Itsik Manger: De Bijbel volgens Itsik: Ester

Dit boekje is opgedragen aan mijn broer,
de kleermakersgezel Note Manger,
mijn allerbeste vriend van jongs af aan.

 

De in dit boekje verzamelde liederen zijn het zoveelste spel in de trant van de eeuwenoude Poeriemspelen.

In dit boekje wordt het mooie, oude verhaal verteld van koningin Ester, die in een resoluut optreden met haar oom Mordechai een wonder tot stand bracht en uiteindelijk Haman overwon. Hun verdiensten moeten ons inspireren, nu en altijd, amen sela!

Het verhaal wordt hier wel iets anders verteld. Zo hebben de officiële boekrolschrijvers belangrijke figuren als de kleermakersleerling Fastrigosse verzwegen, al waren zijn wanhopige liefde voor koningin Ester en zijn aanslag op koning Ahasveros bepalend voor veel belangrijke gebeurtenissen.

Zelfs de oude, vrome meester-kleermaker Fonfasse is door de officiële kroniekschrijvers verzwegen. Daaruit blijkt dat zij de Perzische hoflegende niet wilden verzwakken met zulke gewone mannetjes.

‘In dat geval hebben ze de historische waarheid vervalst,’ zal de lezer terecht beweren! Maar zij, de kroniekschrijvers, liggen al lang met hun kiezen op elkaar onder de grond met hun rug naar de sterren. Noem ze hoe je wilt, tot de Messias komt.

De schrijver van de Megile-liederen heeft zijn best gedaan om de verzwegen figuren te achterhalen. Hij heeft jarenlang onderzoek gedaan in allerlei archieven, tot hij de kleermakersgezel Fastrigosse kon ontmoeten en zijn oude meester Fonfasse.

Of het de moeite waard was? De schrijver denkt van wel. Ten eerste heeft hij een eind gemaakt aan het onrecht van de toenmalige kroniekschrijvers tegenover de twee ridders van de broederschap “Naald en draad”.

En ten tweede heeft dat werk hem nader tot de komedie gebracht waarvan hij al aardig wat jaren droomde.

 

 

In dit boekje mooi bedacht / en goed gemaakt / en in druk gebracht / staan bijeen / voor alleman / of vrouw of man / veel vreemde gedachten / om te huilen en te lachen / veel bizarre sagen / uit koningin Esters dagen / daarom aangetreden / uit alle dorpen en steden / om dit boek te kopen / dat de vagant / Itsik Manger, passant / uit het Walachische land / weer naar de kroeg kan lopen / door deze voorspreker / zal God voorzeker/ elk ongeluk afwenden / en gezwind / als de wind / Messias zoon van David zenden / amen sela.

 

Het lied van de loper

Wees stil nu, mensen binnen!
Het Poeriemspel gaat beginnen.

Een Poeriemspel met rijmen
En allerlei geheimen.

Al wie het nu gaat lezen
Die moet een huilbui vrezen.

En wie het nu gaat horen
Zal wel een lachbui scoren.

Daar komen ze dan stille,
De helden van de megille:

Ahasveros, de koning,
Die zuipt, wat een vertoning.

Ester, de prille koningin,
En Wasti, de vorige vorstin.

Mordechai, de wijze troef,
En dan Haman, de grote boef.

Zeres, de toverkol,
Die vloekt als een rovershol.

Waizata, de redacteur,
Is een enorme zeur.

En tussen al die grote mensen
Staat Fastrigosse te verflensen.

Ik denk dat hij zelf wel vertelt
Wat hem dwarszit en hem kwelt.

Kortom: u zult zigzaggen
Tussen huilen en lachen.

Zorg maar dat u zich bezint
Op wat u in het boekje vindt!

En als u soms een leugen vond…
Luister dan en houd uw mond!

[Ester 1-9]
Poeriemspel: Poeriemspel: toneelstuk over het boek Ester.
megille: boekrol, in het bijzonder die van het boek Ester.

 

Waarom de tsaddik Mordechai de koning behaagde

‘Wie is toch die gebochelde jood,
Die steeds naar de koning gaat?
Waarover fluisteren die twee,
Waarover wordt gepraat?’

‘O, weet je dat niet eens, mijn kind?
Nou, dat is niet fraai.
Dat is de man van de megille,
Zijn naam is Mordechai.

Hij valt bij de koning in de smaak,
De koning, ja die kneus,
Die altijd dronken is, dag en nacht
En heeft een rode neus.’

‘Waarom valt hij daar in de smaak,
Bij de koning, ja die kneus,
Die altijd dronken is, dag en nacht
En heeft een rode neus?’

‘Omdat hij een keer op een nacht
Gehoord heeft in de poort
Hoe Bigtan en Teres fluisterden:
“De koning is gestoord!

Hij is een tiran, een duisterling,
Zijn wijsheid zit in de kan!
We schenken hem een beker gif
En maken hem af, die man.”

Zo spraken die twee stilletjes af
Dat ze hem zouden killen
En Mordechai gaf alles door
Met de niggoen van de megille.

De koning hoorde het verhaal
En werd door woede bevangen.
Hij gaf bevel elke rebel
Afzonderlijk op te hangen.

Hij zei tegen tsaddik Mordechai:
“Begin in mijn poort een handel
In schoenveters en koosjere zeep,
In pasta en amandel.”’

Het kind denkt na en moeder zwijgt,
De avond is blauw als tefille;
Alleen de vliegen op de muur
Zoemen zacht de megille.

[Ester 2]
tsaddik: wijze en vrome man.
megille: boekrol, in het bijzonder die van het boek Ester.
niggoen: religieuze melodie.
koosjer: ritueel goedgekeurd.
tefille: gebed of gebedenboek.

 

Koningin Wasti

De koningin zit in haar hemd;
De dageraad van goud
Speelt met een straaltje met haar haar
En dan met haar knie, heel stout.

De koningin schaamt zich en zegt:
‘Ben jij niet schuldbewust?
Doe dat in de keuken met de meid,
Laat de koningin met rust!’

