drie,
Heftig zijn vleugels los,
De wolken zwaar en grijs als lood
Hangen boven het bos.

[1 Samuel 28]
Tenach: de Hebreeuwse Bijbel.

 

Abigaïl

De wijnstok klautert tegen de muur
Als een verliefde gek
Omhoog naar waar Abigaïl zit
In haar meisjesvertrek.

Ze draagt een pyjama van gele zij,
Een hyacint in het haar,
En op de piano een Amorbeeld,
Die deugniet staat altijd klaar.

Hij richt zijn pijl en boog op haar
En zij, Abigaïl, lacht;
En door het open venster bloeit
Blauwogige zomernacht;

Zij bloeit met krekels en rozen rood,
Met fluisteren in het prieel;
Lichamen koortsig: ‘Heb me lief!’
En warme lippen: ‘Zielsveel!’…

Abigaïls ogen zijn vreemd groot,
Ze is klaar voor het minnespel
Dat je vindt in bijbelse romans
Als in 1 Samuel.

Nabals portret hangt nog aan de muur
Recht tegenover haar,
Al haalde reeds de engel des doods
Hen beiden uit elkaar.

Ze is als een vogeltje zo vrij
Voor David, haar huzaar,
Die in een hol verborgen werd
Voor haar, voor haar, voor haar.

En nog maar even en alles wordt waar
Wat ze droomde, heel spontaan:
De zomernacht ontbloot in de berg
De blanke borst van haar maan.

Abigaïls ogen zijn vochtig en mat;
Ze is klaar voor het minnespel
Dat je vindt in bijbelse romans
Als in 1 Samuel.

[1 Samuel 25]

 

Batseba

Batseba bekijkt de ring
Die fonkelt in haar hand –
O, de ring is nog iets anders dan
De koning van het land.

Ach, het is niet zozeer de ring
Als het briefje, doelbewust:
“Jouw tred, verschijning en gezicht
Die geven mij geen rust.”

Batseba gaat naar de spiegel toe:
Mooi is ze, ja nou!
Maar kan ze naar de afspraak gaan
Als een getrouwde vrouw?

Wat zegt haar schoonvader, en haar man
– Een generaal, let wel –
En wat is het oordeel van God zelf,
De wachter van Israël?

Ze leest nog eens het briefje door:
“Schoonheid van de eerste rang,
Ik praat met God vertrouwelijk
En ga mijn eigen gang;

Als ik voor Hem mijn psalmen zing,
Dan ben ik weer zijn vrind;
En wat jouw man, Uria, betreft:
Vertrouw op mij, mijn kind.”

Een gordijn ruist. Wie is daar, wie?
Een windvlaag is het maar;
Ze bergt de ring, de brief goed op
En gaat aarzelend naar

De tuin. Haar zachte tred is daar
Onhoorbaar in het zand,
Maar onverwacht, vlak voor de poort,
Een rode papaver brandt.

Ze schaamt zich nog. Opent de deur
Met haar kleine, blanke hand.
O, de ring is nog iets anders dan
De koning van het land.

[2 Samuel 11]

 

Amnon en Tamar

Ik schrijf je deze brief, Tamar,
Bewaar hem achter slot,
Houd hem geheim voor onze pa
En als je kunt voor God.

Weet je nog die wilde nacht,
Toen ik “vrouw” tegen je zei?
Jij wilde weg toen uit het bos
En ik zei: ‘Blijf bij mij!’

Je bleef. Toen heeft de nachtegaal,
Net als in Heines vers,
Over ons beiden uitgeschud
De bloesem van de kers.

Vol passie zei ik: ‘Hoor, Tamar,
Mijn lichaam zingt voor jou!’
En jij ademde warm en diep:
‘Ik antwoord je getrouw.’

Dronken van “mooi” en “met jou alleen”
Raakte ik met jou vertrouwd
En droeg ik je in mijn armen, naakt
Door het donkere woud.

Het bos had met ‘Zo zo, nou nou!’
Een verbaasde kreet geslaakt,
Het joodse bos had in zijn bestaan
Zoiets nog niet meegemaakt.

Maar eensklaps stroomde daar bij jou
Een hevige tranenvloed,
Het oude talmoedhoofd van het bos
Begreep het toen pas goed.

Jouw huilen beduidde: weg uit dit bos,
Sindsdien kom ik er niet meer;
O, waarom zong en lachte je niet
En huilde je steeds weer?

Ik schrijf je deze brief, Tamar,
Bewaar hem achter slot,
Houd hem geheim voor onze pa
En als je kunt voor God.

[2 Samuel 13]
Heine: Duits dichter uit de 19e eeuw.
Talmoed, de verzameling commentaren op de Hebreeuwse Bijbel.

