Itsik Manger: De Bijbel volgens Itsik: Ruth

Dit fragment uit het gedicht Ruth draag ik op aan mijn zuster Sjejndl en haar vriend, de wever Wolke Glozman. Tweederde van het gedicht is samen met andere manuscripten verloren gegaan tijdens mijn zwerftochten en verhuizingen.

 

Naomi bidt “God van Abraham”

De oude Naomi, midden in huis,
spreekt het “God van Abraham” uit,
Haar blonde schoondochters horen vroom
Haar zachte stemgeluid.

‘God van Abraham, grote God,
De sjabbat is ten eind,
Tegelijk is in het vreemde dorp
Mijn vreugde weggekwijnd.’

Dan gaat ze rustig naar het raam,
De wieken staan bijna stil
Van de molen die daar donker staat,
De avondwind is kil.

De molen heeft Elimelech gekocht
En hij heeft gemalen het brood;
Nu is de man in het hiernamaals
En beide zoons zijn dood.

Nu is ze een trieste weduwe
Met haar schoondochters alleen;
Orpa is goed als roggebrood,
Ruth vroom en mooi als geen.

Naomi wou de sjikses soms niet,
Denkt ze nog af en toe,
Maar blijkbaar was het zo beschikt;
Nu houdt ze van beiden, en hoe!

Ze hielden van haar beide zoons
En werkten met hen in het veld.
Ze waren hun schoonouders’ “oogappels”
En het dorp was op hen gesteld.

Nu zijn ze beiden weduwe
En zijzelf is een vrouw alleen.
In hen schept de aarde blijkbaar nog vreugd,
Maar zij, een ellendige steen,

Zal zich voortslepen, voortslepen, eindeloos lang
Naar het land van Kanaän,
En daar wordt dan de engel des doods
Straks haar tweede man.

Naomi fluistert, haar schoondochters vroom
Luisteren nauwgezet;
Buiten ruikt het naar hooi en wind,
In huis naar het gebed.

[Ruth 1]
“God van Abraham”: Jiddisj gebed bij de afsluiting van de sjabbat.
sjikse: niet-joodse vrouw.

 

Naomi spreekt tot haar schoondochters

 

Naomi schenkt drie glazen thee,
Die de samowar heeft verhit,
Het eerste glas voor schoonmoederlief,
Haar hoofd is als sneeuw zo wit.

En in de late zomernacht
Een sjikse in sterren gekleed
Roept uit het verre land terug
Haar lief met een hartenkreet.

Haar zang vliegt over rivier en veld,
Wordt bij herhaling verklaard
Door de wind die over de wouden waait
En over de hele aard.

De drie weduwen hier in huis
Bereikt niet het lied dat zoet vloeit.
Ruth is treurig, Orpa denkt na,
Naomi is oud en vermoeid.

‘Luister, dochters, hoor eens hier,’
Zegt Naomi met ernstige blik,
‘Wat is een oude vrouw nog waard,
Een gebroken schepsel als ik?’

Daarom wil ik morgenochtend vroeg
Naar mijn geboortegrond,
Dat ik ooit begraven word
Waar eens mijn wiegje stond.

En jullie gaan dan weer naar huis,
Door mij teruggestuurd,
En ik geef jullie mijn zegen mee
Zolang je leven duurt.’

Naomi zwijgt. De olielamp brandt,
De theepot pruttelt zijn lied.
En boven de drie weduwen
Siddert de kroon van verdriet…

[Ruth 1]
samowar: Russische theepot.
sjikse: niet-joodse vrouw.

 

Naomi kan niet slapen

De oude Naomi ligt in bed
Met slapeloos gemoed,
Door het raam ziet ze drie sterren staan,
Vroom en goud en goed.

De eigen sterren hier in huis,
Waarom zijn ze niet van haar?
Naomi piekert, haar oude hart
Wordt zwaar, wordt zwaar, wordt zwaar.

Gaat ze weg van de sterren hier
Dan maakt ze herinnering stuk,
Op de graven weent en klaagt
Haar eigen verwoeste geluk.

Morgenvroeg, met hulp van God,
Vertrekt ze voor altijd.
Echt waar? Echt waar? En plotseling
Is ze haar zekerheid kwijt.

De graven manen en roepen haar:
‘Naomi… Moeder… Nee!
Blijf hier met ons, blijf toch bij ons,
Je mag niet, wij kunnen niet mee.

