Hoofdstuk II

afb 2
 

1

Het dorpje Tri Ton werd die avond ruw opgeschrikt. Rijen vrachtwagens vol soldaten uit de richting van Rach Gia wierpen een stofwolk op die dwarrelend neersloeg op de eettentjes, winkeltjes en huizen aan weerszijden van de enige straat in de districtshoofdstad. Zodra de wagens stilhielden sprongen de soldaten eruit om in groepen verder te marcheren, omwolkt door stof. De reguliere soldaten in gevechtstenue en de rangers in camouflagepak hamerden op de weg met hun leren laarzen en linnen schoenen.

Op de drempel van hun deur zagen de mensen hen voorbijgaan en ze leverden met gedempte stem emotioneel commentaar. Bij de rangers zagen ze bekende gezichten, maar niemand haalde het in zijn hoofd om hen aan te kijken. Terwijl de reguliere soldaten uit Saigon wel enige belangstelling voor het dorpje konden opbrengen, hadden de rangers die door de straat marcheerden harde en ijzige gezichten en hun Thompsons en karabijnen wezen naar de grond.

Xam, hun luitenant, sloot de rij met zware pas. Hij had vreemde ogen, waarvan je alleen het wit zag. Zijn camouflage-uniform zat als gegoten om zijn krachtige lichaam. Hij droeg een vreemd hoofddeksel met drie lappen, die dienden om zijn nek en oren te beschermen tegen de zon. Een kepie met “drie gordijntjes”, zeiden de mensen spottend. Een Colt 12 bungelde op zijn dij en de bruine kleur van de holster paste bij zijn gebruinde huid. Verder droeg hij aan zijn koppelriem een karabijn en een hakmes. Al zijn mannen droegen hetzelfde uniform en eveneens een karabijn of een Thompson. Een Amerikaanse dolk droeg nog bij aan hun woeste uiterlijk.

Plotseling stapte Xam een eettentje binnen, greep een fles bier, knipoogde naar de Chinese eigenaar en stapte weer naar buiten. Al marcherend trok hij zijn kapmes uit de schede en sloeg met één houw de hals van de fles. Schuimend stroomde de vloeistof over de rand. Hij bleef staan met zijn hoofd achterover en goot het bier in zijn keelgat. Na de fles voor tweederde leeggedronken te hebben, gaf hij haar aan de soldaat die voor hem liep. Gulzig dronk de man de rest, op dezelfde manier als zijn commandant, wat ze onder deze omstandigheden blijkbaar gewend waren.

Onderwijl kwam er van het gardebataljon een commando:

‘Halt!’

De kazernes van het garnizoen van deze onderafdeling konden maar twee extra bataljons herbergen, terwijl er meer dan drie bij kwamen. De twee reguliere bataljons hadden alle beschikbare ruimte ingenomen. De rest: de militaire politie en de rangers, moest bivakkeren in de openlucht op een braakliggend rijstveld, waarvan de grond door de droogte was gaan barsten.

Na deze order doorgegeven te hebben liet de corpulente kapitein van het gardebataljon zijn compagnies opmarcheren naar het betreffende rijstveld.

Xam stond binnensmonds te schelden:

‘Verdomme! Moet ik buiten slapen in mijn eigen land?’

Desondanks gaf hij zijn mannen opdracht het braakliggende terrein bij het dorp op te zoeken.

De bleke zonnestralen kleurden de bodem geel van de braakliggende rijstvelden rondom de commandopost van de onderafdeling. De soldaten waren druk in de weer. Sommigen spreidden tentzeilen op de grond uit, anderen bepaalden de plaatsing van de vuurpotten en weer anderen dronken grote hoeveelheden water of rijstwijn, zomaar uit hun veldflessen made in U.S.A. Er waren er die zo snel mogelijk languit gingen liggen en hun sigarettenrook de lucht in bliezen. De mannen verspreidden een scherpe zweetlucht, vermengd met de duffe geuren van zware tabak, drank en ook goedkope toiletartikelen. Dat bij elkaar zorgde voor die ondefinieerbare soldatengeur, een weerzinwekkende lucht die rond de huurlingen hing.

Xam trok met een korte ruk zijn hemd open. Allerlei gele en rode draden om zijn polsen, een gouden halsketting waaraan op zijn borst een ivoren plaquette met een afbeelding van een demon met angstwekkende hoektanden; Xam beschouwde deze voorwerpen als amuletten om het kwaad af te weren. Hij liet zich achterovervallen op een grijs dekzeil. Hij leek niet te merken dat zijn sigaret helemaal opgebrand was. Maar plotseling gooide hij de peuk ver van zich af en kwam overeind. Hij liet zijn pupilloze ogen over de mannen gaan, die hun broden tevoorschijn haalden. Een soldaat met een heel klein postuur drong tot hem door:

‘U kunt komen eten, grote broer!’

Xam stond zonder enig enthousiasme op en volgde zijn ordonnans naar een doek die op de grond was uitgespreid. Een gebraden kip, twee grote broden en een geopend blik sardientjes lagen te wachten op een tafellaken van krantenpapier. Na een vluchtige blik betrok het gezicht van Xam:

‘Is er geen rijstwijn meer?’

‘Jawel, grote broer!’

De ordonnans zette naast de etenswaren een grote veldfles neer. Xams ogen schitterden. Zichtbaar tevreden pakte hij de veldfles. Hij schroefde de dop eraf en nam de ene slok na de andere, alvorens de veldfles aan zijn ordonnans te geven. Daarna pakte hij een kippenpootje, zette er zijn tanden in, scheurde het vlees eraf en verslond dat. Het goud van zijn tanden schitterde met een vieze glans in zijn mond. Met zijn vingers veegde hij het vet weg dat uit zijn mondhoeken liep. De ordonnans deelde de maaltijd met zijn luitenant en at en dronk met zichtbaar genot, al hield hij zich uit respect een beetje in. Xam slurpte met volle teugen en knorde telkens van plezier alvorens weer een stuk kip te pakken.

Beiden hadden ze een halve kip op en de hele veldfles rijstwijn, toen de stralen verflauwden van de zon, waarvan de donkerrode schijf nog aan de horizon te zien was.

