Hoofdstuk IV

afb 4

 

1

De bijna opgebrande kaars op de rots verspreidde een flakkerend licht. De pit midden in de was vlamde een laatste keer op en doofde daarna plotseling uit. De duisternis viel in de laatste verlichte ruimte van de grot en wiste op de wand de schaduw uit van Quyen, die haar handen voor haar gezicht hield. Het meisje viel in slaap op het moment dat de kaars uitdoofde. Be sliep rustig.

Het zou gauw dag worden.

Buiten werd de hemel misschien al licht, maar de grot was nog in duisternis gehuld. Hoe dichter de dageraad naderde, des te frisser het werd. Toen ze op haar stenen bed wakker schrok, voelde Su dat haar voeten stijf waren van de kou. Thuy hield haar armen om haar heen geslagen en haar hoofd aan haar borst gedrukt. Su voelde aan Thuy’s voeten en merkte dat die ook steenkoud waren. Ze nam ze tussen haar benen om ze op te warmen. Ze bewoog een tijdje niet en begon vervolgens zachtjes de armen van haar dochter los te maken, al hield Thuy haar in haar slaap nog steviger vast. Su moest moeite doen om zich los te maken. Ze ging rechtop zitten, vond op de tast een eindje kaars en stak dat aan. Opnieuw maakte het licht een opening in het duister van de grot.

Met de kaars in de hand keek Su lang naar haar dochter. Zonder de steun van het lichaam van haar moeder boden de lege armen van het meisje op het dekzeil een ontroerende aanblik. Ze was nog altijd diep in slaap. Het flakkerende vlammetje verlichtte de haarlokken op haar voorhoofd en bracht glans op haar lange, zijdeachtige wimpers. Haar rode lippen bewogen nauwelijks merkbaar, terwijl haar neusvleugels trilden.

Al meer dan zeven jaar sloeg het hart van Su alleen maar voor haar lieve, sierlijke dochtertje, dat half van haar was en half van haar man, ver weg in het Noorden.

Hoe vaak had ze zichzelf er niet op betrapt dat ze stil en vol hartstocht naar haar dochter zat te kijken. Ze lette op de minste ademtocht, koesterde met haar blik het kleinste haartje van de wimpers of het hoofdhaar en ook het voorhoofd en die rose handjes. Het leek wel of ze hele dagen zo kon blijven kijken. Wat was ze dan ook verdrietig geweest toen ze het maandenlang zonder haar had moeten stellen! Dat was twee jaar geleden, toen de Amerikanen en de mensen van het Diem-regime haar in de tijgerkooi hadden gegooid, waarin je niet kon zitten, maar ook niet rechtopstaan en in de krokodillenkuil, waar het water tot je knieën kwam. Op die momenten was het ellendigste niet de glasscherven om haar heen of het water dat alle gevoel uit haar benen haalde, maar de scheiding van haar dochter, waardoor ze haar wankele stapjes niet kon zien en haar gebabbel niet kon horen.

Ze had als een kind zitten snikken en haar hele gezicht was nat van de tranen, toen ze dankzij de hardnekkige strijd van de inwoners van Hon Dat bevrijd was en haar dochter weer aan haar hart kon drukken.

Er was de afgelopen jaren veel gebeurd. Ze was van plan dat later allemaal aan haar man te vertellen, nacht na nacht, in alle bijzonderheden, en dan zou hij nog meer van hen houden, van zijn dochter en van haar.

Bijvoorbeeld haar arrestatie, en de verbitterde strijd die ze had moeten voeren. Of de huidige uren in de verste uithoek van de grot, waar de echo’s van de gevechten van de dag nog in haar oren klonken. Vuurgevechten, kreten, gebrul van vijanden, haar ongerustheid als ze besefte dat er water uit een kruik weglekte of het zwakke kreunen hoorde van Be na de amputatie van zijn arm. Op dit moment leek ook de stilte van de nacht haar vreemd. Het was de stilte na het gebulder van de golven, de stilte in de natuur na de eerste rukwind van een storm. Toch heerste rondom haar nog rust: deze kaars in haar vingers verlichtte het lieve gezicht van haar slapende dochter en het regelmatige snurken van haar kameraden.

Ze betrapte zich op de gedachte: “Hij zal daar nog wel slapen, zonder te weten dat zijn dochter en ik vannacht in de grot hebben doorgebracht. Nee, dat kan hij zich niet voorstellen.” Snel tastte ze in haar zak, omdat ze zich opeens de brief herinnerde die ze van haar man gekregen had. De kostbare brief was er nog. Gerustgesteld trok ze zorgvuldig de grote doek recht die Thuy bedekte en zette daarna een voet op de stenige bodem.

Nauwelijks had ze zich omgedraaid, of het meisje maakte onverstaanbare geluiden. Ze bleef staan.

‘Mama!’

Su verroerde zich niet, overtuigd dat Thuy weer in zou slapen. Maar nee, daar riep ze weer door haar tranen heen.

‘Mama! Mama!’

‘Hier ben ik!’ antwoordde de jonge vrouw haastig. ‘Ga maar slapen, liefje, ik moet wat water koken.’

‘Nee, ik kan niet meer slapen. Ik kom bij je.’

‘Kom dan maar,’ zei Su en keerde haar dochter haar rug toe.

Thuy stond op en sloeg haar armen om haar moeders nek. Su nam haar dochter op haar rug en ondersteunde haar met één hand; ze liep bij het licht van de kaars en stapte over de benen van de slapende guerrillastrijders naar de plaats van de gisteren aangelegde kookplaats. Daar bukte ze om Thuy op de grond te zetten en druppelde wat was op een steen om de kaars neer te zetten.

Terwijl haar moeder vuur maakte, kwam Thuy bij haar staan en zei met dromerige ogen:

‘Mama, ik had een nachtmerrie.’

‘Was hij heel akelig?’

‘Nee, juist fijn.’

‘Dan was het geen nachtmerrie,’ verbeterde Su, ‘maar een droom.’

‘Ja, een droom. Ik zag een fee met hele mooie vleugels. Dat was natuurlijk de fee waar oom Tham het gisteren over had. Het was heel gek: ze leek precies op tante Quyen. Toen ze me riep, was het helemaal de stem van tante. Toen bewoog ze haar vleugels en ze zei: “Klim maar gauw op mijn rug, dan breng ik je naar papa.” Ik was dolblij en ik zei: “Wacht, ik roep mama, dan kan die ook mee.”

De fee knikte met haar hoofd. En ik rende en riep je zo hard als ik kon. Maar toen werd ik wakker en ik zag je niet. Daarom riep ik.’

Su was verrast; ze keek aandachtig naar haar dochter en vroeg:

‘Huilde je daarnet omdat je de fee zag?’

Thuy knikte en keek met grote ogen naar de ingang van de grot, alsof de fee daar uit haar droom verdwenen was.

Op de kookplaats begon het vuur vrolijk te knetteren. De vlammen dansten en verlichtten het voorhoofd van het kleine meisje, dat nog steeds aan het dromen was. En hetzelfde vuur dat het gezicht van haar dochter rose kleurde, wekte hoop in het hart van Su. Ze voelde zich gelukkig alsof ze zelf ontwaakt was uit een droom. Net als haar dochter zag ze de gelukkige beelden voor zich van de naderende, langverwachte hereniging, die ze zich al zo vaak had voorgesteld.

Het opflakkerende vuur verlichtte een steeds grotere ruimte. De guerrillastrijders sliepen hun diepe jongemannenslaap. Het licht bereikte alle hoeken van de grot en liet de schaduw van Quyen op de wand beven. Su gaf de kaars aan haar dochter:

‘Licht mij maar bij, dan gaan we water halen.’

Thuy pakte de kaars en stond op. Ze liep voor haar moeder uit, die een steelpan droeg. Su hurkte bij de kruiken en schonk het water voorzichtig over, zonder één druppel op de grond te morsen. Er was nog maar één vat van het kostbare nat. Gisteren hadden Thuy en Su ieder de hele dag niet meer dan één slok gedronken na het avondeten, dat bestond uit een handvol geroosterde rijst. Het gekookte water was bestemd voor de partizanen en een deel voor de soep voor de gewonden. Iedere keer als Su water in de steelpan goot, sloeg de angst haar om het hart. Als de gevechten nog enkele dagen aanhielden, zou het watergebrek fataal worden.

‘Liefje,’ zei ze tegen haar dochter, ‘probeer zo weinig mogelijk te drinken. Ik heb water gedaan in de kwartliterfles; drink alleen als je erge dorst hebt en dan maar één slokje. Je ziet het: er is nog maar weinig over.’

Thuy knikte heel lief en daarna gingen ze samen terug naar de vuurplaats. Su zette de steelpan op het vuur en doofde de kaars. Precies op dat moment stak Quyen de hare aan, kwam bij Thuy zitten en gaf haar een klinkende kus op haar wang. Het meisje sloeg haar armen om de hals van haar tante en fluisterde ongerust in haar oor:

‘Tante, gaat Be dood?’

‘Nee hoor, zeg niet van die domme dingen.’

Quyen nam Thuy op haar knieën en zei tegen haar zuster:

‘Het gaat beter met Be. Door de amputatie van zijn arm is hij wel verzwakt, maar hij heeft geen pijn meer. Vannacht heeft hij even geslapen.’

‘Dat is goed, maar pas op. Ik ben bang dat hij uitgeput raakt en dan ongemerkt vertrokken is.’

‘Nee, hoor! Ik heb de hele tijd op zijn adem gelet. Zijn pols is regelmatig. Hij werd net wakker en vroeg of het al dag was. Hij vertelde me dat hij geen last meer heeft van zijn arm. “Ik kom er wel doorheen, hè zus?” Dat zei hij.

Su knipperde een paar keer, terwijl ze naar Quyen luisterde. Haar ogen vulden zich met tranen, en Thuy verborg haar gezicht tegen de borst van haar tante.

‘Ik wist niet dat hij zo moedig was,’ vervolgde Quyen. ‘Tijdens de operatie durfde ik niet naar hem te kijken. Hij kneep alleen maar harder in mijn hand en hij gaf geen kik.’

Su zweeg een ogenblik.

‘Hij heeft verschrikkelijk geleden,’ vervolgde ze. ‘Maar hij beheerste zich. Het zal toch wel pijn doen als ze je arm afhakken? Tot nu toe deden ze dat altijd met een zaag en nooit met een hakmes.’

‘Toch wel! De held La Van Cau, in Dong Khe…’

‘Dat is waar: La Van Cau was er ook nog.’

‘Weet je,’ zei Quyen terwijl ze zich naar haar zuster boog en zachter ging praten, ‘vóór de operatie vroeg hij…’

‘Wat?’

‘Hoe oud La Van Cau toen was. Omdat ik dat niet meer precies wist, zei ik: twee- of drieëntwintig. Toen zei hij: “Als Cau het kon, kan ik het ook.”’

Su kon zich niet meer inhouden. De tranen stroomden uit haar ogen en ze veegde ze af met de mouw van haar jasje. Thuy moest huilen.

‘Na de amputatie barstten Nam Nho en ik in snikken uit. Maar Hai Thep niet! Hij nam Be in zijn armen. De arme jongen was flauwgevallen en iedereen was in paniek. Toen hij eindelijk weer zijn ogen opendeed, slaakte iedereen een zucht van verlichting.’

Su stond op.

‘Ik ga even naar hem toe. Blijf jij hier, Quyen. Let op de steelpan. Doe in iedere veldfles een kwartliter water. Meer niet.’

Ze liep weg, meteen gevolgd door Thuy, die zich losmaakte uit de armen van haar tante.

Quyen bleef alleen achter bij het vuur. Ze pookte in het brandhout en wachtte. Toen het water begon te zingen, zette ze de steelpan op de grond en liep naar de buitenste gang. De schemering werd lichter bij iedere pas. De opkomende zon verspreidde een beetje licht. Na een slapeloze nacht liep Quyen als in een droom en ze zweefde bijna. Haar spanning was verdwenen. Wat leken die dag met gevechten en nacht zonder slaap nu vreemd! Wat had ze in vierentwintig uur veel hartkloppingen van angst, liefde, geluk en angst gehad!

