Hoofdstuk III

afb 3
 

1

Een uur nadat de guerrillastrijders zich hadden teruggetrokken in de grot verspreidden de aanvallers zich over het dorp.

Op de helling van de heuvel, onder het gebladerte van ontelbare nangka’s, bespiedden Hai Thep en zijn mannen al hun bewegingen. Ze konden hen zien krioelen tussen de nangka’s, de mangistans en de avocado’s, klimmen in de kokospalmen en horen schreeuwen naar elkaar. Net als iedere morgen veranderde de zon de bladeren in gouden lovertjes, maar in het dorp heerste een tumult van geschreeuw, schoten en paniekerig kippengekakel en klaaglijk koeiengeloei. Aan de voet van de kokospalmen maakten de rangers het zich gemakkelijk. Hun camouflage-uniformen veranderden hen in struiken en je kon ze alleen maar onderscheiden wanneer ze zich verplaatsten.

Een groep sjouwde met gestolen keukengerei. Anderen – ongeveer een half peloton – waren op weg naar het riviertje dat rond de heuvel stroomde. Het heette de Palingrivier, omdat er sinds mensenheugenis een paar witte palingen van enorme afmetingen leefden, die niemand nog had durven vangen. Op een keer had Suon, een oude visser, er zijn hengel uitgeworpen, maar hij raakte al zijn lokaas kwijt, nog afgezien van het feit dat hij daarna maandenlang het bed had moeten houden.

Niemand wist het of het verhaal over vader Suon waar was, maar de palingen bestonden echt, net als het heldere en gezonde water van het riviertje. Dat geeft de streek haar bekoorlijke frisheid.

Terwijl de soldaten aan het water een kampement van vier of vijf tenten opsloegen, uitte Hai Thep tegen Than zijn ongerustheid:

‘Het lijkt wel of ze hier eeuwig willen blijven. Kijk eens hoe ze zich het riviertje toeëigenen!’

‘Inderdaad,’ mompelde Ngan.

‘Dat gaat ons nog veel last bezorgen.’

‘Ik geloof dat we een voorraad water in de grot hebben, of niet?’

‘Jawel, maar niet genoeg. Als dit twee of drie dagen duurt, wordt het moeilijk.’

Met zijn ogen nog steeds strak op het tafereel beneden gericht voegde Hai Thep eraan toe:

‘Kom, laten we naar de grot gaan. We zullen zien wat we kunnen doen.’

Hij liet Dat als verspieder achter en vroeg hem onmiddellijk een seintje te geven als er iets onverwachts gebeurde; daarna bereikte iedereen om de rotsen heen de grot.

De heuvel had een omtrek van een kilometer of vier. Door zijn langwerpige vorm leek hij een enorm schildpadschild met een lengte van duizend en breedte van zevenhonderd meter. Diep binnenin lag een grot, waarvan de enige toegang, die heel nauw was, leidde naar een gang, die uitmondde in een ruime zaal. Vandaar reikten drie spelonken tot diep in het duister.

Hai Thep, Ba Ren en Ngan stuitten al bij de ingang op twee guerrillastrijders, die op de uitkijk stonden.

‘Ze zijn allemaal in de grote galerij, kameraden,’ zei een van de twee.

‘Kun je van hieruit goed zien wat er buiten gebeurt?’ informeerde Ngan.

‘Jazeker!’

‘Eens kijken!’

Ngan liep om een rots heen en ging op de plaats van een guerrillastrijder staan. Hij wierp een blik naar buiten en zag duidelijk de weide die zich uitstrekte tot de eerste rijen kokospalmen vol vruchten en ook van de soldaten die er in de weer waren.

‘Fantastisch!’ riep hij. ‘Dit is een perfecte uitkijkpost!’

Vervolgens ging hij met Hai Thep en Ba Ren de grot in. Ze sloegen linksaf, liepen vijf volle minuten door een bochtige gang voor ze in een grote ruimte kwamen. Daar heersten een bleek schijnsel en een levendig rumoer van stemmen. De guerrillastrijders en alle bekende kaders waren hier bijeen, omdat ze zich niet onder de bevolking konden mengen zonder door de vijand ontdekt te worden. Hier heerste niet de diepe duisternis die je zou verwachten, want de spleten tussen de rotsen zorgden voor een schemerachtig licht. De omgeving was levendig en een beetje bizar met die gedempte stappen, die enthousiastere stemmen en die gestalten, die je herkende zonder ze scherp te kunnen onderscheiden.

Alles leek anders zodra de grot zich vulde met mensen, ademhalingen, stemmen en stappen. Ngan hoorde hoe iemand hem zachtjes riep en direct herkende hij de stem van Quyen, al leek ze iemand anders. Hij bleef staan omdat hij zijn verloofde nog niet kon zien. Maar vertrouwde handen omhelsden hem en betastten snel zijn nek en rug, als om zich ervan te vergewissen dat hij ongeschonden was.

Be lag op een mat met zijn gewonde arm op een opgevouwen handdoek. Nam Nho zat naast hem en blies hem met een zakdoek wat koelte toe.

‘Ben jij het, Ngan?’ vroeg Tham.

‘Ja, hoe gaat het?’

‘Naar omstandigheden goed.’

‘Zit de scherf er nog in?’

‘Ik geloof het niet,’ zei Nam Nho. ‘Hij is helemaal door het vlees heen gegaan.’

‘Dat zal wel, ja.’

Ngan pakte de elektrische zaklantaarn die aan zijn gordel hing en bekeek het been van zijn vriend. De kleine Thuy kwam verlegen dichterbij om ook iets te zien. Tham pakte haar hand en zei dat ze naast hem moest komen zitten.

De wond was zorgvuldig verbonden. De bloeding was gestelpt. Terwijl Ngan zich vooroverboog, hoorde hij Tham fluisteren:

‘Mijn wond is niet heel ernstig. Ik heb alleen maar een mortierscherf in mijn been. Zorgen jullie liever voor die kleine Be: zijn arm is verbrijzeld. Maar hij is een harde, want hij heeft nog geen kik gegeven.’

Ngan ging naar Be toe en maakte licht. De mouw van het jasje van de jongen was afgesneden en er was een verband te zien dat tot zijn oksel reikte. Het verband zat vol bruinachtige vlekken van geronnen bloed. De ongeschonden hand van Be trok zich krampachtig samen op de mat waarop hij lag. Met zijn ogen dicht ademde hij zachtjes door zijn mond. Zijn huid was wat bleek, maar zijn lippen waren nog doorbloed. Hij leek gewoon te slapen. Je kon aan zijn gezicht helemaal niet zien hoeveel hij te lijden had. Zijn gezicht droeg nog de sporen van het schaterlachen al die keren dat hij met zijn jongere broer Ut over het strand gerollebold had of gejuicht had over de gelukkige visvangst van zijn vader. Bij het kijken naar de gesloten ogen en de doorbloede lippen van de jongen voelde Ngan zijn hart samentrekken en zijn bloed koken. Hij zag weer het silhouet van de vijanden die in het rijstveld druk in de weer waren met hun mortier, de gebaren van de richter, de granaten met hun stabilisatievinnen en de affuit waarvan de poten aan eendenpoten deden denken. Die beelden achtervolgden hem tot het moment dat hij Hai Thep hoorde roepen. Hij stond op en waarschuwde zijn verloofde, die de kleren van Be in orde bracht:

‘We worden geroepen voor de vergadering. Laten we gaan, Quyen!’

Quyen keerde zich naar Thuy, die onbeweeglijk met haar hoofd op de schouder van Tham zat.

‘Wil jij zo lief zijn om hier bij tante Nho te blijven?’ vroeg ze het kind.

‘Ja.’

Alle partijleden werden bijeengeroepen. Toen iedereen had plaatsgenomen, nam Hai Thep het woord.

‘Ik dacht eerst,’ zei hij, ‘met de leden van de partij apart te vergaderen, maar bij nader inzien vind ik dat niet nodig. We vergaderen met iedereen, behalve natuurlijk de wachtposten en de ziekenverzorgers. Wat vinden jullie daarvan, kameraden?’

‘Akkoord!’

Ba Ren had iedereen snel bij elkaar.

‘Ik vertel jullie niets nieuws,’ begon Hai Thep, ‘als ik jullie zeg dat de vijand deze keer een zuiveringsactie organiseert met een omvang die in deze provincie ongekend is. Na een gevecht met ons in Van Thanh zitten ze nu hier. Ik heb ze vanaf de heuvel geobserveerd en ik begrijp dat ze de grot gaan belegeren. Ze hebben de toegang tot het water in handen en ze hebben ons afgesneden van het dorp. De wachtposten hebben daarnet tien landingsvaartuigen gesignaleerd op het strand, één kilometer van hier. Die gaan ons aanvallen. We moeten een manier bedenken om die het hoofd te bieden.’

Hai Theps uiteenzetting werd onderbroken door explosies. Een regen van aarde en zand daalde op de bodem neer. Iedereen stond op, als door één kracht bewogen. Wat gebeurde er? Nieuwe explosies deden loszittende rotsblokken trillen.

‘Dat moeten 81-millimetergranaten zijn die ze op de heuvel schieten,’ zei Ngan.

‘Ja, dat moet wel!’

‘Och,’ zei Ba Ren, ‘een bom van duizend kilo doet ons nog geen kwaad.’

Meer dan tien minuten volgden de explosies elkaar zonder onderbreking op en hun echo’s galmden lang door de grot. De mensen waren vooral geïrriteerd door het feit dat ze niet wisten wat de vijand uitrichtte, toen de kleine Dat binnenstormde:

‘Ze bombarderen de heuvel met kanonnen,’ riep hij. ‘De meeste bomen zijn kapot. Van achter een rots heb ik ze zelfs horen marcheren.’

‘En die lui die daarnet in het dorp waren?’ vroeg Hai Thep.

‘Ze houden de heuvel in de greep. Rondom staan ze op honderd meter afstand en het zijn er heel wat!’

‘En bij de ingang?’

‘Daar zijn ze nog niet.’

‘Het waren voorbereidende beschietingen,’ concludeerde Hai Thep. ‘Ik stel voor dat we onmiddellijk vier groepen van drie man opstellen. Eén bij de ingang van de grot en de andere verder naar binnen. Zij krijgen alle Thompsons en de granaten. Ba Ren en Ngan, doen jullie dit nu meteen? De anderen blijven tot nader order hier.’

Ba Ren en Ngan gingen direct aan het werk. Er werden twee groepen guerrillastrijders en twee gewapende propagandagroepen aangewezen. Op weg naar de uitgang keek Ngan naar Ba Ren, die zijn grote mes al uit de schede had gehaald en hij zei:

‘Jullie gaan in de hoek staan en wij bij de ingang.’