De straal, die haar taal niet verstaat,
Door woorden niet geremd,
Omcirkelt nu haar blanke hals,
Daar woelt hij in haar hemd.

‘Pas op, jij!’ Als haar man dat wist,
Denkt ze dan ontdaan,
Dat de koningin spelen ging
Met een onderdaan,

Zou hij… Maar verder denkt ze niet
En bleek wordt haar gelaat:
Een gekke man die ook nog drinkt
Is bloedlink in die staat.

Ze gaat naar de spiegel. Ze is mooi.
Een oude generaal
Die schoot zich onlangs dood om haar,
Daar in het arsenaal.

‘Een mooie, reine…’ Maar vandaag
Is er een feestmaal hier
Met luitenants, ballet, muziek,
Champagne, gelach, plezier.

Haman die is er ook weer bij,
Ze haat dat stuk verdriet,
Die schurk, dat parvenu. Ze voelt:
Hij is haar vriendje niet.

‘Zosja!’ Het kamermeisje komt,
‘Mijn mooiste jurk, ik wacht!’
Wasti hoort niet hoe iets in haar
Begint te snikken, zacht.

 

Het feestmaal van de koning

De koning die zegt dronken,
De tranen zijn niet ver:
‘Mijn vorstin Wasti schijnt als
De lichte morgenster.

Twee vlechten tot haar knieën,
Een huid als sneeuw zo wit,
Daarbij een paar ogen
Waarvoor je vurig bidt.’

Haman geeft zijn koning
Lachend te verstaan:
‘Laat de vorstin komen,
Zonder kleren aan.

Dan kunnen alle heren,
Iedereen die telt,
Haar schoonheid aanschouwen,
Ze zullen staan versteld.’

De koning die zegt dronken:
‘Dat doet me plezier,
De koningin moet komen
Zonder kleren hier!’

De herauten rennen,
Melden naderhand:
‘Sire, vorstin Wasti
Heeft pijn in een tand.’

Haman geeft zijn koning
Lachend te verstaan:
‘Die tand is maar een smoesje,
Dat gaat hier niet aan.’

De koning die zegt dronken:
‘Breng haar hier, schiet op!
Wil ze niet, dan wacht haar
De kogel of de strop.’

De herauten rennen,
En zijn weer gauw terug,
Met klapperende tanden
En huiver over hun rug.

‘De vorstin heeft vergrendeld
Wel zevenmaal de deur,
En heeft voor u een boodschap,
Gegeven door een scheur:

“De koning die is dronken
En gek nog bovendien,
Blameert zich voor de mensen
Die dit hebben gezien…”’

***

Een heer zegt tot een ander:
‘Ik ben heel nauwgezet,
Mijn vrouw die zal wel brommen,
Ze ligt alleen in bed.’

Een pakt dan zijn horloge
En kijkt erop, sereen.
Dan nemen ze hun hoeden
En gaan in stilte heen…

[Ester 1]

 

Wasti’s klaagzang

Bittere tranen zijn het
Die koningin Wasti schreit,
Dat ze nu zo jong nog
Van de wereld scheidt.

‘Mijn vader was heel machtig,
Een invloedrijke Pan,
Toen wilde mij hebben
Een dronkaard van een man.

Hij heeft me nog gewaarschuwd:
‘Nee, dochter, ga niet trouwen!
Neem liever als man
De heerser van Litouwen.’

Ik heb ze niet gevolgd,
De adviezen uit zijn mond,
Nu lig ik hier te liggen
Een eind onder de grond.

Ik volgde niet zijn raad,
En nu moet ik betalen.
O, hoor toch mijn geween,
Jullie bergen en dalen!

Ik heb jam ingemaakt
En aangevuld de vaten,
Nu moet ik mijn paleis
Voorgoed gaan verlaten.

Al mijn lichte kamers
Met een messing bed,
De fluwelen jurken,
De hoeden zo koket.

De koning zal wel nemen
Een mooie, jonge vrouw,
De wormen zullen vreten
Mijn mooie lijf, al gauw.

Laat me, beul, o, laat me,
Kom nog niet hierheen,
Laat me nog heel even
Met mijn verdriet alleen!

Laat me nog beleven
De zonsondergang!
Mijn mooie, jonge leven
Duurde niet te lang.

Mijn mooie, jonge leven,
Elk genoten jaar,
Al mijn gouden ringen
En mijn gouden haar.

Laat me, beul, o, laat me
Maak het nog geen nacht,
Blijf nog één keer wachten
Tot de koningin lacht.’

Bittere tranen zijn het
Die koningin Wasti schreit,
Dat ze nu zo jong nog
Van de wereld scheidt.

[Ester 1]
Pan: meneer (Pools).

 

Koningin Wasti gaat naar de galg

‘Tsipele, kijk: door deze straat
Wordt de koningin weggebracht,
De koning heeft haar onrecht gedaan,
De galg is wat haar wacht.’

‘Een mitswe! Toen de koning riep,
Moest ze voor hem staan!
Was jij bijvoorbeeld in haar plaats
Ook niet naar hem gegaan?’

‘Gegaan, wat zeg je, Rebekkalief?
Ik was als een vogel gevlogen
En was daar poedelnaakt gaan staan
Voor alle herenogen.

En voor de koning had ik wel
Deze woorden kunnen vinden:
Je hebt geroepen, hier ben ik,
Ahasveros, mijn beminde.

Dan had de koning mij gehuld
In zijn purperen mantel, die rode,
En was zijn woede mij bespaard
En zijn bevel om te doden.’

‘Foei, Debora, dat zeg je niet.
Wat is dat voor lelijkheid?
“Een meisje dat zulke dingen beweert,”
Zei mijn opa altijd…’

‘Opzij!’ Daar is de koningin
Op weg naar de strop aan de balk.
En boven haar mooie, jonge hoofd
Vliegt een torenvalk.

Ze gaat met stille tred, alleen
Haar ogen uiten een klacht,
De kleermakers en dienstmeisjes
Horen nu treurig en zacht:

‘Ik ga voor eeuwig weg van hier,
Ik ga voorgoed voorbij,
Maar als jullie spelen het Poeriemspel,
Denk dan nog eens aan mij!’

