Hoofdstuk V

afb 5

 

1

Na de drie schoten van Ba Ren als antwoord op Su wisten ze in de grot niet meer wat er gaande was. Wat was er daarna met de jonge vrouw gebeurd? De mannen omklemden hun geweerloop en huilden van teleurstelling. Ba Ren en een paar andere guerrillastrijders stelden een uitval voor om Su te bevrijden. Maar Hai Thep schudde zijn hoofd, beet op zijn lippen en voegde er tussen zijn tanden aan toe:

‘Ze hebben haar blijkbaar al gedood.’

Iedereen zweeg en was ervan overtuigd dat de heldhaftige jonge vrouw dood was. Voor het eerst sinds het begin ondervonden ze het verlies van iets van onschatbare waarde. Het immense verdriet was vermengd met een diepe haat. Het bloed kookte in de aderen. Nog nooit had iemand van degenen die hier vochten met de wapens in de hand zulke prachtige woorden gehoord als die van Su. Nog nooit had iemand van hen tegelijkertijd zoveel liefde en zoveel haat gevoeld en zo’n verharding van de wil om te strijden.

Nadat Quyen eerst in snikken was uitgebarsten, kon ze nu niet langer huilen. Ze had haar tranen moeten drogen, want Thuy hing aan haar om te vragen waar haar moeder naartoe was en wanneer ze terugkwam. Quyen voelde zich verplicht om haar voor te liegen en deed of Su op een missie was in het dorp. In het donker omhelsde ze haar nichtje en besefte dat dat nu onherroepelijk wees was. Maar de tranen kwamen toen ze het jasje van Su aanraakte. Ze hield het in haar mond, beet erop en klemde het tussen haar vingers. Het kledingstuk droeg de geur van haar zuster. Een milde en vertrouwde geur, fris en aangenaam. Dit jasje was een van de twee die hun moeder uit één lap zijde genaaid had. Quyen droeg net zo’n jasje, terwijl ze dat van Su in haar hand hield. Haar zuster had het voor ze naar het riviertje ging uitgedaan om haar dochter warm te houden. Ze zou het de afgelopen nacht wel veel last hebben gehad van de kou. “Lieve zus, ik vind het hartverscheurend om nu het jasje te dragen dat mama voor me gemaakt heeft en tegelijkertijd jouw jasje in handen te hebben. Hoe kunnen we onze kindertijd vergeten, onze jonge jaren en de tijd dat jij moeder werd? Van nu af aan neem ik jouw plaats in bij mama en Thuy. Ik zal mijn plicht als oudste dochter doen, zoals jij vroeger, ik zal een even goede communist zijn, een even lieve moeder!…” Terwijl ze zich overgaf aan deze trieste overpeinzingen voelde ze in de zakken van haar zuster. Haar vingers vonden de brief van San. Die had ze instinctief, zonder nadenken in haar zak gestoken.

Er klonk een scherpe fluittoon, gevolgd door gekraak. Dat moest de luidspreker verderop zijn. Quyen maakte zich los van Thuy:

‘Blijf hier, liefje, ik ga kijken wat er aan de hand is.’

Toen ze bij de ingang aankwam, was het geluid al afgelopen. Ngan had zijn ogen wijd opengesperd van schrik. Hij hijgde:

‘Ze zeggen dat Su onthoofd is en roepen ons op om ons over te geven.’

Quyen riep: ‘O hemel!’ en rende naar de uitgang. Hai Thep hield haar tegen met zijn arm en het meisje barstte op zijn schouder in snikken uit. Ngan, Ba Ren en drie of vier andere mannen stelden een uitval voor. Hai Thep schudde alleen maar zijn hoofd.

‘Ik moet daarheen!’ schreeuwde Ngan. ‘Ik kan hier niet blijven!’

‘Dat geldt ook voor mij!’ zei Ba Ren en hij richtte de loop van zijn geweer omhoog. Als ze me doden heb ik pech gehad. Ik moet iets doen om Su te wreken!’

‘In het belang van de gemeenschappelijke strijd,’ zei Hai Thep, ‘herhaal ik dat niemand naar buiten gaat zonder mijn bevel!’

Omdat de anderen niet van hun plannen leken af te zien, voegde hij de daad bij het woord:

‘Allemaal op jullie post! Om Su te wreken moeten we hier blijven en deze slag winnen.’

Zonder een woord te zeggen gingen de mannen de een na de ander terug op hun post. Quyen zelf kon zich beheersen. Hai Thep legde een hand op haar schouder:

‘Niet huilen, Quyen. Blijf bij Thuy. Laat je niet op je kop zitten.’

Quyen liep met kleine pasjes weg en beet op haar nagels. Hai Thep ging op een rots zitten, streek over zijn snor van een paar dagen en zei op zijn gewone rustige toon:

‘Met die microfoon voor de grot grijpen ze naar psychologische middelen. Met hun eigen apparaat heeft Su een oproep aan ons gedaan en zo hun plan in de war geschopt en de situatie omgekeerd. Ze was een toonbeeld van moed. Omdat ze dacht dat wij niet gewaarschuwd waren, riep ze ons op het water van het riviertje niet te drinken. Zoals jullie zien heeft ze zelfs gezegd dat we de wapens niet neer moeten leggen, dat we dat nooit moeten doen…’

‘Dat gebeurt ook niet!’ interrumpeerde Ba Ren. ‘Of we moeten allemaal dood zijn!’

Tu Nghiep zei halsstarrig:

‘Wanneer zijn we dan allemaal dood? Zelfs als ik nog maar één rib in mijn lijf heb, sla ik daarmee van me af! Liever de wapens onklaar maken en weggooien dan ze hun in handen laten vallen!’

‘Zo is het,’ zei Dat. ‘Dat zal ik ook doen, oom. Maar hebben jullie eerst een druppel water voor me om die verschrikkelijke dorst te lessen?’

Dat keek Tu Nghiep met een diplomatieke glimlach aan.

‘Maar je drinkt als een buffel, jongen!’ zei Tu Nghiep, terwijl hij de jonge man zijn veldfles aanreikte.

Dat zette onmiddellijk de veldfles aan zijn mond. Er kwam geen druppel water uit. Hij wilde roepen: “Dat is niet aardig, oude!”, toen hij zich bedacht, met zijn lippen smakte alsof hij een flinke slok water had genomen en de veldfles doorgaf aan Toi met de woorden:

‘Alsjeblieft! Neem er eentje om je keel te spoelen!’

Toi pakte de veldfles en maakte aanstalten om te drinken. Dat stikte van het lachen. Toi was woeden dat hij voor de gek gehouden werd en gooide de veldfles weg. Tu Nghiep moest hard lachen en vroeg:

‘Is je dorst nu gelest?’

‘Verdomme! Hij houdt ons voor de gek en durft ons daarna uit te lachen!’

Tu Nghiep lachte hartelijk:

‘Ik heb vanmorgen al gezegd dat er niets meer in mijn veldfles zit. Het ligt aan jullie, heren…’

Ondanks zijn leeftijd had Tu Nghiep de gewoonte om zijn jonge kameraden “heren” te noemen. Als voormalig lid van de Hoa Hao [militante boeddhistische sekte] was hij nog maar twee jaar geleden gestopt met zin haar kort scheren en vegetarisch eten. Hij geloofde nog steeds aan de Hemel en aan Boeddha, al kon hij daar als geen ander grappen over maken. Zijn veldfles was inderdaad al leeg sinds gisteravond, toen hij de laatste druppels aan Be gegeven had.

Er was in de grot geen druppel water meer. De dorst brandde in alle kelen.

‘En als we nu eens urine gingen drinken?’ stelde Ba Ren voor.

‘Dat is net bier. Tijdens het verzet hebben de uit Poulo Condor ontsnapte kameraden dat moeten doen!’

Nam Tan schudde zijn hoofd:

‘Dat soort bier zegt me niets. Dan heb ik liever dorst.’

‘Je bent wel erg kieskeurig,’ antwoordde Ba Ren. ‘Nood breekt wet. Dit is niet het moment om je vrouw een kopje thee te vragen!’

Iedereen barstte in lachen uit. Vanmiddag had Ba Ren zich na het eten van een paar handjes geroosterde rijst niet meer in kunnen houden. Hij ving zijn urine op in zijn veldfles. Toen Hai Thep naar het midden van de grot ging, had hijzelf zijn veldfles geschud en de anderen uitgenodigd om te drinken. Voor iemand daarop inging, zette hij de veldfles aan zijn lippen. Na één teug knorde hij van voldoening en riep:

‘Niet gek, jongens! … Toe maar! Gegarandeerd honderd procent!’

Anderen volgden zijn voorbeeld. Op dat moment kwam Hai Thep onverwachts terug. Hij wilde hen tegenhouden, maar bedacht zich. Hij stierf zelf van de dorst. En zo verschrikkelijk was het nu ook weer niet. In de donkere jaren had hij geen urine gedronken, maar na vier dagen zonder eten en drinken wel een levende krab verslonden. Op een nacht diep in het bos had Ba Ren hem om zijn hoge koorts te verlichten adergelaten met een mes. Omdat er geen lamp was, had Ba Ren zijn aansteker laten branden, die geen lont meer had. Hij had katoen moeten branden. Bij iedere vlam had Ba Ren snel een snee in de rug van Hai Thep gemaakt en daarop gedrukt om het bloed eruit te laten lopen. Ondanks alles was Hai Thep genezen. Iedereen vond varkensvoer niet te vreten, en toch had hij het geproefd. Omdat hij aan zijn linkervoet twee tenen miste, moest hij door de beken naar het dorp om geen voetafdrukken achter te laten. Hij had nog heel wat beproevingen doorstaan. Urine drinken was in zijn ogen helemaal niet erg, al had hij medelijden met zijn kameraden.

Plotseling herinnerde hij zich dat hij ergens op een rots een waterplas gezien had.

‘Wacht,’ zei hij, ‘ik ga kijken of er ergens anders niet een beetje water is. Je weet nooit.’

Hij ging het binnenste van de grot in en scheen met zijn elektrische zaklantaarn in ieder hoekje. Ten slotte vond hij een enigszins uitgeholde rots met een plas ter grootte van twee handen. Hij doopte er een vinger in en bracht die naar zijn neus. Het water verspreidde een vieze lucht van rotte bladeren. “Och, je gaat er niet aan dood!” zei hij tegen zichzelf. Hij riep degenen die de meeste dorst hadden. Het waren er vijf, Ba Ren en de jonge Diep meegerekend. Nam Tan deed niet mee en zei:

‘Ik bedank voor de eer. Dat walgelijke water hoef ik niet!’

Hai Thep, die op de rots stond, trok iedereen aan zijn arm naar boven. Hij wees naar de plas en lichtte bij met zijn zaklantaarn.

‘Geweldig!’ riep Ba Ren.

Hij klopte Diep op zijn schouder:

‘Jij mag eerst, jonge held!’

Diep keek naar het plasje water met de kleur van slappe koffie en aarzelde.

‘Ga je gang!’ herhaalde Ba Ren. ‘Ik ben er, als je ziek wordt. Dat is nog eens wat anders dan de verfrissingen uit Saigon! Neem een slok om je dorst te lessen. Het duurt nog wel even, hoor!’

De scholier glimlachte en ging plat op zijn buik liggen. Hij bracht zijn lichte gezicht naar het plasje. Na een paar slokken stond hij op. Hij klopte het vuil af, veegde over zijn lippen en grijnsde breed. Ba Ren knipoogde naar hem.

‘En?’

‘Gaat wel!’

‘Dat zei ik toch? Nu ben ik aan de beurt!’

Ba Ren ging net als Diep meteen plat op zijn buik liggen. Na twee teugen stond hij op en zei tegen zijn buurman:

‘Nu jij!’

Dezelfde procedure als de vorige keren. Het plasje was gauw verdwenen. Toen Hai Thep aan de beurt was, was er nauwelijks water over. Hij kon alleen nog maar de rots aflikken.

Toen Hai Thep opstond, hoorde hij vlak in de buurt Ba Phi hoesten.

‘Waarom laten we die in leven?’ zei Ba Ren. ‘Ze drinken alleen maar ons water en eten onze rijst. Laat ze maar aan mij over! Dan help ik ze vannacht naar de andere wereld.’

‘Geen sprake van,’ zei Hai Thep. ‘Voor een executie hebben we officiële toestemming nodig. De bevolking moet erbij aanwezig zijn. Jullie zijn te ongeduldig! Zelfs als het om een bloeddorstige geheim agent gaat moeten we de massa’s het recht laten om over hen te oordelen. Wat er nu alleen niet deugt is de plaats waar we ze gevangen houden. Ze horen daar alles wat we zeggen. Vannacht brengen we ze verder weg, helemaal naar het einde van de grot.’

‘Goed zo.’

Terug bij de opening nam Hai Thep Ngan apart.

‘Vannacht moeten we verkenners op pad sturen. En proberen wat kokosnoten te plukken. Dat zal de nood verlichten. Dan hebben we iets te eten en te drinken.’

Ngan stelde zich ter beschikking, samen met Toi en Trong.

‘Kunnen ze in een kokospalm klimmen?’ vroeg Hai Thep.

‘Heel goed.’

‘Akkoord. Maar jullie moeten voorzichtig zijn en stap voor stap vooruitgaan. De maan schijnt nog.’

‘Wees gerust: ik zal op mijn hoede zijn.’

Ngan keerde zich naar Ba Ren en zei lachend:

‘Zeg, wíj hebben Ba Phi gearresteerd. Jullie krijgen niet de eer om die twee te executeren, maar wij!’

Ba Ren was ontevreden:

‘Zouden jullie dat net zo goed kunnen als ik? Jullie handen zouden beven!’

‘De mijne in ieder geval niet!’ antwoordde Ngan.

Daarna ging de jonge man naar Toi en Trong om te zeggen dat ze zich gereed moesten maken. Alle drie ontblootten ze hun bovenlijf en knoopten hun jasjes om hun hoofd. Ieder droegen ze alleen een korte broek, en aan hun middel een paar patroonhouders voor de Thompson en een paar handgranaten. Met hun machinepistool in de hand gingen ze op hun hurken zitten om te wachten op het vallen van de nacht.

Ngan zag het slingerende pad voor de grot van minuut tot minuut donkerder worden. De zon was allang onder en de dag liep ten einde. In de verte was de kokosboomgaard gaan ritselen. De palmen, die donkerblauw kleurden, wiegden in de wind op het ritme van het bulderen van de golven. De kokosboomgaard baadde in een lichte nevel. Daarna begon alles te beven in de wind. Het pad verdween in het duister van de nacht. De vijanden begonnen te schieten. Ngan kon het ruisen van de golven nu beter onderscheiden. Hij had het idee dat de nacht alle geluiden absorbeerde en alleen de zee het recht liet om haar stem te verheffen. Met miljoenen braken de golven op de oever en altijd was hun ruisen de meest ontzagwekkende en aanhoudende stem van de aarde geweest.

De afgelopen nachten had Ngan naar de echo van de golven geluisterd en de klank leek wel warmer geworden. De wanden van de grot dempten de stem van de zee.

Het was de negentiende dag van de twaalfde maanmaand. De nacht was niet erg donker. Na enkele duistere ogenblikken werd de hemel bleek en Ngan kon het pad weer onderscheiden en de palmen die wiegden en schitterden.

Hij pakte zijn wapen, stond op en fluisterde:

‘We gaan!’

Toi en Trong kwamen achter hem aan. Bij de ingang bleven ze even staan en gingen toen snel naar buiten. Met zijn machinepistool onder de arm ging Ngan vooruit, licht gebogen en met zijn linkerarm vooruit. Hij vermeed het pad en volgde een zijweg. Zo kwamen de drie mannen zonder problemen bij de kokosboomgaard.

Plotseling hoorde Ngan schoten uit een Garand. Dat was routine. Daarna hoorde hij mensen praten. Ngan fluisterde de anderen in hun oor:

‘Ze hebben niets in de gaten.’

‘Laten we eerst de kokosnoten plukken. Dan nemen we die op de terugweg mee.’

‘Akkoord!’

Toi en Trong kozen twee kleine bomen met veel vruchten uit. Ze gaven hun wapens aan Ngan, die zei:

‘Laat de kokosnoten vallen zodra ze gaan schieten, dan horen ze het niet!’

Toi knikte.

De twee jongens gingen ieder in hun boom en begonnen langzaam te klimmen. In een oogwenk verdwenen ze in de palmen en begonnen de kokosnoten te draaien om ze los te maken. Daarna bonden ze er steeds twee aan elkaar en hingen die om hun nek. Ngan gaf een paar lichte tikjes op de stam van een kokospalm. Toi en Tron hoorden het signaal en kwamen naar beneden. Zodra ze op de grond stonden gaf Ngan hun de wapens terug en met achterlating van de noten drongen ze dieper in de kokosboomgaard door.

