Herinneringen van een joodse revolutionaire, 33-35

Poea-3jpg
 

Poea Rakovski

 

33

De plotselinge catastrofe van 1933, die de joden in Duitsland trof als een donderslag en in één klap de generaties lang gekoesterde illusies over emancipatie en assimilatie verpletterde, kwam ook hard aan bij de joden in veel andere landen. Vooral de joden in Roemenië werden bang. Als zulke gruwelijkheden mogelijk waren in het cultuurland Duitsland, wat stond hun dan te wachten in het duistere Roemenië? En die angst was niet ongegrond. Dat ondervonden de buitenlanders al gauw. De chicanes en het geweld verergerden en de neiging buitenlanders uit te wijzen werd van dag tot dag sterker. Aan het einde van de winter, kort voor mijn terugreis naar Warschau, werden mijn kinderen ook onrustig. We wisten niet wat de dag van morgen zou brengen. Eerlijk gezegd wachtte ik vol ongeduld op het moment dat ze het vriendelijke Roemenië eindelijk de rug konden toekeren. Dat de buitenlanders als eersten zouden moeten vluchten was zonder meer duidelijk. De vraag was niet óf ze konden blijven, maar hoe lang nog.

Direct na Peisech ging ik naar Kisjinjov. Voor mijn vertrek vonden ze voor Hemda een lerares Hebreeuws, die naast de les twee uur ging wandelen met haar en nog een meisje, om onderweg Hebreeuws te oefenen. Toen ik vertrok was mijn stemming gedrukt en zo voelden mijn achterblijvende kinderen zich ook.

Maar zoals we weten, waren de jaren 1933-‘35 gelukkig een tijd waarin onze beweging grote opgang maakte. Het waren jaren met een alië van meer dan honderduizend joden. Zevenentwintigduizend alleen al uit Duitsland. Wat het Palestinabureau in Warschau betreft, het vers “Laat het ons gaan als voorheen” ging daar in vervulling. Er werd in hoog tempo gewerkt. Het kantoor besloeg weer twee verdiepingen in een van de grootste gebouwen in de Królewskastraat. Het aantal medewerkers steeg weer tot vijfenzeventig. Ik kon nog net van de wagen springen, zoals je op zijn Jiddisj zegt, en meteen had ik mijn baan weer terug. Ik stortte me met hart en ziel op mijn werk, natuurlijk zonder te weten dat ik nog een paar flinke klappen zou krijgen.

Mijn kinderen bleven nog tot begin 1934 in Boekarest. Zoals gezegd stonden ze klaar om te vertrekken, maar wisten nog niet waar ze heen zouden gaan. Alles draaide om de vraag of het Erets Jisroël moest worden. Een jaar lang ging onze hele correspondentie over niets anders. Mijn beste vrienden in Warschau, zowel ter linker- als ter rechterzijde, waarschuwden me als ik hun om raad vroeg:

‘Poea, geef ze geen advies, neem die verantwoording niet op je, laat ze gaan waarheen ze willen.’

Dat zeiden populaire leiders van de beweging in een tijd van grote voorspoed in Erets Jisroël en het ging hier om een goed vakman: een bouwkundig ingenieur met veel ervaring.

Ik zat in een moeilijk parket. Rechtdoorzee als ik was, gaf ik ze toch advies. Ik schreef:

‘Als ik een ingenieur van zesendertig was zonder politieke binding, op zoek naar werk als “spets”, zou ik naar Sovjet-Rusland gaan, gewoon omdat daar voor iedere capabele, ijverige vakman veel te doen is; maar omdat je maar drie dagreizen van Erets Jisroël woont, is mijn advies dat Tsvi voorlopig alleen naar Erets Jisroël gaat, als toerist, dan kan hij daar ter plekke zien wat er voor hem te doen is; bevalt het hem, dan blijft hij en zo niet, dan komt hij terug.’

Ze volgden mijn raad op. Tsvi nam zes weken vakantie en ging begin februari 1934 als toerist naar Erets Jisroël. Later gaf hij toe dat zijn besluit over Erets Jisroël erg was beïnvloed door zijn achtjarige Hemda, die hem niet met rust liet en de hele tijd zei dat ze naar geen enkel ander land wilde dan naar Erets Jisroël.

Kort voor zijn vertrek werd de kleine Hemda ziek. Maar hij wilde zijn reis niet uitstellen en mijn dochter bleef alleen achter met het zieke kind. Al mijn goede vrienden in Warschau wisten dat, maar hielden het voor mij geheim. Later bleek dat de professor in Kisjinjov een verkeerde diagnose had gesteld en dat de ziekte niet meer was dan een hardnekkige hoest.

Op de boot maakte Tsvi kennis met een oudere bouwkundig ingenieur uit Galicië, en nog voor ze in Erets Jisroël waren besloten ze geen baan te zoeken, maar samen een bouwkundig bureau op te zetten. Tsvi ging van boord in Haifa, waar mijn zus Dine Sjpiro woonde met haar gezin; haar bezoek aan Kisjinjov was overigens ook een van de positieve factoren bij zijn besluit om naar Erets Jisroël te gaan.

Over Tsvi’s compagnon gaven ze me bij het Palestinabureau heel goede referenties en noemden hem een fatsoenlijke man. Toch slaagde het experiment niet en het kostte mijn schoonzoon een heleboel geld.

Ze waren toen echter niet de eersten die mislukten en ook niet de laatsten. Bij zulke mislukte experimenten was de schuldige meestal onze toenmalige staat. Jarenlang bestond er in heel Erets Jisroël geen enkel informatiebureau, dat de nieuwe immigranten van alle rangen en standen de nodige adviezen gaf over arbeidsvoorwaarden en vestigingsmogelijkheden. Ook nu nog vertellen mensen die al jaren in het land wonen dat vijftien, twintig jaar geleden het geld op straat lag. Voor bijna geen geld kon je grote stukken land kopen waar nu hele centrale stadswijken verrezen zijn. Maar zoals gezegd, er ontbrak een behoorlijke instelling die de nieuwe immigranten wegwijs maakte en ze vertelde wat ze moesten doen.

