Herinneringen van een joodse revolutionaire, 21-32

Poea-2
 

Poea Rakovski

 

21

Ten tijde van de Wereldoorlog waren alle joodse socialistische partijen heel actief. Net als voor de algemene socialistische beweging was de Wereldoorlog ook voor de joodse arbeidersbeweging een belangrijke overgangsperiode. Het koortsachtige tempo van de gebeurtenissen in de beweging zelf en in de socialistische ideologie wekte ook innerlijke beroering.

Die sfeer van socialistische activiteit werd als door een donderslag getroffen door het nieuws van de Russische Revolutie, die voor de joodse socialistische beweging echter een heel belangrijk positief effect had: de volledige vrijheid van agitatie in woord en geschrift. Al het explosieve materiaal dat zich in de loop van tientallen jaren illegale propaganda had opgehoopt ontplofte ineens en leidde tot een buitengewoon intensieve, alhoewel ook korte periode in de geschiedenis van de joodse arbeidersbeweging in de diaspora, die op slag veranderde in een volksbeweging die duizenden en zelfs tienduizenden kameraden omvatte.

De algemene politieke betekenis van de joodse socialistische partijen nam toe, ook door een andere oorzaak: de Russische omwenteling was vanaf het eerste moment sterk socialistisch getint. De kracht en betekenis van de nieuwe “arbeiders- en soldatenraden” was heel groot. In die raden, die een soort “staat in de staat” waren, was de invloed van de socialistische partijen doorslaggevend. De joodse arbeiders namen vanaf het eerste moment als gelijkberechtigde en actieve leden deel aan die raden. Ook in de nieuw gekozen gemeenteraden waren de joodse partijen vertegenwoordigd door een groot aantal kameraden om ook daar hun invloed te vergroten.

De revolutie bracht het Russische jodendom volledige gelijkheid van rechten, niet alleen als staatburgers, maar ook als nationaliteit. En dat had een zekere invloed op de democratisering van het joodse leven in het land.

Wat de interne ontwikkeling van de beweging in de periode tot het uitbreken van de communistische staatsgreep betreft, er moeten vooral twee feiten benadrukt worden: aan de ene kant de fusie van de Zionistisch-Socialistische Arbeiderspartij en de Sejmisten tot één partij (de Verenigde Joodse Socialistische Arbeiderspartij) en aan de andere kant het uitkristalliseren van de nieuwe socialistische Tseïree Tsiënbeweging, die in de joodse socialistische wereldbeschouwing bepaalde nieuwe nuances aanbracht en zich later ontwikkelde tot een wereldbeweging naar het voorbeeld van de Poiale Tsiën.

Die uitkristallisering van de socialistische Tseïre Tsiënbeweging was toen een belangrijk verschijnsel. Ik zeg met nadruk “socialistische”, want in feite bestond de Tseïre Tsiënbeweging al jaren. Ze kreeg haar socialistische kleur echter pas in de tijd van de Russische Revolutie. De beweging als zodanig was al ontstaan in het eerste decennium van deze eeuw als radicale zionistische jeugdbeweging, die vooral droomde van de alië naar Erets Jisroël en ideologisch verbonden was met de arbeidersbeweging in het land, dat wil zeggen met een belangrijk deel van de joodse gemeenschap. Wat vooral groeide was de ideologische verwantschap met de beweging van Ha-Pojel Ha-Tseïr, waarbij zich bijna alle immigranten naar Erets Jisroël van de Tseïre Tsiën in de jaren voor de Wereldoorlog aangesloten hadden. Nog in die periode werden er verschillende pogingen ondernomen de beweging te organiseren als een speciale groepering in de algemene zionistische beweging, maar zonder succes. Op bijna ieder zionistisch congres waren er scholingsbijeenkomsten van gedelegeerden van Tseïre Tsiën, gewijd aan ideologische en organisatorische vraagstukken.

In Rusland waren de Tseïre Tsiën geconcentreerd in aparte verenigingen, die ook Tseïre Tsiën of Ha-Tikve heetten (de eerste in Pinsk en in Kisjinjov) en die van tijd tot tijd gemeenschappelijke conferenties organiseerden. Op het Elfde Congres in Wenen (1913), in het eerste gemeenschappelijke overleg van de gedelegeerden van Tseïre Tsiën en Ha-Pojel Ha-Tseïr, werd er een overkoepelende centrale raad van alle groepen gekozen met Warschau als vestigingsplaats, die tot taak had de uitgave te verzorgen van het eerste orgaan van de beweging, getiteld Sjachres. De beweging als zodanig had echter absoluut geen socialistische doelstellingen. Haar eisen gingen niet verder dan de democratisering van de zionistische beweging en de ondersteuning van de arbeiders in het land. Wel vertoonden sommige groepen toen al een zekere neiging tot socialistische leuzen. Maar de sympathieën bleven platonisch.

Op de illegale conferentie van 1906 in Pinsk presenteerde Tseïre Tsiën zich als wel een beweging met een socialistische wereldbeschouwing, maar zonder praktische consequenties, afgezien van een resolutie dat Erets Jisroël op socialistische grondslag gebouwd moest worden. Die onzekere positie was echter niet levensvatbaar. Al gauw ontstonden er meningsverschillen in de beweging en een groot deel toonde steeds meer affiniteit met de socialistische leuzen. De interne ontwikkeling kreeg een sterke impuls door het verloop van de gebeurtenissen in Rusland. En op hun tweede landelijke conferentie van augustus 1917 in Petrograd riep Tseïre Tsiën zichzelf uit tot een socialistische fractie, die wel deel bleef uitmaken van de algemene zionistische organisatie en lange tijd geen enkel initiatief nam tot een zelfstandige politiek.

Eind 1917 kwam Tseïre Tsiën al naar voren als een nieuwe socialistische beweging met een eigen ideologie en genoeg aanhangers (twintigduizend ten tijde van hun tweede conferentie). Het duurde wel een hele tijd tot de fractie zich helemaal bevrijd had van de invloed van de algemene zionistische beweging en zelfstandig politieke activiteiten begon te ondernemen.

Door de politieke gebeurtenissen aan het einde van de Wereldoorlog en het ontstaan van het vrije Polen kwam het centrum van die beweging in Polen te liggen, dat nu het Europese land was met de grootste joodse bevolking. De Poolse Tseïre Tsiën vormden een aparte fractie op de derde landelijke conferentie van de zionisten in Polen (november 1918) en ikzelf trad toen al toe tot die fractie. Op die zionistische conferentie werd me die toetreding zelfs kwalijk genomen. Kameraad Avrom Podlisjevski z’’l, die toch sterk sympathiseerde met de socialistische jeugdbeweging, kwam naar me toe en zei:

‘Kameraad Rakovski, dat hadden we niet verwacht, dat u de jongeren bij ons weg zou halen.’

‘Ik ben er heel trots op,’ antwoordde ik rustig, ‘dat ik invloed op de jongeren heb.’

Nadat het zwaartepunt van de beweging, dat in de jaren 1917-1918 in Oekraïne lag, zich had verplaatst naar Polen, beschouwde de sectie daar zichzelf als de sterkste van de vele groeperingen in de Tseïre Tsiën. Op de tweede conferentie van de Tseïre Tsiën van Polen (februari 1919, Warschau), waar het socialistische programma van de sectie aangenomen werd, wat leidde tot het uittreden van een aantal kameraden, werden al pogingen ondernomen om alle delen van de beweging te verenigen in een internationale bond.

De georganiseerde joodse arbeiderspartijen namen al vanaf het begin actief deel aan het politieke leven in het land. Bij het onstaan van de arbeidersraden in november 1919 traden ook vertegenwoordigers van de joodse socialistische partijen toe. In de gemeenteraden stelden de Joodse socialistische afgevaardigden zowel algemeen socialistische als specifiek joodse eisen, vooral gelijke rechten voor de Jiddisje taal, democratisering, secularisatie van de joodse kehilles enzovoort.

De nieuwe wending in de politieke situatie van het vrije Polen, de democratisering van de landelijke en gemeentelijke bestuurslichamen en vooral de verkondiging van de volledige gelijkberechtiging van de Poolse vrouw vonden een zekere weerklank bij de joodse vrouwen in Polen. De betekenis van die belangrijke gebeurtenis werd natuurlijk vooral ingezien door de georganiseerde joodse vrouwen. Als eersten reageerden de linkse elementen van onze toch nog burgerlijke Bnois Tsiënbond. Het was echter geen gemakkelijke taak om een intensieve voorlichtingscampagne te organiseren onder de vele leden van onze zeventig Bnois Tsiënverenigingen in de grotere steden en sjtetls in Polen en propaganda te maken voor een intensiever gebruik van onze verworven rechten en voor een verbreding van ons organisatorische kader als eerste stap op weg naar dat doel. Om de mogelijkheid te scheppen tot actieve deelname aan het politieke en sociale leven in het land en aan het leven van ons joodse volk moesten we onze gelederen versterken met zoveel mogelijk vrouwen uit verschillende lagen van het volk en daarom moest onze Bnois Tsiënbond nu veranderen in een breed opgezette joodse vrouwenorganisatie (JFA) met een positieve instelling tegenover het zionisme en een aparte sectie voor praktisch Palestinawerk.

Na intensieve agitatie en voorlichting werd de motie over die omvorming in de speciaal daarvoor gehouden landelijke bijeenkomst van de Bnois Tsiënbond met bijna algemene stemmen aangenomen.

Korte tijd later richtte de Boend in Warschau ook een aparte organisatie op voor joodse werkende vrouwen (JAF). Maar dat initiatief kwam van mannen en niet van vrouwen. Alleen onze kameraden van Tseïre Tsiën stonden negatief tegenover dat initiatief; zij waren toen de gezworen vijanden van aparte vrouwenorganisaties, omdat die volgens hen in strijd zouden zijn met de principes van het socialisme…

Ook al nam het sociale en politieke werk in al zijn geledingen me toen helemaal in beslag en vulde het praktisch mijn hele leven, mijn gedachten gingen toch steeds in één en dezelfde richting: ik moest niet hier blijven zitten en het was voor mij hoog tijd om naar Erets Jisroël te gaan om eindelijk met eigen ogen het land van mijn mooiste jeugddromen te zien en mee te helpen aan de opbouw ervan. En er speelde nog iets anders mee. Ik voelde me in het vrije Polen niet op mijn gemak. Jaloezie bekroop me en ik kon op geen enkele manier blij zijn met hun overwinning en delen in hun geluk.

Mijn vrienden die warme sympathisanten en aanhangers van Polen zijn moeten me maar niet kwalijk nemen dat ik vrijuit de waarheid zeg: vierenveertig jaar had ik in de hoofdstad van de Poolse staat gewoond, in Warschau. Maar ik had nooit geloofd in de beloften van de Poolse regeerders en zelfs niet in hun oprechtheid tegenover ons, het Poolse volk. Intuïtief had ik altijd het gevoel dat het met ons joden slecht zou aflopen als zij weer aan de macht kwamen. En helaas had mijn voorgevoel me niet bedrogen.

Afgezien van het feit dat mijn reis naar Erets Jisroël in dit tijd gewoon van levensbelang voor me was, kon ik mijn plan pas aan het einde van de zomer van 1920 en alleen met de grootste moeite ten uitvoer brengen. Het was niet zo makkelijk voor me om afscheid te nemen van mijn enige dochter, die toen zeventien was en al eerstejaars aan de rechtenfaculteit van de Warschause universiteit, en van mijn verweesde kleinkinderen. Maar met mijn reis vervulde ik ook een heilige plicht: de laatste wens van mijn jonggestorven moeder, dat haar kinderen groot zouden worden in Erets Jisroël.

Hoe organiseerde ik mijn reis? In juni 1920 was ik in Warschau gekozen als afgevaardigde naar de conferentie in Londen. Voor mijn familie had ik mijn besluit om vandaar naar Erets Jisroël te gaan geheimgehouden. Ik had geld voor de reis naar Londen en het verblijf tijdens de conferentie. Maar hoe moest ik verder? Daar dacht ik niet over na; de hoofdzaak was dat ik in Londen een visum moest zien te krijgen voor Erets Jisroël en voor de rest zou ik dan ter plekke wel iets verzinnen.

Eind juni ging ik met een groep andere afgevaardigden naar de conferentie. In Polen heerste een gespannen situatie. Het was de tijd van de oorlog tussen de Polen en de bolsjewieken en het Rode Leger stond voor de poorten van Warschau. Onze groep afgevaardigden uit Polen was erg nerveus. Maar zoals we nu weten was die angst ongegrond. De bolsjewieken trokken zich terug en in Polen heerste weer ‘rust en geluk’.

 

22

De Londense conferentie, waaraan ik als afgevaardigde deelnam, had een heel ernstig karakter en verliep met tijden stormachtig. Ik ben zo vrij hier een paar details te noteren.

Pas twintig maanden na het einde van de Grote Wereldoorlog kon de eerste zionistische bijeenkomst sinds het Elfde Congres (1913, Wenen) georganiseerd worden. De Londense bijeenkomst was geen congres, maar een zogenaamde jaarlijkse conferentie (klein congres). Eerst zou die georganiseerd worden in Karlsbad, dichter bij de grote joodse centra. Maar omdat de executieve leden moesten onderhandelen over de tekst van het Mandaat met betrekking tot de grenzen van Erets Jisroël en niet weg konden uit Londen werd de conferentie daar gehouden en wel van 7 tot 22 juli 1920. Ze werd gezien als een soort constituante.

Na de Verklaring van Balfour, na het Mandaat en na de benoeming op de post van Hoge Commissaris van een Jood met zionistische sympathieën (Lord Samuel), moest de wereldorganisatie nu een gezaghebbende en capabele leiding kiezen, de deugdelijkheid van haar eigen constitutie onder de nieuwe omstandigheden onderzoeken, nagaan of er een herziening nodig was, het opbouwplan ontwerpen en middelen vinden om dat ten uitvoer te brengen.

Het belangrijkste besluit op de conferentie, de stichting van Keren Ha-Jesod, het instituut voor de financiering van het opbouwwerk, werd unaniem genomen. Dat was in feite vrijwel het enige positieve moment. Dat fonds was voor de opbouw van Erets Jisroël van de grootste betekenis en dat positieve fenomeen drong heel veel van de negatieve kanten van de Londense conferentie naar de achtergrond. En ik zeg met nadruk dat het idee van Keren Ha-Jesod afkomstig was van de Russische zionistische leiders Naiditsj en Zlotopolski.

Een tweede belangrijke handeling was het besluit een wereldorganisatie van joodse vrouwen op te richten, de Histadroet sjel Nasjiem Ha-Tsionot of WIZO, geleid door dr. Vera Weizmann, Rebecca Sieff, Romana Goodman en dr. Edith Eder. De conferentie nam ook kennis van de politieke successen en dankte de leiders in naam van het joodse volk.

Voor mij als uitgesproken voorstander van afzonderlijke vrouwenorganisaties was de oprichting van de WIZO echt een aangename verrassing. Natuurlijk probeerde ik ook een actieve bijdrage te leveren aan de conferentie van de WIZO. Toen de beide conferenties op hun eind liepen, begon ik te denken over mijn alië naar Erets Jisroël. Het belangrijkste was het krijgen van een Engels visum. Ik wendde me eerst tot een familielid van me, een lid van Tseïre Tsiën in Erets Jisroël. Later kwam ik ineens op het idee naar de leiders van de WIZO-federatie te gaan die al jaren in Londen woonden, Engelse staatsburgers die zeker relaties hadden, en daarom wendde ik me tot dr. Eder, een verstandige en intelligente vrouw met linkse sympathieën, om hulp te vragen bij het verkrijgen van een visum. Ze luisterde aandachtig naar me en zei:

‘Dat is ook toevallig! U wilt van hier naar Erets Jisroël en onze centrale is net op zoek naar iemand die daar een WIZO-bond kan organiseren. Ik stel voor dat u die taak op u neemt als secretaris van de toekomstige vereniging; u krijgt dan makkelijk een visum voor Erets Jisroël. Ons bureau zal alle nodige papieren voor het visum regelen. U hoeft ons alleen maar uw paspoort te geven.’

Een beter resultaat had mijn gesprek niet kunnen hebben. Het betekende dat ik eindelijk naar Erets Jisroël zou gaan.

In Brindisi op het schip wachtte me een aangename verrassing. Ik trof Rachel Weizmann, de intelligente en energieke moeder van Chajiem Weizmann. We kenden elkaar en waren jarenlang bevriend. Rachel Weizmann, die naar de tegenwoordige moderne maatstaven geen seculier onderwijs genoten had, was echter iemand met een aangeboren intelligentie, een moderne wereldbeschouwing en een scherp verstand, een verstandige vrouw in de volste zin van het woord. Mijn levenservaring had me geleerd dat je voor inzicht in de zoon vooral de moeder moest leren kennen, omdat zij, de moeder, de ziel vormt en de geest van haar kinderen ontwikkelt.

Rachel Weizmann en ik hadden elkaar eigenlijk leren kennen door onze kinderen. Twee dochters van haar, Gitl Doenin en Froeme Weizmann, waren goede vriendinnen geweest van mijn jonggestorven dochter, nog in Warschau. Toen de oorlog uitbrak ging Rachel Weizmann met haar jongste kinderen naar Moskou en daar ontmoetten ze mijn zoon als een goede oude bekende.

Als ik in de tijd dat ik in Erets Jisroël woonde de kans kreeg om naar Haifa te gaan, was er niets fijners dan een bezoek aan Rachel Weizmann. Vaak was ik echt onder de indruk van haar verstandige uitspraken over allerlei pijnlijke kwesties, of het nu ging over algemene zaken of speciaal over de jisjev. Bewonderenswaardig was ook haar begrip voor de jongeren en haar tolerante houding tegenover hun zwakke kanten. Je kon haast niet geloven dat dat de opvattingen waren van een oude vrouw, die drie generaties geleden geboren was. Ze had op eigen kracht, door intuïtie, het hoogste niveau van levenswijsheid bereikt. Volgens mij hoorde Rachel Weizmann tot de zeldzame mensen die te vroeg geboren zijn.

In september 1920, toen wij elkaar ontmoetten op het schip naar Erets Jisroël, reisde Rachel Weizmann niet alleen, maar samen met haar oudste zoon Feivl (hij overleed in Haifa op zijn zeventigste). We waren ongelooflijk blij met die onverwachte ontmoeting. Op het schip waren we de hele tijd bij elkaar, tot in de kleine uurtjes. Zij reisden met het schip direct naar Haifa en ik ging van boord in Alexandrië om een paar dagen later met de trein naar Erets Jisroël door te reizen.

In Alexandrië woonde toen een neef van me, Jankev Goeldin, een respectabele commissionair in graan. Hoewel ik hem niet persoonlijk kende en zijn adres niet eens had, kon ik hem toch vinden. De joodse passagiers op het schip werden verwelkomd door een medewerker van de zionistische organisatie in Alexandrië. Hij gaf me het adres van een restaurant waar ik mijn neef ‘s middags kon treffen. Al had ik hem nog nooit in mijn leven gezien, ik haalde hem er tussen al die mensen zo uit door de sterke gelijkenis met zijn vader. Ik had twee redenen om in Alexandrië van boord te gaan: ten eerste hoopte ik bij hem zijn moeder met haar drie kinderen te zien, die nog voor mijn vertrek uit Warschau naar hem gereisd was vanuit Lublin (Polen). Ten tweede wilde ik heel graag een kinderfantasie volgen en een kijkje nemen in Egypte.

Mijn nicht trof ik niet bij haar zoon (ze kwam pas een paar weken later), maar ik bleef daar een paar dagen. Mijn neef liet me alle bezienswaardigheden zien. Van Alexandrië ging ik in vierentwintig uur met de trein naar Tel Aviv.

Ik kan niet beschrijven hoe ik me toen voelde. Voor zoiets schieten woorden tekort. Je moet het zelf meemaken. Ik kon het niet geloven toen ik voet zette in Erets Israël. Het duurde een tijdje tot ik besefte dat het geen droom was.

In Tel Aviv ging ik naar Nechele Sjpiro, geboren Levin-Epsjtein, een oudere zus van mijn vriendin Leie Proesjanski, die toen toevallig ook bij haar zus in Tel Aviv was met haar twee jonge zoons. Ik kwam in Erets Israël een week voor Rosj Ha-Sjana, in september 1920.

Kort na Rosj Ha-Sjana ging ik naar Jeruzalem om werk te zoeken als lerares aan een school. De leider van het Onderwijscomité was toen dr. Josef Loeria, een vriend van me uit Warschau. Jaren tevoren was hij met zijn vrouw (die familie van me was) naar Warschau gekomen om daar een “modern cheider” op te zetten, dat bleef bestaan tot zijn vertrek naar Erets Israël. Voor dr. Loeria had ik geen referenties nodig. Hij vroeg me alleen of ik een baan wilde in een nederzetting of in een van de steden. Ik legde hem uit dat ik graag in Jeruzalem zelf wilde wonen, dat wil zeggen in het centrum van het politieke en sociale leven. Ook al had ik nog bijna niets van Erets Jisroël gezien, Jeruzalem maakte toch de meeste indruk op me: je had hier meer het gevoel dat je in Erets Israël was dan in de zuiver joodse stad Tel Aviv.

‘Als u echt in Jeruzalem wilt gaan wonen, kameraad Rakovski,’ zei dr. Loeria, ‘heb ik een heel geschikte baan voor u. Twee zussen, mevrouw Jellin en mevrouw Mijoechas, hebben kortgeleden het initiatief genomen tot de oprichting in Jeruzalem van Beth Melacha Le-Banot, een vakschool voor meisjes, en daar vragen ze een lerares Hebreeuws en andere vakken. Die baan zou ik nemen. Dat werk is interessant genoeg voor u, ook pedagogisch en sociaal, want dat zijn geen kleine kinderen meer, maar wat oudere leerlingen, aan wie u buiten de lessen ook nog wat kwijt kunt.’

‘Ik ben heel blij met uw voorstel, kameraad Loeria. Noteert u me maar voor die baan; wat de arbeidsvoorwaarden betreft vertrouw ik helemaal op u; het werk begint natuurlijk pas na de vakantie rond de Hoge Feestdagen; voor die tijd zoek ik een kamer en ik verhuis en zodra u me een seintje geeft ga ik aan het werk.’

Ik was een week in Jeruzalem. Ik vond een kamer in Zichron Mosjee, toen de meest aristocratische wijk, bij een familie Levin uit Warschau; ik zocht familieleden en bekenden en informeerde naar de bestaande joodse vrouwenorganisaties in het land en de adressen van de bestuursleden van de afdelingen in Jeruzalem, zodat ik kon gaan onderhandelen over de oprichting van een WIZO-bond in Erets Israël.

Ik was in 1920 voor het eerst in Erets Israël, maar had sinds de Chovevee Tsiën al dertig jaar ervaring als zionistisch activist; ik was natuurlijk vrij goed op de hoogte van de toenmalige politieke en economische situatie in het land. Maar “zien is beter dan horen” en daarom besloot ik mijn vrije tijd tot het begin van het schooljaar te gebruiken om de jisjoev zo goed mogelijk te leren kennen.

Al waren er in 1920 in Erets Israël nog helemaal geen burgerlijke politieke organisaties, er bestonden in feite al wel joodse vrouwenverenigingen. De eerste landelijke politieke organisatie in Erets Israël was de Bond van Joodse Vrouwen voor Gelijke Rechten: Hitachadoet Nasjiem Ivriot Le-Sjivoei Zchoeiot, die was opgericht in 1918 en zich in 1920 had aangesloten bij de Internationale Bond voor Gelijke Rechten voor Vrouwen met de centrale in Londen.

In 1920 ontstond er nog een vereniging: de Histadroet Nasjiem Ivriot, de Organisatie van Hebreeuwse Vrouwen, opgericht door dr. Rachel Kagan, de latere voorzitter van de WIZO-centrale in Erets Israël. De derde vereniging, de zuiver filantropische Ezrat Joldos, Hulp voor Zwangere Vrouwen, met als voorzitter mevrouw Hochstein, die in Jeruzalem nog steeds een van de populairste activisten is op filantropisch en sociaal gebied, en al actief was voor het ontstaan van de “moderne” sociale hulpverlening. En last but not least de Hadassa met aan het hoofd haar verdienstelijke initiatiefneemster en oprichtster Henriëtta Szold.