Ze begaf zich regelrecht naar de plaats waar Ngan zich bevond en hoefde ondanks het donker niet te tasten. Ondanks haar gewone terughoudendheid gaf ze haar verloofde een hartstochtelijke kus. Ngan keek ervan op. Maar hij begreep haar meteen. Het was geen gewoon teken van tederheid. Daarom reageerde hij ook niet met een gewoon gebaar. Hij kuste haar niet eens. In de schemering drukte hij het hoofd van zijn verloofde lange tijd aan zijn schouder. Daarna pakte hij haar langzaam bij haar schouders, hield haar op een afstand, legde zijn handen op het gezicht van het meisje en bekeek haar alleen vol liefde. Hij kon haar gezicht niet duidelijk onderscheiden. Hij voelde alleen haar adem tegen zijn gezicht. In de ogen van Quyen las hij alles wat er in haar omging.

‘Waarom ben je zo blij, Quyen?’

Quyen maakte zich los en antwoordde stamelend:

‘Zomaar. Er is echt niets.’

In werkelijkheid wist ze niet precies wat haar bezielde. Misschien het gebrul van de vijand voor de grot, of het schouwspel van de spaarzame distributie van het water door haar zuster, of het feit dat Be krachtig in haar hand geknepen had op het moment van de amputatie. Ja, het was eigenlijk alles bij elkaar.

‘En heb jij vannacht geslapen, Ngan?’

‘Ja, we hebben elkaar afgelost en iedereen heeft een beetje kunnen slapen.’

‘Zo hebben Nam Nho en ik het ook gedaan. Tot middernacht heeft zij bij Be gewaakt. Daarna was ik aan de beurt, tot nu.’

‘Gaat het beter met hem?’

‘Veel beter. Ik was verschrikkelijk ongerust. Ik heb de hele tijd zijn pols gevoeld en op zijn ademhaling gelet…’

‘Het is een goed teken dat hij de eerste nacht doorgekomen is. Ik zou ook sterven van ongerustheid.’

Quyen pakte de veldfles die aan Ngans gordel hing en schudde hem zachtjes. Er zat geen druppel water meer in. Zwijgend verzamelde ze de veldflessen en ging terug naar het midden van de grot.

Toen ze de flessen even later terugbracht naar de partizanen, hoorde ze Ngan roepen:

‘Pas op! Daar zijn ze!’

Quyen zag hoe twee of drie donkere schimmen zich de grot in stortten. Voor ze besefte dat ze zich tegen de wand moest drukken, werd ze onderuitgehaald. Daarna knetterde er een salvo uit een Thompson, gevolgd door vele andere. Ze zag nog hoe de donkere schimmen stilstonden, even wankelden en in elkaar zakten. Ze kroop naar een holte. Ze zag hoe Toi aan de andere kant opstond om korte salvo’s te vuren met zijn Thompson en ze begreep dat hij haar leven had gered door haar onderuit te halen.

De opening van de grot werd weer helder, zonder de schim van één enkele vijand. Maar opeens schoten de schimmen als pijlen voor de grot langs. Granaten vlogen naar binnen en sloegen tegen de rotsen.

‘Granaten! Dekking zoeken!’ schreeuwde Ngan.

De granaten rolden over de grond. Voor ze de tijd kregen om te ontploffen, begon het spel buiten opnieuw. Nieuwe granaten werden geworpen.

Er volgde een serie explosies die de grot in een dikke deken van rook hulde. Rotssplinters vlogen in het rond en Quyen werd in haar rug geraakt door stukken zo groot als een duim. Ze probeerde te voelen of ze geraakt was. Vanaf dat moment werd ze door de ontploffingen verdoofd en hoorde niets meer, terwijl de kruitdamp haar neus binnendrong. Plotseling riep Ngan:

‘We trekken ons terug! Let op! Als ik “Voorwaarts!” roep, ga dan zo snel mogelijk naar het binnenste van de grot!’

De ontploffingen overstemden Ngans woorden. In tegenstelling tot gisteren probeerden de vijanden niet door te dringen in de grot. Ze sprongen alleen maar heen en weer voor de ingang of verschuilden zich achter een rots om een handgranaat naar binnen te gooien. De ontploffingen van de MK3’s waren zo sterk, dat Quyen druk op haar borst voelde, alsof die door een zware steen verpletterd werd.

Op dat moment was het een hele toer om de schuilplaatsen te verlaten. Ngan wachtte vergeefs op een geschikt moment. De MK3’s hielden hem telkens tegen. De ontploffingen woedden. Nauwelijks was hij opgestaan of hij moest weer plat op de grond gaan liggen. “Dit met de granaten is het begin,” zei hij tegen zichzelf, “straks vallen ze aan en we worden overrompeld.” Hij trok de slagpin uit een handgranaat en riep:

‘Ontgrendel de granaten!’

“Desnoods sterven we hier met zijn allen,” dacht hij en bereidde zich voor op dat moment. Maar de strijd verflauwde. Ngan herstelde zich, nam zijn Thompson in zijn ene hand, wierp een MK3 naar buiten en riep:

‘Voorwaarts!’

Iedereen rende naar voren. Ngan gaf vuurdekking met korte salvo’s. Daarna rende hij achter zijn kameraden aan. Hij gaf het commando om bij de eerste hoek te blijven staan. Verder konden de granaten niet komen en de rotsen verzwakten het effect van de explosies. Toen hij bij zijn mannen was, hoorde Ngan hen vragen:

‘En Quyen? Waar is die?’

Ngan brulde:

‘Quyen! Quyen!’

Geen antwoord. Ngan maakte rechtsomkeert en rende naar binnen. Toi volgde hem en riep:

‘Ngan! Ik ga wel!’

Maar Ngan was verdwenen. Hij kroop van het ene gat in het andere om zijn verloofde te roepen. Hij stootte zijn been. Daar was Quyen: ze lag op haar buik, met beide armen onder haar borst. Geschrokken nam Ngan haar in zijn armen en luisterde of ze nog ademde. Ze ademde. Hij betastte haar hele lichaam. Geen bloed. Hij haakte zijn wapen aan zijn koppelriem en terwijl hij Quyen op eigen kracht droeg, rende hij gebukt naar het binnenste van de grot.

Buiten was het al volop dag.

Een dikke, vette kapitein, gekleed in een donkerrood gestreepte korte broek en met een pistool in zijn hand, spoorde zijn soldaten aan:

‘Vooruit, nog een keer! Haal alle granaten uit de kisten!’

De soldaten renden naar de geopende kisten, pakten de gloednieuwe MK3’s en verdeelden die onder elkaar. Ieder kreeg er twee en trok er met zijn tanden de slagpin uit. Daarna stelden ze zich voorzichtig aan weerszijden van de grot op om plotseling naar voren te springen en de granaten naar binnen te gooien.

De kapitein had sinds zonsopgang veertig kisten handgranaten laten aanrukken voor de uitvoering van de operatie “massieve aanvallen”, dat gedicteerd was door de twee Amerikaanse adviseurs die de vorige avond aangekomen waren. Iedere kist bevatte twintig granaten. Er waren al bijna tien kisten leeg, dus bijna tweehonderd granaten. Een dikke rookwolk omhulde de ingang van de grot. Niemand kon meer iets zien, maar de kapitein liet doorgaan. Zijn mannen konden haast niet meer op hun benen staan van vermoeidheid. Zelfs hun tanden konden niet meer, door het uittrekken van de slagpinnen.

De zon stond al hoog toen de vijand de veertig kisten had geleegd. De rook was geleidelijk neergedaald. De kapitein gaf order de ingang van de grot te forceren, maar zijn mannen aarzelden.

‘Verdomme!’ brulde de officier woedend. ‘Binnen zijn ze allemaal dood, dus waar zijn jullie bang voor?’

Met zijn Colt 12 in de hand duwde hij zijn mannen opzij.

‘Opzij, stelletje schijterds, dan ga ik zelf wel!’

Met een trots en zelfverzekerd gezicht rende hij naar de ingang van de grot. Zijn even zelfverzekerde lijfwachten volgden hem.

Maar nauwelijks had hij een stap in de grot gezet of hij werd in zijn gezicht getroffen door een kogel, die hem achteruitwierp. Je zag hoe hij spartelde in de rook en het pistool liet vallen waarmee hij geen schot had kunnen lossen. Zijn hele lichaam kronkelde als een vis na het stukslaan van de kop. Zijn lijfwachten gingen terug naar de uitgang en lieten hem aan zijn lot over. Het bloed bedekte zijn gezicht en gaf hem dezelfde kleur als zijn broek. En steeds dikkere rookwolken vervaagden geleidelijk zijn dikke romp.
 

2

‘Quyen! Quyen!’

Su probeerde haar zuster, die ze in haar armen droeg, bij bewustzijn te brengen. Het meisje had nog steeds haar ogen dicht. Thuy wierp zich op haar:

‘Tante! Tante!’

Su kon op het lichaam van haar zuster geen enkele verwonding vinden. Ngan zou wel gelijk hebben. Quyen had door de ontploffingen gewoon een shock gekregen. Su wreef stevig over haar borst, maar Quyen verroerde zich niet. Ze lag uitgestrekt in de armen van haar zuster en haar losse haren raakten de grond.

Ze hadden voor haar een kaars aangestoken, net als ze voor Be hadden gedaan. In het vale licht was haar huid lijkbleek, haar ronde wenkbrauwen waren licht gefronst en haar mond stond een beetje open, alsof ze straks weer zou gaan praten. Su was radeloos. Ze had het gevoel of ze de kleine Quyen van vroeger in haar armen hield. Want Su had altijd op haar kleine zusje gepast en de liedjes voor haar gezongen waarmee haar moeder eens haarzelf in slaap gewiegd had. Hun vader had haar geliefde zuster maar één keer gezien, toen hij op die onweersachtige middag langs hun huis was gekomen, onder bewaking van geuniformeerde militiemannen, op weg naar de heuvel om geëxecuteerd te worden. Heel wat keren had Su haar op de arm gedragen bij het aflopen van een lastige trap of een wandeling onder de mangobomen. Toen ze later groot was, werd Quyen haar geliefde speelkameraadje. Su bewaarde voor haar de grootste helft van een taartje en gaf haar de sappigste mango’s. En nu lag ze daar bewusteloos! Su nam het zichzelf erg kwalijk dat ze de verdeling van het water aan haar had overgelaten, terwijl dat eigenlijk haar werk was.

‘Tante! Tante!’

Thuy hield aan. Ze stortte zich op Quyen en greep schreeuwend en huilend haar benen. Wie haar zag, besefte hoeveel ze voor haar tante voelde. Haar gezicht was nat van de tranen.

Su bleef haar zuster masseren. Ze hield hoop, omdat het meisje nog ademde en nog een hartslag had. Plotseling rilde Quyen over haar hele lichaam, knipperde en deed haar ogen een beetje open. Buiten zichzelf van vreugde riep Su:

‘Ze doet haar ogen open! Ze leeft nog!’

Daarna barstte ze in snikken uit en zei:

‘Quyen! Hier ben ik! Hier ben ik, liefje!’

‘Tante! Tante!’

De ogen van het meisje gingen wijdopen. Ze bekeek haar zuster en daarna de omstanders met een verwilderde blik, alsof ze nog niemand herkende. Vervolgens zag je hoe ze haar ogen sloot alsof ze door zou slapen.

Su keek radeloos naar het gezicht van haar zuster. Maar ze was meteen gerustgesteld toen ze op haar lippen een glimlach zag verschijnen. Toen deed Quyen haar ogen helemaal open en deze keer was ze bij vol bewustzijn.

‘Waar ben ik, Su?’ vroeg ze met zwakke stem.

‘In de grot natuurlijk! Weet je dat niet meer, Quyen?’

‘O ja!’

Quyen kwam overeind en betastte angstig haar lichaam:

‘Waar ben ik geraakt?’

‘Maar je bent niet gewond!’

‘Dat is waar, wat was ik bang om getroffen te worden! En de veldflessen?’

Ze bracht haar handen naar haar borst:

‘Het doet pijn!’

Daarna liet ze zich terugvallen in de armen van Su, die mompelde:

‘Het zijn de explosies… Bijna duizend granaten, stel je voor! Nog een geluk dat je niet dood bent.’

Quyen keek haar zuster aan en fluisterde:

‘Zijn ze er nog steeds?’

‘Ja, maar ze konden niet naar binnen.’

‘Ik ben daar bewusteloos geraakt, geloof ik. Duurde dat lang? En wie heeft me hier gebracht?’

Nam Nho zei:

‘Je bent een kwartier buiten bewustzijn geweest, liefje! Wie je hier gebracht heeft? Wie anders dan je lieve Ngan?’

‘Stel je voor: ik weet er niets meer van!’ zei Quyen helemaal confuus.

‘Begrijpelijk! Ze trokken zich allemaal terug en jij lag in een holte! Toen we dat in de gaten kregen, is Ngan je gaan zoeken en hij heeft zijn leven geriskeerd. Nog even en je was er niet meer geweest, liefje!’