Na zijn eerste, mislukte experiment kreeg Tsvi een baan bij een gerenommeerde bouwonderneming in Haifa en liet zich met hulp van mijn zwager Zerach Birnboim uit Petach-Tikva legaliseren, ging bij mijn zus Dine op kamers wonen en diende een verzoek in om zijn vrouw en kind te mogen laten overkomen.

De dokter in Kisjinjov adviseerde haar niet in de zomermaanden met het kind naar Erets Jisroël te gaan. We huurden een appartement in Otwock en begin mei kwam mijn dochter met het meisje naar Polen. De moeder van Tsvi kwam in de zomer ook uit Łódź naar ons in Otwock. De kleine Hemda herstelde goed, leerde al gauw ijverig Hebreeuws bij een collega van me, die in Otwock woonde en ook van plan was op korte termijn naar Erets Jisroël te gaan. Om zeven uur ‘s morgens ging ik naar mijn werk op kantoor en om vijf uur ‘s middags was ik terug in Otwock. Mijn vriend Birnboim had ook besloten aan het einde van de zomer als toerist op bezoek te gaan bij zijn broer in Petach-Tikva. Niemand van ons vermoedde natuurlijk dat het lot weer een treurige verrassing voor ons in petto had, een zware en bittere slag.

Op een sjabbesmiddag zei Birnboim dat hij zich niet goed voelde en naar de dokter in Warschau wilde, bij wie hij al een tijd onder behandeling was.

Daar werd hij meteen opgenomen in een privékliniek bij een van de bekendste specialisten in Warschau, dr. Indelman. De dokter zag dat er een operatie nodig was, ondanks het feit dat Birnboim een zwak hart had. Hij werd geopereerd. Na een vreselijk lijden van een paar weken overleed hij 15 augustus 1934 aan een hartembolie. Bij onze dochter, die drie weken dag en nacht niet van zijn bed geweken was, kwam de klap net zo hard aan als bij ons allemaal. Ze bleef nog tot na Soekes in Otwock. In oktober kreeg ze van haar man de vereiste papieren en vertrok naar Erets Jisroël. Ze betrokken twee kamers bij mijn zus in Haifa. Al gauw kreeg ze een baan bij het stadhuis. Hun kleine Hemda was toen al negen en kon naar de vijfde klas van de lagere school. Daar bleef ze maar kort, want haar ouders stuurden haar naar het internaat in Misjmar Ha-Emek.

Mijn oudste kleinkind, Sjosjane Olsjvanger, was ondertussen klaar met haar studie agronomie in Nancy en ging aan het begin van de zomer van 1933 op alië naar Erets Jisroël, dus nog een jaar eerder dan onze dochter en schoonzoon.

Na volgens voorschrift een jaar gewacht te hebben, vroeg ik mei 1933 bij het Sovjetconsulaat voor de tweede keer een inreisvergunning voor Moskou aan en kreeg eind juni opnieuw zonder opgaaf van redenen een afwijzing. Pas toen schreef ik mijn zoon dat hij moest informeren wat ik misdaan had, dat ik hem niet eens één keer in de vijf jaar mocht zien.

Mijn zoon antwoordde meteen en zei met een paar Jiddisje woorden die hij in zijn Russische brief smokkelde, “dat het kwam door Leibeles vertaling”. Verder schreef hij dat hij het nu zo druk had, dat hij geen brieven meer kon schrijven en me daarom twee keer per maand zou telefoneren. Natuurlijk begreep ik dat mijn “grote zonde” hem weerhield om me te schrijven. Iedere veertien dagen kreeg ik bericht van de telefooncentrale in Warschau, dat ik om tien uur ‘s avonds gebeld zou worden uit Moskou. En twee jaar lang, van 1933 tot 1935, hadden we geen schriftelijk contact, alleen deed hij me af en toe de groeten.

Mijn werk op verschillende gebieden, maar vooral dat bij het Palestinabureau (de jaren 1933-‘35 waren zoals gezegd de tijd van de grote alië) nam me zo in beslag, dat ik voortdurend tijd te kort kwam; desondanks zei ik tegen mezelf dat het nu hoog tijd was om naar Erets Jisroël te gaan. Mijn twee (individualistische) kleinkinderen Arje-Sjmoeël en Sjosjane voelden zich niet thuis in het collectieve leven in de kibboets en kregen daar grote problemen. Ik kon nog werken, dacht ik, ik zou wel een baan krijgen en zij hadden dan weer een thuis. Jammer genoeg werd mijn reis uitgesteld; was ik eerder gegaan, dan was de vreselijke klap die het wrede lot me weer toebracht me misschien bespaard gebleven.

Op een ochtend begin april 1935 kwam een goede vriendin van me, mevrouw Sjek, naar het Palestinabureau. Ze kwam de kamer binnen waar ik achter mijn bureau zat, groette me uit de verte en ging bij mijn collega aan tafel zitten; voor ze wegging kwam ze naar me toe, pakte mijn hand en zei:

‘Gecondoleerd met het ongeluk in Erets Jisroël.’

Ik schrok me wild en sprong op van mijn stoel. Wat er verder met me gebeurde weet ik niet meer. Ze brachten me naar de kamer van de dokter, troostten me enzovoort. Ik hoorde dat mijn kleinzoon Arje-Sjmoeël in het Hadassaziekenhuis in Jeruzalem overleden was na twee dagen longontsteking. Hij was ziek geworden tijdens zijn laatste werk bij de Dode Zee. Bij een temperatuur van veertig graden had hij tot de laatste minuut doorgewerkt, tot hij bewusteloos raakte. Ze brachten hem naar het Hadassa in Jeruzalem, waar hij de volgende dag niet meer haalde. Hij was zestieneenhalf toen hij in Erets Jisroël kwam. Na elf jaar moerassen te hebben drooggelegd overleed hij op zijn zevenentwintigste.

En ik overleefde het.