Er bestond in 1920 in Erets Israël nog geen organisatie van werkende vrouwen, want het was om zo te zeggen de tijd “vóór het geven van de Tora”, omdat de Histadroet Ha-Ovediem, de Vakbond, pas ontstond in de zomer van 1921. Ik had de eer om deel te nemen aan de oprichtingsvergadering in Balfouria; de eerste dag zaten we onder buxusbomen op de grond, tot ze ergens tafels en stoelen vandaan haalden. Naast me zaten A.D. Gordon en Josef Chajiem Brenner, die al in Warschau vaste dagelijkse bezoekers bij mij geweest waren.

De onderhandelingen en de levendige discussies tijdens die conferentie namen de deelnemers zo in beslag, dat ze helemaal geen last hadden van de hoogst ongemakkelijke omstandigheden. Kameraad Brenner vergat zelfs dat een levende mens ook moet eten.

Ikzelf volgde met veel belangstelling de verhitte discussie die ontstond over het voorstel om bij de Histadroet een aparte sectie voor werkende vrouwen te organiseren met een eigen raad: Moëtset Ha-Poalot. Het verzet van een aantal kameraden tegen dat voorstel verbaasde me helemaal niet, want in Polen had ik die stellingname jaren achtereen meegemaakt. Ik was wel verrast door het feit dat ook een van de toen al actiefste vrouwelijke leiders, Manja Sjochet, zich heftig tegen die eis verzette. Als voormalig aanhanger van de Russische sociaal-democratische partij was zij erachter gekomen dat zo’n aparte sectie voor werkende vrouwen volkomen in strijd was met de principes van het socialisme…

Toen ik Manja Sjochet na een onderbreking van meer dan twintig jaar weer tegenkwam op de grandioze Vijfde Conferentie van Werkende Vrouwen in Tel Aviv (februari 1942) en haar enthousiaste redevoering hoorde over de buitengewone successen op allerlei gebied van de organisatie van werkende vrouwen in Erets Israël, herinnerde ik haar aan dat debat in Balfouria tijdens de oprichtingsconferentie van de Histadroet in 1921, en niet zonder voldoening merkte ik op dat de behaalde resultaten lieten zien wie van ons beiden toen gelijk had.

De maand tisjri bracht ik door in Tel Aviv en de omliggende nederzettingen, bij familie en vrienden uit Polen en op 1 chesjvan 1920 ging ik aan het werk als lerares aan Beth Melacha Le-Banot in Jeruzalem aan de Mea Sjeariemstraat.

Tijdens de lessen in de klas kon ik vaak niet geloven dat ik me nu echt in Erets Israël bevond. Zeker de eerste tijd liep ik rond als in een droom, want eigenlijk was mijn manier van leven helemaal niet veranderd; in Warschau gaf ik les in de Kupieckastraat 6 en in Jeruzalem gaf ik les in de Mea Sjeariemstraat. Toch was er één klein verschil: daar waren mijn leerlingen allemaal joodse kinderen, terwijl er hier ook een aantal Arabische leerlingen waren, die alleen een vak kwamen leren; ze waren toegelaten op voorwaarde dat ze ook Hebreeuws leerden.

Die meisjes van twaalf, dertien zagen er precies zo uit als hun Joodse klasgenoten, ze spraken Hebreeuws en ik kon in het begin moeilijk zien wie van de kinderen eigenlijk niet joods was en ik moet eerlijk zeggen dat ik, als ik dat wel geweten had, mijn Arabische leerlingen niet anders had behandeld dan mijn joodse.

Mijn werk op school ging al gauw zijn gewone gang en ik begon meteen met mijn sociale activiteiten, in de eerste plaats het organiseren van de WIZO-bond. Daarvoor nodigde ik de bestuurders van de bestaande vrouwenverenigingen in Jeruzalem bij me uit, vertelde precies wat de doelstellingen en taken waren van de internationale WIZO-organisatie, en stelde voor een gemeenschappelijk comité op te richten om met vereende krachten aan de slag te gaan en in het land een wijdvertakte WIZO-bond te organiseren. Ik probeerde hen ervan te overtuigen dat die activiteit niet zou concurreren met hun huidige werk, maar hun bestaande instellingen in de loop van de tijd juist zou helpen ontwikkelen en versterken.

Na een aantal vergaderingen werd mijn voorstel door Henriëtta Szold, mevrouw Hochstein en mevrouw Kagan aangenomen. We richtten een gemeenschappelijk comité op en verzetten veel werk. Alleen de Hebreeuwse Vrouwenbond voor Gelijke Rechten bleef een zelfstandige organisatie.

Ikzelf deed erg mijn best om in onze bond een aantal individuele activisten binnen te halen die toen in de jisjoev al heel populair waren. Met het oog daarop maakte ik kennis met de verdienstelijke Rachel Janaït en probeerde haar over te halen tot de een of andere vorm van samenwerking met de internationale WIZO, waardoor ze haar nuttige professionele activiteiten verder zou kunnen ontplooien en te zijner tijd een netwerk van landbouwbedrijven voor meisjes zou kunnen vormen.

Onze onderhandelingen toen hadden echter geen resultaat. Rachel Janaït dacht (en dat was eigenlijk de hoofdreden) dat financiële ondersteuning van de instellingen door de WIZO zeker tot inhoudelijke beïnvloeding zou leiden. Voor mij was die reden toen niet overtuigend. Ik probeerde geen contact te leggen met het uitgangspunt dat het doel de middelen heiligde, maar omdat de ervaring me geleerd had dat alleen de leraren en opvoeders het gedachtengoed van de onderwijsinstellingen bepaalden en niet hun subsidiegevers.

De initiatiefnemers en stichters van de vele nederzettingen van werkende vrouwen en boerenbedrijven van pioniersters in het land vonden weldra de juiste weg naar medewerking met de “burgerlijke” WIZO. Geen van beide partijen week van zijn beginselen af, terwijl de noodzaak en het nut van de samenwerking leidde tot wederzijds begrip en succesvolle resulaten.

Al gauw werd het werk van ons gemeenschappelijke comité uitgebreid en behoorlijk ontwikkeld. Daarom besloten we een kamer te huren in een kantoor. Net in die tijd kreeg ik een brief van mijn nicht Goeldin, dat ze met drie kinderen bij haar zoon was, de commissionair in Alexandrië; maar omdat ze beslist niet in Egypte wilde blijven vroeg ze of ik ervoor kon zorgen dat ze naar Erets Israël kon. Ze had een goed vak geleerd: kinderkleren maken, en hoopte werk te vinden. Ik antwoordde haar meteen dat ik alleen woonde in een grote kamer en haar gastvrij zou ontvangen en dat ik dacht dat we ook wel werk konden vinden in haar vak.

Nog voor haar komst stelde het comité me voor om samen een tweekamerwoning te nemen, wat zowel voor mij als voor het kantoor goedkoper zou zijn. Bovendien zou dat comfortabeler zijn. Ik vond dat een goed idee. Er was toen nog geen woningnood in Erets Israël en ik vond dan ook snel een tweekamerwoning met een keukentje, natuurlijk zonder de moderne voorzieningen van tegenwoordig, in Mea Sjeariem, niet ver van de vakschool.

Mijn nicht uit Alexandrië liet niet lang op zich wachten. Ze kwam nadat ik de nieuwe woning betrokken had. Als meubilair gebruikten we in beide kamers kratten en dozen. Grote kratten in het midden van de kamer met tafelkleden erover dienden als tafels. Tegen de muren lange, smalle dozen met daarop matrassen, toegedekt met linnen lakens, om overdag op te zitten en ‘s nachts op te slapen.

Het kantoor was in de eerste kamer. Eenmaal per week waren er vergaderingen van het comité. De kantooruren waren dagelijks van vier tot zeven, want tot ‘s middags werkte ik op school. Omdat ik geen Hebreeuws hoefde te leren, begon ik met Arabisch. Kennissen konden me een leraar Arabisch aanbevelen, die een joodse vrouw had. Het lezen en verstaan van de taal ging me heel goed af. Schrijven was een beetje moeilijker.

Een week na haar komst vond ik voor mijn nicht, mevrouw Goeldin, een baan als naaister bij de vakopleiding van Lea Berlin, de huidige directeur van het herstellingsoord in Givat Brenner. Een maand later liet ze uit Alexandrië haar dochter van achttien en haar jongste zoon overkomen. De oudste bleef in Alexandrië studeren aan de handelsschool. De dochter, die nog in Lublin het gymnasium had afgemaakt en verschillende talen kende, kreeg al gauw een baan bij het postkantoor van Jeruzalem. De familiekring werd groter en er ontstond een huiselijke sfeer. Toen de dochter een inkomen kreeg wilde de zoon per se dat zijn moeder stopte met werken. Maar ze wilde niet stilzitten, en hoewel ze al voor het huishouden moest zorgen, besloot ze een lunchroom te beginnen. Ik had volpension bij haar en al gauw bracht ik een aantal eters voor haar mee. Onder hen Josef Heftman en de beide zoons van mijn vriendin Sjmoeël en Joesje Proesjanski, die toen in Jeruzalem voor landmeter studeerden. De mensen wisten de weg te vinden naar het huis, vooral mijn vrienden en bekenden uit Polen.

Naast het werk op school had ik meer tijd en gelegenheid om bekend te raken met de reële situatie van de jisjoev in die moeilijke periode en na te denken over het hele complex van problemen met betrekking tot de opbouw van Erets Israël en over onze hoop en onze toekomstperspectieven.

Ik kon weinig begrip opbrengen voor de stellingname van onze politieke leiders in bepaalde kwesties van levensbelang, zoals de uitgesproken minachting van de kant van onze toenmalige leiding voor de Arabische kwestie. Dankzij mijn familielid Chajiem Kalvariski, die ik nog gekend had als student, kon ik me verdiepen in dat nog altijd brandende probleem.

Je kon je ook heel moeilijk neerleggen bij de uitgesproken negatieve stellingname tegenover de zogenaamde galoet, de ballingschap. Een van de nu populairste en verdienstelijkste leiders van de jisjoev verraste me toen met zijn bewering dat het joodse volk alleen maar moest bestaan uit dat deel van de joden dat in Erets Israël woonde. Die opvatting van zionisme was me volkomen vreemd. Zelfs onder ideale omstandigheden kon Erets Israël toch niet alle joden uit de diaspora opnemen. En de grote meerderheid moest toch in ieder geval in andere landen wonen. Was het doel van ons streven dan dat we een sekte werden en dan ook nog een puur Hebraïstische sekte?

Een directe consequentie van een dergelijke opvatting is de ontstane diepe minachting voor onze volkstaal, het Jiddisj. Het extreme chauvinisme met betrekking tot die kwestie nam met tijden werkelijk bizarre vormen aan. Eén incident uit die tijd in Jeruzalem herinner ik me nog heel goed: op een sjabbat zou een gast, een afgevaardigde van Poale Tsiën uit Polen, een voordracht houden in de Tsion-bioscoop in Jeruzalem, in het Jiddisj. De organisatie Beschermers van de Taal had er lucht van gekregen en een paar gymnasiasten verspreidden het gerucht dat de redenaar een commmunist was. Op de vastgestelde tijd omsingelde de politie de bioscoop. Het geplande referaat ging natuurlijk niet door, want de spreker was op tijd gewaarschuwd. Maar typerend in dat hele verhaal was voor mij dat een van de gymnasiasten een paar uur later in mijn aanwezigheid tegen zijn moeder opschepte dat hij een van de aanstichters en leiders van die “heldendaad” was. Ik zal geen namen noemen, want de nagedachtenis aan mijn vrienden, zijn ouders, is me te dierbaar. Ik wil alleen maar kwijt dat die gymnasiast uit de achtste klas later een van de populairste revisionistische leiders werd, praktisch de rechterhand van Zeëv Jabotinski.

 

23

Mijn persoonlijke belevenissen in de rampzalige meidagen van 1921 horen tot de bitterste momenten van mijn leven, dat al moeilijk genoeg was. Ik gebruikte mijn vrije tijd om door het land te reizen en in de Pesachvakantie ging ik dan ook eerst naar mijn vriendin Leie Proesjanski in Tel Aviv en vandaar naar Risjon Le-Tsion, naar Zeëv Gloeskin, mijn oudste vriend uit Warschau.

Zeëv Gloeskin, een van de veteranen van de Bnee Moisje in Polen, had zijn hele leven gewijd aan de zionistische beweging in haar vele gedaanten. Als een van de oprichters en actiefste aandeelhouders van de Karmelvereniging in Polen was hij in Erets Israël een tijdlang de beheerder van de wijnkelders in Risjon Le-Tsion. Ondanks zijn hoge leeftijd hoort hij nog steeds tot de actiefste deelnemers aan het sociale leven in de jisjoev en is een van de sleutelfiguren. Zijn huis in de Montefioristraat schonk hij aan de beroemde stadsbibliotheek van Tel Aviv.

Van Risjon Le-Tsion ging ik in de week na Pesach, kort voor het uitbreken van de pogrom, te voet naar Rechovot. Onderweg kwam ik Arabische mannen en vrouwen tegen en het kwam helemaal niet in me op dat die mensen, zelfs de vrouwen, een aanval voorbereidden. Zoals we later te weten kwamen, droegen de Arabische vrouwen onder hun wijde kleren verband en allerlei andere benodigdheden om hun gewonden te verzorgen. En later werd ook bekend dat geen van de leiders van de arbeidersbeweging en de Hagana ook maar iets geweten had van de pogrom die in het diepste geheim werd voorbereid.

Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. De avond na sjabbat, de vooravond van 1 mei, gingen we met een grote groep ouderen en jongeren met de trein van Rechovot naar Tel Aviv, in een feestelijke stemming met veel rumoer en gezang, en niemand kwam op het idee dat ons de volgende morgen een fatále verrassing te wachten stond. Bij mijn vriendin Sjpiro thuis waren ze ook nog in vakantiestemming. En mijn vriendin Leie Proesjanski vertelde me als curiositeit wat haar Arabische dienstmeisje vandaag tegen haar gezegd had:

‘’S wet zain nisjt goet,’ had ze in het Jiddisj gezegd. Ze hadden erom gelachen als om een grap en waren rustig gaan slapen.

Om zes uur ‘s morgens schrok ik wakker door vreemde geluiden. Iedereen in huis was al op de been. Maar omdat ik me niet zo lekker voelde, wilden ze me niet vertellen waar het rumoer vandaan kwam. En ze probeerden me wijs te maken dat er op straat twee jongens aan het vechten waren. Maar het lawaai hield aan. Ik stond op en ging naar de eetkamer, en toen ik de gezichten van mijn huisgenoten zag eiste ik dat ze me precies vertelden wat er aan de hand was. Toevallig merkte ik dat de twee oudste zoons van de familie Sjpiro op het punt stonden om weg te gaan. Volgens de anderen was er niets aan de hand en de joodse arbeiders van Jaffa waren op straat voor een meidemonstratie.

‘Dat is heel jammer,’ zei ik, niet zonder ergernis. ‘In Warschau liep ik altijd mee in de 1-meidemonstraties en uitgerekend in Erets Israël kan ik nu de straat niet op. Maar de dag is nog lang,’ voegde ik eraan toe. ‘De demonstranten zullen toch niet halt houden voor Tel Aviv en dan kan ik misschien nog met ze meelopen.’ Gerustgesteld ging ik terug naar mijn slaapkamer. Na een tijdje hoorde ik weer rumoer, maar nu klonk het al heel anders. Deze keer riep ik dat ze me de waarheid moesten vertellen en anders ging ik zelf wel kijken wat er aan de hand was.

Pas toen vertelden ze me dat er in Jaffa een pogrom tegen joden was uitgebroken en dat de Arabieren Tel Aviv wilden binnentrekken.

De hoofdstraat van Tel Aviv was toen de Herzlstraat, die aan de ene kant van de weg naar Jaffa gescheiden was door een ijzeren poort en aan de andere kant eindigde bij het Herzlia-gymnasium, dat op een nogal onhandige plaats stond en de Herzlstraat blokkeerde; ‘s nachts werd de ijzeren poort gesloten om vreemdelingen te weren.

Van Tel Aviv naar Jaffa reden in die tijd rijtuigen, omdat er tussen de twee steden grote onbebouwde terreinen lagen die de steden van elkaar scheidden. Toen de pogromisten de afgesloten Herzlstraat niet in konden, dreigden ze binnen te komen via Neve Sjaänan. Maar dat lukte ook niet. De joodse Hagana en de Engelse militairen boden daar hevig verzet. In feite werd er een eind aan het pogrom gemaakt door de te hulp gekomen Hindoestaanse eenheden.

Tegen de avond begonnen ze vanuit Jaffa de doden en gewonden over te brengen. Dat waren de afschuwelijkste momenten van die rampzalige dag.

De herinnering valt me zwaar, nu ik tientallen jaren later over die ellende schrijf.

Er waren in die tijd nog geen ziekenhuizen in Tel Aviv en daarom richtten ze het Herzlia-gymnasium in als provisorisch hospitaal: het was net Pesachvakantie en de scholen waren gesloten; de gewonden werden ondergebracht in de klaslokalen en de doden werden tot de begrafenis neergelegd in de kelders van het gymnasium; onder hen was de onvergetelijke, wreed om het leven gebrachte schrijver Josef Chajiem Brenner.

Een groot aantal vrouwen en jongeren kwam daar direct in actie om de gewonden te verzorgen. Ze verrichtten die heilige taak met de grootste zelfopoffering, dag en nacht. Ik bleef ook in Tel Aviv en werkte met die groep vrijwilligers tot na de vakantie.

Meteen na de treurige gebeurtenissen kwam uit Jeruzalem Nochem Sokolov, die toen in het land was, en op het plein voor het gymnasium hield hij een hartverscheurende grafrede op de gevallenen en monterde de enorme menigte van duizenden mensen op met geestrijke woorden van troost.

Diep wanhopig en geestelijk en moreel verslagen ging ik na de Pesachvakantie weer aan mijn werk in Jeruzalem. Ik kon gewoon niet aanvaarden dat ik een pogrom had meegemaakt in Erets Israël zelf en nu moed moest verzamelen om weer aan het werk te gaan. Ik had in mijn leven genoeg pogroms gezien: in mijn geboorteplaats Białystok meer dan een, en andere in Warschau en in Siedlce; maar een pogrom in Erets Israël? Hoe was dat mogelijk? Erger kon het niet! Dat pogrom was toch een aanval op onze hoop en onze dromen, op ons werk van jaren, op de zionistische beweging in het algemeen.

Het was vooral de eerste tijd na de gebeurtenissen heel moeilijk voor me om weer mee te draaien in het dagelijks leven. Alles leek me zo klein, zo nietig en zo volkomen overbodig.

Net als altijd herstelde ik me ook deze keer van een grote schok door het werk in mijn vak. In de klas met mijn leerlingen hervond ik mijn evenwicht en concentreerde al mijn gedachten op het werk. Mijn innerlijke strijd of de vraag “zijn of niet zijn”, dat wil zeggen in het land blijven of teruggaan naar Polen, was urgenter geworden na de bloedige gebeurtenissen en die konden wel eens de doorslag geven. Ik was niet naar Erets Israël gekomen om een persoonlijk probleem op te lossen; ik zocht daar om zo te zeggen geen verzorgingstehuis voor mezelf. Ik geloofde met heel mijn hart dat Erets Israël de pijnlijke joodse kwestie moest en zou oplossen. Het land maakte zelfs in zijn desolate toestand een grandioze indruk op me. Door de wonderschone blauwe lucht, die je nergens anders zag, de witte nachten vooral in Jeruzalem, de opmerkelijke zonsondergang met zijn korte schemering, de dromerige, betoverende ochtenden, de schitterende zonsopgang, kortom: door de hele natuurlijke omgeving, besefte je waarom zulke grote geesten, godzoekers en profeten alleen in dát land geboren konden worden…

En bij dat alles kreeg ik van dag tot dag en van uur tot uur meer het gevoel van iemand als Job. Aan één stuk door werd ik gepijnigd door het knagende besef dat “door onze zonden”, door onze eigen schuld, anderen het land in beslag genomen hadden; wij waren te laat gekomen. De vrome jood die het einde van de ballingschap niet dichterbij mocht brengen reciteerde klaagliederen en wachtte op de Messias; het denkende deel van het volk, vooral de jeugd, vond voldoening in zijn strijd voor een universeel, algemeen-menselijk ideaal; ook bij ons waren er joden die ieder land waar ze maar konden leven als het Beloofde Land zagen. Het was pijnlijk om te moeten toegeven dat het joodse volk in het algemeen geen hartstocht voelde voor zijn land, geen liefde voor een eigen vaderland; misschien om objectieve redenen, doordat we te kort als zelfstandig volk op eigen bodem hadden geleefd, of doordat tijdens het lange rondzwerven het gevoel daarvoor verschrompeld was; hoe dan ook, dat veranderde niets aan het feit dat zelfs de weinige overgebleven heiligdommen ons niets meer zeiden; de Klaagmuur hadden we aan vreemden overgelaten, heel goed wetend dat voor geld alles in het Oosten te koop was – orthodoxe en katholieke kerken in Rusland en in Polen hadden van rijke joden al donaties ontvangen. Op de wandelingen die ik iedere sjabbat bij zonsopgang door de omgeving van Jeruzalem maakte, kijkend naar de Duitse, Italiaanse en Russische nederzettingen met hun kerken en andere gebouwen, kon ik me niet inhouden en huilde bittere tranen van teleurstelling over de rampzalige teloorgang van mijn levensideaal. Vooral het harde klokgelui van de kerken maakte me nerveus. In geen enkel ander land hadden ze zo’n regelrecht schokkende indruk op me gemaakt als hier in Jeruzalem. Natuurlijk kon ik in zo’n gemoedstoestand, al stond ik er financieel goed voor, niet de verantwoordelijkheid op me nemen om mijn enige, zeventienjarige dochter (toen studente aan de rechtenfaculteit van de Warschause universiteit) en mijn ongelukkige, verweesde kleinkinderen (de jongen was twaalf en het meisje tien) naar Erets Israël te laten komen. Nog afgezien van het feit dat dat niet zonder slag of stoot gebeuren zou. Juist in die periode waren mijn kleinkinderen tijdelijk bij hun vader. En mijn enige dochter leed in die tijd erg onder de politieke tegenstellingen tussen haar vader en moeder. Ze zat zogezegd tussen twee vuren en stond nog niet stevig genoeg in haar schoenen om uit te maken wie van ons beiden gelijk had, en daarbij hield ze evenveel van haar moeder als van haar vader.

Toen ik besloten had om terug te gaan, voelde ik me plotseling heel eenzaam; meteen waren er mensen die mij gingen zien als een “verrader”; vooral de twee gezusters Weizmann waren kwaad en bijna beledigd en een van hen zei zelfs tegen me:

‘Poea, je vlucht omdat je hier niet zo’n status hebt kunnen krijgen als Chajiem Weizmann.’

Zelfs mijn lieve oude vriendin Leie Proesjanski en ik spraken al vaak verschillende talen. Natuurlijk kwam mijn besluit om terug te gaan hard aan. Als uitgesproken idealist, die al op haar achttiende voor het eerst een bezoek aan Erets Israël gebracht had, wees ze mij telkens weer op de schoonheid van het land en op zijn prachtige luchten. Ik luisterde rustig en hield mijn mond.

Maar één keer – ik weet het nog heel goed – kon ik me niet inhouden en zei tegen haar:

‘”De hemel is de hemel van de Eeuwige, de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven.” We hebben hier niet de hemel nodig, maar de aarde, de bodem en ondertussen zitten we hier op een vulkaan en dat is niet de schuld van anderen, maar van onszelf. Je weet nog wel dat ik altijd tegen je zei: “Ik denk dat we ooit de kans krijgen om een nationaal tehuis op te bouwen in Erets Israël; ik denk zelfs dat we daar grote stukken land voor niets zullen krijgen; maar ik denk niet dat ons volk de wil heeft om die kansen te grijpen;” en ik durf te zeggen dat ik het goed gezien heb.’

De enige met wie ik toen op bijzonder moeilijke momenten kon praten en die mijn zware innerlijke strijd begreep was mijn kameraad en vriendin uit mijn Warschause tijd, de vrouw van mijn kameraad Michl Halperin, een van de beste mensen in onze beweging.

Ik leerde Michl Halperin kennen in 1893, een jaar na mijn verhuizing naar Warschau. Bij zijn eerste bezoek bij mij thuis viel hij met zijn uiterlijke verschijning iedereen op. Zijn gestalte en zijn Jezusgezicht met de volle blonde baard maakten op iedereen een buitengewone indruk. Hij sprak Russisch. Hij werd al gauw een huisvriend van ons. Over zijn leven wist ik dingen die hij me zelf verteld had.

