Hoofdstuk VI

afb 6

 

1

‘Water! Er komt water naar binnen!’

Het goede nieuws verspreidde zich van de ene naar de andere kant van de grot. Tham en Be gingen overeind zitten op hun bed bij de brandende kaarsen en keken toe. Daarna vertelden de jongens dat het water langs de wanden droop. Binnen lichtte Nam Nho Quyen al bij, die het druppel voor druppel in de kruiken opving. Het vrolijke geluid klonk crescendo. Toen het in een dof getrommel overging, kwam het water in stralen naar beneden en werd veel helderder. Quyen hield de kruik voorzichtig vast en verloor de straal niet uit het oog. Op de rotsen ernaast stroomde aan alle kanten water.

De kruik werd steeds zwaarder. Quyen keek erin en zag dat hij halfvol was.

‘Nu zullen we geen dorst meer hebben,’ zei ze.

‘Zet de kruik maar op de grond,’ zei Nam Nho. ‘Waarom moet je hem vasthouden?’

Quyen zette de kruik op de grond en keek met stralende ogen naar het water dat uit de rotsen opwelde.

‘Vandaag hebben we zonder enige moeite twee overwinningen behaald. Daarnet die poging om ons uit te roken en nu de regen. Het moet wel een wolkbreuk zijn buiten.’

‘Nou en of!’

‘De hemel is ons welgezind. Geen zorgen meer. We hebben rijst en water. We moeten nog zien dat ze ons hieruit krijgen!’

‘Ze zijn bang dat er dynamiet gebruikt zal worden.’

‘Dat leidt tot niets. We gaan een beetje verder de grot in en na de ontploffing komen we terug. Net als bij de duizend granaten een tijdje geleden.’

De kruik raakte vol. Er liepen druppeltjes over de rand. Nam Nho maakte de kaars vast op een steen en vouwde het vierkante stuk plastic uit dat ze onder haar arm droeg. De twee meisjes lieten het vollopen met water. Dat was gauw gebeurd. Quyen knoopte de hoeken aan elkaar en zei:

‘Breng jij al het keukengerei even hier, Nam Nho?’

Maar even later kwam ze terug met de mededeling dat alles vol was, omdat de mannen er al aan gedacht hadden. Quyen ging op haar hurken zitten en keek met spijt naar al het wegstromende water. Daarna ging ze op handen en knieën zitten en deed haar mond open om de straal water op te vangen. Toen haar dorst gelest was, veegde ze haar lippen af en zei lachend tegen Nam Nho:

‘Nu jij!’

Dat liet Nam Nho zich geen twee keer zeggen.

‘Blijf jij hier?’ zei Quyen. ‘Dan ga ik de anderen halen.’

Toen ze alleen was en haar dorst gelest had, ging Nam Nho onder de waterstraal zitten om een bad te nemen. Het water stroomde over haar haren en haar gezicht en plakte haar kleren aan haar weelderige lichaam.

Toen ze terugkwam, riep Quyen:

‘Neem je een douche? Goed idee, dat doe ik ook! Alles is vol, er is niets meer om water in op te vangen.’

Nam Nho stond op, hield haar hoofd nog één keer onder de douche en maakte plaats.

Nu was Quyen aan de beurt om te gaan zitten.

Ze haalde de speld uit haar haren en stak die tussen haar lippen. Het water stroomde over haar glanzende haar, bereikte het zuivere ovaal van haar gezicht, dat goed uitkwam in de weerschijn van de kaars, liep in haar nek, op haar schouders en over haar borst. Haar zwarte kleding kleefde aan haar sierlijke lichaam. Ze leunde een beetje achterover om al haar lokken een beurt te geven.

Toen ze aan haar voeten toe was, werd de waterstroom al minder.

‘Het houdt op met regenen,’ zei Nam Nho. ‘Laten we ons verkleden!’

En ze ging weg. Quyen bleef zitten om de laatste druppels op te vangen met haar gezicht en stond vervolgens op om met de kaars naar haar bed te lopen. Ze zag Ngan naast Thuy liggen, met zijn arm als kussen onder haar hoofd.

‘Ngan, geef me mijn zijden kleren eens aan!’

‘Heb je een bad genomen? Is het koud?’

‘Lekker fris!’

Ngan pakte de kleren en gaf ze aan zijn verloofde.

‘Je moet je gauw verkleden. Anders vat je kou.’

Quyen verkleedde zich in stilte. Ze wrong haar doorweekte spullen uit en spreidde ze uit op de rots. Vervolgens klom ze naast Ngan op de slaapplaats, strekte haar benen uit en begon haar haren af te drogen. Ngan haalde zijn arm onder Thuys hoofd vandaan en kwam overeind. Hij nam zijn verloofde de kam uit handen, gaf haar een steuntje in haar schouders en kamde haar haar. Het meisje bleef goed stilzitten en staarde in het donker. Onder andere omstandigheden zou ze geglimlacht hebben. Nu bewogen haar lippen niet. Ngan kamde haar haar zoals hij het bij zijn jongere zus gedaan zou hebben. Hij zweeg ook. Sinds de dood van Su was hij zorgzamer voor zijn verloofde en deed zijn best om haar te troosten. Nu Su verdwenen was, was het zijn taak om Quyens leed te verzachten. Nadat hij vannacht de wacht had gehouden was hij naast haar gaan liggen en had haar schouders gestreeld tot ze ingeslapen was. Daarna was hij teruggegaan naar zijn kameraden.

En nu kamde hij haar haren. Ze waren vochtig, maar niet koud en de tederheid verwarmde ze.

‘En je haarspeld?’

Quyen reikte die gehoorzaam aan.

Nauwelijks was hij klaar of Quyen keerde zich naar hem toe, drukte haar gezicht aan zijn borst en huilde bittere tranen. De schouders van het meisje schokten van het snikken. Ngan liet haar even begaan.

‘Kom, nu niet meer huilen, liefje, ik zei… Mijn hart wordt verscheurd… als ik aan Su denk… Ze wachtte… wachtte onvermoeibaar op haar man. Nu is alles afgelopen tussen die twee! Vanmorgen bekeek ik het papier dat ze in haar zak bewaarde. Stel je voor… Het was de brief van San die ze net gekregen had. En het begin van een antwoord. Ze had nog net de tijd om te schrijven: “Lieveling, ik heb daarnet je brief gekregen” en dat was het.

‘Je hebt hem toch wel bewaard?’

Ngan dacht aan San. Hoe zou hij na deze ongelukstijding kunnen blijven waar hij was? Door die verschrikkelijke tweedeling van het land waren heel wat jonge vrouwen in een vuurstorm terechtgekomen. Wat waren er veel jonge jaren heengegaan met wachten en met strijd! Jaar na jaar volgden de beproevingen elkaar op. In het begin was het nog makkelijk. Het derde jaar was het al moeilijker geworden. Ngan had gezien hoe ontelbare vrouwen zich erdoorheen sloegen. Het leed en de tijd had hen ouder gemaakt, maar ze waren kalm gebleven en gehard. Zeker, Ngan had ook vrouwen gekend die het niet aankonden. Maar Su hoorde tot de eersten. Ze was het zevende jaar ingegaan, het laatste van haar leven.

‘Ze is als heldin gestorven, Quyen!’

‘Ja, maar toch heb ik medelijden met haar.’

‘Ik ook… Net als iedereen trouwens. Maar jij lijdt er natuurlijk meer onder dan de anderen. Huil nu maar, liefje, als je morgen…’

‘Morgen zal ik niet meer huilen.’

‘Dan is het goed. Als de vijand klaarstaat om ons aan te vallen, moeten we onze tranen drogen en helder uit onze ogen kijken om terug te kunnen slaan.’

‘Ik ben bang dat Thuy te weten komt dat Su dood is.’

‘Vroeg of laat komt ze het te weten. Maar het is beter als dat pas na deze actie gebeurt.’

Quyen zweeg en beet in Ngans elleboog. Daarna zei ze opeens:

‘Je maakt me de hele tijd verwijten.’

‘Helemaal niet!’

‘Jawel, daarnet nog!’

Ngan begon te lachen:

‘Jij bent de jongste en je liet je door ma altijd verwennen. Ik heb niets gezegd wat op een verwijt lijkt.’

‘Goed, goed!’

Lachend ging Ngan verder:

‘Goed, ga maar lekker slapen. Want morgen zijn ze er nog steeds. Dan is het een week.’

‘Het lijkt veel langer.’

‘Dat is altijd wanneer je zit te wachten tot het ophoudt.’

‘Dat is het niet. Maar er is in deze week te veel gebeurd.’

‘Dat is waar. En dat waren nog maar zeven dagen. Denk eens aan die zeven jaar vol drama’s in Zuid-Vietnam! Offers, haat, heldendom, alles bij elkaar.’

‘Ik heb al die nachten geen oog dichtgedaan.’

‘Doe dat dan nu maar. Ik ga naar de anderen. Het zal wel opgehouden zijn met regenen.’

Quyen spitste haar oren. Ze hoorde geen regendruppels meer uit de spleten in de rotsen vallen. Ngan kuste zijn verloofde en ging weg op het moment dat de kaars een laatste keer opflakkerde alvorens uit te doven.

Even later kwam Ut:

‘Slaap je, zus?’

‘Ben jij het, Ut?’

‘Ja!’

Quyen kwam overeind en hielp de jongen op de rots te klimmen. Hij had koude handen, halfdoorweekte kleren en vochtige haren.

‘Heb je gedoucht?’

‘Ja!’

‘Heb je het al gehoord? Ze hebben Xam onthoofd in het dorp!’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg Quyen stomverbaasd.

‘Ca My kwam rijst brengen, weet je dat dan niet?’

‘Waar is Ca My?’

‘Ze is nu weer weg… Ze kwam toen het stortregende. Ze vertelde dat onze mensen Xam en zijn ordonnans hebben gedood. Zijn moeder is gevlucht. En toen moest Ca My heel hard huilen, ik weet niet waarom. De soldaten hebben iets met haar gedaan, geloof ik.’

‘Heb je Ca My gezien?’

‘Ja, ik was erbij… Toen het heel hard regende hoorde je haar roepen: “Broers, ik ben het, Ca My!” Ik ben met de anderen naar buiten gegaan. Ca My bracht de etenswaren naar binnen, vertelde wat er gebeurd was en begon te huilen. Toen is ze weggegaan terwijl het bliksemde, ik zag dat haar kleren gescheurd waren!’

Ut praatte haastig en hijgend. Hij verzekerde dat hij de waarheid gesproken had. Daarna pakte hij Quyens hand:

‘Kom dan, als je me niet gelooft!’

Quyen stapte van haar rots en volgde de jongen. Ze kwam Hai Thep tegen.

‘Is Ca My hier geweest, broer?’

‘Ja, ze heeft levensmiddelen en tabak gebracht. Het is echt een topprestatie dat Xam geliquideerd is!’

‘Dat is dus waar! Ik wilde Ut niet geloven.’

‘Het is echt waar! En mevrouw Ca Xoi is verdwenen!’

‘Die zal wel bij ons zijn, bij de vissers,’ interrumpeerde Ut.

‘Hoe weet je dat nu?’

‘Bij ons is het ideaal! Daar vinden ze haar niet.’

Hai Thep keerde zich naar Quyen:

‘Dat arme meisje! Ca My heeft echt een hart van goud. Toen ze huilde, wilde ik weten waarom. Ze zei alleen maar: “Nee, nu niet, oom! Ik zal het vertellen als jullie allemaal de grot uit zijn.” Toen rende ze hard weg. Haar kleren waren gescheurd.’

‘Goede hemel!’

Het was eruit voor ze het wist. Maar meteen zweeg Quyen en beet op haar vingers. Ze zag het bruine gezicht van Ca My voor zich met de stralende ogen, die nog vochtiger waren dan gewoonlijk. Onschuldige, haast naïeve ogen. Quyen herinnerde zich haar schaterlach wanneer ze naar de bron ging, haar krullende haar, dat op haar voorhoofd viel, het lied De prins die het monster velde, dat ze bij het weven van jutezakken zong. Iedere avond ging ze naar de bron, zette haar kruik op de grond en improviseerde een dans met haar vingers bij elkaar. In een flits zag Quyen al deze kanten van Ca My bij elkaar. En wat had ze haar een klinkende zoen op haar wangen gegeven!

Quyen had veel medelijden met Ca My, die door de soldaten onteerd was. Toch kon ze het nog niet helemaal geloven.

‘Nee,’ zei ze tegen Hai Thep, ‘je weet het niet, je weet het niet!’

Ondanks alles was ze er nog niet van overtuigd dat er met Ca My iets ergs was gebeurd.
 

2

De volgende dag was de hemel volkomen helder. De door de regen schoongewassen bomen toonden hun glanzende gebladerte.

Er leek geen aanval op komst. In de oude stal waar ze ondergebracht waren, telden Co en zijn drie vrienden vol spanning de uren. Ze hoopten van ganser harte dat hun vóór het uur waarop ze met mevrouw Ba Ou hadden afgesproken niets zou overkomen. Maar helaas werd Co die middag bij de luitenant geroepen.

‘Breng je groep hierheen en sluit je aan bij de compagnie!’

Co moest zich bedwingen om niet over zijn hele lichaam te beven. Met ingehouden adem luisterde hij naar de order van zijn superieur:

‘Vanavond is er een filmvoorstelling voor de Vietcong en de bevolking. Het is jullie taak om te helpen bij de installatie.’

‘Begrepen, luitenant!’