Ik bleef een tijdje op de bank in de dokterskamer liggen. Daarna stond ik op en ging weer aan mijn werk. Iedereen op kantoor bleek ervan geweten te hebben, maar ze hadden de kranten achtergehouden. Mijn familie wist het ook al. Mijn zus had het bericht uit de krant gescheurd die bij ons in huis lag. Zoals gewoonlijk was ik de laatste die het wist. Voor we die avond naar bed gingen, zei ik tegen mijn zus:

‘Tsirl, schrik niet als je me morgenochtend naar het gekkenhuis moet brengen.’

Ik bleef in leven, werd niet gek en ging ‘s morgens zoals altijd naar mijn werk. Ik vroeg kameraad Kasjtan meteen het Agentschap in Jeruzalem te schrijven, dat ze me direct een uitnodiging stuurden van mijn schoonzoon Tsvi Cohen. Al gauw kreeg ik die uitnodiging en precies op Pesach-avond, 17 april 1935, was ik al in Haifa bij mijn kinderen en mijn zus Dine Sjpiro.

Toen ik wist welk ongeluk me getroffen had, schreef ik direct aan mijn zoon in Moskou dat ik naar Erets Jisroël ging en meteen kreeg ik zijn eerste brief in twee jaar, waarin hij onder andere schreef:

‘Dat je naar Palestina gaat doet me plezier en tegelijkertijd verdriet. Het doet me plezier omdat je naar het land gaat waaraan je je leven hebt gewijd. Het doet me verdriet omdat je bij ons een rustiger en interessanter leven gehad zou hebben.’

Van toen af, van 1935 tot 1942, de zeveneenhalf jaar dat ik al in het land woon, heb ik niet één brief meer van hem gekregen. Ik kreeg wel een paar schriftelijke groeten, niet van hemzelf, maar via de schrijver Mark Rakovski, de zoon van mijn broer, en kortgeleden ook via een dochter van mijn broer, die tegenwoordig in de stad Bisk in Altaiski Kraj woont; zij wist me te vertellen dat mijn zoon nu ook in de hoofdstad van Altaiski Kraj woont, in Barnaoel (Siberië) en schreef me dat ze zou proberen hem te vinden om me dan zijn adres toe te sturen.
 

34

Tijdens de voorbereiding op mijn reis naar Erets Jisroël kwam het geen moment in me op dat ik in het land geen werk zou kunnen krijgen. De enige die daar rekening mee hield was de directeur van het Palestinabureau, kameraad Sjafar. Hij zei het alleen niet direct, maar in het algemeen, om me van de alië af te houden:

‘Waarom heb je zo’n haast om weg te gaan, kameraad Rakovski? We hebben je hier nodig; je hebt een eervolle baan je kunt nog veel bereiken.’

Toen ik kameraad Jitschok Grinboim over een baan in Jeruzalem sprak, zei hij:

‘Voor jou, kameraad Rakovski, zal ik alles doen wat ik kan.’

Kort voor mijn vertrek was ook kameraad Barlas in Warschau en die zei:

‘Maak je over werk maar geen zorgen; ik heb een heel mooie baan voor je geregeld bij het archief van de zionistische organisatie. Jouw werk daar wordt een vervolg op je werk hier in Warschau. Je bent hier immers niet ontslagen. Je ve rtrekt omdat je op alië gaat naar Erets Jisroël en je hebt niet het recht verspeeld om je werk daar voort te zetten.’

Heel moeilijk was het afscheid van mijn jongere zus Tsirl, die vroeger lid van de Boend was geweest. Na de Russische revolutie was ze niet langer tevreden met het Boendisme. Zij vond het ook heel erg dat ik wegging.

Ondanks het feit dat we jarenlang uitgesproken politieke tegenstanders waren geweest, had mijn zus van 1898 tot 1905 bij mij in huis gewoond. Daarna deelden we een kamer van 1927 tot 1935, acht jaar langdus. Over het algemeen stonden we elkaar zo na, begrepen elkaar zo goed en maakten samen zoveel mee, dat we altijd voor elkaar klaarstonden en geen moeite ons te veel was. Mijn zus Tsirl, tandarts van beroep, was op zijn Jiddisj gezegd een zeer geslaagde “mentsj”. Knap, verstandig, capabel, buitengewoon energiek en temperamentvol als ze was, had ze vanzelfsprekend groot succes…

Ze had echter een heel tragisch gezinsleven achter de rug, waardoor ze emotioneel erg geleden had en lichamelijk gebroken was.

Toen ik in april 1935 uit Polen naar Erets Jisroël vertrok, bleef zij nog in Warschau, want haar twee volwassen dochters hadden beloofd haar naar Parijs te laten komen.

In de jaren 1935-‘39, dus tot het uitbreken van de oorlog, kreeg ik vaak brieven van mijn zus. In november 1939 kreeg ik van haar nog een brief, al niet meer uit Warschau, maar uit Białystok, waar ze een paar dagen voor de Duitse invasie naar had kunnen vluchten. Ze woonde tijdelijk bij onze broer en had al werk als tandarts. Het hele jaar 1940 correspondeerden we vrij regelmatig. Aan het einde van de zomer van 1941 kreeg ik de laatste brief van mijn zus, waarin ze me vroeg om uit te zoeken of haar kinderen nog in Parijs waren, want het contact was nu helemaal verbroken. Ik schreef naar het oude adres en kreeg antwoord van haar oudste dochter, dat ze nog steeds op dezelfde plaats woonden. Die brief stuurde ik haar meteen door op mijn broers adres in Białystok. Maar van Tsirl heb ik tot op heden helemaal geen brieven meer gekregen. Natuurlijk denk ik aan het ergste, want anders kan ik me niet voorstellen dat ze me niet zou schrijven.
 

35

17 April 1935, Pesach-avond, kwam ik dus na een onderbreking van vijftien jaar voor de tweede keer in Erets Israël.

Ik was gebroken door de ernstige persoonlijke tragedies die ik kort tevoren had doorstaan en zoals gewoonlijk had ik het gevoel dat ik alleen in mijn werk troost zou vinden.