‘Wat je wilt. Maar luister: als het moeilijk wordt, aarzel dan niet om terug te trekken. Dan zijn wij er nog!’

‘Afgesproken!’

Ngan kroop met zijn twee groepen naar de ingang van de grot. Daar namen ze achter de rotsen de gunstigste posities in. Toi kreeg de leiding over de ene groep en de andere bleef onder leiding van Ngan. De groep van Toi kreeg twee Thompsons en zeven MK3-granaten. Die van Ngan beschikte over één Thompson, een Mas-geweer en acht granaten. Toen ze zich allemaal geïnstalleerd hadden, kwam Dat met een stralend gezicht aanrennen:

‘Oom Hai Thep vindt het goed dat ik me bij jullie aansluit!’

‘Dat is goed!’ zei Ngan. ‘Blijf maar bij mij. ‘Hoeveel patronen heb je voor je karabijn?’

‘Vijfenveertig.’

‘Je kunt goed met de karabijn overweg, geloof ik.’

Dat glimlachte verlegen.

‘Ik kan me redden, meer niet. Ik ben zeker niet zo goed als jij.’

‘Ik gebruik liever de Mas. Ik heb heel weinig ervaring met een karabijn.’

‘Als je goed overweg kunt met de Mas, zal het nog een stuk beter gaan met de karabijn, die veel beter hanteerbaar is. Trouwens, als je je hoofd koel houdt, schiet je denk ik met ieder wapen raak.’

Ngan keek naar het onschuldige gezicht van Dat en vroeg met een glimlach:

‘En houd jij je hoofd meestal koel?’

‘Natuurlijk!’

Dat was een duidelijk antwoord. En Ngan begreep dat de ander de waarheid sprak. Hij vond deze jongen van achttien jaar al lang sympathiek. Iedere keer als hij naar het district ging om Tam Chan te spreken merkte hij hoe graag Dat zijn vishaken en valstrikken gebruikte. Buiten zijn taken als lijfwacht deed hij zijn best om de dagelijkse kost van zijn superieur te verbeteren. Zo kreeg Ngan gegrilde vis voorgezet en verrukkelijke geroosterde koekoek. Vooral het feit dat de jongen wees was bracht hen tot elkaar. Zijn moeder was gestorven bij zijn geboorte. Zijn vader, een plaatselijk kader tijdens de eerste opstand, werd in 1958 neergeschoten door agenten van het Diem-regime, die zijn lijk in een moeras gegooid hadden. Zijn gebeente en dat van anderen was verzameld door Quyen en Su en werd bewaard in de grot. Dat had alleen nog zijn grootmoeder van moederskant, die al boven de zestig was en in Linh Quynh woonde. Hij volgde Tam Chan sinds twee jaar. Op een keer had zijn grootmoeder haar geduld verloren en was op zoek naar hem gegaan, alleen om hem even te zien.

‘Heb je gisteravond je oma in Linh Quynh gezien?’ vroeg Ngan.

‘Natuurlijk! Ze was dolblij, ze bevoelde me overal en ze moest huilen. Daarna ging ze rijpe papaja’s halen om een kreeftsalade voor me te maken, waar ik gek op ben. Net als anders heb ik gegeten tot ik niet meer kon.’

‘Ik ben daar ook gek op.’

‘Ik heb van oma wat gedroogde garnalen voor je meegenomen.’

Ngan legde zijn hand op Dats karabijn en vroeg:

‘Is hij geladen?’

‘Ja, maar ik heb hem vergrendeld.’

‘Goed! Kies maar een plaats waar je bewegingsvrijheid hebt.’

‘O, maar deze is prima,’ antwoordde Dat, terwijl hij zijn plaats bekeek.

Hij liet zijn wapen op een rots rusten, richtte op de ingang, hield één oog dicht en mikte. Hij herhaalde deze handeling verschillende keren en zei met zijn tongpunt tussen zijn lippen:

‘Prima positie!’

Met zijn wapen op zijn dijbeen maakte hij zijn veldfles open en dronk een paar teugen, alvorens hem aan Ngan te geven:

‘Wil je?’

‘Ik heb zelf,’ antwoordde Ngan en wees op de veldfles aan zijn gordel.

Even later zei Ngan:

‘Drink zo weinig mogelijk, alleen als je erge dorst hebt.’

Tegen de anderen zei hij:

‘Wees zuinig met water, kameraden. We hebben hier bijna niets. Droge rijst is jullie hoofdvoedsel. Eet het niet zomaar uit sleur.’

‘Maar we hebben witte rijst in de grot,’ zei Toi.

‘Ja, een paar vaten, meer niet. Voor hooguit drie, vier dagen.’

‘Maar dan zijn ze hier weg!’

‘Niets is minder zeker. En als ze ons een week belegeren?’

Niemand antwoordde op de vraag van Ngan. Iedereen koos een plaats en ging zwijgend zitten. Alle vuurwapens waren op de opening gericht. Ngan richtte zijn blik op het pad door de weide. Hij keek naar de onbeweeglijke kokospalmen, hun lichtende bladeren met vlekken zonlicht. Soldaten in grijze uniformen kwamen en gingen en droegen van alles. Hij hoorde het gerommel van keukengerei en het geschreeuw van soldaten, en daardoorheen het doffe geluid van vallende kokosnoten.
 

2

Su bekeek de kruiken in het licht van een elektrische zaklantaarn, die vastgehouden werd door haar zuster Quyen. Terwijl ze haar bezig zag met het aftasten van de vaten, vroeg het meisje met een angstige stem:

‘En, lekken ze nog steeds?’

‘Een beetje… Blijf hier, dan ga ik plastic halen om de kruiken in te wikkelen, dan verliezen we geen water door het lekken.’

Su kwam terug met een groot stuk plastic in haar hand.

‘Licht even bij!’ zei ze tegen haar zuster, terwijl ze het vierkante stuk plastic uitvouwde.

Na het zorgvuldig bekeken te hebben zei ze:

‘Dit is goed. Er zitten geen gaatjes in.’

Ze spreidde het uit op de plaats waar de bodem de minste oneffenheden vertoonde en en bracht de kruiken er een voor een naartoe.

‘Jammer dat Nam Nho er een gebroken heeft,’ zei ze.

Na de hoeken van het plastic bij elkaar gebonden te hebben stond ze op.

‘Goed, nu gaan we even kijken naar de vaten met rijst.’

De twee zusters begaven zich naar een holte aan de zijkant. Plotseling hoorden ze rechts van hen het hijgen van de eigenaar van de viswateren en het gemompel van zijn vrouw, die bij het horen van de stappen begon te kreunen:

‘Geef me iets te drinken, ik smeek je!’

Quyen greep de arm van haar zuster:

‘Hoor je dat? Ze vraagt iets te drinken.’

‘Ze kan wel wachten. We zullen het aan Hai Thep vragen.’

Quyen deed een stap vooruit en zei met stemverheffing:

‘Wil je wat drinken? Heb maar even geduld!’

‘In ‘s hemelsnaam!’ riep de vrouw. ‘Ben jij het, Quyen? Heb meelij, lieve meid, doe een goed woordje voor ons, ik smeek het je.’

Quyen, die dit niet verwacht had, was niet blij dat ze herkend was aan haar stem.

‘Smeekbeden zijn nergens voor nodig. Ik kan niets voor u doen. U wordt voorgeleid aan het volkstribunaal en daar krijgt u het woord.’

‘Voor het volkstribunaal?’ zei de vrouw panisch. ‘Goede hemel! Dan zijn we verloren!’

Ze barstte in snikken uit.

‘Kom op! Houd je mond, zeg ik!’ onderbrak haar man haar.

“Heb zelf maar niet zo’n grote mond,” zei Quyen in zichzelf. “We zullen nog wel zien!”

Bij de vaten met rijst aangekomen nam Su een handje en rook aan de korrels.

‘De rijst is in prima staat,’ stelde ze opgewekt vast.

Ze richtte haar lantaarn op de twee volle vaten en voelde zich gerustgesteld.

‘Die twee vaten,’ vroeg ze aan haar zuster, zit daar honderd kilo rijst in?’

‘Dat denk ik niet.’

Peinzend liep Su de holte uit en vroeg:

‘Hoe moeten we die rijst koken? De reservevoorraad water kunnen we daarvoor niet gebruiken.’

‘Dat is waar! Wat zullen we doen?’

‘Vandaag heeft iedereen zijn rantsoen gekregen. Morgen kunnen we de rijst gewoon roosteren. Wat vind je daarvan?’

‘Dat kan, bij gebrek aan beter.’

Ze brachten verslag uit van de situatie aan Hai Thep, die alleen maar lachte:

‘We verlaten ons op jullie tweeën! Nood breekt wet, nietwaar? Vergeet alleen niet dat de gewonden voorgaan. Die moeten soep hebben.’

Su en Quyen gingen op zoek naar stukken steen om in een hoek van de grot een kookplaats aan te leggen. Ze vonden ter plekke kookpotten, steelpannen en zelfs gekloofd hout dat er was neergelegd om voorbereid te zijn op een zuiveringsactie.

Su gebruikte haar aansteker. Het duurde lang voor het vuur brandde. Quyen pakte een kleine steelpan en ging rijst halen om soep te maken.

Daarna bleef ze met haar hoofd op haar handen zitten om naar de dansende vlammen te kijken. Thuy ging weg bij de gewonden, liep met kleine pasjes naar haar toe en sloeg van achteren haar armen om Quyens hals. Quyen hield haar handen achter haar rug om het kleine meisje vast te houden.

Er klonk een lang FM-salvo.

‘Ze vallen ons aan,’ zei Quyen en stond met een ruk op.

‘Waarom horen we geen tegenaanval?’ mompelde Su.

Precies op dat moment klonken de droge Thompson-salvo’s, vermengd met karabijnvuur.

‘Dat zijn onze mannen!’ riep Quyen en ze rende naar de opening van de grot.

Het meisje luisterde niet naar haar zuster en rende regelrecht naar de groep van Hai Thep.

‘Laten we nog een groep vormen,’ zei Hai Thep. ‘Wie gaat er met me mee?’

‘Ik!’

‘Ik!’

Quyen stak haar hand op en liep al, maar de partijsecretaris zette haar opzij, waardoor ze zich vernederd voelde.

Twee guerrillastrijders volgden Hai Thep. Tu Nghiep zei met zijn bidsprinkhaan onder zijn arm:

‘Mag ik eens kijken hoe mijn mortier knalt?’

‘Waar is het andere?’

‘Daar!’

‘Neem ze allebei maar mee.’