De korporaal slaakte een zucht van verlichting.

‘Met onmiddellijke ingang, luitenant?’

‘Jawel!’

Co dacht bij zichzelf: “Wat vervelend: hoe moet dat nu met de afspraak?” Terug in zijn stal gaf hij de order door aan zijn groep en nam een van de drie samenzweerders apart:

‘Ga jij gauw naar mevrouw Ba Ou en zeg dat we bezet zijn. Vraag of ze de afspraak kan verschuiven naar zeven of acht uur. En kom me dan vertellen wat ze zei.’

Toen hij Co met zijn groep zag, vroeg de ondercommandant van de compagnie:

‘Komen jullie voor het opstellen van het scherm?’

‘Ja, luitenant!’

‘Goed, kom maar mee!’

Ze begaven zich naar de kaneelappelplantage. Daar zaten al vrouwen en ouderen, bewaakt door een paar soldaten.

Onder deze ongelukkigen herkenden ze Tu Rau, de vader van Ut, die opgepakt was toen hij naar het dorp ging om vis te verkopen. Hij was in een heel slecht humeur en mopperde de hele tijd:

‘Ze kunnen me niet zomaar oppakken! Wie past er op mijn visserijbedrijf? Ik heb trouwens geen idee wat voor rotkarwei ik hier op moet knappen!’

‘Dat vertellen we nog wel! Houd op met dat gezeur over één dag niet vissen. Denk eens wat minder aan geld verdienen, verdomme! Het is toch in jullie belang dat we tegen de Vietcong vechten?’

‘Laat mij erbuiten,’ antwoordde Tu Rau bedaard.

De officier werd kwaad. Hij bekeek de oproerkraaier van top tot teen:

‘Jij daar, hoe heet je?’

‘Ik heet Tu.’

‘En verder?’

‘Gewoon: Tu.’

De officier haalde uit voor een klap met zijn vuist in het gezicht van Tu Rau, maar die ontweek de klap behendig. De vrouwen kwamen rond de ondercommandant van de compagnie staan.

‘Wat heeft dat te betekenen? Wat is dat voor brutaliteit? Hij zegt zijn naam en u geeft hem een klap!’

Een oude man kwam tussenbeide:

‘Meneer, u hebt ongelijk. Hij heet echt Tu, maar we noemen hem Tu Rau vanwege zijn baard.’ [“rau” betekent “baard”]

De officier keerde zich om:

‘Teringlijders! Baard of geen baard, aan het werk, jullie! Schiet op!’

Maar de vrouwen protesteerden:

‘Dat doen we niet! Wedden dat u ons zover niet krijgt?’

Maar Tu Rau kwam tussenbeide om de spanning niet nog verder op te laten lopen.

‘Laten we maar gaan, zusters. Des te eerder zijn we ervan af!’

Hij stond op. Toen hij langs de tweede luitenant liep, fluisterde hij:

‘U hebt geluk dat u een Vietnamees bent. Als u een yankee was, had ik u de nek omgedraaid!’

De officier keek verbluft naar die bebaarde man met zijn sterke spieren en hield zijn mond stijf dicht, terwijl hij met zware pas doorliep. De vrouwen volgden Tu Raus advies en protesteerden niet meer. Ze kregen de opdracht een bamboestok, een zaag, een bijl of een mes mee naar de grot te nemen. De soldaten lieten hen recht tegenover de grot een bamboe stelling optrekken voor het scherm. Terwijl hij de mensen hielp met gaten graven en palen in de grond slaan, keek Co telkens naar de grot en zei tegen zichzelf: “Nog een paar uur en dan: leve de vrijheid! Nu even geen conflicten!” Inderdaad kwam de boodschapper die hij naar mevrouw Ba Ou had gestuurd terug met het antwoord dat de goede vrouw vanavond op hen rekende, want uitstel tot een andere dag was onmogelijk.

Pas toen het begon te schemeren stond de stelling na veel gedoe overeind. En tijdens de schemering kwamen korporaal Co en zijn groep bij hun stal aan. Haastig aten de mannen hun eten, pakten hun geweer en gingen er stilletjes vandoor.

Toen ze bij de kruising van Si Ly kwamen, zagen ze niemand:

‘Waar is ze nou?’

‘Heb je wel goed begrepen wat ze zei?’

Maar aan de andere kant van de weg klonk een vertrouwde stem:

‘Zijn jullie daar, vrienden?’

Het was mevrouw Ba Ou. Maar het duurde een tijd voor ze achter een struik vandaan kwam.

‘Hier ben ik! Zijn jullie er allemaal?’

‘Ja!’

‘Geef mij jullie wapens en munitie!’

De vier mannen gehoorzaamden direct. Mevrouw Ba Ou nam in iedere hand twee geweren, verdween in het struikgewas en kwam terug met voor ieder een rantsoen dampende rijst, verpakt in een betelpalmblad.

‘Jullie proviand. Er zit kip bij.’

Dat deed de mannen wel iets.

Mevrouw Ba Ou liep voorop en zette er een flink tempo in. Tweehonderd meter van de kruising sloeg ze het rijstveld in, gevolgd door de mannen. Toen ze halverwege het terrein waren, hoorden ze in het dorp megafoons brullen.

‘Wat is dat?’ informeerde mevrouw Ba Ou.

‘Ze brengen de bevolking bijeen voor een filmvoorstelling.’

Gerustgesteld liep mevrouw Ba Ou verder. Voor hen zagen ze de Vam Rang al, die snel en met luid geraas naar zee stroomde.

Mevrouw Ba Ou begaf zich regelrecht naar de oever. Ze klapte een paar keer in haar handen. Op de andere oever bewogen wat schimmen en je zag aan hun wrong dat het vrouwen waren.

‘Bent u het, mevrouw Ba Ou?’

‘Ja!’

‘Je kunt de rivier doorwaden. Hij is niet zo diep!’

Mevrouw Ba Ou keerde zich naar de mannen.

‘Ik wens u goede reis. Mijn missie houdt hier op.’

Ze reikte korporaal Co iets aan:

‘We hebben een collecte gehouden. Hier hebt u driehonderd piaster voor onderweg.’

Co trok zijn hand terug, maar de goede vrouw stopte het geld erin:

‘Die zullen jullie onderweg nog nodig hebben. Ze zijn jullie van harte gegund.’

Co, die het bedrag wel moest aannemen, bleef voor mevrouw Ba Ou staan en mompelde bedankjes. De andere mannen namen afscheid van de fantastische vrouw, trokken hun schoenen uit en stapten de modder in.

Van de andere oever klonk een stem:

‘Houd alleen je onderbroek aan. Trek je uniform uit en druk het in de modder. Hier zijn andere kleren voor jullie!’

Midden in de stroom kleedden de mannen zich uit, rolden hun uniform op en trapte het met hun volle gewicht diep in de prut.

In het halfduister zag mevrouw Ba Ou hen de andere oever op klimmen. Missie volbracht! Ze slaakte een zucht van verlichting:

‘Mooi vier mannen gewonnen!’

Ze keerde zich pas om toen de vier mannen bij hun nieuwe gidsen waren.

Toen ze bij het dorp kwam, hoorde ze rumoer van stemmen. Het leek wel een opgewonden bijenkorf. De soldaten brulden. Ze bleef even staan. Op de kruising werd ze gegrepen door een soldaat, die triomfantelijk riep:

‘Nog een! Ik houd haar vast!’

Mevrouw Ba Ou schrok en wilde de soldaat opzijduwen om ervandoor te gaan. Maar er kwam een andere aan, die vloekte:

‘Verdomme nog aan toe! Als je ze naar een film wilt laten kijken, moet je ze als kippen achternarennen!’

Mevrouw Ba Ou, die gerustgesteld was, wrong zich in allerlei bochten om los te komen.

‘Laat me los! Wat zijn dat voor manieren? Ik ga al mee!’

‘Wat kan mij het schelen of u meegaat? Ik krijg er geen cent méér door. Het is alleen maar een order van de commandant!’

‘Vooruit! Wat voor film wordt er vertoond en waar?’

‘Hoezo? U hebt toen het schemerde zeker zitten slapen? We hebben het tien keer omgeroepen met de megafoon! Een Amerikaanse film, vóór de grot, begrepen?’

Omdat mevrouw Ba Ou het idee had dat haar aanwezigheid daar noodzakelijk was, ging ze er zonder protest heen. Onderweg kwam ze nog een groep mensen uit het dorp tegen, de laatsten die opgepakt waren.

Toen ze voor de grot aankwamen, stond het terrein al vol mensen. De luidsprekers, die aan lange palen opgehangen waren, verzochten de bevolking om de orde niet te verstoren. Maar er werd opgewonden gepraat en er heerste een onbeschrijfelijk rumoer. Sanh, de tweede luitenant van de Psychologische Dienst, was de grote man en liep gewichtig heen en weer. Zijn stem door de luidsprekers beefde van enthousiasme. Hij was dolblij dat zijn idee nu verwezenlijkt werd. De generator draaide, het scherm was opgehangen en een duizendkoppig publiek was opgetrommeld!

Ondanks het kabaal besloot de officier te beginnen. Met zijn plechtigste stem richtte hij zich tot de inwoners:

‘Beste landgenoten! Ik heb vandaag de eer jullie een bijzonder aangrijpende film te laten zien, die het opperbevel welwillend ter beschikking heeft gesteld. Ik vraag jullie aandacht voor het volgende: het gaat om een film over de slag van Sangkumryung in Korea. [in 1952, waarin Noord-Koreanen een grottenstelsel met succes verdedigen tegen Amerikaanse troepen] De dappere Amerikaanse troepen hebben daar een grandioze overwinning behaald.’

Het werd donker. De voorstelling begon. Op het scherm verschenen vliegtuigen en vervolgens infanteristen. Amerikaanse soldaten met stalen helmen renden achter tanks met grote kanonnen.

Door deze eerste beelden kalmeerde het tumult.

In de grot kon de groep die op wacht stond alles zien.

‘Psychologische oorlogvoering,’ zei Hai Thep. ‘Omdat ze ons niet kunnen verslaan, proberen ze ons met een film te demoraliseren! We zullen zien.’

Terwijl hij zijn geweer in de aanslag hield, zette Ngan grote ogen op. Ondanks de afstand zag hij op het scherm ontploffende granaten, rookwolken, blinkende helmen en daarna de benen met beenwindsels van de Chinese en Koreaanse troepen, die verdwenen in een diepe grot. Hij dacht: “De rollen moeten gespeeld worden door de soldaten van Lee Seung-man en Chiang Kai-Shek!”

De Chinees-Koreaanse colonne werd een grot in gedreven door de luchtmacht, tanks en infanterie van de Amerikanen.

‘Verdomme!’ vloekte Ngan. ‘Ze verdraaien alles. Ik heb een film gezien die daar kort voor de vrede gemaakt is door onze Chinese kameraden.’

‘Ik ook!’ zei Trong.

‘Haal eens een megafoon!’

‘Ik ga al.’

Op het scherm werd de strijd heviger. De Amerikaanse soldaten bestormden de grot keer op keer. Ze werden teruggedrongen. Maar geleidelijk werden alle holen de een na de ander ingenomen. De belegerden leden honger en dorst en lieten de moed zakken. De Amerikanen vielen uit alle macht aan. De Chinese en Koreaanse soldaten vielen voor de grot en lieten hun machinepistolen vallen.

De luidsprekers brulden aan één stuk door commentaar.

De stem van Sanh klonk opgewonden:

‘De Chinese en Noord-Koreaanse communisten zijn koppig. Ze worden belegerd, maar weigeren te capituleren. De Amerikaanse strijdkrachten zien zich gedwongen de grot op te blazen. Hier dragen de Amerikanen explosieven aan!’

Op het scherm verschenen Amerikaanse soldaten, die onder vuurdekking voortrenden met een lading dynamiet op hun schouder. Uiteindelijk vloog de berg de lucht in, waarbij een wolk stof en een regen stenen opgeworpen werd.

Bij wijze van conclusie voegde Sanh eraan toe:

‘Beste landgenoten, jullie hebben gezien hoe een berg van dergelijke afmetingen ontploft. Een kleine heuvel als Hon Dat zou niet standhouden.’

De luidsprekers werden op de grot gericht en de stem van de tweede luitenant werd fanatieker:

‘Attentie! Attentie! Jullie worden belegerd. Wij raden jullie aan te capituleren. Zo niet, dan is het leger van de republiek gedwongen deze heuvel met de grond gelijk te maken, zoals jullie in de film hebben kunnen zien.’

Ngan pakte zijn megafoon en brulde:

‘Luister, landgenoten! Weten jullie wat de vijand op het scherm heeft laten zien? Een film vol leugens! Geloof er geen woord van! Wij kennen die veldslag! Op die berg hebben de Chinese vrijwilligers en de Koreaanse troepen de yankees in mootjes gehakt!’

Buiten klonk een oorverdovend applaus. Ngan vervolgde:

‘Beste landgenoten! Wij zullen vechten tot de laatste man en tot onze laatste snik! We leven allemaal nog en we staan met onze wapens klaar! En jullie, door de Amerikanen en Ngo Dinh Diem betaalde verraders, kom maar hier als jullie durven! Kom maar hier, dan zullen wij jullie hersens laten ontploffen! Kijk maar eens goed!’

Ngan gooide de megafoon op de grond en vuurde met zijn Thompson op het scherm. Pang! Pang! Pang! Het scherm ging aan flarden. Er klonk een donderend applaus.

‘Genoeg,’ zei Hai Thep. ‘Wees zuinig met munitie, Ngan.’