Ik wachtte niet en ging meteen de eerste dag na Pesach naar Jeruzalem, waar ik vooruitzichten had op een baan. Natuurlijk ging ik eerst naar mijn oude vrienden uit Warschau, die me plechtig verzekerd hadden dat ik niet werkeloos zou zijn. Maar vanaf het moment dat ik aanklopte bij onze leiders en machthebbers groeiden mijn teleurstelling en verbittering niet van dag tot dag, maar van uur tot uur. Zelfs mijn trouwste vrienden behandelden me nu niet meer zoals vroeger. Ik kreeg van hen alleen maar te horen dat de hoofdreden om mij geen baan te geven was dat ik te vroeg geboren was…

Het lag dus aan mijn leeftijd.

In de hoogste instellingen van ons in opbouw verkerende nationale tehuis heerste in plaats van joodse ethiek de duisterste bureaucratie; onze woordvoerders deden alsof we in de tijd van voor de Tora leefden, toen oude mensen nog van een hoge rots gegooid werden. Dat had ik natuurlijk niet verwacht. Ik kon me alleen moeilijk voorstellen dat ze iemand die hard en energiek kon werken en zich nog nuttig kon maken geen werk gaven, alleen omdat die als oudere na een half jaar ziek kon worden en dan een pensioen moest krijgen; dat soort “logische” redenen waren voor een gewoon mens van vlees en bloed niet te begrijpen. En toen ze mij een baan met een salaris van ácht pond per maand wilden geven, werd daarover een veto uitgesproken door één enkele persoon.

Na allerlei vergeefse interventies van mijn vrienden en kameraden van links en van rechts richtte ik me direct tot de man persoonlijk. Hij hoorde me aan en antwoordde vanuit de hoogte dat ik geduld moest hebben tot na het Congres (het was vlak voor het Negentiende Congres in Luzern, Zwitserland). Als ervaren lerares had ik natuurlijk geduld genoeg, dus ik wachtte…

Toen ik een tijdje na het Congres voor de tweede keer bij hem op kantoor kwam, zei hij kortaf dat hij als verantwoordelijke voor de begroting geen nieuwe medewerkers kon aannemen, gezien de huidige financiële situatie van het Agentschap. En hoe kon hij het budget van het Agentschap belasten met een extra uitgave van niet minder dan ácht pond per maand…?

Na het fiasco bij het Agentschap ging ik naar Tel Aviv, naar mijn oude partijgenoten, de vertegenwoordigers van de Tseïree Tsion in Polen. Uren zat ik op de gangen bij de deuren van hun werkkamers te wachten tot ik binnen mocht komen voor een gesprek. Dezelfde bureaucratie, alleen met een ander tintje… Maar met hen kon ik tenminste praten als met kameraden en ik vroeg om een baan bij een van de instellingen van de Mapai of de Histadroet, waar ze de laatste tijd een aantal jonge mannelijke en vrouwelijke kameraden hadden aangesteld die nog met mij hadden samengewerkt in het Palestinabureau in Warschau.

Als ik, de “grootmoeder” van de zionistische beweging en initiatiefnemer van de zionistische vrouwenbeweging in Polen (afgezien van mijn nog volledig intacte werkkracht, energie en enthousiasme) in Erets Israël geen werk kon vinden, alleen maar vanwege de “zonde” van mijn leeftijd, betekende dat niet alleen het bankroet van mijn persoonlijke leven van werk en strijd, maar ook van het hele aandeel van de joodse vrouw in onze nationale en sociale bevrijdingsbeweging.

Al het lange onderhandelen had geen succes. Ik kreeg geen baan.

Meer dan over mezelf was ik bezorgd over de situatie van mijn oudste kleinkind, Sjosjane Olsjvanger; nadat ze zich van de aanslag van het klimaat op haar gezondheid een beetje had hersteld, ging ze van Jeruzalem terug naar Haifa. Ondanks al mijn pogingen kon ik haar niet overtuigen om naar een kibboets te gaan, waar ze de beste vooruitzichten had op een baan in haar vak als agronoom.

Zij koos ervoor om tot de middag te werken als dienstmeisje en naaister. Omdat ik besefte hoe zinloos dat plan was deed ik haar het volgende voorstel:

‘Ik betaal voor jou een opleiding, of tot ambtenaar, of tot naaister; kies maar welk van de twee beroepen je het meeste ligt; ik dwing je niet, ik wil eigenlijk alleen maar dat je een vak hebt, omdat economische zelfstandigheid bij de bevrijding van de vrouw het belangrijkste is. Bijna vier jaar heb je besteed aan de studie agronomie, het ideale vak voor Erets Israël, en na je komst hier heb je na het eerste, heel toevallig mislukte experiment op dat gebied meteen besloten dat vak overboord te zetten. Nu moet je dus opnieuw beginnen en een ander vak leren.’

Het ging me niet makkelijk af, maar uiteindelijk gaf ze toe en ging naar een van de beste modezaken in Haifa om het vak van naaister te leren. Als gediplomeerd agronoom naait ze nu kleren voor de dames in de joodse stad Tel Aviv.

Misschien heeft ze gelijk…

Nadat ik direct na mijn komst in 1935 tijdelijk onderdak voor haar gevonden had, ging ik terug naar Jeruzalem, waar ik woonde in het jaar dat ik voor het eerst in Erets Israël was en waar ik me ook nu toe aangetrokken voelde. Toevallig woont in Jeruzalem ook mijn jongere broer, die een paar jaar in Berlijn woonde en er begin 1933 samen met zijn vrouw nog in slaagde Erets Israël te bereiken. Ze zijn allebei goede vakmensen: als apotheker en als schoonheidsspecialiste begonnen ze in Jeruzalem een chemisch laboratorium en een schoonheidssalon en op zijn Amerikaans gezegd “they make a living”. En zoals we weten is de hele cosmetica toch afkomstig uit de Oriënt en heeft altijd groot succes gehad bij de joodse vrouw, al in de tijd van de profeet Jesaja…

In 1935 zorgde mijn broer dat ik een tijdje een dak boven mijn hoofd had en dat is toch het belangrijkste. En volgens de nieuwste theorieën van de moderne geneeskunde moeten oudere mensen zo weinig mogelijk eten of op zijn minst niet helemaal verzadigd van tafel gaan. Gelukkig had ik ook nog een bedrag van enkele tientallen ponden. Op die manier kwam ik hoe dan ook het jaar door dat ik helemaal zonder werk zat. En zoals gezegd hielp ik mijn kleindochter nog bij het leren van een nieuw vak. Ik was verbitterd en geïrriteerd over de menselijke onrechtvaardigheid. Maar op mijn humeur had dat over het algemeen weinig effect; in mijn leven vol narigheid had ik meer dan eens grote financiële problemen gehad en altijd had ik het hoofd koel gehouden en de moed niet laten zakken.