‘Opzij!’ Daar is de koningin
Op weg naar de strop aan de balk.
En boven haar mooie, jonge hoofd
Vliegt een torenvalk.

[Ester 1]
mitswe: religieus gebod.

 

Ester maakt zich klaar voor de koning

Ester staat in een blauwe jurk
Voor de spiegel in al haar pracht,
De parels schitteren in haar hals
En ze mompelt zacht:

‘Ze zeggen dat ik een groentje ben,
De clowns van het Poeriemspel;
Mis! Dat ik een schoonheid ben
Weet ikzelf nog wel.’

Het donkert, de oude notenboom
Ruist door het raamgordijn:
‘Waar is je oom toch, Esterlief?
Zeg, waar kan hij zijn?’

‘Mijn oom?’ zegt Ester met een kleur,
‘In de tuin van de koning, daar,
Koppelaars van overal
Brengen meisjes bij elkaar.

En ik, oude notenboom,
Heb daar straks te doen.
En wat denk jij, notenboom,
Vind jij mij echt groen?’

Kijk, daar loopt oom Mordechai,
Paraplu al in de hand,
De schaduw van zijn bochel springt
Telkens van wand tot wand.

Dan krabt hij in zijn baard en zegt:
‘Ester, ben je zover?
Mijn kind, ik vind je – afkloppen –
In die blauwe jurk een ster.

De koning die wordt vast verliefd,
Zijn bewondering is groot,
Dat meen ik echt, mijn Esterlief,
Zowaar als ik ben een jood.

Nu, Ester, met je rechtervoet!’ …
Ze gaan naar buiten saam,
De kleine oom met de kromme rug
En Ester, groot en voornaam.

[Ester 2]
met je rechtervoet: dat brengt geluk.

 

Mordechai komt thuis van Esters bruiloft

Bij zonsopgang komt Mordechai
Van de bruiloft thuis, welgezind,
En laat met baard en peies spelen
De ondeugende wind.

Natuurlijk zal hij, een oude jood,
Met hem ruzie krijgen.
Zijn zijn voeten sterk genoeg
Om hem na te hijgen?

Ester is nu koningin
En zal veel roem vergaren,
Ze heeft geërfd de gouden kroon
Van Wasti met de haren.

Mordechai lacht, hij wordt in klaus
Omringd door vele joden.
Hier glanst een oog, daar beeft een baard,
Hij is hun geluksbode.

En al komt Ester dan ook uit
Zijn vrouws familielijn,
Zij zal voor hem en heel Israël
Van grote waarde zijn.

Hij hoort dan hoe reb Godl zegt:
‘Ik zeg jullie één ding:
Toen ik als altijd tijdens Soekot
Naar “hem”, hij leve, ging,

“Hij”, hij leve, zei mij toen:
Je doorgrondt de Heer niet gauw,
Maar de reb kan slechts zijn joden redden
Door een sterke vrouw.’

Reb Godl vertelt… Maar Mordechai
Verstaat zijn woorden niet meer,
Al raak je ze aan, ze zijn toch al
Voorbij het sterrenheer.

Bij zonsopgang komt Mordechai
Van de bruiloft thuis, welgezind,
En laat met baard en peies spelen
De ondeugende wind.

Natuurlijk zal hij, een oude jood,
Met hem ruzie krijgen.
Zijn zijn voeten sterk genoeg
Om hem na te hijgen?

[Ester 2]
peies: slaaplokken.
klaus: kleine synagoge.
Israël: de joodse gemeenschap.
reb(be): chassidisch religieus leider.
Soekot: loofhuttenfeest.

 

De elegie van Fastrigosse

Fastrigosse de kleermaker
Loopt telkens het raam voorbij:
‘Ester, weet je nog wat je zei?
De knapste vond je mij!

Ester, weet je nog wat je zei?
De beste vond je mij,
Waarom hield je me voor de gek?
Kom, Estertje, spreek vrij!

Weet je nog, die nacht in de poort,
Het regende maar door,
We stonden daar en ik fluisterde
Een geheim in je oor:

“We vluchten samen naar Wenen en dan
Trouwen we in die stad;”
Je droeg die dag een sitsen jurk
En rode kralen, schat.

Je bloosde hevig en je zei:
“Ja, maar mijn oom, ik schrik
Als ik denk hoe boos hij wordt…”
“Dat is dan jammer,” zei ik.

We namen elkaar bij de hand
En maakten een afspraak vlot,
Als God het wilde, trouwden we
Op de sjabbat na Sjavoeot.

Nu heeft je oom je overgehaald,
Je ging naar het slot bliksemsnel,
En ik heb verloren mijn beste tijd
Als een kaarter met het spel.

Ik kan me verdrinken, Esterlief,
Beneden in de rivier,
Alleen ben ik erg bang dat ik daar
Niet minder verliefd ben dan hier.

Ik zou kunnen zwerven, Esterlief,
Op alle wegen, te voet,
Maar ik ben bang dat ik overal
Jou steeds weer ontmoet.

Dan zul je zeggen telkens weer:
“De liefste vind ik jou!”
Waarom hield je me voor de gek?
Kom, Ester, zeg het gauw!’

Sjavoeot: wekenfeest.

 

Koningin Ester kan niet slapen

De koning slaapt, maar de koningin
Kan nog niet in slaap komen;
Ze ziet de schaduwen op de muur,
Terwijl de tranen stromen.

Ze denkt aan Fastrigosse nu,
De bleke kleermakersgezel,
Die zo innig van haar hield,
Maar die ze zei vaarwel.

Daar ligt de laatste brief van hem
– Ze schrikt terug voor die problemen –
Hij schrijft met tranen en niet met inkt:
Hij zal zich het leven benemen.

Al weet ze dat hij al honderdmaal
Datzelfde heeft geschreven,
Het is is niet gebeurd, geloofd zij God,
Hij is in leven gebleven.

Maar nu zwerft hij eenzaam rond
En nergens komt hij binnen,
Dat maakt haar treurig: “O, mijn God,”
Ze raakt nog buiten zinnen.