Enkele passen verder bleef de groep staan. Ngan had een paar lichtpuntjes ontdekt ter grootte van de punt van een eetstokje. Er zaten soldaten te roken. Het was zware tabak uit Thu Dau Mot, waarvan de scherpe rook de mannen had bereikt. Ngan en zijn mannen gingen achter een kokospalm zitten met de loop op de vijanden gericht. Die bevonden zich heel dichtbij, zo dichtbij dat Ngan wanneer ze een trek aan hun sigaret deden hun bezwete gezichten zag, die afwisselend verschenen en verdwenen.

‘Verdomme nog aan toe! De rillingen liepen over je rug als je zag hoe de kapitein voor de grot neergeschoten werd! En dat nadat we bijna duizend granaten naar binnen hadden gegooid!’

‘Ja, hoe langer het duurt, hoe minder leuk het wordt. Die willen hun huid verdomd duur verkopen! In vier dagen hebben ze er bijna honderd omgelegd!’

‘Wij hebben maar één vrouw gevangengenomen! De commandant deed gedaan wat hij kon om haar om te praten. Wie had gedacht dat zo’n knappe vrouw zo moedig zou zijn? In plaats van haar kameraden op te roepen om zich over te geven zei ze dat ze hun wapens niet neer moesten leggen! De commandant liet haar ophangen aan een kokospalm en riep haar moeder. Ze moest huilen toen de die oude vrouw zag komen. Toen de commandant dacht dat ze het opgegeven had, liet hij haar omlaaghalen en weer voor de microfoon komen. Maar toen trapte ze het apparaat op de grond! Weet je dat ik me schaamde toen luitenant Xam zijn kapmes trok om haar te onthoofden?’

‘En toen lukte het hem nog niet om haar te doden! Integendeel: zijn eigen wond begon verschrikkelijk te bloeden!’

‘Ik vraag me af of het afgelopen is.’

‘Wat?’

‘Met dat meisje.’

‘Ze is dood. Bij zonsondergang, geloof ik.’

Ngan bukte en zijn keel zat dicht.

‘De luitenant probeerde het vier keer. Eén keer was het raak. Omdat ze nog niet dood was, liet de commandant haar ophijsen, want hij ging ervan uit dat haar gekreun de lui in de grot wel zou ontmoedigen. Maar tot vanavond heeft ze geen kik gegeven.’

‘Ja, toch! Toen ze doodging, gaf ze een schreeuw. Ik hoorde haar toen ze aan het touw bungelde en tegen de menigte riep die aan was komen lopen: “Wreek me!” Toen riep ze president Ho Chi Minh en na een paar stuiptrekkingen was ze dood.’

De soldaat hijgde:

‘Ik… hoorde… alleen dat maar… want op hetzelfde moment brulde de menigte en rukte op. Alleen maar vrouwen, oude mensen en kinderen. Ze scholden ons uit, sloegen ons en trokken zich niets aan van onze geweren. Een oude Khmervrouw met een vleesmes probeerde luitenant Xam te lijf te gaan. Een ranger die haar tegenhield raakte gewond aan zijn schouder. Maar de luitenant riep: “Niet schieten! Niet schieten!” toen de rangers de oude vrouw neer wilden maaien. Dat was geloof ik zijn eigen moeder. Ik werd op de grond gegooid en vertrapt door een hele dikke vrouw. Het scheelde weinig of ik had het niet overleefd! Toen ik weer overeind kon komen, sneden die mensen het touw door en namen het meisje en haar moeder op hun rug! De commandant gaf opdracht het lijk terug te halen. Hij ging tekeer en hij schreeuwde: “Ik maak jullie allemaal dood! Jullie willen een Vietcong begraven, hè?” Ze antwoordden: “Dit is iemand van ons en wij weten niets van de Vietcong.” En ze liepen rustig door. De commandant gaf uiteindelijk toe dat hij verloren had, wat moest hij anders? Ze liepen in dichte rijen, ze waren bezeten en niet bang voor onze wapens! Als wij geschoten hadden waren er doden gevallen, maar we keken wel uit!’

De soldaat zweeg. Ze staken nieuwe sigaretten op en rookten in stilte. Daarna stonden er een paar op.

‘Voor we de wacht hebben gaan we nog een eindje om door het dorp. Er is een blinde die prachtig dan bau speelt.’

Ze liepen de kant uit van Ngan, die zijn adem inhield en zich tegen de kokospalm drukte. De rook bereikte zijn neusgaten.

Er bleven toch nog twee soldaten achter.

‘Wie weet waar we met Tet zijn!’

‘Het rottigste is dat ze ons helemaal naar Ca Mau kunnen sturen.’

‘Wat maakt het uit? Zelfs als we hier eindeloos blijven zitten kunnen we met Tet niet bij onze familie zijn.’

‘Zorg dat je die rotgrot niet in gaat. Je weet dat er geen draagbaren meer zijn voor de gewonden.’

‘Hoe kom je eronderuit als je de order krijgt om daarheen te gaan? Hoe kun je weigeren? Goeie genade, toen ik gisteren langs de school kwam, hoorde ik de gewonden hartverscheurend schreeuwen.’

‘Ik luister alleen naar korporaal Co.’

‘Co? Wat zegt die?’

De twee mannen begonnen zachter te praten. Wat ze zeiden was niet te verstaan. Ngan gaf zijn kameraden een tikje met zijn voet om aan te geven dat ze zich terug moesten trekken. De drie mannen gingen terug naar de stapel kokosnoten, haalden een laag van de bast om ze lichter te maken en bonden ze twee aan twee aan elkaar. Met ieder een paar kokosnoten om hun nek gingen ze op weg naar de grot. Ngan was de hele weg verdrietig en hij dacht: “Su is dus dood, echt dood!” Zijn hart werd zwaar van droefenis. Daarna werd hij gegrepen door een doffe woede. De kokosnoten om zijn hals werden zwaarder bij iedere stap.
 

2

Daar waar Ba Phi en zijn vrouw aan hun lot waren overgelaten was nog nooit licht doorgedrongen, zelfs niet de vale schemer van de grotten. Dag en nacht heerste daar duisternis, een ondoordringbare duisternis eigen aan enge nissen. Eén keer per dag bracht Quyen of Nam Nho het stel spionnen een handvol geroosterde rijst en een beetje water. Quyen zei:

‘Water hebben we hier niet.’

Als het meisje weg was, bromde de man tussen zijn tanden.

‘Hoezo geen water? Zeg liever dat we het niet krijgen!’

De vrouw zweeg, dodelijk ongerust. Ba Phi vervolgde sarcastisch:

‘Ze zijn al dagenlang omsingeld… Ze zijn verloren, kun je wel zeggen! Vroeg of laat komen onze heren hiernaartoe.

Vervolgens troostte hij zijn vrouw:

‘Denk erom, niet huilen! Maak je geen zorgen: de dood komt deze keer nog niet. Als zíj komen zijn we gered!’

Zijn stem kreeg een dreigende toon:

‘De klootzakken! Dan zullen ze zien uit welk hout ik gesneden ben! Op het hakblok allemaal! Ik zal die oproerkraaier van een Hai Thep onthoofden en daarna die lui die ons gearresteerd hebben, en dan Ba Ren, allemaal!’

‘Houd toch op, houd toch op!’ smeekte zijn vrouw. ‘Ik zit te beven van angst, want voor onze heren hier zijn hebben die ons al gekeeld!’

Zo werd haar man de mond gesnoerd en zijn altijd aanwezige angst stak weer de kop op. “Dat zal wel niet gebeuren! Vóór die tijd maken ze ons koud!” Telkens als hij daaraan dacht begonnen zijn vastgebonden armen te trillen. En toch leefde er diep in zijn hart nog een sprankje hoop. Dat hield hem gaande met zijn kwaadaardige aard en alle haat die in zijn aderen kookte. In deze onverbeterlijke verklikker met zijn glimmende schedel werd het ongeduld vermengd met angst. Nu eens liep hij over van hoop, dan weer was hij terneergeslagen door wanhoop. Precies als een slimme vos die in de val gelopen was. Erger nog: hij zon op de wraak die hij zou nemen als hij eenmaal uit de valstrik bevrijd was. Wilde hoop en wanhoop volgden de aanvallen van de vijand. Als de machinepistolen knalden en de granaten ontploften was hij buiten zichzelf en dolenthousiast. Zijn vingers en tenen leken wel klauwen. In het donker stootte hij zijn vrouw telkens aan met zijn voet, alsof het uur van de vrijheid al gekomen was. Maar hij verviel in twijfel als hij hoorde hoe het vuur beantwoord werd. Als de aanval afgeslagen was keerde de rust weer. Doordat niemand hem kwam bevrijden begon hij weer te wanhopen en zat hijgend tegen de wand gedrukt. Bij iedere geslaagde tegenaanval van ons verflauwde de hoop in het hart van Ba Phi. Het bleef een drama. Altijd dat touw om zijn ellebogen, dat zijn armen achter zijn rug gebonden hield, altijd en eeuwig die duisternis.

En toch lag hij voortdurend op de loer. Met gespitste oren ving hij ieder woord en ieder geluid op. Hij wist dan ook in grote lijnen wat er de afgelopen vier dagen gebeurd was. Vanaf de eerste schermutseling had hij de gewoonte aangenomen bij het minste of geringste schot rechtop te gaan zitten. De ontploffing van duizend granaten was een hoogtepunt in zijn leven. De nacht van de amputatie van Be maakte hem dolgelukkig. De verdwijning van Quyen en de vergiftiging van Nam Nho gaven hem een vreemd gevoel van voldoening. Hij was ook op de hoogte van Su’s verdwijning. En toen de vijand de jonge vrouw wilde dwingen door de microfoon te spreken, kende zijn hoop geen grenzen meer. Hij was verbijsterd en teleurgesteld toen hij erachter kwam dat ze het tegendeel had gezegd van wat haar voorgezegd was. Door het watergebrek brandde zijn keel net zoals die van anderen. Maar die lijdensweg wekte in hem de duivelse hoop dat de dorst snel een einde zou maken aan alle verzet. Toen duidelijk werd dat Su gedood zou kunnen worden, kreeg de angst hem te pakken. Niet om Su, maar om hemzelf. “En als ze zich nu eens op mij wreken?” vroeg hij zich af. Soms hoopte hij dat de troepen de guerrillastrijders niet in het nauw zouden drijven, uit angst dat die hem voor hun nederlaag uit de weg zouden ruimen.

Zo werd hij dag en nacht aan één stuk door gekweld om het lot van zijn vrouw en hemzelf, vooral dat van hemzelf, en zijn gedachten waren even somber als de duisternis die hem omringde.

Terwijl zijn vrouw lange zuchten slaakte, sprong Ba Phi op toen hij licht zag. Een kaars die naar hem toe kwam! Gewend als hij was aan het donker, had hij de man die op hem af kwam nog niet herkend toen hij het commando hoorde:

‘Opstaan!’

Dat was Hai Thep. Ba Phi gehoorzaamde haastig. Zijn vrouw volgde zijn voorbeeld onderdanig. Maar Hai Thep gaf de vrouw een teken dat ze zich niet moest verroeren. Daarna zei hij minachtend tegen de spion:

‘Vertel eens: heb je tijd genoeg gehad om de ernst van je misdaad in te zien? Verdien je volgens jou de doodstraf?’

Ba Phi boog zijn hoofd en gaf geen antwoord.

‘Geef antwoord!’ drong Hai Thep aan met stemverheffing.

De spion bromde:

‘Ja!’

‘Goed zo!’ zei Hai Thep en hij knikte.

Na een korte stilte commandeerde hij:

‘Vooruit! Laten we hem uit de weg ruimen!’

De benen van Ba Phi begaven het. Maar Ba Ren snelde toe om hem onder zijn oksels te grijpen. De smid kreeg het idee dat de spion slappe benen had. Ze bezweken, zacht als vermicelli. Ba Ren moest hem naar het licht van de kaars slepen.

De vrouw volgde hen jammerend. Ba Ren mopperde:

‘Wat een slapjanus toch! Hij is zomaar flauwgevallen.’

Ze namen Ba Phi mee tot diep in de grot, bij de terracottakruik vol beenderen van martelaren, die Su en Quyen het afgelopen jaar ontdekt hadden.

De vijand had onze mensen gedood door hen met stokken de schedel in te slaan en de lijken vervolgens in een vijver te gooien. Su en Quyen hadden hen drie dagen lang gezocht. Toen ze de vierde dag het bos ingingen hoorden ze zwerfhonden huilen. Ze gingen op het huilen af, kwamen aan de rand van de vijver en zagen de honden eruitkomen met in hun bek botten met nog lappen vlees eraan. Su verjoeg de dieren met een stok en pakte de botten, terwijl Quyen de vijver inging om de stoffelijke overschotten bijeen te rapen. Ze legden de botten in een stuk plastic en verborgen ze in het dorp. De resten waren nauwelijks meer te identificeren. Pas na de bevrijding van het dorp werden ze in die kruik gelegd diep in de grot.

Ba Ren sleepte de spion nog een eindje verder en zette hem tegen een rots. Ba Phi hield zijn hoofd nog steeds gebogen. Ze moesten even wachten tot hij zijn ogen weer opendeed.

Ba Ren en Hai Thep sleepten hem vervolgens diep de grot in. Terwijl ze terugliepen naar het midden, merkte Hai Thep op:

‘Weet je, ze zijn allemaal hetzelfde. Wel moedig genoeg om te doden, maar niet om de dood onder ogen te zien. Hij dacht dat we hem gingen executeren en daarom viel hij flauw.’

‘Laffe figuren, zeg ik, goed genoeg om verklikker te zijn voor de vijand.’

Op dat moment kwam Ngan terug van de expeditie. Onder luid gejuich gooide hij zijn kokosnoten op de grond. Toi en Trong deden hetzelfde. Quyen ging naast haar verloofde staan. Die zweeg even en liet zich toen ontvallen:

‘Su is dood!’

Iedereen stond als versteend. De handen die geapplaudisseerd hadden zakten. Je kon een speld horen vallen. Hai Thep ging naar Ngan en vroeg met een brok in zijn keel:

‘Ben je… bij haar geweest?’

‘Nee. Ze was er niet meer. De mensen van het dorp hebben haar meegenomen. Wij hebben gewoon de gesprekken van de vijandelijke soldaten afgeluisterd.’

Ngan ging vlakbij de ingang op de grond zitten en vertelde wat hij gehoord had. Zijn stem brak bij Su’s doodsstrijd, toen ze een oproep had gedaan aan de bevolking en aan oom Ho. Quyen barstte in snikken uit. Haar hoofd schokte op de naakte en glanzend bezwete schouder van haar verloofde. Ze stonden allemaal met tranen in hun ogen, maar iedereen deed zijn best om niet te huilen. Ze wisten wel dat Su veroordeeld was, maar niet dat ze geëxecuteerd was en hoe ze zich op dat fatale ogenblik gedragen had. Nu had iedereen het gevoel dat hij Su niet genoeg begrepen en niet op waarde geschat had. Zij leek ver boven hen te staan. Haar vastberadenheid, haar trouw, haar schoonheid en haar zachtheid, die hun zo vertrouwd en nabij waren, werden nu pas in al hun waardigheid onthuld. Daar was ze met haar stille glimlach. Op het fijne ovaal van haar gezicht gingen de prachtige ogen vol schoonheid en oprechtheid open. Daar was het zijdeachtige haar waarop heel Hon Dat zo trots was. Nooit zouden deze beelden meer verdwijnen uit de herinnering van haar kameraden. Nooit zouden haar laatste woorden verstommen in hun hart.

Opnieuw voelde Hai Thep hoe zijn hart werd verscheurd door onzichtbare klauwen en tanden. Hij stond langzaam op en zei met onvaste stem:

‘Wat een voorbeeld voor ons! Ze zorgde hier voor ons, waakte over het kleinste korreltje rijst en het kleinste slokje water. Ze was niets dan zachtheid en zelfopoffering. En kijk nu eens hoe vastberaden ze de vijand trotseerde, zonder de minste concessie! Ze riep ons op de wapens niet neer te leggen. Laten we haar woorden in ons hoofd prenten! Ze riep ons op haar te wreken. Laten we dat beloven!’

Zonder iets te zeggen stonden allen op en namen met gebogen hoofd een minuut stilte in acht. Al hun gedachten gingen op dit moment uit naar dat lieflijke beeld. Vingers omklemden geweerlopen. Iedereen nam zich voor te vechten tot zijn laatste druppel bloed.