Op een dag kreeg ik bezoek van een oude vriendin, die ik nog uit Warschau kende, de Hebreeuwse schrijfster Dvora Lachover, en die bracht een artikel van Keren Kajemet mee om uit het Hebreeuws in het Jiddisj te vertalen; ze zei:

‘Gisteren vertelde ik kameraad N. Bistritski dat jij al meer dan een half jaar in het land bent en geen baan kunt krijgen, al hadden ze je in Warschau verzekerd dat je hier door kon gaan met je werk voor het Warschause Palestinabureau. Kameraad Bistritski keek daar erg van op en hij zei dat het niet alleen onrechtvaardig, maar ook dom is om geen gebruik te maken van de capaciteiten van kameraad Poea Rakovski voor het vertalen van ons Jiddisje propagandamateriaal voor de landen in de diaspora. En hij zei: geef kameraad Rakovski dit artikel en zeg haar namens mij dat zij de vaste vertaler in het Jiddisj wordt van onze Keren Kajemetpropaganda.’

Ik sprak een sjehechejanoe uit over mijn eerste Jiddisje vertaling in Erets Israël, bracht het artikel naar kameraad Bistritski en kreeg mijn eerste honorarium (ik werd niet per artikel betaald, maar per regel) en toen pas begreep ik: als ik niet zo overdreven eerlijk was geweest had ik dat hele gevecht om een baan als “ambtenaar” kunnen vermijden en meteen werk in mijn beroep als vertaalster kunnen krijgen. Waarom ik dat dan niet meteen gedaan had? Ik deed het niet omdat ik gewoon niet wilde dat de chauvinistische vijanden van het Jiddisj in Erets Israël, die mijn uitgesproken positieve instelling tegenover onze volkstaal kenden, geen aanleiding wilde geven om te beweren dat kameraad Poea Rakovski naar Erets Israël gekomen was om de Jiddisje taal te propageren.

In een opgewekte stemming ging ik van kameraad Bistritski naar het bureau van Keren Ha-Jesod, naar kameraad Leib Jaffe. Hij was al op de hoogte van de hele discussie over een baan voor mij en was natuurlijk ook heel geïrriteerd. Op mijn vraag over Jiddisje vertalingen antwoordde hij meteen:

‘Kameraad Rakovski, ik geef je graag al het Jiddisje vertaalwerk van Keren Ha-Jesod. Ik zal ook nog kijken of je werk kunt krijgen van het Agentschap.’

Toen hij dat gezegd had, gaf hij me een paar artikelen om te vertalen. Een paar dagen later kreeg ik een brief van dr. Leiterboech, of ik voor werk naar de propaganda-afdeling van het Agentschap wilde komen; kortom: ik kreeg steeds werk van alle drie de instellingen. En mijn persoonlijke probleem was daarmee opgelost, ook financieel, en daarbij gaf het werk me veel voldoening.

Nadat ik een paar maanden zo gewerkt had (ze waren tevreden en vooral enthousiast over mijn nauwkeurigheid), kwam ik op het idee om naar kameraad Jitschak Grinboim te gaan met het voorstel dat de drie instellingen mij samen een vaste baan als vertaler zouden geven met een vast maandsalaris.

Al gauw kreeg ik een positief antwoord: na een gemeenschappelijk overleg van vertegenwoordigers van de drie instellingen werd ik aangenomen als vertaler met een salaris van zeven pond per maand.

Op die condities werkte ik meer dan vijf jaar heel intensief. Er was altijd meer dan genoeg werk bij de drie instellingen. Pas toen in 1939 de oorlog uitbrak hield dat schriftelijke propagandawerk voor de galoet van het Agentschap en de Fondsen bijna helemaal op.

Maar ontslagen werd ik niet.

 

Woordenlijst

Plaatsnamen zijn weergegeven in hun hedendaagse Poolse, Oekraïense, Russische, Roemeense enz. vorm. Dit leidt weliswaar tot anachronismen, maar vergemakkelijkt het zoeken in een atlas. Een consequente transliteratie van Hebreeuwse en Jiddisje woorden is trouwens niet mogelijk. Hebreeuwse woorden in de context van Oost-Europa zijn gespeld volgens de Asjkenazische uitspraak; de klemtoon ligt dan gewoonlijk op de voorlaatste lettergreep. Hebreeuwse woorden in de context van Erets Israël, het Mandaatgebied Palestina, zijn gespeld volgens de moderne Israëlische uitspraak; de klemtoon ligt dan meestal op de laatste lettergreep. Zo wordt de Oost-Europese “Tóire” in Erets Israël “Torá”. Er is afgezien van een consequente spelling bij namen die overbekend zijn in een andere spelling, zoals “Herzl” en “Weizmann” in plaats van “Hertsl” en “Vaitsman”. Het Groene Boekje maakt onderscheid tussen “joods” (in religieuze zin) en “Joods” (in etnische zin). Het verschil tussen religie en etniciteit is echter lang niet altijd duidelijk en daarom is “joods” hier consequent met een kleine letter gespeld.
 

abba: papa.

afikoimen (afikoman): stukje matse waarmee de Pesachmaaltijd wordt besloten.

agode (aggada): het verhalende deel van de Talmoed.

Agoedat Israël: orthodox-religieuze antizionistische partij.