Daar staat hij, levend haast, voor haar
Met zijn hondstrouwe ogen
En zingt de duizendste keer het lied
Van de pauw die is gevlogen.

Ze huilt, maar zonder dat het helpt,
Ze krijgt de pijn er niet onder.
Zij is de koningin en door haar
Zal gebeuren het Poeriemwonder.

Ze smeekt nu: ‘Fastrigosse, verdwijn!
Ga weg hier voor mijn erker!
Het is waar: jouw naald die blinkt als goud,
Maar de kroon is nog veel sterker.’

En Ester ziet Fastrigosse gaan
Met zijn hoofd gebogen,
Nu zingt hij voor zichzelf het lied
Van de pauw die is gevlogen.

En morgen krijgt ze weer een brief
(Via wie zal ze niet vernemen)
Met het zoveelste dreigement:
Hij zal zich het leven benemen.

[Ester 2]

 

Fastrigosse droomt

En Fastrigosse lacht in zijn slaap,
Daar ziet hij Estertje gaan
Zoals hij haar eens lopen zag,
Een sitsen jurk heeft ze aan.

Daar loopt ze stil en barrevoets,
Ze glimlacht, vroom als ze was,
En haar jonge, slanke lijf geurt
Naar meiregen en gras.

Ze buigt zich over hem en zegt:
‘Vergeef me mijn avontuur!
De liefde is nog als vanouds,
Ze brandt als een hels vuur.

En hij, hij glimlacht, gelukkig en stil:
‘Goed dat je gekomen bent;
Ik had zo’n verlangen en verdriet,
Het was bijna mijn end.

Kom, we vluchten naar Wenen nu
En trouwen daar met elkaar;
Een meester-kleermaker word ik met
Drie eigen gezellen daar.

Jij gaat gekleed in fluweel en zij
En braadt de kippenbout,
Terwijl ik dan het kindje wieg
En buiten hak het hout.’

Daar zitten ze beiden op het paard,
Zo snel als de wind zowaar,
Ester neemt de teugels ter hand,
Fastrigosse zit achter haar.

Hop! Hop! Hop! ‘O, Ester, ik val’
– Maar Ester heeft niets gehoord –
Hij valt op de grond, zijn hoofd vol bloed,
Maar Ester die rijdt voort.

Hij komt overeind, hij hijgt, hij rent,
En hij weet zich geen raad,
Maar Ester die verdwijnt naar de kant
Waar de zon opgaat.

Fastrigosse kreunt in zijn slaap:
‘Ik ben haar kwijt, alweer,
De gouden pauw heeft weer een keer
Verloren een gouden veer.’

 

De tsaddik Mordechai als bemiddelaar

Mordechai is moe. Waar hij ook komt:
‘Ik vraag u iets met schroom!
Van koningin Ester, God zegene haar,
Bent u toch een oom?

Koningin Ester, God zegene haar,
Moet er bij de koning naar streven
Dat het decreet vernietigd wordt
Dat hijzelf heeft gegeven.

Mordechai kreunt. Daar staan voor hem
Meer dan duizend joden,
Ze zuchten diep: ‘O, gottegot,
De markt is voor ons verboden.’

Wat komt er nog? Zijn oude reb
Heeft met hem gediscussieerd:
Decreten treffen heel Israël,
Het gaat totaal verkeerd.

In het badhuis praten ze over hem,
Hoe heet hij ook weer, Haman…
Maar koningin Ester, God zegene haar,
Verijdelt wel zijn plan.

Mordechai lacht: de vijanden
Zijn domme creaturen;
Ester in haar hemd kan meer
Dan duizend krachtfiguren.

Hij zet de wekker. Als God het wil,
Als Hij hen wil laten leven,
Gaat hij morgen vroeg naar haar achterdeur
Om haar advies te geven.

De koning wordt wel overtuigd,
Zij doet dat vast uitstekend,
Dat hij het decreet vernietigen moet
Dat hij zelf heeft ondertekend.

Mordechai trekt zijn laarzen uit
En peinst een paar seconden,
Hij hoort hoe tot de herfstige sterren
Blaffen alle honden.

[Ester 2-4]
reb(be): chassidisch religieus leider.

 

De koningin komt bij de koning

Gaat de koning slapen,
Doet hij dat niet alleen,
Dan gaat koningin Ester
In haar hemd erheen.

Kruipt onder de dekens,
Komt naast hem terecht,
Kietelt in zijn oksel,
Flirt met hem en zegt:

‘Zeg, mijn grote koning,
Vertel me eens een keer:
Waarom is die slechte Haman
Hier de grote meneer?

Als ik u, mijn koning,
Geef een fijn gevoel,
Doe dan iets voor mij nu!
U weet wat ik bedoel…’

De koning die verslikt zich:
‘Estertje, houd op!
Want die slechte Haman
Krijgt echt nog wel klop.

Hij zal nog eens hangen
Op een mooie dag,
Stop met dat gekietel,
Estertje, ik lach…’

Buiten valt de regen,
Buiten waait de wind,
Als de wind nu slim was,
Woei hij weg gezwind

En blies dan de boodschap
Naar de oom toe gauw;
Oom die heeft een bochel
En een verbrande brauw.

Buigend zegt de koning:
‘Estertje, ik wil…’
Ze vlijt zich aan zijn borst
En zegt: ‘Ik luister stil…’

Hij omhelst en kust haar
Uren uitgebreid;
Treurig gaat ze slapen.
– – – – – – – – – – – – – –
Het geschiedde in die tijd…

[Ester 6-8]

 

Fastrigosse stuurt een groet met de vogels

Vlieg, vogeltjes, getrouwen,
Op het dak van de koningin,
En zing zo lang, getrouwen,
Tot ze wakker wordt, de vorstin.

Vertel dat jullie mij, zwerver,
Onderweg hebben ontmoet
Met in mijn zak een broodkorst:
Mijn hele have en goed.

Vertel haar dan, getrouwen,
Wat ik zei op dit pad
Tot jullie en alle winden,
Dat als ik ook bezat

Behalve die droge broodkorst
En mijn kleermakersnaald
De mooie koningin Ester,
had ik nergens naar getaald.