Na die minuut plechtige stilte hoefde niemand meer te huilen. Ze droogden de tranen die nog in hun ogen stonden. Ze hoopten dat de nacht snel voorbij zou zijn om Su bij de eerste aanval van de vijand te kunnen wreken.

‘Puur goud vreest niet de beproeving door het vuur,’ zei Ba Ren, ‘en Su was van puur goud. Niet zoals die Ba Phi, die meteen van zijn stokje ging.’

‘Hoezo?’ vroeg Ngan.

‘Hij dacht dat we hem af zouden maken.’

Hai Thep keerde zich naar Ngan.

‘Hoeveel kokosnoten hebben jullie meegenomen?’

‘Zes.’

‘Was het moeilijk?’

‘Helemaal niet. Alleen waren we heel dicht bij hen en daarom moesten we met het neergooien van de noten wachten tot ze gingen schieten. We hoorden hele gesprekken van die lui. Ze zaten te roken en we konden zelfs hun gezichten zien. Ze zijn helemaal in de war. Ze zijn erg bang om hier te komen. Onze grot heet bij hen “die rotgrot”.’

‘Geen slechte bijnaam,’ zei Hai Thep goedkeurend. ‘Rot voor hen natuurlijk. Voor ons is het nog steeds Hon Dat.’

Tu Nghiep knikte:

‘Ja, Hon Dat is een naam waar lieflijkheid van uitgaat. Maar als je eraan komt steekt het!’

‘Over steken gesproken,’ zei Ngan, ‘er zijn yankees bij de troep. We hebben er één gedood.’

‘O ja?’

‘Ja. Ik hoorde zeggen dat er gisteren een helikopter is gekomen om de dode yankee op te halen en een aantal gewonde officieren van het marionettenregime. De soldaten zijn woedend dat de yankeepiloot weigerde de mannen mee te nemen, zelfs de zwaargewonden.’

‘De smeerlappen!’

‘Ja, maar nu gaan de ogen open van degenen die zo blij waren dat ze mee mochten vechten met de yankees. Die houden misschien van hun hond, maar niet van de huurlingen. Die mogen creperen! Als ze eenmaal verminkt zijn hebben hun bazen niets meer aan ze, dus waarom zouden die ze redden?’

‘Ik heb het idee,’ zei Ngan, ‘dat de troepen gedemoraliseerd zijn. Konden we maar een oproep doen om het uiteenvallen te versnellen!’

‘Alleen Tam Chan en de bevolking zijn in staat om dat te doen,’ zei Ba Ren. ‘Hier slaan we erop, zodra ze zich vertonen en we hebben geen tijd om oproepen te doen!’

‘Toch wel! We zouden het kunnen doen,’ interrumpeerde Tu Nghiep. ‘Je hebt alleen een paar megafoons nodig. Terwijl we ze neerhalen praten we met ze. Zo valt de zaak sneller uit elkaar.’

‘Leuk bedacht,’ zei Ngan, ‘maar hoe komen we aan megafoons?’

Tu Nghiep dacht even na en zei:

‘We hebben geen metaal, maar wel iets anders. De kruik met de botten is bedekt met betelpalmbladeren. Daarvan kunnen we megafoons maken. De geesten van de martelaren hebben daar vast niets op tegen.’

‘Nee,’ zei Ba Ren, ‘die zijn alleen maar bedroefd als we capituleren. Trouwens, de doden zijn toch dood?’

‘Dat mag je niet zeggen, Ba Ren,’ protesteerde Tu Nghiep. ‘Je moet de zielenrust van de doden respecteren, en als we aan de kruik komen verstoren we die.’

Ba Ren zweeg en zei daarna lager en langzamer:

‘Sinds een tijdje merk ik dat jij terugvalt in bijgelovige ideeën.’

‘Helemaal niet! Daar gaat het niet om! Ik… Ik…’ protesteerde Tu Nghiep stamelend.

Hai Thep maakte een kalmerend gebaar en zei lachend:

‘Kom, kom, dat is geen zeker bewijs van bijgeloof bij Tu Nghiep, maar als die bladeren dienst kunnen doen, laten we dan niet aarzelen om ze te gebruiken. De doden zullen juist blij zijn. Vooruit, ouwe jongen!’

‘Goed, goed, ik zal het doen. Ik wou maar zeggen…’

Tu Nghiep nam de taak op zich om megafoons te maken, maar hij was niet gelukkig met de opmerking van Ba Ren. Hij vond zichzelf niet bijgelovig, al geloofde hij aan de hemel en aan Boeddha. Bij een paar feestmaaltijden had hij op zijn buik gekrabd en gezegd: “Als de drie miljard mensen op deze planeet niet meer aan de hemel en aan Boeddha geloven, blijft er altijd nog één over die dat wel doet.” Daarna had hij op zijn borst gewezen en er nadrukkelijk aan toegevoegd: “En die ene mens heet Tu Nghiep!”

Hij had het vegetarisch eten opgegeven, want hij vond:

‘Het gaat om het hart en niet om de maag. Een vegetarisch dieet geeft je niet genoeg energie. En verder zie je bleek en dat is lelijk.’

Wonderlijk genoeg wilde deze gelovige zielsgraag lid van de partij worden. Op een keer had hij Hai Thep gevraagd of hij toegelaten kon worden.

‘Jazeker,’ had Hai Thep geantwoord. ‘Alleen moet je de waarheid onder ogen zien. Een partijlid respecteert het geloof van de aanhangers van alle religies, maar gelooft zelf niet aan het bestaan van God, Boeddha of de hemel. Dat zeg ik je ronduit en eerlijk. Wij geloven aan het bestaan van uitbuiters en uitgebuiten. Wij geloven dat we samen door de strijd tegen het Diem-regime en de Amerikanen gelukkig zullen worden, dat de boeren land zullen krijgen en dat de religies beschermd zullen worden.’

Tu Nghiep was het helemaal eens met de strijd tegen de Amerikanen en Ngo Dinh Diem. Maar toen hij Hai Thep uiteen hoorde zetten wat een partijlid is, moest hij tegenover zichzelf toegeven dat hij dat moeilijk kon worden. Dat was de kern van zijn verdriet. Hij wilde iets voordat hij met het tegendeel had afgerekend.

Het grapje van Ba Ren had dat stille verdriet weer gewekt. Tu Nghiep was helemaal niet gepikeerd. Het lag ook helemaal niet in zijn aard om lang boos op iemand te zijn.

Even later kon je zien hoe hij een kaars aanstak om op zoek te gaan naar de betelpalmbladeren. Achter de vlakke rots die Su en haar dochter als slaapplaats had gediend zette hij zijn kaars neer en ging aan het werk om megafoons te maken.

Op deze rots was Quyen zojuist naast haar nichtje gaan liggen. Thuy sliep al en had nergens erg in. Quyen lag met open ogen in het duister te turen. Haar ogen waren droog en branderig. Daarna keerde ze zich naar Thuy en drukte die tegen zich aan. Het meisje had het jasje van haar moeder aan om warm te blijven. Terwijl ze het haar van het meisje streelde, had Quyen het idee dat het lang en zijdeachtig geworden was, net als dat van haar moeder in de lang vervlogen dagen van haar jeugd.
 

3

In het huis van Hai Thep bevond zich een ondergrondse schuilplaats, die aangelegd was in de donkere jaren en die de secretaris van de cel nog versterkt had in plaats van haar na de bevrijding open te breken. Ze begon precies in het midden van het huis en had vertakkingen die in verschillende richtingen naar de rijstvelden leidden. Zelfs bij ontdekking van de toegang zou het voor de vijand niet eenvoudig zijn de onderduikers op het spoor te komen. Sinds een paar dagen zat Tam Chan in de schuilplaats en kwam er alleen ‘s nachts even uit om frisse lucht op te snuiven, waarna hij weer onderdook om bij kaarslicht verder te werken. Die avond kwam mevrouw Hai Thep bij zonsondergang terug van een boodschap; ze tikte met haar voet een paar keer op het luik en trok het open. Toen Tam Chan zich vertoonde zei ze met een diepbedroefde stem:

‘Su is daarnet gedood!’

Tam Chan bleef een tijd verbijsterd staan en vroeg toen zacht:

‘Wanneer is dat gebeurd?’

‘Daarnet, nog geen uur geleden. Xam heeft haar gedood met zijn kapmes. Maar we hebben haar lichaam weg kunnen halen. Iedereen is door het bericht helemaal van streek en we zijn met zijn allen naar de plaats van de executie gegaan. We zijn op de vuist gegaan met de soldaten om het lichaam mee te krijgen.

‘Waar is het nu?’

‘Bij moeder Sau, en daar staat een enorme menigte.’

Tam Chan ging rechtopstaan, legde zijn armen op de rand en keek afwezig.

‘Je moet er meteen naartoe gaan,’ zei hij. ‘Organiseer een demonstratie. Maak van de begrafenis een demonstratie door het dorp om bij de bevolking de haat tegen de vijand aan te wakkeren.’

‘Daar dachten we al aan. Ik ga meteen.’

Ze stond op, klaar om het luik dicht te doen.

‘Wacht!’ zei Tam Chan. ‘Is het mogelijk om de demonstranten langs de grot te laten lopen?’

‘Hoezo?’ vroeg de vrouw van Hai Thep en zette grote ogen op.

In plaats van te antwoorden gebaarde Tam Chan dat ze moest gaan zitten. Daarna fluisterde hij zijn adviezen.

‘Goed,’ zei hij toen hij klaar was, ‘kun je dat doen? Dat zou heel nuttig zijn.’

De vrouw dacht even na en zei: ‘Ik zal het met de anderen bespreken. Als er een kans is zullen we die grijpen.’

‘Wees voorzichtig, zuster. Doe geen concessies, maar loop ook niet te hard van stapel. Ga niet op de vuist met de troepen. Die moeten we aan onze kant zien te krijgen. Trouwens, waar zijn je kinderen?’

‘Ik heb ze naar een buurvrouw gebracht.’

De vrouw van Hai Thep drukte behendig het luik dicht en wiste met de bezem de sporen uit. En weg was ze.

In de schemering verdrongen de bewoners zich op en om het erf van moeder Sau. Toen mevrouw Hai Thep arriveerde, werd Su op de baar gelegd. Zachtjes nam moeder Sau het hoofd van de dode op haar knieën en begon haar haar te kammen. Ze deed dat met zorg, zoals gewoonlijk. Met die gewone, gitzwarte kam van buffelhoorn. Maar deze keer was ze erg lang bezig met het ontklitten. Daarna keerde ze zich naar de vrouw van Hai Thep en zei rustig:

‘Kijk eens achter het huisaltaar of ze daar haar fles pompelmoesparfum gezet heeft. Daar was ze dol op, dat arme kind. Ze had net een hele fles mee naar huis gebracht, maar ze had geen tijd om het te gebruiken…’

Nadat de vrouw van Hai Thep haar de geopende fles had gegeven, goot moeder Sau een paar druppels olie in de palm van haar hand en streek die uit over het haar van haar dochter. Een zoete en zuivere geur verspreidde zich in de kamer. Daarna begon ze het haar van Su opnieuw te kammen. Met vaardige handen legde ze het in een wrong. Hoe vaak had ze dat niet bij haar dochter gedaan! Dat haar met zijn lengte en zijn bijzondere eigenschappen had voor haar geen geheimen.

Deze keer deed ze het met al haar aandacht. Een juweel van een wrong, nog voller en ronder dan toen haar dochter nog leefde. Het was misschien de mooiste die haar dochter ooit had gedragen sinds ze de leeftijd ervoor had. Daar was niets verbazingwekkends aan, want het was de laatste keer dat haar moeder haar haren in een wrong legde. Al haar tederheid lag erin.

Toen ze klaar was met de wrong kon moeder Sau zich er niet toe brengen van haar kind te scheiden. Ze haalde uit haar eigen haar een lange speld en stak die in de wrong van Su. De door het kapmes van Xam afgesneden lokken bewaarde op het huisaltaar.

En toen begon ze geluidloos te huilen.

Ze brachten haar naar het veldbed. De vrouwen van Hai Thep en Ba Ren tilden Su op en legden haar in de kist.

Toen ze zich gereedmaakten om het deksel op de kist te plaatsen, rende moeder Sau naar haar dochter en duwde iedereen opzij. Maar ze zag niets meer. Ze barstte in snikken uit terwijl het deksel neerdaalde. De kist leek helemaal rood, donkerrood. Ze stond in het midden van het huis-op-palen, waar Su geboren en opgegroeid was en haar hele jeugd had gespeeld. Su had het gevuld met haar huilen en haar lachen en had er haar kinderspelen gespeeld. Vandaag sliep ze er. Haar laatste en eeuwige slaap. Maar de zeventwintig levensjaren die ze achterliet waren onuitwisbaar, zeker de laatste ogenblikken van dat korte bestaan.

Iedereen hoorde hoe mevrouw Hai Thep een plechtige order gaf aan de menigte, die zich uitstrekte van de trap tot aan het erf.

‘Steek de fakkels aan!’

De inderhaast gemaakte fakkels van kokospalmbladeren of stro werden aangestoken. Verschillende mensen, onder wie Ca My, rolden voorwerpen in de slippen van hun kleren. Enige ogenblikken later baadde het erf van het huis in helder licht.

Moeder Sau had Su willen begraven bij het graf van haar vader. Maar in plaats van zich direct naar de voet van de heuvel te begeven maakte de stoet een omweg dwars door het dorp. De begrafenis werd een optocht langs de plantages en de woningen, als om Su de gelegenheid te geven haar geboortedorp vaarwel te zeggen. Midden in een boomgaard stuitte een patrouille huurlingen op de optocht.

De soldaten riepen:

‘Weten jullie niet dat er een avondklok geldt? Waar gaan jullie heen?’

Mevrouw Ba Ou stapte naar voren:

‘Jullie hebben ons kind gedood en wij moeten het nu eenmaal begraven.’

De leider van het detachement wees de weg met beide armen:

‘Goed, goed! Ga je gang! Maak van de begrafenis maar een demonstratie, als jullie daar zin in hebben.’

Hij gaf zijn mannen een teken dat ze de stoet moesten laten passeren. Met mevrouw Hai Thep en mevrouw Ba Ou aan het hoofd liep de menigte verder. De brandende fakkels knetterden. Iedereen had een reservefakkel bij de hand. Rondom de baar, die de vrouwen op hun schouders droegen, knisperde het vuur en gromde de menigte. Het licht van de fakkels doorboorde de duisternis en scheen fel op de rode kist. Het liet het zilveren haar van de oude vrouwen schitteren en speelde in de takken, waar de vruchten van de avocado’s oplichtten.

Moeder Sau liep direct achter de kist met naast zich mevrouw Ba Ren en andere vriendinnen. Twee vrouwen probeerden haar te ondersteunen, maar ze had hun hulp niet nodig en liep met stevige pas. Ze huilde niet meer. Te midden van de opwinding weigerde ze te huilen. Er kwam iets warms op in haar keel. Daarnet had ze nog geleden door het afscheid van haar dochter. Maar nu, te midden van haar dorpsgenoten, besefte ze dat Su niet de enige was die haar leven gegeven had. Hoeveel van de mannen en vrouwen om haar heen hadden al een echtgenoot, een kind of een familielid verloren? Van anderen dan moeder Sau waren dierbaren afschuwelijk gemarteld: een beschadigde long, een kapotte lever, een arm of been minder! Hoeveel van deze mensen hadden nog familieleden die in de gevangenis zaten of naar Poulo Condor gedeporteerd waren! De afgelopen zeven jaar was er in Hon Dat geen gezin aan de repressie ontsnapt! Wat was er veel bloed gevloeid! Wie kon dat vergeten?

Nee, zij was niet de enige: het waren alle mensen om haar heen die deze lijdensweg hadden afgelegd. Zij was niet de enige die ten strijde trok: het waren honderden en duizenden inwoners van Hon Dat, miljoenen en miljoenen landgenoten in Zuid-Vietnam. Het bulderen van de zee achter haar leek een oproep om voorwaarts te gaan en het leed te verdringen. Het ruisen van de bladeren leek haar aan te zetten tot wraak. Het bloed schreeuwde om wraak! Andere zonen, andere neven, andere kinderen van hen waren omsingeld in de grot, maar ze verzetten zich nog altijd hevig en verdroegen de honger en de dorst. Eén enkele strijdster was in handen van de vijand gevallen. Ze had geweigerd het hoofd te buigen. En dat was haar eigen dochter. Maar ze had nog haar kleindochter, die voortaan wees zou zijn, haar tweede dochter, haar schoonzoon, de mannen van de vrouwen om haar heen, mevrouw Hai Thep en mevrouw Ba Ren. Be, de zoon van Tu Rau en nog zoveel anderen! Elke keer als moeder Sau daaraan dacht, voelde ze zich een beetje gerustgesteld.