Op enige afstand van de opening hoorde de groep Ba Ren grinniken achter een rots:

‘Jullie kunnen beter even uitrusten in de grot. Jullie zijn nog niet aan de beurt. Wij kunnen ook niets anders doen dan met onze armen over elkaar zitten. Alle kerels die zich hier vertoonden zijn door Ngan en zijn jongens neergemaaid. Wie dat schouwspel wil zien moet maar hierheen komen. Ze liggen op een hoop voor de opening.’

‘Waar? Waar?’

Ze haastten zich naar voren om te kijken. Hai Thep keek door een spleet: er lagen zes vijanden doodstil, de meesten op hun rug met hun armen naast hun lichaam. De vijand beschoot de grot nog steeds. Rondom de lijken sloegen de kogels in de aarde en wierpen kleine stofwolken op.

De zonnestralen drongen door tussen de kokospalmen, die lange, smalle schaduwen als zwaarden op de doden wierpen. De kogels floten onophoudelijk, lichtspoorkogels scheerden langs de helmen van de doden, van wie de bruinverbrande en oplichtende gezichten een vreemde indruk van walging en droefheid wekten. Zelfs nu ze gesneuveld waren lieten de kogels van hun eigen mensen hen niet met rust. Ze omsingelden hen en raakten hier en daar een onbeweeglijke voet, die opsprong door de schok.

Hai Thep keek begerig naar de wapens die onder de gedode soldaten lagen. Zwarte Garands met een glanzende loop. Thompsons met een rode kolf. Splinternieuwe patroonbanden rondom de lijken. Dat wilden zijn kameraden en hij al heel lang hebben, daarover gingen hun gesprekken en discussies en dat was soms het onderwerp van zijn eigen dromen. Nu lagen de gedroomde wapens daar om zo te zeggen binnen handbereik!

Blijkbaar wilde de vijand door te schieten voorkomen dat ze die in handen kregen. Hai Thep wachtte ongeduldig op het moment dat het vuren afnam. Dan was er een uitval mogelijk om de wapens te bemachtigen. Voorlopig konden ze niets doen, want het vuur was te hevig.

Even later kon Hai Thep zijn ongeduld niet meer bedwingen; hij keerde zich naar Ba Ren en zei:

‘We moeten een uitval doen om aan die wapens te komen.’

Ba Ren knikte instemmend.

Met zijn tweeën kropen ze naar de groep van Ngan. De kogels sloegen in de rotsen en veroorzaakten een regen van vonken. Ze moesten met sprongen vooruitgaan. Toen hij Ngan bereikt had, riep Hai Thep in zijn oor:

‘We kunnen door het vuur zeker geen uitval doen?’

Ngan schudde zijn hoofd en hij keek peinzend en gespannen. Dat, die op zijn hurken zat, hield aan:

‘Laat mij ernaartoe kruipen. Ik ben klein van stuk, mij kunnen ze niet raken. Krijg ik toestemming? Akkoord? Ik ga, ja?’

Dat ging plat liggen. Ngan fronste zijn wenkbrauwen en zei niets. Dat interpreteerde zijn zwijgen als toestemming. Hij steunde op zijn ellebogen, klaar om verder te gaan. Maar de stem van Ngan zei streng:

‘Ik geef geen toestemming, Dat. Je blijft hier, begrepen?’

Dat keek beteuterd en verroerde zich niet. Hij klemde zijn lippen op elkaar als om te voorkomen dat hij ging huilen.

‘Ja,’ zei hij, ‘je zult nog zien dat ze zelf terugpakken.’

‘Ik ga!’

Er klonk een vastberaden stem. Het was Tu Nghiep. Die partizaan van veertig jaar wachtte niet op toestemming om zijn jasje en broek uit te trekken. Het enige wat hij nog aanhad was een kort broekje. Zijn gebaar drukte vastberadenheid uit en geloof in de goede afloop.

‘Geef me alsjeblieft een rol touw of heel sterk draad.’

‘Waarvoor?’

‘Dat maak ik aan de wapens vast en dan hoeven jullie ze alleen maar naar je toe te trekken.’

Ngan schudde zijn hoofd:

‘Je moet nu niet gaan, oom. Ze vallen je onmiddellijk aan. Ik reken…’

Tu Nghiep hield zijn ontevredenheid niet voor zich:

‘Als ze aanvallen, halen ze alles terug en dan zijn we weer even ver als eerst.’

‘Nee!’ zei Ngan. ‘Als ze aanvallen, ontvangen we ze net als de laatste keer, zonder dat ze de tijd krijgen om iets terug te halen, of dat nu hun doden of hun wapens zijn. En direct daarna doen we een uitval om de buit te grijpen. Toi, Trong en ik geven jullie vuurdekking, is dat goed?’

Hai Thep knikte instemmend. Iedereen was het erover eens dat dit de beste oplossing was.

‘We moeten snel handelen,’ voegde Ngan eraan toe. ‘Nu niet meer ongeduldig zijn; rust maar uit en laat ze maar al hun kruit verschieten. Als ze dadelijk afgeslagen zijn doen we een uitval en jullie volgen mij onmiddellijk. Akkoord?’

‘Akkoord.’

Dat lachte weer na de uiteenzetting van dit plan voor een bliksemactie. Tu Nghiep mompelde tegen hem:

‘Het is een goed plan, maar we moeten snel zijn, jongens!’

Vol ongeduld wachtten ze dus op de volgende aanval van de vijand. Het plan van Ngan was even gedurfd als veilig en iedereen was opgetogen en ontroerd tegelijk. Er was nog steeds een kogelregen in de grot. Ngan haalde een mooie, kleine tabakszak uit zijn zak en rolde een sigaret. Quyen had hem gemaakt van de stof van de parachute van een lichtgranaat, die ze van het strand had opgeraapt na manoeuvres van de SEATO, vorig jaar. Ngan wist nog dat hij een kreet van vreugde had geslaakt bij dit cadeau:

‘Bravo!’

Zijn verloofde had hem met een schuin oog aangekeken.

‘Dat is uit medelijden voor een roker die zijn tabak nergens kwijt kan… En niet om het misbruik aan te moedigen, “meneer”.’

Iedere keer als hij zijn tabakszak tevoorschijn haalde herinnerde Ngan zich de waarschuwing van zijn verloofde. Iedere keer als hij zich in een moeilijke situatie bevond dacht hij aan die duidelijke woorden. Toen hij gearresteerd werd. Toen ze hem voor het executiepeloton geleid hadden en hij een vluchtpoging had gedaan. Quyen verscheen voor zijn ogen om hem te roepen en aan te sporen. Hij was er bijna ieder moment van overtuigd dat hij niet kon sterven zonder zijn verloofde terug te zien. Hoe zwaar de actie straks ook zou zijn, hij was er nu van overtuigd dat alles goed zou gaan, dat hij het zuivere ovaal van Quyens gezicht en de verbaasde uitdrukking van haar grote, zwarte ogen terug zou zien. Hij zou zijn hoofd weer neer kunnen leggen op haar dikke hoofdhaar met de geur van betelpalmparfum. Maar het meisje waarvan hij hield betekende in zijn ogen nog veel meer. Ze leek de zachtheid van de mangistan in zich te dragen, de gouden glans van de zon op het bamboe, het groene gebladerte van de avocado, de warmte van een moederlijke tederheid, de heldere stem van een kind, het ruisen van de kokospalmen, het lied van de golven die braken op het strand, de woedende kreten van de demonstranten, het flakkerende licht van de fakkels, het snikken en het lachen, alles vond hij in haar terug. Quyen was niet alleen zichzelf, ze vertegenwoordigde in zijn ogen ook zijn andere kameraden. Zijn liefde verbond Ngan met die gemeenschappelijke zaak van de revolutie, met heel het nieuwe leven dat ze op dit stukje kust zouden heroveren.

Ieder jaar en iedere maand voelde Ngan zich sterker verbonden aan die huizen op palen, aan die dappere Khmerbroers en -zusters, aan die witte reigers die iedere dag cirkelden boven die jonge waterdraagsters met hun lenige armen en heldere lach.

Al die beelden kwamen hem helder voor de geest en Ngan voelde zich er met duizend banden aan verbonden. Bij het zien van stalen helmen die uit de kokosboomgaarden kwamen, gooide hij zijn peuk snel weg, stak zijn tabakszak weg en zei met gedempte stem:

‘Daar komen ze!’

Rondom hem beten ze allemaal met gespannen aandacht op hun lippen.

‘Heb je je geweer ontgrendeld?’ vroeg Ngan aan Dat.

‘Dat is gebeurd.’

‘Ik herhaal tegen iedereen: Toi, Trong en ik springen als eersten; de anderen volgen ons, niet te vroeg en niet te laat, begrepen?’

Al pratend volgde Ngan met zijn ogen de oprukkende vijanden, die voorovergebogen liepen en met alle wapens schoten die ze onder hun arm droegen. Ze waren met ongeveer twee secties en de rangers met hun agressieve uiterlijk liepen voorop. Nu gingen ze over in looppas. Ngan zag een man met een bloot bovenlichaam en amuletten en iets blinkends om zijn hals.

‘Dat is Xam!’ riep Ba Ren.

“Dat is hem!” zei Ngan tegen zichzelf en hij vuurde een kort salvo. Op een meter of tien van de grot bleef de luitenant van de rangers plotseling staan met een afhangende rechterschouder. Twee van zijn mannen sprongen vooruit om hem te ondersteunen en terug te trekken. Ondertussen beschoten Toi, Trong en Dat degenen die oprukten. De getroffen vijanden brulden en vielen. Ngan vuurde opnieuw. Vijanden vielen in de buurt van de grot. Maar de overlevenden bleven oprukken. Toi trok de pin uit een grote MK3, telde tot drie en gooide hem in de menigte. De explosie omhulde de ingang met een dikke wolk.

‘Nog een!’ brulde Ngan.

De tweede handgranaat, gegooid door Trong, trof de vijanden precies op het moment dat ze overeind kwamen. De granaat brak de aanval af. De vijanden keerden hun de rug toe. Ngan zag twee rennende soldaten die Xam droegen. Hij vuurde een kort salvo. Ze renden nog steeds. Terwijl hij naar voren sprong, vuurde Ngan nog een keer en riep:

‘Aanvallen!’

Hij sprong de grot uit met Toi en Trong achter zich aan. Ba Ren, Hai Thep en alle guerrillastrijders volgden hen en raapten de wapens bij elkaar. Tu Nghiep en Dat bleven bij de doden om hen de patroonbanden en -houders van hun Thompsons af te nemen. Ze hadden twee banden en een aantal patroonhouders veroverd toen de vijand een tegenaanval deed. Door een vijandelijke kogelregen moesten ze terugkeren, onder vuurdekking van hun vrienden. Dat kroop als een kikker en sleepte twee patroonbanden mee. Tu Nghiep kroop langzamer, maar listiger. Ngan verloor hen niet uit het oog en gaf hen vuurdekking.