Hij kwam uit een voorname joodse familie. Hij was de enige zoon van zijn moeder, een weduwe en miljonair. Eerst trouwde hij op jonge leeftijd met een dochter van een rijke man in Grodno, die in het hele disctrict bekend stond om haar schoonheid. Maar ze scheidde van hem om zijn idee-fixe zijn hele vermogen weg te geven voor de opbouw van Erets Israël. Op haar eigen verzoek gaf hij haar een get en bij de rabbijn thuis betaalde hij haar na de get tienduizend roebel voor een kus.

Toen hij in 1893 voor de eerste keer in Warschau kwam, had hij al een tweede vrouw en drie kleine kinderen. In Warschau woonde hij een tijdje op zichzelf en later liet hij uit Smolensk zijn vrouw met de kinderen overkomen. In die tijd was hij allang geen rijk man meer. Zijn rijke moeder leefde niet meer. Haar vermogen had hij er al doorheen gejaagd en zijn gezin verkeerde in grote nood. Hij kwam toen niet vanuit Rusland naar Polen, maar vanuit Erets Israël. Hij kwam niet om persoonlijke redenen terug, maar met een groot plan voor een grote zionistische onderneming. Hij wilde in Polen namelijk een wijdvertakte naamloze vennootschap opzetten voor de wijnproduktie in Erets Israël, voor de export op grote schaal van de wijn uit Erets Israël naar Europa en zelfs overzee, naar de beide Amerika’s. Voor zijn initiatief kreeg hij al gauw medestanders. Een groep serieuze zionistische activisten in Warschau, meest uit de kringen van rijkere zakenmensen, leden van de Bnee Moisje, had veel belangstelling voor dat plan van hem. Het duurde niet lang of er werd een initiatiefgroep gevormd, die meteen hard aan het werk ging om het plan meer bekendheid te geven en aandeelhouders te werven. Dat had het gewenste resultaat en al gauw werd in Warschau de eerste naamloze vennootschap opgericht onder de naam “Karmel” voor wijnexport uit de kelders van Risjon Le-Tsion in Erets Israël naar Polen, alles precies volgens het plan van de projectleider, de “extravagante” Michl Halperin. Ik leg hier echter de nadruk op een typisch feit, misschien niet zozeer typisch voor die tijd maar eerder tijdloos, dat Michl Halperin, de eigenlijke initiatiefnemer van het hele plan, níet tot de eerste aandeelhouders in Polen behoorde, omdat ze wel inzagen dat dergelijke idealisten gewoonlijk slechte zakenmensen zijn die alleen maar storen…

De familie Halperin had een moeilijke tijd in Warschau en dat gold vooral voor de vrouw. Als geboren Russische kon ze niet aan het leven in Polen wennen; als hoger opgeleide vrouw, afgestudeerd in archeologie en daarbij ontwikkeld en intelligent voelde ze zich helemaal niet wat je noemt op haar plaats. Michl met zijn temperament en met zijn wilde, ontembare energie kon ook nergens aarden en verdween hele dagen om partijtjes schaak te spelen.

Toen hun financiële situatie echt kritisch werd, begonnen ze zich voor te bereiden op emigratie naar Erets Israël. Ik dacht (maar zeker weten doe ik het niet) dat haar vader toen al in Erets Israël was. Kort voor zijn alië kwam Halperin een keer bij me in een bijzonder goede stemming: hij wilde me een groot geheim toevertrouwen, zei hij, dat niemand anders in de wereld uit zijn mond te horen zou krijgen. Hij was op een fantastisch idee gekomen om enorme geldbedragen voor Erets Israël bij elkaar te brengen. Hij had besloten na zijn aankomst in het land een manier te vinden om bepaalde schatten te onteigenen die zich op plaatsen bevonden waar ze niemand tot nut waren, terwijl ze wel voortdurend toenamen.

De eerste jaren na hun vertrek correspondeerde ik met hen; later kreeg ik de groeten en hoorde via mijn vriendin Leie Proesjanski hoe het met hen ging in het land.

Zoals ik al zei, ging ik in 1920 meteen langs bij mevrouw Halperin in Jeruzalem; we troffen elkaar als goede oude vrienden en al gauw werd de vriendschap weer veel hechter. Ze woonde toen in een soort achterbuurt, aan een Arabisch binnenplaatsje, in twee kleine kamertjes zonder enig comfort. Koken deed ze op de binnenplaats, op een Arabisch oventje. Vriend Michl was er niet en ik had hem sinds zijn vertrek uit Warschau niet gezien. Zij vertelde me dat hij ergens in Galilea rondzwierf, gekleed in een zak met een touw om zijn middel, en dat hij al lang niets meer van zich had laten horen. Bij haar in huis woonde haar jongste zoon Jirmijahoe, die toen nog in de achtste klas van het gymnasium zat. Haar oudste zoon was in de laatste oorlog gesneuveld als soldaat in het Joodse Legioen. Haar enige dochter was toen in Parijs, waar ze schilderkunst studeerde aan de kunstacademie. Mevrouw Halperin zelf werkte als verpleegster, omdat ze in die tijd in haar vak, archeologie, geen werk kon krijgen. Ze had geen baan in een ziekenhuis, want ziekenhuizen bestonden er toen nog niet; Hadassa was net begonnen medische instellingen te organiseren.

Wat voor werk deden die zogeheten verpleegsters dan op medisch gebied? Ze hadden ieder de supervisie over een bepaalde wijk, waar ze op huisbezoek gingen en de zieke ogen en hoofden van de joodse kinderen behandelden. Dat was buitengewoon zwaar werk. Afgezien van de primitiefste arbeidsomstandigheden moesten die verpleegsters een strijd uitvechten, allereerst met hun halfverwilderde patiëntjes, die zich niet zomaar lieten behandelen. Verder hadden ze te maken met ontstellend achterlijke moeders, die dachten dat als de ringworm bij hun zoontje behandeld werd de hele Tora die hij geleerd had uit zijn hoofd ontsnappen zou.

Tot die categorie verpleegsters in Jeruzalem hoorde ook mevrouw Halperin. Van haar inkomen moest ze zichzelf en haar twee kinderen onderhouden. In zo’n toestand liet ik haar in 1921 achter toen ik terugging naar Polen. Later kreeg ik de groeten uit Parijs, waar ze samen met haar dochter woonde. Pas in 1935, kort voordat ik voor de tweede keer naar Erets Israël ging, kreeg ik op een dag thuis in Warschau bezoek van een lange, knappe jongeman van een jaar of vierendertig, die zich voorstelde als Jirmijahoe Halperin. Hij kwam uit Parijs en deed me de warme groeten van zijn moeder, wie hij beloofd had dat beslist bij mij langs zou gaan. Hij vertelde me dat het goed ging met zijn moeder, dat ze bij het gezin woonde van haar dochter, die aan een faculteit van de Sorbonne studeerde, en dat ze best tevreden was. Dat zijn zuster getrouwd was met een Fransman, een christen, verzweeg hij als revisionist liever.

Een tijd geleden kwamen ze me in Jeruzalem bij me om materiaal te vragen voor een biografie van mijn vriend Michl Halperin, die in afleveringen verscheen in Ha-Masjkif. Ik ging daar toen niet op in, omdat ik van plan was in mijn eigen herinneringen over hem te schrijven, wat ik nu gedaan heb.

 

24

Ondanks alles maakte ik in 1920-‘21, toen ik voor het eerst in Erets Israël was, twee interessante, positieve dingen mee. Ik kreeg de kans om deel te nemen aan de oprichtingsvergadering van de Histadroet Ha-Ovediem en aan de verkiezingen voor de hoogste instelling in de jisjoev, de eerste Vergadering van Afgevaardigden.

Natuurlijk had ik de meeste belangstelling voor de kwestie van het actieve en passieve kiesrecht voor vrouwen in dat hoogste bestuursorgaan in het land. Gezien de toenmalige samenstelling van de jisjoev met de vertegenwoordigers van de Agoedat Israël aan het hoofd was het me duidelijk dat de joodse vrouwen hun grondrechten hardnekkig zouden moeten bevechten.

De initiatiefnemers en organisatoren van die strijd waren de vertegenwoordigers van de eerste en toen nog enige politieke vrouwenbond, Hitachadoet Nasjiem Ivriot Le-Sjivoei Zchoeiot, de Hebreeuwse Vrouwenbond voor Gelijke Rechten onder voorzitterschap van Roza Veltstrois.

De machtsstrijd was zwaar en woedde lang en hevig. De vrouwen eisten niet alleen stemrecht voor de Vergadering van Afgevaardigden, maar tegelijk ook voor de joodse kehilles en de comité’s van de nederzettingen.

De scherpste tegenstanders van die vrouweneisen waren de orthodoxen. Maar ook de Mizrachipartij was tegen het verlenen van kiesrecht aan vrouwen en hoopte daar een partijpolitiek slaatje uit te slaan.

Na een zware, langdurige strijd ging de Voorlopige Raad er uiteindelijk mee akkoord vrouwen actief en passief kiesrecht te verlenen voor de Vergadering van Afgevaardigden, maar alleen “voorlopig”; de definitieve resolutie over die kwestie werd overgelaten aan de toekomstige Vergadering van Afgevaardigden.

Tussen 1920 en 1942 waren er maar drie verkiezingen voor de Vergadering van Afgevaardigden. In 1920 waren er onder de 314 afgevaardigden veertien vrouwen (4,5 procent): zeven leden van de Vrouwenbond voor Gelijke Rechten en zeven arbeidsters.

In het verloop van de vijfjarige zittingsperiode van de Vergadering van Afgevaardigden zaten de gekozen vrouwen daar op hete kolen. Met iedere zitting groeide het verzet van de orthodoxen tegen het aandeel van de vrouwen in dat nationale bestuursorgaan. Ze eisten categorisch de “liquidatie” van de vrouwen. Ten slotte stelde Mizrachi voor een referendum te houden over de kwestie van het vrouwenkiesrecht, maar dan alleen onder de mannen. Het resultaat was als verwacht. De Bond, dat wilzeggen de Bond voor Gelijke Rechten voor Vrouwen, bestreed dat voorstel uit alle macht. Begin 1925 deed de Vrouwenbond een oproep tot morele steun aan alle joodse vrouwenorganisaties in de wereld. De grootste en belangrijkste reageerden met brieven en telegrammen aan de Nationale Raad, waarin ze gelijke rechten eisten voor de vrouwen in Erets Israël. Van heel groot gewicht was de eis van Hadassa uit Noord-Amerika.

In 1925 waren de verkiezingen voor de tweede Vergadering van Afgevaardigden. Onder de 201 afgevaardigden waren er al 26 vrouwen, dus 13 procent, van wie er 13 lid waren van de Vrouwenbond voor Gelijke Rechten.

In de eerste zitting van de tweede Vergadering van Afgevaardigden stonden de gekozen leden van de Vrouwenbond afwijzend tegen de bezwaren van Mizrachi tegen vrouwenkiesrecht, die volgens de Mizrachisten gebaseerd waren op de wetten van de Tora. De vrouwen toonden aan dat de leiders van de Mizrachi bij de eerste verkiezingen de orthodoxe vrouwen hadden opgeroepen te gaan stemmen in naam van de Tora, waarna diezelfde woordvoerders van de Mizrachi vrouwen streng verboden zitting te nemen in onze nationale bestuursorganen, ook weer op grond van onze heilige Tora…

In diezelfde zitting werd verder de dreiging van een referendum afgewend en er werd (op kislev 5686) een resolutie aangenomen die een eind maakte aan de strijd voor vrouwenkiesrecht voor de Vergadering van Afgevaardigden.

In 1931 waren de verkiezingen voor de derde Vergadering van Afgevaardigden. Het aantal afgevaardigden was 94 en er waren zeven vrouwen, onder wie drie van de gecombineerde lijst van de Vrouwenbond en de joodse vrouwenorganisatie. Ondertussen hadden de vrouwen dankzij de hulp van de Vrouwenbond kiesrecht gekregen in enkele comité’s van nederzettingen en in de kehilles (in Jeruzalem en in de raad van Petach Tikva pas een paar jaar later.)

Nadat ik in 1920 de eerste zware strijd van de joodse vrouw voor gelijke rechten in het land had meegemaakt, werd ik bij mijn tweede komst in Erets Israël blij verrast door de resultaten die de Vrouwenbond voor Gelijke Rechten met vijftien jaar veelzijdig en nuttig werk op sociaal, economisch en politiek gebied had bereikt in de gelijkstelling van de vrouw, door veelzijdig en nuttig werk op sociaal, economisch en politiek gebied.

Het schooljaar in de Vakschool voor Meisjes eindigde op 1 augustus 1921 en ik begon me voor te bereiden op mijn terugreis naar Polen. Ik hoefde niets van de hand te doen, want mijn nicht Goeldin bleef met haar kinderen in het appartement met de “kistmeubels” wonen. Nog voor mijn vertrek trouwde haar dochter met een zoon van Berman. De jongste zoon studeerde aan de Mikve Israël en de oudste woonde in Alexandrië. Er kwamen mensen lunchen bij mijn nicht en naar verhouding hadden ze het niet slecht. Na mijn vertrek liet ze haar drie oudste dochters uit Polen overkomen en ze wonen nog steeds allemaal in Erets Israël. Die nicht Goeldin werd op haar zevenendertigste weduwe met zeven kinderen en begreep dertig jaar geleden al dat ook meisjes economisch voorbereid moeten zijn op een leven als zelfstandige mensen, zeker in Erets Israël.

Tegelijk met mij gingen er in 1921 twee anderen terug naar Polen die ook maar één jaar in het land geweest waren: mijn vriend Ts.Z. Vainberg, die leraar was, en Josef Heftman, een medewerker van Moment.

Ts.Z. Vainberg was in 1920 directeur geweest van de school in Zichron Jaäkov. Hij was naar Erets Israël gekomen met zijn oudste dochter, terwijl zijn vrouw met de andere kinderen in Warschau gebleven was. Als ervaren leraar Hebreeuws en pedagoog was hij erg teleurgesteld over het niveau van het onderwijs in het land en van de scholen in het bijzonder. Het schoolwerk gaf hem geen voldoening. Zijn vertrek was voor hem geen drama en met een rustig geweten ging hij terug naar Polen.

In augustus 1921 waren de verkiezingen voor het Twaalfde Congres in Karlsbad. De organisatie telde toen in Erets Israël ongeveer tienduizend contributiebetalende leden. Ik kon geen aanspraak maken op een mandaat als afgevaardigde naar het Congres, maar kreeg een mandaat als expert, waardoor ik dezelfde rechten had als een afgevaardigde. En een paar dagen na Tisja Beav verliet ik Erets Israël, samen met een hele groep afgevaardigden.

Toen ik afscheid nam van mijn dierbaren, die zich nog wel een beetje in me konden verplaatsen, zei ik alleen maar:

‘Ik ben in Erets Israël gekomen op Simchat Tora en ik ga weg op Tisja Beav…’

Het eerste verwijt om mijn vertrek uit Erets Israël, dat naar verhouding nog heel gematigd geformuleerd was, kreeg ik van twee oude vrienden, de populairste leiders van de Algemene Zionisten.

‘Kameraad Rakovski,’ zeiden ze, ‘je had niet weg mogen gaan uit Erets Jisroël, want op die manier breng je onze beweging de grootste schade toe.’

‘Misschien hebben jullie gelijk,’ antwoordde ik, ‘maar jullie moeten wel begrijpen dat ik hier goed over na heb gedacht en dat ik er veel verdriet van heb. Maar ik ben tenminste in Erets Jisroël geweest. Waarom zijn jullie er nog steeds niet geweest? Waar wachten jullie op? Voor jullie is dat veel makkelijker dan voor mij.’ Daarop antwoordde de een dat hij met een kapitaal van minder dan tienduizend pond niet naar Erets Jisroël kon. De ander zei dat hij niet kon gaan om dan weer terug te komen en dat hij daarom nog moest wachten.

De eerste, Avrom Podlisjevski, ging een paar jaar later; hij kocht in Tel Aviv een groot huis om daar te gaan wonen, maar werd door tragische familieomstandigheden gedwongen om terug te gaan en overleed later in Warschau.

De tweede, dr. Meier Kloemel, kwam met heel veel vertraging, woonde een paar jaar in Tel Aviv onder bijzonder moeilijke economische omstandigheden en kreeg psychisch heel wat te verduren. Het was hem nog wel vergund in Erets Jisroël te sterven.

Beiden maakten zich heel verdienstelijk voor de groei en ontwikkeling van de zionistische beweging in Polen op de meest uiteenlopende gebieden. Ze gaven veel tijd en geld aan de beweging, maar ze behoorden tot de oude garde van de eerste “dromers en strijders”, wachtten te lang met hun alië en werden in Erets Jisroël niet op waarde geschat.

Allesbehalve kameraadschappelijk was de houding van mijn partijgenoten in de Tseïre Tsiënfractie op het Twaalfde Congres tegenover het zogenaamde “verraad” van mijn vertrek uit Erets Jisroël. Ze spraken gewoonweg een “cheirem” over me uit en stonden niet toe dat ik deelnam aan de vergaderingen van de fractie, waarvan ik als een van de oprichters formeel nog deel uitmaakte. Ik reageerde daar niet op tijdens het Congres, maar besloot te wachten tot mijn terugkeer in Polen.

 

25

Het Twaalfde Congres, het eerste na de Grote Wereldoorlog, werd gehouden in Karlsbad, van 1 tot 14 september 1921, en afgezien van een aantal negatieve punten had het Congres toch een in hoge mate verfrissende uitwerking op mijn toenmalige gemoedstoestand. Dat kwam door de nieuwe omgeving of door de enthousiaste en diep overtuigde redevoeringen van onze geestelijke leiders. In ieder geval werd mijn somberheid toen een stuk minder. Vol gemoedsrust maakte ik de reis van Karlsbad naar Warschau. Bij mijn komst in Warschau trof ik mijn familie en vrienden gezond en monter aan; ze waren heel blij me terug te zien.

Om de stemming erin te houden nam ik mijn toevlucht tot mijn oude, beproefde methode: ik ging meteen op zoek naar werk. Eerst ging ik naar mijn vriend dr. Sjmoeël Vainberg, directeur van het Askole-gymnasium. Maar tot zijn grote spijt moest hij me vertellen dat de meisjesschool direct na mijn vertrek naar Erets Jisroël had moeten sluiten, omdat hij geen geschikte lerares had kunnen vinden, en bij het jongensgymnasium was jammer genoeg geen vacature. Omdat ik niet lang kon en wilde wachten tot ik een leraarsbaan zou vinden, ging ik in op het voorstel van mijn medeleden in het bestuur van de Joodse Vrouwenbond JFA en keerde terug op mijn post als secretaris van de bond. Verder kreeg ik een maand later via mijn vriendin Leie Proesjanski een leerling Hebreeuws en wel een nicht van haar, mevrouw Tsirinski, uit een rijke familie die net terug was uit Rusland. Al gauw kreeg ik ook werk in mijn tweede beroep, vertaler in het Jiddisj. Het financiële probleem was dus wel opgelost. Mijn dochter studeerde rechten en mijn verweesde kleinkinderen gingen naar het gymnasium. In 1921 waren ze nog bij hun vader, die ze iedere dag een uur zagen bij het middageten. Ze kwamen niets tekort, want ze waren meer bij ons dan in hun pension, maar ze hadden niet wat je noemt een “thuis”. Ze waren toen (de jongen was elf en het meisje negen) al bij Ha-Sjomer Ha-Tseïr in Warschau en daardoor vergaten ze een beetje dat ze wees waren.

De JFA in Polen was een wijdvertakte joodse vrouwenorganisatie met een positieve instelling tegenover Erets Jisroël. Ze had ook een aparte sectie voor praktisch Palestinawerk. De bond was niet apolitiek. Hij werkte actief mee op alle gebieden van het joodse politieke en sociale leven in het land. Een van zijn belangrijkste taken was de maatschappelijke vorming van joodse meisjes, niet alleen uit arbeidersmilieus, maar ook uit de middenstand en uit de chassidische kringen. Uit de leerlingen van onze vakopleidingen kwamen later ook heel wat pioniersters voor Erets Jisroël voort. Dat werk en al het andere in onze bond nam me weer helemaal in beslag.

Ik kwam terug in Warschau op het hoogtepunt van de strijd van de joden in Polen voor hun nationale en burgerlijke rechten; De oorlogen van de joden in Polen noemde de leider van die lange strijd, kameraad Jitschok Grinboim, zijn serie artikelen en parlementaire redevoeringen over zijn activiteit in woord en geschrift voor de gelijke rechten voor joden in Polen.

Als gekozen vertegenwoordiger van de JFA in de joodse nationale raad werd ik heel actief in de strijd voor onze rechten onder de massa’s van de vrouwen in onze bond. Onbeperkt actief en passief kiesrecht voor het parlement en de gemeenteraden kregen we tegelijk met de Poolse vrouwen. Maar we moesten de machthebbers in ons eigen kamp bestrijden; voor kiesrecht voor de nieuwe, zogenaamd “seculiere” joodse kehille. In Vilnius en Białystok waren de vrouwen wel vertegenwoordigd in de kehilles en hadden dezelfde rechten als de mannen. Maar in onze steden en vooral in Warschau wilden de orthodoxen: de leden van de Agoede, de rabbijnen en zelfs de Mizrochisten, beslist niet samen met vrouwen in de kehille zitten. Dat was een niet-aflatende, koppige interne strijd die de joodse vrouwen in Polen voerden van 1920 tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 en die in bijna twintig jaar niets opleverde.

Op een protestmeeting van de JFA bij de laatste verkiezingen voor de kehilles in Warschau benadrukte dr. Sjiper z’’l in zijn bijdrage aan de discussie het belang en de noodzaak van de actieve deelname van vrouwen in de kehilles. Zelfs de afgevaardigde van Mizrochi, de heer Farbsjtein, was zo moedig om te zeggen dat het werk van kameraad Rakovski in de afdeling onderwijs heel welkom was, maar… dat de tijd er nog niet rijp voor was.

Nu ik in juni 1942 deze herinneringen schrijf, wil ik opmerken dat de joodse vrouw noch in Polen, noch in Erets Jisroël kiesrecht heeft kunnen veroveren voor de gemeenteraden, de kehilles en zelfs de Vergadering van Afgevaardigden. In de zeven jaar (sinds 1935) dat ik nu voor de tweede keer in het land ben, heb ik al actief deelgenomen aan kehilleverkiezingen in Jeruzalem en nu ben ik toevallig een passieve deelnemer aan de kehille van Haifa.

Zoals ik eerder al zei, kwam ik terug naar Polen met het vuur van de Sturm und Drangperiode. Als iemand die zich vele jaren van haar leven had gewijd aan de bevrijding van haar volk in zijn oude tehuis en aan de strijd voor gelijkberechtiging van haar volk in de hele wereld werd ik bij de aanblik van de rampzalige joodse situatie in Polen nog veel wanhopiger. Ik was vaak erg verlegen met de situatie als joden me informatie over Erets Jisroël kwamen vragen en advies of ze wel of niet moesten gaan. In de wetenschap dat de situatie daar (volgens mij) slecht was en hier nog slechter, moest ik om eerlijk te kunnen zijn een ontwijkend antwoord geven.

‘Beste vriend,’ zei ik dan, ‘een Jood die op alië wil en kan gaan pakt zijn spullen en gaat. Maar joden die het niet zeker weten en advies komen vragen, blijven altijd hier.’

Mijn persoonlijke financiële situatie was toen, zoals altijd, van secundair belang voor mij. Zeker vergeleken met de algemene situatie was die helemaal niet slecht. Naast het werk in de JFA en de goedbetaalde privélessen – mijn vriend Birnboim had een vaste baan aan een joodse school – kreeg ik ook al werk als vertaalster. Het eerste boek dat ik na mijn terugkeer in Warschau kon vertalen was Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque. Ik zeg met nadruk kón, want toen ik na een onderbreking van een jaar weer aan het werk ging als vertaler, vond ik dat de Jiddisje literatuur allereerst verrijkt moest worden met wat meer van de anti-oorlogsboeken die in de eerste jaren na de oorlog in verschillende Europese talen verschenen waren. Ik vond dat ik verplicht was de joodse lezers en vooral onze moeders en de joodse jongeren kennis te laten maken met de gruwelverhalen en schrikbeelden van de Eerste Wereldslachtpartij, om weerzin en walging te wekken tegen het zinloze bloedvergieten en een anti-oorlogsgezindheid in hen wakker te roepen en te bevorderen! Remarques boek was het eerste en volgens iedereen ook het beste werk in dat genre, omdat het afkomstig was van een jonge man die uit eigen ervaring schreef over al die bloedige gebeurtenissen die de menselijke fantasie te boven gaan.