Ze kwamen bij de oever van het riviertje. De troepen die er gelegerd waren kwamen hun tenten uit en gingen tekeer bij het zien van de zee van licht die naderde. Kapitein Cao, de commandant van het infanteriebataljon, begreep onmiddellijk wat er aan de hand was toen hij de kist zag. Hij gaf zijn mannen opdracht om zich verspreid op te stellen voor het riviertje, met de wapens in de aanslag. Hij rende naar het hoofd van de stoet.

‘Halt! Halt!’

Mevrouw Ba Ou ging naar hem toe en zei met zachte stem:

‘Meneer de kapitein, u hebt een van onze dochters gedood. Zorg tenminste dat wij haar kunnen begraven!’

‘De commandant heeft dat voor vannacht verboden.’

‘Ja, maar omdat ze op een verschrikkelijke manier gedood is, kunnen we haar begrafenis niet uitstellen.’

‘Dat is dan jammer! Voor een Vietcong is dat nog te veel eer.’

‘Vietcong of niet, ze was mijn nicht. Hebt u er last van als we haar begraven bij de heuvel? Meneer de kapitein, denkt u eens aan de verschrikkelijke manier waarop ze haar gedood hebben!’

‘Die dikke vrouw wordt wel erg brutaal! Hebben jullie het niet gehoord? De commandant heeft vannacht alle verkeer verboden!’

Mevrouw Ba Ou liet haar armen langs haar lichaam vallen als teken van wanhoop.

‘Ik dacht dat u hier de baas was, meneer de kapitein, maar blijkbaar hangt alles af van de commandant! Breng me dan maar naar hem toe, dan zal ik hem toestemming vragen.’

Kapitein Cao boog zijn hoofd naar één kant en vervolgens naar de andere kant om mevrouw Ba Ou eens goed te bekijken en scandeerde vervolgens:

‘U wilt even een afspraak met de commandant regelen om herrie te kunnen schoppen, hè? Ik zie zo al dat u een oproerkraaier bent!’

Een soldaat deed er nog een schepje bovenop:

‘Ik heb u heel vaak in demonstraties in Rach Gia gezien.’

‘Vertelt u geen onzin. Ik spreek met meneer de kapitein, dus waar bemoeit u zich mee?’

Ze keerde zich naar kapitein Cao, vouwde haar handen als teken van respect en vervolgde met haar zachtste stem:

‘Alsublieft, brengt u ons naar meneer de commandant. Hij zal vast wel toestemming geven. U vecht tegen de Vietcong die in de grot gevlucht is, u doodt een gevangene, en dat is wel genoeg. Waarom houdt u ons tegen als wij haar willen begraven?’

‘Het antwoord is nee!’ schreeuwde de officier. ‘Houd op met dat gejammer!’

Mevrouw Ba Ou kon zich niet meer inhouden en schreeuwde op haar beurt:

‘Dan maar zonder uw toestemming!’

Ze liep de officier voorbij en gaf haar metgezellen een teken om verder te gaan. De menigte volgde haar haastig en duwde de soldaten het riviertje in.

‘Halt of ik schiet!’ brulde de kapitein.

Niemand bleef staan. Met de fakkels boven hun hoofd waadden ze door het riviertje. De stroom werd onmiddellijk verlicht door duizend vlammen. De kapitein rende naar zijn mannen om ze toe te fluisteren: “Schiet in de lucht.” Met opgeheven geweren gaven de soldaten enkele waarschuwingsschoten in de lucht. De mensenstroom trok verder naar de andere oever. De kist had de oever al bereikt, toen mevrouw Hai Thep de order doorgaf:

‘Dat zijn maar waarschuwingsschoten! Voorwaarts!’

Iedereen wist uit ervaring dat vooruitgaan het enige was wat je op zulke momenten kon doen. Iedereen bleef rustig, want waarschuwingsschoten waren aan de orde van de dag. Bovendien wist iedereen dat er buiten de begrafenis van Su nog een heel belangrijke missie te vervullen was: de bevoorrading van de verdedigers van Hon Dat, en die gelegenheid deed zich voor bij het passeren van de grot. Sinds het invallen van de schemering had iedereen het nodige klaargemaakt en de levensmiddelen verborgen onder zijn kleren.

Kapitein Cao had een zekere ervaring met het onderdrukken van politieke demonstraties. Daarom keek hij wel uit om op de menigte te laten schieten. Na twee of drie keer een paar demonstranten te hebben neergeslagen was hij zelf ternauwernood ontsnapt aan de vuisten, stokken en kogels. In het begin dacht hij dat de menigte bij de eerste dode wel zou wijken. Merkwaardig genoeg gebeurde het tegendeel. De demonstranten stormden voorwaarts en stortten zich op hem en zijn mannen! Daarom durfde hij deze keer na de waarschuwing niet verder te gaan.

Direct na hun komst had de commandant tegen zijn mannen gezegd: “Om de Vietcong in de grot te kunnen vernietigen moeten we in ieder geval voorkomen dat hier de politieke strijd uitbreekt. Je krijgt eindeloos gedonder als die vrouwelijke duivels zich ermee bemoeien! Stuur ze iedere keer maar naar mij!” Cao had veel bewondering voor de wijsheid van zijn commandant. En nu bemoeiden de vrouwen zich ermee! Ze staken de stroom over zonder zich iets aan te trekken van zijn orders. Het beste kon hij maar zijn superieur waarschuwen.

Hij haastte zich naar de verbindingsdienst en draaide als een bezetene aan de slinger van de veldtelefoon. Met een stem nog zwaar van de slaap vroeg de telefonist:

‘Met wie spreek ik?’

‘Met kapitein Cao van het Derde Bataljon. Mag ik de commandant?’

‘Maar die slaapt, kapitein!’

‘Maak hem dan wakker! De bevolking houdt een demonstratie en steekt het riviertje over. Snel!’

Na vijf minuten hoorde Cao aan de andere kant de stem van de commandant:

‘Wat! De bevolking is aan het demonstreren, zegt u?’

‘Ja, commandant. Ze willen die vrouw van de Vietcong begraven aan de voet van de heuvel. Ik heb dat verboden, maar ze zijn gewoon het riviertje overgestoken.’

‘Los dan waarschuwingsschoten, verdomme.’

‘Dat heb ik gedaan, commandant. Dat hielp niet. Geeft u toestemming om op de menigte te schieten?’

‘Nee, nee, daar komt rotzooi van! Als ze het riviertje over zijn, ga er dan achteraan en houd ze tegen!’

‘Jawel, commandant!’

Cao rende de tent uit.

Maar het was al te laat. Bij het riviertje zag hij niemand meer. De laatste fakkels waren verdwenen in de kokosboomgaard. Er was niets te zien dan af en toe een weerschijn op de palmen.

Toen de kapitein aan het hoofd van een sectie de achterhoede van de optocht bereikte, maakten zich uit de voorhoede een paar zwarte schimmen los, die zo hard mogelijk naar de grot liepen. Dat waren de vrouwen die mevrouw Hai Thep belast had met de bevoorrading van de partizanen.

De eerste die vooruitrende was Ca My. Ze droeg een fles water bedekt met stro en een pak samengeperste kleefrijst. Ze rende zo hard ze kon. Ze werd gevolgd door andere vrouwen met levensmiddelen.

Bij de ingang knalde er een schot uit de grot. De kogel ging rakelings langs Ca My’s haar. Ze schrok, bleef staan en schreeuwde:

‘Broers, ik ben het, Ca My! Ik kom eten brengen!’

De guerrillastrijder die geschoten had was verbluft.

‘Goede hemel, ben jij het, Ca My? Heb ik je geraakt?’

‘Nee, nee, wees maar niet ongerust!’

Stamelend rende Ca My naar de grot. Ze duwde de fles en het pak naar binnen.

‘Zijn jullie er allemaal nog, broers?’

‘Ja!’

‘Su is dood; we gaan haar begraven.’

Na nog een paar woorden gewisseld te hebben haastte ze zich weer naar de demonstranten. Er kwam een ander. Nog een fles en een pak. Ieder noemde haar naam, vroeg of er nieuws was en ging weer weg. Iedere keer herhaalden de partizanen:

‘Wees gerust: we hebben maar twee gewonden. We houden vol.’

‘Jullie moeten de strijd in het dorp organiseren! Eis een schadevergoeding! Ondermijn het moreel van de troepen! Ga ertegenaan!’

‘Begrepen!’

Opeens hoorden ze de stem van Tu Nghiep:

‘Goede hemel, is dat de moeder van Lua?’

‘Ja, ik ben het, jongen. Ik ben het. Tot ziens!’

Gejaagde vragen en haastige antwoorden. Vragen en antwoorden gingen over en weer onder het geluid van flessen water en pakken levensmiddelen die door de ingang van de grot vielen. De maan bescheen het komen en gaan van gestalten die allemaal een wrong of lange vlechten droegen. De guerrillastrijders herkenden hier een dochter en daar een vrouw. Van buiten zagen de vrouwen van de bevoorrading alleen maar duisternis en uitgestrekte handen. Aan de stem herkenden ze hun man of hun broer of een buurman. Niets dan vertrouwde en geliefde stemmen. Al vijf dagen kregen ze geen nieuws en waren aan beide kanten bezorgd over het lot van de anderen. Deze vijfde nacht was de maan getuige van hun ontmoeting. Buitengewoon enthousiasme bezielde beide kanten bij deze grot, die de vijand na vijf dagen strijd nog niet had kunnen innemen. De verdedigers waren opgetogen door de gedachte dat ze niet geïsoleerd waren. De vrouwen verlieten de grot in de overtuiging dat die onneembaar was. Allemaal waren ze ervan overtuigd dat deze ontmoeting niet de laatste zou zijn.

Toen iedereen zich teruggetrokken had, verscheen er een kleine gestalte in de grot met een hondje achter zich aan. De gestalte stuitte op Ba Ren. De smid pakte hem beet:

‘Wie is daar? Wat doe jij hier?’

‘Ik ben het… Ik… Ik ga niet weg… Ik heb een handgranaat.’

‘Goede hemel, ben jij het, Ut? Heren, dit is de kleine Ut!’

‘Ik blijf hier, ik ga niet weg!’

Ut maakte zich behendig los uit de greep van Ba Ren en zocht tastend een weg in de grot, waarbij hij iedereen omhelsde en met zijn borstelhaar tegen de buiken van de guerrillastrijders botste. Hij lachte stiekem.

‘Ze zullen wel schrikken als ze merken dat ik verdwenen ben!’

‘Ut, ben jij het, jongen?’

Uit het binnenste van de grot klonken vrolijke vragen. Ut herkende de stem van Nam Tan:

‘Bent u het, oom Nam? Weet u, uw vrouw brandt iedere dag wierookstokjes en dan bidt ze tot Boeddha dat u gezond blijft.’

‘Grappenmaker! Zeg, je broer is gewond, ga maar naar hem toe!’

‘Dat wist ik,’ antwoordde de jongen toonloos. ‘Dat heeft geen haast, dat komt straks. Mijn vader was ook op de hoogte. Hij zegt dat het normaal is als je vecht. O ja, voor ik het vergeet: ik heb een gloednieuwe handgranaat bij me, die heb ik gepikt van de soldaten. Als ze morgen hierheen komen, trek ik de pin eruit en dan samen delen!’

Iedereen barstte in lachen uit.

‘Mooie jongen ben jij! Dat doe je pas in het uiterste geval. Als ze een eind weg zijn, gooi je de handgranaat.’

Ut was van zijn stuk gebracht, maar vervolgde parmantig:

‘Ja, ik bedoelde ook in het uiterste geval.’

‘Dan wel. Maar hier zijn we nog lang niet zover, collega! Als ze eraankomen, dan schieten we en we gooien granaten!’

‘Dat zit wel goed!’ antwoordde de jongen direct.

Daarna vroeg hij:

‘En Quyen, waar is die?’

‘Binnenin!’

Hij wilde snel naar haar toe, maar bleef plotseling staan. Hij snotterde en barstte vervolgens in tranen uit:

‘O, wat erg, Su is dood!’

Hij bleef midden in de grot staan en huilde hete tranen. Hij duwde iedereen brommend weg die hem wilde troosten, alsof hij hun dat kwalijk nam. Toen hield hij plotseling op met huilen, droogde zijn tranen en snoot luidruchtig zijn neus. Hai Thep pakte hem bij zijn arm:

‘Zeg Ut, je moet nu wel bij ons blijven. Maar hier in de grot verbied ik je om tegen Thuy te zeggen dat haar moeder dood is, heb je dat begrepen? Als ze dat weet kunnen wij haar niet meer troosten. En geef die beroemde handgranaat maar aan ons, dan bewaren wij die voor je.’

Ut haalde de MK3 uit de zak van zijn korte broek en gaf hem aan Hai Thep met de mededeling:

‘Verlies hem niet. U bent er verantwoordelijk voor.’

‘Ik geef je een andere. We hebben er genoeg.’

De voorraad was bijeengebracht en in een hoek gelegd. Dankzij de elektrische zaklantaarns konden ze de balans opmaken: twaalf volle flessen water, twaalf pakken gekookte rijst, een paar pakjes tabak en een pakje Rubis-sigaretten. De bananenbladeren die als verpakking dienden waren nog heel vers. Het sap sijpelde uit de barsten. Ze maakten een pakje open: het was nog dampende kleefrijst met een gebraden kippenpoot, die rook naar ui en specerijen. Iedereen riep:

‘Wat een vorstelijke maaltijd!’

‘Vanavond moeten we op krachten komen!’ zei Ba Ren. ‘We eten en drinken en dan zien we wel verder! Daarna roken we de Rubis-sigaretten voor de ogen van de huurlingen.’

‘Dat kunnen we wel met de Rubis doen,’ interrumpeerde Hai Thep, ‘maar van het water en de levensmiddelen nemen we maar mondjesmaat. Vergeet niet dat we een reserve aan moeten leggen. Het kan nog lang duren. Ik stel voor dat we alles aan Quyen overlaten, die over de rantsoenering gaat.’

‘Akkoord wat betreft de levensmiddelen,’ zei Tu Nghiep. ‘Ik zorg dan wel voor de tabak en de sigaretten!’

Iedereen moest hier hard om lachen. Het voorstel werd aangenomen. Alleen stak Maar Ba Ren zijn tong uit. Tu Nghiep zei op ernstige toon:

‘Kom, vat het niet verkeerd op, Ba Ren! Ik neem de tabak onder mijn hoede in het algemeen belang en niet voor mezelf! Op dit punt ben ik geen “individualist”!’

Ba Ren lachte alleen maar.
 

4

Mevrouw Ca Xoi was diepbedroefd. Toen Xam met zijn kapmes op Su inhakte, was ze op hem afgerend. Maar de soldaten hadden haar op de grond gegooid en getrapt. Ze was bewusteloos geraakt.

… Ze ontwaakte totaal uit haar bewusteloosheid bij zonsondergang, toen ze haar dochter Ca My met verwarde haren naar haar bed zag komen om huilend te vertellen dat Su dood was. Het meisje ging meteen weer weg en liet haar moeder helemaal alleen op het bamboebed midden in haar lege huis, dat aan alle kanten tochtte. De wind liet de schotten van latanpalmbladeren zuchten. Met veel inspanning slaagde mevrouw Ca Xoi erin rechtop te gaan zitten. In haar verwilderde ogen glansde een vreemd licht. Haar donkerbruine haar hing los en de ondergaande zon wierp er een rossige weerschijn op. Ze bleef onbeweeglijk zitten tot het invallen van de nacht. Het duister dat de kamer overstroomde omgaf haar helemaal. Haar silhouet verscheen weer toen de maan opkwam. Ze zat niet meer op bed, maar was opgestaan. De ongelukkige Khmervrouw had een eigenaardige houding. De benen iets uit elkaar, de voeten naar binnen, de tenen krampachtig gekromd op de gebarsten grond. Met de armen tegen het lichaam maakte haar sihouet een strakke indruk, licht voorovergebogen als een boom die op het punt staat om te vallen.

Ze bleef een tijdje zitten. Zeker een halfuur. Daarna ging ze opeens het huis uit en begon te lopen met haar voorovergebogen gestalte.