‘Gedurfd, jongens!’ riep Hai Thep aanmoedigend, toen ze nog maar een paar armlengten van de grot verwijderd waren.

Eindelijk kwamen ze binnen, met hun lichaam vol schrammen en bloedende knieën. Dats ogen schitterden, terwijl hij de patroonbanden neerlegde en met zijn rug tegen de wand van de grot leunde. Zijn hijgende mond vertoonde een brede grijns. Tu Nghiep, die met zijn handen op zijn knieën zat, snakte naar adem en zei:

‘Ja, het ging daar heet toe, jongens!’

Hij pakte een patroonhouder van een Thompson, haalde er een patroon uit en bekeek die. Het gloednieuwe koper schitterde met een vlek paarse lak op het slaghoedje. Nghiep hield de patroon bij zijn neus en riep:

‘Eerlijk waar, hij ruikt lekker naar longan! Vers uit de patroonkist!’

Hij reikte de drager van een Thompson het magazijn aan.

‘Hoeveel wapens hebben we buitgemaakt?’ informeerde hij.

‘Zes! Vijf Garands en één Thompson,’ antwoordde Ba Ren en gaf hem als beloning een Garand met glanzende patronen.

Bij het aannemen van het geweer beefde Tu Nghiep van blijdschap en emotie en hij dacht dat hij droomde. Hij drukte de Garand aan zijn hart en streek liefkozend met zijn hand over de loop tot aan de kolf.

‘Het leven is mooi, hè?’ zei Ba Ren tegen hem. ‘Dat is toch een troost, nadat je het eerst met een bidsprinkhaan moest doen?’

‘Eerlijk waar: dat verzoent je weer met het leven! Wie waagt, die wint, zeggen ze! Mag ik deze dan houden?’

‘Je mag hem houden en we pakken er nog meer!’

‘Met deze Garand ben ik helemaal tevreden. Zelfs als ik dood moet, ben ik nog tevreden.’

Ngan glimlachte ontspannen en haalde zijn rijstbal tevoorschijn. De zon stond al op haar hoogste punt en iedereen had honger. Ze zaten smakelijk te eten en verslonden de rijst van de vorige dag, toen ze Quyen aan zagen komen met hoopjes gedroogde garnalen om uit te delen. Toen dat gebeurd was, ging ze bij de buit zitten en streek liefkozend over de wapens. Daarna ging ze voor haar verloofde staan en legde haar handen op haar borst als om de sterke emotie die haar daarnet beheerst had te bedwingen.

‘Ik heb je naar buiten zien rennen, weet je dat?’

‘Zat je achter de rots?’

Quyen knikte en keek de jonge man, die met veel smaak zijn rijstbal zat te eten, strak aan.

Ze wachtte even en vervolgde verongelijkt:

‘Niemand hier heeft vertrouwen in mij! Ik mag niet meevechten.’

‘Het is geen kwestie van vertrouwen! We hadden je hier nog niet nodig. Als het nodig is, roepen we je wel. Een beetje geduld, liefje!’
 

3

Langzaam opende Xam zijn ogen.

Hij had pijn aan zijn verbonden rechterschouder. Er zaten twee Thompsonkogels in. Hij was er niet aan doodgegaan. Langzaam kwam hij in zijn tent weer bij bewustzijn en probeerde zich te herinneren wat er gebeurd was.

De Vietcong die hem verwond had kende hij van gezicht, al had hij hem maar even boven een rots uit zien komen. Hij kon zich onmogelijk precies herinneren waar hij hem eerder gezien had. Hoe moest hij de gezichten kennen van de honderden mensen die hij gedood of bijna gedood had? Toch had hij de indruk dat het hier ging om een van degenen die hij had laten ontsnappen. Het was de allereerste keer dat hij buiten gevecht gesteld was. “Ik had eerder moeten schieten dan hij,” verweet hij zichzelf.

De hoofdverpleger, een bijziende, bebrilde officier, boog zich over Xam en zei:

‘Uw wond is niet ernstig, luitenant!’

‘Echt niet?’

‘Nee, maar ze heeft tijd nodig om te helen.’

Xam drong niet aan. Hij bracht zijn hand naar zijn borst, streelde zijn lachende godheid en dankte heel zacht voor de bescherming. Wie weet wat hem zonder die godheid overkomen was? De eerste keer na lange tijd dat hij terugkomt in Hon Dat en dan zo’n zware slag! Daar had hij geen rekening mee gehouden. ’s Morgens dat veld vol vallen en nu twee keer die afgeslagen aanval. Zonder twijfel was Hon Dat veel veranderd sinds de tijd dat hij er commandant van de legerpost was. Die vervelende verrassing maakte hem razend. “Dit kan niet,” dacht hij. “Ik jaag ze allemaal een kogel door hun hoofd!” Hij wierp een blik op zijn wond en vroeg de hoofdverpleger:

‘Hebben we de aanval op de grot weer geopend?’

‘Nog niet, grote broer.’

‘Hoezo niet?’

‘We wachten op een order van het opperbevel.’

‘Verdomme!’ riep Xam, terwijl hij tandenknarsend overeind kwam. ‘We zijn met duizend man en laten ons tegenhouden bij de grot en als varkens afslachten! Het is om gek van te worden!’

‘Maar, grote broer, ze zitten in een heel gunstige positie!’

Xam zweeg. De ander had inderdaad gelijk. Het was niet eenvoudig om de grot in te nemen, dat bewees het feit dat hijzelf aan bed gekluisterd was.

‘Daarnet,’ hernam de verpleger, ‘is er een helikopter geland met een aantal Amerikaanse adviseurs. Ze schijnen bevel gegeven te hebben om de grot te belegeren en die lui uit te hongeren. Ik heb net bevel gekregen om het water van het riviertje te vergiftigen.’

Xam ging verbluft rechtop in bed zitten.

‘Gaan we gif gebruiken?’

Omdat de verpleger knikte, liet Xam zijn ongerustheid blijken:

‘En wat voor water moeten wíj dan drinken? En de bevolking? Die gaan dood als ze niet op de hoogte zijn.’

‘Nee, we bouwen een dam en vergiftigen het riviertje alleen bij de grot.’

Xam liet zich achteroverzakken. Hij dacht aan zijn moeder en zijn zuster. Vanochtend was hij bij hen langsgegaan. Zijn moeder was niet chagrijnig en had zelfs vriendelijk tegen hem gepraat. Dat was hartverwarmend. Nu bedacht hij ineens dat hij veel beter bij zijn moeder kon uitrusten dan hier in deze tent te liggen bakken.

‘Ik zou graag naar mijn moeder gaan,’ zei hij.

‘Dat kan niet, grote broer. U hebt intensieve zorg nodig. Het verband moet steeds verwisseld worden. Als uw wond eenmaal dicht is, dan kunt u erheen.’

‘Ben ik over een paar dagen genezen?’

‘Over een paar dagen bent u er in ieder geval beter aan toe.’

Xam zweeg en bleef onbeweeglijk liggen.

Rondom hem hield het tumult maar niet op. De troepen zaten inderdaad te eten. Rondom de grot werd een dubbele linie gevormd: een halve cirkel vlakbij en een tweede verder weg, dichter bij het dorp.

De manschappen die in het dorp gelegerd waren verspreidden zich zo’n beetje overal. Een aantal gardisten zat in het eettentje van mevrouw Ba Ou luidkeels te kletsen. De eigenares, die steeds maar drank inschonk, betoonde zich een ware gastvrouw: ze was goedlachs, had een vlotte babbel en behandelde de soldaten met veel egards.

‘Hoeveel duizend piaster soldij krijgt u, heren?’

‘Hoeveel duizend? Wat denkt u wel? We krijgen maar achttienhonderd cent. [In 1962 was 97 piaster op de vrije markt 1 dollar waard. Vgl. Trullinger, Village at War: An Account of Conflict in Vietnam: 14] Daar kunnen we niet eens behoorlijk van eten!’

Mevrouw Ba Ou zette grote ogen op.

‘Achttienhonderd cent? U maakt een grapje! Daar kun je niet van leven. O, maar ik begrijp het al: u krijgt ook nog kinderbijslag.’

‘Dat is te mooi om waar te zijn, mevrouw! Achttienhonderd cent, daar moeten we het mee doen!’

De dikke vrouw liet haar handen op haar knieën vallen en klakte met haar tong:

‘En ik maar denken dat u minstens drieduizend kreeg.’

De mannen begonnen te lachen om de vergissing van mevrouw Ba Ou. Een korporaal van een jaar of vijfendertig met een donkerbruine huid en warrig haar dronk zijn glas leeg en likte over zijn lippen.

‘Mevrouw, u doet net of de yankees niet op de centen letten.’

‘Maar iedereen zegt dat ze stinkend rijk zijn.’

‘Dat zijn ze ook. Anders hadden ze ons niet kunnen recruteren. Maar neem me niet kwalijk: het zijn geen gekken als het op betalen aankomt! De gekken dat zijn wij.’

De man zweeg, haalde zijn vingers door zijn haar en trok een ontnuchterd gezicht.

‘Uit welke streek komt u, als ik vragen mag?’

‘Ik kom uit Mac Can Dung.’

De verbazing van mevrouw Ba Ou kende geen grenzen.

‘Wat, komt u uit Mac Can Dung, dus uit Binh Hoa?’

‘Jazeker. Kent u het daar?’

‘Nou en of! Voor de oorlog ging ik daar regelmatig heen om gezouten vis te maken.’

Enthousiast ging ze verder:

‘Wat een prachtige streek! Rivieren vol vis, als het water zakt! Alle soorten! Te kust en te keur voor iedereen! En de drijfrijst! Altijd een goede oogst.’

De korporaal boog voorover en keek mevrouw Ba Ou aandachtig aan.

‘U kent mijn streek echt goed, mevrouw!’

‘Jazeker ken ik die. Het is trouwens niet zo ver hiervandaan.’

De soldaten besteedden totaal geen aandacht aan dat afgelegen dorp met de Khmerse naam Mac Can Dung. Toen ze hun alcohol binnen hadden, betaalden ze voor hun drankjes en sleepten zich naar hun kampement. Alleen de donkerbruine korporaal bleef nog achter. Zijn ogen waren helemaal rood. Hij zat gehurkt op het veldbed midden in het eettentje, glimlachte wrang en veegde onhandig de druppels drank weg die parelden in zijn ruige baard.

‘Nog een glaasje, meneer?’

De man pakte zijn glas met beide handen en reikte het mevrouw Ba Ou aan.

‘Nog een, alstublieft.’

De vrouw schonk in.

‘Wat deed u toen u nog in het dorp was?’ informeerde ze.

‘Rijst verbouwen. En vissen, in de maanden na de zaaitijd.’

‘Hoe lang bent u al bij het leger?’