In de loop van de winter 1921-1922 raakten de twee kinderen van de familie Tsirinski erg aan me gehecht. Zonder een school bezocht te hebben bereidden ze zich voor op het toelatingsexamen voor het Franse gymnasium in Warschau. Ze hadden zo graag les van me, dat ze tegen me zeiden dat ze niet één taal zo graag leerden als Hebreeuws. Maar kon je kinderen wel Hebreeuws leren zonder verband met Erets Jisroël? De kinderen waren niet opgegroeid in een zionistisch milieu. Hun moeder kwam in feite uit een heel voorname joodse familie, maar was geen zionist. En wat hun vader betreft, die interesseerde zich totaal niet voor het zionisme, al leverde hij royale bijdragen aan de verschillende nationale fondsen. Meneer Tsirinski was iemand met veel schwung en ondernemingsgeest. Als buitengewoon capabel zakenman had hij op een leeftijd van net in de veertig al een enorm vermogen bijeengebracht. De handelaars in de houtbranche wisten te vertellen dat hij na zijn komst uit Rusland naar Polen bij de overheid een groot deel van de Poolse bossen had opgekocht. Hij was ook eigenaar van de grootste luciferfabriek in Polen. In zijn fabrieken werkten een groot aantal joodse arbeiders en administratieve medewerkers en het hele personeel had veel respect voor hem om de buitengewoon fatsoenlijke manier waarop hij al zijn medewerkers behandelde.

Maar voor één “commerciële” onderneming kon ik ondanks mijn aanhoudende pogingen geen belangstelling bij hem wekken, en dat was de investering van een deel van zijn kapitaal in Erets Jisroël; toch bezat hij huizen in Berlijn en Danzig, villa’s in Sopot en zelfs in Italië, nog afgezien van grote kapitalen bij verschillende buitenlandse banken.

De kinderen vroegen me heel vaak of ik hun vader over wilde halen om land te kopen in Erets Jisroël. Tegen Peisech, toen ik met de kinderen de hagode las, zei ik dat ze op seideravond de afikoimen maar moesten stelen om hem alleen terug te geven als hij beloofde land te kopen in Erets Jisroël. De kinderen voerden die “onteigening” uit en kregen de belofte van hun vader. Kort na Peisech herinnerde ik hem op verzoek van de kinderen aan zijn toezegging.

‘Waar moet ik land kopen, mevrouw Rakovski?’ vroeg hij me op een speciale toon. ‘In dat Erets Jisroël van u?’

‘Maar meneer Tsirinski,’ antwoordde ik geïrriteerd, ‘dat ú dat zou zeggen met de woorden van de schurk uit de hagode had ik niet van u verwacht,’ en meteen liep ik de kamer uit. Toen ik terug was bij de kinderen vroegen ze me niets, want ze lazen het antwoord al van mijn gezicht…

Dit vertel ik alleen maar om te illustreren hoe weinig ontwikkeld de vaderlandsliefde en de idee van de opbouw van Erets Jisroël waren, zelfs bij heel fatsoenlijke joden met een nationaal bewustzijn.

In mei 1922, voor het einde van het schooljaar, stelde mevrouw Tsirinski me voor om niet naar een zomerhuis te gaan, maar in de vakantie met mijn gezin in Sopot door te brengen, want ze wilde haar kinderen graag de hele zomer door laten gaan met de lessen Hebreeuws. En omdat ze in Sopot een grote kennissenkring hadden, kon ze reclame voor me maken en dan kon ik zoveel Hebreeuwse lessen geven als ik maar wilde. Afgezien daarvan waren levensmiddelen niet duurder dan in Warschau en het was voor mijn kinderen ook erg de moeite waard. Ik nam het voorstel aan en nam mijn intrek in Oliwa, vlakbij Sopot.

Al gauw kon ik in Oliwa een paar heel goed betaalde lessen geven en later ook lessen bij de zoontjes van kameraad Jitschok Grinboim. Het was toeval dat de familie Grinboim die zomer in Sopot woonde. Van Oliwa naar Sopot was het twintig minuten met de trein. Van acht uur ‘s morgens tot de middag werkte ik in Sopot en ‘s middags gaf ik een goedbetaalde les in Oliwa zelf.

Een paar weken later kwam ook mijn vriendin Leie Proesjanski naar Oliwa. Ze huurde een appartement bij mij in de buurt. Haar twee zoons studeerden toen in Londen en zij woonde met haar man in Warschau. Omdat de zoons hun ouders wilden zien maar als Russische staatsburgers geen visum voor Polen kregen, hadden ze besloten elkaar te ontmoeten in Oliwa, niet ver van Danzig, want de vrije stad Danzig was toegankelijk voor burgers uit de hele wereld.

De familie Proesjanski was heel bevriend met een zekere familie Cohen uit Łódź. De mannen kenden elkaar nog van school. De Cohens hadden ook twee zoons; de oudste studeerde in Brno (Tsjechië), was ook Russisch staatsburger, kreeg geen visum voor Polen en had zijn ouders drie jaar niet gezien. De vrienden spraken af dat de familie Cohen ook naar Oliwa zou komen en zoals het Franse spreekwoord zegt: “de vrienden van onze vrienden zijn onze vrienden”. We zagen de familie Cohen ook veel. Bijzonder interessant was dat contact voor de kinderen. Die van mijn vriendin Leie waren al van jongs af opgegroeid met mijn Sorele. ‘s Zomers waren ze bij ons in de kinderkolonie en ze waren aan Sorele gehecht als aan een jongere zus; geen wonder, want hun moeders waren al dertig jaar trouwe vriendinnen en de kinderen waren dus wat je noemt vrienden van de tweede generatie. In 1914, direct na het uitbreken van de oorlog, werden we van elkaar gescheiden en zagen elkaar acht jaar lang niet. Mijn dochter was toen elf. Sjmoeël Proesjanski was zestien en Joesje vijftien. Nu, in 1922, was Sorele al student aan de universiteit van Warschau en zij studeerden aan die van Londen; dat was niet alleen een aangename verrassing, maar leverde ook dag en nacht gespreksstof op. Ikzelf was zoals gewoonlijk de hele week aan het werk, behalve op sjabbes; ik was dus heel blij dat Sorele haar vakantie prettig kon doorbrengen met mijn vriendin en haar kinderen, Sjmoeël en Joesje, en hun vriend Tsvi Cohen. Dat student Tsvi Cohen iets voor mijn Sorele voelde viel me pas op toen ik merkte dat zijn moeder jaloers was op mijn dochter. Omdat ik niet op zoek was naar een man voor mijn negentienjarige dochter besteedde ik helemaal geen aandacht aan dat onderwerp.

Eind juni, een maand na onze komst in Oliwa, kreeg ik plotseling een telegram uit Warschau dat mijn kleinkinderen naar Oliwa zouden komen; ik moest ze afhalen op het station in Danzig. Ik was natuurlijk verrast en kon niet wachten tot ik ze zou zien. De kinderen wisten alleen te vertellen dat hun vader ze uit Grajewo had laten komen en toestemming had gegeven om naar oma in Oliwa te gaan. Natuurlijk gingen ze graag. Dat ik gelukkig was dat ik ze bij me had hoef ik niet te zeggen.

De paar jaar dat mijn dochter Sorele aan de universiteit van Warschau studeerde wilde ze almaar ontzettend graag naar het buitenland. Ze was helemaal niet tevreden over de Poolse hoogleraren en leed ook erg onder het openlijke antisemitisme van de Polen tegenover hun joodse medestudenten. Maar ik zag er erg tegenop om afscheid van haar te nemen en probeerde haar te overtuigen om toch de rechtenstudie af te maken, dan kon ze op haar twintigste alsnog naar een andere faculteit in het buitenland.

Door toevallige ontmoetingen met studenten van andere universiteiten werd die neiging om naar het buitenland te gaan bij haar nog sterker. Begin augustus vertrokken de jonge mensen, eerst de jonge student Tsvi Cohen en een paar dagen later de jongens van Proesjanski.

Nadat mijn vriendin Leie Proesjanski en de andere leden van de familie Cohen uit Oliwa vertrokken waren, gingen wij (mijn gezin en ik) naar Sopot; na het hoogseizoen waren kamers daar goedkoop en voor mijn lessen kwam dat ook veel beter uit. Nog een belangrijke reden voor mij om wat langer (in ieder geval tot na de Hoge Feestdagen) in Sopot te blijven was dat ik in Warschau geen plaats had voor mijn kleinkinderen, die hun vader definitief naar mij had gestuurd; hijzelf vertrok eerst naar Berlijn en later naar Erets Jisroël. In de twee kleine kamers waar wij (mijn vriend Birnboim en onze dochter) met ons drieën woonden konden we hen niet onderbrengen, want zelfs als we inschikten was er niet genoeg ruimte om te slapen.

Ondertussen begon mijn dochter zich te vervelen. Op een goede dag zei ze dat zij, als wij van plan waren de hele maand tisjri in Sopot te blijven, in haar eentje naar Warschau zou gaan. Ik vroeg haar rustig waarom ze zo’n haast had om naar Warschau te gaan. De universiteit, zei ik, ging toch pas weer open in oktober, dus wat wou ze daar dan in haar eentje doen?

Het duurde even voor ze antwoord gaf op mijn vraag. Maar toen vertrouwde ze me haar geheim toe:

‘Cohen heeft me een serieus voorstel gedaan, maar ik heb hem gezegd dat ik op zo’n korte termijn geen beslissing kan nemen over zo’n serieuze stap. Ik heb hem wel beloofd om te corresponderen. Maar van hieruit vind ik dat niet fijn en daarom wil ik naar Warschau.’

Dat was geen verrassing voor me. De laatste tijd had mijn moederinstinct me al gezegd dat mijn dochter met iets heel serieus bezig was. Ik wilde haar niet in de weg staan en twee dagen later ging ze dan ook naar Warschau.

Wij (Birnboim en ik) bleven met de kleinkinderen in Sopot, bijna een hele maand. Ze kwamen tot rust en waren blij dat ze nu weer bij ons waren.

Na onze terugkeer in Warschau overnachtte ik met de kinderen drie weken lang            in het kantoor van de vrouwenvereniging, tot ik eindelijk een kamer kreeg in het gebouw waar we al woonden. De kinderen gingen naar school en alles ging weer zijn gewone gang.

De correspondentie tussen de student Tsvi Cohen en mijn dochter werd heel frequent en intensief. De postkantoren in Polen en Tsjechië verdienden daar vast goed aan. Maar het stond haar studeren niet in de weg en ze bleef college lopen aan de rechtenfaculteit. Op zekere dag begin december kreeg ik van hem een persoonlijke brief, waarin hij schreef over zijn serieuze, oprechte gevoelens van liefde voor mijn Salje; de sympathie was gelukkig wederzijds en hij vroeg me hun geluk niet te verstoren. Hij schreef me dat hij in de wintervakantie graag naar Warschau wilde komen, maar omdat hij Russisch staatsburger was en geen visum voor Polen kreeg was dat onmogelijk. Maar hij wist dat Salje naar het buitenland wilde en daarom zou het volgens hem het beste zijn als ik ermee akkoord ging dat ze kwam studeren aan een van de Tsjechische universiteiten. Als ze naar Brno kwam, schreef hij, zouden ze daar overleggen wat ze waar zou kunnen studeren en dan een beslissing nemen. Hij eindigde zijn brief met de mededeling dat hij alles ook aan zijn ouders in Łódź geschreven had.

Ongeveer een week na die brief kwamen zijn ouders op bezoek in Warschau, alsof ze al schoonouders waren, en vroegen ons Salje niet tegen te houden als die naar hun zoon in Brno wilde en gelijk nodigden ze mijn dochter bij hen in Łódź uit.

Hoe moeilijk ik ook afscheid kon nemen van mijn Sorele, ik hielp haar toch bij de voorbereidingen voor haar reis naar het buitenland. De verschillende formaliteiten: het aanvragen van een paspoort voor het buitenland en de nodige visa, namen een paar weken in beslag. Kort voor haar reis logeerde ze ruim een week bij zijn ouders in Łódź. Na thuiskomst zei ze dat ze daar na nog een paar dagen gillend weggelopen zou zijn, zo opgelaten voelde ze zich in de rol van de “bruid” van hun zoon die ze voor de kennissen moest spelen.

Begin december 1922 vertrok ze naar Brno, waar ze maar korte tijd bleef. Vandaar ging ze naar Wenen om aan de geschiedenis- en filosofiefaculteit te studeren. Toen ik zag dat ze ondanks dat alles toch goed kon studeren, was ik helemaal gerustgesteld.

Onder de verschillende instellingen en opleidingen bij onze JFA hadden we, zoals gezegd, ook een vakschool voor meisjes, van wie de meesten uit weinig draagkrachtige milieus kwamen en van wie er veel dan ook geen schoolgeld hoefden te betalen. Natuurlijk had de school dan ook een groot financieel tekort. Al onze inspanningen om subsidie te krijgen van de JKA en later van de ORT bleven zonder resultaat.

In januari 1923 arriveerde in Warschau de nieuwe inspecteur van de ORT-scholen in heel Polen, ir. L. Frenkl. Hij was een goede kennis van me uit Vilnius, toevallig ook een broer van mijn oudste schoonzus, en ik nodigde hem uit voor een bezoek aan onze vakschool voor meisjes waarover ik de leiding had. Hij was geïnteresseerd en hij kwam. De school maakte een heel goede indruk op hem. Ik zei heel eerlijk wat de opzet van mijn uitnodiging was, vertelde hem naar waarheid dat de school door geldgebrek ernstig bedreigd werd in haar voortbestaan en vroeg hem dringend het bestuur van de ORT zover te krijgen dat ze onze school een maandelijkse subsidie verleenden.

Daarop antwoordde hij dat hij dat met de beste wil van de wereld niet voor elkaar kon krijgen, omdat de ORT alleen subsidie gaf aan scholen die ze zelf gesticht had en niet aan scholen van andere organisaties. ‘Maar, mevrouw Rakovski,’ ging hij verder, ‘ik doe u een voorstel om uw school te redden; als uw bestuurders hun partij-ambities tenminste niet belangrijker vinden dan de school zelf. De meisjesschool van de ORT in Warschau zoekt een directeur onderwijs; de beste oplossing is volgens mij dat u met het hele leerlingenbestand overstapt naar de ORT-school. Uw gebouw, de apparatuur en de rest van de schoolinrichting heeft de ORT niet nodig. U kunt het gebouw gebruiken voor andere doeleinden en die zijn er bij uw JFA genoeg, heb ik begrepen. U riskeert eigenlijk helemaal niets; u geeft uw leerlingen alleen de kans om verder te studeren en u hebt het recht om in de toekomst ook nieuwe leerlingen aan te nemen. Wij verwachten van u, mevrouw Rakovski, alleen dat u het directeurschap van de ORT-school op u neemt.’

Ik luisterde aandachtig naar hem en beloofde het hele idee aan de staf voor te leggen en hem dan binnenkort te antwoorden.

Ik belegde meteen een extra vergadering met het comité en nodigde ook een aantal actieve leden uit; ik vertelde het hele verhaal uitvoerig en objectief en zei ook:

‘We moeten nu kiezen: of we sluiten de school, of we treden toe tot de ORT. En ik denk dat we het minste van de twee “kwaden” moeten kiezen. De samenwerking met de ORT kost ons niets. Integendeel, we geven onze leerlingen alleen maar de kans om onder betere omstandigheden te studeren en in feite blijven ze onder ons toezicht, want de sfeer in de school wordt bepaald door degene die de leiding heeft en niet door degene die de financiën beheert. Het gaat hier echt niet om mij persoonlijk, want ik ga akkoord met ieder besluit van onze vergadering; blijft onze school bestaan, dan zie ik af van een baan bij de ORT. Afgezien daarvan denk ik dat we de hele zaak moeten zien als een soort “eerste hulp”, een tijdelijke oplossing, omdat ik er vast van overtuigd ben dat onze instellingen dankzij onze voorzitter, mevrouw Rochel Sjtein, die lid is van de Warschause gemeenteraad, de nodige subsidie zullen krijgen, en dan kan onze vakschool weer open.’

Hierover ontstond een levendige en serieuze discussie, waaraan vrijwel alle aanwezige leden deelnamen; en ondanks het feit dat sommigen tegen waren, stemde de meerderheid voor het voorstel.

Ik stuurde ir. Frenkl de tekst van de positieve reactie van ons comité en nadat de nodige formaliteiten in de ORT vervuld waren, kreeg ik officieel bericht van dr. M. Zilberfarb, de toenmalige directeur van de ORT-scholen in Polen, dat ik per 1 februari 1923 was aangesteld als hoofd van de ORT-meisjesschool in Warschau met een salaris van 300 złoty per maand voor zes uur per dag.

Toen ik tien maanden aan de ORT-school gewerkt had, verleende de Warschause gemeenteraad door toedoen van ons raadslid, mevrouw Rochel Stein, inderdaad subsidie aan ons en nog andere speciaal opgerichte hulporganisaties voor cultureel werk in Polen. En wij openden onze vakschool voor meisjes weer. Geen leerling ontbrak er.

Na mijn vertrek bij de ORT-school trok de leiding geen pedagoog aan, maar een bevoegde vakleerkracht, een christelijke vrouw uit Duitsland.

In mei 1924 studeerde Cohen af en ging van Brno naar Praag om werk te zoeken. Al gauw kreeg hij een baan als bouwkundig ingenieur bij een groot bedrijf. Door problemen met zijn nationaliteit had Cohen als vluchteling uit het tsaristische Rusland nog een Nansenpas; aan de andere kant wilde mijn dochter haar Poolse nationaliteit niet opgeven en daardoor kon of wilde het rabbinaat in Praag hen niet trouwen. Na het vervullen van de nodige formaliteiten konden ze wel een burgerlijk huwelijk aangaan in het stadhuis van Praag. Pas een jaar later kregen Cohens ouders het na een lange procedure voor elkaar dat hem het Poolse staatsburgerschap verleend werd, omdat zijn geboorteplaats Lune was.

In augustus 1924 nam ik ontslag bij de ORT. De lessen bij de familie Tsirinski waren ook afgelopen, omdat de kinderen naar het Franse gymnasium gingen. De grote zaken van Tsirinski kregen een flinke klap van het staatsmonopolie; de overheid maakte van zijn grote luciferfabriek een staatsmonopolie en hief buitengewoon hoge belastingen op zijn diverse bos- en houtbedrijven. Hij leed hier zo onder, dat hij een ernstige, ongeneeslijke ziekte kreeg, namelijk leukemie; nadat hij een paar jaar behandeld was overleed hij, nog maar net in de veertig.

Na zijn dood sloot zijn vrouw de bedrijven en met het overgebleven kapitaal ging ze samen met de kinderen naar Parijs. In 1936 waren ze kort op bezoek in Erets Jisroël. In 1938 kwam de zoon opnieuw in Erets Jisroël, nu alleen. Hij kwam een paar keer bij me langs in Jeruzalem en zei dat hij terug zou gaan om zijn moeder en zijn zus te halen. Gelukkig arriveerden ze nog net voor het uitbreken van de oorlog. Deze keer had de dochter al een vliegbrevet op zak. Op het vliegveld van Lod leerde ze een jonge joodse piloot kennen van heel rijke familie (de in de zakenwereld bekende familie Kirsjner uit Tel Aviv) en al gauw was het pilotenpaar gelukkig getrouwd. En zoals de vrouwen zeggen: moge dat van alle joodse kinderen gezegd worden, zelfs in een socialistisch Erets Jisroël…

 

26

In augustus 1924 kreeg ik weer een baan bij het secretariaat van de JFA en daarnaast had ik mijn werk als vertaler. De kleinkinderen deden hun best op school. Mijn kleindochter zat in de vierde en mijn kleinzoon al in de zesde klas van het gymnasium. Daarbij was hij een van de actiefste kaderleden van Ha-Sjomer Ha-Tsaïr. Zijn vrienden zeiden me altijd dat Alek, zoals ze hem noemden (zijn echte naam was Arje-Sjmoeël), ieder karwei dat hij op zich nam ook tot een goed einde bracht, wat van anderen niet gezegd kon worden.

In die tijd was de moeilijke economische situatie van de joden in Polen bevorderlijk voor de zionistische beweging. In de jaren 1924-1926 nam de alië, zij het tijdelijk, een grote vlucht. Het Palestinabureau in Warschau was niet alleen een belangrijk nationaal instituut van het volk, maar ook een soort groots emigratiebureau met een solide commerciële basis.

Mijn financiële situatie was toen tamelijk slecht en daarom besloot ik met een van de partijbestuurders in het Palestinacomité te gaan praten over een baan bij het Palestinabureau. Ik ging naar dr. Joesje Gotlieb, die ik net als heel wat andere partijgenoten nog kende uit zijn studententijd in Zwitserland; hij hoorde tot de Et Livnos-fractie en was dus in zekere zin een ideologische tegenstander, maar hij was een intelligente man; na een kort en serieus gesprek beloofde hij dat hij het erover zou hebben met kameraad Barlas, het toenmalige hoofd van het Palestinabureau.

De volgende dag ging ik naar Barlas en die gaf me de baan.

De eerste paar weken had ik het moeilijk. Maar na een tijdje was ik gewend en al gauw vond ik het werk interessant. Los van de kaartenbakken kreeg ik veel belangstelling voor de mensen voor wie ik de diverse formulieren invulde en paspoorten in orde maakte. Dat werk was niet alleen interessant, maar ook heel nuttig. Op het Palestinabureau werkten toen vierenzeventig mensen en ik was nummer vijfenzeventig. Het personeel bestond voornamelijk uit jonge jongens en meisjes met daarnaast een aantal mensen met gezinnen en de enige oudere medewerker was ik. Het Bureau aan de Mariańskastraat 7 nam drie complete verdiepingen in beslag; het werk was hectisch, vooral wanneer er veel groepen emigranten vertrokken. De medewerkers waren tegenover het publiek niet vrij van bureaucratische neigingen; wat ontbrak was betrokkenheid, het juiste woord op het juiste moment, empathie en begrip voor de situatie van emigranten die, al was het dan vrijwillig, huis en haard achterlieten om naar Erets Jisroël te gaan. Naar hun nationale tehuis, maar wie van ons kon garanderen dat daarmee een eind zou komen aan hun omzwervingen? Ik vond het mijn plicht en mijn streven als bureaumedewerker om de moeizame emigratie van die mensen zo soepel mogelijk te laten verlopen. Tot op zekere hoogte lukte dat ook en het kon me niet schelen dat bepaalde afdelingshoofden misschien niet tevreden waren over mijn “bemiddelingswerk”, bijvoorbeeld in bepaalde gevallen van prijsverlagingen, gereduceerde scheepstarieven, goedkope treinkaartjes en dergelijke, maar ze honoreerden mijn verzoeken altijd.

Een speciale plaag (die niet in de Toire stond) waren in die tijd van grootscheepse emigratie de in Warschau zeer actieve criminele bendes, die bij ieder groot transport de emigranten een loer probeerden te draaien en ze hun laatste geld af te nemen, vaak zelfs bij de poort of op de trappen van het Palestinabureau zelf. Herhaalde waarschuwingen in de kranten en alle andere methodes hielpen niet; de mensen uit de provincie lieten zich steeds weer vangen in de netten van die oplichters.

Een interessant incident uit 1934 is me bijgebleven. Op een dag kon ik een van die mensen in zijn kraag grijpen; hij zag eruit als en joodse koopman van middelbare leeftijd en je kon haast niet geloven dat die man tot zulke dingen in staat was. Tijdens het verhoor door kameraad Sjafar, de toenmalige voorzitter van het comité, bleef hij heel rustig; hij luisterde naar alles wat Sjafar te zeggen had en aan het eind zei hij:

‘Meneer Sjafar, geef me een baan net als die van u, dan hoef ik geen bijverdiensten te zoeken…’

Hij werd niet gearresteerd.

Nu ik tientallen jaren later over mijn werk en mijn belevenissen bij het Palestinabureau schrijf herinner ik me een prettige persoonlijke verrassing die kameraad David Remez z’’l me in die tijd bezorgde.