 

Koning David en Absalom

Koning David bij de galg
Beweent zijn dode zoon;
Boven het bos de avondzon
Met bloedig en gouden vertoon.

Joab, de oude generaal,
Staat aan de kant: ‘Geeft acht!’
De speren en helmen glinsteren,
Zijn mannen staan op wacht.

De koning huilt: ‘Absalom toch,
Waarom deed je dat, mijn zoon?
Open je ogen en houd voor jezelf
Met ere de gouden troon;

Open je ogen en houd voor jezelf
De sieraden en de schat
En zelfs het “Laatste avondmaal”,
Dat Rembrandt geschilderd had.

Wat wil je nog meer? Ik zet op je hoofd
De mooie koningskroon,
En “hocus pocus, pilatus, pas”,
Het is voor elkaar, mijn zoon.

Joab, mijn oude generaal,
Verkondig aan alle kant,
Steek de trompetten, zorg dat elk
Het weten zal in het land:

Absalom koning van Israël,
Roept allen nu “Hoera!”’
Een echo giechelt in het bos:
‘Hoera… ha ha ha ha…’

Een arme jood mengt blaren dooreen
In het bos, op een avonduur,
Als was het een psalmboek; daar in het bos,
De eenzame figuur

Van de oude koning; een uil die roept
Oehoe uit een verre grot,
En de oude koning mompelt vroom:
‘Uit de diepten roep ik U, God.’

[2 Samuel 18]

 

Abisag

Abisag is kwaad op de dorenstruik,
Die heeft bij een lammetje ‘Mè’
Losgescheurd een plukje wol:
‘Foei! Niet doen meer, hè?’

En tegen het schaapje zegt ze boos:
‘Wat is dat voor raar gedrag?’
Een vogel fluit: ‘Abi, Abi,’
Een kikker: ‘Sag, sag, sag.’

Abisag lacht: ze bedoelen haar,
En als de zon verflauwt,
Vlijt die nog op haar zomerjurk
Een grote bloem van goud.

En op haar vingers fluit ze dan
De schapen bij elkaar;
Op tijd naar huis. Want morgen moet
Ze naar de koning zowaar.

Mama heeft al voor haar betaald
In de koets die Lejzer rijdt:
‘Reb Lejzer, hier hebt u een fooi,
Let extra op die meid!’

Reb Lejzer die heeft vuurrood haar,
Hij is van een speciaal slag.
Een vogel waarschuwt: ‘Abi, Abi,’
Een kikker: ‘Sag, sag, sag.’

Abisag lacht: ze bedoelen haar,
De rode zon die verflauwt
Vlijt dan nog op haar zomerjurk
De grote bloem van goud.

‘Een schot in de roos!’ Naar het koningshof
Zal ze gaan in zij en fluweel.
Daar wordt gegeten cake met jam
En zij geeft ieder zijn deel.

De koning zal spelen op de harp,
Als de sterren stralen altoos,
En zij zal in zijn psalmboek zijn
De allerschoonste roos.

Daar is de rivier en daar is de brug,
Daar schraapt de zaagmolen, ach…
Een vogel huilt: ‘Abi, Abi,’
Een kikker: ‘Sag, sag, sag.’

[1 Koningen 1]
reb: meneer.

 

Abisags laatste nacht in het dorp

De koekoek roept het stille dorp
En valt dan stil, vermoeid;
De stilte zelf hoort hoe verwelkt
Wat eerder heeft gebloeid;

De stilte zelf hoort het haarscherp:
Er komt tot bloei een droom
In het kleinste huisje van het dorp,
Waar bloeit de lindeboom.

Een droom van mousseline en zij
Met echte Brabantse kant:
Een koets van goud, van zuiver goud,
Beroemd in heel het land.

Wie is die elegante vrouw?
Wie rijdt daar toch voorbij?
En Abisag lacht in haar slaap:
Die chique vrouw is zij.

Dan zegt ze: ‘Jona, koetsier, snel,
De koning wacht op mij.
Hij moet er staan in uniform.
Zijn we er al dichtbij?’

De droomkoning is jong en slank,
Precies als zijn portret,
Dat hangt al jaren aan de muur
Boven moeders bed.

De koning neemt haar bij de arm,
En op de marmeren trap
Ruist haar sleep en klinkt zijn spoor
Omhoog, bij elke stap.

Getuigen zijn vriend en verwant,
Getuige is de natuur,
Het is geen liefde voor één nacht,
Maar liefde van lange duur.

De koekoek roept het stille dorp:
‘Koekoek, de dag komt aan.’
Reb Lejzer drenkt de paarden al,
Klaar om weg te gaan.