Toen de FM in de richting van de grot vuurde, had iedereen al dekking gezocht. Nadat de vijand het vuur met een aantal salvo’s had beantwoord, pakte Ngan opnieuw zijn megafoon:

‘Luister, soldaten, broeders! Als jullie de officieren gehoorzamen en de grot weer aanvallen, gaan jullie een zinloze dood tegemoet. Het beste wat jullie kunnen doen is vragen of je naar huis mag of deserteren! Als jullie aanvallen zijn wij verplicht jullie neer te schieten. En wij zullen jullie niet laten ontsnappen! Neem dat van me aan! Onze posities zijn uitstekend en we zullen jullie op je nummer zetten!’

De FM begon weer te schieten. Ngan had de tijd die de vijand nodig had om het magazijn te wisselen gebruikt voor zijn laatste tirade.

Zo eindigde de filmvoorstelling in een totale mislukking. De bevolking stak de fakkels aan en ging terug naar huis, lachend en met meer dan genoeg plezier. De tweede luitenant was woedend, en wel op zijn commandant.

‘Ik zei nog dat het zonder de bevolking beter was. De commandant wilde twee vliegen in één klap slaan! Zonder de bevolking was de schade beperkt gebleven, zelfs al waren de Vietcong niet gedemoraliseerd. Maar nu…’

Ondertussen nipte commandant Sang aan zijn drankje. Toen een soldaat hem rapporteerde wat er gebeurd was, gooide hij zijn glas op de tegelvloer en schudde van het lachen:

‘Mislukt, hè? Met zo’n snotaap als Sanh kon je daarop wachten. Toen hij het voorstelde vond ik het al twijfelachtig. Omdat hij aandrong heb ik hem zijn gang laten gaan. Wil je weten hoe de Vietcong zijn? Toen ik districtshoofd was in Xeo Ro heb ik ze met mokers hun hersens ingeslagen en ze gaven geen kik. De volgende stond al onverstoorbaar klaar. Zelfs de vrouwen! Eén keer stak ik naalden onder hun nagels om die er met een hamer in te slaan. Eén van die vrouwen hield haar vingers bij elkaar en zei: “Kijk!” Ze sloeg tegen de muur, zodat alle naalden in het vlees verdwenen! Zo zijn de Vietcong, verdomme nog aan toe! Kortgeleden stond dat jonge meisje ons nog uit te schelden nadat ze een houw met een kapmes had gekregen! Bioscoopje spelen om te zorgen dat ze zich overgeven. Verdomme nog aan toe! Mag ik even lachen?’

De commandant vloekte en schonk nog eens in. Hij zette de fles met kracht op tafel, waardoor het volle glas net niet omviel. Met vlakke hand maakte hij een beweging in de lucht of hij iets omduwde.

‘Goed, laat mij maar!’

Daarna draaide hij zich half om:

‘Luitenant Tu!’

‘Tot uw orders, commandant!’

Een luitenant van een jaar of veertig stapte naar voren van de muur waartegen hij geleund stond.

‘Zorg dat het cement klaarligt. Laat de stenen zoals afgesproken naar de grot brengen.’

‘Nu meteen, commandant?’

‘Ja, er is haast bij. Morgenochtend laat ik de grot dichtmetselen. En dan is het uit!’
 

3

Tu Rau zei tegen Ca My, die hem volgde op het strand:

‘Ik vind het echt niet erg dat ik erheen moest. Onze mensen hebben fantastisch gesproken.’

Ut had gelijk: mevrouw Ca Xoi was naar de vissersbedrijven gevlucht. De bevolking had haar eerst in het dorp laten onderduiken, maar toen er intensiever gezocht werd had Tu Rau gisteren besloten om haar mee te nemen naar zijn huis.

‘Gaat het goed met haar, oom?’

‘Net als anders.’

‘Heeft ze het moeilijk? Is ze veel flauwgevallen?’

‘Nee! Ze doet alleen een beetje vreemd, vind ik.’

‘Vreemd?’

‘Ik weet niet wat ze heeft, maar nu doet ze alles ongelooflijk snel. Ze heeft haar handigheid weer terug.’

‘Maar wat kan ze doen?’

‘Ze kookt, en ze herstelt de netten. Maar het arme mens heeft haar vrolijkheid nog niet terug.’

Ca My stelde geen vragen meer. Ze liep met kleine pasjes en met één hand op haar hart. Vóór haar braken de maanverlichte golven op het strand. Bij het ruisen van de zee en dit milde licht voelde ze haar hart verontwaardigd in opstand komen.

Gisteren was haar huis afgebrand. Ze was bang als ze droge kokospalmen hoorde kraken, want een paar soldaten hadden haar op de grond gegooid en verkracht toen ze voedsel naar de grot bracht.

De prauw van Tu Rau lag nog op het strand. De golven gingen erop af, maar konden er niet bij. Tu Rau trok aan de boot, geholpen door Ca My. De boeg doorkliefde de golven en liet een lang schuimspoor achter.

Tu Rau stond op de achtersteven te peddelen. Ondanks zijn inspanningen kwam de boot maar moeizaam vooruit, omdat de zeewind hem voortdurend in de richting van de kust dreef. Hij koerste naar de rijen palen die in de verte nog nauwelijks te onderscheiden waren. Vóór hen flikkerde het rode licht van de vissersbedrijven, dat leek te dansen op de golven.

‘Kijk,’ zei Tu Rau opgewekt, terwijl hij naar het licht wees, ‘je moeder is toch wel heel goed bij, dat ze de lantaarn voor me aansteekt.’

Ca My keek strak naar het licht. In het bleke licht van de maan zag ze het eenzame dak naderbij komen, dat als een duiventil boven de golven uitstak.

Van de oever hoorden ze opeens de lange roepen van de bim bip. De kreten van de bruingevederde vogels, die de getijdenwisseling aankondigden, leken sprekend op de signalen van een hoorn.

‘Het wordt vloed,’ zei Tu Rau.

‘Vaar je nog verder langs de vissersbedrijven? En mag ik dan mee?’

‘Nee, we hebben te weinig tijd. Morgenochtend, bij eb.’

De boot passeerde de laatste staken en meerde aan bij het huis op palen. Ca My klom de trap op en riep:

‘Mama! Mama!’

Mevrouw Ca Xoi kwam overeind en rende naar haar dochter. Ze ontmoetten elkaar in het midden van de kamer. Ca My struikelde over een plank en viel haar moeder in de armen. Een bundel maanlicht bescheen de door tranen omfloerste blik die ze op haar moeder wierp.

Ondertussen probeerde Tu Rau aan te meren. Maar de ketting, die onophoudelijk heen en weer werd geschud door het slingeren van de boot, kletterde aan één stuk door.

Hij haalde een mat en spreidde die uit in het midden van de kamer.

‘Hier kunnen jullie slapen.’

Daarna ging hij naar het smeulende vuur, blies erin en rolde een sigaret.

‘Ze zijn hier nu een week en iedereen heeft de pest aan ze,’ zei hij. ‘Mevrouw Ca Xoi, blijf hier maar met Ca My; hier hoeft u nergens bang voor te zijn. Als ze weg zijn bouwen we een nieuw huis voor u. En in het nieuwe seizoen geven we alles wat u nodig hebt om te zaaien…’

‘Ik heb mijn handen nog en ik heb jullie. Ik maak me geen zorgen. Alleen…’

Ze aarzelde lang en vervolgde:

‘Ik leed eronder toen hij nog leefde. Maar nu lijd ik eronder dat hij dood is.’

Tu Rau keek naar mevrouw Ca Xoi en begreep wat de ongelukkige vrouw kwelde.

‘Denk er maar niet meer aan, mevrouw Ca Xoi. Doe alsof u nooit een zoon gehad hebt. Muu heeft hem opgevoed en de Amerikanen hebben een beul van hem gemaakt. Hij was uw zoon niet meer. Ik zweer u: als ik zo’n zoon had gehad, had ik hem allang gekeeld!’

Mevrouw Ca Xoi zei niets. Tu Rau vervolgde:

‘Weet u dat ze hier een legerpost willen vestigen om ons het land en het water af te pakken?’

‘Dat wist ik, ja.’

‘Dat zou heel erg zijn.’

‘Xam vertelde het op de dag van zijn dood…’

‘Wat?’

‘Als ze hadden afgerekend met onze mensen in de grot, zouden ze hier gaan bouwen.’

‘Wat zei ik? Dan zouden ze hier gaan bouwen, ons land afpakken en weer pacht innen! En dan zouden we voor de pottenbakkerijen weer klei per kubieke meter moeten kopen, net als vroeger!’

Hij werd kwaad en vervolgde, wijzend naar de zee:

‘Dat zijn allemaal waandenkbeelden. We zullen zorgen dat dat nooit meer gebeurt. Mijn oudste zoon is zijn arm kwijtgeraakt, maar je hoort mij niet. Ik beloof u: op de dag dat ze de legerpost gaan bouwen sluit ik me aan bij de partizanen. Zelfs als al onze mensen dood zijn in de grot. Hon Dat zal zich blijven verzetten. Maar dat alleen in het ergste geval, want onze mensen kunnen niet sterven, mevrouw Ca Xoi!’

Ca My was het met hem eens:

‘Al zeven dagen hebben ze de grot niet in kunnen nemen! Ze hebben alle hangmatten gevorderd om hun doden en gewonden te vervoeren!’

‘Als het zo doorgaat zullen ze hun spullen moeten pakken. De soldaten zijn allemaal gedemoraliseerd. En de bevolking bedreigt ze steeds. Ze bibberen van angst. Morgen ga ik kijken…’

Ca My ging naar Tu Rau toe en fluisterde:

‘Als u onze mensen gaat bevoorraden, denk dan aan mij.’

De visser beefde van woede bij de herinnering aan het ongeluk dat Ca My overkomen was. Moeder Sau had hem verteld dat het meisje na haar verhaal over het ongeluk gezegd had: “Ik heb een offer gebracht voor de bevoorrading van de grot, ma Sau!’

Tu Rau was te diep geraakt om het voorstel van Ca My aan te nemen.

‘Nee, nee! Jij niet.’

Hij gooide zijn peuk op de planken vloer, sloeg zijn armen om zijn knieën en verzonk in gedachten. Ten slotte stond hij op:

‘Je moeder slaapt al. Ga jij ook maar slapen!’

Hij liep naar een hoek en kroop in een mat die de vorm had van een zak.

‘Oom, roep je me als je gaat vissen?’

‘Goed!’

Een minuut later lag hij te snurken. Maar Ca My lag nog lang wakker…

Toen de bim bips met hun roep de eb aankondigden, werd Tu Rau wakker, blies in het vuur en stak een sigaret aan. Hij zat even zwijgend te roken en ging toen in het donker zijn schepnet pakken. Omdat Ca My nog vast lag te slapen, maakte hij haar niet wakker.

Hij maakte de trossen los. Het was nog donker. De golven waren onrustig onder de nevel. Terwijl hij zijn boot stuurde zei Tu Rau tegen zichzelf: “Ik heb een getij voorbij laten gaan, dus er zal nu wel veel vis zijn!”

Hij voer naar de bootjes bij de palen, pakte zijn schepnet en ging naar voren. Het water tussen de netten was bijna vol. Meer dan genoeg vissen. Ze schoten als pijlen vooruit of sprongen in de lucht. Tu Rau zette zich schrap en schepte zijn net vol. Zijn armen waren al doodmoe, toen hij zag hoe een aantal grote vissen wanhopig probeerde te vluchten. Hij schepte dieper met zijn net.

Op dat moment botste er van buiten iets zwaars tegen de installatie en dat gleed langs de palen. Omdat hij te maken dacht te hebben met een bijzonder exemplaar, haalde Tu Rau zijn schepnet op om de vis erin te laten zwemmen. Maar nee: het ding bleef vastzitten aan een paal en draaide om zijn as. Het was geen vis. Op goed geluk stak Tu Rau zijn schepnet in het water. Maar het pakte niet. Het ding was glad en zwaar. Hij knielde en trok het naar zich toe. In de schemering slaakte hij een kreet van verbijstering.

In zijn net dreef een verwilderde haardos.

Een lijk!

Tu Rau herstelde zich en trok het lijk naar de palen. Het stonk niet. “Ik moet het in de boot hijsen,” dacht hij. Maar vanaf zijn plaats kon hij dat niet. Hij gooide het schepnet in de boot en roeide haastig naar de andere kant.

Na even zoeken vond hij het lijk terug. Toen hij aan de voeten linnen schoenen voelde, begreep hij dat het om een vijandelijke soldaat ging. “Dan neem ik niet de moeite om je eruit te halen! Dan laat ik je liever hier als lokaas voor de vissen!” Maar hij bedacht zich: “Wie weet heeft hij een pistool of granaten bij zich.”

Uit alle macht hees hij het lijk aan boord. Een soldaat. Die schoenen, dat uniform: geen twijfel mogelijk. In het licht van de ochtendschemer, die getemperd werd door nevel en opstuivend water, staarde het verstijfde lijk met zijn dode ogen naar de hemel. Rondom hem spartelden de vissen die Tu Rau zojuist gevangen had. De visser waste zijn handen en boog voorover. Nog steeds geen stank. Alleen was de huid helemaal zwart geworden en praktisch overal gebarsten. De armen licht gebogen voor zich uit, als om iets te grijpen. De vingers gekromd. Tu Rau durfde niet lang naar het gezicht van de dode te kijken, want hij meende hem al eens eerder gezien te hebben. Een eerlijk gezicht van een man die geleden had. Een boer of een visser of een schipper die zichzelf verhuurde en weer en wind gewend was. Twee vreemde ogen, halfopen, grijze pupillen, als bestrooid met as, waanzinnig van woede en misnoegen.