Zomer 1925 was er in Moskou een internationaal arbeiderscongres, waaraan ook een delegatie van arbeiders uit Erets Jisroël deelnam. Bij de ontvangst wilde de delegatie het congres toespreken in het Hebreeuws. De organisatoren wisten daar niet goed raad mee, maar gaven toch toestemming. Na de begroeting richtte de voorzitter zich tot de spreker met de opmerking dat helaas niemand van de aanwezigen zijn welkomstwoord verstaan had. Mijn zoon, die al jaren beëdigd tolk is op alle conferenties en congressen, bood aan de rede in het Russisch te vertalen. Het presidium, dat wist dat hij simultaan vertaalde uit tien talen, was niet verbaasd dat hij als Jood ook Hebreeuws verstond. Alleen de kameraden uit Erets Jisroël waren verbaasd. In de pauze wilde kameraad Remez graag weten waar een Jood vandaan kwam die simultaan kon vertalen van het Hebreeuws in het Russisch; hij ging naar de vertaler om zijn naam te vragen en kwam tot de ontdekking dat het mijn zoon was. Op de terugreis naar Erets Jisroël door Polen kwam David Remez bij mij langs en was blij me de groeten te kunnen doen van mijn zoon. Hieruit bleek dat “jong geleerd, oud gedaan” wel degelijk opgaat, zelfs in Sovjet-Rusland…

Het werk in het Palestinabureau was meer dan bevredigend: het was fascinerend. Ik kwam altijd als eerste binnen en ging als laatste naar huis. Meer dan eens zeiden de collega’s dat mijn benadering absoluut niet professioneel was. Dan antwoordde ik dat ons bureau volgens mij geen persoonlijk servicebureau was, maar een nationaal instituut voor de alië van joden naar Erets Jisroël.

Nog een ander, heel belangrijk aspect interesseerde me hevig vanaf het moment dat ik bij het Palestinabureau ging werken.

In het Palestinacomité, dat was samengesteld uit vertegenwoordigers van partijen en Ha-Cholets-organisaties met een groot aantal vrouwen, zat geen enkel vrouwelijk lid. De JFA, die geen zuiver zionistische organisatie was, kon geen aanspraak maken op een zetel; maar waarom bleven de vrouwelijke kameraden van de gemengde organisaties en vooral Ha-Cholets dan in gebreke? Verbazend was dat niet, want waren het niet overal en altijd vrouwen die afzagen van hun verworven rechten?

Als toevoeging aan het Palestinacomité kwam er later een kwalificatiecommissie. In dat orgaan, dat besliste over het lot van iedere emigrant naar Erets Jisroël, ook in die commissie zat geen enkele vrouwelijke kameraad. De sectie voor praktisch Palestinawerk in de JFA hield zich zoals gezegd hoofdzakelijk bezig met de voorbereiding van meisjes en jonge vrouwen op Erets Jisroël door middel van vakopleidingen. Op mijn voorstel eisten we van de kwalificatiecommissie dat die een plaats reserveerde voor een vertegenwoordigster van onze vrouwenbond. Dat voorstel werd door de kwalificatiecommissie aangenomen. En de vrouwenbond koos mij als afgevaardigde in die commissie.

Al vanaf de eerste vergadering was ik ervan overtuigd dat er een vrouw in die commissie moest zitten om de belangen te verdedigen van de vrouwen van Ha-Cholets en de gewone vrouwelijke emigranten, zelfs tegenover de eigen mannelijke kameraden.

De nieuwe verordening over lijsten en certificaten impliceerde behalve algemene restricties ook restricties bij het toekennen van certificaten aan vrouwen; daarentegen mocht iedere ongehuwde mannelijke pionier of gewone emigrant een vrouw op zijn certificaat laten bijschrijven. De jonge vrouwen waren dus helemaal aangewezen op de welwillendheid van de mannen. Die vernederende regel had fatale gevolgen en leidde vaak zelfs tot tragedies. Er werd een hele serie schijnhuwelijken gesloten. Anders kon het meisje immers niet mee. Al gauw waren er jonge mannen die op allerlei manieren misbruik maakten van de situatie. Sommigen verdienden er gewoon aan. Anderen, die het meisje leuk vonden, wilden bij aankomst in Erets Jisroël geen get geven, zoals afgesproken was. Later kwamen ze op een ingenieus idee: onder de choepe werd meteen de get in orde gemaakt. De vrome joden waren heel kwaad, omdat ze vonden dat dit afbreuk deed aan de heiligheid van de huwelijksplechtigheid, en tot op zekere hoogte hadden ze daar helemaal geen ongelijk in…

In december 1924, in de wintervakantie, bezorgde mijn kleinzoon Arje-Sjmoeël me een “prettige” verrassing. Op een dag kwam hij me vertellen dat hij het getuigschrift van de zesde klas gymnasium gekregen had en van dat gymnasium (Ha-Chinech) af ging, omdat hij er niet langer wilde blijven. Hij had besloten naar Erets Jisroël te gaan. Eerst dacht ik even dat hij een grapje maakte om te zien hoe ik zou reageren, maar uit de rest van zijn verhaal begreep ik dat zijn besluit vaststond. Hij vertelde dat hij al een week bij een smid werkte, want smeden hadden ze nodig in Erets Jisroël, en hij wist zeker dat ik hem zou helpen bij het realiseren van zijn plannen. Hij zou naar een kibboets van Ha-Sjomer Ha-Tseïr gaan en hoopte over niet al te lange tijd mij en Sjosjane (zijn zus) mee te kunnen nemen naar Erets Jisroël.

Natuurlijk hield ik hem niet tegen, want ik wist dat dat niet zou helpen, omdat hij uit een familie van gevaarlijke stijfkoppen kwam… Degenen die protesteerden waren juist de vertegenwoordigers van Ha-Sjomer Ha-Tseïr. Ze kwamen erachter dat hij nog niet zijn hele partijopleiding achter de rug had. Verder moest hij volgens hen eerst het gymnasium afmaken en niet op zijn zestiende, maar pas op zijn achttiende op alië gaan. Maar hij luisterde naar niemand.

Hij deed goed zijn best in de smederij. Hij ontbeet al om zes uur ‘s morgens, nam niet eens een tweede ontbijt mee en kwam om vijf uur ‘s middags weer thuis. Ze mochten zijn middageten niet opwarmen; hij at het koud of sloeg het over. Bij wie hij in de leer was wilde hij niet zeggen. Ik kwam het aan de weet via zijn kameraden van Ha-Sjomer Ha-Tseïr, want bij dezelfde smid waren nog een paar pioniers in de leer. Ik ging naar de smid, vertelde dat de jongen de hele dag van zes uur ‘s morgens tot vijf uur ‘s middags niet at en vroeg of hij hem een tweede ontbijt wilde geven, dat ik dan zou betalen, wat het ook kostte.

De man luisterde naar me en zei:

‘Is dat uw kleinzoon? Dat wist ik niet. Ik had wel in de gaten dat hij niet uit een domme familie kwam. Er zijn meer pioniers bij me in de leer, maar ik moet u zeggen dat hij in een maand meer heeft geleerd dan de anderen in drie maanden en hij kan zelfs al een paard beslaan. En nu u over het eten begint, ik heb me daar al de hele tijd over verbaasd; alle jongens nemen een tweede ontbijt in het café hier in de buurt, alleen hij gaat niet mee, ook al betaal ik. Heel goed dat u gekomen bent! Ik begrijp dat hij daar niets van weten mag; wees niet ongerust: ik verzin wel wat, dat hij geen honger lijdt de hele dag.’

In mei was mijn kleinzoon klaar met de cursus smeden en begon zich voor te bereiden op zijn vertrek. Alle nodige formaliteiten werden vervuld door het comité van Ha-Sjomer Ha-Tseïr en dat betaalde ook de reiskosten. Een paar dagen voor zijn vertrek kwam hij met zijn getuigschrift van de zesde klas en legde het op tafel met de woorden:

‘Houd jij het maar, oma, ik heb het niet meer nodig.’ Alsof zijn hart hem ingegeven had dat hij het inderdaad niet meer nodig zou hebben…

De volgende morgen pakte hij zijn spullen, dat wil zeggen: hij stopte een paar kleren in zijn rugzak, wat boeken en een stuk brood. Na lang aandringen van mij deed hij er nog een stukje worst bij. Geen jas, geen kussen en geen deken hoefde er mee.

‘Bij ons in Azië heb je dat allemaal niet nodig,’ zei hij. Hij deed zijn rugzak om, gaf me een hand met de woorden: ‘Lehitraot ba-arets’ en was al bij de deur.

‘Wacht even, ik ga met je mee naar de trein,’ zei ik.

‘Nee, dat wil ik niet, als je met me meegaat neem ik een andere trein.’ Hij gaf me nog een hand (van kussen hield hij niet) en ging op weg naar Erets Jisroël…

Ik heb hem nooit meer gezien…

 

27

Begin augustus 1925 kreeg ik als medewerker van het Palestinabureau een maand vakantie, omdat ik besloten had naar het Veertiende Congres te gaan, dat van 18 tot 31 augustus gehouden werd in Wenen. Maar voor de reis naar Wenen besloot ik eerst naar mijn dochter in Praag te gaan en haar op de terugreis mee te nemen naar Warschau: ze was zeven maanden zwanger. De universiteit had zomerreces en was gesloten. Mijn dochter vertelde me dat ze helemaal geen last had van haar toestand. Ze had het studiejaar goed afgesloten en ging naar het derde jaar. Ik bleef een week bij de kinderen in Praag en arriveerde de 19e op het Congres in Wenen. Tegelijk met het Congres werd in Wenen de conferentie van de WIZO gehouden. De JFA, die bij de WIZO aangesloten was, had onze voorzitter, Rochel Stein, afgevaardigd. En ik had als afgevaardigde naar het Congres automatisch het recht om deel te nemen aan de WIZO-conferentie.

De eerste dagen van september moest er uit Warschau een grote groep emigranten vertrekken, onder wie ook mijn jongere zus uit Białystok, die tandarts was, met haar man en drie zoontjes en ook onze moeder van zevenenzeventig. De familie Sjpiro (zo heetten ze) reisde als kapitalisten en kon daardoor ook een moeder meenemen. Verder eiste de Engelse consul dat nog enkele kinderen van haar de schriftelijke garantie gaven hun moeder vijf pond per maand te sturen. Wij hadden dat al besloten voor de consul het vroeg.

1 September was ik al weer terug in Praag. Mijn dochter had alles voorbereid op mijn komst, omdat ze wist dat ik per se bij mijn moeder wilde zijn als die op alië ging naar Erets Jisroël. We hoefden alleen nog maar treinkaartjes naar Warschau te kopen.

‘Weet u waar ik over loop te denken?’ zei Tsvi tegen me op weg naar het loket. ‘Om kaartjes te kopen naar Łódź en niet naar Warschau. Mijn ouders hebben een driekamerwoning en ze hebben weinig te doen. In het huis ernaast woont mijn tante Olje en Birnboim werkt nu toch ook in een school in Łódź. En in Łódź zijn trouwens net zulke goede kraamklinieken als in Warschau. Verder hebt u het erg druk,’ zei hij tegen me, ‘en het is voor Salje eigenlijk makkelijker om naar Łódź te gaan.’

Ik protesteerde niet, want naast al die redenen speelde er nog iets mee: kort voor mijn vertrek naar Praag had ik een brief gekregen van mijn moeder waarin ze me met met nadruk vroeg om te verhuizen. Salje moest voor de geboorte van haar kind naar Łódź en niet naar Warschau. De kinderen, Salje en Tsvi, wisten hier niets van. Maar toen ik hoorde dat zij hetzelfde van plan waren, zei ik tegen mezelf dat de mitsve je vader en moeder te eren ook je eigen dagen verlengde en dat ik verplicht was de wens te vervullen van mijn oude moeder, die volgens mij allesbehalve een doorsneemens van haar generatie was, en ik ging met Salje naar Łódź.

Ik was maar één dag te laat. Het bureau had ontdekt dat de familie Sjpiro en mijn oude moeder nog met de groep emigranten mee moesten. En uitstel was beslist niet mogelijk. Ze vertrokken een dag voor ik uit Łódź in Warschau arriveerde. Wat ik toen moest doorstaan is nog altijd met geen pen te beschrijven. Mijn collega’s vertelden me dat mijn moeder uitgeleide was gedaan met feestelijke ovaties. De jongeren hadden haar in een dans op het perron opgenomen in een kring als de “jongste” pionier op alië naar Erets Jisroël. De joodse pers wijdde enkele krantenartikelen aan mijn moeder persoonlijk en aan haar huis in Białystok, waar kinderen waren opgegroeid die actief deelnamen aan de joods-nationale en ook de algemeen-revolutionaire beweging. Een tijdlang nam ik het mezelf heel erg kwalijk dat ik geen afscheid had genomen van mijn dierbare moeder.

Ik heb haar nooit meer gezien…

Vijf weken later, op 12 november 1925, kreeg ik een telegram uit Łódź, dat Salje een dochter had gekregen. Ze noemden haar naar mijn jonggestorven oudste dochter Hemda (Sjeine op zijn Jiddisj). Mijn gevoel zei me toen dat dit pasgeboren meisje zou opgroeien in Erets Jisroël.

Op dit moment, nu ik die zorgen over haar geboorte beschrijf, is het juli 1942; ik zit in Haifa, niet ver van het front en er is zojuist, midden in de nacht, luchtalarm gegeven; Hemda bevindt zich in de nederzetting Sjora in Laag-Galilea, waar ze werkt met een groep klasgenoten uit de achtste klas van het lyceum in Haifa.

De paar jaar van 1924 tot 1927 werkte ik intensiever dan ooit: van ‘s morgens tot ’s middags, bij elkaar acht uur, op het Palestinabureau, ‘s middags op het JFA-secretariaat en daarnaast nog vertaalwerk. Mijn werk op die verschillende gebieden gaf me zoveel geestelijke voldoening, dat persoonlijke interessen voor mij eigenlijk niet bestonden. Financieel leed ik helemaal geen gebrek. Mijn kleindochter Sjosjane zat nog op het gymnasium. Haar broer in Erets Jisroël kon zich, zoals ik wel verwacht had, als honderd procent individualist niet aanpassen aan het leven in de kibboets en na een paar weken was hij daar weg. Een vaste baan nam hij niet. Hij trok heel Erets Jisroël door, legde moerassen droog, liep malaria op, sloot hartelijke vriendschap met de Arabieren, woonde zelfs bij hen, en was actief in de Hagana en in Ha-Poël. Hij schreef me niet. Nieuws over hem kreeg ik altijd via mijn moeder olehasjolem, mijn zus en zijn vrienden. Kortom: zijn idealisme was uitgemond in gekte… Financieel stond hij er beroerd voor. Als ik hem een paar pond stuurde, natuurlijk niet direct naar hem, kon mijn zus hem maar met moeite overhalen om dat blijk van liefdadigheid te accepteren. Hij werkte een tijd in Haifa en sliep bij een put. Mijn zus kwam daarachter en smeekte hem: ‘Kom bij ons slapen, wij hebben een kamer vrij.’ Maar hij kwam niet. Op een dag, vertelde mijn zus, leende hij bij haar een pond en sprak een dag af om het terug te betalen. Een paar dagen later, om één uur ‘s nachts, werd er gebeld. Nadat ze van de schrik bekomen waren deden ze open. Het was Arje-Sjmoeël, die het blijk van liefdadigheid terug kwam betalen. “Vandaag” was voor hem “vandaag”, ook midden in de nacht. Zo leefde hij tien jaar. Zijn laatste werk was in 1935 bij de Dode Zee. Hij werkte bij een temperatuur van 40 graden en raakte tijdens het werk bewusteloos. Ze brachten hem naar het Hadassa-ziekenhuis in Jeruzalem; hij bleek een longontsteking te hebben. Drie dagen later overleed hij op de leeftijd van zevenentwintig jaar. Dat was in 1935.

Mijn Salje onderbrak haar studie een jaar. De winter van 1925-1926 bracht ze met haar kind door bij haar schoonouders in Łódź. Met Peisech kwamen ze tot na de vakantie naar Otwock. Aan het begin van de zomer van 1926 beëindigde Tsvi zijn werk in Praag en kwam in Polen een baan zoeken als bouwkundig ingenieur. In die jaren van de “oorlog tegen de joden in Polen” was dat een volkomen uitzichtloze zaak. Al gauw vroeg hij bij het Russisch consulaat in Warschau een visum aan voor Moskou als “spets” en tegelijkertijd vroeg ik mijn zoon of die iets voor hem kon doen om te zorgen dat Tsvi niet te lang hoefde te wachten.

 

28

In die tijd van de vierde alië, toen de joodse middenklasse naar Erets Jisroël emigreerde, ging het bedreigde joodse kapitaal op zoek naar andere landen, waar zijn investeringen rendabeler zouden zijn, en een aanzienlijk aantal rijke fabrikanten en grootindustriëlen, hoofdzakelijk uit Łódź, begaf zich naar het vriendelijke Roemenië (waar de IJzeren Garde woedde met Codreanu aan het hoofd en waar de toon in het parlement werd aangegeven door de beruchte professoren Iorga en Cuza, uitgesproken jodenvreters). Die kapitalisten kregen geen paspoort en geen vestigingsvergunning, maar alleen een tijdelijke verblijfsvergunning om de verwoeste steden op te bouwen en handel en industrie te bevorderen. De Roemeense machthebbers wilden voor geen prijs dat de kapitalisten in het land bleven om zich er te vestigen.

Die kapitalistische immigratie werd een bijzondere bron van inkomsten voor de lagere en zelfs de hogere overheden in Roemenië. Zo’n openlijke corruptie als in Roemenië heb ik in geen enkel ander land ter wereld gezien. Voor het minste geringste vroegen de ambtenaren gewoon baksjisj en ze zeiden dat er zonder dat niets gebeurde.

‘Van onze pensioenen,’ zeiden ze openlijk, ‘zouden we hier omkomen van de honger, als er geen baksjisj was.’ Zelfs ministers bereikte je met baksjisj, via hun zigeunerconcubines. Door die corruptie konden joden “business” bedrijven en voet aan de grond krijgen in dat land, dat maar drie dagreizen van Erets Jisroël lag…

Met zo’n groep rijke joden ging begin 1926 ook een oom van Cohen van Łódź naar Boekarest; hij heette Jitschok Groz en was een Russische Jood. Hij was een voorbeeldig vakman, een eersteklas meester en een capabel zakenman met veel ondernemingsgeest. Hij nam ook zijn oudere zwager mee, die onze schoonvader en de vader van Tsvi was. De moeder bleef nog een tijdje in Łódź om het appartement te verkopen en de andere zaken af te handelen. Toen ze hoorde dat Tsvi op een inreisvergunning voor Moskou zat te wachten, begon ze luid te jammeren:

‘Stel je voor! Akiva is een communist (de oudste zoon, een overtuigd communist, was al in Sovjet-Rusland) en als Tsvi ook nog naar Sovjet-Rusland gaat, ben ik allebei mijn zonen kwijt!’

Natuurlijk schreef ze dat aan haar man en haar zwager en die begonnen Tsvi met brieven te bestoken, dat hij niet op antwoord uit Moskou moest wachten en onmiddellijk naar Boekarest moest komen. In Roemenië, schreven ze, werd geweldig veel gebouwd en daar had Tsvi de beste vooruitzichten om carrière te maken en rijk te worden.

Mijn mening zeggen, de verantwoording op me nemen om Tsvi ervan te weerhouden naar Boekarest te gaan en te wachten op antwoord uit Moskou of op zijn minst een antwoord van mijn zoon, dat wilde ik niet, al voelde mijn Salje meer voor Moskou dan voor Boekarest. Ik zei alleen maar:

‘Als ik een capabele, hardwerkende ingenieur van negenentwintig was zonder politieke binding en met alleen belangstelling voor mijn vak als “spets”, zou ik natuurlijk naar Sovjet-Rusland gaan en niet naar het duistere, antisemitische Roemenië. Als je je niet hoeft laten naturaliseren,’ vervolgde ik, ‘dan kun je gaan en terugkomen als het je daar niet bevalt. Zelfs alleen maar rondkijken in het land na zo’n geweldige revolutie als de wereld nog nooit gezien heeft is voor jou als jonge man al interessant, zeker als je daar een zwager hebt die voor zijn enige zus alles zal doen wat hij kan. Ik zeg alleen maar mijn mening,’ besloot ik, ‘en je moet doen wat jij wilt.’

Tsvi ging een paar dagen naar zijn moeder en daarna naar het Roemeense consulaat voor een visum voor Boekarest. Maar inreisvergunningen gaf de consul alleen zonder aarzelen aan joodse kapitalisten; een ingenieur, wiens hele kapitaal bestond uit de vakkennis die hij bezat, zo’n vreemde, proletarische intellectueel, die hun landgenoten kon beconcurreren, lieten ze niet zo gauw het land binnen, zelfs al hadden ze hem een tijdje nodig.

Na veel gedoe kwam het visum er uiteindelijk toch, blijkbaar dankzij hulp van de oom uit Boekarest; en een maand na Tsvi’s vertrek kwamen de papieren uit Moskou. Mijn zoon had over de hele zaak natuurlijk zwaar de pest in. Ik probeerde hem te kalmeren en schreef hem zelfs dat het zo misschien nog het beste was, omdat je iemands levenshouding niet zo makkelijk kon veranderen.

In Boekarest kwam Tsvi bijna direct na zijn komst goed terecht; hij kon zelfs werken aan regeringsgebouwen, dat wil zeggen niet hij persoonlijk, maar een groot bouwbedrijf van Roemeense ingenieurs kreeg die opdracht en nodigde hem uit als hoofdingenieur met een goed salaris, want zijzelf, al niet zo jong meer, waren van de oude stempel en hadden het nodige respect voor zijn kennis van de moderne bouwkunst.

In augustus 1926 ging Salje terug naar Praag om verder te studeren. Wij bleven tot na de Hoge Feestdagen met het kind in Otwock en brachten het daarna voor de winter naar oma in Łódź. In april 1927 maakte Salje met een groep studenten en professoren een kunsthistorische reis van zes weken naar Parijs, Le Havre, Bordeaux (in Zuid-Frankrijk), Lissabon (Portugal) en Tanger (Marokko). Op de terugweg ging ze via Straatsburg naar Londen en vandaar kwam ze eind mei, voor de vakantie naar Warschau. Wij waren met het kind al vanaf Peisech weer in Otwock. Kort na Saljes komst kreeg ik een brief van mijn zoon, dat hij als eerste secretaris van de Internationale Coöperatieve Beweging door Sovjet-Rusland afgevaardigd was naar het Internationale Coöperatieve Congres in Oslo, de hoofdstad van Noorwegen. Op de terugweg zou hij via Danzig reizen en hij vroeg me of ik alsjeblieft met Salje daarheen wilde gaan, dan konden we elkaar zien en een paar dagen bij elkaar zijn. In 1918 had ik hem amper een uur gezien op het centraal station in Warschau; een tweede keer in 1922, ook weer een uur op het station, toen hij van Moskou onderweg was naar Berlijn. Uitstappen en een dag in Warschau blijven was in die jaren gevaarlijk, zowel voor hem als voor mij. Van 1922 tot 1927 had ik hem weer vijf jaar niet gezien. In Danzig, liever gezegd in Sopot, waar je veiliger was, waren we drie dagen bij elkaar. In 1905, toen ik hem redde van een wisse dood, was Salje drie. Toen hij haar na die tweeëntwintig jaar terugzag, kon hij zijn ogen niet van haar afhouden. Drie dagen en zelfs nachten lang bleef hij met haar praten; ze maakte op hem een geweldige indruk.

Van Danzig reisden we samen terug naar Warschau, maar natuurlijk in aparte wagons. Op het station van Warschau stapte mijn zoon direct over in de internationale sneltrein Parijs-Warschau-Moskou. We namen haastig afscheid en gingen er meteen vandoor. Er zat uiteraard altijd een geheim agent in die internationale sneltrein.

Salje bracht de vakantie met ons door in Otwock en in augustus ging ze terug naar Praag om haar studie af te maken; meteen na Soekes ging haar schoonmoeder met het kind naar Boekarest.