[1 Koningen 1]
reb: meneer.

 

Koning David en Abisag

De koning leest zijn psalmenboek
(Midden in de nacht)
En buiten voor de poort daar staat
Een soldaat op wacht.

De koning mompelt: ‘Grote God,
Ik weet dat U hier bent
In mij en in Uw psalmenboek
Van moment tot moment.’

Dan staat hij op: genoeg vandaag
Met de grote God gepraat;
Hij schuifelt als een schaduw naar
Het bed waar hij slapen gaat.

Abisag slaapt, ze ademt zacht.
Ze praat ook in haar slaap
En haar droom verspreidt de geur
Van weide en van schaap.

Een water en een dennenbos,
Een dorpse maan incluis,
Een oude, vrome lindeboom
Behoedt haar moeders huis.

Er knaagt iets: het is treurigheid;
Begeerte voelt ze niet
Naar des konings psalmenboek,
Maar naar een eigen lied.

De koning denkt: een vreemde zaak:
Ze ligt daar bijna naakt,
En toch lijkt ze zo ver en vreemd
Als hij haar aanraakt.

Hij buigt zijn oude, moede hoofd
En kust het dorp in haar
En kust de oude lindeboom
Die hoedt haar moeder daar.

Dan gaat hij naar de tafel terug,
Zijn tred is moe en kalm.
Hij zucht en strijkt over zijn baard
En zet zich aan een psalm.

[1 Koningen 1]

 

Abisag schrijft een brief naar huis

Abisag zit in haar kamertje
En schrijft naar huis een brief;
Ze schrijft en slaakt een diepe zucht:
Ze heeft hen allen lief.

Ze groet haar oude moedertje,
De oude lindeboom;
Ze ziet de beide ouderen
Zo dikwijls in haar droom.

Ze groet de jonge molenaar,
Die ziet er zo knap uit,
En Oizer die zijn kudde hoedt
En mooi speelt op zijn fluit.

Koning David is oud en vroom,
Zij denkt meer: Wat dan nog?
Zij warmt des nachts de koude vorst
En is zijn warme kruik.

Ze had gedacht… Ja, stel je voor
Wat zo’n dorpsmeisje meent…
Ze heeft al heel wat nachten lang
Haar droevig lot beweend.

En velen die verstandig zijn
Die loven haar gedrag
En zeggen zelfs dat zij verdient
Een vers in de Tenach.

Een vers over het lijf en haar
Van die jonge meid.
Een regel inkt op perkament
In plaats van werkelijkheid.

Ze legt de pen neer, Abisag,
Haar hart voelt vreemd zwaar aan,
En uit haar beide ogen drupt
Dan op de brief een traan.

De traan wist uit het “moedertje
En wist de “lindeboom”
En in een hoekje snikt dan stil
Een tere meisjesdroom.

[1 Koningen 1]

 

Abisags treurnis

Een gouden horloge maakt Abisag droef,
De koning schonk het haar.
Draait ze nu de wijzers terug,
Dan is de herinnering daar:

Haar moeder, de schapen en het dorp,
En Jona’s appelboomgaard,
En de oude, vrome lindeboom,
Die bewaakt moeders huis en haard.

Ze heeft haar geheimen eens toevertrouwd
Aan die oude lindeboom,
Van een weeskind van acht het grote geheim,
Van een jonge vrouw de droom.

‘Het is de molenaarsjongen niet,
O, lindeboom, die ik bedoel,
Maar Note Ben-Hillel, kleermakersgezel,
Die vast niet weet wat ik voel.

Zie je hem, leg hem dan uit,
Als huwelijksmakelaar:
Ik draag voor hem mijn groene schort
En de rode roos in mijn haar;

Ter ere van hem is de gouden oorring,
De gebloemde sjabbatjurk
Van door de week, en het blozen van
De rozen in mijn perk;

Ter ere van hem het snoer om mijn hals
(Van de markt waar ik het opdook),
De waarzegster zei: ‘Ze brengen geluk,’
En de tsaddik van Ger zegt dat ook.

Een gouden horloge maakt Abisag droef,
De koning schonk het haar.
Draait ze nu de wijzers terug,
Dan is de herinnering daar:

Het bosje, de wei en de molen hoog
Met zijn armen uitgestrekt;
‘Het katje komt!’ de sjabbat komt aan,
‘Tot ziens!’ de sjabbat vertrekt.

[1 Koningen 1]
tsaddik: wijze en vrome man.
Ger: plaats van herkomst van een chassidische sekte.

 

De Bijbel volgens Itsik: Ruth

Inhoud