Een beetje aangeschoten stond Xam op, wankelend op zijn benen. Woest begon hij zijn ribben te krabben. Met een blik op de ondergaande zon gromde hij een vloek die hij alleen begreep en grinnikte zacht. Heel wat van zijn mannen waren net zo zat als hij. Nadat de drank tot de laatste drup gedronken was, braken ze het brood en deelden het. Sommigen hadden hun hemd uitgedaan en zaten met naakt en gebruind bovenlijf. Anderen verzamelden hout, in tweeën gekliefde blokken kajapoet die ze wie weet waar gestolen hadden.

De nacht viel snel. Hier en daar werden vuren gestookt, die het duister doorboorden met hun vlammen. De mannen verdrongen elkaar rond de vuren en brachten water aan de kook in gamellen, die met hun hengsel aan een stok hingen. Ondanks het verbod waren sommigen van hen stiekem het dorp in gegaan om rijstwijn, bier en etenswaren te halen. Het consigne was gegeven door het operationeel commando, maar de commandanten keken wel uit om hun mannen eraan te houden. Xam deed zelfs luidruchtig mee met de braspartijen van zijn rangers. Die staken hem voortdurend in de hoogte en nodigden hem uit om met hen mee te drinken. Ze noemden hem allemaal “grote broer”. Een tweede luitenant met een benig gezicht, die ze “jongere broer” noemden, werd ook altijd door hen uitgenodigd.

Xam wilde door zijn mannen het liefst grote broer genoemd worden; “luitenant” zei hem niets.

‘Grote broer, kom wat drinken met jongere broer!’

‘Onze grote broer is geweldig, hij drinkt maar wordt nooit dronken!’

Xam straalde van plezier bij het horen van die woorden. Hij nam ieders uitnodiging aan en sloeg nooit een glas af. Zijn opnamecapaciteit was werkelijk enorm. Zijn oogbollen, die er gewoonlijk melkachtig uitzagen, werden nu rood, alsof ze verhit waren door de weerschijn van het vuur en gedrenkt in bloed. Zijn trouwe metgezellen verdrongen zich rond hem, gegrepen door een vreesachtige bewondering voor zowel zijn alcoholopname als zijn woestheid bij de slachtpartijen. Onverwachts vroeg een van hen aan zijn commandant:

‘Gaat u morgen in Hon Dat ook even bij u thuis langs, grote broer?’

Xam zette de veldfles rijstwijn die hij wilde legen neer. Hij zweeg een ogenblik.

‘Ja,’ antwoordde hij ten slotte. ‘Ik ga zeker even langs, om mijn moeder en mijn kleine zus gedag te zeggen.’

‘Juffrouw Ca My? Die zal nu wel een hele meid zijn, hè, grote broer?’

‘Ze zal een jaar of negentien zijn.’

‘Ik hoor dat u ze gevraagd hebt in de stad te komen wonen, maar waarom hebben ze dat niet gedaan?’

‘Nee, deze keer laat ik in Hon Dat een wachtpost installeren en daar breng ik ze onder!’

Op zachtere toon voegde hij eraan toe:

‘In Hon Dat is het leven goed. Toen ik daar commandant was van de wachtpost, was ik gelukkiger dan nu. Fruit zoveel je wilt. Ook gedroogd buffelvlees. En ook meisjes meer dan genoeg. Er zijn heel mooie bij, met tieten als kokosnoten. Degenen onder jullie die kleine handen hebben, kunnen die niet helemaal omvatten!’

De soldaten grinnkten van plezier, want ze wisten dat ze dat paradijs vandaag of morgen binnen zouden treden. Weinigen dachten op dit ogenblik aan de dood, geprikkeld als ze waren door de gedachte aan plunderen, zuipen en verkrachten. Voor sommigen was Hon Dat geen onbekend terrein. Ze hadden zich er overgegeven aan alle mogelijke misdaden en waren daar trots op. Als ze bijvoorbeeld zin in buffel hadden, hoefden ze maar te mikken op de dieren die aan de voet van de heuvel graasden. Een van hen vertelde in bijzonderheden hoe hij bij zijn verkrachtingen te werk was gegaan en ging er prat op dat hij dertien vrouwenbroeken had verscheurd. Een ander was er trots op dat hij de schedel van “Vietcongs” [scheldwoord met een samentrekking van “Viet Nam Cong-san”, “Vietnamese communist”] met een bootshaak verbrijzeld had en wel zo grondig, dat zijn uniform onder de hersenresten zat. Maar hun grote broer was de geweldigste. Hij had heel wat mensen met zeldzaam vakmanschap doodgestoken. Een dolkstoot midden in de plexus solaris, die hij vervolgens handig uitrekte om in de wond precies vier vingers te steken en de hele lever eruit te trekken.

Xam had bij heel wat mensen de buik opengesneden en stond bekend om de snelheid waarmee hij de lever greep en de galblaas te pakken had. Maar daar hield zijn virtuositeit niet op. Hij kende nog monsterlijker manieren om te doden. Door zijn aderen stroomde het bloed van zijn vader, een landeigenaar die als een despoot over Hon Dat geheerst had, maar volgens de mensen geen druppel van het bloed van zijn moeder, mevrouw Ca Xoi, de ongelukkige Khmervrouw [afkomstig uit Cambodja] wier leven een lange lijdensweg geweest was waarop ze haar verstand verloren had.

Toch was ze vroeger een mooi meisje geweest met haar donkerbruine huid en haar evenwichtige gang, zo kenmerkend voor de Khmerse pottenbaksters, die water droegen in kruiken van aardewerk op hun hoofd. Al die meisjes, die de hele dag onderweg zijn, leggen per dag gemiddeld dertig kilometer af, dus de afstand van Hon Dat tot Rach Gia. Dat werk verleent hun lichaam een harmonieuze lenigheid. Daarbij houden ze hun kruik ook nog in evenwicht, wanneer ze terugkeren van de bron. Wat ligt er een gratie in het gebaar waarmee ze de caom op hun haar zetten en in hun manier van lopen! Van de bron tot hun huis raken ze hun kruik niet aan. Ze bewegen hun armen vrij en lenig bij het lopen op de zandige paden.

In haar jeugd was mevrouw Ca Xoi een van die meisjes geweest.