Begin 1927 leek het erop dat ik mijn baan bij het Palestinabureau kwijt zou raken. Ontslag dreigde, met een enkele uitzondering, voor alle vijfenzeventig personeelsleden. De collega’s stelden me gerust en verzekerden me dat als er maar drie medewerkers over zouden blijven, ik een van die drie zou zijn. Ik wist niet hoe anderen erover dachten, maar voor mij persoonlijk was het geen punt.

Na de toename van de alië, die bijvoorbeeld in de vroege jaren ’20 niet meer dan 700 mensen per maand had omvat, groeide de emigratie in juli 1924 aan tot 1800 en later tot 4000 mensen per maand. In het jaar 1925 werd het buitengewone aantal bereikt van 34.000 emigranten, waarvan 50 procent uit Polen zelf. Tegen het eind van 1926 was het aantal joden in Erets Jisroël toegenomen tot 147.000.

De hoge inflatie van de Poolse złoty in de jaren 1925-‘26 en de tegelijkertijd ontstane economische crisis in Erets Jisroël zelf reduceerde de alië van Polen naar Erets Jisroël in één keer tot een minimum. In Erets Jisroël wisten ze heel goed dat die crisis geen voorbijgaand verschijnsel van korte duur was en bij ons in het Palestinabureau werd het personeelsbestand ingekrompen. Dat gebeurde niet in één keer, maar in fasen. Eerst werden verschillende afdelingen samengevoegd en de bovenste twee verdiepingen ontruimd. Alleen de begane grond van het gebouw bleef in gebruik. Het werk werd iedere dag minder. We zaten achter onze bureaus als “treurenden om Tsiën” en mijn hart brak als ik de verweesde certificaten in mijn bureaula zag liggen; de vijf jaar dat ik bij het Palestinabureau werkte had ik de supervisie over de certificaten gehad en ik was heel trots dat de anderen zoveel vertrouwen in me hadden. Als ik nu ‘s morgens op mijn werk kwam in de bijna lege kamers moest ik steeds maar denken aan het bijbelvers “De wegen naar Tsiën treuren”. Honderd procent pessimist als ik was, kon ik die crisis moeilijk verwerken; ze duurde inderdaad enkele jaren, maar daarna kwam de tweede, nog grotere alië en ik ging weer aan het werk in het Palestinabureau, nog bijna drie jaar, tot de dag van mijn definitieve alië naar Erets Jisroël in april 1935.

Ik werkte nog van januari 1927 tot april van hetzelfde jaar. Op het dieptepunt van de crisis kregen we al geen cijfers meer over de grote werkeloosheid in Erets Jisroël, sinds april was dat al zo. Op kantoor waren we nog maar met een paar mensen. Ik kon het niet meer aanzien en nam mijn werk weer op bij het secretariaat van de JFA, waar ik zogezegd altijd graag gezien was, en naast mijn gewone werk, het vertalen, kreeg ik werk bij de avondeditie van Moment en bij Radio, waar ik verhalen vertaalde, het “Laatste nieuws over actuele onderwerpen” verzorgde en ander redactiewerk deed.

Ik ging toen samenwonen met mijn zuster, de tandarts. Mijn kleindochter Sjosjane zat toen al in de zevende klas. Aan het einde van het schooljaar wilde ze heel graag haar broer achterna gaan, dat wil zeggen het getuigschrift van de zesde klas in ontvangst nemen en naar Erets Jisroël gaan. Maar dat weigerde ik categorisch.

Het was helemaal niet zo makkelijk, maar er werd op haar ingepraat door mijn zus, die ook vond dat ze eerst haar schooldiploma moest halen. Ten slotte gaf ze toe en maakte het gymnasium af.

In de vakantie organiseerden we voor de jeugdsectie van de JFA en de vakschool een zomerkamp in Kazimierz Dolny, dat schitterend gelegen was aan de oever van de Weichsel. We huurden een groot huis bij een boer en de huur werd betaald uit de verenigingskas; het huishouden werd collectief georganiseerd en er kon er heel goedkoop gegeten worden, omdat de meisjes alles zelf verzorgden. Ze sliepen op de grond, op strozakken. Er was één bed georganiseerd bij de boerin en wel voor mij; dat had het hele collectief eenstemmig besloten en daar had ik me aan te houden…

Toevallig was er die zomer in dezelfde plaats ook een zomerkamp van de Poale Tsiën-jongeren uit Warschau. De groepen maakten kennis met elkaar en organiseerden gemeenschappelijke voordrachten, gesprekken, discussieavonden, zang en dans. Kortom: het was leuk. Nog de hele volgende winter praatten onze meisjes na over de voorbije mooie dagen in Kazimierz.

 

29

Aan het einde van de winter van 1927 rijpte bij mij ineens het idee om naar mijn zoon te gaan en eindelijk eens een kijkje te nemen in het prachtige land dat een zesde van de aardbol in beslag nam en de fundamenten legde voor een nieuwe en blijkbaar zo ongewone maatschappij, dat de meeste andere volken daar absoluut niets van wilden weten.

Een reis per schip lag niet voor de hand. Met de internationale sneltrein duurde de reis van Warschau naar Moskou zonder overstappen niet meer dan zesentwintig uur.

Begin april 1928 ging ik naar de Sovjet-ambassade en diende bij de ambassadeur een schriftelijke aanvraag in voor een inreisvergunning om mijn zoon in Moskou te kunnen bezoeken. In 1928 was Vojkov de ambassadeur, die later het onschuldige slachtoffer werd van een misdadige moord; toen hij mijn aanvraag doorgelezen had, zei Vojkov dat hij toevallig een vriend was van mijn zoon en dat hij, als ik dat wilde, de zaak telegrafisch binnen twee weken in orde kon maken. Ik bedankte hem en legde uit dat ik lerares was aan een school en op zijn vroegst in mei op reis kon gaan. Begin mei kreeg ik de inreisvergunning. We vertrokken toen uit Warschau met zijn drieën: een mevrouw Pres uit Białystok, die lid was van de Boend, lesgaf aan de Tsisjo-school in Warschau en naar een jongere zus ging, die bij het Volkscommissariaat voor Onderwijs werkte. De tweede medereiziger was een lid van de JFA, mevrouw Srebrik. Haar man was mede-eigenaar van uitgeverij Centraal in Warschau (tegenwoordig is hij eigenaar van uitgeverij Jisraël in Tel Aviv); kameraad Srebrik ging ook naar een zoon van haar, die ingenieur was in Moskou.

We vertrokken om tien uur ‘s morgens uit Warschau en de volgende dag om twaalf uur ‘s middags waren we in Moskou.

Mijn medereizigers werden in het station opgewacht door hun familieleden. Ik had geen telegram gestuurd omdat ik niemand wilde storen in zijn werk en ging naar het adres dat ik gekregen had. Toen hij thuiskwam van zijn werk, trof mijn zoon me in zijn kamer, waar zijn vrouw en een oudere zus van haar woonden. Mijn zoon had nog een andere kamer in een andere buurt, in een huis van de Comintern, bij het gezin van een joodse dokter.

Behalve mijn zoon had ik in Moskou nog mijn jongste broer Moisje. Hij werkte bij het Wetenschappelijk Instituut. In die tijd werkte hij samen met een kameraad aan een groot project, de “Geschiedenis van de arbeidersbeweging in Rusland”. Ze verzamelden materiaal in verschillende bibliotheken en wetenschappelijke instituten. Het eigenlijke werk deden ze thuis. Mijn broer zat aan één stuk door te lernen en davvenen, maar anders dan vroeger onze grootvaders en overgrootvaders de rabbijnen. Hij ging zo op in zijn werk, dat zijn vrouw hem in de kamer iets moest komen brengen om aan te trekken. Zij was niet-joods en de dochter van een boer uit de middenklasse en ze hadden elkaar leren kennen op hun werk in een kantoor. Ze was zo’n goed en fatsoenlijk iemand, dat alle joodse buren in het blok haar de tsenoeë noemden. Toen ik haar beter leerde kennen zei ik tegen haar dat zij de eerste christen was met wie ik vriendschappelijk omging…

Tot de middag was ik meestal bij mijn broer, ten eerste omdat mijn zoon en zijn vrouw allebei op kantoor waren en ten tweede omdat mijn broer wat je noemt een verstandige communist was. Met hem kon ik vrijuit praten, niet alleen over de positieve dingen, maar ook over de negatieve verschijnselen die me soms opvielen. En ik mag wel zeggen dat ik mijn ogen goed de kost gaf, want niemand leidde me rond en ik zag en hoorde alles zelf. De vrouw van mijn broer had genoeg tijd (ze hadden geen kinderen), kende Moskou goed en ging overal met me mee naartoe. In Moskou woonde ook een neef van me, een zoon van mijn oudere broer, de “mizrochist” uit Białystok. Die jonge man had een baan en wilde verder geen gezeur aan zijn hoofd. Hij was eigenlijk meer op zijn plaats geweest in zijn geboortestad Białystok bij zijn vader in de zaak… Verdere familieleden, vrienden en bekenden en zelfs leerlingen vond ik in Moskou meer dan genoeg. Voor die kennissenkring was mijn komst in Moskou een regelrechte sensatie.

Behalve mijn familieleden in Moskou had ik mijn jongste zus die in de westelijke Kaukasus woonde, in Novorossisk, een voormalig verbanningsoord uit de tijd van de tsaren en nu een grote havenstad aan de Zwarte Zee.

In mei 1928 vond ik in Moskou een groot gebouw met een bord “Borochov-club”, waar ik vaak naartoe ging voor lezingen en nieuws over Birobidzjan. De zaal zat altijd stampvol. Maar uit wat voor mensen bestond dat publiek? Hadden de toehoorders iets te maken met het zionisme van Borochov? Daar kwam ik niet achter, want ik zag geen bekenden en op een wildvreemde afstappen met zo’n vraag deed je niet zo gauw.

Degenen die bij mijn zoon op bezoek kwamen waren mensen uit een totaal andere wereld. Als ik iemand vroeg of hij joods was, werd er heel vriendelijk geglimlacht en gezegd:

‘Hij is een mens; wij kennen geen verschillen tussen rassen.’

Zoals ik al zei, had mijn zoon het erg druk. Hij kwam meestal thuis om een uur of vier, vijf ‘s middags. Iedereen at ‘s middags in de coöperatieve keuken van het instituut of de fabriek waar hij werkte. Vaak was mijn zoon ook ‘s avonds bezet, al vonden we altijd wel tijd om een praatje te maken. Maar de zondag hield hij helemaal vrij voor mij. In onze intiemere, vriendschappelijke gesprekken zei hij meer dan eens: ‘Mama, als jij en ik in onze jonge jaren sociaal-democraten geweest waren, was jouw leven en mijn leven heel anders verlopen.’

Mijn zoon had eigenlijk nooit zoiets als een persoonlijk leven gehad. Van 1905 tot 1908, de beste jaren van zijn jeugd, woonde hij in het buitenland: eerst in Berlijn, later in Zwitserland, waar hij sigaretten maakte en natuurlijk niet zo vreselijk veel te eten had. In 1910 ging hij van Zwitserland terug naar Berlijn. Materieel ging hij erop vooruit, maar het kantoorwerk gaf hem geen voldoening. Tijdens de oorlog zat hij in een interneringskamp van de Duitsers. Vanaf 1918 in Sovjet-Rusland. In het begin moest hij sneeuwruimen op straat en leven van aardappelschillen. Zelfs in 1928, tien jaar later, toen hij om zo te zeggen toch al een plaats in de maatschappij verworven had, kende hij nog steeds geen persoonlijk leven. Zijn vrouw, een meisje uit een welgestelde kleinburgerlijke familie in Grodno, trouwde de eerste keer, toen ze nog op het gymnasium zat, met de enige zoon van mijn jongere zus. In 1914, bij het uitbreken van de oorlog, vluchtten ze allemaal naar Sint-Petersburg. Mijn zus, die hartpatiënt was, ging toen ze een longontsteking opgelopen had naar de Krim om te herstellen, maar overleed onderweg in de stad Feodossia. Toen haar man terugkwam in Sint-Petersburg, bleek hun enige zoon tyfus te hebben, waaraan hij een paar dagen later overleed. Tijdens de begrafenis kreeg de ongelukkige echtgenoot en vader een hartaanval en stierf op het graf van zijn enige zoon. Zo’n huiveringwekkende tragedie overkwam alleen een van mijn moeders “gelukkige” dochters…

De jonge, tweeëntwintigjarige weduwe ging toen van Sint-Petersburg naar Moskou, naar een oudere zus van haar, die met een dokter getrouwd was. Zijzelf was ook apotheker. Toen mijn zoon in Moskou arriveerde en van die tragedie hoorde, zocht hij de twee zussen op en vond voor de weduwe, die werkeloos was, meteen een baan. Bij mijn bezoek aan hen in 1928 woonden de twee zussen in één kamer; voor die tijd was de oudste gescheiden van haar bourgeois man, maar ze stond haar dochter van acht af aan de rijke vader, en dat alleen om zijn betere financiële situatie.

Het zes verdiepingen tellende huizenblok waar de gezusters Lipsjits woonden en dat aan een van de hoofdstraten van Moskou lag, was vroeger eigendom van de grote theefirma Visotski & Gots, terwijl daar nu enkele honderden arbeidersgezinnen woonden. Het appartement waar ik logeerde had zeven kamers, waarin zeven gezinnen woonden, meest met grote en kleine kinderen. In de gemeenschappelijke keuken stonden niet minder dan veertien primussen. De corvee in de keuken, de badkamer en de andere voorzieningen werd iedere dag bij toerbeurt geregeld door een van de bewoners. Bijzonder levendig ging het toe op zondag, wanneer iedereen thuis was en in de keuken de veertien primussen tegelijk stonden te suizen, ter ere van de rustdag. Maar de verhoudingen tussen de bewoners waren in de ware zin van het woord kameraadschappelijk.

Bij mijn zoon kwamen alleen maar communistische vrienden op bezoek. Voor mij was het juist interessant om te zien en te horen hoe andere milieus op die buitengewone verschuivingen in de maatschappij reageerden. Ik had tijd genoeg en ging veel op bezoek bij vrienden en kennissen. Af en toe werd ik echt verrast door de omwenteling die zich in een tijdsbestek van amper tien jaar in de hoofden van veel mensen voltrokken had. Hoezeer hun psychologie veranderd was wil ik met een paar feiten illustreren.

Tot de vele kennissen die ik in Moskou opzocht behoorde een zekere familie Gedensjtein. Mevrouw Gedensjtein was nog een vriendin van mijn zus die bij de Boend was. Meneer Gedensjtein was in de Bielańskastraat in Warschau eigenaar geweest van een van de grootste bonthandels. Hij had zijn grote voorraden nog naar Moskou kunnen overbrengen voor de oorlog van 1914 uitbrak en kon zelfs nog een tijd redelijk goed zakendoen. Toen in Rusland de revolutie de kop opstak, verhuisden alle bonthandelaars naar Leipzig. Maar Gedensjtein bleef in Moskou. Kort voor de revolutie boden ze hem voor zijn voorraden een miljoen dollar, maar hij wilde niet verkopen, want dat was, zoals hij me zelf vertelde, alleen maar de kostprijs. Een paar dagen later werd zijn hele voorraad in beslag genomen.

In 1928 trof ik hen in Moskou in een vijfkamerwoning. In een van de kamers woonde een communistische functionaris. De familie Gedensjtein had nog steeds het joodse dienstmeisje dat ze in 1914 uit Warschau hadden meegenomen. Behalve dat ze geen kapitalisten meer waren, hadden ze ook nog hun enige zoon verloren, die vrijwillig dienst had genomen in het Rode Leger en niet meer teruggekomen was.

Waar leefde zo’n Jood in Moskou nu van?

Zijn getrouwde dochter (een communiste) maakte dassen. Bij de ene coöperatie kreeg ze stof en bij een andere leverde ze het eindproduct af. De hele familie, tot en met het dienstmeisje, werkte aan die dassen mee. Ze werkten, deden het huishouden en leefden. Toen ik meneer Gedensjtein heel openhartig vroeg hoe hij zich na zijn rijke leven in Warschau had kunnen aanpassen, antwoordde hij:

‘Dat mensen geld willen hebben is een kwestie van jaloezie, omdat een ander het heeft. Maar als je weet dat niemand het heeft, verdwijnt die jaloezie na een tijd vanzelf.’

‘Maar zeg eens eerlijk,’ zei ik, ‘we kennen elkaar toch al langer dan vandaag – als u nu de kans zou krijgen om terug te gaan naar Warschau om daar weer net als vroeger te leven, zou u hier dan niet weggaan?’

‘Nee! Absoluut niet. Ik verlang helemaal niet meer naar die manier van leven, want je ziet: we hebben allemaal werk en we zijn gezond, opgewekt en tevreden.’

Ik zou nog een hele rij voorbeelden kunnen geven van familieleden en kennissen die al sinds de tijd van de tsaren in Moskou woonden en zich heel makkelijk aanpasten aan het nieuwe regime, die op verschillende gebieden werkzaam waren en meer dan eens tegen me zeiden dat ze blij waren dat de regering voor alles zorgde, zodat zij rustig konden leven en werken.

Maar ik wil objectief zijn: er was ook een zeker percentage ontevredenen, die telkens weer zeiden: ‘We verlangen terug naar de vis’ en die de “vleespotten” uit de tijd van de tsaar weer terug wilden. Maar de ontevredenheid had altijd betrekking op de nieuwe economische situatie. Ik hoorde nooit klachten van intellectuele of morele aard. En voor mij was een heel positief aspect dat er in Sovjet-Rusland blijkbaar geen antisemitisme heerste. De hele zogenaamde “antireligieuze” beweging was volgens mij hoofdzakelijk op de christelijke bevolking gericht. Zonder de Jevsektsië (die overigens grotendeels uit voormalige leden van de Boend bestond) hadden de scholen voor joodse kinderen in Sovjet-Rusland misschien Hebreeuws als voertaal gehad. Maar de meeste joodse ouders stuurden hun kinderen om praktische redenen niet naar een joodse, maar naar een Russische school. Thuis konden ze de kinderen dan Hebreeuws leren zoveel ze wilden. Geterman, een vriend van me die in Praga, een wijk van Warschau, vele jaren een hervormd cheider had gehad en die bij het uitbreken van de oorlog in 1914 met zijn gezin naar Moskou was vertrokken, verdiende in 1928 zijn brood helemaal met privélessen Hebreeuws en liet me zelfs zien hoe jonge joodse mannen Gemore lernden. Ik hoorde zelfs toevallig een bar mitsve-droosje in het Hebreeuws van hun dertienjarige zoon tijdens een viering bij mijn Warschause kennissen in Moskou; ik maakte zelf mee hoe er uit de grote Chor-sjoel in Moskou een hele menigte joden naar buiten kwam, onder wie zelfs studenten in uniform, en dat op Simches Toire en niet op Jom Kipper; en ik vroeg een van de davvenende mensen:

‘Hoe kan het – even afkloppen – dat er op Simches Toire zoveel mensen naar sjoel gaan?’

Hij antwoordde gewoon:

‘Vandaag was er een grote chazzen.’

Uit alles wat ik tijdens mijn korte verblijf in Sovjet-Rusland zag en hoorde trok ik niet dezelfde conclusie als velen op vergaderingen bij ons in Polen en in Erets Jisroël, namelijk dat de Russische joden voor ons verloren waren. Toen al zei ik tegen mezelf dat een gemeenschap van miljoenen joden niet ten onder kon en zou gaan, zelfs niet in Sovjet-Rusland. Net zo min als ze ten onder was gegaan in Babylon, waar de joodse gemeenschap zelfs de Babylonische Talmoed tot stand had gebracht. En als de drie miljoen Russische joden zich in één gebied zouden concentreren, wist ik absoluut zeker dat we in de Sovjet-Unie een autonome joodse republiek zouden hebben.

 

30

De drie maanden die ik in Moskou doorbracht vond ik het steeds moeilijker om werkeloos rond te hangen. Als ik keek met wat voor een tempo en ijver mensen daar werkten, presteerden, creëerden en een nieuwe wereld opbouwden bekroop me soms iets van jaloezie, doordat ik een buitenstaander was. Daarom ging ik naar het paspoortbureau om mijn verblijfsvergunning met drie maanden te verlengen en ik besloot naar Novorossisk te gaan om mijn jongste zus en haar gezin op te zoeken en op de terugweg uit te stappen in Rostov voor een bezoek aan heel goede vrienden nog uit Warschau en vandaar naar de Krim te gaan om de joodse kolonies te bekijken.

In het paspoortbureau trof ik toevallig een leerlinge van me uit Warschau, die haar ogen niet kon geloven toen ze mij in Moskou zag. (Ongelukkig genoeg schrijf ik over mijn reis naar Novorossisk in 1928, veertien jaar geleden dus, begin september 1942, juist nu Hitlers beestachtige horden voor de poorten van die havenstad aan de Zwarte Zee staan).

Mijn reis met de sneltrein van Moskou naar Novorossisk duurde toen tweeënhalf etmaal. Als je zulke afstanden aflegt in die eindeloze streken in dat reusachtige land begrijp je pas de “ruimhartige aard” van de Russische mens en het epische karakter van de Russische literatuur…

Mijn jongste zus, ooit een van de mooiste meisjes van Białystok, was lerares aan een joods gymnasium, was getrouwd met een zekere Bomasj (een neef van het Doemalid dr. Bomasj), scheikundige van zijn vak en ze was met hem naar Sint-Petersburg gegaan (in 1906); hij had een baan gekregen bij een chemische fabriek en zij ging studeren aan het Pedagogisch Instituut. In 1909 verhuisden ze naar Novorossisk, waar hij benoemd werd tot algemeen directeur van een fabriek met de naam “Cement” (de fabriek waarover Gladkov later zijn beroemde boek Cement schreef.) Mijn zwager was echt niet alleen een goed vakman, maar ook een van de populairste scheikundigen die er waren. Financieel hadden ze het goed; ze woonden als echte bourgeois in een woning met zeven kamers, die rijk gemeubileerd was en voorzien van alle moderne gemakken. Ze waren geen van beiden partijmensen en hadden helemaal geen belangstelling voor politiek.

Bij mijn komst in Novorossisk in augustus 1928, het elfde jaar na de revolutie, was ik werkelijk verrast dat ik het gezin van mijn zus nog steeds als echte bourgeois in dezelfde zevenkamerwoning aantrof en dat ze er twee dienstmeisjes opna hielden. Mijn verbazing werd nog groter, toen ik zag dat er één verdieping lager op dezelfde oppervlakte niet minder dan zeven arbeidersgezinnen woonden.

Mijn zus woonde niet in Novorossisk zelf, maar buiten de stad, in de buurt van de cementfabriek, waarvan de naam toen al veranderd was in “Proletariër” en waar tweeduizend arbeiders werkten. Je ging naar de stad met de autobus of over het water met een veerboot.

Het gezin van mijn zus bestond uit vijf personen, want ze hadden drie kinderen; mijn zus gaf de oudste twee kinderen huisonderwijs, omdat hun vader ze niet naar dezelfde school wilde sturen als de kinderen van de fabrieksarbeiders en wel om twee redenen: ten eerste omdat ze daar niet zo’n goede lerares hadden als mijn zus en ten tweede omdat hij niet wilde dat zijn kinderen samen met de arbeiderskinderen les kregen. Mijn zus was heel ongelukkig met die instelling. Ze vond het heel verkeerd dat hij zich niet wilde aanpassen aan het nieuwe regime. Hij behoorde, zoals ze in Sovjet-Rusland tot de dag van vandaag zeggen, nog met hart en ziel tot de “ingenieurskaste”. Op verzoek van mijn zus probeerde ik hem over te halen om zijn kinderen naar de fabrieksschool te laten gaan. Ik maakte hem duidelijk dat hij niet het recht had zijn kinderen zo te behandelen; het was niet hun schuld dat hij zijn oude ik niet af kon leggen; zij waren al onder het nieuwe regime geboren, voelden zich daar wel bij en sloten hoe dan ook vriendschap met de arbeiderskinderen; de omstandigheden en de hele sfeer waren sterker dan zijn verzet en uiteindelijk zou er tussen hem en zijn kinderen een diepe kloof ontstaan.

Het ging me niet makkelijk af. Maar hij gaf toe en in het nieuwe schooljaar gingen de kinderen naar de school.

Op de terugweg van Novorossisk bracht ik een week door bij mijn goede vrienden die ik nog van Warschau kende en daarna ging ik naar de joodse kolonies op de Krim. Onderweg had ik het geluk toevallig een nicht van Chajiem Weizmann met haar man tegen te komen; beiden werkten als ingenieur en maakten in hun vakantie een tocht naar de joodse kolonies en we reisden de hele tijd samen. Ik bleef bij hen, omdat ze in hun eigen land waren en mij de reis in veel opzichten makkelijker maakten.