Ze volgde de lemen weg die leidde naar de kruising van Si Ly, wankelend, struikelend over obstakels, een aantal keren vallend en steeds weer opstaand om stilletjes verder te gaan. De avond dat ze rijstwijn was gaan kopen bij mevrouw Ba Ou struikelde ze op de terugweg over de oneffenheden in de weg. Maar nog nooit was ze zo vaak gevallen als vandaag. Ze was echt gek van verdriet. Haar eigen zoon was na een lange afwezigheid teruggekomen in Hon Dat om een meisje te doden dat door Khmers en Vietnamezen eenstemmig geprezen werd om haar verdiensten. Dat meisje en haar moeder waren bovendien haar grote weldoensters. Twintig jaar geleden hadden zij haar in een koude, nevelige nacht mee naar hun huis genomen en haar geholpen bij de geboorte van Ca My. Su, toen nog geen tien jaar oud, was een toonbeeld van goedheid gebleken. Hoe kon zijzelf vergeten dat Su en haar moeder haar helemaal naar huis gebracht hadden? Ze wist nog dat moeder en dochter een hoofddoek gedragen hadden, omdat het koud was. Ze herinnerde zich alles. En toen Thach Kha overleed hadden moeder Sau en haar dochters voor haar en de kleine Ca My gezorgd, omdat ze hen graag mochten. Mevrouw Ca Xoi had dat in haar hart gegrift, al wist ze niet hoe ze haar dankbaarheid moest tonen. Af en toe hielpen Ca My en zijzelf moeder Sau met kleine karweitjes: onderhoud aan de bevloeiingskanaaltjes, tuinwerk, oogsten of dorsen van rijst. Het waren maar druppels in de oceaan, en daar kwam dan de duivel die zij ter wereld gebracht had met een kapmes inhakken op het lichaam van haar weldoenster!

De moord op Su door Xam was wat deze eerlijke vrouw onderweg liet struikelen. Maar waar ging ze heen? Niemand kon het weten. Ondertussen sleepte ze zich met oneindig veel moeite voort over de weg, die baadde in maanlicht en niet al te hobbelig was. Want voor haar was het de lijdensweg. Aan het eind dook haar gestalte op bij de kruising. Omdat ze rechtdoor liep, werd haar bedoeling duidelijk. Ze wilde naar moeder Sau. Haar passen daarheen waren aarzelend, verlegen en angstig. Bij het passeren van de mangoplantage durfde ze niet door de laan te gaan; in plaats daarvan koos ze de rand van de plantage en verborg zich af en toe achter de bomen. Ze had heel wat tijd nodig om bij moeder Sau te komen. Daar zag ze een groot aantal mensen bijeenkomen. Su werd afgelegd. Maar ze zag niet met hoeveel liefde moeder Sau de haren kamde van haar dochter, de dochter die Ca Xoi met zoveel zorg naar huis gebracht had. Nee, die scène zag ze niet, omdat ze de mensen op het erf niet onder ogen durfde te komen. Ze verschuilde zich achter een ananasstruik bij de weg. Daar hoorde ze de jammerklachten van moeder Sau en huiverde over heel haar lichaam. Ze verborg haar gezicht in haar handen.

Toen het licht van de op het erf aangestoken fakkels haar bereikte, kroop ze angstig weg op de grond. In de stoet zag ze de rode kist van Su en de grijze haren van moeder Sau tussen de scherpgepunte ananasbladeren door. Ze staarde naar de kist en haar hart was bezwaard. De doodkist van Su! Onbeweeglijk en verkild drukte ze haar ogen dicht. Al had ze herhaaldelijk gezegd dat Xam haar zoon niet was, zij had hem ter wereld gebracht. Lieve hemel, wat wat een drukkende nacht was dat geweest! Wat waren de muren van dat vervloekte huis dik! Daar had ze badend in het zweet tot diep in de nacht liggen krimpen van de pijn om het kind ter wereld te brengen dat Xam zou worden.

De stoet verwijderde zich. Haar dochter Ca My was er ook bij. Mevrouw Ca Xoi wilde opstaan om met de menigte mee te lopen, maar ze had de moed niet. Deze keer durfde ze werkelijk niet. Ca My kon het zich permitteren. Maar zijzelf vond dat ze schuldig was. Dat gevoel was wel niet vandaag opgekomen, maar vandaag ging het om iets heel verschrikkelijks, dat haar direct betrof en daardoor durfde ze zich niet bij de demonstranten aan te sluiten.

Iedereen was weg. De fakkels waren verdwenen. Alleen de maan verlichtte het erf van moeder Sau. Mevrouw Ca Xoi zat achter de ananasstruik met de als zwaarden gepunte bladeren. Aan de andere kant verschenen de trap en het houten huisje op palen, waar een pit brandde die in visolie dreef. Mevrouw Ca Xoi sperde haar ogen wagenwijd open. Het gedode Vietnamese meisje had haar ooit geholpen die trap te beklimmen. In dat flauwverlichte huis had ze Ca My ter wereld gebracht, terwijl Moeder Sau de rietstengels waarop ze beet uit haar mond haalde. En daar was Thach Kha komen vragen of hij haar mee naar huis mocht nemen.

“Xam, Xam, wat ben je wreed! Je hebt het huis dat mij redde in rouw gedompeld. Net als vroeger je vader verscheur jij nu het hart van je moeder! Jij bent het mes dat alle banden tussen je moeder en haar medemensen doorsnijdt! Om jou verschuilt ze zich voor de mensen en sluipt door het duister! Waarom laat Arhat [een heilige die het nirvana heeft bereikt] je nog in leven? Moge hij je vernietigen! Dan hoefde ik nog maar één keer te lijden en was van die eindeloze kwellingen verlost!

Mevrouw Ca Xoi uitte vervloekingen aan het adres van haar zoon en kwam vervolgens wankelend overeind. Ze duwde de ananasbladeren opzij en stapte de struiken uit. Ze begaf zich op het erf van moeder Sau, want ze zei tegen zichzelf dat ze het lichtje moest doven om olie te sparen. Onderaan betastte ze de ladder, alsof ze een verloren voorwerp zocht. Nadat ze dit bij iedere tree herhaald had, bereikte ze ten slotte de planken vloer en kwam bij de wijd openstaande deur. Ze zag op het huisaltaar de flakkerende vlam. Ze sperde haar ogen open en gaf een kreet van schrik, toen ze bij de lamp een lok zwart en glanzend haar zag liggen. Ze verweerde zich met haar armen tegen dat huiveringwekkende beeld, week achteruit naar de trap en rende de treden af. Ze voelde in haar borst een afschuwelijke pijn, alsof de soldatenlaarzen haar weer trapten. Het verdriet benam haar de adem en ze bezweek op de onderste tree.

Toen moeder Sau en haar vriendinnen tegen middernacht terugkeerden van de begrafenis, vonden ze tot hun onsteltenis mevrouw Ca Xoi bewusteloos onder aan de trap. Ze droegen haar het huis in, trokken haar jasje uit en probeerden haar met massage bij bewustzijn te brengen. Moeder Sau keek zwijgend naar het rossige haar van mevrouw Ca Xoi en wendde vervolgens haar blik af om met samengeperste lippen naar een hoek van de kamer te staren. Daarna stond ze op, ging naar de keuken en kwam even later terug met een stuk gember in haar hand. Mevrouw Hai Thep nam het stuk gember van haar over en zag dat ze tranen in haar ogen had en zwijgend op haar lippen beet. De jonge vrouw brak het stuk gember tussen haar tanden en gebruikte het om de rug van mevrouw Ca Xoi stevig mee in te wrijven. Daarna masseerde ze haar met de achterkant van een kam. Mevrow Ba Ou trok trok aan het haar van de ongelukkige Khmervrouw, die al gauw licht begon te kreunen.

Ten slotte kwam ze bij.

Nadat ze bij kennis was gekomen, herinnerde ze zich alles weer. Zodra ze moeder Sau zag, wierp ze zich op de vloer, sleepte zich naar Su’s moeder, knielde voor haar voeten neer en huilde hete tranen.

‘Maak me dood, mevrouw Sau!’ smeekte ze. ‘Pak een mes en maak me dood!’

Moeder Sau bleef onbeweeglijk staan. Daarna barstte ze zelf in tranen uit.

Mevrouw Hai Thep hielp mevrouw Ca Xoi overeind en ondersteunde haar:

‘Moeder Sau maakt u niet dood! U hoeft niet te knielen en ook niet te huilen! Moeder Sau en wij haten Xam, de Diemisten en de Amerikanen, maar tegen u hebben we niets.’

‘Ik moet Xam doodmaken!’ riep de ongelukkige, terwijl ze rechtop ging staan.

Ze balde haar vuisten en keek strak naar de deur.

‘Nu ga ik u naar huis brengen,’ zei mevrouw Ba Ou. ‘U moet uitrusten.’

‘Ik kan zelf wel naar huis.’

‘Nee, ik breng u.’

Mevrouw Ba Ou nam haar bij de arm.

Toen ze een eindje op weg waren, kwamen ze een bezorgde Ca My tegen, die op zoek was naar haar moeder.

‘Breng haar naar huis, Ca My!’ zei mevrouw Ba Ou. ‘Pas goed op haar, want daarnet was ze nog bewusteloos.’

Na haar moeder naar bed te hebben gebracht, ging het meisje op de grond zitten met haar rug tegen het bed, haar hoofd gebogen en haar armen rond haar knieën. Ze dacht aan Su, de ontmoeting van daarnet in de grot en voelde haar bedroefde hart sidderen van haat tegen Xam. Ze leed niet zoveel als haar moeder en voelde vooral haat tegen de moordenaar en liefde voor Su. Na haar dood was ze tot iedere prijs met de guerrillastrijders meevechten om de dode te wreken en iets tegenover de afschuwelijke misdaden van haar broer te stellen.

Ze bleef onbeweeglijk zitten tot het licht van de maan verflauwde. De hanen kondigden de dag aan met hun gekraai. Ca My stond op en ging op weg naar mevrouw Hai Thep.

Xam arriveerde vlak nadat Ca My weggegaan was. Hij werd vergezeld door een ordonnans van klein postuur met een spiedende blik. Het was de tweede keer dat hij bij zijn moeder langskwam. Hij had nog steeds de “drie gordijntjes” op zijn hoofd. Het hoofddeksel verborg bijna heel zijn lage voorhoofd en alleen zijn witte ogen met de kleine pupillen waren te zien. Hij liep wat naar opzij gebogen, met zijn wat afhangende linkerschouder in het verband. De ordonnans ging naar binnen om mevrouw Ca Xoi te waarschuwen, terwijl Xam midden op het erf bleef staan. Hij hield zijn hoofd schuin om naar de waterkruik en het tochtige huis te kijken. Hij luisterde naar de wind die door de latanpalmbladeren op de schotten speelde. De schaambomen met hun schaarse bladeren lieten hun witte bloesems vallen, die geluidloos op de grond neerkwamen. In de lucht hing de geur van een put die zojuist was geleegd. Het geruis van de wind, het vallen van de bloesem aan het einde van de nacht, de geur van het slik, dat alles leek het hart van de beul te beroeren. Op het eenzame erf van zijn moeder leek de ranger zijn menselijke gevoelens te hervinden. Toen hij dit droevige schouwspel niet langer kon aanzien, keerde hij zich om en stapte de drempel over. Mevrouw Ca Xoi, die al gewaarschuwd was, zat met bungelende benen op haar bed.

Xam liep even heen en weer en ging toen voor zijn moeder staan.

‘Hebben de soldaten je pijn gedaan?’

Geen antwoord.

Xam begon opnieuw heen en weer te lopen en hield zijn rechterarm stijf.

‘Mama, waarom ben je meegegaan met die heksen van Hon Dat? Als jij er niet bij was geweest hadden we ze allemaal afgemaakt!’

Hij bleef midden in de kamer staan, ondersteunde zijn gewonde arm met zijn rechterarm en ging verbitterd verder:

‘Ze was taai, die Su. Drie houwen met het kapmes zonder dat haar hoofd eraf ging! Wat een achterlijk type! Waarom omgaan met de Vietcong om op zo’n verschrikkelijke manier te sterven? En haar moeder! Ook zo’n achterlijk type met haar grijze haar! We gaven toestemming om haar dochter tot rede te brengen en ze weigerde! Mama, weet je trouwens dat die lui in de grot allemaal creperen? Hoe houden ze het vol zonder eten en drinken? Als straks de nevel opkomt ga ik de grot uitroken met stro en Spaanse peper. Dan moeten ze wel als ratten uit hun hol komen!’

Mevrouw Ca Xoi luisterde zwijgend. Af en toe wierp ze een korte blik op haar zoon. Een beangstigende blik, wild en helder tegelijk.

‘Zeg mama, waar is Ca My?’

‘Die is naar het dorp.’

Xam ging op het veldbed zitten en liet zich daarna achterovervallen. Hij keek even naar het dak en kwam vervolgens overeind.

‘Mama, deze keer blijf ik in Hon Dat. Als de Vietcong vernietigd zijn komt hier een legerpost. Ik neem al het land van papa terug. Ze moeten betalen voor de rijstvelden en de boomgaarden, met de achterstallige pacht, tot de laatste korrel rijst!’

Ten slotte vroeg mevrouw Ca Xoi:

‘Is dat zeker, van die legerpost die hier komt?’

‘Absoluut zeker,’ zei Xam, terwijl hij overeind kwam. ‘Daar zorg ik voor en ik ga ons huis herbouwen. Jij en Ca My hoeven niet dan meer te werken. Geen gepottenbak en geweef meer! Dan neem ik jullie af en toe mee in de auto naar Rach Gia. Ik vraag mijn vrouw om mooie kleren voor Ca My te kopen. Met mooie tierelantijnen zal ze er goed uitzien.’

‘We zullen zien,’ zei mevrouw Ca Xoi zo gewoon mogelijk.

Daarna liep ze regelrecht naar het kippenhok en kreeg twee kippen te pakken. Ze kwam terug, gooide ze midden in de kamer op de vloer en zei:

‘Xam, jij en de soldaat kunnen hier bij mij blijven eten!’

‘Graag!’

Xams gezicht klaarde op. Hij zette zijn pet af en gooide die op het veldbed. Daarna tikte hij met zijn laars de twee kippen aan en riep:

‘Lekker vet, die kippetjes!’

Opgewekt trok hij zijn portefeuille, haalde er een briefje van tweehonderd piaster uit en gaf het aan zijn ordonnans.

‘Hai Nho, ga jij eens wat rijstwijn halen. En iets te eten, als dat er is in het eettentje!’

De ordonnans nam het briefje vol respect aan. Xam reikte hem zijn veldfles aan en gaf opdracht de twee flessen vol mee terug te brengen. Hai Nho ging onmiddellijk op weg en vergat in de haast zijn geweer. Toen hij terugkwam om het te halen, gebaarde Xam dat hij weg moest.

‘Laat maar! Wees maar niet bang dat die gefrustreerde lui in de grot hier komen om het af te pakken!’

Toen zijn ordonnans weg was, bleef Xam in een euforische stemming. Het was lang geleden dat hij in zo’n goed humeur geweest was.

Mevrouw Ca Xoi maakte vuur en zette een pan water op.

‘Die terracotta dingen altijd in Hon Dat,’ zei Xam ontevreden. ‘Ik zal aluminium pannen voor je kopen, mama. In Rach Gia gebruikt niemand die ouderwetse dingen meer!’

Zijn moeder, die op het punt stond een kip te slachten, hield op en keek naar de grond. Ze trok nog een paar veren uit voor het slachten van de kip, die een paar gesmoorde kreten gaf. Het bloed spoot op en droop in een terracotta steelpan. Xam zat gehurkt naast zijn moeder naar de scène te kijken en liet zich ontvallen:

‘Precies als gisteren dat kreng, die Su!’

Deze keer liet mevrouw Ca Xoi het mes bijna uit haar handen vallen. Haar hart trok samen, maar ze beheerste zich en slachtte de tweede kip. Xam, die niets in de gaten had, was helemaal euforisch. Hij hielp zijn moeder zelfs bij het plukken van de kippen. Daarna maakte mevrouw Ca Xoi zonder een woord te zeggen het eten klaar. Ze maakte gekookte kip in kokosmelk en gesauteerde gezouten kip, twee favoriete gerechten bij de Khmers. Ze vulde een pan met kokosmelk en zette een soort bamboe grill in de andere pan, alvorens daar wat grof zout in te strooien. Zodra de zoutkorrels begonnen te knisperen, legde ze de kip op de grill en deed het deksel op de pan. Ze hield de twee pannen constant in de gaten, keek hoe de kokosmelk begon te koken en luisterde naar het knisperen van het zout in de pan. Misschien had ze haar hele leven nog niet met zoveel zorg gekookt.

Nauwelijks was Hai Nho terug met de twee veldflessen rijstwijn of het eten was klaar. De twee kippen zagen er verrukkelijk uit. Mevrouw Ca Xoi scheurde ze in kleine stukjes, die ze in twee kommen deed en vermengde met gehakte bananenbast, bestrooid met zout en gekruid met piment. Ze zette alles op een oud houten blad en plaatste dat op het veldbed.