Agoede: wereldorganisatie van streng-religieuze joden.

agoene: vrouw die gescheiden leeft van haar echtgenoot, zonder van hem een get gekregen te hebben.

Algemene Zionisten: niet-religieuze zionisten.

alië (alia): emigratie of emigratiegolf naar Palestina.

“Alle Israëlieten zijn verantwoordelijk voor elkaar”: Talmoed Sjavoeot 39.

“Alle pracht van de prinses zit van binnen”, ook vertaald als “Stralend wacht de koningsdochter binnen”: Psalm 45:14.

askole: school.

assimilatie: aanpassing aan de (christelijke) meerderheid in de maatschappij.

babcia: oma (Pools).

baksjisj: smeergeld.

ballingschap: het verblijf van de joden buiten Erets Israël.

balzaciaanse leeftijd van de vrouw: middelbare leeftijd van een bemiddelde vrouw, die bemind wordt door een jongere man. Naar de 19e-eeuwse Franse auteur Balzac.

bar-mitsve (Bar-mitsva): religieus meerderjarige Jood, ook de plechtigheid waarin hij op dertienjarige leeftijd religieus meerderjarig wordt.

bekering: d.w.z. tot het christendom.

Bnee Moisje (Benee Mosjee): “zonen van Mozes”. Militante, geheime zionistische organisatie.

Bnee Tsiën: “zonen van Zion”. De eerste legale zionistische organisatie in Warschau.

Bnois Tsiën: “dochters van Zion”. Organisatie van zionistische vrouwen in Polen.

bes-medresj (beth midrasj): de synagoge als leerhuis.

bime (bima): het podium in de synagoge, waar de Tora gereciteerd wordt.

Birobidzjan: Joodse Sovjetrepubliek in Siberië.

Boend: Joodse socialistische partij in Polen, Litouwen en Rusland.

“Boï hena jaldati”: (Hebreeuws) “Kom hier, mijn kleine meisje.”

bolsjewieken: Russische communisten.

borden breken: een gewoonte bij een bruiloft die geluk moest brengen.

brooche: zegen.

Brood- en lichtketters: religieuze sekte in de late Oudheid en de vroege Middeleeuwen, waarvan aanhangers beweerden dat zij brood in licht konden veranderen.

chadoriem mesoekoniem: gemoderniseerde religieuze lagere scholen.

chalietse: ceremonie ter vermijding van het zwagerhuwelijk, waarbij een weduwe moest trouwen met de broer van haar overleden man.

challe: gevlochten brood, gegeten op sjabbat.

Chanoeke (Chanoeka): feest in december ter herinnering aan de herinwijding van de Tempel na de ontwijding door de Syriërs.

Charlotte: modieuze versie van de naam Sjeindl.

chassidiem: aanhangers van een Joodse, piëtistische religieuze beweging in Oost-Europa.

chazzen (chazan): voorzanger in de synagoge.

cheider: Joodse religieuze lagere school.

cheirem: excommunicatie.

chesjvan: maand van het Joodse jaar (oktober/november)

Chibes-Tsiënbeweging (Chibbat-Tsionbeweging): zionistische beweging in Rusland vóór het ontstaan van het politieke zionisme.

Choemesj: de vijf boeken van Mozes, de eerste vijf Bijbelboeken.

choepe (choepa): baldakijn boven het bruidspaar.

Chovevee Sefat Ever: Liefhebbers van de Hebreeuwse Taal.

Chovevee Tsiën (Chovevei Tsion): Liefhebbers van Zion, voorlopers van de moderne zionisten.

Cohen: Volgens de joodse wet mocht een Cohen (“priester” in het Hebreeuws) geen gescheiden vrouw trouwen.

Comintern: samenwerkingsverband van communistische partijen onder leiding van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.

dajen (dajan): rabbinale rechter.

dávvenen: bidden.

“De dag is kort en het werk is lang”: Pirkei Avot 2:20.

“De eerste vrucht van zijn mannelijke kracht”: Genesis 49:3.

“De hemel is de hemel van de Eeuwige, de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven”: Psalm 115:6.

“De Toire moet gestudeerd worden”: parafrase van Talmoed Berachot 62a.

“De wegen naar Tsiën (Zion) treuren”: Klaagliederen 1:4.

“De Wet bestaat alleen voor degene die zijn leven ervoor overheeft”: parafrase van Talmoed Berachot 63b.

diaspora: de Joodse wereld buiten Israël.

doema: het Russische parlement.

doenam: oppervlaktemaat (1000 m2).

droosje: preek.

“Een fatsoenlijke vrouw doet wat haar man wil”: Tanna Devei Elijahoe Rabba 9.

“Een meisje de Toire leren is haar losbandigheid leren”: Talmoed Misjna Sota 20a.

einhore: het boze oog.

Ein Jankev (Ein Jaäkov): verzameling legenden uit de Talmoed.

ellel (elloel): maand van het Joodse jaar (augustus/september). ellel 5705: augustus-september 1945.

Endecja: antisemitische politieke beweging in Polen.

“En hij [de echtgenoot] zal over je heersen”: Genesis 3:16.

Erets Jisroël (Erets Israël): het Land Israël.

Esjel: Onderdak, organisatie voor hulp aan weeskinderen.

Et Livnos (Et Livnot)-fractie: Een tijd om op te bouwen: factie in de Algemene Zionisten.

Ezrat Joldos (Ezrat Joldot): Hulp voor Zwangere Vrouwen.

firzogerin: voorleesster.

galoet: diaspora, de Joodse wereld buiten Israël.

geassimileerd: aangepast aan de christelijke meerderheid in de maatschappij.

Gemore (Gemara): Een onderdeel van de Talmoed.

get: scheidingsakte. Alleen de man kon het initiatief nemen tot een scheiding.

goj, meervoud gojim: niet-Jood.

gojs: niet-Joods.

goles (galoet): diaspora, de Joodse wereld buiten Israël.

gouden kalf: afgodsbeeld. Exodus 32.

Grabski-kar: Grabski: Pools minister in de jaren 1920. De naar hem genoemde kar haalde de bezittingen op van degenen die hun belasting niet konden betalen.

gzjivke: haarstukje.