Quyen kon weer glimlachen en kreeg weer kleur. De dood was van haar wangen verdwenen om snel plaats te maken voor levendigheid. Haar glimlach werd plagerig, alsof ze wilde zeggen: “Ik heb jullie voor de gek gehouden, want hoe kon ik nu dood?” Om iedereen te laten zien dat het goed met haar ging, kwam het meisje overeind en maakte zich los uit de armen van haar zuster. Maar Su greep haar stevig vast, bracht haar naar haar slaapplaats en legde haar neer. Thuy klapte vrolijk in haar handen, al was haar gezicht nog nat van de tranen. Toen haar moeder wegging, ging het meisje bij haar tante zitten, pakte haar hand en streelde die teder. Quyen trok haar naar zich toe en droogde haar tranen:

‘Dacht je dat ik dood was?’

Thuy knikte eerlijk, ging toen uitgestrekt liggen, deed haar ogen dicht en hield haar armen en benen stijf.

‘Zo lag je!’

Meteen stond ze op, haalde uit haar zak een handje com dep [lekkernij van kleefrijst] en legde dat in de handpalm van haar tante:

‘Alsjeblieft! Een cadeautje! Eet maar op!’

Quyen bracht haar hand voorzichtig omhoog en zei lachend:

‘Te weinig! Dat is maar één hapje!’

‘Meer heb ik niet!’ antwoordde het meisje treurig.

‘Het was maar een grapje. Ik vind het niet erg. Eet maar op, liefje, dan geef ik je nog een handje.’

Maar daar wilde Thuy niets van weten. Tante moest haar mond opendoen en zij deed daar zelf nog een klein beetje rijst in.

Quyen kauwde op de geurige rijst en herinnerde zich wat er met haar gebeurd was. De schimmen van de vijanden langs de grot. De voeten van Toi die haar onderuithaalden. Het oorverdovende lawaai van de explosies, toen ze wegdook in een holte. Ze was nog bij bewustzijn geweest. Ze had Ngan de order horen geven tot de terugtocht. Misschien was ze kort daarna bewusteloos geraakt? Ja, kort daarna… Nu wist ze het weer. Bij wijze van troost zei ze tegen zichzelf: “Zo is het dus om flauw te vallen… Het betekent dat je niets meer voelt.” Ze was blij dat ze zich de woorden van Nam Nho nog herinnerde. Ngan was teruggerend om haar te halen en had haar in zijn armen genomen. “Hij was bang dat ik doodging. Omdat hij bezig is de vijand terug te dringen, zal hij nog niet weten dat ik weer bij bewustzijn ben.”

Ze hoorden geen granaten meer ontploffen. Alleen af en toe een salvo van een Thompson en losse schoten van een Garand. Quyen kwam opeens overeind. Ze had haar voeten al op de grond, toen ze een hevige pijn in haar borst voelde. Su kwam aanlopen:

‘Waar wil je naartoe? Wat heb je?’

‘Niets… Een beetje pijn in mijn borst.’

‘Rust een beetje uit… Je moet niet rond gaan lopen.’

Su dwong haar zuster weer te gaan liggen en voegde eraan toe:

‘Ik ben daar geweest. Iedereen is gezond. Ze hebben net drie aanvallen van de vijand afgeslagen. Ngan straalde, toen hij hoorde dat je weer bij bewustzijn bent. Hij zei dat hij je gelukkig op tijd kon vinden, want direct daarna vielen ze aan.’

‘Maar ik hoor nog altijd schieten!’

‘Dat zijn onze mensen, die schieten op de vijanden die proberen hun doden weg te halen.’

Quyen was gerustgesteld. Ze keek omhoog naar het flauwe schijnsel dat door de spleten binnendrong en spitste haar oren om zich ervan te vergewissen dat het gevecht afgelopen was. Stilte. Alleen wat rumoer van stemmen.

Ngan was er net en bekeek zijn verloofde aandachtig, zonder dat ze dat in de gaten had. Het gezicht van de jonge man was nog uiterst gespannen en het zweet droop van zijn voorhoofd op de kraag van zijn hemd. Maar hij kon zijn lachen niet houden, toen hij Quyen peinzend naar het dak zag staren. Hij greep haar voet. Quyen schrok en trok haar been terug. Ngan ging voor Quyen staan, die als door een veer bewogen overeind ging zitten en hem vastgreep:

‘Schurk! Je liet me schrikken!’

‘En jij dan? Je bent nog niet beter of je maakt alweer een grapje! Knap hoor!’

‘Je liet me daar helemaal alleen achter, toen je je terugtrok…’

Ngan sprong op het bed met hulp van zijn armen. De kolf van zijn wapen botste luidruchtig tegen de rots. Hij legde het af en liet zich hijgend op Thuy vallen. Het kleine meisje lachte van plezier.

Ngan vervolgde, terwijl hij naar zijn verloofde keek:

‘Ik dacht echt dat je dood was!’

‘Geen sprake van! Zonder jou was ik wel op eigen kracht naar binnen gekropen.’

‘O nee! Zonder mij hadden ze je opgeraapt zoals je een aardappel opraapt. Ondankbaar ben je!’

‘Maar waarom liet je die ondankbare dan niet aan haar lot over? Waarom deed je zo’n moeite om haar op te rapen?’

Ngan glimlachte zonder iets te zeggen. Thuy bleef stilzitten, opdat haar oom zijn hoofd op haar buik kon leggen.

‘Nadat ik jou hierheen gebracht had, kwamen er een heleboel granaten. Daarna was er een aanval. Ik heb een vent neergelegd met een voltreffer. Heel spectaculair, hoor! Hij droeg een korte broek met de kleur van bloed. Twee kerels kwamen zijn lijk terughalen, waardoor Dat er een neer kon leggen. Nu is het rustig. Ba Ren en Hai Thep houden een oogje in het zeil.’

Na deze woorden deed Ngan zijn ogen dicht. Quyen wilde nog verder praten, maar zag daarvan af. Even later lag de jonge man te snurken. Quyen ondersteunde zijn hoofd, opdat Thuy eronderuit kon en daarna vouwde ze de doek op die ze om haar hals droeg en schoof die onder het hoofd van haar verloofde. Zachtjes veegde ze de zweetdruppels af die op het geliefde voorhoofd parelden en bleef zitten kijken hoe hij sliep. Hij kon haar niet meer zien en dus kon zij haar tederheid de vrije loop laten. Haar ogen begonnen te branden toen ze zag hoe haar verloofde van hoofd tot voeten de sporen droeg van de gevechten van deze gedenkwaardige ochtend. Zijn zwarte overhemd met korte mouwen was op zijn schouders gescheurd. Er hing een bittere kruitlucht om hem heen. Hij had schrammen en diepere wonden aan zijn ellebogen, waarschijnlijk door de rotsen en misschien zelfs door het kruipen op zoek naar haar. Quyen doorzocht de zak van haar zuster, haalde er een flesje mercurochroom uit en behandelde de wonden.

Ze was nog niet klaar, toen de radio aanging.

Hai Thep riep tegen de troepen:

‘Kom allemaal luisteren naar oom Ho!’

Er klonk een kreet van vreugde, gevolgd door het geluid van haastige passen.

‘Opstaan, Ngan, opstaan!’ zei Quyen met kloppend hart.

‘Wat is er? Wat is er?’ vroeg Ngan, terwijl hij wakker schrok.

‘Oom Ho is op de radio! Snel!’

Met een ruk stond Ngan op en pakte zijn geweer. Thuy vloog hem om de hals. Quyen sprong op de grond en rende de stem tegemoet. Ngan liep haastig achter haar aan met Thuy op zijn rug.

Hai Thep droeg de transistor naar de hoek van de gewonden en alle kameraden volgden hem. Hij ging bij Be en Tham zitten en draaide aan de volumeknop. Ze hoorden de stem van president Ho. Er viel een stilte. Alleen die warme, heldere stem klonk.

‘Op nieuwjaarsdag 1961 heeft het Noorden zeven jaar economisch herstel en opbouw van het socialisme achter de rug, en het Zuiden zeven heldhaftige jaren van bittere strijd. De Amerikaanse imperialisten spannen zich in om van ons land een neo-kolonie te maken, maar onze landgenoten in het Zuiden wijzen de slavernij af. De Amerikaanse imperialisten en de kliek van hun lakeien onder leiding van Diem hebben ruïnes en rouw gebracht…’

Iemand barstte in snikken uit. Het was Su. Quyen probeerde zich in te houden, maar moest ook huilen. En al gauw huilde de hele grot bij de stem van de president. Ieder woord van hem drong door tot hun hart en vulde de grot met zijn echo’s. Iedereen probeerde zich te beheersen om de woorden in zich op te nemen, maar iedere zin bracht een nieuwe tranenvloed teweeg.

Hoe hadden ze zich in kunnen houden? De klank van zijn stem was al genoeg om hen aan het huilen te maken. Hij had het over hen op het moment dat zij in dit afgelegen hoekje van Hon Dat verwikkeld waren in een verwoed gevecht.

De stem van de president klonk nog steeds door de radio:

‘De veertien miljoen landgenoten in het Zuiden zijn moedig opgestaan om de Amerikaanse imperialisten en hun lakeien te bevechten. Hun strijd krijgt de stevige steun van het Noorden en de sympathie van de vooruitstrevende volkeren van de hele wereld. Ze behalen de ene overwinning na de andere. Dat de bevolking van het Noorden haar ogen steeds gericht houdt op het heldhaftige Zuiden, op dat bronzen bastion van het vaderland!’

Ngan met Thuy op zijn rug verroerde zich niet. Er ging een rilling door hem heen en hij kreeg een brok in zijn keel. Quyen drukte zich tegen hem aan en de anderen kwamen dichterbij. De hand van het meisje drukte die van haar verloofde steeds sterker. Tham was op zijn ongeschonden been gaan staan en leunde tegen de wand van de grot, waar zijn bevende handen een houvast zochten op de steen.

Be zelf had zich opgericht op zijn intacte arm. Su zat achter hem en ondersteunde zijn schouders. Over hun gezichten stroomden de tranen.
 

3

Die avond was er geen water meer, zelfs niet voor de soep voor de gewonden. Hai Thep gaf Su de rest van zijn rantsoen. Hij had maar een paar teugen gedronken.

Iedereen volgde zijn voorbeeld en goot de laatste druppels druppels in de steelpan van Su. Maar die was maar half vol. De soep zou erg dik worden. Terwijl ze naar de vuurplaats liep, herinnerde ze zich opeens de kwartliter water die voor haar dochter gereserveerd was. “Met dat erbij is de soep voor Be en Tham nog te drinken,” dacht ze. Ze sloeg een andere richting in.

Thuy was er niet. Su zette de steelpan op de rots en haalde uit een gat een halfvolle beker. Ze aarzelde lang. “Waar moet ik iets te drinken vandaan halen?” vroeg ze zich af. Aan de ene kant waren er de gewonden, aan de andere kant was er haar lieve dochtertje. Ze wist niet wat ze moest doen. Uiteindelijk goot ze de beker langzaam leeg in de steelpan en ging stilletjes naar de keuken. Ze deed een beetje rijst in de pan en de schrik sloeg haar om het hart, toen ze zag dat ze de rijst niet eerst kon wassen. Daarna hield ze de soep in de gaten en dacht onophoudelijk aan het watergebrek. Dat probleem hield iedereen bezig, maar Su ging het nog meer ter harte dan de anderen. Al was zij er niet verantwoordelijk voor, zij maakte zich meer zorgen dan de anderen om het gebrek aan voedsel en water. Dat zat nu eenmaal in haar. Ze had haar deel altijd afgestaan aan anderen, thuis en bij de kameraden. Dat deed ze graag. Su was niet een van de vrouwen die plezier hadden in het najagen van hun eigen behoeften. Ze was alleen maar gelukkig als haar moeder, haar vader, haar zuster en haar kameraden dat waren, en toen ze moeder was geworden bewaarde ze alles voor haar dochtertje. Sinds ze in de grot waren, had ze minder gedronken dan alle anderen. Eén slok van zonsopgang tot de middag. Zij was overigens de enige die dat wist. Niet dat ze geen dorst had, integendeel. Op dit moment, na het eten van een paar handjes geroosterde rijst, verging ze van de dorst. Ze dacht aan het heldere water van de Palingrivier. En als ze profiteerden van het donker, konden ze daar dan geen water halen? Dat was toch wel te doen. De vijand kon het riviertje toch niet over de hele lengte controleren?