Ze at weinig, maar dronk wel veel rijstwijn en stond erop dat Xam en zijn ordonnans het er ook van namen. Het was de eerste keer dat ze samen met haar zoon at. De twee mannen dronken als sponzen en verslonden de kippen. De twee veldflessen waren al gauw leeg, maar er was nog wat kip over. Bij het afruimen zei mevrouw Ca Xoi:

‘Dat is voor je zus Ca My.’

Hai Nho begon zjin roes meteen uit te slapen. Xam praatte nog even over koetjes en kalfjes voor hij zich op het veldbed uitstrekte met de pet over zijn gezicht. Al gauw lag hij te snurken.

Mevrouw Ca Xoi ging naast het veldbed staan waar haar zoon sliep. Ze had een vleesmes in haar hand. Haar bevende linkerhand nam de pet weg van Xams gezicht. Haar zoon lag met zijn ogen dicht en zijn huid glom. Dit gezicht had mevrouw Ca Xoi aan haar hart gedrukt en met kussen bedekt. Deze lippen hadden gulzig aan haar borsten gezogen. Maar haar zoon was onherkenbaar veranderd. Zijn gelaatstrekken waren die van een bruut, die klaarstond om mensen dood te steken, hun gal eruit te halen en hun lever op te vreten. Hij wist niets meer van die vervlogen tijden. Maar nu wilde hij met alle geweld het huis van zijn vader, dat door de boeren afgebroken was, weer opbouwen. De weldoenster van zijn moeder had hij zonder aarzelen gedood door met een kapmes op haar in te hakken en hij ging zelfs zover dat hij het bloed van zijn slachtoffer vergeleek met dat van een kip!

Zijn moeder was pottenbakster, maar hij vond terracotta pannen waardeloos en prefereerde aluminium pannen. Hij wilde niet weten dat zijn moeder de kost verdiende met het maken van die pannen, dat arme mensen als zij er hun rijst in kookten en dat de geurige drank waar hij het meest van hield erin gedistilleerd werd.

Af en toe dacht hij wel eens aan zijn moeder en zijn zuster. Al betekende dat voor hem absoluut niets, dat laatste restje menselijk gevoel was voor mevrouw Ca Xoi genoeg om het vleesmes dat ze drie keer hief drie keer zacht te laten zakken.

Maar zijn enige kans om aan de straf te ontsnappen werd steeds kleiner; zijn misdaden hadden alles weggerukt, alles overschaduwd, en zijn moeder herkende in zijn gelaatstrekken het kind niet meer dat ze ter wereld had gebracht. Na enige aarzeling legde mevrouw Ca Xoi het mes dan ook in een hoek en liep haastig het huis uit. Enkele ogenblikken later slopen twee schimmen door de achterdeur het huis binnen waar Xam en zijn ordonnans als marmotten sliepen. Het waren twee guerrillastrijders die in het dorp gebleven waren. Een van hen posteerde zich met een handgranaat bij de deur, terwijl de ander vastberaden op de slapers afging.

Xam stierf door één rake sabelhouw. Hai Nho, die wakker schrok, greep zijn machinepistool, maar zakte ineen door een sabelhouw die hem van zijn kin tot zijn oren spleet.
 

5

De middagzon brandde op de kruinen van de kokospalmen. Ze bescheen de strobalen langs de kokosboomgaard naast de zakken gedroogde Spaanse peper en kalkpoeder die aangevoerd waren van de overkant van het riviertje.

Omdat Xam maar niet kwam, gaf de tweede luitenant Ba zijn mannen opdracht de balen stro op hun hoofd te nemen en ze naar de buurt van de grot te brengen. Een vreemd schouwspel! De mannen liepen als dieven in ganzenpas, ondanks de aanwezigheid van twee mitrailleurs, die in de kokosboomgaard waren opgesteld, klaar om in te grijpen bij het minste incident. Toen ze bij het hoge gras kwamen, dat tot hun middel reikte, waren alleen nog de zich voortbewegende strobalen te zien.

Aan weerszijden van de grot bevrijdden ze zich van hun last. Het stro vormde twee rijen van een stralend geel. De dragers van de Spaanse peper en de kalk volgden op hun beurt. Daarna stuurde de tweede luitenant andere soldaten met lange bamboestokken – dat bamboe was ’s morgens aan het strand gehakt en de gealarmeerde bevolking was massaal hevig komen protesteren. De commandant had een schadevergoeding moeten betalen om het mee te mogen nemen.

Ba voegde zich weer bij zijn mannen en stuurde er iemand op uit om Xam te waarschuwen. Hij liet de zakken opensnijden en de Spaanse peper en de kalk over de balen stro uitstrooien. Daarna schoven de soldaten de balen met stokken voor de ingang van de grot. De belegerden openden het vuur. Door de brandende kogels vlogen de balen direct in brand. De tweede luitenant, die plat op de grond was gaan liggen, moest hard lachen; hij trappelde met zijn benen en riep:

‘Dat komt goed uit! Ze besparen ons de moeite om het vuur zelf aan te steken! Zorgen jullie er maar voor dat het niet uitgaat!’

De soldaten schoven de balen stro zo dat de hele massa al gauw de hele opening van de grot bedekte. Het droge stro ontvlamde onder de brandende zon.

De belegerden schoten niet meer. De soldaten gingen door met hun werk. De tweede luitenant bleef op de grond liggen. De mitrailleurs wezen met hun loop naar de grot, klaar om de eerste die eruitkwam neer te schieten. Nog steeds trappelend zei de officier triomfantelijk:

‘Krijg nou wat! Is dat rook van Spaanse peper of niet? De ratten komen uit hun hol! Maak ze allemaal af, begrepen?’

De schutters wachtten met hun vinger aan de trekker en hun lippen opeengeperst. Maar er gebeurde niets. Opeens gingen de soldaten die zich het dichtste bij de grot bevonden achteruit.

‘Wat is er?’ vroeg de officier bezorgd.

In plaats van te antwoordden begonnen de soldaten hevig te hoesten. De rook weigerde door te dringen in de grot. Aangewakkerd door een luchtstroom uit de grot weigerde die verdomde grijze rook zich van twee kanten te verspreiden en de soldaten hadden al heel wat binnengekregen. Vandaar die overhaaste aftocht, gevolgd door hoestbuien, niesbuien en tranen. Sommigen waren zwaar getroffen door de scherpe rook en zakten in elkaar. Anderen konden hun ogen niet openhouden en liepen als blinden op de tast.

Woedend stond Ba op om zelf te kijken wat er aan de hand was. Hij kreeg een wolk te verwerken die hem een hoestbui bezorgde; hij liep hard weg, achtervolgd door gevaarlijke wervelwinden. Het leek wel of er iemand uit de grot in het vuur blies. Maar dat was niet zo. Het kwam allemaal door de domheid van de marionettentroepen. Door de hogere luchtdruk in de grot kon de rook nooit de grot in trekken.

Al toen dit plan ’s morgens bekend werd, had de bevolking stiekem moeten lachen.

De oude Tu Don zei tegen degenen die zijn stro kwamen vorderen:

‘Neem maar zoveel jullie willen. Het is niet duur. Ik ben alleen bang dat het niets wordt.’

‘Hoezo niet?’

‘Het is onmogelijk om de grot uit te roken.’

Een soldaat had de discussie afgekapt:

‘Kom op! We doen wat ons gezegd is! Waarom gaan jullie in discussie met een blinde?’

Maar Tu Don had gelijk en hij wist heel goed wat hij zei. De rook bleef naar de zijkanten waaien. De tweede luitenant kneep zijn ogen dicht:

‘Het lukt niet,’ zei hij. ‘We moeten het stro verder de grot in duwen.’

Vier mannen voerden de opdracht uit en namen duizend voorzorgsmaatregelen in acht. Gewapend met stokken rukten ze op, gingen de rook uit de weg, maakten wilde sprongen om de strobaal haastig naar binnen te duwen en trokken zich dan even snel weer terug. Deze keer ging de hoop van de tweede luitenant… op in rook, want die weigerde steeds zich naar de wensen van de officier te voegen. Een soldaat wreef in zijn ogen en mopperde:

‘Die oude blindeman had gelijk. Op deze manier lukt het ons nooit die lui uit te roken.’

‘Luitenant, we kunnen ons beter terugtrekken en iets anders verzinnen. Het is hier niet gezond.’

‘Hij heeft gelijk, luitenant! We zijn hier te dichtbij. Als ze ons overvallen hebben we geen tijd om te reageren.’

De tweede luitenant brulde woedend:

‘Stelletje mietjes! Als ze hier komen, des te beter! Geen sprake van dat we ons terugtrekken!’

Hij riep nog een smerige vloek. Precies op het moment dat hij een hoge borst opzette, kwam de man die hij eropuit had gestuurd om Xam te zoeken de kokosboomgaard uit en rende zo hard hij kon op hem af. Met een wit weggetrokken gezicht hijgde hij:

‘De luitenant… is… dood!’

De verbijsterde tweede luitenant bleef met open mond staan.

‘Hai Nho ook,’ vervolgde de soldaat. ‘Ze zijn gedood met een kapmes. De luitenant zijn hoofd was afgehakt. Goede hemel! Het veldbed zat vol bloed!’

‘Wie heeft dat gedaan en waar? Is de schuldige gearresteerd?’

‘Bij de moeder van de luitenant. Ik weet niet wie het gedaan heeft. Toen ik binnenkwam zag ik twee mannen liggen met een zwerm vliegen op hun nek. Er was niemand in huis.’

‘Verdomme nog aan toe! Daar beginnen de aanslagen!’

‘Dat moet…’

De tweede luitenant verbleekte.

‘Heb je het doorgegeven aan de commandant?’

‘Jawel, luitenant.’

‘Wat zei hij?’

‘Hij was net aan het drinken. Hij liet zijn glas vallen.’

Zonder verdere vragen gaf de tweede luitenant bevel de actie af te breken. De soldaten gooiden hun stokken weg en staken weer allemaal het open veld over. Allen, zelfs degenen die niet in de rook hadden gestaan, wankelden op hun benen en waren verbijsterd door het verschrikkelijke nieuws. Het was de eerste keer dat deze rangers zoiets meemaakten.

Xam had fanatici van hen gemaakt. Ze dachten dat ze met hem alle slagen zouden winnen, dat ze naar hartelust konden doden zonder dat iemand hen iets kon maken. Xam was het trompetsignaal dat hen aanzette tot de misdaad. Als hij een guerrillastrijder zag ging hij erachteraan als een renpaard, al kwam het water van de rijstvelden tot zijn knieën en al lag de guerrillastrijder kilometers voor. Hij leidde zijn mannen door regennachten, omdat hij van mening was dat je de Vietcong alleen op die manier verrassen kon. In het begin hadden ze geaarzeld om mensenvlees te eten en het was Xam die het voorbeeld gaf. Hij verslond het werkelijk en hield vol dat er niets lekkerders was. Hij was in staat om iedere vrouw behalve zijn moeder en zijn zuster te verkrachten. Als hij klaargekomen was, beet hij in de borsten van de ongelukkigen om hun bloed op te zuigen, want hij zei dat je van vrouwenbloed sterker werd dan van mannenbloed.

Zo’n man was het. En daarom had Ngo Dinh Diem hem met nog vijf andere beulen van hetzelfde slag benoemd tot held van het Vierde Legerkorps, gelegerd in westelijk Nam Bo. Zijn compagnie was een gifslang en hij was de kop. Nu die kop was afgeslagen, kon het lijf alleen nog kronkelen.

Bij zijn adjudant Ba had het strijdhaftige voorkomen plaatsgemaakt voor een steeds zichtbaarder ontzetting. Hij struikelde verschillende keren voor hij de kokosboomgaard bereikte. Enkele rangers keken al rennend om naar de grot. Ze waren allemaal uitgeput. Het bericht van de onverwachte dood van Xam, boven op hun mislukte actie, had hen van al hun energie beroofd. Achter hen was de hoop stro vervallen tot as. Witte rook verspreidde zich zacht over de open ruimte. De hoop as stortte plotseling in, waardoor de bovenste helft van de grot weer zichtbaar werd.

Ze bereikten hun kampement bij het riviertje. De commandant was al ter plaatse. Zijn gezicht kreeg een donkere uitdrukking, toen hij hoorde dat de Operatie Rook mislukt was.

Sinds gisteravond was er niets dan ellende. De eerste dagen had Hon Dat zich rustig gehouden. De executie van een meisje was voldoende geweest om de hel te laten losbarsten. Een nachtelijke demonstratie, de eis tot schadevergoeding voor het bamboe, toen die angstaanjagende aanslag op luitenant Xam, en nu de mislukking van zijn plan om de grot uit te roken.

Hij vloekte en keerde zich naar Ba.

‘Goed, we zullen ze opsluiten! Wat Xam en Hai Nho betreft: ik verdenk die Khmervrouw van de moord. Ze schijnt krankzinnig te zijn.’

‘Dat denk ik ook, commandant. Er is niemand anders. Ze maakt een heel verwilderde indruk. We moeten haar arresteren, commandant.’

‘Ze is gevlucht. Onze mannen hebben het dorp doorzocht, maar niets gevonden. Ik heb opdracht gegeven die jonge bastaard, die zuster van Xam, te arresteren, maar de woedende bevolking kwam tussenbeide en heeft haar weer bevrijd.’

‘Commandant, er zijn heel wat stijfkoppen hier. Misschien moeten we er een paar doodsteken om ze betere manieren te leren.’

De commandant gaf geen antwoord. Hij hief zijn gebruinde arm om op zijn horloge te kijken.

‘Het is bijna twee uur,’ zei hij. ‘Ga die twee ongelukkige kerels begraven. Ik ga naar de school om de gewonden te bezoeken. Het schijnt dat ze liggen te krimpen van de pijn. En er is verdomme niet één helikopter gekomen, al heb ik daar herhaaldelijk om gevraagd! Zeker allemaal neergehaald door de Vietcong!’

Hij draaide zich om en begaf zich met zijn gevolg naar het dorp.

In de school, waar hij de eerste dag al het meubilair uit had laten gooien, wachtte de commandant een verbijsterend schouwspel. De gewonden lagen op dekzeilen, kriskras door elkaar en als sardientjes in een blik. Bleke, stinkende lichamen, bedekt met verbanden. Armen en benen die onrustig bewogen. Overal slingerden met bloed en aarde bevlekte stukken katoen en gaas rond. De vervuiling was weerzinwekkend. De gewonden lieten onophoudelijk verwensingen horen en gekreun in alle toonaarden: lange snikken als van huilende kinderen, geklak van tongen, gefluit tussen tanden, gesteun, ongearticuleerd en dof gesteun als in een nachtmerrie.

Hier lagen alleen de zwaargewonden. De minder ernstige gevallen waren geëvacueerd door dezelfde helikopter die het lijk van de yankee had opgehaald.

De commandant fronste zijn wenkbrauwen bij het zien van deze mannen die lagen te woelen, vloeken en kreunen. Niemand wist of het opzet was, maar de commandant werd op grote schaal uitgescholden. Woedend richtte de officier zich tot zijn gevolg.

‘Zeg dat ze hun bek houden, of ik laat ze allemaal neerschieten!’

Een van zijn begeleiders riep:

‘Stilte! Waarom liggen jullie zo te schreeuwen? Bekken dicht, of de commandant zal iets van zich laten horen!’

‘Klootzak! Waar is die commandant, waar is hij?’

De gewonden begonnen nog harder te vloeken en sleepten zich vervolgens naar de deur om de man te grijpen die hen kwam bedreigen. Die deinsde angstig terug, terwijl de gewonden oorverdovend brulden. Ze kropen vloekend naar een zijdeur, terwijl ze de commandant ervan beschuldigden dat hij hen de dood in had geleid. De officier keek hen even aan en brulde toen op zijn beurt:

‘Stilte! Stilte, zeg ik!’

Maar ze gingen door met hun vervloekingen en dreigden na hun dood zelfs op de wereld terug te komen om zijn ziel weg te halen. Een uitgestrekte hand slaagde erin de zwart bestofte laars van de officier aan te raken. De officier wisselde een blik met de wachtpost, die een Thompson aan een schouderriem droeg.

‘Maak hem af!’

De soldaat maakte het wapen los van zijn schouder, maar bleef als versteend en met open mond staan. Zijn vinger aan de trekker beefde. Hij kon niet schieten. Maar de commandant wachtte niet langer. Hij trok zijn Colt 12, richtte op het hoofd in het bloedbevlekte verband en schoot. De gewonde zakte in elkaar en langzaam weken de handen die de laarzen omklemden van de commandant.