Fonfasse, mijn oude meester,
Zei het al eenmaal:
“Verlangen is nog sterker
Dan ijzer en dan staal.”

Gelijk had hij, mijn meester,
Een parel is ieder woord,
Verlangen heeft mij verdreven
En drijft mij eindeloos voort.

Vlieg, vogeltjes, getrouwen,
Op het dak van de koningin,
En zing zo lang, getrouwen,
Tot ze wakker wordt, de vorstin.

Zien jullie haar, getrouwen,
En plengt ze daar een traan,
Neem die dan op je vleugels
En breng die bij mij aan.

Een traan van een verre geliefde
Is ook een eigendom,
En maakt lichter en zwaarder
Het rondzwerven alom.

 

Haman belt Waizata op de redactie

‘Hallo, Waizata, je spreekt met pa,
Kreuzhimmeldonnerwetter!
Ik heb een nieuwtje, beste zoon,
Voor je “Narrisje Bletter”.

De koning, hij leve, is vanmiddag
Naar de markt gegaan,
Zoals gewoonlijk op vliegenjacht,
Hij trof juist de tiende aan.

Uit een joodse slagerszaak
Kwam een slonzige jonge man
Met een knipmes in zijn hand,
Die schreeuwde: “Jij tiran,

Geef direct mijn Estertje terug,
Zeg anders je afscheidsgebed!
Ben jij een koning? Een charlatan!
Een bastaard tot en met!”

De koning ligt in het ziekenhuis
En die vent in de boeien;
Waizata, mijn zoon, je begrijpt:
Jij moet je ermee bemoeien,

Schrijf dat de joden het hebben gemunt
Op des konings leven,
En als de koning is hersteld
Zal ik advies gaan geven:

“Majesteit, verstandige vorst,
U moet de joden uitroeien.
Ze kwamen uit Polen en Litouwen
Zich met ons bemoeien.”

En omdat ik, Waizata, mijn zoon,
Met zoveel leed had te kampen,
Zullen alle joden dit jaar
Een Poeriem krijgen van rampen.

Waizata glimlacht: ‘Yes, papa,
Ik neem dat serieus,
Door mij worden de joden straks
Lijkbleek om hun neus.’

En hij gaat zitten aan zijn bureau
En heeft al binnenpret.
De koning glimlacht aan de muur
Op zijn staatsieportret.

[Ester 3]
“Narrisje Bletter”: “Dwaze Bladen”.

 

Meester Fonfasse houdt een grafrede op Fastrigosse

De kleermakers zitten in de kroeg
Van de broederschap “Naald en draad”,
De oude Fonfasse droogt een traan,
Terwijl hij nu opstaat:

‘Ik heb Fastrigosse goed gekend,
Wij hadden nauwe banden;
Mijn gezel had een hart van goud
En twee gouden handen.

In zijn handen vloog de naald
Sneller dan de wind,
Ik stelde hem een huwelijk voor
Met mijn eigen kind.

Mijn Hanna-Debora, zoals je weet,
Heeft nog niet geminnekoosd,
Maar is een vreedzaam, trouw persoon,
Mijn oogappel, mijn troost.

Zijn antwoord was toen: “Meester,
U slaat de plank nu mis,
Mijn keus is koningin Ester,
Ik neem haar zoals ze is.

Ik vlucht met haar naar Wenen
En trouw haar op die plek.”
Toen zag ik het: die jongen
Is nu stapelgek.

Hoe wist ik dat hij zou steken
De koning midden op straat,
Met een knipmes – mijn cadeautje –
Begaan zo’n bloedige daad.

Maar jullie weten: sta je
Tegen de koning op,
Dan slaan ze je in boeien
En je krijgt de strop.

Nu, hij heeft gezongen
Een lied dat er niet om liegt,
Van de mooie koningin Ester
En de gouden pauw die vliegt.

De arme kleermakersjongen
Had hier niet veel geluk,
Wensen we hem, meesters,
Verlossing van de druk.’

Zo spreekt de oude Fonfasse
Tot de broederschap “Naald en draad”
En veegt de tweede traan af,
Terwijl hij daar nog staat.

 

Koning Ahasveros na de aanslag

De koning staat halfnaakt
Bij het raam, in gedachten:
Wat een lichte sterren
Hebben de zomernachten.

Hij ademt diep: het is fijn
Te leven op de aarde,
Te drinken en vreemd te gaan
En wat te zwaaien met zwaarden.

Maar stel je nu eens voor
Dat die gekke jonge man
Hem doodgestoken had –
Ahasveros, wat dan?

Dan had hij nu gelegen
Meters onder de grond
En gemist die vogel
En die ster aan het hemelrond.

Misschien had dan zijn Ester
Een jaar om hem gerouwd.
Misschien ook niet – dan was ze
Meteen met een ander getrouwd.

Dan zag hij alleen maar Wasti:
‘Wees welkom, kom erbij!
Hoe is het met mijn kanarie
En wie speelt die piano van mij?’

Hij rilt. Haman zei al:
‘Dit heeft te lang geduurd.’
Morgen – nee, direct
Wordt de brief verstuurd.

En laten de joden maar zeggen
Dat het een Poeriemspel is –
HIj doet rustig het raam dicht:
De lucht wordt koel en fris.

Hij gaat aan zijn tafel zitten
En ademt intensief,
Spuwt dan in de inktpot
En ondertekent de brief.

[Ester 3]

 

Mordechai komt bij koningin Ester

Ester zit in de schemering
En verstelt des konings hemd.
Wat was ze in het verre land?
Een wees, die treurig stemt.

Haar moeder en haar oude oom
Die spanden zich voor haar in
Zij brachten haar naar de gekke vorst
En zij werd koningin.

Ze heeft hier alles wat ze wil,
Ze baadt in melk en wijn;
Het koningschap komt haar goed uit,
Beter kon het niet zijn.

Daar wordt op de deur geklopt,
Mordechai toont zijn gezicht:
‘Ester, fijn, je bent alleen,
Ik heb een goed bericht.’