De joodse kolonies, de kolchozen, bevonden zich voornamelijk in het vlakke land rond Feodossia en ook rond Jevpatoria, waar eens de rijkste grootgrondbezitters leefden en waar toen geen joodse voet de grond betreden mocht. Maar nu lagen grote gebieden braak, doordat nog in de tijd van Catharina wel honderdduizend Tataren uit dat gebied weggetrokken waren.

De immigranten hoefden voor die kolonisatie geen speciale inspanningen te doen. De overheid stelde de grond gratis ter beschikking en er hoefden geen moerassen drooggelegd of waterputten geslagen te worden. De Joint bouwde mooie, comfortabele huizen met moderne voorzieningen en de dorpen maakten een buitengewoon goede indruk.

De regering had lagere scholen, ziekenfondsen en coöperaties opgezet. De mensen moesten alleen werken, omschakelen en zich aanpassen aan het nieuwe leven in een collectief. In de joodse dorpen was geen klacht te horen over “antireligieuze” propaganda. In veel dorpen waren zelfs rituele slachters, minjoniem om te davvenen enzovoort.

Juist die omschakeling was voor gewezen winkeliers, makelaars en handelaars, meestal afkomstig uit de provincie, een van de moeilijkste dingen.

Bij mijn bezoeken aan de kolonisten vroeg ik:

‘Hoe leven jullie hier onder de nieuwe omstandigheden als joodse landarbeiders?’

En meer dan eens kreeg ik het volgende antwoord:

‘Eigenlijk leven we hier niet slecht, maar als “ze” ons de kans zouden geven om een beetje handel te drijven, tenminste in de winter, wanneer het werk op het land moeilijker is, dan was het pas echt goed.’

Net als onze tuinbouwers in Erets Jisroël wilden de joodse kolonisten op de Krim niet dat hun kinderen ook landarbeiders zouden worden en daarom stuurden ze hen naar de stad om te studeren. Maar al gauw werd er op alle scholen naast de algemene vakken een verplicht vak landbouw ingevoerd, natuurlijk met praktijkwerk inbegrepen.

Na mijn reis naar Novorossisk en de joodse kolonies op de Krim ging ik naar Moskou terug in een goede stemming en met de vaste overtuiging dat het antisemitisme in de Sovjet-Unie uitgeroeid was en het vrouwenvraagstuk volledig opgelost. Toen ik kort daarna de terugreis naar Polen ter sprake bracht, was mijn zoon zwaar teleurgesteld. Al bleef hij uiterlijk rustig, ik voelde heel goed hoe moeilijk het voor hem was om afscheid van me te nemen, want voor mij was het ook niet zo makkelijk.

Op een avond, toen we toevallig alleen thuis waren, hadden we een openhartig en serieus gesprek:

‘Zeg mama,’ begon mijn zoon, ‘waarom blijf je niet bij ons? Waarom moet je zo nodig terug naar dat antisemitische en fascistische Polen? Voor je werk, ja. Ik vind echt dat je maar eens een keer rust moet nemen. Je hebt bijna veertig jaar lesgegeven, terwijl je het financieel zwaar had en psychisch nog zwaarder; dat is toch wel genoeg. Ik weet best dat dat voor jou heel moeilijk zal zijn. Jouw energie en jouw ijver heb ik voor onze jongere vrouwelijke kameraden vaak als voorbeeld genoemd. Maar bij ons heb je een breed werkterrein in de cultuur, waar je nog een heleboel kunt doen wat je voldoening kan geven. Ik kan je,’ vervolgde mijn zoon, ‘een hele serie concrete voorstellen doen: een Jiddisj tijdschrift redigeren dat wordt uitgegeven door de meubelmakerscoöperatie, Hebreeuws geven aan de studenten Oosterse talen aan de universiteit, en vertaalwerk; en daarnaast kun je een pensioen krijgen voor de vijfentwintig jaar dat je als lerares Russisch in Polen hebt gewerkt. Dat onze nieuwe, socialistische maatschappij voor jou de reden is om niet bij ons te blijven, wil er bij mij niet in. Als je schaduwkanten ziet, begrijp je natuurlijk net zo goed als ik dat tien jaar voor zo’n revolutie een heel korte tijd is, dat het communisme nog maar net “onderweg” is. Maar we hebben een rotsvast geloof in de uiteindelijke overwinning van ons opbouwende en bevrijdende werk. Wat jouw persoon en jouw gezin aangaat, ik denk dat Sovjet-Rusland ook voor kameraad Birnboim een passender omgeving is dan het fascistische Polen. Salje heeft het in Roemenië materieel goed en als ze te zijner tijd inzien dat het duistere, ultra-antisemitische Roemenië voor hen niet de juiste omgeving is, zal ik mijn best doen om ze hierheen te halen. Ik houd heel veel van de kinderen van mijn jonggestorven zus. Maar Semik (Arje-Sjmoeël) is in Erets Jisroël en ik hoor dat hij een echte idealist is; hij heeft immers zijn weg gevonden en hij zal wel tevreden zijn. Zanke (Sjosjane) daarentegen maakt haar gymnasium af en gaat naar Frankrijk om agronomie te studeren. Dat vind ik een prima idee.’ En hij vervolgde: ‘Ik zal kijken of ik haar financieel kan ondersteunen en later of ze hierheen kan komen. Agronomen moet je bij ons met een lantaarntje zoeken. Ik zie echt niets wat je weerhoudt om je bij ons te vestigen.’

‘Ik heb heel goed naar je geluisterd, lieve jongen. Voor mij is afscheid nemen net zo moeilijk als voor jou. Maar wat kunnen we doen als onze wegen uit elkaar gaan? Eigenlijk zijn we geen politieke tegenstanders, want ik ben net zo socialistisch- of communistischgezind als jij en het woord “communisme” schrikt me absoluut niet af. Maar ons werk leidt ons (volgens jullie) in tegengestelde richtingen. Toch geloof ik dat dat maar tijdelijk is en een misverstand dat ooit uit de weg geruimd moet worden. Het is de schuld van de bestuurders van onze Jevsektsië, de vroegere boendisten, die jullie aangepraat hebben dat het zionisme een “bourgeois” beweging is, die met behulp van Engelse wapens de Arabieren uit Erets Jisroël moet verdrijven om het hele land te veroveren. Wat de Jevsektsië daar beweert is fundamenteel verkeerd. Voor mij, en niet alleen voor mij, maar voor de arbeiders van Erets Jisroël en voor alle werkende mensen in Erets Jisroël in het algemeen, is het zionisme net zo’n revolutionaire bevrijdingsbeweging als jullie socialistische opbouw: het wil in Erets Jisroël zijn oude en tegelijkertijd nieuwe tehuis opbouwen op een verantwoorde nationale en sociale basis, de joodse volksmassa’s in de diaspora productief maken en hen voorbereiden op een beter en mooier leven in hun nationale tehuis. Voor dat ideaal – en dat weet je ook wel, lieve jongen – heb ik bijna veertig jaar gewerkt en een levensideaal verander je niet van de ene dag op de andere. Heus: ik ben al mijn hele leven een revolutionair, een socialist, en ik was het zelfs al toen ik de betekenis van die woorden nog niet helemaal begreep, omdat niemand de moeite nam om me die uit te leggen. Daar ben ik door mijn eigen intuïtie achter gekomen. Al van jongs af aan stond ik altijd aan de kant van degenen die het meeste leden en onderdrukt werden. Het zionisme heeft me los van mijn echt-joodse opvoeding geleerd dat ons vervolgde en gekwelde joodse volk, omdat het geen eigen land heeft, het ongelukkigste onder de ongelukkige volkeren is en daarom kan ik mijn energie en mijn capaciteiten aan niets anders wijden dan aan onze eigen joodse bevrijdingsbeweging. Voor een vrij en socialistisch Erets Jisroël! Persoonlijke overwegingen wat de familie betreft spelen geen enkele rol bij mijn besluit om terug te gaan naar Polen. Zoals je weet ben ik al mijn hele leven wat je noemt een sociaal iemand. Ik ben altijd sociaal geëngageerd geweest; en nu, op een moment dat mijn zwaarbeproefde volk zich hevig inspant voor zijn nationale en politieke gelijkberechtiging in de diaspora en hevig strijdt voor de opbouw van zijn nationale tehuis in Erets Jisroël, mag ik toch niet van het strijdtoneel weglopen, omdat ik toevallig een kans krijg er persoonlijk beter van te worden? Jij bent mijn zoon en ik weet zeker dat jij dat niet goed vindt. Ik ben altijd een uitgesproken aanhanger geweest van een socialistische, rechtvaardige wereldorde, niet alleen in de Sovjet-Unie, maar ook in Erets Jisroël. Maar mijn grootste wens is dat de toekomstige socialistische verbroedering tussen de volkeren niet alleen het recht van het joodse volk op zijn nationale tehuis in Erets Jisroël erkent, maar ook concreet, met raad en daad meehelpt om ons duizend jaar oude ideaal te verwezenlijken. En wat betreft je laatste vraag over de schaduwkanten die ik in jullie land gezien heb, mag ik misschien zeggen dat ik één ding, niet van jullie programma maar van jullie tactiek, absoluut niet begrijp: jullie houding tegenover andersdenkenden en zelfs tegenover eigen partijgenoten die maar een klein beetje van mening verschillen over jullie revolutionaire werk.’

Na dit gesprek, waarin mijn zoon die tactiek probeerde goed te praten, omdat Rusland aan alle kanten omringd werd door vijanden en volgens hem dus met honderd procent hardheid moest optreden tegen alle buitenlandse en binnenlandse vijanden, probeerden wij allebei onze emoties over het afscheid zo goed mogelijk te beheersen. Dat ik twee jaar later, in 1930, als beroepsvertaler toevallig Trotski’s memoires Mijn leven in het Jiddisj te vertalen kreeg en daardoor de kans verspeelde mijn zoon ooit terug te zien, kon ik toen voor mijn vertrek uit Moskou natuurlijk nog niet weten.

Kort voor mijn vertrek bezorgde mijn zoon me een prettige verrassing:

‘Mama, je weet dat je hier weggaat als gepensioneerde,’ zei hij bij wijze van grap. ‘De Comintern heeft toestemming gekregen iedere maand achtduizend dollar naar het buitenland over te maken ter ondersteuning van naaste familieleden. Daardoor kan ik jou iedere maand vijfentwintig dollar toesturen, officieel, via een bank in Warschau. Sjosjane mocht van jou in Frankrijk agronomie studeren en die zorg voor haar wil ik nu van je overnemen.’

Vier jaar achtereen (van 1928 tot 1933) kreeg ik op gezette tijden het door mijn zoon beloofde pensioen, totdat het sturen van geld vanuit de Sovjet-Unie naar het buitenland verboden werd.

 

31

Eind oktober kwam ik terug in Warschau en nam meteen mijn werk weer op bij het secretariaat van de Joodse Vrouwenbond. Wat leek dat werk nu klein en onbeduidend in vergelijking met het grandioze werk aan de opbouw van het socialisme in de Sovjet-Unie. Weer werd ik overvallen door een verschrikkelijk gevoel van jaloezie en de hele tijd vervolgd door de gedachte aan het bittere lot van ons volk zonder land. De wereld is groot, dacht ik, maar voor ons is er geen plaats.

Financieel stond ik er helemaal niet zo slecht voor. In mei 1929 maakte mijn kleindochter Sjosjane de middelbare school af en eind augustus ging ze naar Nancy om agronomie te studeren.

Het was voor mij natuurlijk niet makkelijk om afscheid van haar te nemen. Maar ik had geen keus, want in het Agronomisch Instituut in Warschau werden geen joden toegelaten.

Ik woonde toen op een kamer samen met mijn jongere zuster, de tandarts. We gingen allebei ‘s morgens naar ons werk en kwamen pas ‘s avonds terug. Ik kwam meestal heel laat thuis en alleen om te slapen; in feite woonde ik in de ruimte van de vrouwenvereniging, de JFA.

De zes maanden in de Sovjet-Unie was ik helemaal niet op de hoogte geweest van de gebeurtenissen in de joodse gemeenschap in Polen in het algemeen en van de zionistische wereld in het bijzonder. Mijn zoon gaf me van tijd tot tijd wel de bulletins die hij toegestuurd kreeg van de PCP (Palestijnse Communistische Partij). Aan die informatie hadden we eerlijk gezegd niet veel. Maar al gauw was ik weer op de hoogte van wat er op allerlei gebieden in Warschau gedaan werd.

Ondertussen waaide de wind in Erets Jisroël uit een andere hoek. In de twee jaar van 1927 tot 1929 veranderde de economische situatie in het land zeer ten goede; de werkeloosheid verdween bijna helemaal, er waren weer certificaten voor pioniers, die het moeilijk hadden gehad in de tijd van het alië-verbod. Behalve de nationale kolonisatie was ook het aantal privé-ondernemingen sterk gegroeid. De economische depressie en de crisis waren voorbij en de naaste toekomst zag er hoopgevend uit. Het nieuwe, zwaarbeproefde Erets Jisroël had de vuurproef doorstaan en bewezen dat het tegen een stootje kon. Opgewekt en vol goede moed ging er deze keer een behoorlijk groot aantal afgevaardigden naar het Zestiende Congres, dat gehouden werd van 28 juli tot 14 augustus 1929 in Zürich (Zwitserland). Dat Congres, waarop het uitgebreide Joods Agentschap tot stand kwam, werd over het algemeen druk bezocht.

Hoe was de politieke en economische situatie van de joden in Polen in 1929-‘30, in het vierde jaar na Piłsudski’s staatsgreep, waarvan we zozeer hoopten dat die eindelijk onze gerechtvaardigde eisen zou inwilligen? In feite bleef alles bij het oude: de Sejm met zijn rechtse meerderheid, met de geest van de Endecja en met zijn parlementaire kortzichtigheid en volslagen machteloosheid.

Op ondergeschikte punten leek de situatie verbeterd. Allerlei soorten vervolging, die niemand iets opleverden en alleen maar kapotmaakten, hielden op; ons werd gevraagd geduld te hebben en te wachten… We hoorden hetzelfde als wat we al jaren gehoord hadden. Maar toen we blijk gaven van ontevredenheid, werden we tot staatsvijanden bestempeld, precies als voor de staatsgreep.

De economische situatie van de joden was helemaal niet verbeterd. Eerst leek het economische antisemitisme wel zo’n beetje uitgeroeid, toen het fiscale uitpersen van de joden tenminste afgelopen was. Dat hoopten de zakenmensen, vooral de grote, de eerste tijd na de staatsgreep. In het begin werden de grote handelaars en industriëlen wel iets anders behandeld, maar lang duurde dat niet.

De joodse massa’s gingen nog altijd gebukt onder de zware last van de steeds hogere belastingen en onder de druk van het zeer ruïneuze etatisme. De strijd tegen het openlijke antisemitisme van de hooligans van de Endecja en de schijnbaar menselijkere benadering van de joden door de minder extreme machthebbers kon de bitterheid niet verminderen bij mensen zonder werk en inkomen, wie kwaadwillig hun economische bestaansmogelijkheden afgenomen waren. De nieuwe heersers bekommerden zich net zo weinig als hun voorgangers om de behoeften van de verarmde massa’s. Integendeel, ze beschuldigden degenen die hen aan hun verplichtingen herinnerden. Ze waren beledigd dat de mensen geen vertrouwen hadden in hun goedheid en geen tijd hadden om te wachten tot zij klaar waren met hun staatszaken en dan tijd vrij konden maken om dan pas te luisteren naar de eisen van de nationale minderheden. Degenen die niet wilden en konden wachten waren vijanden van de staat. Op zo’n manier maakten de machthebbers de massa’s bang en probeerden hen te corrumperen en het geloof te ondermijnen in hun leiders en vertegenwoordigers, die meteen in de oppositie gingen toen ze in de gaten kregen hoe doorzichtig de bedoelingen waren van de overwinnaars van de staatsgreep van mei.

Wat mijn persoonlijke situatie betreft, die had zich in de loop van die paar jaar helemaal bestendigd. Ik leefde nu helemaal voor mijn plichten en de eigenlijke inhoud van leven was alleen maar mijn werk.

In de jaren 1929-‘30 groeide onze JFA flink. Het aantal vrouwenverenigingen nam voortdurend toe, niet alleen in Congres-Polen, maar ook in de gebieden aan de oostgrens. Onze instellingen in Warschau ontwikkelden zich dankzij overheidssubsidie zodanig, dat we al gauw meer kantoorruimte nodig hadden en daarom verhuisden we naar een groot, modern ingericht gebouw, waarin we al onze instellingen op het gebied van onderwijs en cultuur samenbrachten.

Jarenlang was onze JFA, afgezien van de vrouwensectie van de Boend, praktisch de enige grote joods-nationale vrouwenorganisatie in Polen. Direct na de oprichting in 1920 had onze bond zich bij de WIZO aangesloten. De bond nam actief deel aan alle acties, bezocht haar internationale conferenties en hielp mee bij haar mondelinge en schriftelijke agitatie en voorlichting in de Jiddisjtalige landen. Daarom bestond er in Polen geen officiële WIZO-afdeling. Pas in 1930 stichtte dr. Salomea Levite na een bezoek aan Erets Jisroël een WIZO-vereniging in Warschau, die haar activiteit beperkte tot de vrouwen uit de welgestelde joodse kringen.

Na bijna twee jaar hard werken nam ik in juni 1930 vakantie om naar mijn dochter en haar gezin in Boekarest te gaan. Mijn kleindochter uit Nancy ging ook mee met vakantie. We brachten een paar weken door in Moldavië, in het Roemeense dorp Korka, niet ver van de stad Piatra Neamț, waar Tsvi in de buurt van Zahorne een brug over de Bistrița had gebouwd. In dat dorp woonde maar één joodse familie, die er een grote kruidenierswinkel had.

Die streek was, zoals trouwens veel meer streken in Roemenië, betoverend mooi. Het dorp lag in een dal, dat aan alle kanten omringd was door reusachtige bergketens met dichte oerbossen. Bij de grootste hitte beneden in het dal vergat je in de beboste bergen helemaal dat het zomer was en de lucht was daar even verrukkelijk als op de berg Meron.

In september, kort na de vakantie, ging mijn kleindochter voor haar studie terug naar Nancy. We konden weer moeilijk afscheid van elkaar nemen. Ik probeerde me nog in te houden, maar haar, mijn kleine Sjosjane, lukte dat niet. Meer dan eens vroeg ze me met tranen in haar ogen:

‘Oma, waarom heb ik geen thuis, zoals al mijn vrienden en vriendinnen? Ik heb mama bijna niet gekend en papa is een vreemde voor me. Bij jou in Warschau voelde ik mijn ellende nooit, maar in het buitenland wordt het me gewoon te veel. Daarom wil ik het liefste zo gauw mogelijk afstuderen en dan samen met jou naar Erets Jisroël. Semik (Sjmoeël-Arje) is daar al en dan zijn we weer bij elkaar. Dan werken wij, oma, en jij kunt eindelijk uitrusten.’

Hoeveel effect een omgeving vooral op een kind kan hebben merkte ik pas toen ik de zomer bij mijn dochter en schoonzoon in Boekarest was. Ze waren geen van beiden bij een politieke partij. Hun kennissenkring bestond uit de Roemeense ingenieurs (zijn medewerkers en bazen) en de joodse grootbourgeoisie, fabrikanten en industriëlen die voor de “business” kwamen; zij ontmoetten elkaar bij Tsvi’s oom, de grootindustrieel (Tsvi’s vader was ondertussen overleden en zijn moeder was teruggegaan naar Łódź.) Er was in dat hele milieu nauwelijks belangstelling voor de joodse bevrijdingsbeweging, hooguit gaven ze een bijdrage aan de nationale fondsen. Voor hen was Roemenië het Beloofde Land. Omdat ze in een land woonden dat maar drie dagreizen van Erets Jisroël verwijderd was, gingen ze daar op plezierreisjes heen. Ze kochten er geen doenam grond en investeerden nog geen fractie van hun bijeengebrachte kapitaal. Het kwam niet in hen op dat er een moment kon komen dat ze zouden moeten vluchten uit hun Roemeense “hof van Eden”.

Als ik zag hoe dergelijke joden leefden, had ik altijd spijt dat mijn eigen dochter verzeild was geraakt in dat duistere, antisemitische Roemenië, in een milieu waar ze snel geassimileerd waren geraakt. Het speet me het meest voor hun vierjarige dochtertje Hemda, dat nog op haar tweede alleen maar in slaap gezongen kon worden met het Hebreeuwse liedje Boï hena jaldati, en nu tegen me zei dat ze geen joods kind was. Ik reageerde daar heel serieus op en zei tegen haar:

‘Als jij geen joods kind bent, ben je mijn kleinkind niet en ben ik je oma niet. Wij zijn allemaal joden: ik, mama, papa en jij.’

Mijn dochter vroeg ik maar één ding:

‘Hoe kunnen jullie in deze omgeving in zo’n korte tijd geassimileerd zijn?’

Ik bleef in Boekarest tot na de Hoge Feestdagen en toen ik begin oktober terugkwam in Warschau, stortte ik me weer op het werk bij het JFA-secretariaat.

Korte tijd later kreeg ik Mijn leven, de memoires van Trotski, te vertalen. Er was haast bij en ik deed het in zes weken. Ik kreeg toen een honorarium van 1250 Poolse złoty. Dat werk greep me zo, dat het soms leek of ik al die belevenissen zelf had meegemaakt.

Maar ondanks die grote voldoening was ik er nooit aan begonnen als ik één moment beseft had dat ik daardoor de mogelijkheid verspeelde mijn enige zoon ooit weer te zien. Het spreekt vanzelf dat ik als beroepsvertaler zonder binding met de communistische beweging in het algemeen niet de bedoeling had om propaganda te maken voor het trotskisme. En in plaats van Trotski had ik net zo goed een werk van Stalin kunnen vertalen. Maar argumenten telden niet. Ik stond voor een voldongen feit.

 

32

Eind april 1932 besloot ik langer vrijaf te nemen en in de zomervakantie naar mijn dochter in Roemenië te gaan en daarna naar Moskou om mijn zoon op te zoeken. Begin mei, kort voor mijn vertrek naar Roemenië, vroeg ik bij het Sovjetconsulaat een inreisvergunning voor Moskou aan. Het duurde meestal een maand of twee voor je antwoord kreeg, precies de tijd die ik bij mijn dochter dacht te blijven. Mijn dochter woonde in 1932 al niet meer in Boekarest, maar in Kisjinjov, waar haar man een grote opdracht van de overheid gekregen had. Ik was heel blij dat ik de zomer door zou brengen in een stad waar veel joden en heel wat zionisten woonden en waar ze nog Russisch spraken.

In Kisjinjov, een stad met ongeveer 120.000 inwoners, woonden 80.000 joden. De overige 40.000 waren Moldaviërs, Russen, Armeniërs en een kleine groep Roemenen. De grote meerderheid stond positief tegenover de Sovjet-Unie en wachtte op een referendum dat de Bessarabische kwestie eindelijk moest oplossen.

De zionistische organisatie in Kisjinjov ontplooide activiteiten op zowel politiek als cultureel gebied en spande zich in voor de nationale fondsen. De beweging werd geleid door populaire zionistische veteranen, onder wie Jitschok Berger en de onlangs overleden kameraad Berliand. Er was ook een actieve WIZO-afdeling onder leiding van mijn allereerste leerling, Masje Berger, die tegenwoordig een van de zionistische activisten in Tel Aviv is.

Door mijn komst in Kisjinjov raakte het gezin van mijn dochter automatisch bij het zionistische milieu betrokken. Toevallig speelde hier nog een positieve factor mee: uit Haifa kwam ook mijn jongste zus, Dine Sjpiro, me opzoeken. Haar liefde voor Erets Jisroël was zo groot, dat ze niet alleen haar familieleden en kennissen, maar gewoon iedereen die ze tegenkwam probeerde te overtuigen om naar Erets Jisroël te gaan.