Die richtte zijn wapen op de wachtpost:

‘En jij, waarom gehoorzaamde je niet?’ zei hij tandenknarsend.

De man zei niets, maar de Thompson in zijn hand richtte zich langzaam op de officier. Die werd plotseling bleek, toen hij merkte dat de ogen van de ander gloeiende kooltjes waren en dat zijn linkerhand het volle magazijn van het machinepistool stevig omklemde. De commandant liet zijn pistool zakken en stak het terug in de holster, terwijl hij de soldaat onderzoekend aankeek. Die hield zijn wapen nog even op de officier gericht, voor hij het met een bruusk gebaar weer aan zijn schouderriem bevestigde.

Bij het verlaten van dit desolate oord dacht de commandant bij zichzelf: “Deze man moet dood, anders doodt hij mij!” De soldaat wierp een paar keer een schuinse blik op zijn superieur: “Hij zal zich wreken. Ik moet hem vóór zijn.” En allebei wisten ze dat de ander zich zorgen maakte.

Pas tegen vier uur ’s middags arriveerde in Hon Dat een groep helikopters onder hels kabaal, dat het ruisen van de golven overstemde. Toen de mensen gealarmeerd opkeken zagen ze er zes en die kwamen van de kant van de zee. Vier helikopters met twee rotors, bijgenaamd processierupsen, en twee met één rotor of pannenstelen. Die machines met hun monsterlijke uiterlijk gaven de brave boeren de indruk van iets verraderlijks, brutaals en zelfs duivels, dat de vijand goed karakteriseerde.

Onder het effenblauwe hemelgewelf bewogen deze bizarre vormen zich voort, iedereen met hun priemende neus bedreigend. Nauwelijks waren ze het strand over of ze naderden alle zes de grond. De rotors draaiden luidruchtig, alsof ze zouden landen. Maar ze vlogen door op geringe hoogte en brachten de boomtakken in beweging. De kokospalmen schudden heen en weer. De boomgaarden huiverden. De bladeren die baadden in de zon keerden zich om.

De helikopters vlogen over de boomgaarden, waarvan het groen afstak bij het blauw van de zee. Ze passeerden een Hon Dat dat zwaar van stilte was, terwijl er nog een dunne rookpluim voor de grot dreef.

Na Hon Dat achter zich gelaten te hebben kwamen ze terug om op een braakliggend terrein te landen. Deze keer kwamen ze wel naar de grond. Het rumoer was intussen oorverdovend. Je zou zeggen dat het vissen waren waarvan de vinnen tot rotorbladen verlengd waren. De deuren stonden wijdopen. Bij sommigen hingen de touwladders er zelfs al uit. Een paar Amerikanen verschenen in de deuropening en keken naar de grond. Allemaal hadden ze donkere zonnebrillen en een roodverbrande huid.

De zes machines landden. De stoppels op het veld werden hevig heen en weer geschud, alsof ze uit de grond getrokken zouden worden. Toen de helikopters stationair draaiden, kwamen de soldaten uit de boomgaarden aangerend. Twee Amerikanen stapten uit en liepen naar hen toe. Er werden een paar woorden gewisseld en sommige soldaten liepen snel weer terug. De anderen stapten in de stilstaande machines. Ze haalden er een aantal zakken cement uit, grijze metalen kisten en vervolgens een driepoot voor een filmprojector en een aantal luidsprekers van aanzienlijke afmetingen.

De tweede luitenant van de Psychologische Dienst, die trots was dat hij iets te vertellen had, volgde in looppas de soldaat met de driepoot. Hij streelde verliefd over het apparaat en zei:

‘Mijn voorstel is dus van hogerhand goedgekeurd! De spullen en de films zijn gearriveerd. We gaan een filmvoorstelling organiseren.’

‘O ja, luitenant?’

‘Ja, dat zei ik toch?’

Iemand verzuchtte:

‘Ik ben nu echt in de stemming om naar de bioscoop te gaan!’

De tweede luitenant hoorde de opmerking. Hij keek ontevreden.

‘Die film is niet voor jou bestemd, maar voor de Vietcong en de bevolking, snap je dat niet?’

‘Maar waarom dan, luitenant?’

‘Wat zijn jullie toch stom. Tegen de Vietcong zijn geweren niet genoeg, er zijn ook psychologische middelen nodig. Luister: deze film uit Amerika is echt geweldig. Een veldslag in de bergen tussen de Chinees-Koreaanse troepen en die van de Verenigde Staten. De Amerikanen doden hun tegenstanders tot de laatste man.’

De tweede luitenant bleef staan en wees met zijn vinger op zijn borst:

‘En dat was mijn idee! Ik heb voorgesteld die film voor de grot te vertonen om die lui daarbinnen te demoraliseren. We dwingen de bevolking om ook te komen kijken, dan raken ze ontmoedigd.’

De soldaten begonnen de officier uitgebreid te complimenteren.

‘Geniaal!’

‘Weg met die lui! Goed idee van u, luitenant, en u bent de juiste man voor de Psychologische Dienst van het leger.’

De luitenant was zo trots als een pauw. Daarna zei hij ernstig:

‘Dat is de manier om de Vietcong te bestrijden. Maar houd het voor je, begrepen?’

De mannen beloofden het geheim te bewaren. Ze droegen de hele boel naar de boomgaarden. Daar kwamen ze de gewonden tegen die op draagbaren naar de helikopters werden gebracht. De met verband overdekte lichamen waren ineengekrompen als garnalen. Ze kwamen voorbij met de gebruikelijke stank en het gebruikelijke gekreun. De dragers liepen snel. De draagbaren schommelden en schudden de gewonden onbarmhartig door elkaar. Sommige dragers schrokten een kaneelappel of een avocado naar binnen die ze in de boomgaard geplukt hadden. Ze waren helemaal bezig met eten en trokken zich niets aan van het lijden van hun kameraden, alsof ze door huurling te worden geen menselijk gevoel meer hoefden te hebben.

De meeste Amerikanen waren aan boord gebleven. De twee die uitgestapt waren zaten midden in het rijstveld onderuitgezakt met hun armen over elkaar en trokken rustig aan hun sigaret.

Toen de draagbaren hen passeerden schoven ze onverschillig hun zonnebrillen omhoog om beter te kunnen zien. Daarna liepen ze allebei weg, zich koelte toewuivend met hun hand. De ene na de andere draagbaar kwam langs, begeleid door stank en gekreun. Ze dropen. Was het bloed? Pus? Of ondefinieerbaar vocht uit de slecht geheelde wonden? De twee Amerikanen keken de andere kant uit, spuwden en trokken nerveus aan hun sigaret.

De ziekendragers ontdeden zich van hun last op de vloer van de helikopters en sloften terug, terwijl ze hun draagbaar achter zich aan sleepten.

De machines startten. Eerst begonnen ze allemaal tegelijk als razenden te bulderen; daarna zwol het geluid aan, de rotorbladen kwamen in beweging en draaiden steeds sneller.

Net voor het vertrek verscheen de commandant op het terrein. Hij gaf de Amerikanen een hand en bleef even met hen praten. Je zag hoe hij zijn wenkbrauwen fronste tijdens het gesprek, terwijl de Amerikanen onverschillig bleven kijken. Een van beiden, een luitenant die door zijn neus praatte, trok onophoudelijk aan zijn sigaret en stak met de peuk een nieuwe aan. Ten slotte bleef een van de Amerikanen aan boord, stak zijn hand door een opening, gaf een teken en riep:

Quickly! Quickly!

De twee Amerikanen renden naar hun machine, gevolgd door de commandant. Ze klommen in de ladder. Daarna verscheen de luitenant in de deuropening en salueerde voor de officier van het marionettenleger. Die bleef stram bij de helikopter staan, met zijn haren raar opgewaaid door de wind. Ten slotte spreidde hij zijn armen uit en riep:

As you like it, please! As you like it!

De luitenant knikte glimlachend. Hij gebaarde dat de commandant achteruit moest.

De rotors draaiden op volle toeren meteen zag je de machines twee aan twee opstijgen. De commandant werd bijna meegesleurd door een storm. Onder zijn voeten leken de halmen klaar om weg te vliegen. Toen ze eindelijk weer tot rust kwamen, bleven sommige plat liggen. De commandant kwam terug, terwijl de helikopters over Hon Dat in de richting van zee vlogen.

De Amerikaanse luitenant keek uit het raam. Door zijn zonnebril zag hij de golven op de kust afgaan en vervolgens breken, wit van schuim. Hij zag de sporen van de getijden op het strand, de door de golven geteisterde palen, een afdak op palen, omgeven door netten en dobberende bootjes.

Bij dit beeld moest de officier denken aan een baken, het laatste teken van het land voor de uitgestrektheid van de zee en de hemel.

De helikopters verhoogden hun snelheid. Aan de hemel verschenen plotseling regenwolken. Beneden op zee verschenen schuimkoppen. Van diepblauw werd het water loodgrijs.

De luitenant draaide het raampje omlaag en mompelde:

‘Een bui!’

‘Ja, luitenant!’ zei de onderofficier naast hem instemmend.

Vervolgens kwam de man overeind, wierp een blik op de onstuimige zee en fluisterde:

‘Dit is het moment, luitenant.’

‘Nog te dicht bij de kust.’

De officier keek op zijn horloge en voegde eraan toe:

‘Over vijf minuten.’

Hij legde zijn hand tegen het raam. Een vlezige hand, bedekt met huiverende blonde haartjes. De vingers trommelden ongeduldig.

Al vanaf het opstijgen schudden de cabines aan één stuk door. De gewonden op de vloer vertoonden stuiptrekkingen. Hun kreunen werd overstemd door het motorlawaai en door de trillingen begonnen hun wonden te bloeden. Het was een helse toestand. Er was geen hevige schok. Er waren wel kleine, regelmatige en wreed-hardnekkige stootjes. Het bloed begon te vloeien. Al gauw gutste het zelfs. Het droop over het rode linoleum van de vloer. De plassen zochten zich een weg. Er ontstonden stroompjes. Door de kieren liep het bloed naar buiten, druppel voor druppel, vermengde zich met de regen waarvan de hemel verzadigd was en viel schuin neer op de nevelwitte zee.

De luitenant stapte over de lichamen van de gewonden naar de cabine van de boordtelegrafist. Even later kwam hij terug en ging naar de onderofficier:

‘Hij zegt dat het kan.’

De onderofficier trok zijn overhemd uit en begaf zich met gedempte passen naar de zijkant. Hij greep een ijzeren wiel, waaraan een kabel vastzat, wierp een laatste blik op de gewonden en draaide tandenknarsend en uit alle macht aan het wiel. De kabel ging slap hangen. Meteen zakte de vloer weg en er viel een gat van twee meter doorsnee. Zeven of acht gewonden werden onmiddellijk gegrepen door de leegte. De twee die zich nog aan de vloer vasthielden verdwenen in zee na een trap met een laars. Ze hadden nauwelijks tijd om een schreeuw te geven of ze waren al ver weg. De laatste kon nog een moment aan zijn vingers blijven hangen. De officier die erop wilde trappen bedacht zich. Hij bukte zich om te kijken hoe de vingers, die zich wanhopig om de rand van het luik klemden, stukje bij beetje terrein verloren alvorens definitief los te laten.

Bij het contact met de golven kwamen de gewonden weer bij bewustzijn. Hun laatste krachten werden gewekt door het lauwe water van de zee. Door haar werden de ongelukkigen zich ook bewust van hun hopeloze toestand. Toen ze begrepen dat de dood aanstaande was, spartelden ze wanhopig te midden van de golven. Hun bloed vermengde zich met het water van de zee. En het zoute water beet in hun wonden. Al gauw waren ze aan het einde van hun krachten. De loodgrijze golven bedekten hen de een na de ander. De woeligsten gaven zich uiteindelijk gewonnen. En de zesenveertig gewonden bereikten de bodem van een onstuimige zee, die de avond en de regen nog sinisterder maakten.
 

6

Korporaal Co leegde zijn glas in één teug. De drie soldaten die hem gezelschap hielden en ongeveer zijn leeftijd hadden volgden zijn voorbeeld.

Daarna zetten ze hun glazen op het veldbed om een stuk geroosterde inktvis op hun bord te leggen.

Het regende steeds harder op het eettentje van mevrouw Ba Ou. Toen ze daarnet naar de lucht had gekeken en gezien dat er een stortbui aankwam, kon ze haar blijdschap niet verbergen. Toen de lamp begon te walmen en de wind killer werd, zei ze tegen zichzelf: “Laat er alsjeblieft zo’n stortbui komen, dan hebben onze mensen in de grot te drinken.”

Na het klaarmaken van inktvis voor de sympathiserende soldaten bleef ze op de drempel staan. Met haar hand in haar zij volgde ze de zwarte wolken met haar ogen. Nog nooit had ze zo ongeduldig op regen gewacht. Toen de eerste druppels op het dak vielen, wilde ze wel dat die groter waren.

‘Vrienden, het is gunstig weer vandaag!’ zei ze, terwijl ze binnenkwam.

‘Zouden ze in de grot water kunnen opvangen?’ vroeg korporaal Co.

‘Jazeker!’ zei mevrouw Ba Ou zacht.

‘Dan hoeven ze geen dorst meer te hebben!’

‘Zo is het! Er sijpelt veel water door de spleten tussen de rotsen.’

‘Normaal regent het nauwelijks in dit seizoen.’

Mevrouw Ba Ou glimlachte en zei half ernstig en half voor de grap:

‘Maar dit jaar is anders dan anders! De hemel helpt de Vietcong, denkt u niet?’

Een van de soldaten staarde naar de regendruppels die van het dak in de goot vielen, die al met grote luchtbellen overdekt was. Hij begon te mompelen:

‘Regen maakt me neerslachtig. Toen ik geronseld werd, hield mijn dak het al niet meer. Die can dop-bladeren moet je ieder jaar vernieuwen. Maar wij hadden ze twee jaar laten zitten, dus je kunt wel nagaan dat ze lagen te rotten! Als het ’s nachts regende moest je mijn vrouw en kinderen horen huilen, want ook al legde je de slaapmatten in de hoeken, ze lagen altijd in de regen. Net of je midden op het erf lag. Voor mij is regen een ramp. Ik heb het warm hier, maar mijn vrouw en kinderen zijn misschien wel doorweekt.’

Hij zweeg, nam een stuk inktvis en vervolgde:

Bij ons zijn latanpalmbladeren heel duur. In vredestijd is het nog te doen, dankzij de handelaars uit Thu. Maar door deze oorlog zijn ze niet altijd leverbaar. En bovendien moeten ze alle voorraden verkopen aan het pakhuis dat toevallig eigendom is van de raad van notabelen. Ze kopen de bladeren voor tweeduizend piaster per honderd en verkopen ze voor achtentwintighonderd of drieduizend. Waar haal je dat geld vandaan? Je zit daar behoorlijk krap wat latanpalmbladeren betreft.’

‘Waar kom je vandaan, als ik vragen mag?’ informeerde mevrouw Ba Ou.

‘Uit Chac Ca Dao in de Welvarende Zone.’ [door de VS en het Diem-regime veroverd gebied]

Mevrouw Ba Ou wierp een vluchtige blik op hem en vervolgde:

‘Chac Ca Dao, dat ken ik wel! Maar…’ Ze ging zachter praten om te zorgen dat hij het alleen zou horen:

‘Als je hier vertrekt, ga je dan weer terug naar de Welvarende Zone?’

‘O nee, die Zone is sinds september pleite!’

‘Jaja.’

Terwijl het almaar harder regende, deed mevrouw Ba Ou erg haar best voor de klanten: ze schonk drankjes in, maakte nieuwe inktvis klaar, roosterde die boven een alcoholvuurtje en vergat ook de wijnazijn niet. Ze werkte snel en vakkundig. De soldaten waren tevreden, maar ook een beetje gegeneerd. Ze lieten hun voldoening blijken door veel te lachen, waarbij ze met hun handen niet goed raad wisten. Ze leken tevreden, want je zou je kunnen voorstellen dat geroosterde inktvis besprenkeld met drank niet zo vaak op het menu stond van miserabele huurlingen, zeker niet op een regenachtige avond. En waar vond je trouwens zo’n vriendelijke waardin als mevrouw Ba Ou? Ze waren tevreden bij mevrouw Ba Ou en respecteerden haar, en daar kwam ook nog veel emotie bij. In de week dat ze hier waren waren ze regelmatig in het tentje van mevrouw Ba Ou geweest. Korporaal Co had het ontdekt en er zijn vrienden mee naartoe genomen. Twee dagen eerder had Co mevrouw Ba Ou bekend dat ze wilden deserteren en gevraagd of ze hen wilde helpen bij het oversteken van de rivier de An Rang. Daarna zouden ze zelf de weg wel kunnen vinden naar Mac Can Dung, Ba Dau, Vinh Hanh en Chac Ca Dao. Daarom waren ze vanavond weer gekomen.