Toen de soep klaar was, vulde Su een kwartfles en bracht die naar Tham. Daarna maakte ze aanstalten om Be soep te voeren. Toen ze zijn lippen afveegde, vroeg Be:

‘Mag ik een beetje water?’

Su moest hem de waarheid vertellen. De jongen sloeg zijn ogen neer en zweeg. Hij leek het helemaal niet te geloven. Su streelde hem over zijn haar:

‘Het is op, lieve jongen, maar vannacht ga ik water voor je halen.’

‘Als je terug bent, krijg ik het dan meteen, zus?’

‘Beloofd.’

Toen ze weg wilde gaan, pakte Be haar hand en smeekte:

‘Niet weggaan, blijf bij me. Ik ga dood van verveling als ik alleen ben.’

Su moest wel doen wat hij vroeg. Met zijn ogen op het dak gericht begon Be te vertellen:

‘Toen ik vanmiddag lag te luisteren had ik het idee dat oom Ho hier was. Ik dacht ook dat hij van mijn amputatie wist. Echt waar: toen ik lag te luisteren dacht ik dat hij wist dat we hier vechten op leven en dood en geen water meer hebben…’

Be dacht dus precies hetzelfde als zij. Ze pakte zijn hand:

‘Oom Ho weet vast precies wat wij doormaken en hoe moedig wij zijn. Hij zei: “Het Zuiden heeft zeven heldhaftige jaren van bittere strijd achter de rug.” Weet je het nog? Hij weet alles, echt waar.’

‘Hoorde je dat zijn stem een beetje beefde? Toen ik naar hem luisterde, zei ik tegen mezelf dat het niet erg is om een arm te moeten missen; het is veel erger om al in het eerste gevecht gewond te raken en niet…’

‘Maak je geen zorgen. Heel veel mensen met één arm zijn doorgegaan met vechten.’

‘Als ik beter ben vraag ik of ik bij de guerrillastrijders mag blijven. Als ik op de dag van de hereniging nog in leven ben, schrijf ik een brief naar oom Ho om hem te vertellen dat ik op die en die dag, dat en dat uur een arm moest missen en hem hoorde spreken op de radio in de grot van Hon Dat… Denk je dat ik hem dat kan schrijven?’

Su stond versteld van wat Be dacht. Ze dacht even na en antwoordde:

‘Natuurlijk kan dat, maar waarom zou je wachten tot de dag van de hereniging? Je moet hem schrijven zodra je beter bent!’

Be was opgetogen en tegelijkertijd bezorgd.

‘Nee, dat kan niet! Ik ben niet waard dat ik hem schrijf, dat moet jij doen!’

‘Hoezo? Jij verdient het echt.’

‘Nee, nee! Dat kan niet.’

Na deze woorden keek Be op naar het gewelf van de grot. Zijn gedachten waren niet te volgen. Ging hij ervan uit dat hij de president zou schrijven? In ieder geval was hij duidelijk gelukkig met dat idee en met de woorden van Su.

Het licht verflauwde. Buiten zou het gauw donker worden. Su kon het gezicht van Be niet duidelijk meer zien. Ze hoorde alleen zijn lichte ademhaling en voelde de warmte van zijn hand in de hare. Toen ze de kaars aan wilde steken, zei Be:

‘Dat is de moeite niet; je moet onze kaarsen niet verspillen!’

Su bleef zitten.

In de neervallende duisternis zat Su gehurkt met haar knieën tegen elkaar en maakte haar wrong los. Het haar viel op haar schouders en raakte net de rots. Ze hield het voor zich om de klitten eruit te halen. Het was heel dik en zijdeachtig. Iedere keer als ze het in een wrong draaide, liet ze er lang haar vingers over gaan. Al kon dat gezonde haar niet spreken, het leek toch een ziel te hebben en een eigen leven te leiden. Voor Su had het een eigen stem, waarmee het haar liefdevol aansprak telkens als ze het zo streelde. Het herinnerde haar aan haar man, die het graag aanraakte. Het herinnerde haar ook aan haar moeder, die er vaak water over goot om haar bij het wassen te helpen. Moeder Sau deed dat vast heel graag, al riep ze soms: “Het is al tien dagen geleden dat je je haar hebt gewassen, Su” of, bij het gieten: “Harder wrijven, meisje, harder!” Su kon een glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan deze tekenen van tederheid. Haar hart trok zich samen, als ze aan haar ongeruste moeder dacht, die alleen thuis zat.

Ze was net klaar met het draaien van haar wrong, toen ze hoorde dat Quyen haar riep. Ze gaf Be de kaars en de aansteker en drukte hem op het hart:

‘Steek maar aan wanneer je wilt.’

Ze kwam bij Quyen, die haar armen om haar hals sloeg en fluisterde:

‘Trong en Ba Ren zijn de grot uit voor een verkenning.’

‘O ja? Sinds wanneer?’

‘Nu net.’

‘Waar is Thuy?’

‘Daar, bij Hai Thep.’

De twee zusters begaven zich in de richting van de uitgang.

‘Is dat Su?’ vroeg Hai Thep.

‘Ja.’

‘Mama!’ riep de kleine Thuy, toen ze de stem van haar moeder hoorde.

‘Blijf waar je bent, liefje, ik ga niet weg. Zeg broer, omsingelen ze ons nog lang?’

‘Niets wijst erop dat ze zich terug gaan trekken. Vanavond is Dat op het dak van de grot geklommen en hij zag dat ze stapels hooi hierheen hebben gebracht. Ik vraag me af wat ze van plan zijn.’

‘Misschien willen ze ons uitroken,’ zei Quyen.

‘Dat kan zijn. Te oordelen naar hun felheid van de afgelopen twee dagen kun je in ieder geval zeggen dat ze met ons willen afrekenen. Ze hebben twintig man verloren in de grot: dat is bepaald geen heldendaad en ze willen het moreel van onze mensen hier en elders een slag toebrengen. Het is voor ons dus heel belangrijk dat we ze deze keer dwarsbomen. We kunnen overwinnen als we aan water kunnen komen en als onze mensen in het dorp alles op alles zetten. Het zwakke punt bij de vijand is dat ze hier niet eindeloos kunnen blijven. Wat ons betreft: het is jammer dat we helemaal afgesneden zijn van het dorp.’

‘Ze worden door onze mensen beslist niet met rust gelaten,’ zei Su. ‘Jouw vrouw en anderen, die geholpen worden door Tam Chan, weten best wat ze moeten doen. Wat het waterprobleem betreft: laten we wachten tot de verkenners terug zijn. Als het mogelijk is om bij het riviertje te komen, zullen wij vrouwen dat doen, want wij zijn meer dan jullie gewend om kruiken te dragen.’

‘Ja, laten we wachten.’

Toen zette Hai Thep zijn transistorradio aan en stemde af op Hanoi. De tonen van een dan bau klonken. Het waren de eerste tonen van De Hien Luong-brug. [Na de akkoorden van Genève in 1954 lag de grens tussen Noord- en Zuid-Vietnam bij de Ben Hai en over die rivier lag de Hien Luongbrug. Het lied is hier symbolisch voor de scheiding tussen Su in het Zuiden en haar man San in het Noorden.] De musicus liet de snaar van zijn instrument met kennelijke ontroering trillen. Soms leek het of hij zijn adem inhield: dan vertraagde hij op die radeloze tonen om nog klaaglijker en hartstochtelijker verder te gaan. Het was één lange, tedere bekentenis. En toen een meisjesstem inzette om de tweede strofe te zingen, vibreerde het instrument nog na.

Quyen voelde op haar schouder de zachte druk van de kin van Su en tegelijkertijd Su’s armen rond haar middel. Ze wist dat haar zuster diep geraakt was. Het lied ging over huwelijkstrouw, alsof het voor haar geschreven was. Van dit lied hadden Quyen en Su de woorden genoteerd, maar het meisje had het haar zuster nooit horen zingen. Toen de muziek ten einde was, bleef Su onbeweeglijk staan. Ze haalde haar kin pas van de schouder van haar zuster om tegen Thuy te zeggen:

‘Laten we gaan slapen, meisje!’

Thuy sloeg haar armen gehoorzaam om haar moeders hals.

‘Roep me als ze terug zijn. Ik ga Thuy naar bed brengen.’

Su droeg het kind op haar rug en begaf zich naar het binnenste van de grot. Toen Thuy onderweg haar hoofd op haar schouder legde, vroeg Su:

‘Slaap je, Thuy?’

Het kind gaf geen antwoord. Een lichte, warme adem prikkelde de nek van Su, die zo voorzichtig mogelijk liep om haar dochter niet wakker te maken. Ze ging op haar bed zitten en liet zich zo voorzichtig achteroverzakken, dat Thuy vast in slaap bleef. Instinctief klampte het kind zich eerst nog stevig aan haar moeder vast.

Su nam haar halsdoek af en legde die over haar dochter. Omdat het ’s nachts fris was, deed ze ook nog haar jasje uit en spreidde dat over de halsdoek uit om te zorgen dat Thuy het wat warmer kreeg. Ze had alleen nog haar zwart zijden jasje met korte mouwen aan. “Ideaal voor het water halen,” dacht ze. Ze stopte haar dochter zorgvuldig in en pakte de elektrische zaklantaarn om naar buiten te gaan. Thuy riep haar niet en toch aarzelde ze vreemd genoeg om weg te lopen. Een bovennatuurlijke macht hield haar tegen. Ze kwam dan ook terug op haar passen, alleen om zich over haar kind te buigen en naar haar adem te luisteren. Daarna ging ze weg. Toch had ze aan dat kleine gebaar genoeg om zichzelf gerust te stellen.

De mannen waren nog niet terug.

‘Slaapt ze?’ informeerde Hai Thep.

‘Ja.’

‘Wonderlijk toch, die kindertjes! Zelfs in oorlogstijd kunnen ze nog rustig slapen.’

Quyen kon niet blijven zitten.

‘Waarom zijn ze nog niet terug? Ik vraag me af of alles wel goed gaat.’

Ze ging op een rots zitten. Op hetzelfde moment klonk de stem van Trong:

‘Hai Thep! Hai Thep! Waar ben je?’

‘Hier! Hierheen!’

De secretaris van de cel stond op om Ba Ren en Trong tegemoet te gaan, die de gang binnendrongen.

‘En?’ vroeg Hai Thep.

‘Maak je maar klaar om water te gaan halen,’ zei Ba Ren. ‘Hun kampement ligt op de andere oever. Aan deze kant is niets.’

‘Weten jullie dat zeker?’

‘Absoluut. Maar we moeten nu meteen gaan, anders ben ik bang dat er iets verandert.’

‘Goed, laten we gaan!’ zei Su. ‘Staan de kruiken klaar, Quyen?’

‘Jazeker.’

Hai Thep greep in:

‘Jij kunt niet mee, Quyen. Jij bent nog te zwak.’

‘Nee hoor, ik ben er weer helemaal bovenop.’

‘Je blijft hier!’ zei Ba Ren gedecideerd.

‘Zo is het. Jij blijft hier Quyen. Ga Nam Nho maar roepen, dan kan die met me mee.’

Het meisje gehoorzaamde met tegenzin. Even later kwam ze terug met Nam Nho.

Ba Ren gaf de jonge vrouwen een goede raad:

‘Jullie volgen ons op de voet, in absolute stilte, begrepen?’

Met een ruk van zijn schouder trok Trong zijn Thompson recht:

‘Laten we gaan!’

De twee jonge vrouwen stroopten hun broek op tot halverwege hun bovenbenen, zetten de kruik op hun hoofd en volgden Trong en Ba Ren. Toen ze bij de opening van de grot waren, drukten Ngan en de anderen die op wacht stonden hun op het hart om voorzichtig te zijn.

Kruitlucht prikkelde Su’s neusgaten. Maar toen ze eenmaal buiten was, ademde ze met volle teugen, bevrijd uit de drukkende atmosfeer van de grot.

Halfgebukt staken de vier hollend een open ruimte over. Su sloot de rij, terwijl ze met haar handen de kruik op haar hoofd vasthield. Bij de kokosboomgaard hielden ze in en gingen verder op de tast. Opeens zwiepte de lichtbundel van een elektrische zaklantaarn door het duister voor hen. Ze gingen doodstil op hun hurken zitten. Tien meter voor hen trok een groep soldaten voorbij. Daarna doofde het licht. Ze hoorden het geritsel van de dorre bladeren die door de laarzen vertrapt waren. De vijand verwijderde zich. Ze liepen verder en bereikten de oever van het riviertje. Om bij het water te komen moesten ze door een grindbed. Trong en Ba Ren wezen de twee vrouwen met hun wapens dat zij verder moesten gaan. Su en Nam renden naar het grindbed. Nam, die er het eerste was, dompelde haar kruik in het water. Su volgde haastig. Ze hoorde de vijanden op de andere oever praten. In hun door carbidlampen verlichte tenten zaten de soldaten kaart te spelen en luidruchtig te praten.