Ze vraagt haar oom: ‘Wilt u misschien
Eerst een glaasje thee?
Met al die regen, sneeuw en storm
Valt het weer niet mee.’

‘Tsja!’ Oom Mordechai die zucht,
‘Ester, het gaat niet goed:
De veertiende adar, Poeriemtijd,
Vergieten ze joods bloed.’

Ester zwijgt. Ze weet het zelf:
De koning is heel kwaad,
Sinds Fastrigosse, de kleermaker,
Hem attaqueerde op straat.

En Haman fluistert hem steeds in:
“Jood en nog eens jood,
Bewijs: die Fastrigosse zelf
Was toch ook een jood?”

Mordechai zegt: ‘Nu, Esterlief,
Bereid de vasten goed voor,
Ik heb gesproken Satan zelf,
Ook hij helpt ons erdoor.’

Dan fluistert hij zachtjes in haar oor
Hoe hij de toekomst ziet:
‘Wij maken nog, als de Heer het wil,
Op Poeriem een dansje. Of niet.’

Ester rilt. En uit haar handen
Glijdt des konings hemd,
Ze voelt zich weer in een vreemd land
Een wees, treurig gestemd.

[Ester 4]
adar: de maand waarin Poeriem valt.

 

Haman kan niet slapen

‘Kun je niet slapen, Haman? Wat naar!’
‘Ik kan niet slapen, nee!
Nauwelijks droom ik, of Mordechai,
Die jood, maakt zijn entree.

Hij steekt een lange tong naar me uit:
“Nu, Haman, dikke bult?
Je spant je zo geweldig in
En jij krijgt alle schuld.”

Hij zegt een spreuk: “Chal, chal, chal, chal,”
En schenkt uit de fles aldoor
Een glaasje likeur en hapt dan in
Een warm Hamansoor.

“Je komt ten val, Hamannetjelief,
Of je wilt of niet,”
En van onder zijn kromme neus
Zeurt hij hoe een jood het ziet.

En schreeuw ik: “Jood, ga uit mijn droom!”
Dan zegt hij onvervaard:
“Wie was het die toen op de markt
Leidde des konings paard?

O, Haman toch, mislukkeling,
Je hebt mijn vader beloofd
– Wat ben je toch een stomme boer –
Dat jij hebt een ministershoofd.

Een kleine, smerige jood verstoort
Jouw scenario:
Strak mag je kauwen, beste Haman,
Kaf en gras en stro.”

‘O, Zeres, vrouw van me, houd op,
Stop dat geouwehoer!
Wat kan ik doen als in dit land
De koningin staat aan het roer?’

‘Dan ga je dingen naar haar gunst,
O, Haman, dat heeft zin,
Dan breng je gauw het hoofd op hol
Van die dwaze koningin.’

‘Je hebt gelijk, Zeres, mijn vrouw,
Je praat me in een hoek,
Dat met de koningin is een plan:
Geef me gauw mijn broek!’

En Haman glimlacht: ‘Mordechai, jood,
Ik haal je onderuit!’
Met duizend spreeuwen in de boomgaard
Zingt de dag het uit.

[Ester 5]
hamansoor: lekkernij genoemd naar Haman en gegeten tijdens Poeriem.

 

Haman loopt op de binnenplaats van de koning

Petre, de oude conciërge van het hof,
Veegt rommel opgehoopt,
En ziet hoe op de binnenplaats
Haman daar rondloopt.

De conciërge krabt zijn hoofd en denkt:
Dat is wel verdacht:
Die kringen onder zijn ogen, je ziet:
Heer Haman sliep niet vannacht.

De oude neemt zijn petje af:
‘Een goedemorgen, meneer!
We hadden hier gisteren nogal wat
Narigheid en hartzeer.

Mizzi, de poes van de koningin,
Was zomaar ineens dood.
En ach, die arme koningin,
Wat een tranen die vergoot.’

Haman draait boos aan zijn snor:
‘Donder op, ouwe taart!’
En beent over de binnenplaats
Met klinkende sporen en zwaard.

En Haman ziet hoe de koningin
Het raam zelf opendoet
En de zilveren nachtspiegel
Van zijn inhoud ontdoet.

Haman zegt luid: ‘De vorstin zij dank
Voor dit bijzondere loon!’
En tegen zichzelf: ‘Dat jodinnetje
Slaapt zelfs in de kroon.’

Ester is van haar stuk gebracht,
Met in haar hand de po:
‘Goedemorgen, meneer Haman,
Wat ik zeggen wou, apropos:

Als God het wil houd ik na sjabbat
Een gemaskerd bal;
U bent ook uitgenodigd daar,
Het is in de grote hal.’

En Ester doet het raam weer dicht
En Haman, wel, die lacht:
‘Ha, jij mooie Ester, ha,
Tot ziens dan, zaterdagnacht…’

[Ester 6]

 

Fonfasse en zijn gezellen naaien voor Haman een uniform

De oude meester Fonfasse
Die hanteert het krijt,
Dat hij geen stof tekortkomt
Als hij de mouwen snijdt.

Tot zijn gezellen zegt hij:
‘Jongens, haast je enorm!
Morgen moet het klaar zijn,
Hamans uniform.’

De naalden blinken en zingen
– Het is twee uur in de nacht –
De meester vervalt in gedachten
En dit is wat hij dacht:

Koningin Ester, zij leve,
Geeft morgen gemaskerd bal,
Haman is ook uitgenodigd;
Geeft dat niet een grote knal?

Die grote schurk, die Haman,
Die schiet je zo morsdood;
Dat moet onrustig maken
Een afvallige en een jood.

De lange begint te zingen:
‘Ik begin het verhaal vooraan:
Een kleermaker zag in de spiegel
Koningin Ester staan.

Hij zei toen: ‘Vlucht met me mee
Naar Wenen, ongezien,
We schaffen de armoe af
En kopen een naaimasjien.’

De meester zucht: ‘Dit liedje,
Gemaakt door de broederschap,
Doet recht aan Fastrigosse,
Ik vind het werkstuk knap.’

De naalden vliegen en blinken
– Het is twee uur in de nacht –
Het uniform moet klaar zijn
Als Haman morgen wacht.