Landeigenaar Muu dwong die schoonheid zijn concubine te worden. Thach Kha, de verloofde van Ca Xoi, verliet het land uit wanhoop en ging naar Kompong Cham in Cambodja om zich te verhuren als koelie bij een houtvlotonderderneming. Na de geboorte van Xam verwaarloosde Muu zijn concubine. Hij had meer zin in ongerepte meisjes. Toen Ca Xoi opnieuw zwanger werd joeg hij haar weg, maar hield haar zoon bij zich. Ca Xoi moest afstand doen van haar kind en verliet met wankele pas het grote huis op zijn stevige stenen fundament. Ze keerde terug naar Hon Dat, waar ze in een hutje ging wonen en uit werken moest om in haar levensonderhoud te voorzien. Voor haar bevalling sleepte ze zich moederziel alleen naar een rijstveld en beet op rietstengels om het niet uit te schreeuwen van de pijn. Gelukkig kwam ma Sau die nacht met haar dochter Su terug van een cursus in Vam Rang; onderweg vond ze haar en nam haar mee naar huis. En de kleine Ca My werd geboren in het huis van ma Sau. Een week later kwam Thach Kha terug uit Kompong Cham. Hij viel voor ma Sau op zijn knieën om haar te bedanken en toestemming te vragen om Ca Xoi en de baby mee naar zijn huis te nemen. Ze vormden een huishouden tot Thach Kha nog geen maand later aangevallen werd door handlangers van Muu, toen hij hout was gaan zoeken in het bos. De jonge man sloeg een van de aanvallers neer met zijn bijl, maar werd overmeesterd door de anderen en raakte zwaargewond. Hij sleepte zichzelf naar het erf van zijn huis en stierf. Na dit ongeluk begon Ca Xoi weer potten te bakken om haar dochter groot te kunnen brengen, die in haar gratie en zachtheid een merkwaardige gelijkenis met haar vertoonde.

Xam was als kind altijd verwend door zijn vader en leek in alles op hem. Hij was op allerlei manieren met hem verbonden, allereerst door de boomgaarden en de grond, die door zijn vader per kubieke meter opgekocht en doorverkocht waren. Hij was opgegroeid in het grote, moderne huis. Tijdens het verzet hadden de revolutionaire autoriteiten zijn land geconfisqueerd om het onder de boeren te verdelen en het huis was vervallen tot een ruïne.

Muu was uitgeweken naar Rach Gia. Toen het weer vrede was, keerde hij terug naar het dorp, met zijn zoon Xam, die tweede luitenant in het leger van Diem werd. Hij heroverde het land, herbouwde het huis en uitte zijn in de loop der jaren opgekropte woede door zich met zijn zoon te wreken op de revolutionairen. Xam ging nog woester te werk dan zijn vader, met zijn Amerikaanse karabijn en zijn bende medestrijders, de bloeddorstigste huurlingen die hij in de kleine legerplaatsen in de buurt had kunnen vinden. De rangers van Xam konden allemaal rennen als paarden. Ze achtervolgden de partizanen in het open veld, slopen door de kajapoetbossen en vielen de revolutionaire bases zowel overdag als ‘s nachts aan. Soms, midden in een regennacht of juist bij zonsopgang, begon hun intensieve geweervuur. Bij iedere schietpartij dachten de inwoners van Hon Dat vol angst aan hun geliefde kinderen, neven en partizanen, die nu misschien wel vielen door de kogels.

Meer dan alle anderen, wel honderdmaal, werd Ca Xoi door die schoten gealarmeerd.

Tijdens de opstand van 1959 werd landeigenaar Muu geëxecuteerd. Xam kon vluchten en werd nog bloeddorstiger dan eerst.

Net als overal elders in de wereld heeft in Hon Dat iedere moeder haar verdriet. Maar weinig moeders kenden zo’n lijdensweg als Ca Xoi.

Toen hij commandant van de legerpost in Hon Dat geworden was, bracht Xam zijn moeder en zijn zuster zijden lappen, goud en andere kostbaarheden, die hij tijdens zijn zuiveringsacties geroofd had. Beiden weigerden de cadeaus. Eén keer gooide de oude vrouw zelfs alles naar buiten en verborg haar gezicht in haar handen om in snikken uit te barsten.

 

2

Die avond begaf mevrouw Ca Xoi zich stilletjes naar het eettentje van mevrouw Ba Ou aan de kruising op de weg naar Hon Dat. Ze liep in het duister met in haar hand een kleine, lege fles. Als de inwoners van het dorp ’s nachts iemand in het donker zagen lopen waren ze ervan overtuigd dat het de ongelukkige Ca Xoi was. Inderdaad ging niemand zo als een schim voorbij. Maar de vrouw die door iedereen in Hon Dat als lichtelijk gestoord werd beschouwd bewoog zich in het donker met gemak. Ze stapte nooit mis, struikelde nooit over een steen of in een gat in de weg. Het leek of ze die aan zag komen en moeiteloos ontweek.

Het eettentje was leeg toen ze aankwam. Bij haar binnenkomst zag ze de eigenares bezig met geld tellen bij het licht van een petroleumlamp. Toen ze het geluid van stappen hoorde, keek mevrouw Ba Ou op en zei met heel zachte stem:

‘Bent u het, mevrouw Ca Xoi? Wat wilt u zo laat nog kopen?’

In plaats van te antwoorden hield de vrouw de lege fles op. De eigenares begreep het meteen. Ze hield op met geld tellen om haar klant te kunnen helpen. Haar naam betekende “rondborstigheid” en die verdiende mevrouw Ba Ou ook wel! Ze was inderdaad enorm dik en met oneindig veel moeite kwam haar massa achter de toonbank vandaan. Terwijl ze haar arm uitstak om de fles te pakken, zag je de vetrollen om haar vlezige pols. Ze ging naar een vaatje, dompelde er het bamboenapje in en maakte zich gereed om de fles van mevrouw Ca Xoi met rijstwijn te vullen. Ze goot de drank direct in de hals, zonder een trechter te gebruiken, en toch viel er geen druppel op de grond.

Terwijl ze de fles aan haar klant gaf, vroeg de eigenares haar in het Khmer:

‘Zeg, hebt u het nieuws al gehoord?’

‘Wat voor nieuws?’ vroeg de ongelukkige en ze schudde haar hoofd met het verwarde, geel geworden haar.

‘Xam is in Tri Ton gearriveerd,’ vertrouwde Mevrouw Ba Ou haar toe. ‘Ik ben er vanmiddag geweest en ik zag hem uit zijn vrachtwagen springen.’

‘Xam, zegt u? Is Xam terug in Tri Ton?’ vroeg de oude vrouw, terwijl ze met haar ogen knipperde.