Su vulde rustig haar kruik. Naast haar dronk Nam Nho uit de palm van haar hand. Daarna zette ze de kruik op haar hoofd en klom de oever weer op. Su wilde een paar slokken nemen, maar omdat ze haar kameraad door zag lopen, volgde ze direct.

In de kokosboomgaard zei Su tegen zichzelf: “Alles gaat goed.”

Ba Ren en Trong liepen nog steeds voorop en Su sloot de rij. Ze liep met haar armen voor zich uitgestrekt. Desondanks struikelde ze verschillende keren over boomwortels en riskeerde het kostbare water te verliezen. Toen ze weer een keer over een boomwortel struikelde, bleef ze staan, zette haar kruik op de grond en gooide er een paar losse palmbladeren in om te voorkomen dat het water te veel ging klotsen. Ze stond op het punt om de kruik weer op haar hoofd te zetten, toen er een paar elektrische zaklantaarns op haar gericht werden. Een van de soldaten kreeg haar wrong te pakken en trok er heftig aan, waardoor ze op de grond viel. Vier soldaten wierpen zich op haar en grepen haar vast. De tweede luitenant Ba kwam met zijn karabijn in de hand kijken wat voor vlees zijn mannen in de kuip hadden.

‘Laat iemand die in Hon Dat geweest is komen om haar te identificeren!’

Een soldaat kwam naderbij. Hij riep al bij de eerste blik:

‘O, dat is Su!’

‘Ken je haar?’

‘Ja, ze is een echte Vietcong.’

De tweede luitenant wierp een donkere blik op de jonge vrouw, greep haar hemd en stak zijn kin vooruit:

‘Jij heet Su?’

‘Ja.’

‘Wie waren daar nog meer?’

‘Een paar. Ze zijn nu in de grot.’

‘Met water?’

‘Jazeker.’

De officier barstte in lachen uit:

‘Mooi zo! Mooi zo!’

Su sperde haar ogen niet-begrijpend open. De man stak zijn handen in zijn zakken en zei nadrukkelijk:

‘We hebben de rivier vergiftigd.’

Su schreeuwde het uit. Instinctief wilde ze vooruit, om naar de grot te rennen. Maar ze kon geen stap verzetten. Een soldaat hield haar bij haar haren vast.

De officier grinnikte:

‘Het is de moeite niet meer om te rennen. Je kameraden creperen allemaal, begrepen? Vooruit! Tempo! Neem haar mee!’

Ze werd door de soldaten meegesleept. Haar haren kwamen bijna tot hun hielen. Ze deed wanhopige pogingen om zich te verzetten. Iedere stap van Hon Dat vandaan woog zwaar als lood. Ze wilde het uitschreeuwen om haar mensen te waarschuwen dat ze het water van Nam Nho niet moesten drinken. Ongerust dacht ze aan haar dochter, aan haar zuster en aan al haar kameraden. Plotseling bleef ze met een ruk staan en schreeuwde tegen de soldaten:

‘Barbaren! Lafaards!’

De tweede luitenant werd woedend en gaf haar met zijn geweerkolf een stoot in haar zij. Ze viel op de grond. In het licht van de elektrische zaklantaarn zag de man de gevangene huilen. Hij grinnikte:

‘Jij bent een Vietcong en je huilt al na één klap met een geweerkolf?’

Su keek hem vol minachting aan:

‘Vergeet het maar! Ik huil niet om een stoot met een geweerkolf, maar omdat ik aan mijn mensen denk; onthoud dat!’
 

4

Xam kon zijn blijdschap om het nieuws van Su’s arrestatie niet verbergen. Hij ging rechtop op zijn bed zitten, bewoog voorzichting zijn gewonde arm en deed een paar passen in zijn tent voor hij zich bukte om naar buiten te gaan.

De rangers waren terug op de andere oever. Bij het oversteken van het riviertje hadden ze Su omvergegooid, waardoor die op haar rug viel. Het water kwam maar tot haar knieën, Su liep op blote voeten en haar haren dreven op het water. Op de andere oever keek ze minachtend naar de soldaten die met verblindend licht zwaaiden. Toen ze hun carbidlampen hoger hielden, ontdekte Su Xam, die onbeweeglijk stond met zijn linkerhand onder zijn kin en zijn rechterarm in een draagdoek. Ze passeerde hem met een onverschillig gezicht en deed of ze hem niet zag. Xam bleef onverstoorbaar staan, onbeweeglijk en kil als een standbeeld. Toen Su voorbij was, verhief hij zijn stem:

‘Blijf staan, rotwijf!’

Su bleef staan zonder om te kijken. Xam liep naar haar toe en knipperde met zijn ogen:

‘Hé, herken je me niet?’

Su keek hem uit de hoogte aan en wendde zonder antwoord te geven haar ogen af.

Ten slotte zei Xam:

‘Verdomme, ik dacht al dat jullie eeuwig in de grot zouden blijven. Maar kijk: de dames en heren hebben dorst! En daar loop ik jou tegen het lijf. Toen ik je vrijliet ben je dus maar weer naar de Vietcong gegaan?’

Su antwoordde:

‘Jij bent ook niets veranderd.’

‘Leg eens uit!’

‘Je bent nog steeds even lomp. Dat een luitenant zulke smerige taal uitslaat, betekent dat ze groot gelijk hebben als ze jullie het “schurkenleger” noemen!’

Xam brulde van woede om de belediging. Hij trok zijn hakmes en keek naar het lange, glanzende lemmet, dat hij op ooghoogte hield. Daarna fronste hij zijn wenkbrauwen en stak het terug in de schede.

‘Bind haar hier vast aan een paal!’ schreeuwde hij.

De rangers renden weg om een kajapoetstam te halen; die sloegen ze op de oever van het riviertje in de grond en bonden Su eraan vast. Xam ging voor de jonge vrouw staan en zei knarsetandend:

‘Het liefste zou ik je meteen opensnijden om te kijken hoe groot je lever is. [Volgens een volksgeloof is de lever de zetel van de moed.] Maar dan zou je naar mijn smaak te gauw doodgaan. Ik laat je nog een paar dagen leven om je in dezelfde kuil te gooien als je soortgenoten!’

Xam draaide zich om en ging terug in zijn tent. De soldaten controleerden nog een keer de stevigheid van de touwen waarmee Su vastgebonden was en gingen toen ook weg. Eén man werd voor de tent van Xam op de uitkijk gezet.

Su kreeg het gevoel of het parachutekoord waarmee ze haar aan de paal gebonden hadden haar armen steeds erger afknelde. Ze zat geknield op het grind en haar haar viel op haar rug en voetzolen. De nacht werd helderder en kondigde de opkomst van de maan aan. Vanaf haar plaats kon Su de zee zien, die op kwam zetten, nadat ze een minuut tevoren nog onzichtbaar was geweest. Ze zei tegen zichzelf: “De maan komt op” en deed haar ogen wijdopen om naar de ruisende golven te kijken. In één klap leek ze alles te vergeten: het hakmes van Xam, de touwen waarmee ze vastgebonden zat, de wachtpost die voor haar heen en weer liep. Ze zag alleen de koppen van de golven op de immense, lichtende uitgestrektheid. Heel de ziel van de zee leek zich daar te openbaren.

De maan van de achttiende dag kwam goudkleurig op. Ze steeg steeds verder. Ze leek een rijpe mango, opgehangen in het uitspansel.

Het weer was rustig. De zee uitte haar eindeloze klacht. Van tijd tot tijd woei er een lauwe wind, die een zilte geur meevoerde. Su’s hemd van zwarte zijde en haar door de wind gestreelde haren droogden op. De maan, die over de oever gleed, bescheen haar geknielde gestalte met daarachter, iets erbovenuit, de paal waaraan ze vastgebonden was. Weldra waaide haar haar op en wuifde in de wind. De paal was niet meer te zien. Alleen nog de schitterende haren van de jonge vrouw die baadden in het licht van de maan. De bries werd sterker met het verstrijken van de nacht. Su keek niet meer naar de maan. Ze keerde zich naar de heuvel van Hon Dat, waarvan de donkere massa zich vlakbij haar verhief. Het feit dat ze niet wist wat er gebeurde maakte haar dodelijk ongerust. Misschien waren ze allemaal vergiftigd. Hoe konden ze, uitgedroogd als ze waren, van het water dat Nam Nho meebracht afblijven? Hoe konden ze weten dat het vergiftigd was? “O, Nam Nho, zuster, ze hebben ze gedood!” Huiverend herinnerde ze zich dat ze ook een paar teugen van dat stilstaande water had willen nemen. Maar waar ze hun kruiken hadden gevuld, stroomde het water niet. Ze hadden vast een dam aangelegd om het te vergiftigen. “San, liefste, begrijp jij het? Weet jij hoe wreed onze vijanden kunnen zijn?”

In de maanlichte nacht riep Su haar man en sprak met hem. Ze herinnerde zich dat haar man haar precies op deze plek aan de oever van het riviertje een keer geholpen had haar haar te wassen, en dat maakte haar bedroefd. Daarna had hij het ook gekamd. Ze had dat geluk gekend op deze zelfde oever. Nu was alles anders. Nu hadden ze haar zo stevig vastgebonden dat ze geen gevoel meer in haar armen had. Haar zij deed pijn door de stoot met de geweerkolf van de tweede luitenant. Maar wat het meeste pijn deed was de angst. Niet voor het lot dat haar te wachten stond, maar vooral om de kameraden, haar zuster en die schat van haar dochter.

Heel de nacht hield ze haar ogen open. De maan bereikte het hoogste punt en daalde vervolgens achter haar rug, zonder dat de ongerustheid haar een ogenblik verliet. Pas bij zonsopgang viel ze van uitputting in slaap, met gebogen hoofd, terwijl het riviertje zacht bleef zingen. De zeewind woei haar haren op, die golfden als de branding van de zee.

… Toen ze wakker werd, was het al volop licht. De soldaten waren hun tenten uitgekomen en verspreidden zich op de oever. Xam kwam met grote stappen naderbij en wees twee yankee-officieren de weg. Die bekeken Su en zeiden vervolgens in hun taal:

‘Knap, die Vietcong, al kijkt ze opstandig uit haar ogen.’

‘Ja, een lekker stuk!’

De soldaten begonnen het riviertje te doorwaden. De twee Amerikanen maakten zich los van de aanblik van Su en liepen achter hen aan. Twee soldaten boden hun rug aan om hen naar de overkant te brengen. Xam keerde ook om, maar kwam na een paar stappen terug:

‘Geduld, wijfie. Vandaag brengen we je al die lui uit de grot.’

Hij daalde de oever af met nog steeds één arm in een doek. Een soldaat droeg hem naar de andere oever. Xam nam vandaag deel aan de actie. Su zag hen vertrekken en dat bezorgde haar hartkloppingen. Op de oever bleven alleen nog een paar mannen van de keuken achter, die haar uit een ooghoek in de gaten hielden. Ze zaten rond het vuur, kletsten en keken telkens naar de jonge vrouw.

‘Zo’n mooie vrouw krijgen wij niet.’

‘Jammer dat ze een Vietcong is!’

Ze vond die woorden hinderlijk en tegelijkertijd vermakelijk. Ze zweeg en keek in de verte. De dag was aangebroken. In plaats van gouden weerspiegelingen zag ze niets dan rosegetinte golven, ruisend en schitterend. Het hemelgewelf was van lichtviolet naar rose verkleurd. In de koele morgen kon ze alles onderscheiden wat ze ’s nachts niet had kunnen zien. De maan maakte plaats voor de dag, die haar hart verwarmde met levendige kleuren en haar Hon Dat liet zien in al zijn schoonheid.

Ze voelde een immense liefde voor deze plek, waar ze geboren was en waarvan de verrukkelijk vruchten haar dat gezonde uiterlijk gegeven hadden. Hier had haar moeder haar in slaap gewiegd en had zij met dezelfde liederen haar eigen dochtertje in slaap gewiegd. Hier had ze haar vuist geheven om de vlag van de partij te groeten en daardoor nog meer van haar ouders, haar man, haar kind, haar zuster en haar kameraden leren houden. Ze was met haar geliefde Hon Dat verbonden met alle vezels van haar lichaam. Dat oude huis op palen met zijn bouwvallige trap, waarop ze achter het gebladerte de zee en het dorp en de velden kon zien en de berg Ba The met zijn blauwe helling, waartegen iedere avond de witte vlucht van de reigers te zien was.