Tu Rau kon de opgeheven armen van het lijk niet aanzien en probeerde ze dan ook omlaag te krijgen. Maar ze wilden niet gaan liggen en namen telkens weer hun vroegere houding aan, uitgestrekt als om iets te grijpen. Maar er was niets. Alleen maar nevel, waterspatten en de helderheid van de ochtendschemering.

Tu Rau probeerde de armen van het lijk nog een keer naar beneden te krijgen. Per ongeluk raakte hij de hand. Hij trok zijn eigen hand terug, alsof hij een vuur had geraakt. Daarna tilde hij de hand van de dode op om die beter te bekijken. “Goede hemel!” zei hij binnensmonds. De hand van de soldaat was bedekt met eelt, behalve in het midden van de handpalm, en alle eksterogen waren wit en lieten door het al te lange verblijf in het water bijna los. Tu Rau liet de hand voorzichtig zakken. Hij had een leeg gevoel. “Dat dacht ik al… Deze man heeft minstens tien jaar achter de ploeg gelopen. Al dat eelt.”

Pas veel later durfde hij het hele lichaam van de dode te betasten. Geen wapens. Alleen een portefeuille van bruin kunstleer, op veel plaatsen gescheurd, met papieren en een paar beeltenissen van Ngo Dinh Diem, allemaal doorweekt. In de dijbeenzakken zat alleen een stukje kokosnoot.

Tu Rau bleef als versteend voor het lijk staan en kon niet meer aan vissen denken, al zwommen er grote vissen in zijn netten. Hij lette ook niet meer op de golven, die zijn bootje lieten schommelen. Hij had het gevoel of er duizend naalden in zijn hart staken.

Duizend vragen bestormden hem. Waar kwam het lijk vandaan? In welk gevecht was de man gesneuveld? En wanneer? Het zaakje was verdacht! De dood was waarschijnlijk twee dagen geleden ingetreden, langer niet. Het lijk was nog in goede staat, waarschijnlijk door het zoute water. Tu Rau verloor zichzelf in gissingen en wist niet of hij het lijk mee moest nemen of teruggooien in zee.

Maar plotseling dacht hij aan de soldaten die in het dorp gelegerd waren. “Nee, ik moet hem niet in zee teruggooien,” zei hij tegen zichzelf. “Ik kan beter zorgen dat Ca My mevrouw Hai Thep waarschuwt.”

Met dat doel voor ogen greep hij de riemen en roeide naar huis, terwijl hij aan één stuk door dacht:

“Idioten, waarom laten jullie je rijstvelden en landerijen over aan de opkopers en de dieven en helpen jullie die om ergens anders nog meer misdaden te begaan! Met dit lijk zal ik jullie ogen openen!”
 

4

Nadat hij driemaal een voet had horen stampen opende Tam Chan het luik. Mevrouw Hai Thep ging op haar hurken bij hem zitten en zei zacht:

‘Ik hoor daarnet toch een vreemd verhaal.’

‘Wat?’

‘Ca My komt bij Tu Rau vandaan en vertelt me dat die een verdronken soldaat heeft opgevist.’

‘Een gewoon soldaat of iemand van de militaire politie?’

‘Een gewoon soldaat, in gevechtstenue en met een buikwond. Wij denken dat het een van de gewonden is die meegenomen zijn met de helikopters en in zee gegooid.’

Bij die woorden stak Tam Chan zijn hoofd uit het luik.

‘Is het lijk nog steeds bij Tu Rau?’

‘Ja.’

Tam Chan dacht even na en vervolgde:

‘Het klopt dat er eergisteren helikopters geland zijn om de gewonden op te halen. Dit moet dan een van die gewonden zijn. Maar om nog meer zekerheid te krijgen moeten we navraag doen bij de troepen. Het beste kun je naar de soldaten van het reguliere leger gaan. Als die een bevestigend antwoord geven, dan breng je het lijk naar het dorp, zo demonstratief mogelijk, om de soldaten van hun stuk te brengen, om hun verontwaardiging te wekken. Het is een groot voordeel als je ze aan de kant van de bevolking krijgt en de Amerikanen en de agenten van Diem ontmaskert. Breng ze hier voor een energiek protest tegen het commando van de operatie. Als hun moreel ondermijnd is, moeten ze wel deserteren.’

‘Dat is waar!’

‘Doe je best. Maar zorg dat niemand het lijk afpakt.’

‘Daar zal ik voor zorgen. Ik zag trouwens dat ze op weg naar de grot waren om die dicht te metselen. Volgens mij heeft de commandant zelf de leiding van de operatie.’

‘Werk alleen aan die andere kwestie. De grot is niet zo makkelijk dicht te metselen. En als de strijd dan op een goed moment uitbreekt, wordt hij meteen teruggeroepen, ook al is hij commandant.’

Voor ze wegging, liep mevrouw Hai Thep naar de keuken en bracht Tam Chan een pan rijst.

‘Hier is je rijst; houd de pan maar bij je. Ik weet niet of ik vandaag nog terugkom met al dat werk voor de boeg.’

‘Heb je al ontbeten?’

‘Daar vergeet ik nu maar even. Tot ziens. Pas op: doe alleen open op het teken.’

Zoals mevrouw Hai Thep verteld had, gaf commandant Sang sinds vanmorgen vroeg leiding aan het dichtmetselen van de grot. Hij keek wel uit om niet te dicht bij de opening te komen en bleef op een meter of tien afstand zitten kijken hoe zijn mannen een granaataanval begonnen. De eerste twee mannen werden door de verdedigers neergeschoten voor ze iets konden uitrichten met hun granaten, die ontploften in hun handen en vier man naast hen doodden. De officier werd net niet in zijn hoofd geraakt door een splinter, die de bovenkant van zijn pet met drie gordijntjes af schoot. De soldaten zochten dekking achter de zakken cement, want ze waagden zich niet meer voor de grot.

Sang krabde zich op zijn onbeschermde hoofd. Hij herstelde zich, gaf zijn mannen bevel om weer aan te vallen en wierp zichzelf plat op de grond. Deze keer kwamen er vijf of zes granaten in de grot terecht. Dankzij de explosies, die een dikke wolk rook en stof opwierpen, kon de aanval verhevigd worden. De geweren van de guerrillastrijders zwegen. Minutenlang hoorde je niets dan ontploffende granaten.

‘Aanvallen!’ riep de commandant, terwijl hij half overeind kwam en met zijn stok naar voren wees.

De soldaten namen grote risico’s en renden naar de grot. Ze drongen naar binnen. Het enige wat de officier te horen kreeg waren hun aanhoudende Thompson-salvo’s.

Net als de laatste keer hadden de guerrillastrijders zich verder teruggetrokken. Daardoor konden de eerste zes soldaten de posities innemen die onze mensen net verlaten hadden. Daar bleven ze om het inwendige van de grot met projectielen te bestoken, want ze konden voor- noch achteruit. Want achter hen stonden de bloeddorstige agenten klaar om iedereen neer te schieten die ook maar even de neiging vertoonde om zich terug te trekken.

Sang gaf vervolgens bevel om de fundering te graven en stenen naar de opening te brengen. De soldaten stapelden ze haastig in drie lagen op elkaar. Maar degenen die binnen waren renden plotseling terug en stootten daarbij het begin van de muur omver. De commandant sloeg ze woedend met zijn stok en gaf bevel door te gaan met de bouw van de muur en tegelijk granaten te werpen om de guerrillastrijders op een afstand te houden.

Die bleven rustig in hun verschansingen zitten terwijl de granaten ontploften. Ten slotte was de grot dichtgemetseld. De soldaten brachten een laag cement aan op hun werk. Maar die hield aan beide kanten slecht en ze moesten de gaten dichten met stro, dat van tevoren met mortel vermengd was. Uiteindelijk stapelden ze voor meer stevigheid verschillende lagen steen tegen de muur. Op dat moment kwam Sanh, de tweede luitenant van de Psychologische Dienst, aangerend zo hard hij kon.

‘Commandant,’ hijgde hij. ‘De soldaten zijn aan het muiten! De situatie is kritiek!’

‘Wat? Wat? Wat zeg je daar?’

‘Commandant…’

‘Zeg op!’

‘De bevolking heeft het lijk van een soldaat uit zee opgevist.’

‘Het lijk van een soldaat?’

‘Ja, commandant. Een soldaat van de reguliere troepen. Ze dragen hem door het dorp. Onze mannen zijn gaan kijken en die van de Derde Compagnie hebben de dode geïdenficeerd als soldaat Sau Hon. Ze zijn verbaasd dat die soldaat, die eergisteren per helikopter geëvacueerd is, verdronken uit zee is gehaald. Ze maken een hels kabaal en beweren dat alle gewonden met opzet in zee zijn gegooid.’

De commandant verbleekte.

‘Heb je het lijk gezien? Is het inderdaad soldaat Hon van de Derde Compagnie?’

‘Ik heb hem met eigen ogen gezien. Hij is het.’

Sang wierp een vluchtige blik om zich heen.

‘En toen?’ vroeg hij.

‘Toen begonnen ook de andere compagnies te protesteren. Iedereen brult vervloekingen tegen de Amerikanen en beschuldigt ze ervan dat ze alle gewonden overboord hebben gegooid, want hoe is het lijk van Hon anders in de visnetten terechtgekomen?’

‘In de visnetten?’

‘Ja, commandant! Een visser heeft hem gevonden. Trouwens, ik vergat u nog te vertellen dat vier mannen van de militaire politie gisteren zijn gedeserteerd.’

‘Wat? Ook dat nog?’

‘Zoals ik al zei: ze zijn verdwenen!’

‘Verdomme nog aan toe!’

‘Commandant, dat verhaal van Hon is een ramp. Sommige mannen hebben hun tent in brand gestoken. Anderen gooien hun wapens in het riviertje en demonstreren met de bevolking.’

De tweede luitenant wendde zijn pokdalige gezicht af, spitste even zijn oren en vervolgde:

‘Hoort u dat geschreeuw? Dat zijn ze, commandant.’

De commandant keerde zich naar Tu, de luitenant van de Genie:

‘Zorg dat de muur verstevigd wordt.’

Daarna tegen Sanh:

‘Laten we gaan kijken wat er aan de hand is!’

De tweede luitenant liep voorop.

‘Heeft die visser het gerapporteerd in het dorp?’

‘Hij niet alleen: ze waren met een groep.’

‘En waar was jij? Waarom heb je ze niet tegengehouden?’

‘Commandant, ik hoorde het te laat.’

‘Dat riekt naar Vietcong!’

‘Ja, maar het lijk is echt!’

‘Zijn het lichaam en het gezicht nog intact?’

‘Het is beschadigd, dat wel, maar je herkent Hon direct. Het zeewater heeft hem juist goed geconserveerd.’

Sang liep een tijdje zwijgend verder. Daarna gaf hij met zijn stok een harde zwiep tegen het gras in de berm en riep geërgerd:

‘Verdomme nog aan toe! Hier zou president Ngo Dinh Diem zelf met zijn mond vol tanden staan! Je kunt niet vechten met een dolkstoot in je rug! Toen ik hier kwam heb ik nog zo gewaarschuwd dat we de bevolking niet tegen ons moesten krijgen!’

‘Maar de troepen zijn ook aan het muiten!’

‘Wacht maar!’ brulde Sang. ‘De eerste die zijn geweer neergooit sla ik zijn hersens in!’

De tweede luitenant zweeg. Terwijl ze langs de kokospalm kwamen waar het touw nog hing waarmee Su geëxecuteerd was, vervolgde hij:

‘Commandant, het is allemaal begonnen met dat meisje met het lange haar. We hadden moeten…’

‘Wat hadden we moeten?’

‘We hadden haar niet meteen ter dood moeten brengen, omdat ze hier populair was. Iedereen was gek op haar. En dan was luitenant Xam misschien ook niet vermoord.’

‘Nee, de moordenares was gestoord, zoals je weet.’

‘Met alle respect, commandant, ze is net zo helder als u en ik. Ze zorgde wel dat ze geen buren trof en al helemaal geen Vietcong.’

‘Dat is het hem juist! Als je je eigen zoon doodsteekt, ben je gestoord.’

Al leek hij zeker van zijn zaak, Sang wist niet wat hij ervan moest denken. Hij wist zeker dat Xam vermoord was door zijn moeder en hoopte dat het een waanzinsdaad geweest was en dat er geen andere motieven een rol speelden. Hij weigerde te erkennen dat het de voltrekking van een straf was, al was hij daar diep van binnen wel van overtuigd. Als ieder misdrijf gestraft werd, ontkwam hijzelf niet aan de dood. Hij was niet overdreven bezorgd over zijn vroegere vergrijpen, omdat hij de streken die hij met bloed had overgoten al verlaten had. Maar hier had hij een gewonde in de school neergeschoten en erin toegestemd dat de yankees zijn mannen in zee gooiden. Terwijl hij zijn stok achter zich aan sleepte, bedacht hij een verklaring: “Iedereen weet van die toestand in het hospitaal, maar de helikopterkwestie is volkomen geheim. Ik moet dus alles ontkennen! Het is nog beter als ik verontwaardigd doe: ik zal met jullie protesteren, vrienden! Uit alle macht! Dat zal ik zeggen.”