Niet waar je wiegje heeft gestaan
Daar ben je altijd thuis,
Maar waar je ons begraven hebt
Met vochtige aarde en gruis.’

Naomi smeekt: ‘Rechtvaardige God,
Help mij toch uit de nood,
Moet ik gaan, of blijven hier
Alle dagen tot mijn dood?’

Naomi hoort hoe de wind doorwaait
De nabije appelboomgaard,
Als plotseling en zonder geluid
Gods genade zich openbaart.

‘De doden zijn maar schimmen en
Die brengen je van de wijs,
Maar God is licht, is eeuwig licht,
Sta op voor God, ga op reis!

Niet bij de graven waakt je God,
Maar waar je wiegje stond,
Sta op en ga bij zonsopgang
Naar je geboortegrond!’

Naomi glimlacht. Buiten suist
De wind in de appelboomgaard.
Ze slaapt nu in en boven haar
Heeft God zich geopenbaard.

[Ruth 1]

Orpa kan niet slapen

Orpa zit in haar kamer ’s nachts
En leest de brief nog een keer.
Vader, de oude boer die schrijft,
Zij haalt diep adem, alweer.

“Orpaatjelief, kom toch naar huis,
Moeder is uitgedoofd.
Krasa de koe die heeft gekalfd
En alles is God zij geloofd.

Molenaar Stasjek heeft zijn vrouw
’s Nachts met een bijl gedood,
Nu zit hij in de nor. Goddank
Hebben we nog droog brood…

Anja van de smid kwam uit de stad
Met een dikbuikig figuur,
Moeder huilt en de smid die drinkt
En slaat – waar rook is is vuur.

Bij Itska de jood, herbergier van het dorp,
Sloegen ze ruiten in,
De meeste klappen vielen wel
Bij Itska en zijn gezin.

Antek, de klerk van het gerecht,
Heeft me eergister gezeid:
‘Orpasia’s man die is nu dood
En zij is alles kwijt.

Het beste komt ze snel naar huis.
Schrijf haar dat ik beslis
– Al leefde ze ooit met een jood –
Haar te nemen zoals ze is.’”

Orpa legt de brief terzij.
Antek roept haar met klem,
Zou haar geluk zijn weggelegd
In een leven met hem?

Dan gaat ze rustig naar het raam,
Haar hart is vreemd ontdaan,
Het kerkhof slaapt in de maneschijn
En zij huilt een laatste traan…

[Ruth 1]

Ruth kan de slaap niet vatten

Ruth staat voor de spiegel slank
En kamt haar blonde haar.
Wat haar schoonmoeder heeft gezegd
Is haar pijnlijk klaar.

Morgen, nog een paar uren maar,
Gaat schoonmoeder hier vandaan
Naar haar volk en naar haar god
En zijzelf, waarheen zal zij gaan?

Naar huis in het dorp, waar vader drinkt
En haar boze stiefmoeder scheldt,
Die Maroesja met rood haar heeft genoeg
Getreiterd en gekweld.

Naar huis in het dorp, waar de landheer slaat
Zijn knecht met ijzer en knoet,
Ze ziet nog steeds het lijf van haar broer,
Overdekt met zweet en bloed.

Naar huis in het dorp, waar de gekke Wasil
Mensen van alle komaf
Vertelt hoe hem op de kerkeberg
Jezus de zegen gaf.

Ze huivert. Buiten ruist de rivier:
‘Kom, Roezjka, zonder schroom!
De oude Roesalka scheidde ik al
En jij bent goed en vroom.

Kom, wees mijn Roesalka, Roezjkalief,
Kom, word de watervrouw,
Ik heb waterrozen voor je haar
En parels als druppels dauw.

Je krijgt bij mij het beste alleen,
Iets beters kan er niet zijn,
Bij dag: het puur goud van de zon,
Bij nacht: de maneschijn.’

Ruth luistert onrustig. Ja, ze is klaar.
Als schoonma haar niet hoeft,
Wordt zij de Roesalka van de rivier.
En ze glimlacht treurig en moe…

[Ruth 1]
Roesalka: waternimf uit een Slavisch sprookje, die noodlottig om het leven komt.

 

Naomi verlaat het dorp

De hanen kraaien vroeg in het dorp,
De dageraad beeft al gauw
In elke ruit van het slapende dorp
Als een spin, zo groot en blauw.