Nog nooit had haar hart zo voor Hon Dat geklopt als deze ochtend. Op haar knieën wachtend op de dood hield ze nog meer van het leven en nog meer van haar geboortegrond, die verlicht werd door de stralen van een nieuwe dageraad. De zon bereikte de zandbank en verguldde de licht gebogen bamboestengels. Heel dit vissersdorp baadde in het licht.

Su keek naar de rook die opsteeg uit de daken van de vissershuizen. Ze zag zelfs de nylon netten schitteren en schommelen in de wind, naast andere in een eenvormig zwart. De stralen bereikten haar, werden weerspiegeld in haar ogen, draalden op haar verwarde haren en op haar volle schouders.

Plotseling werden deze stralen sterker. Een krachtig geweersalvo weerklonk van de kant van de grot. Su schrok en keerde zich om. De explosies werden heviger. Machinepistolen, Thompsons met korte salvo’s, geweren met verspreide schoten. De soldaten stormden naar het riviertje, in de richting van Hon Dat. De ogen van Su schitterden van vreugde, toen ze het schieten van haar mensen herkende. Vol aandacht luisterde ze naar de salvo’s, vermengd met geschreeuw. Opgetogen had ze willen springen en klappen en haar banden verbreken. “Ze leven! Ze vechten!” dacht ze.

Op de oever zei een huursoldaat met stemverheffing:

‘Dat vervloekte schieten kost ons nog een paar gewonden.’

‘Zeg, en dat verhaal van dat gif, waar ze ons zo over hebben doorgezaagd?’

‘Kolere… Ze kunnen ervan gedronken hebben zonder ernstige gevolgen. Je ziet hoe lang en breed het riviertje is; hoe zou je dat water moeten vergiftigen?’

Plotseling dacht de soldaat aan Su. Hij keerde zich naar haar, trok een dreigend gezicht en wees met zijn vinger:

‘Voor jou is er in ieder geval geen hoop, meissie. Jij bent maar een vis op het hakblok.’

Su wierp een blik op hem en had haar antwoord klaar. Maar ze zei tegen zichzelf: “Laat maar zitten.” Dat ze blij was had niets met haar lot te maken. Het kwam doordat haar kameraden nog niet dood waren. Ze vochten en lieten zich niet hierheen slepen, zoals Xam voorspeld had.

Plotseling hield het schieten op. Er klonken lange salvo’s uit een FM. De vijand schoot terug. “Niet slecht,” dacht Su. “Het gaat net als gisteren.”

Toen er nog hevig geschoten werd, zag Su een groep soldaten uit de kokosboomgaard komen met brancards met gewonden.

‘Wat zei ik?’ zei de soldaat.

Daarna rende hij naar de oever tot voor de mannen die de brancards droegen.

‘Hé, wie is het?’

Geen antwoord. De dragers liepen voorzichtig de helling af. Daarna zetten ze de brancards op het zand. Onder de gewonden was een Amerikaan, die hevig spartelde en brulde. De dragers hijgden en wisten het zweet van hun gezicht.

‘Verdomme nog aan toe! De luitenant zei dat ze door het vergiftigde water allemaal gecrepeerd waren. Hij gaf ons order om door te dringen in de grot. Resultaat: zes doden, vijf gewonden. Die yankee zal ook wel naar zijn voorouders gaan.’

‘Wat? Zijn de yankees ook de grot ingegaan?’

‘Vast niet! Een verdwaalde kogel.’

De Amerikaan lag te stuiptrekken en zijn vingers graaiden in het zand. Daarna hield zijn gereutel op, hij trok een paar keer met zijn benen en zijn hoofd viel op zijn borst. Zijn pet viel op zijn gezicht. Een soldaat bukte, hield een vinger voor de neus van de Amerikaan en riep:

‘Niet best!’

‘Is hij dood?’

‘Hij ademt niet meer.’

De stem van de ranger klonk volkomen onverschillig. Wijdbeens en met zijn handen op zijn heupen bekeek hij de Amerikaan. Van deze kant werd er geroepen:

‘Breng hem hierheen, of je krijgt er last mee!’

‘Hoezo? Hij is niet de enige. Onze eigen gewonden gaan voor.’

De dragers tilden de vier rangers op en doorwaadden het riviertje. Het bloed dat uit de wonden droop kleurde het water rood. Toen ze Su passeerden zag ze hoe de druppels een lang spoor op het zand vormden.

Ook het lijk van de yankee werd naar deze kant van het riviertje gebracht. De pet raakte los van het slingerende hoofd van de dode, viel in het water en werd meteen meegevoerd op de stroom. Su zag kastanjebruine haren en een kromme neus.

De ontploffingen namen af. Su begreep instinctief dat er iets vreselijks gebeurde. Daarom raapte ze al haar moed bijeen en wachtte af. Ze hoorde duidelijk de woorden van haar man: “Als we op alles voorbereid zijn, kunnen we alles aan!” Ze mompelde tegen San:

“Goed, daar zal ik me aan houden. Ik ben volkomen zeker van mezelf, liefste. Deze keer zal ik je nooit meer terugzien. Als je terugkomt, wees dan niet al te bedroefd. Ik houd van je, vriend van me, en ik weet dat je al zeven jaar aan mij en Thuy denkt. Je zult ongelukkig zijn als je terugkomt en je ziet me niet. Neem het me niet kwalijk, ik vraag je bij voorbaat vergiffenis. Als Thuy er is, beschouw haar dan als een bewijs van mijn liefde. Kijk goed naar haar, dan zul je mij in haar herkennen. Ik weet niet hoe het met haar afgelopen is, maar ik weet zeker dat ze nog in leven is, want onze kameraden staan altijd klaar met hun wapens.”

Terwijl ze zo sprak, had Su het gevoel dat San werkelijk naast haar stond. Daarna dacht ze aan haar moeder en haar zuster.

“Wat doe je nu, mama? Werk je in de tuin, of voer je de varkens? Ik heb je al drie dagen niet gezien… En ik zal je waarschijnlijk nooit meer zien. Mama, jij moet voor Thuy zorgen als ik er niet meer ben! Zie haar maar als de Su van vroeger. Dan is het of ik nooit bij je weggeweest ben.

Quyen, zus, je zult gelukkig zijn met Ngan. Een dappere jongen en een goede communist. Ik zal er niet zijn op de dag dat je trouwt. Dat geeft niet: ik ben gelukkig voor je, want ik weet dat je leven nog vol beloften is. Volbreng al je taken zo goed mogelijk, vervang mij bij mama en pas op Thuy. Geef haar je liefde ter herinnering aan mij, zus.”

Ze had ook het gevoel dat haar moeder en haar zuster bij haar waren en naar haar luisterden. Ze riep zacht: “O Thuy, liefje, ga niet dood…” Daarna sprak ze in gedachten liefkozend met haar kind, omhelsde het en kuste het. In gedachten.

Su had het goed gezien: er gebeurde waar ze bang voor was. Toen ze in gedachten bij haar kind was, liepen er een paar soldaten, die van de grot kwamen, op haar af. Een van de twee maakte haar los en zei:

‘Opstaan!’

Su wilde overeind komen, maar was er niet toe in staat. Haar ledematen waren verstijfd. De soldaat sleepte haar naar het grind. Toen ze bij het water was, zei ze:

‘Laat me los, ik kan zelf lopen.’

Su boog en strekte haar benen een paar keer voor ze vooruit kon komen. Langzaam stak ze de doorwaadbare plaats over. Op de andere oever wees een soldaat naar de grot en liep vooruit. De soldaat die naast haar liep vroeg:

‘Weet je waar we je naartoe brengen?’

‘Nee.’

‘De commandant heeft opdracht gegeven je naar de grot te brengen. Het is een geweldige kans!’

“Wat zijn ze met me van plan?” vroeg Su zich af. “Vast en zeker iets slechts. We zullen zien. Wat er ook gebeurt, ik verander niet van gedachten.”

De twee soldaten drongen de kokosboomgaard binnen en brachten Su naar de officier die de operatie leidde. De commandant had een bruine huid en een benig gezicht en droeg geen pet, ongetwijfeld om zijn artistiek geknipte en zorgvuldig gekamde en gepommadeerde haar beter te laten uitkomen. Hij had een korte, gelakte stok in zijn hand met een zilveren uiteinde, waarmee hij ritmisch in zijn hand tikte, zoals hij generaals van het marionettenregime tijdens operaties had zien doen. Xam en andere handlangers stonden om hem heen.

Bij het zien van Su trok de commandant een ernstig gezicht. Hij bekeek haar van top tot teen en gaf met zijn stok kleine tikjes in de palm van zijn hand. Daarna riep hij met een valse glimlach:

‘Wat? Zo’n knap smoeltje en dan bij de Vietcong?’

Su keerde zich van hem af.

‘Je hebt een man die bij de hergroepering naar het Noorden is gegaan, nietwaar? Je ziet: ik weet alles. Zelfs dat je weigerde alle banden met hem te verbreken, zoals ze adviseerden. Ik vind dat heel goed. Heel goed, zo’n trouwe vrouw.’

Su zweeg. De officier vervolgde met kennelijk plezier:

‘Ik verwijt je niet dat je weigerde je man ontrouw te worden; integendeel: dat is een felicitatie waard. Maar ik vind het geen goed idee om bij de Vietcong te gaan. Dat is regelrechte zelfmoord.’

Su glimlachte even als om te zeggen: “Kun je niets anders laten horen dan dat oude liedje? Dat hebben je soortgenoten al eindeloos herhaald!”

Maar in plaats van op te houden, wilde de officier zijn welsprekendheid bewijzen. Hij oreerde over “personalisme”, [de ideologische grondslag van de partij van Ngo Dinh Diem] “sociale vooruitgang”, de immense strijdmacht van de “nationale regering” van Ngo Dinh Diem, waarvan soldaten als hij de kundigste vertegenwoordigers waren. Hij besloot:

‘Wacht niet op je man. Er komt geen hereniging. Zolang wij er zijn, zolang de Verenigde Staten er zijn, is daar geen sprake van!’

Su kon zich niet meer inhouden en antwoordde:

‘Dat is uw wens en die van de Amerikanen. Wij, het volk, denken er anders over. Vroeg of laat zullen wij jullie vernietigen om het land te kunnen herenigen.’

‘Hoezo: ons vernietigen?’ zei de officier spottend, terwijl hij grote ogen opzette. ‘Wanneer beginnen jullie daaraan? Kijk eens,’ vervolgde hij, wijzend naar de grot, ‘uiterlijk morgen komen jouw kameraden hier op handen en voeten uit gekropen! Ons vernietigen! Met een paar man en wat proppenschieters?’

‘U vergist zich. Ze komen niet.’

De valse glimlach verdween van de lippen van de officier. Zijn gezicht verbleekte. Hij zweeg een ogenblik om zijn woede te onderdrukken en keerde zich daarna tot zijn mannen en vroeg:

‘Is de microfoon klaar?’

Toen hem gezegd werd dat alles klaarstond, maakte de officier een breed gebaar.

‘Sleep haar daarnaartoe!’

De mannen van Xam duwden Su vooruit. De commandant en Xam haastten zich achter hen aan. Een heel jong tweede luitenantje van de Psychologische Dienst met een puisterig gezicht stond er al met een microfoon in zijn hand.

De commandant kwam bij Su staan:

‘Luister: we sluiten een wapenstilstand. Wil je blijven leven? Zo ja, dan geef ik je mijn woord dat je niets zal overkomen. Zo niet, dan hoef ik maar een kik te geven en je bent dood. Geef antwoord, nu meteen!’

Su keek hem recht in zijn ogen.

‘Niemand wil dood,’ zei ze, ‘waarom zou ik dan dood willen?’

De glimlach verscheen weer op de lippen van de officier.

‘Mooi! Jij wilt ook graag in leven blijven. Goed!’ vervolgde hij en wees met zijn stok naar de grot. ‘Makkelijker kan het niet. Je hoeft alleen maar te zeggen dat je je overgegeven hebt en dat zij jouw voorbeeld maar het beste kunnen volgen. Zeg dat ik je goed behandel en dat ik beloof hetzelfde te doen met al degenen die hun wapens neerleggen en deze schuilplaats verlaten. Dat is het. Kun je je daarmee verenigen?’