Ha-Chinech (Ha-Chinoech): De opvoeding, de scholing.

Ha-Cholets (He-Chaloets): De pionier.

Hadassa-ziekenhuis: het eerste ziekenhuis in Jeruzalem.

Hagana: illegale Joodse militaire organisatie in Palestina.

Ha-Pojel (Ha-Poël): De Werker, socialistisch-zionistische partij in Palestina.

Ha-Sjomer Hatseïr (Ha-Sjomer Ha-Tsaïr): De Jonge Wachter, socialistisch-zionistische jeugdbeweging in Palestina.

Haskole (Haskala): de Joodse Verlichting.

Ha-Tikve (Ha-Tikva): De Hoop, feministisch-zionistische organisatie.

Ha-Tikva: De Hoop, volkslied van Israël.

Ha-Tsefire (Ha-Tsefira): Hebreeuws tijdschrift (1862-1931).

Havdole (Havdala): het afsluitende gebed van sjabbat.

“Het dienstmeisje van de rabbijn”: het voorbeeldige dienstmeisje van de beroemde Joodse rabbijn Jehoeda Ha-Nasi (135-217).

“Hij [Jakob] bewaarde het woord in zijn hart”: Genesis 37:11.

Histadroet Ha-Ovediem: Vakbond van Werkers.

Histadroet Nasjiem Ivriot: Organisatie van Hebreeuwse Vrouwen.

Histadroet sjel Nasjiem Ha-Tsionot: zie WIZO.

Hitachadoet Nasjiem Ivriot Le-Sjivoei Zchoeiot: Hebreeuwse Vrouwenbond voor Gelijke Rechten.

“Hoe meer iemand uitsteekt boven zijn naaste, des te sterker zijn zijn kwade neigingen”: Talmoed Soekka 52.

Hoge Feestdagen: Rosj Ha-Sjana (Joods Nieuwjaar) en Jom Kippoer (Grote Verzoendag).

Homen (Haman): figuur uit het bijbelboek Esther, die het Joodse volk wilde vernietigen.

homens-oren (Hamans-oren): koekjes, gegeten tijdens Poeriem, genaamd naar Haman.

IJzeren Garde: Roemeense fascistische en antisemitische organisatie.

Jaldoes (Jaldoet): jeugd.

Jasjke en Stasjke: Russische paren.

Jefas-tojer (Jefat-toar) en jefas-mare (jefat-mareh): “Een goed figuur en een mooi uiterlijk”: Esther 2:7.

Jehoedia: Jodin.

jesjieve: Talmoedhogeschool.

jesjieveboocher: student aan een Talmoedhogeschool.

Jevsektsië: Joodse secties van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.

JFA: Joodse Vrouwen Organisatie.

jiches: afkomst uit goede familie.

jisjev (jisjoev): de Joodse gemeenschap in Palestina.

JKA: Joodse Kolonisatie Organisatie.

Joint: American Joint Distribution Committee, Amerikaanse filantropische organisatie.

Jom Kipper (Jom Kippoer): Grote Verzoendag.

Joodse Legioen: Organisatie van Joodse oud-strijders in Britse dienst in de Eerste Wereldoorlog.

Joods Nationaal Fonds: fonds voor de aankoop van land in Palestina.

kehille: Joodse religieuze gemeente.

Keren Ha-Jesod: organisatie voor onder andere het bevorderen van immigratie naar Palestina.

Kern Kajemes (Keren Kajemet): fonds voor de aankoop en ontwikkeling van land in Palestina.

kislev: maand van het Joodse jaar (november/december). kislev 5686: december 1925.

klaus: kleine synagoge in Oost-Europa.

kolchoz: collectief landbouwbedrijf in de Sovjet-Unie.

Kol Nidre: gebed waarmee de avonddienst van Jom Kippoer begint.

Koningsbergen: het tegenwoordige Kaliningrad.

koosjer: ritueel geoorloofd.

kopeke: een honderdste van een roebel.

Korka: bedoeld is misschien Borca.

“Laat het ons gaan als voorheen”: Klaagliederen 5:21. Gezegd in de synagoge bij het plaatsen van de Tora in de ark.

Leibele: Leootje, verkleinwoord van Leo (Trotski).

Lehitraot ba-arets: (Hebreeuws) ‘Tot ziens in het Land.’

lernen: Tora en Talmoed studeren.

“Let op de kinderen van de armen, want van hen komt de Tora”: Talmoed Nedarim 81.

“Liever de dood dan de zonde”: Talmoed Pesachim 25b.

Litvatsjke: Litouwse Jodin. Litouwers hadden de naam koel en rationeel te zijn.

Mamelosjn: “moedertaal”, dat wil zeggen Jiddisj.

Mandaat: Palestina onder Brits beheer (1917-1948).

Manifest van 17 oktober [1905]: manifest van de tsaristische regering van Rusland met een aantal concessies aan de revolutionairen.

Mapai: socialistische arbeiderspartij.

maskel (maskil), meervoud maskilim: aanhanger van de Joodse Verlichting.

Menoire Ha-Moër: “De lichtende kandelaar”, religieus werk uit de 16e eeuw.

mentsj: volwassen, integer persoon.

Meron: berg in Galilea.

midresj (midrasj): exegese.

Mikve Israël: de eerste landbouwschool in Palestina.

minjen (minjan), meervoud minjoniem: quorum van tien mannen, nodig voor bepaalde Joodse gebeden.

misnaged, meervoud misnagdiem: voorstander van een rationele uitleg van de Joodse wet.

mitsve: religieus gebod.

Mizrochi (Mizrachi): religieus-zionistische partij.

Moisej: Russische versie van de naam Moisje.

Moment: Jiddisj dagblad in Warschau.

Moisje rabbenoe: Mozes, onze leraar.

Nansen-pas: door de Volkenbond verstrekt reisdocument voor vluchtelingen.

Neïle (Neïla): laatste deel van de dienst van Jom Kippoer.

“Niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij [Mozes]”: Numeri 12:3.

oder (adar): maand van het Joodse jaar (februari/maart).

“Oe-mibsari echezeh eloha”: “Toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen”: Job 19:26.

olehasjolem: Hij ruste in vrede.

ORT: Organisatie voor Rehabilitatie van joden door Training.

Pawiak: gevangenis in Warschau.

Peirek: Pirkee avot, “Uitspraken van de vaderen”, Misjnatraktaat met ethische uitspraken.

Peisech (Pesach): feest in de maand nisan (maart) ter herinnering aan de uittocht uit Egypte.

Peterhof: voorstad van Sint-Petersburg met paleizencomplex van de tsaren.

Petrograd: Sint-Petersburg (1914-1924).

Poale Tsiën (Poalei Tsion):

Poea: met Sjifra een van de twee vroedvrouwen van de Israëlieten tijdens de ballingschap in Egypte. Exodus 1:15.

Poerim: feest in de maand adar (februari) ter herinnering aan de verlossing van de joden in Perzië uit de handen van Haman.

pogrom: gewelddadige actie tegen joden.

polner mentsj: een complete mens.

progymnasium: gymnasium met beperkt aantal leerjaren.

propoesk: (Russisch) pas.

pruik: gedragen door vrome Joodse vrouwen over hun eigen haar.

Rasji: rabbijn (1040-1105), auteur van het bekendste commentaar op de Bijbel en de Talmoed.

Reb: Jiddisje aanspreekvorm van een man.

Rebbe: chassidische rabbijn.

revisionist: lid van een zionistische fractie, voorstander van gewapende verovering van Groot-Israël.

roebel: Russische munteenheid.

“roepende in de woestijn”: Jesaja 40:3.

Rosjesjone (Rosj Ha-Sjana): Joods Nieuwjaar (september/oktober).

Russisch-Polen: Polen als deel van het Russische rijk (1815-1915).

Salje: Russische versie van de naam Sore/Sara.

Salke: diminutief van de naam Sore/Sara.

Sedre: Bijbelpassage die in een bepaalde week in de synagoge wordt gelezen.

Seider: ritueel feestmaal op Pesach.

Sejm: Pools parlement.

Sejmisten: Poolse parlementsleden.

Simches Toire (Simchat Tora): Vreugde der Wet, viering van het bestaan van de Tora.

sjabbes (sjabbat): zaterdag, Joodse rustdag.

Sjachres (Sjacharit): Dageraad.

Sjehechejanoe: lofzegging voor het genieten van iets nieuws.

sjevat: maand van het Joodse jaar (januari/februari).

Sjifra: schoonheid, gratie, helderheid.

sjochet: Joodse rituele slachter.

sjoel: synagoge.

sjtetl: kleine stad in Oost-Europa met een Joodse gemeenschap.

smiche: rabbinale bevoegdheid.

soebotniks: judaïzerende christelijke sekte in het Russische rijk.

Soekes (Soekot): Loofhuttenfeest, ter herinnering aan de tocht tussen de uittocht uit Egypte en de intocht in het Beloofde Land.

Sore: Sara.

Sórele: Saraatje.

spets: (Russisch) specialist, expert.

“sterke vrouw”: Prediker 31:10.

Taitsj Choemesj: Jiddisje versie van de vijf boeken van Mozes, met toegevoegde rabbijnse verhalen, vooral gelezen door vrouwen.

Talmoed: omvangrijk en gezaghebbend commentaar op de Misjna en de Tora.

tammez (tammoez): maand van het Joodse jaar (juni/juli).

Tarboes (Tarboet)-scholen: seculiere zionistische scholen met Hebreeuws als studievak.

teives (tevet): maand van het Joodse jaar (december/januari).

Tenach: de Hebreeuwse Bijbel.

Tisjebov (Tisja Beav): treurdag om de verwoesting van de Tempel.

tisjri: maand van het Joodse jaar (augustus/september).

toehoorder: Joodse student die niet als gewoon student aan een universiteit mocht studeren.

Toesjia: wijsheid, inzicht.

Toire (Tora): de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel.

treife: niet-koosjer.

Tseïre Tsiën (Tseïree Tsion): Socialistische arbeidersbeweging binnen het zionisme.

Tsenoeë: vrome, discrete vrouw.

Verdedigers van de Taal: pressiegroep in Palestina ter bevordering van het gebruik van Hebreeuws en ter bestrijding van andere talen.

Verklaring van Balfour: verklaring waarmee het Verenigd Koninkrijk in 1917 de zionistische plannen voor een Joods nationaal tehuis in Palestina ondersteunde.

Verplichte Woongebied (Tsjerta): het gebied in het westen van het tsaristische Rusland waarbuiten joden zich niet mochten vestigen.

Vilner Troepe: toneelgezelschap, opgericht in Vilna in 1915.

vleespotten (van Egypte): materiële welvaart in het ontvluchte land. Exodus 16:2.

“Voor alles wat gebeurt is er een uur, een tijd voor alles wat er is onder de hemel”: Prediker 3:1.

“Want de mens is een boom in het veld”: Deuteronomium 20:19.

“We verlangen terug naar de vis”: Numeri 11:5.

“Wie geld wil verliezen, handelt in glas”: parafrase op een uitspraak in Talmoed Baba Metzia 29.

“Wie zijn dochter de Toire leert, leert haar obsceniteit”: Talmoed Sota 20a.

Wijzen: geleerde en charismatische Joodse religieuze leiders.

Witten: tegenstanders van de Roden (bolsjewieken) in de Russische revolutie.

WIZO: Women International Zionist Organization.

“Zet een hek om de wet van het zionisme”: variant op een rabbijnse uitspraak “Zet een hek om de Tora.”

“Zien is beter dan horen”: parafrase van Talmoed Rosj Ha-Sjana 25b.

Zionistisch Congres: hoogste orgaan van de zionistische wereldbeweging. Kwam voor het eerst bijeen in 1897.

z”l: “zichroine livrooche”, zaliger nagedachtenis.

“Zonder meel geen Tora”: Misjna Avot 3:17.