Ze keek verwilderd en sloeg haar ogen neer, alsof ze op de grond iets zocht dat ze zojuist had laten vallen. Daarna liep ze wankelend naar de deur, waar ze over de drempel struikelde en net niet vooroverviel. De fles die ze onder haar arm hield viel stuk op het hout van de drempel en alle drank liep eruit. Maar de vrouw liep onmiddellijk weg en had haast. Mevrouw Ba Ou rende haar met zware passen achterna, greep haar met een mollige hand bij de arm, bracht haar terug naar het eettentje en zei haastig:

‘Kom, mevrouwtje, dan vul ik een andere fles voor u. Kom! Kom binnen, mevrouw Ca Xoi!’

Samen gingen ze het gebouwtje binnen. De eigenares pakte een lege sarsaparillafles, vulde die met rijstwijn, deed de dop erop en gaf hem aan de moeder van Xam.

‘Let goed op,’ zei ze, ‘en laat hem deze keer niet vallen!’

De arme Ca Xoi gedroeg zich als een kind en deed alles wat haar gezegd werd. Ze pakte de fles stevig bij de hals en ging zonder een woord te zeggen weg. Onderweg struikelde ze tegen obstakels, viel een aantal keren en stond in het donker telkens onhandig op.

Ze woonde een eind van de kruising vandaan in een krot met maar één kamer, helemaal achteraf. Bij haar binnenkomst zat haar dochter Ca My op een rieten mat op de grond een jute lap te vlechten in het vaalgele licht van een petroleumlamp. Het meisje sloeg haar ogen op en wierp een vluchtige blik op haar moeder alvorens ijverig verder te gaan met haar werk.

Ca My leek meer op mevrouw Ca Xoi dan haar broer Xam. Ze was een mooi, weelderig meisje van negentien jaar, donkerbruin van huid, maar lichter dan haar moeder. De lange wimpers die haar grote, zwarte ogen sierden glansden als zijde. In het flauwe licht bleven haar lippen paars. Ze was het levende evenbeeld van haar moeder toen die jong was, maar nog mooier.

‘Ca My! Xam is terug: hij is in Tri Ton!’

‘In Tri Ton? Wie heeft je dat verteld, mama?’

‘Mevrouw Ba Ou.’

Toen ze dit gezegd had ging haar moeder op het veldbed zitten, met één been opgetrokken. Ze bleef een tijdje onbeweeglijk zitten en vulde daarna een kommetje met rijstwijn, dat ze in één teug leegde, alsof het water was. Vervolgens bleef ze daar onbeweeglijk naar haar schaduw op de muur zitten kijken. Ze had er een gewoonte van gemaakt om iedere avond, als ze twee of drie zakken gevlochten had, een kommetje rijstwijn te drinken. In plaats van haar dronkenschap en vergetelheid te schenken maakte de drank haar helderder en verlevendigde haar herinneringen. Ze keek naar haar dochter, die zoals gewoonlijk aan haar zakken werkte, en herinnerde zich de tijd dat zij zo oud was. Ze dacht aan de door haar handen geboetseerde kookpotten, die in de oven rood kleurden, aan de toneelavonden waarop haar verloofde Thach Kha, die uit Soc Thung gekomen was, de rol van sprookjesprins speelde en waarop zij met hem in dialoog ging, vermomd als slakkenraapster. Daarna verscheen weer het gezicht van landeigenaar Muu, en de herinnering aan de verstreken dagen in het grote huis. De paar maanden met Thach Kha, waarin ze ondanks hun armoede vreugde had gekend. Daarna het drama, het beeld van haar stervende geliefde op het erf, met zijn gezicht in de aarde en zijn armen op de grond geslagen. Alles kwam weer terug in haar herinnering, terwijl ze beurteling haar schaduw op de muur bekeek en haar over haar werk gebogen dochter. Ze vergat het vervolg niet: de revolutie, die haar een lapje grond gegeven had, haar zoon Xam, die zijn medeburgers doodstak of hun schedels insloeg. “Xam is aangekomen in Tri Ton!” De woorden van mevrouw Ba Ou klonken haar nog in de oren.

“Hij gaat weer mensen vermoorden,” dacht ze. Ze wilde roepen: “Goede hemel! Waarom moet hij weer terugkomen? Was hij maar dood!”

Welke moeder zou haar kind dood wensen? En toch wenste mevrouw Ca Xoi dat heel wat keren. Als hij er niet meer was zou ze minder lijden. Bleef hij in leven en vermoordde hij mensen, dan zou ze op een dag nog sterven van verdriet. De dood van haar zoon of haar eigen dood, aan dat dilemma kon ze niet oplossen. Ca My had haar een keer verweten:

‘Waarom heb je hem ter wereld gebracht? Ik beschouw hem niet als mijn broer.’

Dat had haar dochter Ca My tegen haar gezegd. Zijzelf had haar buren toevertrouwd: “Xam is mijn zoon niet meer!” Heel wat keren had ze met gebroken stem gesmeekt: “Alsjeblieft, doe niet alsof hij mijn zoon is!” Maar als ze deze woorden uitgesproken had trok haar hart zich samen en ze dacht gek te worden van verdriet. Het afwijzen van haar kind is voor een moeder altijd een groot verdriet. Dat van mevrouw Ca Xoi had zijn hoogtepunt bereikt. Met haar scrupuleuze oprechtheid leed ze zo vreselijk, dat ze bijna haar verstand verloren was. Al zeven jaar leefde ze in deze staat van halve waanzin. Met haar verwilderde gezicht en kringen onder haar ogen kwam ze overdag zelden buiten, maar alleen wanneer de nacht zijn sluiers liet vallen. Ze dacht ongetwijfeld dat de duisternis haar aan het oog onttrok.

Hoeveel keer had ze niet geprobeerd haar zoon tot rede te brengen? Xam had haar nooit tegengesproken. Soms schudde hij ontevreden zijn hoofd of wees haar terecht met gespeelde verschrikking: “Mama, wil je dan dat ik bij de Vietcong ga?” Maar dan glimlachte hij meteen. Vriendelijk zelfs. Tegenover zijn moeder leek hij de rol van de zoon te spelen en hij gedroeg zich niet meer als de moordenaar van de Bijzondere Strijdkrachten. In het begin voelde mevrouw Ca Xoi zich onzeker, omdat ze niet precies wist of haar zoon mensen doodgestoken had om hun de lever uit te rukken, waar hij in de geruchten van beschuldigd werd. Al gauw verdween haar twijfel. Toen Xam op een dag bij haar langskwam zag ze in zijn mondhoeken iets van bloed.

‘Er komt bloed uit je mond, Xam!’ riep ze.