Naomi is wakker, ze heeft vannacht
Geen oog meer dichtgedaan.
Hoe lang ze ook nog leven mag,
Dit blijft haar bij voortaan.

Die zomernacht met sterren en
Met tranen en oud zeer,
Met graven die roepen: ‘Moeder, blijf’
En met de stem van de Heer:

‘Ga terug, mijn kind, bij dageraad,
Naar het land dat je verliet,
God is verheugd over de wieg
En treurt over graven niet.’

Ze neemt haar pak op. ‘Orpa! Ruth!’
‘Schoonmoeder, wij zijn klaar!”
Ruth in een sitsen bloemenjurk
En Orpa met los haar.

Ze gaan langs de herberg van het dorp,
De werkplaats van de smid,
Het kerkje met het groene dak
Waar een blinde bedelaar bidt.

Daar ligt het kerkhof en de brug,
De weg sinds jaar en dag,
En waar de hemel de aarde raakt
Is het land van de Tenach.

Het land dat de vaderen heeft gekend,
Dat amandel bloeien ziet,
Waar wind en adelaar vroom zijn
En beeft het heilige lied

Boven berg en dal en bos en veld,
Boven water, gras en boom,
Waar God alom aanwezig is,
Niet louter in jouw droom.

Naomi glimlacht. De Ene leeft
En zijzelf is zijn kind;
Ruth naast haar is treurig en bleek,
Met Orpa’s haar speelt de wind.

[Ruth 1]
Tenach: de Hebreeuwse Bijbel.

 

Op de splitsing

Op de splitsing zingt de zomerwind:
‘De wegen hier zijn oud,
Eén weg naar het dorp, één weg naar God,
De derde naar het woud.

De weg die leidt naar het wilde woud
Die is de weg van de dood.
De weg die leidt naar het stille dorp
Die is de weg van het brood.

De derde weg die leidt naar God
Die is de weg die verblijdt,
Want God is vreugde bovenal,
God is eeuwigheid.’

Naomi luistert. Haar hart verstaat
De zang van de zomerwind,
Ze heeft zijn babbelen gehoord
In het wiegje nog, als kind.

Ze haalt diep adem en ruikt het hooi,
Gemaaid hier op het veld,
Waarom komen bij de scheiding nu
De tranen opgeweld?

Naomi zegt nu: ‘Dochters, hoort,
Als het dan zo moet zijn,
Dan is het laatste feestmaal hier
Met roggebrood en wijn.’

Terwijl ze eten langs de weg
En Naomi de wijn inschenkt,
Is het of daarginds heel ver
De molen naar hen wenkt.

De molen strekt zijn armen uit
En roept dan eenzaam: ‘Kom!
Ik heb je jaren trouw gediend,
Je doet me pijn, waarom?’

De lindebomen langs de weg
Die zijn al moe en oud.
Als altijd ruisen ze vandaag
Van heimwee naar het woud.

De vrouwen aan de kant van de weg
Eten het feestmaal loom
En boven de drie weduwen
Fladderen zwaluwen vroom.

[Ruth 1]

Orpa neemt afscheid

Orpa is vreemd bleek en mooi
Bij deze gelegenheid:
‘Schoonmoeder, wat ik zeggen wou,
Ik heb je tot hier begeleid.

Daar achter de wolken ligt mijn huis,
Dat is op zijn eigen wijs
Even mooi en even nabij,
En daarheen gaat mijn reis.

Daar zegent Jezus mijn vaders veld
En mijn moeder, die het hoofd buigt,
En meisjes zijn met een rode strik
In hun haren opgetuigd.

Daar ruist het water en suist het woud
En de adelaar beveelt,
Verder wordt daar door liefde en dood
Dezelfde harp bespeeld.

Daar wordt de oever behoed door de wilg,
De weg door de sterke eik,
De nacht is daar een smachtende bruid,
De dag een sterk man gelijk.

Daar, schoonma, zijn mijn dorp en huis,
Daar achter de wolken, die kant.
Vergeef me – door jullie reis naar huis
Dacht ik aan mijn eigen land.’

Orpa zwijgt, ze ademt diep.
Naomi maakt een gebaar:
Gelukkig degene die huiswaarts gaat
Uit den vreemde na zoveel jaar.

[Ruth 1]

 

De Bijbel volgens Itsik: Ester

Inhoud