De paar warme zomermaanden dat mijn kleindochter van zes vakantie had (ze zat op een Roemeense school) gingen we naar Karolino-Buhaz, een kuuroord aan de Zwarte Zee, heel dicht bij de Russische grens. We logeerden bij een Russische familie en ‘s avonds konden we de verlichte huisjes zien van het dorp aan de andere kant van de grens. Het belangrijkste middel van bestaan van de bevolking van Karolino-Buhaz was de visserij en daarnaast hadden ze uitgestrekte wijngaarden. Niet ver van Karolino-Buhaz lag het bekende kuuroord Sjabo, waar longpatiënten een speciale druivenkuur ondergingen. De bevolking van Sjabo bestond uit Duits- en Franstalige Zwitsers. Bessarabië was een ongewoon vruchtbaar land, niet alleen rijk aan graan, maar ook gezegend met een overvloed aan allerlei soorten groente, fruit en zuivelproducten. In die tijd was er zelfs wat je noemt een voedseloverschot. Zelfs onze joodse bevolking was dan ook meer verzadigd van het eten dan van de Toire… Er was geen stukje roggebrood te krijgen. Toen wij daarvan opkeken, zeiden de mensen bij wijze van grap:

‘Hier eten we iedere dag challe…’

Maar dat was nog niet alles. Bessarabië had ook, net als ooit Egypte, de grote “vleespotten” en de echte “vis”. Eén gebeurtenis in het zeebad Karolino-Buhaz is me bijgebleven: op een mooie ochtend zagen we dat kilometers kust bedekt waren met bergen vis van allerlei soorten, waardoor je het strand niet op kon. Dergelijke dingen gebeurden daar volgens de inwoners heel vaak. De sterke golfslag, veroorzaakt door de wind, dreef enorme hoeveelheden vis van allerlei soorten en maten naar de kust, van het kleinste sardientje tot een bot van tien kilo.

Meteen kwamen er uit de nabijgelegen stad Bilhorod-Dnistrovski honderden wagens en tot laat in de avond werd de visoverstroming op het strand opgeruimd.

Toen ik van Karolino-Buhaz terugkwam in Kisjinjov vond ik de door mijn zus uit Warschau doorgestuurde categorische weigering van het Sovjetconsulaat om mij een inreisvergunning voor Moskou te verlenen. Een reden noemden ze niet. Een tweede aanvraag kon pas na een jaar worden ingediend.

Mijn zus uit Haifa ging ondertussen voor de Hoge Feestdagen naar Warschau en Białystok om haar andere broer en zus op te zoeken. Na het negatieve bericht over Moskou lieten mijn dochter en mijn schoonzoon mij niet gaan en daarom bleef ik in Kisjinjov.

Mijn kleindochtertje, de zevenjarige Hemda, ging weer naar de Roemeense school. Maar thuis verkeerde ze nu niet alleen in een joods, maar zelfs in een zionistisch milieu.

In die tijd kwam in Kisjinjov dr. Emanuel Olsjvanger op bezoek als afgezant van Keren Ha-Jesod. Hij was vaak bij ons te gast. Verder kwam Zeëv Zjabotinski z’’l naar Kisjinjov om propaganda te maken. Er was toen genoeg leven in de stad. De mensen gingen van de ene meeting naar de andere. Ze voerden thuis verhitte discussies; onder onze kennissen waren ook revisionisten. Onze kleine meid luisterde ook naar de discussies bij ons thuis. Op een keer kwam ze naar me toe en zei:

‘Weet je, oma, ik kan revisionist worden, want ik kan al vechten.’

Zo gaf ze een korte en bondige samenvatting van het wezen van het revisionisme.

Ze kwam een keer opgewonden uit school, fluisterde met haar moeder in de andere kamer en zei niets tegen mij. Later vertelde mijn dochter dat Hemda huilend bij haar was gekomen en gevraagd had niet aan oma te vertellen dat ze die dag godsdienstles hadden gehad. De leraar was een Russische pope, die de kinderen liet knielen, en zij wilde niet meer naar die lessen toe. De volgende morgen ging mijn dochter naar de school om uit te leggen dat zij joden waren en voor hun dochtertje vrijstelling van de godsdienstlessen te vragen. Dankzij dat incident kregen de andere joodse kinderen ook meteen vrijstelling van de christelijke godsdienstlessen, die aanvankelijk voor iedereen verplicht waren.

Nadat ik besloten had de winter in Kisjinjov te blijven, begon ik de kleine Hemda Hebreeuws te leren. Mijn dochter had daar helemaal geen bezwaar tegen, maar mijn schoonzoon bracht ertegen in dat Hemda in haar kinderhoofdje al een wirwar van vier Europese talen had en dat hij het geen goed idee vond haar nog verder in de war te brengen met een vijfde taal, die bovendien Oosters was. Ik antwoordde dat ik hem geen bouwtechnische advies zou geven, als hij mij geen pedagogische adviezen gaf.

Eerlijk gezegd verwachtte ik heel weinig van mijn experiment. De vier talen die Hemda sprak: Russisch, Pools, Roemeens en Duits, hadden immers niets met Hebreeuws te maken. Maar er gebeurde iets bijzonders: al vanaf de eerste les was het kind zo geïnteresseerd en leerde zo ijverig en makkelijk, dat ze haast niet kon wachten tot de volgende les. In de loop van de winter werd ze een echt studiehoofd, maar ging vooral veel van de taal zelf houden. Natuurlijk kon je geen Hebreeuws leren los van Erets Jisroël en het duurde niet lang of het meisje begon van het Land te houden en fantaseerde er de hele tijd over.

 

Woordenlijst

Plaatsnamen zijn weergegeven in hun hedendaagse Poolse, Oekraïense, Russische, Roemeense enz. vorm. Dit leidt weliswaar tot anachronismen, maar vergemakkelijkt het zoeken in een atlas. Een consequente transliteratie van Hebreeuwse en Jiddisje woorden is trouwens niet mogelijk. Hebreeuwse woorden in de context van Oost-Europa zijn gespeld volgens de Asjkenazische uitspraak; de klemtoon ligt dan gewoonlijk op de voorlaatste lettergreep. Hebreeuwse woorden in de context van Erets Israël, het Mandaatgebied Palestina, zijn gespeld volgens de moderne Israëlische uitspraak; de klemtoon ligt dan meestal op de laatste lettergreep. Zo wordt de Oost-Europese “Tóire” in Erets Israël “Torá”. Er is afgezien van een consequente spelling bij namen die overbekend zijn in een andere spelling, zoals “Herzl” en “Weizmann” in plaats van “Hertsl” en “Vaitsman”. Het Groene Boekje maakt onderscheid tussen “joods” (in religieuze zin) en “Joods” (in etnische zin). Het verschil tussen religie en etniciteit is echter lang niet altijd duidelijk en daarom is “joods” hier consequent met een kleine letter gespeld.

 

abba: papa.

afikoimen (afikoman): stukje matse waarmee de Pesachmaaltijd wordt besloten.

agode (aggada): het verhalende deel van de Talmoed.

Agoedat Israël: orthodox-religieuze antizionistische partij.

Agoede: wereldorganisatie van streng-religieuze joden.

agoene: vrouw die gescheiden leeft van haar echtgenoot, zonder van hem een get gekregen te hebben.

Algemene Zionisten: niet-religieuze zionisten.

alië (alia): emigratie of emigratiegolf naar Palestina.

“Alle Israëlieten zijn verantwoordelijk voor elkaar”: Talmoed Sjavoeot 39.

“Alle pracht van de prinses zit van binnen”, ook vertaald als “Stralend wacht de koningsdochter binnen”: Psalm 45:14.

askole: school.

assimilatie: aanpassing aan de (christelijke) meerderheid in de maatschappij.

babcia: oma (Pools).

baksjisj: smeergeld.

ballingschap: het verblijf van de joden buiten Erets Israël.

balzaciaanse leeftijd van de vrouw: middelbare leeftijd van een bemiddelde vrouw, die bemind wordt door een jongere man. Naar de 19e-eeuwse Franse auteur Balzac.

bar-mitsve (Bar-mitsva): religieus meerderjarige Jood, ook de plechtigheid waarin hij op dertienjarige leeftijd religieus meerderjarig wordt.

bekering: d.w.z. tot het christendom.

Bnee Moisje (Benee Mosjee): “zonen van Mozes”. Militante, geheime zionistische organisatie.

Bnee Tsiën: “zonen van Zion”. De eerste legale zionistische organisatie in Warschau.

Bnois Tsiën: “dochters van Zion”. Organisatie van zionistische vrouwen in Polen.

bes-medresj (beth midrasj): de synagoge als leerhuis.

bime (bima): het podium in de synagoge, waar de Tora gereciteerd wordt.

Birobidzjan: Joodse Sovjetrepubliek in Siberië.

Boend: Joodse socialistische partij in Polen, Litouwen en Rusland.

“Boï hena jaldati”: (Hebreeuws) “Kom hier, mijn kleine meisje.”

bolsjewieken: Russische communisten.

borden breken: een gewoonte bij een bruiloft die geluk moest brengen.

brooche: zegen.

Brood- en lichtketters: religieuze sekte in de late Oudheid en de vroege Middeleeuwen, waarvan aanhangers beweerden dat zij brood in licht konden veranderen.

chadoriem mesoekoniem: gemoderniseerde religieuze lagere scholen.

chalietse: ceremonie ter vermijding van het zwagerhuwelijk, waarbij een weduwe moest trouwen met de broer van haar overleden man.

challe: gevlochten brood, gegeten op sjabbat.

Chanoeke (Chanoeka): feest in december ter herinnering aan de herinwijding van de Tempel na de ontwijding door de Syriërs.

Charlotte: modieuze versie van de naam Sjeindl.

chassidiem: aanhangers van een Joodse, piëtistische religieuze beweging in Oost-Europa.

chazzen (chazan): voorzanger in de synagoge.

cheider: Joodse religieuze lagere school.

cheirem: excommunicatie.

chesjvan: maand van het Joodse jaar (oktober/november)

Chibes-Tsiënbeweging (Chibbat-Tsionbeweging): zionistische beweging in Rusland vóór het ontstaan van het politieke zionisme.

Choemesj: de vijf boeken van Mozes, de eerste vijf Bijbelboeken.

choepe (choepa): baldakijn boven het bruidspaar.

Chovevee Sefat Ever: Liefhebbers van de Hebreeuwse Taal.

Chovevee Tsiën (Chovevei Tsion): Liefhebbers van Zion, voorlopers van de moderne zionisten.

Cohen: Volgens de joodse wet mocht een Cohen (“priester” in het Hebreeuws) geen gescheiden vrouw trouwen.

Comintern: samenwerkingsverband van communistische partijen onder leiding van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.

dajen (dajan): rabbinale rechter.

dávvenen: bidden.

“De dag is kort en het werk is lang”: Pirkei Avot 2:20.

“De eerste vrucht van zijn mannelijke kracht”: Genesis 49:3.

“De hemel is de hemel van de Eeuwige, de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven”: Psalm 115:6.

“De Toire moet gestudeerd worden”: parafrase van Talmoed Berachot 62a.

“De wegen naar Tsiën (Zion) treuren”: Klaagliederen 1:4.

“De Wet bestaat alleen voor degene die zijn leven ervoor overheeft”: parafrase van Talmoed Berachot 63b.

diaspora: de Joodse wereld buiten Israël.

doema: het Russische parlement.

doenam: oppervlaktemaat (1000 m2).

droosje: preek.

“Een fatsoenlijke vrouw doet wat haar man wil”: Tanna Devei Elijahoe Rabba 9.

“Een meisje de Toire leren is haar losbandigheid leren”: Talmoed Misjna Sota 20a.

einhore: het boze oog.

Ein Jankev (Ein Jaäkov): verzameling legenden uit de Talmoed.

ellel (elloel): maand van het Joodse jaar (augustus/september). ellel 5705: augustus-september 1945.

Endecja: antisemitische politieke beweging in Polen.

“En hij [de echtgenoot] zal over je heersen”: Genesis 3:16.

Erets Jisroël (Erets Israël): het Land Israël.

Esjel: Onderdak, organisatie voor hulp aan weeskinderen.

Et Livnos (Et Livnot)-fractie: Een tijd om op te bouwen: factie in de Algemene Zionisten.

Ezrat Joldos (Ezrat Joldot): Hulp voor Zwangere Vrouwen.

firzogerin: voorleesster.

galoet: diaspora, de Joodse wereld buiten Israël.

geassimileerd: aangepast aan de christelijke meerderheid in de maatschappij.

Gemore (Gemara): Een onderdeel van de Talmoed.

get: scheidingsakte. Alleen de man kon het initiatief nemen tot een scheiding.

goj, meervoud gojim: niet-Jood.

gojs: niet-Joods.

goles (galoet): diaspora, de Joodse wereld buiten Israël.

gouden kalf: afgodsbeeld. Exodus 32.

Grabski-kar: Grabski: Pools minister in de jaren 1920. De naar hem genoemde kar haalde de bezittingen op van degenen die hun belasting niet konden betalen.

gzjivke: haarstukje.

Ha-Chinech (Ha-Chinoech): De opvoeding, de scholing.

Ha-Cholets (He-Chaloets): De pionier.

Hadassa-ziekenhuis: het eerste ziekenhuis in Jeruzalem.

Hagana: illegale Joodse militaire organisatie in Palestina.

Ha-Pojel (Ha-Poël): De Werker, socialistisch-zionistische partij in Palestina.

Ha-Sjomer Hatseïr (Ha-Sjomer Ha-Tsaïr): De Jonge Wachter, socialistisch-zionistische jeugdbeweging in Palestina.

Haskole (Haskala): de Joodse Verlichting.

Ha-Tikve (Ha-Tikva): De Hoop, feministisch-zionistische organisatie.

Ha-Tikva: De Hoop, volkslied van Israël.

Ha-Tsefire (Ha-Tsefira): Hebreeuws tijdschrift (1862-1931).

Havdole (Havdala): het afsluitende gebed van sjabbat.

“Het dienstmeisje van de rabbijn”: het voorbeeldige dienstmeisje van de beroemde Joodse rabbijn Jehoeda Ha-Nasi (135-217).

“Hij [Jakob] bewaarde het woord in zijn hart”: Genesis 37:11.

Histadroet Ha-Ovediem: Vakbond van Werkers.

Histadroet Nasjiem Ivriot: Organisatie van Hebreeuwse Vrouwen.

Histadroet sjel Nasjiem Ha-Tsionot: zie WIZO.

Hitachadoet Nasjiem Ivriot Le-Sjivoei Zchoeiot: Hebreeuwse Vrouwenbond voor Gelijke Rechten.

“Hoe meer iemand uitsteekt boven zijn naaste, des te sterker zijn zijn kwade neigingen”: Talmoed Soekka 52.

Hoge Feestdagen: Rosj Ha-Sjana (Joods Nieuwjaar) en Jom Kippoer (Grote Verzoendag).

Homen (Haman): figuur uit het bijbelboek Esther, die het Joodse volk wilde vernietigen.

homens-oren (Hamans-oren): koekjes, gegeten tijdens Poeriem, genaamd naar Haman.

IJzeren Garde: Roemeense fascistische en antisemitische organisatie.

Jaldoes (Jaldoet): jeugd.

Jasjke en Stasjke: Russische paren.

Jefas-tojer (Jefat-toar) en jefas-mare (jefat-mareh): “Een goed figuur en een mooi uiterlijk”: Esther 2:7.

Jehoedia: Jodin.

jesjieve: Talmoedhogeschool.

jesjieveboocher: student aan een Talmoedhogeschool.

Jevsektsië: Joodse secties van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.

JFA: Joodse Vrouwen Organisatie.

jiches: afkomst uit goede familie.

jisjev (jisjoev): de Joodse gemeenschap in Palestina.

JKA: Joodse Kolonisatie Organisatie.

Joint: American Joint Distribution Committee, Amerikaanse filantropische organisatie.

Jom Kipper (Jom Kippoer): Grote Verzoendag.

Joodse Legioen: Organisatie van Joodse oud-strijders in Britse dienst in de Eerste Wereldoorlog.

Joods Nationaal Fonds: fonds voor de aankoop van land in Palestina.

kehille: Joodse religieuze gemeente.

Keren Ha-Jesod: organisatie voor onder andere het bevorderen van immigratie naar Palestina.

Kern Kajemes (Keren Kajemet): fonds voor de aankoop en ontwikkeling van land in Palestina.

kislev: maand van het Joodse jaar (november/december). kislev 5686: december 1925.

klaus: kleine synagoge in Oost-Europa.

kolchoz: collectief landbouwbedrijf in de Sovjet-Unie.

Kol Nidre: gebed waarmee de avonddienst van Jom Kippoer begint.

Koningsbergen: het tegenwoordige Kaliningrad.

koosjer: ritueel geoorloofd.

kopeke: een honderdste van een roebel.

Korka: bedoeld is misschien Borca.

“Laat het ons gaan als voorheen”: Klaagliederen 5:21. Gezegd in de synagoge bij het plaatsen van de Tora in de ark.

Leibele: Leootje, verkleinwoord van Leo (Trotski).

Lehitraot ba-arets: (Hebreeuws) ‘Tot ziens in het Land.’

lernen: Tora en Talmoed studeren.

“Let op de kinderen van de armen, want van hen komt de Tora”: Talmoed Nedarim 81.

“Liever de dood dan de zonde”: Talmoed Pesachim 25b.

Litvatsjke: Litouwse Jodin. Litouwers hadden de naam koel en rationeel te zijn.

Mamelosjn: “moedertaal”, dat wil zeggen Jiddisj.

Mandaat: Palestina onder Brits beheer (1917-1948).

Manifest van 17 oktober [1905]: manifest van de tsaristische regering van Rusland met een aantal concessies aan de revolutionairen.

Mapai: socialistische arbeiderspartij.

maskel (maskil), meervoud maskilim: aanhanger van de Joodse Verlichting.

Menoire Ha-Moër: “De lichtende kandelaar”, religieus werk uit de 16e eeuw.

mentsj: volwassen, integer persoon.

Meron: berg in Galilea.

midresj (midrasj): exegese.

Mikve Israël: de eerste landbouwschool in Palestina.

minjen (minjan), meervoud minjoniem: quorum van tien mannen, nodig voor bepaalde Joodse gebeden.

misnaged, meervoud misnagdiem: voorstander van een rationele uitleg van de Joodse wet.

mitsve: religieus gebod.

Mizrochi (Mizrachi): religieus-zionistische partij.

Moisej: Russische versie van de naam Moisje.

Moment: Jiddisj dagblad in Warschau.

Moisje rabbenoe: Mozes, onze leraar.

Nansen-pas: door de Volkenbond verstrekt reisdocument voor vluchtelingen.

Neïle (Neïla): laatste deel van de dienst van Jom Kippoer.

“Niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij [Mozes]”: Numeri 12:3.

oder (adar): maand van het Joodse jaar (februari/maart).

“Oe-mibsari echezeh eloha”: “Toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen”: Job 19:26.

olehasjolem: Hij ruste in vrede.

ORT: Organisatie voor Rehabilitatie van joden door Training.

Pawiak: gevangenis in Warschau.

Peirek: Pirkee avot, “Uitspraken van de vaderen”, Misjnatraktaat met ethische uitspraken.

Peisech (Pesach): feest in de maand nisan (maart) ter herinnering aan de uittocht uit Egypte.

Peterhof: voorstad van Sint-Petersburg met paleizencomplex van de tsaren.

Petrograd: Sint-Petersburg (1914-1924).

Poale Tsiën (Poalei Tsion):

Poea: met Sjifra een van de twee vroedvrouwen van de Israëlieten tijdens de ballingschap in Egypte. Exodus 1:15.

Poerim: feest in de maand adar (februari) ter herinnering aan de verlossing van de joden in Perzië uit de handen van Haman.

pogrom: gewelddadige actie tegen joden.

polner mentsj: een complete mens.

progymnasium: gymnasium met beperkt aantal leerjaren.

propoesk: (Russisch) pas.

pruik: gedragen door vrome Joodse vrouwen over hun eigen haar.

Rasji: rabbijn (1040-1105), auteur van het bekendste commentaar op de Bijbel en de Talmoed.

Reb: Jiddisje aanspreekvorm van een man.

Rebbe: chassidische rabbijn.

revisionist: lid van een zionistische fractie, voorstander van gewapende verovering van Groot-Israël.

roebel: Russische munteenheid.

“roepende in de woestijn”: Jesaja 40:3.

Rosjesjone (Rosj Ha-Sjana): Joods Nieuwjaar (september/oktober).

Russisch-Polen: Polen als deel van het Russische rijk (1815-1915).

Salje: Russische versie van de naam Sore/Sara.

Salke: diminutief van de naam Sore/Sara.

Sedre: Bijbelpassage die in een bepaalde week in de synagoge wordt gelezen.

Seider: ritueel feestmaal op Pesach.

Sejm: Pools parlement.

Sejmisten: Poolse parlementsleden.

Simches Toire (Simchat Tora): Vreugde der Wet, viering van het bestaan van de Tora.

sjabbes (sjabbat): zaterdag, Joodse rustdag.

Sjachres (Sjacharit): Dageraad.

Sjehechejanoe: lofzegging voor het genieten van iets nieuws.

sjevat: maand van het Joodse jaar (januari/februari).

Sjifra: schoonheid, gratie, helderheid.

sjochet: Joodse rituele slachter.

sjoel: synagoge.

sjtetl: kleine stad in Oost-Europa met een Joodse gemeenschap.

smiche: rabbinale bevoegdheid.

soebotniks: judaïzerende christelijke sekte in het Russische rijk.

Soekes (Soekot): Loofhuttenfeest, ter herinnering aan de tocht tussen de uittocht uit Egypte en de intocht in het Beloofde Land.

Sore: Sara.

Sórele: Saraatje.

spets: (Russisch) specialist, expert.

“sterke vrouw”: Prediker 31:10.

Taitsj Choemesj: Jiddisje versie van de vijf boeken van Mozes, met toegevoegde rabbijnse verhalen, vooral gelezen door vrouwen.

Talmoed: omvangrijk en gezaghebbend commentaar op de Misjna en de Tora.

tammez (tammoez): maand van het Joodse jaar (juni/juli).

Tarboes (Tarboet)-scholen: seculiere zionistische scholen met Hebreeuws als studievak.

teives (tevet): maand van het Joodse jaar (december/januari).

Tenach: de Hebreeuwse Bijbel.

Tisjebov (Tisja Beav): treurdag om de verwoesting van de Tempel.

tisjri: maand van het Joodse jaar (augustus/september).

toehoorder: Joodse student die niet als gewoon student aan een universiteit mocht studeren.

Toesjia: wijsheid, inzicht.

Toire (Tora): de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel.

treife: niet-koosjer.

Tseïre Tsiën (Tseïree Tsion): Socialistische arbeidersbeweging binnen het zionisme.

Tsenoeë: vrome, discrete vrouw.

Verdedigers van de Taal: pressiegroep in Palestina ter bevordering van het gebruik van Hebreeuws en ter bestrijding van andere talen.

Verklaring van Balfour: verklaring waarmee het Verenigd Koninkrijk in 1917 de zionistische plannen voor een Joods nationaal tehuis in Palestina ondersteunde.

Verplichte Woongebied (Tsjerta): het gebied in het westen van het tsaristische Rusland waarbuiten joden zich niet mochten vestigen.

Vilner Troepe: toneelgezelschap, opgericht in Vilna in 1915.

vleespotten (van Egypte): materiële welvaart in het ontvluchte land. Exodus 16:2.

“Voor alles wat gebeurt is er een uur, een tijd voor alles wat er is onder de hemel”: Prediker 3:1.

“Want de mens is een boom in het veld”: Deuteronomium 20:19.

“We verlangen terug naar de vis”: Numeri 11:5.

“Wie geld wil verliezen, handelt in glas”: parafrase op een uitspraak in Talmoed Baba Metzia 29.

“Wie zijn dochter de Toire leert, leert haar obsceniteit”: Talmoed Sota 20a.

Wijzen: geleerde en charismatische Joodse religieuze leiders.

Witten: tegenstanders van de Roden (bolsjewieken) in de Russische revolutie.

WIZO: Women International Zionist Organization.

“Zet een hek om de wet van het zionisme”: variant op een rabbijnse uitspraak “Zet een hek om de Tora.”

“Zien is beter dan horen”: parafrase van Talmoed Rosj Ha-Sjana 25b.

Zionistisch Congres: hoogste orgaan van de zionistische wereldbeweging. Kwam voor het eerst bijeen in 1897.

z”l: “zichroine livrooche”, zaliger nagedachtenis.

“Zonder meel geen Tora”: Misjna Avot 3:17.

 

hoofdstukken 33-35