De twee officieren staken het riviertje over. De tenten van de rangers waren nog bezet, maar die van de reguliere troepen waren helemaal leeg. De rangers lieten de Garands zien, die ze in rotten hadden gezet.

‘Die hebben we net uit het riviertje opgevist, commandant.’

Bij het zien van de geweren en het horen van het geschreeuw uit het dorp bedacht Sang dat het geen goed idee zou zijn er alleen heen te gaan.

‘Jullie gaan met ons mee,’ beval hij de rangers. ‘Neem je FM mee.’

De vier man die er waren volgden hem snel. De zon stond al hoog toen de groep de laan in kwam. De morrende menigte had de kruising van Si Ly bereikt.

‘Weg met de yankees! Weg met Ngo Dinh Diem!’

‘Dood aan degenen die onze gewonden in zee hebben gegooid!’

Er klonken woedende kreten. Ontelbare passen waaiden het stof van de weg op. Sang deinsde haastig achteruit.

‘Ik ga terug naar mijn hoofdkwartier,’ stamelde hij tegen zijn ondergeschikte. ‘Jullie roepen ze op om onmiddellijk terug te gaan naar hun kampementen. Ze kunnen mij hun petities sturen en daarover neemt het bevoegd gezag dan een besluit. Rangers, jullie blijven hier! Jullie houden de demonstranten tegen. Als het nodig is schieten jullie een paar FM-magazijnen leeg om ze te verspreiden! Begrepen?’

Hij keerde zich om en volgde een pad dwars door de plantages.

Nauwelijks hadden de rangers zich dwars in de laan opgesteld of de menigte kwam eraan. De tweede luitenant van de Psychologische Dienst ging voor de menigte staan met zijn armen omhoog:

‘Wacht! Ik wil met jullie praten.’

‘Geen gepraat! Opzij!’ riep een soldaat.

‘Ik moet van de commandant…’

‘Wat?’

De voorste rijen stonden stil.

‘Hij is tegen demonstraties en tegen stampij. De Vietcong maakt daar gebruik van om in troebel water te vissen. Als de bevolking en de troepen bepaalde eisen hebben, belooft de commandant dat hij er nota van zal nemen en alle wensen door zal geven aan het bevoegd gezag. De mannen moeten weer terug naar hun kampement, anders kan de commandant geen verantwoording nemen voor hun daden.’

‘Met jou hebben we niets te maken! Waar is de commandant?’

Een aantal mannen stapte dreigend naar voren. De officier week achteruit en stamelde:

‘Hij is in zijn hoofdkwartier, in het stenen huis.’

‘Dan gaan we erheen, jongens!’

De menigte zette zich in beweging met een honderdtal muiters aan het hoofd. De rangers hielden hun wapens op de demonstranten gericht. De soldaten, die hen niet mochten, riepen:

‘Smeerlappen! Schiet dan als je durft!’

Degenen die hun wapens gehouden hadden, laadden het luidruchtig door en gingen met hun vinger aan de trekker op de rangers af. Zo stonden ze elkaar stilzwijgend en met ingehouden adem uit te dagen. Mevrouw Ba Ou baande zich een weg naar voren. Ze ging rustig voor de rangers staan, maakte een kalmerend gebaar en zei met haar vriendelijkste stem:

‘Kom! Waarom moeten we het zover laten komen, als niemand jullie iets te verwijten heeft? Waarom moeten we elkaar zo nodig doodschieten? Kom, luister alsjeblieft naar ons! Laat je wapens zakken.’

Omdat niemand naar haar luisterde, duwde ze zelf de wapens van de twee infanteristen naast haar omlaag en richtte zich tot de rangers:

‘Luister, heren rangers, niemand van ons heeft iets tegen jullie. Als wij protesteren is dat tegen de yankees, die gewonde militairen in zee hebben gegooid. In plaats van ze te verplegen hebben ze die prijsgegeven aan de golven, als prooi voor de haaien! Wat hadden jullie in hun plaats gedaan?’

Stilte. Mevrouw Ba Ou vervolgde haar redevoering:

‘Dieren helpen elkaar. Maar de yankees zijn nog wilder dan wilde dieren: kijk maar hoe ze jullie gewonden behandelen! Ze gooien ze in zee! Echt waar! En bedenk dat we tot nu toe nog maar één lijk gevonden hebben; de hemel weet waar de anderen zijn!’

Al pratend zorgde mevrouw Ba Ou ervoor dat de geweren van de reguliere soldaten omlaag begonnen te wijzen. Haar stem, die nu eens smekend en dan weer verontwaardigd klonk, deed wonderen. De aanvoerder van de rangers wierp een donkere blik op haar:

‘Kom, kom, behandel ons niet als idioten! Wij weten zonder u best wat er aan de hand is.’

De goede vrouw werd een en al glimlach:

‘Ik ben maar een onwetende vrouw. Jullie kennen het wezen der dingen vast beter dan ik!’

Al sprekend ging ze dapper voorwaarts, op de voet gevolgd door de reguliere soldaten en de bevolking. Moeder Sau was er ook, met haar grijze haar en haar halsdoek. Sanh en zijn mannen gingen beteuterd aan de kant van de weg staan. Mevrouw Ba Ou hoorden hen zeggen:

‘Die dikke heks is niet op haar mondje gevallen!’

Het leek haar beter niet te reageren. De rangers gingen onder de bomen zitten en lieten de demonstranten door. De verdronkene rustte op een baar die gedragen werd door twee soldaten en twee burgers. Tu Rau hoorde ook tot de dragers, maar hij was buiten adem geraakt en daarom liep hij nu achter de baar. Het lichaam van de ongelukkige verkeerde nog steeds in de houding waarin Tu Rau het gevonden had: de halfgebogen armen staken vooruit en de ogen waren halfopen. Maar de huid was donkerder geworden en de uitgedroogde en bestofte haren stonden afschuwelijk recht overeind.

De vrouwen begonnen te roepen:

‘Weg met de Amerikanen en Ngo Dinh Diem, die onze soldaten vermoorden!’

‘Geef ons de vermoorde soldaten terug!’

De soldaten sloten zich erbij aan:

‘Weg met de zuiveringsacties!’

‘We laten ons niet vermoorden!’

De menigte bereikte het stenen huis waar Sang zijn hoofdkwartier gevestigd had. De muitende soldaten riepen naar de wachtposten:

‘Roep de commandant!’

‘Maar die is bij de grot!’

‘Klootzakken, belazer ons niet! We weten dat hij hier is!’

Een paar muiters richtten hun loop op de wachtposten en gingen op hen af.

‘Wat hebben jullie tegen ons?’ zei een wachtpost. ‘We zijn toch kameraden?’

‘Roep de commandant, of we zijn geen kameraden meer!’

De man knipperde met zijn ogen, keek naar de kant van de villa en zei zacht:

‘Hij is net terug… Maar dat mochten we niet zeggen.’

‘Roep hem!’

‘Los een paar waarschuwingsschoten, dan zijn wij het niet geweest,’ zei een wachtpost zacht.

De muiters losten twee schoten in de lucht. Lachend trokken de wachtposten zich terug tegen het verblijf van de commandant. Buiten stonden de mensen lang te wachten zonder dat er iets gebeurde. De soldaten schoten nog vijf of zes keer. Ten slotte zagen ze hoe de commandant op het bordes verscheen en zich naar de hoofdingang begaf, al draaiend met zijn stok. Hij bleef voor de muiters staan en wierp hun een vernietigende blik toe.

Toen ze dat zag, liet mevrouw Hai Thep de parolen van de demonstratie roepen. De officier werd onrustig en keek naar de grond. Ze droegen het lijk van de verdronkene tot vlak voor hem. Sang weerde hen met beide handen af:

‘Niet nodig! Niet nodig! Ik ben op de hoogte!’

Mevrouw Ba Ou zette haar handen in haar zij en barstte in lachen uit:

‘Natuurlijk bent u op de hoogte! De yankees konden dat niet zonder uw toestemming doen!’

De officier schrok en ontkende pertinent.

‘Nee! Nee! Ik weet het nog maar net! De yankees hebben me niets gezegd! Ik ben… ik ben net zo verontwaardigd als jullie! Ik sluit me bij jullie aan om uit alle macht te protesteren! Het waren mijn mannen! Mijn hart doet pijn!’

Er klonk gemor in de rijen van de muiters.

‘Dat is niet waar!’ riep een van hen. ‘U hebt het met de yankees afgesproken! Ja, laten we het eens over uw hart hebben! Voordat u de mannen in zee liet gooien, hebt u zelf een gewonde afgemaakt. Wij doen niet meer mee! Wij willen geen lijken worden! Wij gaan weg!’

‘Nee, doe dat niet! Ik teken jullie petitie!’

‘Dat is best! Maar daarna gaan we weg!’

‘Goede hemel, laat je toch niet opjutten door die vrouwen! We staan op het punt om de Vietcong uit te roeien!’

‘Dat kan ons niet schelen! Dat is uw zaak!’

Commandant Sang hief zijn armen ten hemel, als om vast te houden wat hem ontsnapte, en schreeuwde wanhopig:

‘Ik zeg jullie dat de Vietcong gaan stikken! We hebben de grot dichtgemetseld!’
 

5

Na de granaataanval gingen de guerrillastrijders terug naar hun posities. Ze moesten op de tast lopen, want er kwam uit de ingang helemaal geen licht meer om hen te leiden.

‘Waarom is het opeens zo donker?’ vroeg Dat zich af.

‘Heel vreemd,’ zeiden Ngan en Quyen.

‘Blijven jullie hier?’ zei Dat. ‘Dan ga ik eerst kijken wat er aan de hand is.’

Dat ging op zijn hurken zitten. Hij hield zijn geladen karabijn in de ene hand en tastte zich met de andere hand een weg langs de wanden. In de ondoordringbare duisternis kwam hij langzaam vooruit, tot hij de muur bereikte. Hij voelde gemetselde stenen en daartussen nog verse specie. Hij duwde uit alle macht, maar kreeg geen beweging in de muur. Onthutst mompelde hij:

‘Ze hebben ons gewoon ingemetseld!’

Hij liep terug en riep:

‘Kom eens kijken!’

‘Wat is er?’

‘Ze hebben de grot dichtgemetseld!’

‘Wat?’

‘Ze hebben de grot met stenen dichtgemetseld!’

Hai Thep kwam naar voren en zei:

‘Het klopt. Daarom hebben ze granaten naar binnen gegooid. De specie heeft nog geen tijd gekregen om te harden, dus dat is geen probleem. Laten we eens kijken!’

‘Blijven jullie maar hier,’ zei Ngan, ‘dit is een karwei voor ons.’

Ngan, Quyen en Ba Ren gingen met Dat mee en concludeerden dat het waar was wat hij zei.

‘We moeten er meteen tegenaan,’ zei Ba Ren, ‘voor de specie hard wordt.’

‘Ja. Maar we hoeven niet alles omver te duwen. Het is genoeg als we een paar openingen maken bij wijze van schietgaten.’

‘Goed idee!’

‘Laat mij dat maar doen!’ zei Dat.

Hij krabde de specie weg met zijn vingers en trok zonder veel moeite een steen weg. Ngan deed aan zijn kant hetzelfde, nadat hij gekeken had hoe zijn kameraad het aanpakte. Dat werkte snel en kon al gauw de laatste steen weghalen. Meteen was er licht in de grot.

‘Eindelijk!’ zei Dat.

Er klonk geknal. Dat kon nog net een schreeuw van pijn geven, voor hij voor de voeten van Ngan viel, die hem snel opving in zijn armen. De jonge man bevoelde het bebloede gezicht van Dat en riep zijn naam.

‘Dat! Hoor je me?’

Omdat de gewonde geen antwoord gaf, hield Ngan zijn hand tegen Dats hart: het klopte niet meer. Ngan zweeg verslagen. De vijand bleef schieten door het gat dat Dat zojuist in de muur had gemaakt. Midden in het tumult was het of Ngan de stem van de dode hoorde zeggen:

‘Ik houd het allermeest van papaja’s met garnalen. Die krijg ik altijd als ik bij oma ben.’

Ondertussen kon Quyen geen woord uitbrengen van verdriet. Op de tast vond ze de karabijn van Dat en onderzocht het magazijn. Toen ze weer op adem was, wachtte ze tot het schieten ophield om een snelle blik naar buiten te werpen. Daar was een soldaat bezig met het herladen van zijn Thompson. Quyen richtte en vuurde onmiddellijk. Buiten klonken kreten van pijn. Quyen trok zich terug naast het gat. Toen ze niets hoorde, zei ze tegen zichzelf: “Die is uitgeschakeld, maar er komt wel een ander voor in de plaats!” Al gauw klonken er schoten uit een Garand. Stenen werden aan stukken geschoten. “Als jij je magazijn hebt leeggeschoten, ben ik aan de beurt!” Na het achtste schot vuurde ze door het gat. Er klonk geschreeuw en rumoer. Daarna werd het stil.

‘Bravo, Quyen!’ zei Ba Ren. ‘Die is koudgemaakt.’

In plaats van antwoord te geven maakt Quyen haar karabijn zwijgend aan haar koppelriem vast en boog zich over het nog warme lichaam van Dat. Ze streek zijn haar glad en veegde het bloed af. Daarna nam ze hem in haar armen en droeg hem verder de grot in.

Ba Ren was verbluft. Hij zei tegen Ngan:

‘Vreemd, die twee karabijnschoten van Quyen. Ik had nooit gedacht…’

‘Denk je dat ze raak geschoten heeft?’