‘Twee jaar.’

De waardin raakte zachtjes de mouw van de korporaal.

‘Als u heel even wacht, dan rooster ik een inktvis voor bij het drankje.’

Zonder het antwoord van de korporaal af te wachten koos ze een inktvis uit de rij die boven de toonbank hing en liep met zware passen naar de keuken. De man zette zijn glas op tafel en wachtte aangedaan. Toen de heerlijke geur zich begon te verspreiden, snoof hij die op:

‘Dat ruikt echt goed!’

Mevrouw Ba Ou kwam terug met in haar hand een bordje waarop een geroosterde inktvis naast een bolletje.

‘Piment met wijnazijn,’ zei ze, wijzend naar het bolletje. ‘Tast toe, meneer.’

‘Dank u…’

De korporaal pakte de inktvis, haalde er de tentakels af, doopte hem in de wijnazijn en bracht hem bedachtzaam naar zijn mond. De waardin zat op een hoek van het veldbed met haar armen om haar knieën toe te kijken hoe hij at en dronk. Daarna vroeg ze:

‘Waarom bent u niet thuisgebleven om het land te bewerken? Dat zal toch minder zwaar zijn dan het soldatenleven.’

De korporaal zette zijn glas neer en krabde op zijn hoofd. Uiteindelijk liet hij zich gaan:

‘Dat was stom van me. Ontzettend stom. En ik ben niet de enige.’

‘Zijn hier nog anderen uit dezelfde streek?’

‘We zijn met vier of vijf. Zij komen niet uit Mac Can Dung, maar uit de buurt: Vinh Hanh, Nang Gu…’

‘Neemt u me niet kwalijk, maar ik ben vergeten te vragen wat uw plaats is in de familie.’

‘Ik heet Co, mevrouw, en ik ben het negende kind.’

Mevrouw Ba Ou knikte. Daarna zei ze met een angstige stem:

‘Vanmorgen was er een hevig gevecht bij de grot. Wat een schietpartij!’

‘Ja, de rangers vallen aan, maar al hun aanvallen zijn afgeslagen. Ze moeten daarbinnen wel met heel veel zijn, dat ze zich zo kunnen verzetten. Wij hebben al vijf doden.’

‘Alle hangmatten zijn gevorderd.’

‘Dat is om de gewonden te vervoeren.’

De man nam zijn glas, boog voorover en zei met zachte stem:

‘Eh, mevrouw, weet u met hoeveel ze zijn, daarbinnen?’

‘Hoe moet ik dat weten, meneer?’

De korporaal zette zijn glas op het veldbed en zei treurig:

‘Wie weet het dan, als u het niet weet? Als u het me vertelt, kan ik voorzorgsmaatregelen nemen. Straks zijn wij aan de beurt, daar komen we niet onderuit! Het is om wanhopig te worden. Ze gaan denk ik tot het uiterste, die heren in de grot.’

Mevrouw Ba Ou gaf een tikje op haar knie:

‘Wat wilt u? Stel dat ze u het mes op de keel zetten. Wat doet u, als u niet dood wilt? U pakt de vijand het mes af of u draait hem de nek om, want als u niets doet is het met u gedaan, nietwaar? Nou, zo is de situatie van die mensen.’

‘Ja, zelfs een worm reageert als je op hem trapt!’

Na een tijdje vervolgde hij:

‘Eerlijk gezegd heb ik weinig zin om me met hen te meten. Ik wil het liefste naar huis om het land te bewerken en paling en vis te vangen. U kent het Hoi Dongkanaal toch wel? Nou, daar maakt mijn vrouw, dat arme mens, jute zakken om te zorgen dat onze kinderen te eten hebben!’

‘Zie je wel?’ riep mevrouw Ba Ou. ‘De vrouwen draaien er altijd voor op! Prachtig hoor, dat u uw gezin zo in de steek laat!’

‘In ‘s hemelsnaam, houdt u alstublieft op, mevrouw! Ik kan hier niet tegen!’ riep hij en trok aan de kraag van zijn jasje.

De korporaal stond op en liep met zware tred naar een pilaar, leunde ertegen en keek van terzijde naar de Mekong. Voor zijn ogen strekten zich tot de horizon de lichtbruine rijstvelden uit. In de verte lag de hoge top van de Ba Thé en het zien van de berg maakte hem diepbedroefd. Hij bleef even staan, stapte langzaam naar binnen, hing zijn Mas-geweer aan zijn koppelriem en haalde de paar piaster tevoorschijn die hij in zijn zak had.

‘Hoeveel krijgt u, mevrouw?’

Mevrouw Ba Ou schudde haar hoofd:

‘Helemaal niets. Praten we niet over.’

‘Nee, nee!’ stamelde de man, ‘ik wil geen misbruik maken van…’

‘Luister, beste man, u bent om zo te zeggen een streekgenoot van me, dus…’

‘Dank u wel dan, beste mevrouw. Nou, goedenavond.’

Onderweg naar het kampement voelde korporaal Co een zekere vreugde bij het denken aan de dikke vrouw, die zijn streek zo goed kende. Waarom had ze hem in ‘s hemelsnaam herinnerd aan het visseizoen en de rijpe rijstvelden? Hij was nog helemaal van streek. Hij herinnerde zich de dagen dat hij zich verhuurde als buffeldrijver en landarbeider bij het binnenhalen van de oogst. Het rijden ging vlot op de kale velden. Hier en daar staken ze in de boerderijen het licht aan voor het avondmaal. De heerlijke geur van de rijst van het seizoen vermengde zich met die van geroosterde vis. De jongetjes die daar aren lazen of visten renden achter zijn wagen aan en vroegen of ze mee mochten rijden. Wat een vrolijk tafereel! In die tijd van het jaar volgde de visvangst in de vijvers op de oogst. Wat verlangde hij terug naar die werkuren in de schemering! Na een uitgebreide maaltijd stookten ze een vuur van kreupelhout en legden de schoven eromheen. Hij was gewapend met een hooivork en schudde de schoven en de rol, getrokken door de buffels, en reed eroverheen om de rijst te dorsen. Groepen vrouwen en meisjes die de rijst wanden barstten in lachen uit. Dan verscheen de maan. Hij werkte zonder pauze door, al pratend met de meisjes. Soms verzamelde hij moed om hen te plagen. Hij was toen nog een knappe jongen. Hij was even donkerbruin als nu, dat wel, maar zag er beter uit en was een harde werker. Na het binnenhalen van de oogst trok hij altijd zijn mooie, witte pyjama aan en ging in die vrijetijdskleding flaneren bij de ijzeren brug, met zijn haar netjes gekamd en een stuk suikerriet in zijn hand.

Hij vond dit leven prettig en niet al te zwaar. Tijdens het eerste verzet had hij zich bij de guerrillastrijders aangesloten om tegen de Fransen te vechten. Toen het vrede werd was hij getrouwd. Daarna was hij door zijn gokverslaving van de rijstvelden vervreemd geraakt. Uiteindelijk had hij zijn vrouw en kinderen in de steek gelaten, evenals zijn hengels en zijn netten en had dienstgenomen bij de landwacht van het marionettenregime. Vandaar was het maar één stap geweest naar de militaire politie. Eerst had hij gediend in zijn provincie Long Xuyen en daarna was hij overgeplaatst naar Rach Gia. Ondanks zijn anciënniteit was hij maar korporaal, doordat hij niet net als zoveel anderen mensen durfde te doden. Gelukkig maar. Door zijn boerenafkomst was hij niet eerzuchtig. In de loop van heel wat klopjachten hadden zijn kameraden er geen moeite mee de gewassen te vertrappen, maar hij liep er liever met een boog omheen, want hij had zelf gezaaid. Hij had ook nooit een buffel als schietschijf durven kiezen.

Hij was een van degenen die niet zo’n behoefte hadden om te vechten in deze expeditie tegen Hon Dat. Bij het begin dacht hij maar één ding: zo gauw mogelijk terug. Toen hij zag dat het aantal doden en gewonden na één ochtend al meer dan dertig bedroeg, zonk de moed hem in de schoenen. Hij kende de guerrillastrijders. Als hijzelf zijn land moest verdedigen, zou hij net als zij zijn palen zo scherp slijpen dat ze al degenen die eroverheen liepen levend doorboorden.

De afstand die korporaal Co scheidde van degenen die bij de vijand de Vietcong heetten en tegen wie hij moest vechten was minder groot dan je zou denken. Hij kon er ook niet toe komen op hen te schieten. Zijn vinger aarzelde aan de trekker.

Hij had gezien dat die guerrillastrijders sprekend op hem leken. Want het waren merendeels boeren. Ze konden net als hij het land bewerken en vis vangen.

Hij werd dodelijk ongerust toen hij hoorde spreken over een verlengde operatie. Van mevrouw Ba Ou tot aan zijn kampement dacht hij aan één stuk door aan zijn geboortedorp. En die onschuldige opmerking van de waardin: “Uw dorp is niet zo ver van hier”, zorgde ervoor dat er een stoutmoedig idee in hem ontkiemde.
 

4

Tot de avond waren er geen nieuwe schermutselingen. Geen hevige vuurgevechten, zoals ’s morgens, maar alleen verspreide schoten van soldaten die op de buffels in de velden vuurden. De arme neergeschoten dieren loeiden hartverscheurend en heel Hon Dat kon hun jammerklachten horen.

De zonnestralen verflauwden in het gebladerte. De zeewind werd steeds krachtiger. Aan de kant van de Zeven Bergen zag je hoe de witte vleugels van de reigers zich losmaakten van hun donkere massa.

Iedere avond keerden de vogels op dit uur terug naar Hon Dat, nadat ze de hele dag op zoek naar voedsel waren geweest. Sinds mensenheugenis brachten ze hier de nacht door in de toppen van de mango’s, waar ze hun nest hadden gebouwd. De vlucht van de witte reigers werd van moment tot moment beter zichtbaar en je kon de tweevlakshoek van hun vleugels al onderscheiden. En terwijl de bergen achter hen paars kleurden, kon je de vogels tellen in hun vermoeide vlucht.

Nauwelijks waren vanavond de eerste vogels aangekomen en op de mango’s neergestreken of ze vlogen geschrokken weer op. Er werd vanaf de grond op hen geschoten. Sommige werden geraakt en vielen op de grond. Andere kwamen aan, werden bang en vlogen meteen weer weg met schrille kreten. Ze cirkelden even en begaven zich vervolgens pijlsnel naar Hon Me.

Moeder Sau, die op haar trap stond en zag hoe de reigers van hun nest verjaagd werden, voelde hoe haar hart zich samentrok. Ze liet zich op een tree vallen en keek naast de grot die verborgen lag achter de bomen. Ze werd verscheurd door ongerustheid. Al sinds de ochtend kon ze niets doen en scharrelde maar wat door het huis. Dat haar dochters Su en Quyen naar de grot waren gegaan, was normaal, maar de kleine Thuy! Meteen na zijn komst was Xam haar komen vragen:

‘Waar zijn je twee dochters?’