En op de binnenplaats
Daar wordt het strijkijzer heet
En door de donkere nacht
Vliegen vonken bij de vleet.

 

Mordechai de tsaddik wacht op Satan

Het is laat op de middag en
Reb Mordechai is niet blij:
Wordt hem nu niet een kool gestoofd
Door Satan, vervloekt zij hij?

Reb Mordechai (het blijft geheim)
Sprak met Satan daarnet,
Die hem zou wijzen hoe dat moet:
Haman duwen in bed,

Waar de koningin al ligt,
Zij is zogenaamd ziek
(Reb Mordechai is enthousiast
Over die slimme tactiek).

De koning wordt dan vreselijk kwaad
Op dat individu
En zegt dan luid en duidelijk:
‘Haman, wat krijgen we nu?

Ruzie met de koningin?
Jij krijgt het moeilijk, vriend!’
En tegen tsaddik Mordechai:
‘Daar ben ik niet van gediend.’

En Haman (Mordechai is naar bed)
Kost het natuurlijk de kop;
Hij doet zijn ogen dicht en ziet
De schurk al in de strop.

Hij ziet goed hoe de oude heer
Tekeer gaat als een zot:
‘Ratel, joden, harder, meer!
De schurk is nu kapot!’

En rustig zegt reb Mordechai:
‘Gods wonder is een feit,
Hij wisselde de rollen om
In nog geen etmaal tijd.’

Maar waar is Satan, vervloekt zijn naam,
HIj heeft Mordechai iets beloofd,
Misschien heeft die jonge rakker hem
Alweer een kool gestoofd?

Reb Mordechai (het blijft geheim)
Sprak met Satan daarnet,
Die hem zou wijzen hoe dat moet:
Haman duwen in bed.

[Ester 7]
tsaddik: wijze en vrome man.
ratel: tijdens Poeriem gebruikt wanneer Hamans naam valt.

 

Meester Fonfasse bereidt zich voor op de vasten

De oude meester Fonfasse
Zit achter de naaimachien
En treurige gedachten
Zijn nu het stramien.

De oude reb Gedalië
Heeft in sjoel gelejent
Het boek van koningin Ester
En daarbij geweend.

“Joden,” zo schrijft Ester,
“Allen tegelijk
Moeten jullie vasten,
Arm zowel als rijk.

Haman belandt verdiend
Diep onder de aarde
En zal niet hoeven knippen
In vrome joodse baarden.

Door zijn toedoen eten
Joden hamansoren
En de Poeriemspelers
Zijn zijn commentatoren.”

De oude meester zucht:
‘Ze hebben me gefopt:
Het werk is neergegooid,
De naalden zijn verstopt:

“Wij willen niet vasten, meester,
Nee!” Met veel misbaar.
“En als de moordenaars komen
Slaan we ze in elkaar.”

De oude meester Fonfasse
Zit achter de naaimachien
En treurige gedachten
Zijn nu het stramien:

Zijn vrouwtje, Sara-Gitl,
Is al jaren dood,
Zijn dochter Hanna-Debora
Heeft geen echtgenoot.

En de kleermakersjongens
Maken pret voor tien;
De meester krijgt een huilbui
Boven de naaimachien.

reb: meneer.
sjoel: synagoge.
lejenen: lezen van religieuze teksten.
hamansoor: lekkernij genoemd naar Haman en gegeten tijdens Poeriem.

 

Koningin Ester vast

Koningin Ester is bleek en moe
En rilt of ze koortsig is:
Godlof: nog drie uur en de vasten
Is geschiedenis.

De koning vroeg haar al vandaag:
‘Wat is er Ester? Lach!
Wat loop je rond vermoeid en bleek
Op zo’n mooie dag.’

Vertel de koning toch, die nar,
Zeg hem zonder schroom:
‘Het is Ester-vasten en ik vast
In opdracht van mijn oom.’

Moge alles goed eindigen
Met Haman als kop-van-jut!
Wat flirt die rokkenjager met haar,
Die charlatan, die bruut.

‘Koningin, u schijnt als de zon,
De sterren en de maan.’
Ieder woord is hypocriet
En zij hoort alles aan.

Omdat haar oom het wil, hij zegt:
‘Laat hem maar blaffen, kind,
Elk woord van een schurk als hij
Is maar kaf in de wind.

De hoofdzaak: in de megille staat’
(Zegt hij heel sereen)
‘Dat Haman nog ontmaskerd wordt
Als schurk, voor iedereen.’

Zo spreekt oom Mordechai tot haar
En haar oom weet echt
Dat de koningin alles doet
Wat oom Mordechai zegt.

Ze maakte het uit met de kleermaker,
Dat kwam haar oom te pas,
Al was die Fastrigosse toch
Een kleermaker eersteklas.

Zo vast ze sinds de dageraad,
Omdat haar oom het wil.
Mordechai is een wijze jood
En dat maakt het verschil.

[Ester 8]

 

Haman bereidt zich voor op het bal

Haman beent nerveus heen en weer:
De klok slaat al bijna acht
En het uniform is door die jood
Nog altijd niet gebracht.

Zeres zegt: ‘Nee, Hamanlief,
Geen zenuwachtigheid:
Het feest begint pas om tien uur,
Je komt nog wel op tijd.

De hoofdzaak is: goed nadenken
Wie, wat en wanneer;
“De koningin,” zegt men op straat,
“Is vurig en druk in de weer.”

Men zegt zelfs: “de koningin heeft
Iedere vrijdagnacht
Met Satan zelf een rendez-vous
En dat is niet bedacht.”

En als dat niet voldoende is:
Ik zag je in een droom:
Jij stond daar zomaar naast haar bed,
Maar dat was een fantoom.

Ik heb de man die loten werpt
Om een uitleg gevraagd:
Hij ziet een weduwe op een steen,
Die jammert en die klaagt.

Daarop vroeg ik hem: “Vadertje,
Vertel, zeg op, verklaar!”
Hij mompelde: “Heb wat geduld,
De tijd is nog niet daar.”’