‘Absoluut! Daar kun je niet aan ontsnappen!’

Ngan zuchtte.

‘We waren echt blind, dat we niet doorhadden dat ze daar stonden.’

‘Ja, dat moeten we onszelf kwalijk nemen.’

‘Wat nu?’

‘Niets. Eén gat is genoeg. We krijgen geen gebrek aan lucht.’

‘Maar hoe kunnen we een uitval doen?’

‘Dat zullen we wel zien als ze zich teruggetrokken hebben in de plantages. Dan maken we het gat zo groot dat er net één man doorheen kan, dat is geen kunst.’

‘Goed! Laten we teruggaan!’

Iedereen zat rond het lichaam van Dat, dat op een stuk plastic op de grond lag. Nam Nho zat met één knie op de grond en hield een brandende kaars vast. Naast haar zat Ut met zijn arm om de schouders van Thuy, die met grote ogen toekeek. Hai Thep zat in kleermakerszit strak naar het gezicht van Dat te kijken, waarvan de bloedvlekken al weggewassen waren. Midden in zijn voorhoofd gaapten drie bloederige kogelgaten van een Thompson. Quyen was gaan liggen en liet haar vingers over de voeten van de dode gaan.

Hai Thep beet op zijn lippen.

‘Verliezen zijn normaal in oorlogstijd,’ zei hij. ‘Maar ik zit te denken aan zijn oma. Wat moeten we tegen die arme vrouw zeggen? Hij was het enige wat ze had.’

Tu Nghiep kuchte en zei:

‘Het is heel erg. Ik heb nog nooit zo’n goede jongen gezien. Ik heb uitgerekend dat hij zeker zes mannen eigenhandig neergeschoten heeft. Zelfs toen we niets te drinken hadden, maakte hij de hele tijd grapjes. Nooit één klacht!’

Hai Thep ging zachter praten:

‘Het gebeente van zijn vader ligt ook hier in de grot. Vader en zoon zijn allebei dood.’

‘Vanavond,’ zei Tu Nghiep doodserieus, ‘zal ik bidden dat zijn ziel evenveel rust heeft als tijdens zijn leven.’

‘Dat hoeft niet,’ vond Ba Ren. ‘Het is genoeg als we hem zijn beste kleren aandoen en hem in een stevig stuk plastic wikkelen.’

Quyen zei haastig en met een brok in haar keel:

‘Daar zal ik voor zorgen.’

‘Ja!’ zei Hai Thep. ‘Hier is zijn rugzak. Zoek maar andere kleren voor hem uit.’

Nam Nho stond op en zei tegen de mannen:

‘Ga maar terug op je post. Quyen en ik zorgen wel voor hem.’

De twee meisjes pakten de zak van Dat. Een kleine, bruine zak, niet veel groter dan een schoudertas van ruwe zijde. Quyens hart trok samen toen ze bedacht dat de wat ruwe stof geweven moest zijn door de grootmoeder van de ongelukkige jongen. In de zak vond ze een zorgvuldig in plastic gewikkeld bundeltje met een grijs pak, een zwartgestreepte pyjama en een zakboekje met op de eerste bladzij een ingeplakt portret van president Ho Chi Minh. Onder foto stond in zorgvuldig gekalligrafeerde letters Oom Ho.

Quyen nam het grijze pak en stak alles terug in de zak. Helemaal onderin voelde ze iets hards. Ze haalde een katapult tevoorschijn, die ze zuchtend bekeek en vervolgens terugstopte in de zak.

Quyen en Nam Nho gingen terug naar Dat. Alleen Ut en Thuy waren er. Quyen zei:

‘Lieve jongens, willen jullie Tham en Be een beetje gezelschap houden?’

‘Ja, zus!’

Thuy drong aan:

‘Ik wil bij Ut op zijn rug zitten!’

Dat mocht van Ut. Het zwarte hondje liep achter de kinderen aan. Nam Nho gaf de kaars aan Quyen:

‘Wacht, ik ga een vochtige doek halen om hem te wassen.’

Quyen staarde als gehypnotiseerd naar de drie kogelgaten in Dats voorhoofd en raakte ze peinzend met haar vinger aan. De gedachte aan haar twee schoten maakte haar minder bedroefd. Ze had de wanhoopskreet van de mannen duidelijk gehoord. De man die Dat gedood had en de volgende. En op dat moment besefte ze hoe gevaarlijk het was wat ze gedaan had. Er was maar iets voor nodig geweest of haar had hetzelfde lot getroffen als de ongelukkige Dat!

Ze had daar niet bij stilgestaan, omdat ze alleen maar de beelden voor ogen had van Dat die viel, van haar zuster die opgehangen was aan de kokospalm en van de kruik met beenderen. Ze besefte alleen maar dat de moordenaars hun straf niet mochten ontlopen.

Toen Nam Nho terug was, trokken de meisjes de dode zijn kleren uit. Ze legden hem af als een geliefde broer, verwijderden de sporen van bloed, stof en zweet, het zweet dat al een weeklang zonder ophouden gutste. Daarna kleedden ze hem in zijn favoriete grijze pak. Quyen trok aan het boord en de manchetten om de valse plooien eruit te halen.

Toen ze hem zo in zijn plastic lijkwade hulden, dook Ngan op. De jonge man ging op zijn knieën zitten en nam de dode jongen in zijn armen. Hij keek hem even aan en legde hem vervolgens op het vierkant stuk rose plastic. Ze bonden het uiterst zorgvuldig dicht om hem zo lang mogelijk te conserveren. Daarna tilde Ngan hem op een vlakke rots, nam een minuut stilte in acht, richtte zijn roodgeworden ogen op de meisjes en zei:

‘Laten we naar de anderen gaan.’

Onze mensen waren bezig met het afbreken van de muur, net zover dat er een man doorheen kon. Het bleek een makkelijk karwei te zijn. Deze keer hadden ze ook meer ervaring en toen de laatste steen verwijderd was hielden ze stil en spitsten hun oren. Ba Ren trok zijn jasje uit en zei:

‘Opzij, jongens. Het gaat ook zonder houweel. Eén trap en alles stort in!’

‘Pas op, Ba Ren!’

‘Wees maar niet bezorgd!’

Ba Ren ging in de opening staan. Ze hoorden hoe hij krachten verzamelde. Met één trap haalde hij het hele bouwsel omver en sprong vervolgens naar binnen, waarbij hij iedereen omvergooide. De vijand opende woedend het vuur, maar raakte niemand. Ba Ren schaterde van het lachen. Buiten hield het schieten op.

‘Alsjeblieft,’ zei Ba Ren. ‘Iedereen blijft gewoon in stelling.’

‘Ja,’ zei Hai Thep. ‘We waren daarnet niet voorzichtig genoeg. Dat met die muur zal zich tegen hen keren.’

‘Nu hebben we geen vuurwapens meer nodig. We hoeven hier maar te blijven staan om de eerste die zich hier vertoont de hersens in te slaan!’

‘Goed zo! De munitie begint op te raken.’

De schorre stem van Tu Nghiep klonk:

‘Ik ben niet bijgelovig, maar de Hemel beschermt ons: die ongewone regenbui toen we dorst hadden, deze prachtige versterking nu de kogels opraken! De Hemel zij dank!’

Iedereen barstte in lachen uit. Toen hij zag dat bijna alle belegerden aanwezig waren, zei Hai Thep:

‘We moeten waakzamer zijn. Sinds zeven dagen hebben ze ons alle hoeken van de grot laten zien met granaataanvallen, de vergiftiging van de rivier, een poging om de grot uit te roken, een filmvoorstelling en de gemetselde muur. We moeten bedacht zijn op geraffineerdere aanvallen met gifgas, dynamiet en wat ze verder nog verzinnen. We moeten waakzaam zijn. Maar ze krijgen ons niet klein. Als ze gifgas gebruiken trekken we ons verder terug. Dynamiet is niet erger dan hun duizend granaten. Hun aanvallen zijn een week geleden begonnen en we hebben maar twee doden en twee gewonden. Hun verliezen kunnen wel opgelopen zijn tot honderd. Wij zijn doodmoe, maar ons moreel is goed. Ik weet zeker dat zij gedemoraliseerd zijn. Dit is het moment om te bewijzen dat we uithoudingsvermogen hebben. Zij houden het hooguit nog vijf dagen vol, want gezien de toestand in de provincie kan een operatie niet langer dan twee weken duren, temeer omdat ze hier vijftienhonderd man gelegerd hebben. Vannacht ging het op hun radio over onze aanvallen in de regio Thu.’

‘Bravo!’ zei Tu Nghiep. ‘We laten ze ook elders niet met rust.’

‘Alleen zijn onze voorraden erg geslonken,’ interrumpeerde Quyen. ‘We hebben alleen nog de twintig liter rijst die Ca My een tijdje geleden voor ons meegenomen heeft. Ik stel voor dat we het dagrantsoen terugbrengen tot één kommetje per dag.’

‘Twintig liter… voor negentien personen,’ mompelde Hai Thep. ‘Drie dagen op een rantsoen van één kommetje per dag. Het is een beetje krap, maar goed… We zullen uitvallen doen om kokosnoten en broodvruchten te plukken.’

‘Met de kokosnoten lukt het wel, maar die broodvruchten kun je vergeten,’ zei Ngan. ‘Een tijdje geleden dachten we daaraan, maar we konden niet in de plantages komen. Het wemelt daar van de soldaten!’

‘Goed, we zullen zien. We moeten wel iets verzinnen om die te plukken en niet van de honger dood te gaan.’

Hai Thep snoof de lucht op en lachte:

‘Door die geur van rijpe broodvruchten die hier soms binnenwaait krijg ik verschrikkelijk veel trek!’

Ba Ren gaf hem een vriendschappelijke stomp:

‘Je overdrijft! We ruiken hier niets!’

Hai Thep lachte nog steeds en vroeg:

‘Zijn er nog vragen? Hoe gaat het met de gewonden?’

‘De wonden helen,’ zei Nam Nho, ‘alleen Tham maakt het me moeilijk.’

‘Hoezo?’

‘Nou, hij klaagt aan één stuk door. Hij heeft nog niets gedaan, zegt hij, en hij is de anderen alleen maar tot last. Bij iedere aanval wil hij opstaan en hij smeekt of ik hem meeneem, dat hij mee kan vechten. Dat weiger ik natuurlijk en daarom is hij kwaad op me.’

‘Trek het je niet aan,’ zei Ngan lachend. ‘Hij zou nog wel een schot kunnen lossen. Maar we zijn nog niet zover dat we de gewonden moeten mobiliseren. Goed, ik zal wel met hem praten. Hoe gaat het trouwens met het echtpaar Ba Phi?’

‘Ik geef ze regelmatig water en geroosterde rijst. Die vrouw jammert aan één stuk door. Gisteren begon ze te huilen, ze knielde voor me en hijgde: “Maak ons niet dood! Ik zal mijn leven beteren!” Ik zei dat ze niet van die gezichten moest trekken. En toen riep ze haar grote goden aan: “We zullen ons leven beteren! De Hemel mag ons vernietigen als ik lieg!” Ze smeekte om losgemaakt te worden, maar ik keek wel uit.’

‘Dat heb je goed gedaan,’ vond Hai Thep. ‘Kom, ik sluit de vergadering en de rest regelen we later. Behalve de wachtposten kan iedereen gaan rusten.’

Ba Ren zei gedecideerd:

‘De ploeg van Ba Ren houdt de wacht.’

Toen Ngan weg wilde lopen, zag hij hoe Ba Ren naar hem toe kwam om hem een eind hout ter lengte van een arm te laten zien:

‘Dit is nog eens een knuppel. De eerste die zich hier vertoont krijgt een klap op zijn hersens!’

Ngan woog het eind hout op zijn hand en knikte:

‘Ja, een aardig ding! Hoe kom je daaraan?’

Ba Ren lachte besmuikt en gaf geen antwoord.
 

6

‘Het is nu de twintigste dag van de twaalfde maand. Nog maar tien dagen, dan is het Tet!’ mopperde commandant Sang in zijn hangmat van parachutelijnen.

De avond was gevallen. Maar heel Hon Dat leek nog te galmen van het strijdgewoel van de afgelopen dag. Het stof had nog geen tijd gehad om neer te dalen. Hier en daar klonk het klaaglijke geloei van een verdwaalde buffel. Soms knalde er een schot, dat het ruisen van de golven overstemde.

Sangs lichaam was gebroken en zijn geest verward. Hij had zijn handtekening moeten zetten onder een petitie voor een onderzoek naar de dood van bijna vijftig gewonden. Hij voelde zich nu zo moedeloos dat hij nergens meer in geloofde. Die grot waarin maar negentien mensen zich verschanst hadden bleek onneembaar. De heuveltop verhief zich voor zijn ogen ten teken van zijn machteloosheid. Aan het einde van de middag, toen hij de ondertekening nog had weten uit te stellen, was luitenant Tu hem komen vertellen dat de muur gevallen was. Verbijsterd had hij zijn handtekening onder de petitie gezet. Was dat niet gebeurd, dan had hij het hun nog moeilijk kunnen maken. Gisteren had hij nog meer hoop dan vandaag, en gisteren al veel minder dan eergisteren. Hij was er steeds minder van overtuigd dat hij de grot kon veroveren.

Vanavond was hij het helemaal zat. Hij had helemaal geen zin om een nieuwe aanval te beginnen. Dat vruchtbare gebied van Hon Dat zei hem niets meer. Zelfs het bamboestrand, dat hij bij zijn komst so magnifiek gevonden had en waar hij tenminste één keer per dag had willen baden, vond hij nu saai.