Zonder iets te zeggen veegde Xam zijn lippen af. Toen hij weg was kwam Ca My radeloos uit het dorp gerend, schreeuwend met haar handen voor haar gezicht om haar moeder te vertellen dat Xam op het strand zojuist bij een man de buik had opengesneden om er de lever uit te rukken, dat hij toen ergens een huis was binnengegaan om de ingewanden in een steelpan te braden en ze vervolgens op te vreten. Bij die woorden viel mevrouw Ca Xoi in zwijm. Toen ze bijkwam en zich het bloed op de lippen van haar zoon herinnerde, viel ze opnieuw in zwijm. Op een andere dag voerde Xam bij zijn terugkeer van een militaire expeditie in Vam Rang een paar mannen mee. Niemand wist of het militairen waren of niet. Toen ze hoorde dat haar zoon de ongelukkigen onderweg dood wilde steken, ging mevrouw Ca Xoi haastig op weg, in de hoop hem daarvan af te brengen. Toen ze bij hem kwam, had Xam de anus van zijn slachtoffers al met zijn dolk opengesneden. Hij maakte de ongelukkigen los, maar zodra die opstonden vielen hun darmen er van achteren uit. Zijn moeder slaakte een kreet van ontzetting en zakte bewusteloos neer op de weg. Xam moest haar naar huis laten brengen. Toen ze ’s avonds bijkwam en Ca My aan haar bed zag, sloeg ze met haar handen op het bed en riep tegen haar:

‘Om ‘s hemelswil, ga weg, Xam!’

De mensen beweerden dat ze die dag haar verstand verloren had.

Dat was niet helemaal waar. Of ze haar verstand al dan niet verloren had was niet met zekerheid te zeggen. Ze gaf zich namelijk niet over aan geweld. Integendeel: ze was voor iedereen bang en meelijwekkend in haar pogingen zich aan alle blikken te onttrekken. Bovendien was ze soms heel helder. Ze vergat nooit wat ze bij mevrouw Ba Ou op krediet gekocht had. Iedere keer als ze zakken verkocht had gaf ze het juiste bedrag aan Ca My om de zaken verder te regelen. Bij het maken van de zakken was ze even handig als vroeger en maakte nooit één enkele weeffout. Abnormaal aan haar was de gewoonte om op haar knieën te vallen voor iedereen die bij haar langskwam en daarbij te huilen en te snikken als om vergiffenis te vragen voor haar zonden. Hai Thep, Tan, Ba Ren, ma Sau, Su en Quyen waren degenen die haar het meeste overeind moesten helpen. Dat kwam doordat zij vaker bij haar kwamen dan de anderen. Eerst om haar in te fluisteren wat ze Xam vertellen moest. Daarna om haar te troosten en bij te staan als Xam onverbeterlijk gebleken was. Hai Thep had een keer tegen haar gezegd:

‘Wees gerust, tante Ca Xoi, iedereen hier mag u graag en heeft respect voor u. Niemand zal u in de steek laten, neem dat maar van me aan.’

En de arme vrouw was in snikken uitgebarsten.

In het begin durfde ze niet met de mensen mee te doen aan politieke demonstraties, omdat ze zichzelf onwaardig vond. Maar op een dag gingen ma Sau en anderen haar halen:

‘Mevrouw Ca Xoi, bent u klaar om met ons mee te gaan?’

Ze was buiten zichzelf van vreugde en haastte zich om met de demonstranten mee te gaan. Daarna was ze bij alle demonstraties aanwezig. Daarbij was ze op een dag recht tegenover de karabijn van haar zoon komen te staan. In die beslissende minuut had ze met het gezag van een moeder het wapen bedwongen en voorkomen dat hij ging schieten en er zo voor gezorgd dat de menigte kon oprukken.

Dat was de geschiedenis van de krankzinnigheid van mevrouw Ca Xoi. Niemand in Hon Dat nam haar iets kwalijk. Ze werd beschouwd als een noodlijdende vrouw, terwijl Xam en zijn vader uitbuiters waren. Niemand nam haar iets kwalijk en toch voelde ze zich niet op haar gemak. Want wat de mensen ook zeiden, zij was de moeder van Xam en haar bloed stroomde door de aderen van het monster. Dat was wat haar kwelde.

Wat Ca My betreft: die was heel duidelijk. Voor haar was het niet genoeg om te zeggen: “Ik erken hem niet als mijn broer!” Ze meende dat werkelijk en beschouwde Xam als een vreemde. Sterker nog: een vreemde voor wie ze een afkeer had gekregen. Als hij bij hen op bezoek kwam, sprak ze geen woord tegen hem. Ze was geschokt, protesteerde hevig en was diepbedroefd als iemand het over Xam had en zijn naam tegenover haar uitsprak.

Je moest zien hoe ze tot de partizanen doorgedrongen was en hoe ze in de moeilijke jaren tot de revolutie was gekomen. Met een haast alsof de duivel haar op de hielen zat.

Nu was ze kandidaat-lid van de Jongerenfederatie. Sinds ze op de bijeenkomsten uitgenodigd werd was ze steeds ijveriger en altijd bereid welk werk dan ook te doen, of het nu het zetten van vallen was of het aanleggen van loopgraven. Ze zong graag en kon dat ook heel goed. Ouderen die haar hoorden zingen verlangden terug naar die verre nachten waarin ze dwars door de velden naar Soc Thung trokken om mee te werken aan de voorstellingen waarin Thach Kha en Ca Xoi de hoofdrollen vervulden. Ca Xoi zelf raakte bij het luisteren altijd van haar stuk en dan stroomden de tranen over haar wangen.

Ze was gaan drinken op de dag dat haar zoon een bloeddorstige figuur was geworden en haar hart gebroken had. Hetzelfde hart dat eerder nog gewild had dat hij Xam genoemd zou worden.

Vannacht dronk mevrouw Ca Xoi, zoals gewoonlijk…

Eén kommetje, net als anders. Maar vandaag maakte ze de fles nog een keer open en schonk een tweede kommetje in, dat ze langzaam en zeker niet gulzig dronk.

Ca My, die over haar werk gebogen zat, mopperde:

‘Nu neem je er nóg een! Alsjeblieft, mama, dit is genoeg.’

Plotseling klonk er geschreeuw in de laan en daarna een stem, die in het Khmer riep:

‘Ca My, ben je thuis?’

Het meisje herkende de stem van haar vriendin Quyen. Ze legde de half afgewerkte zak neer en riep, terwijl ze opstond:

‘Ja, ja!’