Ze bleven drinken. Mevrouw Ba Ou trommelde lang met haar vingers op de rand van het bord, waaraan je kon zien dat ze aarzelde, en zei ten slotte:

‘Ik heb beloofd om jullie te helpen, want ik merk hoeveel heimwee jullie hebben en hoe miserabel jullie leven is. Maar alles hangt van jullie zelf af. Willen jullie het echt? Ik ben er niet zo zeker van.’

‘Wees maar niet bang, mevrouw,’ onderbrak Co haar. ‘We weten het zeker. Hoe eerder we gaan, hoe beter. Hebt u die lading gewonden in de helikopters gezien? U moet ons helpen, als u wilt dat we daaraan ontsnappen.’

‘Ik wil jullie wel degelijk helpen, maar jullie moeten zelf standvastig zijn.’

‘Natuurlijk! Gelooft u ons niet op ons woord?’

Mevrouw Ba Ou glimlachte tevreden. Ze liet de rand van het bord los, boog zich naar korporaal Co en fluisterde:

‘Goed! Zorg dat jullie morgen als het donker wordt op de kruising zijn. Dan ben ik er ook!’

‘Ja, ja!’

‘Jullie moeten precies doen wat ik zeg. Daarna krijgen jullie de kans niet meer. Ik heb al…’

‘Maak u geen zorgen,’ zei Co en hij knikte een paar keer.

‘Zeg tegen je kameraden dat dit absoluut geheim moet blijven,’ hernam mevrouw Ba Ou. ‘Daar reken ik op.’

‘Afgesproken! Afgesproken!’

Korporaal Co dronk nog een glas en stond op. Hij liep naar de deur. Toen hij zag dat het niet meer zo hard regende, zei hij tegen zijn kameraden:

‘Kom, drink je glas leeg, we gaan!’

De drie mannen namen hun laatste slok en liepen zonder haast naar de deur.

De dikke vrouw herinnerde zich de dringende adviezen van mevrouw Hai Thep en trok de korporaal aan zijn jasje:

‘Wat de wapens betreft: het zou goed zijn als je er meer mee kunt nemen. Maar als dat moeilijk is, kom dan in ieder geval niet te laat. Ieder één geweer is al mooi. Goed, tot morgen! Als het donker wordt en op de kruising. We hebben geld voor jullie reis bij elkaar gebracht. Maak je daarover geen zorgen.’

Bij deze woorden boog Co zijn hoofd en sloeg zijn ogen neer.

Hij zei met een brok in zijn keel:

‘Goed! Tot dan, mevrouw Ba Ou!’

Haastig stapte hij de gladde weg op en gaf de adviezen van mevrouw Ba Ou aan zijn kameraden door.

Nadat het even wat minder geweest was, begon het nu weer hard te regenen. De vier mannen moest rennen en hadden op de weg moeite om hun evenwicht te bewaren.

Het plensde steeds harder. Korporaal Co wees naar een grote tamarinde langs de weg:

‘Daar, daar staat het huis van die blinde oude man! Laten we daar gaan schuilen.’

Ze renden naar de tamarinde, schudden zich uit onder het bladerdek en gingen vervolgens bij Tu Don naar binnen.

De oude musicus legde de laatste hand aan een mand. Bij het horen van de voetstappen begreep hij direct dat het soldaten waren. Gewone soldaten, want die droegen linnen schoenen. Zijn twaalfjarige kleindochter kwam uit de keuken gerend en vroeg, terwijl ze haar handen aan de pijpen van haar broek afveegde:

‘Wat wilt u, heren?’

‘Niets! Niets! Alleen maar even schuilen,’ antwoordde een soldaat en richtte zich tot haar grootvader. ‘Dat mag toch wel, oom?’

Tu Don, die doorging met zijn werk, antwoordde laconiek:

‘Mij best!’

Het meisje keek hen met een schuin oog aan en liep terug naar de keuken. De vier mannen gingen in een kring op de grond zitten met hun armen om hun knieën en keken hoe de blinde een rand aan een mand bevestigde.

‘U bent handig, oom.’

‘U bent wel erg complimenteus, want ik kan helemaal niet zo goed vlechten.’

Dit antwoord werkte als een koude douche. De soldaat was een beetje van zijn stuk gebracht en probeerde het ijs te breken:

‘Hoeveel maakt u er per dag?’

‘Twee, als alles er is wat ik nodig heb.’

De oude man gaf zijn laconieke antwoorden alleen maar als hem iets gevraagd werd.

‘Kunt u wel rondkomen van dit werk?’

Tu Don keek op met zijn grijsgroene ogen:

‘Ik moet tevreden zijn met wat ik heb. Omdat ik invalide ben, leef ik van dag tot dag. Ik heb het niet zo breed als veel anderen…’

‘Wij zitten in hetzelfde schuitje, oom. We zijn helemaal niet rijk, hoor!’

‘Ik begrijp jullie niet! Ik ben blind, maar jullie hebben twee ogen, jullie zijn sterk, jullie zijn gewapend, jullie krijgen aan het eind van iedere maand soldij, van tijd tot tijd vinden jullie een kip of een eend, dus hoe kunnen jullie dan zeggen dat jullie er hetzelfde voorstaan als ik? Dat begrijp ik niet.’

‘Toch is het waar, oom: wij zijn niet te benijden.’

‘Niet te benijden, zeggen jullie. Buffelvlees hier, kip daar…’

Korporaal Co klakte met zijn tong:

‘Beschuldig ons niet, oom, want wij zijn pechvogels. Wij zijn niet van die mensen die andermans buffels en kippen schieten.’

Tu Don zocht op de tast de rotanstengel en ging verder met zijn werk.

‘Ik beschuldig jullie ook niet. En ik kan niet weten wie de kippen steelt en wie niet. Ik weet alleen dat het in de aard van jullie leger ligt om anderen hun buffels en kippen af te pakken. Gisteren kwam hier iemand een kip stelen die aan het leggen was. Mijn kleindochter heeft voor niets geprotesteerd.’

‘Zo zijn wij niet, oom. Wij zijn vroeger allemaal boer geweest. Wij gaan liever dood van de honger dan dat we stelen.’

‘Hoe weet ik of ik jullie kan geloven?’

‘Maar het is echt waar!’

‘Goed, vooruit dan. Maar op de lange duur worden jullie net zo als de anderen. Soldaat van de nationalistische regering [van Ngo Dinh Diem] en geen dief, dat kan ik me niet voorstellen!’

De vier mannen keken elkaar vol schaamte aan.

Ondertussen was het eens zo hard gaan regenen. De nacht was stikdonker. Met een stem die op een verwarrende manier vriendelijk klonk, zei de oude man:

‘Het stortregent. Is het al nacht, heren?’

‘Ja, oom.’

De oude man riep:

‘Tim, steek jij de lamp aan, liefje?’

Het meisje was bezig het vuur aan te blazen. Al gauw kwam ze binnen met een brandende pit, die dreef op een bord visolie en zette dat op het kleine bamboebed. Daarna ging ze de borden halen. Toen hij het geluid van de eetstokjes hoorde, liet de oude musicus de mand los en vroeg de vier mannen:

‘Hebben jullie vanavond al gegeten?’

‘Ja, oom.’

‘Zo niet, eet dan maar mee. Ik zal mijn kleindochter vragen om rijst voor jullie te koken.’

‘Dank u wel, oom. Maar we hebben echt al gegeten vanavond.’

De oude man stond op. Hij klopte een paar keer op zijn kromme rug en ging tastend op het kleine veldbed zitten. Tim gaf hem een paar eetstokjes en een bal rijst.

Hij roerde met zijn stokjes in de rijst en richtte zich vervolgens tot de soldaten:

‘Vóór jullie soldaat werden waren jullie dus boer?’

‘Zo is het, oom,’ antwoordde korporaal Co.

‘Waarom zijn jullie dan niet thuisgebleven om op het land te werken?’

Na deze vraag begon hij de rijst met de stokjes naar zijn mond te brengen. Tim legde op de rijst van haar grootvader een stuk vis dat ze uit de soep had geschept. Die soep had ze speciaal voor haar grootvader gemaakt, want zelf at ze alleen gebakken vis met nuoc mam. [zoetzure vissaus] Terwijl Tu Don en Tim zaten te eten, liep een soldaat naar de dan bau, die aan de muur hing. Hij tokkelde de snaar aan, die een welluidende toon produceerde.

‘Wat een mooi geluid!’

De oude musicus ging zwijgend door met eten. Maar zijn dode ogen richtten zich op het nog naklinkende instrument. Hij zei op strenge toon:

‘Als je kunt spelen, ga dan je gang. En blijf er anders met je vingers af!’

De soldaat maakte van de toestemming gebruik om het instrument van de muur te halen en naar de drempel te dragen. Op een onbeholpen manier speelde hij wat. De ene keer waren de tonen te lang en de andere keer te kort.

Het stortregende nog steeds. Toen de blinde oude man klaar was met eten, pakte hij een tandenstoker en ging op een slaapmat op de grond zitten. Zijn lege ogen waren op de nachtelijke duisternis gericht. Hij was met al zijn aandacht bij het ruisen van de regen en helemaal niet bij de muziek van de soldaat. Die speelde steeds hetzelfde deuntje en geneerde zich ten slotte.

‘Ze zeggen dat u prachtig speelt, oom,’ zei hij. ‘Zou u ons iets willen laten horen?’

De oude man schrok op, alsof hij uit een droom gewekt werd. Hij zette grote ogen op:

‘Wat? Moet ik een stukje spelen?’

‘Ja, oom! Alstublieft!’ drong korporaal Co aan.

Tu Don was een hele tijd stil.

‘Maar mijn manier van spelen is niet bepaald vrolijk.’

‘Dat is niet waar! We weten dat u prachtig speelt. Alstublieft, oom, en we willen graag genieten van de zangkunst van dat lieve meisje. Het regent dat het giet, ziet u, en we hebben alle tijd.’

‘Ik lieg niet. Ik heb een miserabel leven gehad en dat heeft mijn manier van spelen beïnvloed. De mensen vinden mijn spel te melancholiek, te triest.’

Ondanks deze weigering nam korporaal Co de soldaat de dan bau uit handen en gaf die terug aan de oude musicus. Omdat die bang was dat het instrument zou vallen, haastte hij zich om het voorzichtig aan te pakken. Hij liet zijn vingers lang over het instrument gaan, klakte met zijn tong en zei:

‘Gisteravond kwamen er ook een paar soldaten vragen of ik wilde spelen. Omdat ze net zo vriendelijk aandrongen als jullie, heb ik het gedaan. Aan het eind stond het hier zwart van de mensen. Ik geloof dat zelfs de wachtposten naar me kwamen luisteren. Maar plotseling kwam de luitenant vloekend binnenvallen. Hij joeg de soldaten weg en gaf mij de schuld: “Hé, ouwe, van nu af aan verbied ik je om mijn mannen te bederven door ze hierheen te halen voor een stukje muziek, begrepen?” Ik antwoordde: “Meneer, ik kan er niets aan doen dat ze hier zijn. Ik wilde eerst niet spelen, maar zij drongen aan en ik moest hun een plezier doen.” De luitenant zei dreigend: “Van nu af aan hebt u geen vergunning meer om muziek te maken, anders sla ik uw instrument kapot!” Toen heb ik hem beloofd: “U kunt gerust zijn: ik zal niet meer voor uw soldaten spelen!”

Onder het vertellen van deze nare ervaring streelde de oude musicus aan één stuk door zijn dan bau, alsof het een wonder was dat die nog heel was.

‘Maar nu hoeft u niet bang meer te zijn, oom. Sinds eergisteren is de luitenant wijlen.’

‘Dat heb ik gehoord. Ik geloof dat ze hem voor de grot hebben neergehaald?’

‘Ja, voor de grot!’

‘En zijn vervanger? Slaat die mijn dan bau ook kapot?’

Ze voelden een zekere ironie in de vraag van de oude man.

‘Nee, oom, de luitenant die hem vervangt let helemaal niet op zulke dingen.’

‘Als dat zo is, zal ik een stukje spelen.’

Hij bewoog de hefboom die de snaar snerpend spande. Vervolgens pakte hij het houten plectrum dat aan het eind van de klankkast vastzat.

Hij riep zijn kleindochter:

‘Tim, ben je klaar met de afwas?’

‘Bijna, opa.’

‘Goed, was dan je handen en kom hier zitten!’

Hij nam het bamboe plectrum tussen zijn vingers en wachtte. De vier mannen schoven dichterbij.

Even later kwam Tim de keuken uit. Bij het horen van haar passen wees haar grootvader haar een plaats naast hem aan:

‘Ga zitten, kind. Jij zingt Nam Ai [Klaagzang] voor deze heren en ik begeleid.’

De ontevredenheid was duidelijk van het gezicht van het meisje af te lezen. Ze hield haar matje voor haar borst, draaide heen en weer en zei:

‘Nee, ik ga niet zingen!’

Lachend zei de oude man tegen zijn gasten:

‘Jullie zien het: ze is nog steeds kwaad dat ze haar kip kwijt is.’ Daarna probeerde hij het meisje vriendelijk op andere gedachten te brengen:

‘Zing nu maar, meisje. Dit zijn andere heren dan die van gisteren. Dit zijn arme mensen, net als wij.’

Zonder iets te zeggen nam Tim de doek van de schouder van haar grootvader en veegde haar handen af. Daarna legde ze de doek op zijn plaats. Bij het flakkerende licht van het lampje sperde ze haar grote ogen open en staarde naar de mat. Nu en dan wierp ze een blik op de soldaten om haar heen. De uitdrukking in haar ogen leek wat zachter te worden. Ze had een sierlijk gezicht, maar haar huid was pokdalig.

De oude musicus voelde dat zijn kleindochter zou gaan zingen; hij nam de beweegbare hefboom van zijn instrument in zijn linkerhand en tokkelde de snaar aan met het bamboe plectrum in zijn linkerhand. Zodra zijn magere en uitgedroogde vingers het stukje bamboe hanteerden, begon de messingdraad te trillen, alsof hij moest snikken. Eén voor één klonken de aangrijpende tonen. Tim leek betoverd. Ze hief haar glanzende ogen om te kijken naar de regen en de duisternis. Haar handje pakte opeens de slip van het verschoten jasje van haar grootvader. Plotseling hield het voorspel op. Terwijl de oude man de buigzame hefboom bewoog, verwijderde zijn rechterhand zich van het instrument.

De sfeer leek tot klaarheid te komen. En toen verhief Tim haar stem:

 

De koning riep: “Te wapen!” En jij volgde,

Meteen nam de oude man de begeleiding van zijn kleindochter ter hand.

 

Maar ik ben hier en zit op nieuws te wachten,

Verloren als de zwaluw aan de Han,

Die zingt haar eenzaam lied vol bitt’re klachten.

Mijn liefde zal nu al haar glans verliezen

En ook mijn roze wangen worden dof

Van ’t wachten; ondertussen daalt het stof

Al op het nest van onze oude liefde.

De breekbare en wel erg onschuldige stem van het meisje vormde een vreemd contrast met de tonen die de oude man met virtuoze hand ontlokte aan zijn dan bau en zijn zestig jaar ellende.

 

En aan de einder wapperen de vaandels

En in de verte wordt de trom geroerd.

Zou het de order zijn van onze koning,

Dat nu mijn man naar huis wordt teruggevoerd?

Ach, wisten toch de mensen aan de grenzen

Daar ver weg, hoe mijn keel is toegesnoerd!

De stem van Tim werd dringender:

 

Sinds jij ten strijde bent getrokken

Wacht ik dag in, dag uit op een bericht

Zoals de vissen wachten op het licht

Van sterren…

Het was niet meer één snaar die klonk. Ze leek zich oneindig te vermenigvuldigen. Je kon niet zeggen of de musicus goed of slecht speelde, of de tonen opgewekt of triest waren. Ze raakten je hart en maakten dat een man dacht aan zijn vrouw en een vader aan zijn kinderen. Ze wekten liefde voor je geboortegrond en deden je denken aan geliefde landschappen en aan de velden waar je voorouders rustten.

De soldaten bogen hun hoofd.

De regen hield maar niet op, terwijl de dan bau wanhopig snikte over de scheiding en het verdriet van de afwezigheid. Het flakkerende lampje verlichtte de regendruppels, die onwezenlijk zweefden door de zwarte nacht.

 

hoofdstuk VI