De officier zweeg en wachtte. De man met de microfoon hield het apparaat voor Su. Xam trok met een ruk zijn kapmes uit de schede en kwam op de jonge gevangene af. Met zijn handen op zijn rug observeerde de commandant ieder gebaar van Su. Hij was er zeker van dat wankelde, nu ze oog in oog stond met de dood. In haar plaats had hij wel meer gedaan om zijn leven te redden. Een vrouw, die ook nog knap was, kon toch geen nee tegen het leven zeggen? Hij hechtte eraan!

Maar Su bleef onbeweeglijk kijken naar de microfoon, die zo klein was als een vuist en vol gaatjes als een bijenkorf. Ze wist dat de anderen een paar passen achter de ingang stonden en haar goed zouden kunnen horen.

Ongeduldig hief de commandant zijn kin:

‘En? Gebeurt het of gebeurt het niet?’

Su deed een pas naar voren:

‘Goed, ik zal spreken.’
 

5

In de grot wachtten de mannen met hun wapen in de aanslag. Een poging van de vijand was afgeslagen en daarna was er niets meer gebeurd. Er was al een uur lang geen aanval geweest. Maar de vijand was er nog steeds. Je zag de soldaten wel komen en gaan in de kokosboomgaard. Iedereen bleef dan ook waakzaam met zijn wapen in de hand.

‘Su moet wel gearresteerd zijn of zelfs gefusilleerd,’ zei Ngan tegen Hai Thep.

‘Eerder gearresteerd. We hebben de afgelopen nacht geen enkel schot gehoord.’

Daarna zweeg Hai Thep. Sinds gisteravond werd hij aan één stuk door voor onvoorziene situaties geplaatst. Om te beginnen had Nam Nho na haar terugkeer last van kolieken gekregen; ze werd zienderogen bleker en transpireerde hevig. Hai Thep vertrouwde het niet en vroeg of ze water uit het riviertje gedronken had. Ze zei ja en zakte in elkaar. Hai Thep stak zijn hand in haar keel en daarop braakte ze een akelige, gelige vloeistof uit. Het overgeven redde Nam Nho’s leven. Na een korte bewusteloosheid kwam ze weer bij. Het uit het riviertje geputte water werd onmiddellijk weggegoten. Het waterprobleem was dus nog even groot. Tegen middernacht was Thuy met een schok wakker geworden en had geroepen: “Mama! Mama!” Omdat haar moeder haar niet zoals gewoonlijk kwam troosten, barstte ze in huilen uit en kalmeerde pas toen Quyen haar kwam wiegen. ’s Morgens huilde het kind echt van verdriet, omdat ze haar moeder nergens zag. Quyen moest haar vertellen dat Su op een missie in het dorp was.

De verdwijning van Su had in alle harten onrust gewekt. Het was onverdraaglijk, erger dan de dood, omdat ze niet wisten wat haar overkomen was. Nauwelijks waren Ba Ren en Trong terug of ze merkten dat Su ontbrak op het appel en daarom gingen ze direct op zoek naar haar. Daarna ging Ngan met hen mee voor een nieuwe poging. Ze doorzochten iedere struik en iedere kokospalm en waren ervan overtuigd dat ze vergiftigd was, net als Nam Nho. Uiteindelijk moest ook Ngan zich bij de feiten neerleggen. De kokosboomgaard was uitgekamd zonder dat er het kleinste spoor van Su gevonden was.

De hele nacht heerste er angst. Iedereen voelde zich verantwoordelijk voor Su’s verdwijning en leed er hevig onder. Iedereen nam het zichzelf kwalijk dat hij niet in haar plaats was gegaan. Al had ze geen schot gelost, ze had het eten en drinken voor allemaal verzorgd. Haar aanwezigheid betekende liefdevolle zorg, zachte passen en behoedzame gebaren. Al van jongs af aan had ze met haar zachtheid alle harten veroverd. Net als het riviertje, het gebladerte en de vruchten behoorde ze met hart en ziel tot Hon Dat en was onafscheidelijk van het dorp. Ze was de trots van de streek, zowel door haar schoonheid als door haar edelmoedigheid. Meer nog: ze was het toonbeeld van huwelijkstrouw, van een vrouw die onder alle beproevingen één was met haar dorp en zijn bewoners.

Hai Thep zat diep in de put. Al had iedereen zijn problemen, Su had meer beproevingen doorstaan dan de anderen, want ze was de vrouw van een man die sinds de hergroepering in het Noorden woonde. Twee dagen geleden had ze Hai Thep een brief van haar man laten lezen. Wat beefden Su’s vingers op dat moment van emotie! Wat lichtte de hoop op in haar ogen! Hij herinnerde zich wat ze na haar tweede arrestatie had gezegd: “Ik heb geen spijt, zelfs niet als ik sterven moet. Maar die arme Thuy! En San zal bedroefd zijn dat hij me niet kan zien op de dag van de hereniging!”

Hai Thep wist uit ervaring dat er op moeilijke momenten in de revolutie altijd zulke vrouwen waren. Zij wilden hun eer als communisten hooghouden, de reputatie van hun ouders en hun land beschermen en hun mannen trouw blijven om hun toekomstige geluk waard te zijn. Niemand vocht met meer overtuiging en wachtte met meer ongeduld op de dag van de hereniging.

Voor Hai Thep was Su daarvan het mooiste voorbeeld. Hij had Thuy ’s nachts om haar moeder horen roepen. En vanaf dat moment woog de last van de strijd des te zwaarder op zijn schouders. ’s Morgens waren zijn zorgen nog niet verdwenen, toen de strijd hervat werd. Hij was onmiddellijk naar de opening van de grot gegaan. Net als de andere keren was de vijand meteen teruggeslagen. Het ongewone was dat de aanvallers waanzinnig overmoedig waren geweest door deze keer de grot binnen te dringen. En er waren onder hen meer slachtoffers gevallen, van wie de meesten vol in de rug getroffen waren.

Iedereen wachtte vergeefs op een tweede aanval. Alles werd weer rustig. Wel FM-salvo’s, maar geen spoor van een vijand.

‘Altijd waakzaam blijven,’ was Hai Theps advies. ‘Je weet niet wat ze van plan zijn.’

De zon stond al hoog. Quyen begon de rantsoenen geroosterde rijst uit te delen. De stervende vijanden lagen nu morsdood in de zon. In de kokosboomgaard kwamen en gingen de troepen en wachtten op wat er gebeuren ging. Af en toe een FM-salvo, daarna weer stilte. Je kon het fluiten van de vogels horen, het geluid van een eekhoorn in een palm en verder weg het ruisen van de zee. Drukkende, gespannen stilte, die iedereen dwong om na te denken en zijn vinger aan de trekker te houden. Zo gauw er weer grijze gedaante zouden verschijnen zou alle ongerustheid verdwenen zijn. Dan werd er weer geschoten en gedaanten vielen op de grond.

Achter hun rotsen waren de guerrillastrijders er steeds meer van overtuigd dat geen enkele vijand hun kogels kon ontwijken. De opening van de grot was een ideale schietschijf: ze hoefden maar kalm te blijven om iedere keer in de roos te schieten.

Ze begrepen steeds beter wat de voor- en nadelen van de grot waren. Het voordeel was de uitstekende verdedigende positie. Het nadeel was het watergebrek. Door dit nadeel was Nam Nho bijna gestorven en Su verdwenen. Iedereen voelde zijn keel nu branden. Na iedere schermutseling gutste het zweet en de dorst werd dubbel zo hevig. Ba Ren werd woedend.

‘Die klootzakken! Ze vergiftigen zelfs het riviertje!’

Ondanks de aanwezigheid van Quyen liet hij een paar krachttermen horen en zwoer vervolgens dat hij geen enkele vijand die zich vertoonde zou missen. Hij sloeg op zijn borst en verweet zichzelf dat hij bij de nachtelijke expeditie niet achteraan gelopen had.

‘Ik dacht dat degenen die voorop liepen in handen van de vijand zouden vallen!’

‘Het is mijn fout,’ zei Hai Thep. ‘Ik had geen rekening gehouden met vergiftiging. Ik had moeten weten hoe meedogenloos ze zijn.’

Meteen zweeg hij. Buiten klonk een gekraak en daarna een stem door een luidspreker.

‘Attentie! Attentie!’

In de stilte van de grot zwol de stem aan tot mateloze proporties.

‘Attentie! Het leger van de Republiek deelt de Vietcong in de grot mee dat het hun soortgenoot Nguyen thi Su in handen heeft. Zij heeft zich achter de rechtvaardige zaak geschaard en wil nu een mededeling doen.’

De stem zweeg en de luidspreker kraakte opnieuw. In de grot keek iedereen verbijsterd naar buiten. Maar niemand kon iets zien. De microfoon was niet in het schootsveld van een geweer opgesteld. Ze keken elkaar aan en wisten niet wat ze ervan moesten denken. Hadden ze het goed verstaan? Konden ze hun oren wel geloven? Maar ze hadden het wel degelijk verstaan. Een misverstand was onmogelijk. Quyen, die op het punt stond om Ngan zijn handje rijst te geven, beefde zo dat ze de rijst onwillekeurig in de hand van haar verloofde liet vallen. Ze verbleekte, in haar ogen stond ontzetting en haar lippen trilden, alsof ze zou gaan huilen. Ze balde haar vuisten, beet op haar onderlip en bleef aan de grond genageld staan, alsof ze wist dat er iets verschrikkelijks ging gebeuren. Nog nooit had Ngan zijn verloofde zo gezien. Nog nooit was ze zo bang geweest; Ngan dacht opeens aan het misverstand van een tijd geleden en dacht iets te zien van de ontreddering die zich toen van haar meester had gemaakt.

Hai Thep keek naar buiten en fronste zijn wenkbrauwen. Net als de anderen kon hij niets zien. Hij dacht: “Het is duidelijk dat Su door de vijand gedwongen wordt, maar ondenkbaar dat ze gehoorzaamt. Een ander zou dat misschien doen, maar zij niet… Maar ja, ze is jong ze heeft haar kind, haar moeder en meer wat haar aan het leven bindt. Het zou een ramp zijn als ze laaghartig verraad pleegde. Want dat zou op een cruciaal moment het moreel van de jongens breken, zeker als die geliefde en gewaardeerde Su het deed. Ieder woord van haar op dit moment is van het grootste gewicht…”

De microfoon kraakte niet meer. De stem blafte opnieuw:

‘Attentie, bezetters van de grot! Hier spreekt Nguyen thi Su.’

Iedereen keek weer naar buiten. De spanning was ondraaglijk. Maar ze hoefden niet lang te wachten. Er klonk een vertrouwde stem, die iedereen meteen herkende als die van Su.

‘Kameraden,’ zei ze, ‘hier is Su.’

Nu kwamen de woorden sneller:

‘Kameraden, geloof ze niet: ze liegen en ik zal me nooit overgeven. Drink geen water uit het riviertje, leg de wapens niet neer! Gaat het goed met jullie allemaal? En leeft mijn dochter nog? Zo ja, schiet dan één kogel af, dan weet ik het.’

Wat sprak ze snel, wat klonk haar stem dringend en dwingend! Het leek wel of ze schreeuwde in de microfoon.

In de grot stond iedereen kaarsrecht. Over de ruwe gezichten stroomden de tranen. Ba Ren sprong naar het midden van de grot, zette de Garand aan zijn schouder en schoot driemaal naar buiten.

Pang! Pang! Pang!

De commandant verbleekte en begon daarna hevig te schelden. Xam schopte Su omver en begon haar woedend op haar in te trappen. Maar de schoten van Ba Ren hadden een wonderbaarlijk effect. Het tegen de grond gedrukte gezicht van Su klaarde op. Ze was dolgelukkig. Ze hadden haar in haar laatste hoop gesterkt. “Ze leven nog!” Ze deed een poging om op te staan en een laatste blik op de grot te werpen. Ze sperde haar ogen open. Misschien keek ze nog verder. Een flikkering van vreugde ging door haar ogen, die brandden en strak voor zich uit keken zonder hun blik af te wenden. Ogen vol liefde en hoop, voldoening en wrok, geluk en het verdriet van een eeuwig afscheid. De mooie ogen van Su waren gaan schitteren.

‘Hang haar op!’ blafte de commandant. ‘Daar, aan die schuine kokospalm. Dan kunnen haar soortgenoten er nog plezier aan beleven.’

De rangers besprongen Su, trokken haar overeind en bonden een lang touw aan haar ellebogen. Xam, die zijn arm in een doek droeg, koos een kokospalm uit die precies overhelde in de richting van de grot.