Snel deed ze de deur open en glipte naar buiten. Quyen pakte haar hand. Gehurkt op de grond praatten de twee meisjes op gedempte toon.

‘Heb je het nieuws al gehoord?’

‘Welk nieuws?’

‘De vijand gaat een zuiveringsactie in het gebied organiseren. Straks gaan we de bevolking waarschuwen. De soldaten zijn met groot machtsvertoon in Tri Ton aangekomen. Onze guerrillastrijders staan klaar. Ik heb zelf net vallen gezet.

Jij krijgt ook iets te doen, maak je maar niet bezorgd! We hebben besloten jou in te delen bij de groep voor de legale strijd. Weet je dat Xam ook deel uitmaakt van de expeditie?’

‘Dat wist ik.’

‘Luister: als ze hier komen, moeten we ze niet alleen bestrijden met onze vallen en granaten, maar ook de politieke strijd voeren en onze partizanen te hulp komen. Omdat jij nog niet ontmaskerd bent en omdat de soldaten jou niet durven aan te raken waar Xam bij is, ben jij verantwoordelijk voor de verbinding en bevoorrading.’

‘Alsjeblieft, laat mij de mijnen leggen,’ smeekte Ca My.

‘Dat doen anderen al.’

Ca My dacht even na en zei:

‘Goed, afgesproken. Maar ik hoef niet zo nodig voor jullie uit te gaan. Dat is moeilijk, snap je?’

Quyen sloeg haar armen om de schouders van haar vriendin en zei liefdevol:

‘Niemand wil dat graag, maar omdat de revolutie het wil… Luister: onze mensen raden je aan om handig te werk te gaan en je niet door woede mee te laten slepen. Je moet koelbloedig zijn. Zo nodig spreek je ze zachtmoedig aan en je zingt zelfs liefdesliedjes… Nu, je begrijpt wat je te doen staat. We rekenen op je, liefje!’

Ca My beet op haar lippen en knikte energiek. Bij het afscheid omhelsde ze Quyen en gaf haar een paar klinkende kussen.

 

3

Achter de dichte deur trokken Ngan en twee mannen van zijn detachement, Trong en Toi, bij de oude Tu Don het camouflageuniform van de rangers aan. Ngan, die zich vermomde als tweede luitenant, zette de onvermijdelijke “kepie met drie gordijntjes” op zijn hoofd. Hij ging voor zijn kameraden staan, die zich al verkleed hadden en vroeg:

‘Kan het zo?’

‘Het lijkt sprekend. Ba Phi zal er zeker in trappen.’

Toi en Trong droegen ieder een Thompson aan een koppelriem en Ngan trok zijn Colt 12 en telde de patronen in het magazijn: het klopte. Hij schoof het magazijn in het pistool en stak dat in de holster. Tan droeg geen vuurwapen, maar alleen een groot mes tussen een gestreepte doek om zijn middel.

‘Laten we gaan!’ zei Ngan.

Ze stapten naar buiten. Voorbij het dorp Van Thanh liepen ze door de rijstvelden in de richting van Van Hiep. Bij hun binnenkomst in dat dorp vroeg Tan zijn kameraden daar te blijven tot hij terug was. Hij ging op pad als verkenner.

Het duurde niet lang of hij kwam terug.

‘Alles is rustig, we kunnen gaan!’ fluisterde hij.

Ze volgden Tan. Terwijl ze de rivier volgden, ontdekten ze in de verte de lichten van de barak van Ba Phi. Het water stroomde snel naar zee, bulderend en wervelend. De stroom rukte aan de palen en boven aan een ervan schommelde een groen licht.

‘De fuiken liggen niet op hun plaats vannacht,’ mompelde Tan.

In het tegenovergestelde geval hijsen ze altijd een rood licht.

Het groene licht wierp een bleek schijnsel op de woelige golven. Bij iedere stap was de barak duidelijker te zien. Het was een groot huis op palen, dat een eind de rivier in stond. Het verspreidde een zwak schijnsel. Een walm van vis, zeezout en geweekte maniokschillen drong de neusgaten binnen, zoals bij de nadering van ieder viswater.

‘Hij is thuis!’ fluisterde Tan in het oor van Ngan.

‘Goed! Blijf buiten. Wij gaan alleen naar binnen.’

Ngan liep snel vooruit met zijn twee mannen. Hij was gewend de stier bij de hoorns te vatten en begaf zich dan ook regelrecht naar de deur, zonder aarzelen en met Toi en Trong achter zich aan. Hij bleef staan voor de klapdeur, die bedekt was met latanpalmbladeren en spitste zijn oren, maar kon niet horen wat er binnen gezegd werd. Hij klopte. Direct viel het gesprek stil. Ngan klopte weer en vroeg toen zacht:

‘Is meneer Ba Phi thuis?’

Stilte. Daarna klonk een bazige stem:

‘Wie is daar?’

‘Goed volk! Doe maar open!’

Ngan hoorde het geluid van sloffende sandalen. De grendel werd luidruchtig weggeschoven en de klapdeur ging open. Een opgeblazen, vet vrouwenhoofd verscheen in het licht van een lampion. Ze sperde haar amandelvormige ogen wijdopen en hield de lamp hoger om de bezoeker te kunnen herkennen. Ngan had haar nooit eerder ontmoet, maar veronderstelde dat het de bazin was.

‘Is meneer Ba Phi thuis, mevrouw?’ informeerde hij.

De vrouw knipperde met haar blinkende ogen:

‘Jawel! Kom toch binnen, heren.’

Ngan hield een vinger voor zijn lippen opdat de vrouw niet te hard zou praten.

Ze ging achteruit om de drie mannen binnen te laten. Ngan deed de deur dicht met zijn hiel.

Op dat moment bewoog het gordijn van de kamer links en een kaal hoofd verscheen. De eigenaar met het blinkende hoofd was een man van een jaar of vijftig, dik en pafferig, in zijn onderhemd. Hij keek flets uit zijn ogen, alsof hij net wakker was. Ngan knikte bij wijze van groet:

‘Bent u meneer Ba Phi?’

De man boog met zijn handen voor zijn borst:

‘Jawel, luitenant!’

Ngan beschouwde deze onderdanige houding als een goed voorteken.

‘Ik moet u spreken! Ik zal me voorstellen: ik ben hier in opdracht van luitenant Xam.’

Hij wees naar een punt ergens achter het huis:

‘We komen zojuist van de onderafdeling.’