Haman beent nerveus heen en weer:
‘Zeres, houd toch je mond!
Je achtervolgt me stap voor stap
En kletst het klokje rond.

Vandaag is het gemaskerd bal
En de koningin ontvangt;
Naar de dag des oordeels nu
Heb ik lang verlangd.

Er wordt gebeld. ‘De kleermaker!
Doe open in ’s hemelsnaam!’
En Haman hoort hoe Fonfasse zegt:
‘Ik kus uw hand, madame!’

 

De koning is kwaad

De koning snuit telkens zijn neus
– Dat betekent: hij is kwaad –
En zegt dan steeds tegen zichzelf:
‘Besef waar het om gaat:

Haman, mijn eerste minister is
Een echte dégénéré;
Nu denkt hij zeker dat Estertje
Is zijn prostitué?

Goed dat Mordechai de jood
Vandaag gekomen is,
Bestoft, bezweet en ademloos,
Met een getuigenis:

“Majesteit, houd in het oog
Die Haman op het bal:
Hij is geen tsaddik, zoals u denkt,
Maar een riskant geval.

Ik zag hem ook – hij is echt niet
Messias op een wit paard –
Terwijl hij viel op Esters bed
En die was van de kaart.”’

De koning snuit telkens zijn neus
– Dat betekent: hij is kwaad –
En zegt dan steeds tegen zichzelf:
‘Besef waar het om gaat’ …

En dan denkt hij weer aan die nacht,
Toen Ester zonder schroom
Naar hem toe kwam in haar hemd,
Als een vreemde droom.

En toen hij de belofte deed:
‘Ester, hi hi hi,
Haman zal op een mooie dag
Hangen, wis en drie.’

En Estertje glimlachte lief
En toonde zich zijn vrouw;
Hij ruikt haar haar nog en haar lijf,
Dat wegnam al zijn kou.

Hij slaat zijn armen over elkaar:
Een teken dat hij peinst:
Hang ik Haman overdag
Of is het ’s nachts het fijnst?

[Ester 7]
tsaddik: wijze en vrome man.

 

Haman wordt naar de galg geleid

Ramen en deuren,
Open die wijd,
Nu Haman de schurk
Naar de galg wordt geleid.

Ze brengen hem,
Volg zijn gangen,
Naar de galg op de markt,
Daar wordt hij gehangen.

‘Galg, je weet:
Ik diende de kronen;
Gun mij een afscheid
Van mijn zonen!’

‘Jouw zonen, jouw zonen
Worden gevangen
En met jou
Samen gehangen.’

‘Galg, je weet:
Ik reed in een koets;
Wat een ellende,
Nu moet ik stapvoets,

Ik moet ze zelf dragen,
Mijn ketenen,
Waarom en voor wie,
Wat zijn de redenen?

Je kunt het niet zeggen,
De vraag heeft geen zin,
Daar zwaait al de strop,
Ik stink er al in.

Ik zie al de galg
En hoor reeds de raven,
Het oude kerkhof,
Daar word ik begraven.

Ik smeek jullie nu:
Stop dicht mijn oren,
Dat me bespaard blijft
De ratel te horen.’

Zo spreekt de schurk
Onder het lopen;
Hij moet zijn daad
Met hoon bekopen.

[Ester 8]
ratel: gebruikt wanneer Hamans naam valt.

 

Meester Fonfasse viert feest

De oude meester Fonfasse
Veegt met een doekje zijn bril
En zegt tot zijn gezellen,
Vriendelijk en stil:

‘Haman de schurk is blijkbaar
Nu in de hel te gast,
Waar ze hem koken in teer,
Wat zo’n schooier past.

Twee pokdalige werkers
Met rode peies en baard
Geven hem steeds een pak ransel
Als een postkoetspaard:

Maakt hij ruzie met joden
En hun machtige God?
Zadok, giet nog wat teer
Op dat stuk hondsvot!’

De oude meester Fonfasse
Veegt met een doekje zijn bril
En keert zich naar zijn dochter,
Vriendelijk en stil:

‘Nu, Hanna-Debora, dochter,
Bereid maar voor de dis
Hamans-oren, amandelen
En het hoofdgerecht: de vis.’

En tegen zijn gezellen:
‘Kom op met het hele stel,
Breng nu eerst een dronk uit,
En dan aan het Poeriemspel!’

De glazen blinken en klinken:
‘Proost op naald en draad,
Op die unieke Ester
En de koning, noodzakelijk kwaad!’

Maar Hanna-Debora, de dochter,
Staat bij het raam en wacht:
Hoeveel van die sterren
Heeft nu zo’n Poeriemnacht?

peies: slaaplokken.
hamansoor: lekkernij genoemd naar Haman en gegeten tijdens Poeriem.

 

Fastrigosses moeder steekt een jaartijdlicht aan

Fastrigosses oude moeder
Ontsteekt een jaartijdlicht
En dikke, hete tranen
Lopen over haar gezicht:

‘Een jaar is al verstreken
Na mijn kostwinners laatste gang,
Toch schijnen nog de sterren
Op mij, de oude tang.

En het was nog pas gister
Dat mijn zoon werd gevoerd
In boeien naar de galg.
Een steen was zelfs ontroerd,

Toen hij daar voor zijn einde
De naam van Ester riep;
Al bereis je de hele wereld,
Je vindt niet zo’n edel tiep.

Al bereis je de hele wereld
Met het hele mensenras,
Je vindt niet zo’n diamant
Als Fastrigosse was.

Was? O, hemelse vader,
Was… Hij is dood allang,
Toch schijnen nog de sterren
Op mij, de oude tang.

Beter was het als Ester
De dood was ingejaagd,
Zij heeft zelfs in de gevangenis
Niet naar hem gevraagd.

Ik wens haar alle slechts toe,
wanneer zij Poeriem viert
En ook oom Mordechai,
Die alles heeft bestierd.

Fastrigosses oude moeder
Ontsteekt een jaartijdlicht
En dikke, hete tranen
Lopen over haar gezicht.

jaartijdlicht: ontstoken bij de herdenking van iemands sterfdag.

 

De Bijbel volgens Itsik: Ballades en Sonnetten

Inhoud