‘Ze zijn bang geworden en gevlucht, ik weet niet waarheen!’

‘Ze zijn in de grot gevlucht, oude! Ik waarschuw je, want deze keer maken we ze allemaal koud en we bouwen hier een legerpost in plaats van ervandoor te gaan, zoals de vorige keer. De grot in vluchten heeft geen zin. We gaan hem veroveren, die grot van jullie en we steken ze allemaal dood!’

Na deze bedreigingen ging Xam met zijn mannen weg. Even later werd Hon Dat bestookt door het zware geschut van de marine en de huizen stonden te trillen. Moeder Sau moest dekking zoeken in haar schuilplaats. Op de beschieting volgde hevig geweervuur bij de grot. Moeder Sau was op een ladder gaan staan om boven het dak uit te kijken. De bomen rond de grot waren door de kogels kapotgeschoten. De takken van de mango’s en de kaneelappelbomen vielen op een hoop. Daarna hoorde je de geweren en granaten van de verdedigers in de grot. Op dat moment kwam mevrouw Hai Thep langs.

‘Moeder Sau, waar ben je?’ vroeg ze.

Ze viel het huis binnen en riep nu harder, omdat ze de oude vrouw niet zag.

‘Hier ben ik,’ antwoordde moeder Sau van boven op de ladder.

Mevrouw Hai Thep keek op:

‘O, ben je daar. Kun je wat zien?’

‘Niets! Alleen maar afgebroken takken.’

Moeder Sau kwam van de ladder af, pakte de hand van mevrouw Hai Thep en zei met een brok in haar keel:

‘Ze vallen de grot aan, ocharme! Goede hemel, wat moeten onze mensen doen? Ik sterf van ongerustheid, ze hebben niet veel wapens om zich te verdedigen.’

Mevrouw Hai Thep legde haar baby op het veldbed en spitste haar oren.

‘Hoor je dat? Waarom brullen de huurlingen zo?’

Maar al deed moeder Sau nog zo haar best, ze hoorde de doffe kreten van de soldaten niet.

‘Doet er niet toe,’ zei mevrouw Hai Thep zacht. ‘Mijn man heeft me verzekerd dat ze echt niet zo makkelijk de grot in komen!’

‘Niet meteen, nee. Maar als ze de grot gaan belegeren, hoe moeten onze mensen dan aan eten komen?’

‘Maak je niet ongerust. Ze hebben rijst.’

Moeder Sau zweeg en maakte een betelpruim klaar.

‘Maar vertel eens,’ zei ze, na de pruim in haar mond gestopt te hebben, ‘hoe komen ze aan water om die rijst van jou te koken? Moeten ze soms rauwe rijst eten?’

Mevrouw Hai Thep werd er door deze vraag niet geruster op, want ze had gehoord dat de vijand het riviertje al controleerde.

‘Het zijn allemaal handige mensen. Ze zullen hun rijst vast wel roosteren.’

Daarna ging ze weg en liet moeder Sau achter, die de hele morgen ten prooi bleef aan hevige ongerustheid. Sinds twee nachten was Tam Chan bij Hai Thep, zonder dat iemand het wist. Zelfs moeder Sau wist het niet.

Daarna ging de oude vrouw de varkens voeren. Terwijl ze met haar hand hun voer in de trog mengde, riep ze de dieren, maar dacht aan haar kinderen in de grot. Opeens waren degenen die haar dierbaar waren bij haar weggerukt en verkast naar de grot. Ze leefde voor haar dochters en vooral haar kleindochter. Haar toekomstige schoonzoon en de anderen betekenden evenveel voor haar als familieleden. Allemaal waren ze in gevaar. Hun leven was in de waagschaal gesteld en zij keek vol bezorgdheid naar welke kant de wijzer door zou slaan. Al was ze dergelijke zorgen gewend, ze bleef waanzinnig ongerust, want ze was nog nooit van zoveel kanten tegelijk aangevallen en in het nauw gedreven als deze keer.

De nacht viel. Op de tast ontstak moeder Sau de lamp, waarvan het schijnsel de leegte in haar huis nog voelbaarder maakte. Omdat ze geen zitvlees had, stond ze op, brandde drie wierookstokjes en bad vervolgens met gevouwen handen voor het huisaltaar van haar man:

‘O voorvaderen van mijn man! Bescherm onze dochters en onze kleine Thuy, behoed hen voor alle gevaren…’

Ze knielde een paar keer volgens ritueel en stak de wierookstokjes in het reukvat. Plotseling klonk de stem van een megafoon. Ze sprong op en rende naar de deur.

‘Mededeling aan de bevolking! Het leger van de Republiek Vietnam deelt de bevolking van Hon Dat mee dat het vandaag in talrijke schermutselingen verscheidene communistische bandieten heeft gedood. De overlevenden hebben hun toevlucht gezocht in de grot en weigeren zich over te geven. Het leger vervolgt zijn acties om hen te vernietigen. Wij waarschuwen de bevolking dat het vanaf morgenochtend negen uur streng verboden is zich bij het riviertje te bevinden!’

Moeder Sau dacht bij zichzelf: “Verboden zich bij het riviertje te bevinden? Wat zijn ze dan van plan? En het omroepen van al die doden! Dat moet een grote leugen zijn. Er waren maar twee gewonden. Tham en de kleine Be. Zijn er dan anderen bij gekomen?”

De megafoon loeide nog steeds. Toen hij eindelijk stilviel, hoorde moeder Sau hoog gekef in de laan. Ze pakte de lamp en liep een zwart hondje tegen het lijf, dat kwispelend van blijdschap de trap oprende. Een schim volgde hem. Het was Ut, de jongste zoon van Tu Rau. De jongen droeg een zwart jasje met lange mouwen en had de panden in zijn broek gestopt. Met vier treden tegelijk rende hij de trap op.

‘Ben jij het, Ut?’

‘Ja, oma,’ hijgde Ut. ‘Papa zei dat ik naar je toe moest, omdat je helemaal alleen bent.’

‘Dat is fijn! Kom je in één keer van het strand gerend, dat je zo hijgt?’

‘Ja.’

Ut kwam binnen. Hij was heel stevig gebouwd voor een jongen van dertien; hij had een bruine huid, kortgeknipt borstelhaar en met zijn geprononceerde voorhoofd een even levendig als eigenzinnig uiterlijk. Hij kon niet rustig zitten en neusde, terwijl hij zijn hond riep, overal rond. Na even met de hond gespeeld te hebben, liet hij zich in zijn volle lengte op het veldbed vallen. Maar al gauw kwam hij half overeind en vroeg moeder Sau of er nog wat rijst in de pan zat.

‘Heb je vanavond nog niet gegeten?’

‘Jawel, maar lang voor zonsondergang.’

‘Kom maar!’ zei moeder Sau en pakte de lamp.

De jongen stond op en volgde haar naar de keuken. Ze kwam met een pan rijst en een pan vis. Ut nam een kom rijst en begon met veel smaak te eten.

‘Ik heb niets gegeten,’ zei moeder Sau. ‘Je vader kwam. Hij was ongerust toen hij hoorde dat je grote broer gewond is, maar hij zei niets.’

‘Hij zegt dat dat normaal is als je oorlog voert.’

‘En jij, ben jij bang?’

‘Ik? Helemaal niet. Ik zou ze allemaal koudmaken met granaten.’

Moeder Sau moest onwillekeurig lachen.

‘Hoe kom je dan aan granaten?’

Ut wilde iets terugzeggen, maar hield zich in en ging door met eten. Toen de kom leeg was, schepte hij die vol in de pan.

‘Maar daarvoor zijn de grote eetstokjes!’

‘Zo gaat het sneller,’ lachte Ut. ‘Voor ik die stokjes heb gepakt, heb ik al een kom op!’

Moeder Sau gaf zich gewonnen.

‘Je bent precies je vader,’ zei ze en schudde haar hoofd. ‘Die stopt zich ook zo vol.’

Ut zei niets. Hij vrat nog drie kommen voor hij opstond. Hij slurpte water uit de kruik en kwam de kamer aan de voorkant weer binnen, terwijl hij over zijn dikke buik wreef. Hij ging even op het veldbed zitten schommelen met zijn benen, liet zich daarna achterover vallen en deed een voorstel:

‘Oma, als jij in de kamer gaat slapen, mag ik dan op het veldbed?’

‘Wat je wilt.’

Ze wierp hem een deken toe. Ut spreidde die uit en ging er in zijn volle lengte onder liggen. Ma Sau kauwde nog even op haar betelpruim.

‘Ik vraag me af,’ zei ze na een tijdje, ‘hoe Thuy vanavond in de grot slaapt. Ik ben ook bang dat er vannacht een aanval komt.’

‘Vannacht niet,’ zei Ut van onder zijn deken.

‘Hoe weet je dat? Je bent wel op de hoogte, moet ik zeggen.’

‘Maar het is echt waar. Ik zou heel graag in Thuy’s plaats willen zijn. Het is fijn in de grot. Alleen…’

‘Alleen wat?’

‘Daar liggen de botten van onze mensen die door de vijand gedood zijn. Ik zou bang zijn dat hun geesten achter me aan zaten.’

‘Zeg toch geen domme dingen,’ zei moeder Sau streng. ‘Hoe kun je nou geloven dat degenen die zich voor ons opgeofferd hebben je bang komen maken? Ik wil niet dat je ooit nog van die domme dingen zegt, begrepen?’

Na dit standje zweeg de jongen. Moeder Sau kauwde even op haar betelpruim en deed daarna de deur dicht. Ze doofde de lamp en ging naar bed.

Maar Ut zei onder zijn deken vandaan:

‘Heb je de deur op slot gedaan?’

‘Ja!’

Ut trok de deken weer over zich heen. Maar hij bleef liggen woelen. Moeder Sau was verbaasd. Waarom lag hij zo te woelen en kon hij niet slapen? Waarom was hij bezorgd om de deur? Normaal gesproken ging hij liggen en hij sliep! Ze zei tegen zichzelf dat hij te veel gegeten had om in slaap te komen en dacht er verder niet over na.

De angst kreeg haar weer te pakken. Haar bezorgde gedachten draaiden in een kringetje rond de grot. Ze voelde de dringende behoefte iets te ondernemen om haar mensen te helpen en te ontsnappen aan de beklemming van haar hart en haar hele leven.