‘Weet ik, weet ik… Welkom, heren! Kom binnen, alstublieft!’

De dikke man schoof het katoenen gordijn opzij om de bezoekers binnen te laten in de kamer, een groot vertrek met een in het gebruik glad geworden veldbed en achterin een groot bed met een muskietennet. De drie bezoekers namen plaats op het veldbed. Met samengeknepen ogen inspecteerde Ngan de ruimte en richtte zich vervolgens tot Ba Phi:

‘U hebt hier een prettig leventje, zeg! Wij hebben uw comfort en ook uw rust niet… Ze zijn sinds kort weer flink bezig bij de Vietcong!’

‘Wat u zegt, luitenant! Ik hoorde vanmiddag dat u en de heren van het leger aangekomen zijn. Mijn vrouw en ik waren ontzettend blij! We hebben dag en nacht op u gewacht, er kwam geen eind aan!’

Hij keerde zich naar zijn vrouw:

‘Zet jij even water op?’

Daarna sloeg hij zijn ogen op en vervolgde, naar de omgeving wijzend:

‘Hebben de heren de omgeving al bezet?’

‘Jazeker!’

‘De hemel zij dank! En ik had dat helemaal niet in de gaten! Wat doet u dat onopvallend!’

Hij uitte een krachtterm en zei met zijn kiezen op elkaar:

‘Deze keer kunnen we lachen! Die honden van de Vietcong maken hier de dienst uit, luitenant. Ik wijs ze u wel aan, de mannen en de vrouwen, want ik ken ze allemaal! U hoeft alleen maar de trekker over te halen, net als bij de jacht op watersnippen!’

‘Meneer Ba Phi, daarvoor zijn we ook bij u gekomen.’

‘Prachtig! Prachtig!’

Hij hees zichzelf overeind en pakte van een plank een blad van glanzend ebbenhout. Daarop stond een theeservies versierd met een rode draak en er lag een pakje lichte sigaretten van het merk Rubis. Hij schudde de sigaretten er half uit en presenteerde het pakje met alle mogelijke egards aan Ngan, Toi en Trong. Daarna liep hij naar de keuken. Ngan tikte zijn sigaret een paar keer tegen de nagel van zijn duim. De vrouw des huizes zette de ketel op het vuur en ging naar Ngan, kwam heel dicht bij hem staan en vroeg met haar ogen half dicht:

‘Kunt u hier nog even blijven, heren?’

‘We hebben alle tijd. Hoezo?’ vroeg Ngan verbaasd.

De amandelvormige ogen van de vrouw knipperden verleidelijk:

‘Een borreltje, wil dat er wel in?’

“Niet weigeren,” zei Ngan tegen zichzelf. Hij keek uit zijn ooghoeken naar de vrouw en terwijl hij voldaan zijn voeten bewoog vroeg hij met een brede glimlach:

‘Hebt u krab, of garnalen?’

‘Jammer genoeg niet, niets vers vandaag. Alleen gedroogde kreeft. Maar tussen twee haakjes: u krijgt eendensoep! Van heel jonge eendjes, goed in het vlees!’

Zonder Ngans antwoord af te wachten ging ze naar de keuken en riep tegen haar man:

‘Hé, ga even eenden vangen! Twee, graag!’

Haar man, die de ketel in de gaten hield, antwoordde:

‘Ja, dat doe ik. We laten de luitenant en de heren even rustig hun thee drinken. Het water kookt!’

Hij bracht de ketel naar de kamer en schonk kokend water in de theepot, waar de thee al in zat. Hij liet de thee even trekken en schonk daarna de kopjes in. In zijn mollige handen wrijvend nodigde hij hen uit om te drinken. Zelf nam hij een slok en slaakte een ontspannen zucht; vervolgens liet hij zijn bezoekers alleen, sloeg de pijpen van zijn broek om, verlegde een paar planken en liet zich door een soort openstaand luik in het plankier zakken. Je hoorde de eenden snateren van schrik. Met het theekopje in zijn hand keek Ngan naar de ronde, melkwitte rug van de eigenaar van de viswateren, die tussen de palen in de weer was om het pluimvee te vangen. Ngan zag de man tekeergaan en kookte van woede. “In ieder opzicht een ijverige schurk!” zei hij tegen zichzelf.

Onder het plankier stoven de eenden wild snaterend uiteen. De vrouw hurkte bij het luik met tussen haar tanden een paar snoeren van kokosvezel. Zodra haar man haar een eend aangaf, greep ze het dier bij zijn vleugels en bond het snel vast alvorens het op het plankier te gooien.

Na de eenden gevangen te hebben, nam de man een bad in de rivier. Daarna begaf hij zich achter het huis om zich met zoet water af te spoelen. Vervolgens kwam hij de kamer in, gekleed in een bonte sarong, en kamde de paar haren achter op zijn hoofd. Ngan trok zijn aandacht met een gebaar en zei:

‘Meneer Ba Phi, als we vóór de soep eens over zaken praatten, om tijd te winnen?’

‘Ik sta tot uw beschikking, luitenant!’

‘U hebt vast wel een kaart van deze streek!’

Zonder te antwoorden ging de dikke man de kamer uit en kwam terug met een eind bamboe, dat hij tussen duim en wijsvinger hield. Terwijl hij ging zitten legde hij de bamboebuis op zijn dijen en trok er een stuk opgerold papier uit, een paar handbreedten lang en een duim dik. Ngan nam het van hem over en rolde het uit. Toi en Trong zetten vier kopjes op de hoeken van het papier om te voorkomen dat het oprolde. Op een dubbel blad uit een schoolschrift zag Ngan een onbeholpen maar gedetailleerde ballpointtekening. Huizen, tuinen en ook nog kronkels die waarschijnlijk heuvels voorstelden.

Plotseling keek Ba Phi naar de jonge man en vervolgens naar de al vergrendelde deur, met een flikkering van angst in zijn ogen.

‘Wees gerust,’ ze Ngan. ‘Onze mensen beheersen het gebied. U kunt rustig praten. U zult wel weten dat we Hon Dat morgen aanvallen.’

‘Ik weet het,’ fluisterde de eigenaar van de viswateren, terwijl hij de sarong strak trok om zijn middel.

Hij boog voorover en liet zijn door de nicotine geel geworden wijsvinger over de kaart gaan:

‘Kijk. In de huizen met een rood kruis wonen mensen van de Vietcong. Zorg dat u dat onthoudt, luitenant.’