‘Hier moet ze hangen!’ riep hij. ‘Jij klimt naar boven om een inkeping voor het touw te maken.’

Vijf of zes meter boven de grond maakte de soldaat met zijn mes een inkeping. Xam keek toe en zei:

‘Dat is genoeg.’ En hij blafte: ‘Kom naar beneden!’

De soldaat liet zijn mes op de grond vallen en kwam naar beneden. Hij was nog niet beneden of Xam pakte het touw waaraan Su vastgebonden zat en gaf het hem om het mee naar boven te nemen en in de inkeping te leggen.

‘Mijn kameraden zullen me zien,’ zei Su, ‘maar ze zullen jullie nog meer gaan haten. Hier maak je ze niet bang mee!’

De twee soldaten aarzelden bij het horen van deze woorden. Maar Xam schreeuwde:

‘Schiet op!’

Ze trokken aan het touw.

Om iedere weerstand weg te nemen, hielden ze de benen van Su vast tot haar voeten loskwamen van de grond. Terwijl ze zo worstelden, trof een voet van de jonge vrouw een soldaat in zijn gezicht. Hij beschermde zijn gezicht en riep:

‘Verdomd, het is een heks!’

Su steeg steeds hoger. Haar naakte armen, die zo mooi en blank waren, werden door het touw achter haar rug getrokken. Die frisse, onvermoeibare en lenige armen! Die liefdevolle armen, die haar man, haar dochter, haar zuster, haar ouders en haar vriendinnen zo vaak teder hadden omhelsd! Die werden nu meedogenloos mishandeld. Het onverbiddelijke touw trok ze op en sleepte het slanke middel van de jonge vrouw mee. Alles aan haar was niets dan zachtheid. Haar haren die op haar hielen vielen, haar gezicht, dat door het lijden doodsbleek was geworden, haar volle borst in het gespannen hemd van zwarte zijde. Het onverbiddelijke touw hees de dochter van de heuvels in de lucht, de dochter van het Zuiden, de moeder, die niets dan hoop en trouw was. Alles hier was niets dan wreedheid. Dit touw en ook de soldaten eromheen. Alles, behalve de zonnestralen en het groen. De door de palmen gefilterde zonnestralen hulden Su van hoofd tot voeten in het licht. En de wind, de bries van zee, waarin de geuren te bespeuren waren die de lente aankondigden. Su kon op dit moment zelfs de lauwe, zilte zeebries onderscheiden van de wind van de rijstvelden. Haar armen deden pijn, maar ze probeerde achter de palmen de grot te ontdekken. Waarom blies de wind de blaren niet opzij om haar deze laatste minuten tenminste een glimp van haar dierbaren te laten zien? Misschien zag ze Quyen met Thuy op haar rug! Lieve hemel! Kon ze haar dochter maar zien, al was het maar een seconde! Ze herinnerde zich de afgelopen nacht, de handen van het meisje, die haar schouders vasthielden. Hoe ze haar jasje had uitgedaan om over haar dochter te leggen, hoe ze geaarzeld had om haar achter te laten. Ja, dat waren de laatste minuten die ze met Thuy had doorgebracht. De laatste mijlpaal van haar moederlijke liefde, zoals het afscheid van San de laatste mijlpaal van haar echtelijke liefde was geweest.

Vanaf deze twee mijlpalen herinnerde ze zich alles. “Vandaag ga ik sterven,” zei ze tegen zichzelf. “Met spijt, ja, maar zonder verwijt, zonder schaamte… Tegenover de partij ben ik gebleven wie ik was, net als de martelaren Nguyen thi Minh Kai en Vo thi Sau. [vrijheidsstrijders tegen het Franse koloniale regime] Standvastig blijven tot het eind…”

Ze bereidde zich voor op een strijd tot het eind. Twintig minuten, een eeuwigheid, verstreken zonder dat de vijand iets ondernam. Xam, die ergens heen gegaan was, kwam net terug. Van beneden wierp hij haar een vernietigende blik toe en begon toen heen en weer te drentelen, alsof hij ergens op wachtte. De commandant stond tegen een kokospalm geleund op zijn sigarettenpijpje te bijten en door de rook strak naar de opgehangen jonge vrouw te kijken.

“Wat gaan ze verder met me doen?” De angst sloeg Su om het hart, toen ze bedacht wat voor de hand lag: “Lieve hemel, ze gaan mama halen! Nee, mama, nee, kom toch niet!”

Ze had goed gedacht. Nauwelijks had ze dit idee uit haar gedachten gebannen of ze keerde zich om en zag haar moeder. Moeder Sau liep tussen twee soldaten in. Tenger en zacht maakte ze zo’n vertrouwde indruk met de gestreepte doek op haar schouders en haar al wat smoezelige jurk van handgeweven zijde. Maar ze was niet alleen. Achter haar liep een menigte boze dorpelingen. De ranger moest zich telkens omkeren en dreigen met zijn karabijn. Daarna vormden de soldaten een kordon. De commandant drukte zijn sigaret uit en ging rechtopstaan:

‘Wat heeft al die herrie te betekenen?’

‘Commandant, ze willen dat ik die oude vrouw laat gaan. Ze zeggen dat ze niets gedaan heeft.’

De commandant richtte zich tot een tweede luitenant:

‘Houd ze tegen. Zorg dat ze hier niet kunnen komen.’

Daarna keerde hij zich naar Xam: ‘Breng die oude vrouw naar haar dochter!’

Xam ging naar moeder Sau en wees met zijn vinger naar Su:

‘Je dochter is opgehangen omdat ze koppig was. Praat met haar. De commandant belooft haar onmiddellijk vrij te laten als ze zich onderwerpt en de anderen oproept om te capituleren.’

Nog voor Xam uitgesproken was duwde moeder Sau de soldaten opzij en rende naar Su. Su zag de magere armen van haar moeder en haar grijze haren, die wapperden in de wind. De gestreepte doek die ze op haar schouders droeg viel op de grond. Op een paar passen van Su kon ze niet verder, want haar benen weigerden dienst. Maar ze herstelde zich. Daarna voelde Su om haar benen de omhelzing van haar moeders armen. Eerst verborg moeder Sau haar gezicht tussen Su’s kuiten. Daarna voelde Su haar moeders warme tranen over haar benen lopen. Moeder Sau onderdrukte haar snikken, terwijl Su haar ogen opensperde om de grijze haren en de tengere, huiverende schouders van haar moeder te zien. Terwijl haar hart verscheurd werd, wendde ze haar ogen af, die helemaal rood en star geworden waren. Su probeerde haar opkomende tranen te onderdrukken. Ze wilde niet dat de vijanden haar emoties nog eens verkeerd beoordeelden. Ze wilde vooral niet dat haar moeder nog meer te lijden had. Ze hoopte dat haar moeder niets, geen woord, zou zeggen. Dat ze niet meer zou doen dan haar zo omhelzen, zwijgend, net als toen ze klein was. Maar als haar moeder verscheurd door verdriet toch onverhoopt een woord zou laten vallen, zou zij er niet naar luisteren. Dat zou beslist veel moeite kosten. Nog nooit had ze zo’n stellig besluit moeten nemen. Nog nooit was ze op dat punt zo van haar stuk gebracht. Die armen, dat gezicht tegen haar benen verspreidden in haar hele lichaam een stroom van gekwelde moederliefde.

Nog groter waren de kwellingen die moeder Sau onderging. Met hoeveel zorg had ze Su omgeven in de zevenentwintig jaar sinds ze haar ter wereld had gebracht? Iedere druppel melk had ze geteld en het kleinste kledingstuk verzorgd. De benen die nu boven de grond hingen had ze de eerste stappen zien zetten. De haren die nu op haar schouders hingen had ze gestreeld vanaf het moment dat ze begonnen te groeien. Daarna was haar dochter gaan babbelen en zijzelf was weduwe geworden. Su had haar in die moeilijke jaren het beste begrepen en het meeste geholpen. Toen ze groot geworden was, had haar dochter niet het geluk gekregen dat ze verdiende. Ze had Thuy alleen moeten opvoeden, zoals haar moeder dat vroeger gedaan had. Hoe kon moeder Sau nu besluiten om haar dochter in de steek te laten en haar voor altijd te verliezen?

Maar ze kon niet doen wat de vijand van haar vroeg. En waren dit dorp en deze grot in verzet en de revolutie, waarop ze al haar hoop gevestigd had en waaraan ze zo nauw verbonden was, voor haar niet nog heiliger dan haar dochter?

‘Praat tegen haar! Als je je dochter wilt behouden, overtuig haar dan!’

De commandant zette moeder Sau met zijn bevelen onder druk. Hij trappelde van ongeduld, alsof hij midden in een mierennest stond. Opeens voelde Su hoe haar moeder haar benen losliet. Inderdaad keerde moeder Sau zich naar de officier. En Su hoorde haar rustig zeggen:

‘Mijn dochter is groot genoeg om te weten wat ze doet… Ze heeft een eigen mening en ik hoef haar niet van wat dan ook te overtuigen.’

Su kon haar tranen niet meer bedwingen en die stroomden nu over haar gezicht. Ze verkrampte aan het eind van het touw en riep:

‘Maak me los! Gauw!’

De commandant wierp Xam een blik toe en die vroeg:

‘Dus je gaat akkoord?’

‘Goed, maak me los!’

‘Mooi! Maak haar los! Geef haar de microfoon!’

De soldaten haalden Su naar beneden. Gebogen kwam ze op de grond terecht. Ze kon niet blijven staan. Maar moeder Sau spreidde haar armen uit om haar op te vangen. Nauwelijks raakten de voeten van Su de grond of haar hoofd vlijde zich op de schouder van haar moeder. Ze omhelsde moeder Sau, van wie het gezicht nat was van de tranen, en tussen de snikken bracht ze uit:

‘Mama, mama… Pas op Thuy als ik er niet meer ben… Ja, mama?’

De commandant zette moeder Sau opzij.

‘Genoeg… Zo kan het wel!’

Hij wees naar de tweede luitenant van de Psychologische Dienst, die zijn microfoon gereedhield:

‘Je hebt het woord, Su!’

‘Wat moet ik zeggen?’

‘Wat ik je daarnet verteld heb. Dat ze de wapens neerleggen. Meer niet.’

‘Maak eerst mijn touwen los.’

‘Nee, jij moet eerst spreken!’

Su zei geen woord meer. Ze deed een stap vooruit en gaf bliksemsnel een harde trap tegen de microfoon van de tweede luitenant, die hem uit zijn handen liet vallen. Het ding vloog een eind weg en rolde op de grond met alle draden in de war.

De commandant brulde alsof hij gewurgd werd. Hij sprong op om de jonge vrouw te lijf te gaan. Moeder Sau kwam tussenbeide. De officier gooide haar op de grond en schreeuwde:

‘Xam, hak die meid haar kop af!’

Xam trok zijn glinsterende kapmes en sprong op als een wildeman. Hij hield zijn gewonde arm tegen zich aan en gaf met zijn wapen in de andere hand een houw in de nek van Su. Opmerkelijk genoeg gleed het kapmes weg. Xam hield vol. Maar Su werd alleen maar naar voren geduwd. Na drie harde houwen met het kapmes was haar nek nog ongedeerd. Naar adem snakkend hield Xam op. Stomverbaasd keek hij naar het lemmet van zijn wapen. Niet dat het kapmes made in USA niet scherp genoeg was. Maar het haar van Su was te dik. Het kapmes kon niet winnen van die volle haardos, die overvloedig glansde en samengesteld was uit duizenden zijdeachtige haren die tot aan haar hielen dit onoverwinnelijke meisje van zevenentwintig jaar bedekten.

Moeder Sau was flauwgevallen.

Pas met hulp van twee mannen die het haar van Su ophielden kon Xam de jonge vrouw eindelijk een nekslag geven. Ze bezweek niet. Xam hief zijn arm om haar af te maken, toen de commandant zijn hand uitstak:

‘Genoeg. Hang haar maar weer op!’

Su werd weer aan de kokospalm opgehesen. De commandant brulde woedend:

‘Zo laten we haar hangen. Die lui zullen haar gekreun wel horen!’

… Na de vierde houw met het kapmes liet Xam het wapen vallen, greep naar zijn schouder en wankelde naar de dichtstbijzijnde kokospalm. Hij steunde ertegen en knoopte zijn jasje open. Op zijn verband verscheen een bloedvlek. Niemand had hem geraakt. Maar door zijn pogingen om Su te onthoofden was zijn wond opengesprongen en hevig gaan bloeden.

 

hoofdstuk V