Ondertussen lag Ut nog steeds wakker. Hij had zijn eigen zorgen. Hij herinnerde zich de aanblik van een gloednieuwe MK3-granaat die hij in handen had gehad en die sindsdien van hem was. Daarnet had hij zichzelf tegenover moeder Sau bijna verraden. Gelukkig had hij zich op tijd ingehouden. Hij kon zijn geheim met niemand delen. Ieder geluid in de laan, iedere blaf van een hond tegen de maan liet hem schrikken. Hij lag trouwens klaar om op te springen. Bij het eerste gekras van spijkerschoenen zou hij zich uit de voeten maken door de achterdeur. Het plankier was niet al te hoog en hij zou op de grond springen zonder zich te bezeren.

Waarvoor was hij dan zo bang? Waarom zou hij zich bij het minste of geringste uit de voeten maken? Dat wist niemand anders dan hij.

’s Middags had hij al heel vroeg gegeten.

Zijn vader gaf hem een goede raad: “Ga vanavond bij moeder Sau slapen, want die is helemaal alleen.” Hij zei dat hij dat zou doen en ging meteen met zijn hond naar zijn bootje. Toen hij aanlegde bij de kokosboomgaard, kregen de soldaten die daar in een groep aan de voet van de kokospalmen zaten hem in de gaten.

‘Hédaar! Kom eens even hier!’ riepen ze tegen hem.

‘Wat wilt u?’

‘Kun jij in de kokospalmen klimmen?’

Hij stond op het punt om nee te zeggen, al kon hij dat best, toen hij op een dekzeil, dat de soldaten als slaapmat gebruikten, een ordeloze hoop patroonbanden en handgranaten zag liggen. Hij veranderde van mening en besloot naar de troepen toe te gaan.

‘Jawel!’ antwoordde hij. ‘Hebt u zin in kokosnoten, heren?’

‘Ja. Wil jij voor ons klimmen, joh?’

‘Doe ik.’

Zo gezegd, zo gedaan. De soldaten waren wild enthousiast over hem en vonden hem zo behendig als een aap. Inderdaad zat hij in een oogwenk boven in een boom om de kokosnoten los te draaien, waarna ze dof op de grond ploften. Toen iedere soldaat zijn kokosnoot had, kwam hij naar beneden. Ze gaven hem er een, maar die sloeg hij af.

‘Ik eet het iedere dag al, ziet u?’

De soldaten sneden de kokosnoten open met hun dolk. Omdat ze dat niet handig deden, liet Ut hun zien hoe het moest. In het snijden was hij werkelijk volleerd. Hij bekeek de dolk lang en vol bewondering. Daarna boog hij voorover om hem terug te steken in de schede die aan een riem bevestigd was. Toen de soldaten hun buik vol kokosmelk hadden, lieten ze zich achterovervallen om hun lievelingslied Vong Co [lied gecomponeerd in 1919 door Cao Van Lau met de beginregel “Nachtelijke slagen op de trom doen mij verlangen naar mijn man”] te zingen. Ut keek of hij het prachtig vond:

‘Als u zingt, doe ik de begeleiding met mijn lippen, is dat goed, heren?’ Hij gaf een perfecte imitatie van de klank van een dan bau.

‘Wie heeft je dat geleerd?’

‘Niemand! Ik heb het mezelf geleerd.’

‘Opschepper! Je doet toch zeker iemand na?’

‘Ja, de oude Tu Don.’

‘Je bent geweldig, joh.’

Ut was niet onder de indruk van hun complimenten. De soldaten waardeerden hem des te meer en wilden dat hij hun gezelschap hield. Al een hele tijd zat Ut te azen op een granaat die aan een riem hing. Hij ging ervan uit dat hij tot de schemering moest wachten om die te kunnen pakken. Daarom vertelde hij zijn nieuwe kennissen het verhaal van twee monsterlijke slangen, die zich vaak aan het zeeoppervlak vertoonden tussen Hon Tre en Hon Queo. De soldaten vroegen of hij die met eigen ogen had gezien.

‘Eén heb ik er gezien. Er is er trouwens nog maar één. Toen ze nog met zijn tweeën waren, brachten ze boten tot zinken en verslonden de schipbreukelingen. Mijn vader zegt dat er een ruwe zeebonk was, hij heette Thoai. Op een dag wou die met zijn vrouw naar Hon Tre zeilen. Zij stond aan het roer en hij op de voorplecht, gewapend met een bamboestok. Toen de slangen opdoken, deed hij niets. Hij wachtte tot het mannetje zijn kop opstak om hem te verslinden en deelde toen een geweldige klap uit, die de nek van het monster brak. Daardoor is het wijfje alleen over. Maar in haar eentje durft ze de boten niet meer aan te vallen.’

De nacht begon te vallen toen Ut klaar was met zijn verhaal. Zonder tijd te verliezen stak hij stiekem zijn hand uit en trok de felbegeerde granaat los, terwijl hij doorkletste:

‘Dat wijfje kun je hier heel vaak zien.’

Toen hij die laatste woorden uitsprak, zat de granaat al in zijn zak. Hij stond op en zei:

‘Ik moet gaan. Tot ziens, heren.’

‘Kom af en toe nog eens terug!’

‘Blijft u hier nog lang?’

‘Ja, tot we afgerekend hebben met de Vietcong in de grot.’

Ut liep langzaam weg, met het hondje achter zich aan. Maar eenmaal uit het zicht van de soldaten liep hij de benen uit zijn lijf. Vlak bij moeder Sau ging hij een avocadoplantage in, groef een kuiltje en stopte de granaat erin. Zorgvuldig camoufleerde hij de bergplaats, plaatste er een merkteken op en liep vervolgens naar moeder Sau.
 

5

Terwijl Ut ongerust aan zijn granaat lag te denken, maakte zijn broer in de grot moeilijke momenten door. Ondanks al zijn moed was de gewonde ’s avonds opeens gaan kreunen en vroeg de hele tijd te drinken. Quyen, die Nam Nho had vervangen aan zijn ziekbed, durfde niet meer te doen dan zijn lippen met wat druppels soep te bevochtigen. De jonge man verzuchtte:

‘Quyen, zus, waarom geef je me niets te drinken? Ik sterf van de dorst.’

Het meisje lichtte bij met een nieuwe witte kaars en probeerde hem te troosten:

‘Je bent gewond, jongen, en water drinken is verboden, je krijgt alleen een heel klein beetje soep. Zo gauw het beter met je gaat, mag je drinken zoveel je wilt.’

‘Nee, ik wil nú drinken, één teugje maar!’

Quyen draaide zich om en beet op haar lippen. Be begon weer, met een stem vol verwijt:

‘Waarom ben je zo wreed, zus? Houd je dan niet meer van me?’

Het meisje kon haar tranen niet meer bedwingen. Ze druppelde wat was op een steen, zette de kaars erin en ging met dichtgeknepen keel naar Tham.

‘Tham,’ zei ze met een snik, ‘Be vraagt de hele tijd te drinken, wat moeten we doen?’

‘We kunnen hem niet tevredenstellen, dat weet je heel goed. Denk erom.’

Tham zweeg even.

‘Ik denk,’ vervolgde hij, ‘dat hij zijn arm niet kan behouden. Ik heb meer van die gevallen gezien en het is heel gevaarlijk om de zaak op zijn beloop te laten. Volgens mij moeten we het vlees en het bot dat er nu bij hangt afsnijden.’

‘Goede hemel!’ liet Quyen zich ontvallen.

‘Die beslissing moeten we nemen. Het is voor zijn bestwil. Doe wat ik zeg en ga de anderen waarschuwen. Vertel ze ook hoe ik erover denk.’

‘Ik ben bang dat hij de pijn niet kan verdragen.’

Ze hoorden hoe Be zijn stem verhief:

‘Vooruit, zus! Ik ben niet bang dat ze alles weghalen. Oom Tham heeft gelijk. Daarna zal het vast beter met me gaan.’

Hij had dus alles gehoord! Quyen was verbaasd dat hij aandrong. Ze bleef onbeweeglijk staan en kon niet besluiten om verder te gaan. Als ze zich de operatie voorstelde, trok haar hart zich samen van medelijden met de man die ze als haar eigen broer beschouwde. Sinds haar moeder doodgestoken was door bloeddorstige agenten, die haar betrapten bij de bevoorrading met levensmiddelen van partizanen in het bos, woonde hij bij haar vader en haar jongere broer Ut. Tu Rau weigerde te hertrouwen. Het huishouden ging bij gebrek aan een huisvrouw maar zozo en iedereen beklaagde Tu Rau en zijn zoons. Af en toe ging Quyen of haar zuster Su met een bootje naar hun visserijbedrijf om te helpen in het huishouden, orde te scheppen in de keuken en kleren te verstellen. Als tegenprestatie stuurde Tu Rau moeder Sau af en toe een mooie vis of garnalen. Su en Quyen voelden veel sympathie voor Be en Ut en dat was wederzijds. Ze gehoorzaamden en voerden al hun opdrachten snel uit. Be had Quyen gevraagd een goed woordje voor hem te doen om te zorgen dat hij tot de guerrillastrijders toegelaten werd. Omdat hij sterk en moedig was en brandde van verlangen om zijn moeder te wreken, was Quyen met Tu Rau en Ba Ren gaan praten. Ook al was hij te jong, hij werd hij aangenomen, net als zoveel jongens in Zuid-Vietnam, die eerder een geweer in handen hadden dan een baard op hun kin. Be bleek tegen zijn taak opgewassen en deed voor niemand van zijn kameraden onder. Op iedere patrouille deed hij gewetensvol de ronde, zelfs als het stortregende; hij baggerde langs de paden en door de rijstvelden, gewend als hij was aan het zware leven van een zeeman. Door zijn ervaring in het vogels vangen wist hij precies hoe hij stekelvallen moest aanleggen. Vaak vertrouwde hij Quyen toe:

‘Quyen, zus, voor mij is het duidelijk. Als het er heet aan toegaat tussen de vijand en mij, dan is het erop of eronder.’

Daar was Quyen van overtuigd. Uit zijn onverzettelijke kop, uit zijn ogen, die altijd vochtig werden als het over zijn moeder ging, uit alles bleek dat Be de waarheid sprak. En daarom was hij nog niet dood. Zijn eerste gevecht had hem alleen een verbrijzelde arm opgeleverd, die verschrikkelijk veel pijn deed.

Quyen wist dat de afschuwelijke pijn het gekreun van de jongen veroorzaakte. Dat hij akkoord ging met een amputatie van zijn arm was om niet langer te hoeven lijden. En toch aarzelde Quyen en ze kon geen stap verzetten. Ze kon het voorstel van Tham niet aan Hai Thep doorgeven, al vond ze het juist en begreep ze dat het waarschijnlijk goedgekeurd zou worden. Ze had veel medelijden met Be, die nog zo jong was en zijn moeder miste. Op een dag had hij tegen haar gezegd:

‘Ik eet heel graag banh beo [gestoomde rijstpannenkoekjes] met garnalen! Mama maakte dat vaak klaar, toen ze nog leefde.’