Verloren in de ontmoedigende aanblik van de heuvel hoorde hij de telefonist plotseling zeggen:

‘Hier Operatie Bravoure! De commandant? Een ogenblikje, alstublieft.’

Sang ging met een ruk rechtopzitten. Hij vroeg de telefonist, die in de deuropening verscheen:

‘Wie is dat?’

‘Glorie, commandant.’

Sang sprong op de grond, ging de radiokamer in en pakte de hoorn:

‘Hallo! Glorie? Mag ik Glorie? O, daar spreek ik mee? Ja, ja, ik ben het.’ Zijn stem klonk plotseling zalvend. ‘Ja, ik luister… Ik heb verslag uitgebracht over het incident… Het is nog niet afgesloten, het ligt erg moeilijk.’ Zijn gezicht stond donker en lichtte toen plotseling op. ‘Ja, ja, vóór het dag… Ja, ik val direct aan!’

Hij legde de hoorn op de haak en stond zichtbaar verheugd op.

‘Gaan we er hard tegenaan, commandant?’ vroeg de telefonist.

‘Jazeker!’ zei Sang met een trotse uitdrukking op zijn gezicht.

Maar hij legde zijn vinger op zijn lippen en fluisterde de telefonist in zijn oor:

‘Niet verder vertellen, jochie: we hebben bevel om af te nokken!’

De telefonist knikte, zichtbaar opgelucht.

De commandant riep een tweede luitenant bij zich:

‘Roep alle bataljonscommandanten en compagniescommandanten hier!’

De jonge officier ging naar de telefoon om de order uit te voeren. Daarna stak hij de twee carbidlampen aan en zette ze midden in de kamer, terwijl de commandant terugging naar zijn hangmat en een sigaret aanstak. Het was nacht geworden. In plaats van te vervlakken tartte de heuvel hem met zijn donkere massa tegen de helderder achtergrond van de hemel.

Toen de officieren arriveerden, stond Sang op.

‘Zijn de troepen weer rustig?’

‘Bij mij gaat het wel.’

‘Bij mij niet. Er wordt gemopperd.’

‘Het is ook op mijn compagnie overgeslagen! Bij ons wordt al geprotesteerd.’

De commandant stond op:

‘Zo is het wel genoeg!’ zei hij om de commentaren af te kappen.

Hij ging aan het hoofd van de tafel zitten en deelde met zijn vingers trommelend het goede nieuws mee. De officieren moesten zichzelf geweld aandoen om geen zucht van verlichting te slaken. Sang ging zachter praten:

‘We hebben bevel gekregen om uiterlijk morgenmiddag in Tri Ton te zijn. Het vertrek is dus morgenvroeg voor zes uur. Maar mondje dicht! Niets rondvertellen! Stilletjes ervandoor, is dat duidelijk?’

Hij tikte de as van zijn sigaret en vervolgde:

‘Dat was punt één. Punt twee is heel belangrijk: vannacht vernietigen we de grot.’

De officieren wierpen elkaar verbaasde blikken toe. Sang zag hun verwarring en begon de zaak uit te leggen.

‘Wees gerust: we gaan de grot niet opblazen! Daarvoor zou je een atoombom nodig hebben! Omdat we nog een beetje dynamiet hebben, gaan we dat gewoon gebruiken. Luitenant Tu?’

‘Ja, commandant?’

‘Regel het transport van de ladingen dynamiet naar de grot. En Sanh, jij regelt de luidsprekers. Na de ontploffingen deel je de bevolking mee dat de grot geëxplodeerd is!’

‘Ongeacht de resultaten, commandant?’

‘Met al die ladingen heb je echt wel resultaat!’

‘Commandant,’ interrumpeerde Tu, ‘de ingang kan vernietigd worden. Maar de Vietcong hoeft zich alleen maar wat verder terug te trekken en het resultaat stelt niets voor.’

Sang gaf met de palm van zijn hand een harde klap op tafel.

‘Toch doen we het. We moeten een hoop herrie maken voor we ervandoor gaan.’

‘U hebt gelijk: we moeten ze laten zien dat we helemaal niet zo zwak zijn!’

Iedereen sloot zich daarbij aan. Na nog wat discussie gingen ze uit elkaar, behalve Tu en Sanh.

‘Wanneer beginnen we, commandant?’ vroeg Tu.

‘Wanneer je wilt. Misschien even wachten. Dan krijgen ze slaap en laten zich makkelijker verrassen.’

‘Dat dacht ik ook. Alleen moeten we de explosieven vroeg genoeg daarheen brengen.’

‘Doe dat maar meteen. We moeten niet te vroeg en niet te laat aanvallen. Om vijf uur breken we op. Ik laat jou de keus wat het moment betreft. Tegen middernacht, als het kan. Dan zijn er vast wel wachtposten die staan te slapen.’

‘Ja, commandant. Dan gebeurt het vóór middernacht.’

Sang ging akkoord. Daarna keerde hij zich naar de tweede luitenant Sanh:

‘Probeer dan wel wakker te blijven!’

‘Natuurlijk, commandant. Mijn luidsprekers werken op het vastgestelde tijdstip. De hele bevolking is verslagen als het nieuws bekend wordt. Ik begin te geloven dat de filmvoorstelling van gisteravond toch wel enig nut had.’

Sang grijnsde:

‘Laten we daar maar over zwijgen, vriend!’

‘Maar commandant, de film en de geweldige explosies van vannacht vullen elkaar aan!’

Sang moest hard lachen.

‘Wat ben je toch een groentje. Kijk eens naar mijn grijze haren. Ik weet beter dan jij hoe ze bij de Vietcong en de bevolking denken. Die zijn niet zo gauw onder de indruk, jochie! Denk je nu echt dat ze alles geloven wat jij vertelt? Zo simpel is het niet! Ik heb gezegd dat we een hoop herrie maken voor we ervandoor gaan. Meer niet.’

‘Een hoop herrie voor niets, commandant?’

‘Hoezo voor niets? Ben jij nu zo dom?’

De commandant dacht aan het mooie verslag dat hij zijn superieuren zou sturen. Maar daarover zei hij niets tegen Sanh.

Het transport van de ladingen explosieven naar de grot leverde luitenant Tu geen enkel probleem op, want zijn mannen hadden zich niet laten meeslepen door de opstand. Er was maar één vervelend incident: een van de soldaten struikelde en kwam hard ten val.

Die val trok de aandacht van de groep die in de grot op wacht stond: Trong, Len en Hai Ca Tren.

Alle drie sprongen ze op.

‘Daar valt iemand,’ zei Trong.

‘Let op!’

Trong knipte zijn elektrische zaklantaarn aan. Voor de grot was er niets bijzonders te zien. Alleen maar granaatsplinters!

‘Niets aan de hand,’ zei Len met gedempte stem.

‘Dat kan ineens veranderen. Ik heb toch echt iemand horen vallen,’ antwoordde Trong.

Hij ging met zijn Thompson naar de ingang.

‘Hoor eens: ik heb nog maar tien kogels. Als mijn munitie op is, pakken jullie direct je sabels, begrepen? En jullie hakken genadeloos in op iedereen die hier binnenkomt!’

De twee guerrillastrijders hielden hun sabels stevig vast en antwoordden:

‘Afgesproken! Jij gaat aan de zijkant staan, dan hebben wij de ruimte.’

Ze wachtten lang, zonder dat er iets gebeurde. Tien minuten, twintig minuten, niets. Ze gingen maar zitten. Een uur later was er nog steeds niets gebeurd.

‘Het zal wel een vos geweest zijn,’ zei Hai Ca Tren.

‘Die zijn hier niet, voorzover ik weet!’ antwoordde Trong.

Platvis lachte een beetje uit de hoogte:

‘Er zijn er genoeg. Jij weet dat niet, want je bent niet van hier. We hebben hier van alles: vossen, apen, slangen… Geweldig veel. En ook reuzenschildpadden met een pantser zo groot als een broodmand of zelfs een rijstwan!’

‘Als dit allemaal achter de rug is, zou ik best eens een paar slangen willen proeven.’

‘In dit jaargetijde zijn er niet zoveel. Maar er zijn boa’s. Lust je die? Tamelijk flauw, of je moet de huid laten zitten.’

Platvis hield maar niet op.

‘Weet je hoe reuzenschildpadden hun eieren leggen? Heel bijzonder! In het droge seizoen gaan ze de zee in. Bij de eerste onweersbuien komen ze terug naar Hon Dat om eieren te leggen. Die zijn zo groot als een papaja en ze verbergen ze in het zand, dat ze stevig aanstampen met hun schild. Daarna gaan ze terug naar zee. Als het regent komen de kleine schildpadjes uit het ei en storten zich meteen in het water om voedsel te zoeken.’

‘Hoe bestaat het!’ riep Trong.

Platvis knikte en ging rustig verder:

‘O, er zijn nog mooiere dingen. De egels bijvoorbeeld, die je hier heel veel hebt. Wist je dat die tweeslachtig zijn?’

‘Zonder gekheid?’

‘Eerlijk waar!’

‘Nee toch?’

‘We hebben nog andere dieren, die heel zeldzaam zijn! Als heel Zuid-Vietnam bevrijd is ga ik af en toe met een paar vrienden op jacht en dan worden we slapend rijk.’

Len kwam tussenbeide:

‘Mag ik dan mee?’

‘Jij? Nee, jij bent te veel een grappenmaker. Een jager moet geconcentreerd en nuchter kunnen zijn.’

Len lachte in zijn vuistje en zei:

‘Kom, Trong! Jij kent Platvis nog niet. Daarom houdt hij je voor de gek. Mijn hele leven heb ik die vent nog geen eekhoorntje zien vangen en dan heb ik het nog niet eens over vossen, apen, schildpadden of slangen.’

Hai Ca Tren bedacht wat hij daarop zou zeggen.

‘Zeg Len,’ zei hij ten slotte, ‘heb jij de vijftiende dag van de zevende maand niet zitten smullen van mijn slangensoep?’

‘Jawel, maar Ut had de slang gevangen! Tegenover je vrouw deed je net alsof jij dat gedaan had. Ik was zo vriendelijk om haar dat niet te vertellen en nu durf je mij voor de gek te houden?’

‘Hoezo Ut? Welke Ut?’

‘De jongen van Tu Rau. Hij is hier. We kunnen het makkelijk nagaan.’

Platvis vond het beter om zijn mond te houden. Trong moest iets verzinnen om zijn eer te redden:

‘Maar er zijn hier echt veel wilde dieren.’

‘Wie beweert dan dat dat niet zo is?’ lachte Ren.

Uit het binnenste van de grot hoorden ze stappen komen. Hai Ca Tren stond op en ging over op een ander onderwerp.

‘De ploeg van Ngan komt ons aflossen. We kunnen even slapen; ik slaap nu al staande.’

Ngan kwam met Quyen en Tu Nghiep.

‘Jullie kunnen gaan slapen, jongens!’ zei Ngan. ‘Het is tijd.’

‘Is het al tien uur?’ riep Len. ‘Door al die verhalen van Platvis vergeet je de tijd!’

Trong bracht rapport uit:

‘Er is niets gebeurd. Alleen hoorden we ruim een uur geleden buiten iets vallen.’

‘O ja?’

‘Maar daarna is er niets gebeurd.’

‘Het geluid van iemand die viel, zeg je?’

‘Het kan net zo goed een vos geweest zijn die wegvluchtte.’

‘Goed! Geef mij de zaklantaarn eens.’

Ngan ging op zijn hurken zitten en maakte licht. Niets. Hij stond een meter van de opening met Quyen achter zich en Tu Nghiep achter haar. Ngan was gewapend met een Thompson. Quyen had de karabijn van Dat overgenomen. Tu Nghiep had alleen het eind hout van Ba Ren. Hij rolde een sigaret.

‘Er is nog een restje. Ik heb al zitten kijken naar het uitgedroogde mos op de rotsen; misschien kun je dat roken!’

‘Laten we onze mensen dankbaar zijn dat ze proviand gebracht hebben,’ mompelde Ngan. ‘Zonder hulp van de bevolking hadden we het niet tot vandaag uitgehouden. Geen tabak en geen rijst! Als ik hoor wat er met Ca My gebeurd is, dan…’

De jonge man zweeg en niemand verbrak de stilte. Er kwam een stroom frisse lucht de grot in. Buiten moest de wind opgestoken zijn en het aanzwellende geruis gaf Quyen de indruk dat de zee kwam opzetten. Het ruisen van de golven veranderde geleidelijk in een dof gerommel.

‘Weer slecht weer,’ klaagde Quyen. ‘Ik ben doodongerust. ‘Hoe moet het met mama nu mijn zus dood is?’

‘Ja, die arme mama…’ zei Ngan. ‘Toch weet ik zeker dat ze zich zal redden… Ze houdt van jullie allebei, alleen had ze met Su ook een beetje medelijden. Ik heb haar een keer horen zeggen: “Su kan tien jaar of meer op haar man wachten; ik ben alleen bang dat ze allebei oud zijn als ze elkaar terugzien.”’

Quyen dacht even na.

‘Dat is waar: ik ben nog een meisje vergeleken met Su.’

Tu Nghiep lachte en vroeg zonder omwegen:

‘Quyen, zeg eens eerlijk…’

‘Ja, oom?’

Tu Nghiep nam rustig nog een trekje aan zijn sigaret en trapte de peuk uit op de grond.