‘Maar dat kan ik ook klaarmaken! Eerstdaags nodig ik jullie uit.’

Dezelfde avond maakte ze het rijstdeeg klaar. En de volgende dag genoten Tu Rau en zijn twee jongens bij haar van de banh beo. Toen Be haar naast haar zat om mee te helpen afwassen, zei hij:

‘Het was lekker, maar het allerlekkerste waren toch de eerste die mama uit de vormpjes haalde om me te laten proeven.’

Toen ze dit hoorde, begreep Quyen dat haar banh beo voor Be nooit goed genoeg zou zijn.

Andere anekdotes kwamen haar voor de geest, maar Tham had nog eens gezegd:

‘Maak voort en vraag de kameraden om hun mening, Quyen. Als je wacht wordt het alleen maar erger.’

‘Goed zo,’ zei Be. ‘Zeg maar dat ik het aankan.’

Quyen keerde zich naar Tham.

‘Nee, ik…’

Ze stokte. Bij het licht van de kaars zag ze hoe Be haar strak aankeek.

‘Schiet op! Mijn arm doet verschrikkelijk pijn. Het lijkt wel… of het mijn arm niet meer is.’

Quyen keek hem liefdevol aan; daarna knielde ze met één been op de grond en legde haar hand op het klamme voorhoofd van de jongen.

‘Zus,’ vervolgde Be, ‘weet je nog hoe oud La Van Cau [soldaat wiens arm in 1950 zo zwaar gewond raakte, dat hij een medesoldaat vroeg de arm af te hakken en met een touw af te binden, waarna hij verder vocht] was toen hij zijn eigen arm afsneed?’

Quyen was ontredderd en wist niet wat ze antwoorden moest.

‘Ik weet het niet meer precies,’ liet ze zich ontvallen. ‘Twee- of drieëntwintig.’

Ze zweeg even, stond met een ruk op en liep weg. Ze was bang dat Be opnieuw te drinken zou vragen. Ze kwam Hai Thep, Ba Ren, Ngan en een paar anderen tegen, die op weg waren naar het midden van de grot.

‘Waar ga je heen?’ vroeg Hai Thep.

‘Ik was op zoek naar jou. Be voelt zich beroerd. Ik wou je voorstellen…’

‘Goed, we gaan naar hem toe. We zijn op de hoogte. Moet hij veel kreunen?’

‘Dat valt mee. Hij houdt zich in. Een paar keer kreunde hij zacht toen de pijn te erg werd. Volgens Tham kan hij zijn arm niet behouden.’

‘Goed, we zullen erover denken.’

Toen ze bij hem kwamen, deed Be zijn ogen open en probeerde te glimlachen. Hai Thep ging naast hem staan om zijn arm te bekijken. Terwijl hij het verband oprolde, vertrok Be’s gezicht van de pijn, want het gaas bleef aan het vlees kleven. Terwijl hij hem aan bleef kijken, haalde Hai Thep het verband zo goed mogelijk weg en zei:

‘Houd moed, jongen. In de strijd moet je soms op je tanden bijten.’

Be glimlachte weer. Het deed verschrikkelijk veel pijn, maar hij deed zijn best om niet te kreunen. Toen het verband helemaal verwijderd was, zagen ze bij de elleboog een vormloze massa vlees en bot, donker van kleur en met een onaangename geur. Na de wond onderzocht te hebben, bedekte Hai Thep die weer met gaas. Hij stond op en ging naar Tham.

‘Hoe voel je je?’

‘Het gaat wel.’

Daarna fluisterde Tham hem in zijn oor:

‘De arm van Be moet geamputeerd worden. Doe het snel, anders wordt het erger…’

Hai Thep dacht even na en zei: ‘Je hebt gelijk.’

Hij riep de kameraden bijeen in een hoek, met Nam Nho erbij.

‘Wat denken jullie? Volgens mij moeten we Be redden door zijn arm te amputeren, vlak boven de elleboog. Er is moed voor nodig om dat te doen. Dat zal ontzettend veel pijn doen en Be heeft dan nog maar één arm, maar hij is gered. Ik weet zeker dat hij het aankan. Zijn vader is er niet, maar als we het er allemaal mee eens zijn, dragen we samen de verantwoordelijkheid voor de partij en voor zijn vader.’

‘Ik ga akkoord,’ zei Ba Ren en stak zijn hand op.

‘Het kan niet anders,’ knikte Ngan. ‘Alleen moeten we zeker weten dat Be de operatie aankan.’

Quyen bukte en zei aangeslagen:

‘Hij zei dat ik jullie snel moest waarschuwen. Hij weet zeker dat hij het aankan.’

‘Vraag het hem nog maar een keer.’

‘Goed, ik zal met hem praten,’ zei Hai Thep en stond op.

‘Maar wie doet de operatie?’ vroeg Tan angstig. ‘En hoe gaan we te werk?’

‘We hebben geen zaag,’ zei Ngan. ‘We nemen een kapmes en dat desinfecteren we zorgvuldig.’

‘Wie neemt dit op zich, kameraden?’ informeerde Hai Thep.

Stilte. Het was duidelijk dat niemand het wilde doen.

‘En jij, Ba Ren?’ vroeg Hai Thep.

Ba Ren keek een andere kant uit. Het was de eerste keer dat hij weigerde iets te doen in het belang van de revolutie. Het was ook de eerste keer dat hij zichtbaar ten prooi was aan aarzeling en angst. De sterke kerel, verantwoordelijk voor hun militaire aangelegenheden, was opeens onhandig en in de war. Hij kon met één heftige houw van zijn kapmes een vijand onthoofden, maar was bang om de arm van een van zijn kameraden te amputeren. Zijn hart trok al samen bij het idee dat hij Be een arm af moest hakken.

Hij dacht bij zichzelf: “Waarom kiest Hai Thep mij? Denkt hij dat ik, die verraders de hals af kan snijden, dit ook wel kan klaren? Ik weiger.”

‘Ik zou het niet kunnen,’ zei hij.

Hai Thep keek Ba Ren aan en liep zwijgend naar Be.

Ngan gaf zijn mening:

‘Ieder van ons is in staat om dit voor Be te doen. Toch denk ik dat Ba Ren het beter kan dan wij. Hij heeft er maar één klap voor nodig en dat is voor Be minder pijnlijk.’

Iedereen knikte instemmend. Ha Thep kwam terug:

‘Ik heb met Be gepraat en hij gaat helemaal akkoord. Hij vraagt alleen of we snel willen handelen.’

Alle ogen richtten zich op Ba Ren. Als om al zijn krachten te verzamelen en de zware last die op hem drukte af te schudden, stond Ba Ren ten slotte met een ruk op en zei:

‘Goed, ik doe het! Alleen stel ik voor dat we meteen afrekenen met die twee verraders. We hebben niet genoeg water en rijst om ze in leven te houden.’

‘Dat is van later zorg,’ vond Hai Thep. ‘We moeten ze nog verhoren, dat heeft geen haast. Als we ze kunnen veroordelen voor de hele bevolking, is dat beter.’

‘Dat is waar. We hebben ze in handen, dus waarom zo’n haast?’

Hai Thep richtte zich tot Nam Nho:

‘Zorg jij voor het nodige: mercurochroom, katoen, gaas. Ik blijf hier alleen achter met Ba Ren. Jullie gaan weer op jullie post. We moeten waakzaam blijven. Het kan best zijn dat ze vannacht een nieuwe poging doen.’

Ngan stond op, pakte zijn geweer en ging weg, gevolgd door de guerrillastrijders en Quyen. Toen Nam Nho terugkwam met het benodigde materiaal, zei Hai Thep:

‘Breng water aan de kook om het hakmes van Ba Ren te steriliseren. Zorg dat je dat water bewaart om zijn dorst te lessen. Hebben jullie trouwens nog een ampul voor de verdoving?’

‘Nog twee.’

‘Kunnen we die voor Be gebruiken?’

‘Natuurlijk, dat verzacht de pijn.’

‘Goed. Zeg tegen Ba Ren dat hij me waarschuwt als alles klaar is.’

Hai Thep ging samen met een guerrillastrijder naar Be. Die deed zijn ogen open, alsof hij wilde vragen:

‘Waarom laten jullie het zo lang duren?’

Hai Thep ging naast zijn bed zitten en vertelde hem zo gewoon mogelijk hoe ze de vijand hadden teruggedrongen en welke wapens waren buitgemaakt. Be luisterde en zijn ogen straalden van enthousiasme. Hij klakte met zijn tong van spijt:

‘Ach, was ik maar niet gewond!’

‘Dat zou natuurlijk beter zijn, maar je slaat je er wel doorheen. We moeten alleen dat verbrijzelde lichaamsdeel weghalen. Onder verdoving zal het niet al te veel pijn doen.’

‘Ik zal op mijn tanden bijten. Ik vind het alleen jammer dat ik een arm moet missen.’

‘Ben je er bedroefd om?’

‘Ja en nee,’ antwoordde Be na een korte aarzeling.

Hai Thep glimlachte even. Het gezicht van Be lichtte op en de gewonde vervolgde:

‘Ja, omdat ik mijn geweer niet meer zal kunnen vasthouden. Ik vind het niet erg om gehandicapt te zijn. Toen ik partizaan werd, wist ik dat je door de vijand geraakt of zelfs gedood kunt worden. Ik was erop voorbereid.’

Het antwoord van Be verraste Hai Thep, want hij dacht hetzelfde. Hij zei tegen zichzelf: “Het is waar: als je van tevoren de risico’s weet, ben je niet bang. Be is pas zeventien, maar hij is zo zelfverzekerd als een echte vechter.”

Hij keerde zich naar de guerrillastrijder die bij hem stond en zei zacht:

‘Ga eens kijken of Ba Ren al klaar is met de voorbereidingen.’

Plotseling zei Be ongerust:

‘En waar is Quyen, mijn zus? Waarom is zij er niet? Roep haar, alsjeblieft.’

‘Goed, ze komt direct.’

‘En tegen de guerrillastrijder voegde Hai Thep eraan toe:

‘Vergeet ook Quyen niet te roepen.’

Be bleef kalm. Maar toen Quyen kwam, keerde hij zich naar haar toe en greep met zijn rechterhand de hand van het meisje. Hai Thep legde de gewonde arm van Be op een stapel handdoeken, stak een nieuwe kaars aan en hield die in zijn hand.

Quyen hoorde het piepen van het kleine zaagje en ook de droge tik van de brekende ampul in de vingers van Nam Nho. De vingers van Be knepen harder in Quyens hand.

 

hoofdstuk IV