‘Ik weet net zo zeker als je moeder dat Su had kunnen wachten. Stel nu eens dat ze Ngan tien of twintig jaar wegstuurden, wat zou je dan doen?’

‘Maar dat gebeurt niet, oom!’

‘Stel dat!’

Quyen zweeg.

Tu Nghiep drong aan:

‘Ik ben benieuwd! Zeg het maar!’

Quyen was geschrokken in het donker. “Eerlijk gezegd heb ik daar nog nooit over nagedacht!” zei ze tegen zichzelf. Ze antwoordde snel en proestend van het lachen:

‘Dan blijf ik niet zitten wachten!’

‘Zozo!’ zei Tu Nghiep. ‘Hoor je dat, Ngan?’

‘Ik ben één en al oor, oom!’

Ngan zei plagerig:

‘Waarom wil je dat er iemand op me wacht? Zo bijzonder ben ik niet…’

Quyen kneep hem om te voorkomen dat hij doorging. Daarna droomde ze verder, legde haar hoofd op de schouder van haar verloofde en beet er even speels in. Tu Nghiep kon het in het donker niet zien.

Ngan liet haar begaan. Het deed geen pijn, zo gelukkig was hij. Dergelijke momenten waren zeldzaam tijdens de gevechten. Quyen en hij hadden nooit de kans gehad om net als anderen in het openbaar bij elkaar te zijn; het was altijd in holen, in schuilplaatsen, in het bos en nu in deze grot, onder grote spanning. Hij was nu dolblij met de genegenheid van zijn partijkameraden, zijn strijdgenoten en zijn verloofde.

Zachtjes duwde hij Quyens hoofd weg. Hij had zojuist een miniem geluidje gehoord, iets als bladergeritsel op de bodem van de grot. Hij knipte het licht aan. Een linnen zak aan een lange stok kwam de opening binnen. Er brandde een lont, die een dikke rookwolk verspreidde. Quyen en de twee mannen staarden naar het pak, dat in hun richting gleed. Quyen zag dat Ngan gehinderd werd door zijn machinepistool en zijn zaklantaarn en sprong op het dynamiet af, greep het en gooide het naar buiten. Toen ze naar binnen rolde, ving Ngan haar op in zijn armen. Er klonk een geweldige ontploffing. Quyen en haar kameraden werden even opgetild, terwijl rondom hen de aarde de lucht in vloog. Dankzij de steun van Ngan was het meisje niets overkomen. Ze greep haar karabijn.

‘Terugtrekken!’ schreeuwde Ngan.

Hij verlichtte de weg voor Tu Nghiep en Quyen. Bij de eerste splitsing bleven ze staan. Tu Nghiep ging op zijn hurken zitten en hijgde:

‘Het scheelde weinig of we waren nu alle drie stof. Goede hemel, wat angstaanjagend was die lont!’

Hai Thep kwam aanlopen met zijn mannen:

‘Ngan, waar ben je? En de anderen?’

‘We zijn allemaal ongedeerd. We ontdekten de lading dynamiet nog net op tijd. Quyen heeft hem naar buiten gegooid.’

‘Goed zo! Ik dacht al dat ze dynamiet zouden gaan gebruiken.’

Hij scheen met zijn lamp in de gang. Er was niets bijzonders te zien.

‘Blijf hier, maar houd je gereed om eventuele aanvallers af te slaan. Ba Ren, ben je daar?’

‘Ja!’

‘Jij blijft hier met je mensen om de wacht te versterken.’

‘Ja.’

Ba Ren kwam naar voren en betastte Tu Nghiep over zijn hele lichaam.

‘Je bent ongedeerd! Jullie krijgen nu even rust; geef mij de knuppel maar.’

Er klonk een nieuwe explosie, die iedereen wegblies. Stukken rots sloegen tegen de wanden. Een wolk dikke, zwarte rook kwam opzetten. De hevig door elkaar geschudde grot maakte vreemde geluiden, alsof de rotsen scheurden.

‘Ik houd de lamp vast,’ zei Hai Thep. ‘Wapens in de aanslag, allemaal! Haal de eerste neer die zich hier vertoont!’

Ngan steunde zijn Thompson op een rots en wees Quyen een plaats naast hem. Quyen legde de kolf van haar karabijn tegen haar schouder. Ze zag hoe de rook zich geleidelijk verspreidde. De gemetselde muur was half weggeslagen. De rest lag in puin. De elektrische lamp ging plotseling uit. Toen hij een seconde later weer aanging, toonde de lichtbundel een vijand die op de hoop puin sprong met een lading explosieven onder zijn arm. Vier geweerschoten knalden tegelijkertijd. De soldaat bleef staan en liet het dynamiet vallen. Hij zakte in elkaar, terwijl de lont brandde en brandde. Quyen had maar net tijd een kreet van ontzetting te slaken en achter een rots in dekking te gaan, toen de ontploffing volgde.

Dezelfde zwarte rook. Hetzelfde rondvliegende puin. Maar geen spoor van de soldaat. Een stuk rots viel van boven op de grond.

De elektrische lamp bleef aan en iedereen wachtte met zijn wapen gericht op de ingang, in de hoop dat de scène zich herhalen zou. Een minuut, vijf minuten. Nog steeds niets. Om de batterijen te sparen deed Hai Thep zijn lamp uit. Al gauw knipte hij hem weer aan. Nog steeds niets, en dit herhaalde hij verschillende keren zonder dat hij iets zag.

‘Ze hebben zich teruggetrokken,’ zei Ba Ren.

‘We wachten rustig af,’ zei Tu Nghiep. ‘Laat de lamp maar aan. Straks komt de maan op.’

Ze hoorden duidelijk de geluiden van de wind en de golven. Die klonken als aanhoudend tromgeroffel.

De geweren waren klaar om bij het minste of geringste te schieten. Quyen werd ongeduldig en geïrriteerd door het licht dat steeds aan- en uitging. Ze had haar vinger ontelbare malen aan de trekker gelegd. Ondertussen bleven haar ogen voortdurend op de ingang van de grot gericht. Op een gegeven moment was die ook zonder licht duidelijk te zien. De maan! Voor hen geen duisternis meer, maar een blauwe schemering die steeds lichter werd. In het licht van de maan kon Quyen de hoop puin nu duidelijk zien. Hai Thep vond het niet nodig zijn lamp nog langer aan te laten. Hij liet Ba Ren op wacht staan en gaf de anderen toestemming om te gaan rusten.

De rest van de nacht was rustig. Rustiger zelfs dan de voorgaande nachten. Geen ontploffing meer en geen geweervuur in de verte.

Bij het aanbreken van de dag stelden ze zoals gewoonlijk een verdediging op bij de ingang van de grot. Hai Thep hield de wacht. Voor het eerst zag hij het morgenlicht door een grotere opening binnenvallen. “Eindelijk dag!” zei hij tegen zichzelf, terwijl hij de nacht zag vervagen. De zee was ook rustig geworden. Vogels tsjilpten. Daarna zag Hai Thep hoe de grashalmen een roze schijnsel opvingen. Heel de natuur baadde in een zacht licht. Het veld was op veel plaatsen platgetrapt. Geschokt zag hij een bloedend been.

‘Kijk,’ zei hij tegen zijn kameraden, ‘dat is er over van de man met het dynamiet.’

Achter hem gniffelde iemand. Hij draaide zich om en zag de kleine Ut, die in zijn slaperige ogen wreef. De jongen boog met zijn handen op zijn knieën om het been te bekijken. Hij grijnsde:

‘Wat een klap was dat, hè oom?’

‘Nou en of, een hele lading dynamiet. Het is een wonder dat dat been er nog ligt. En Ut, ben je wakker geworden van de ontploffingen?’

In plaats van antwoord te geven, keek Ut strak naar buiten en hij ging naar de muur om beter te kunnen zien.

‘Jij slaapt door alles heen, hè Ut?’ drong Hai Thep aan.

Maar het kind sperde zijn ogen open.

‘Daar zijn ze! Daar zijn ze!’ zei hij en wees naar de kokosplantage.

‘Waar?’

Hai Thep volgde de vinger van Ut en zag aan de rand van de kokosboomgaard een menigte mensen.

‘Op je post!’ riep hij. ‘Houd je gereed!’

De guerrillastrijders en Ut gingen in dekking achter de rotsen. Hai Thep laadde zijn Garand en volgde de vijand met zijn ogen. De menigte verspreidde zich over het veld. Ut knipperde met zijn ogen en riep:

‘Maar… het zijn geen soldaten!’

‘De twee guerrillastrijders zagen dat hij gelijk had:

‘Ja! … Het zijn onze mensen. Dat moet moeder Sau zijn daar voorop, met haar grijze haar. Ja!’

Verbijsterd keken ze toe, omdat ze hun ogen niet konden geloven. Ut wees iemand aan:

‘Dat is mijn vader, ja, hij is het!’

‘Krankzinnig!’ mompelde Hai Thep. ‘Drijven ze onze mensen voor zich uit, om te voorkomen dat wij schieten?’

‘Maar er lopen geen troepen achter hen!’

‘Blijf in ieder geval in dekking!’

De menigte naderde. Het werd duidelijk dat er geen troepen volgden. Hai Thep kon nu iedereen herkennen. Moeder Sau, de vrouw van Ba Ren, Tu Rau, Tam Chan, mevrouw Ba Ou… Goede genade, iedereen was er! Zijn vrouw, mevrouw Tu Nghiep, en ook mevrouw Len. Heel Hon Dat! Volwassenen, kinderen, iedereen liep zo hard hij kon. Sommigen struikelden, maar waren gauw weer op de been. Op een pas of twintig van de grot bleven ze staan en riepen met hun handen als een luidspreker voor hun mond:

‘Hédaar, ze zijn weg!’

Omdat het antwoord uit de grot op zich liet wachten, hoorde je vrouwen in snikken uitbarsten. Tu Rau rende naar voren en brulde zo hard hij kon:

‘Hédaar! Leven jullie nog?’

Hai Thep sprong op de hoop puin, op de voet gevolgd door Ut en de twee guerrillastrijders. Met zijn Garand in de hand rende hij naar Tu Rau en omhelsde hem. Tam Chan pakte Hai Thep bij zijn schouders, lachte door zijn tranen heen en zei:

‘Goede genade, ik was echt bang dat je vrouw weduwe geworden was.’

In een oogwenk werden Ut en de drie mannen bijna platgedrukt door lachende en huilende mensen. Mevrouw Hai Thep lachte niet, maar keek met tranen in haar ogen naar haar man. Ze vond dat hij er bleek en afgemat uitzag. Hai Thep deelde mee dat iedereen gezond en wel was, behalve Dat, die de vorige avond gestorven was.

‘Waar zijn de kinderen?’ vroeg hij zacht aan zijn vrouw.

‘Bij de buren.’

Ut ontsnapte aan de omhelzingen en ging de grot in, terwijl Hai Thep uitkeek naar moeder Sau. Hij zag haar: ze stond met droge ogen voor zich uit te staren. Hij ging naar haar toe. Maar moeder Sau liep met kleine pasjes naar de grot en hield haar halsdoek in haar handen om haar lippen af te vegen.

Op uitnodiging van Ut ging iedereen naar de ingang. Weer werd er geroepen, gelachen en gesnikt. Het hondje van Ut was buiten zichzelf van plezier en sprong keffend heen en weer. De mensen omhelsden elkaar op het door de kogels omgeploegde veld. Hai Ca Tren kwam met wat wankele benen naar buiten en droeg Be op zijn schouders. Met de kleine Thuy op haar rug en haar karabijn aan de koppelriem klom Quyen over het puin.

Moeder Sau rende naar haar toe, omhelsde beiden tegelijk en barstte in snikken uit. Thuy huilde van blijdschap en keek vervolgens om zich heen, op zoek naar haar moeder. Honderden ogen waren op haar gericht.

Iedereen hoorde haar roepen:

‘Oma, waar is mama? Waar is mama?’

Omdat haar grootmoeder geen antwoord gaf, sprong Thuy op de grond en schreeuwde:

‘Mama! Mama!’

Ze rende alle kanten uit en ging van groep naar groep om haar moeder te zoeken. De menigte was geschrokken en keek ongerust naar haar. Onder de hartverscheurende kreten van Thuy kwamen de guerrillastrijders een voor een naar buiten.

Nam Nho ondersteunde Tham, die mank liep. De zeventiende en laatste die de grot uitkwam was Ngan met het lichaam van Dat in zijn armen. Door het doorzichtige plastic was het gezicht van de jonge man te zien. Tam Chan liep naar Ngan, ging zonder iets te zeggen voor hem staan en nam het lichaam van Dat van hem over. Hij keek naar Dats gezicht onder het plastic. Tam Chan vertrok geen spier. Zijn ogen begonnen te staren. Je zag hoe ze zich langzaam met tranen vulden en rood werden.

Ngans gezicht was verhard, uitgeput, bestoft. Allemaal zagen ze er zo uit. Geen enkel jasje was nog heel, alles was gescheurd aan de mouwen, op de schouders of op de rug. Ze voelden zich leeg. Ze hadden honger en ze hadden dorst. Pas nu overviel hen de vermoeidheid.

Ze liepen wankelend naar het dorp in het eerste morgenlicht. Het eerste sinds een week! De zon liet de druppels fonkelen in de pollen gras. Ze verlichtte het gebladerte en drong door in de plantages. De ochtendbries liet de bladeren ritselen. En daar, achter de wiegende bamboestengels, braken de zonnige golven op het strand.

 

Mei 1965