‘Gemarkeerd met een rood kruis,’ herhaalde Ngan. ‘Begrepen.’

De duim van Ba Phi met een net zo vuile nagel als de wijsvinger begon iets aan te wijzen op de kaart:

‘Hier was een wapenfabriek. Op grond van mijn rapport heeft de luchtmacht een hele hoek van het bos in brand gestoken, maar ze zijn erin geslaagd het materieel te redden en af te voeren. De grot van Hon Dat, hier, is geducht. De laatste keer hebben degenen die daar zaten al onze aanvallen afgeslagen. We hadden grote verliezen. Vandaag moeten we de toegang tot de grot dus eerst afsnijden.’

Terwijl hij naar de spion luisterde zei Ngan onwillekeurig tegen zichzelf: ‘Gevaarlijk, morgen! … Nu, je krijgt wat je verdient!’

Toen de man alles wat hij wist op tafel had gelegd, rolde Ngan de kaart op en gaf hem terug met een schouderklopje:

‘Goed! Daar is niets tegen in te brengen, dat is goed werk. Als de operatie eenmaal geslaagd is, krijgt u vast wel een mooie beloning.’

Daarna keerde hij zich naar de keuken en riep met een vrolijke stem:

‘En, mevrouw? Komt het eten al?’

‘Ja, ja!’ antwoordde de vrouw, terwijl ze haar steelpan uitschraapte. ‘Het orgaanvlees is klaar!’

Even later kwam ze binnen met een schaal vol orgaanvlees van de eenden, gebraden met ui en heel smakelijk om te zien. Haar man boog voorover om de geur die het vlees verspreidde op te snuiven en ging toen snel naar de andere kamer. Hij kwam terug met een fles rijstwijn van het merk Blauwe Draak onder zijn oksel en vier glaasjes tussen zijn vier vingers geklemd.

Met zijn tanden verwijderde hij het rode celluloid om de hals en smeet de resten weg. Na een blik op de dampende schaal keek Ngan Ba Phi plotseling recht in de ogen en vroeg:

‘Eh, meneer Ba Phi, hebt u al eens mensenvlees gegeten?’

De man zette de fles op het veldbed en schudde zijn hoofd.

‘Aiaiai, luitenant, dat durf ik nog niet! Ik heb van de heren die het gegeten hebben gehoord dat het heerlijk smaakte… Maar dat gaat me toch iets te ver.’

Ngan barstte in lachen uit en vervolgde, half ernstig en half voor de grap:

‘En uw werk als tipgever, doet dat u wat?’

‘Dat is niet te vergelijken, luitenant: je loopt geen risico als je het goed doet… Ik ben niet gek, ik zorg wel dat ik niet ontdekt word!’

Daarna legde de man zijn handen op zijn buik en zei in het oor van Ngan:

‘Met alle respect, luitenant, maar hebt ú het wel eens geproefd?’

‘Wat bedoelt u?’

‘Eh, vlees… Mensenvlees!’

‘O, dat! …’

Met een knipoog naar Toi en Trong vervolgde de jonge man:

‘Die twee rare snuiters hebben het geprobeerd. Ik niet. Het is niet dat ik de kans niet krijg, maar het zegt me niets. Ik houd alleen maar van lever, ziet u. En van gal! Opgelost in alcohol is het een probaat middel tegen tbc! En zou u dat durven proeven, als u de kans kreeg?’

De man zweeg een ogenblik. Daarna schudde hij zijn kale hoofd en lachte diep in zijn keel:

‘Om eerlijk te zijn: het lijkt me niet zo appetijtelijk… Maar ja, als de gelegenheid zich voor zou doen, zou ik geen nee zeggen, alleen al om te weten waarom de heren die het geproefd hebben het zo lekker vonden!’

‘Goed, dan geef ik u één of twee kilo. Morgen is er vast wel meer.’

Alsof hem plotseling iets te binnen schoot, schakelde Ngan opeens over op een ander onderwerp:

‘Tussen twee haakjes: ik was vergeten… En degenen die u helpen bij uw werk?’

‘Mijn vissers?’

Ngan knikte.

‘O!’ riep Ba Phi, die het eindelijk begreep. ‘Ik heb niemand. Ik werk niet graag met anderen samen. Wij werken alleen, mijn vrouw en ik.’

Ngan oordeelde dat het geen zin had om door te gaan met de komedie. Het was genoeg. Meer dan genoeg om hem te laten koken van woede. Hij wisselde met zijn kameraden een blik van verstandhouding.

Ngan tikte op de schouder van Ba Phi, die de glazen inschonk:

‘Zeg, vriend, nu is het wel genoeg. Niemand gaat jouw drank opdrinken!’

Hij stond op en riep:

‘Het is uit met de pret! Ik ben je luitenant niet, smeerlap! Wij zijn bevrijdingsstrijders, die je komen arresteren, begrepen?’

Al bij Ngans eerste woorden had Toi de loop van zijn machinepistool op de borst van de spion gezet. De man maakte radeloze gebaren en schreeuwde:

‘Kom, kom, geen grapjes, heren!’

‘Dit zijn geen grapjes!’

Ngan bond de armen van de man aan diens lichaam. Trong duwde de vrouw zonder consideratie de keuken uit. Toen ze allebei beseften wat er aan de hand was, werden ze lijkbleek. Al had hij geen druppel alcohol gedronken, de ogen van de spion waren bloeddoorlopen en zijn handen beefden. De vrouw sperde haar ogen wijdopen in verbijstering en verstarde haast.

 

4

Het was al heel laat toen ze Van Thanh bereikten. Tan liet de spionnen door twee van zijn mannen naar Hon Dat brengen. Ngan, Toi en Trong legden hun vermomming af en begeleidden Tan naar de gevechtsposities, aan het einde van de boomgaarden en het begin van de grote vlakte, die reikte tot aan Tri Ton. De vijand kwam gewoonlijk uit die richting.

Zodra ze in de boomgaarden waren, stuitten ze op Ba Ren.

‘Hebben jullie hem gepakt?’ vroeg hij.

‘Ja,’ antwoordde Tan, ‘ze worden naar Hon Dat gebracht.’

Toen hij hoorde hoe de arrestatie verlopen was, moest Ba Ren schateren van het lachen. Daarna pakte hij zijn kameraden bij de arm en zei:

‘Kom, de jongens zijn aan het graven. Tam Chan is net gaan kijken en heeft ons opdracht gegeven om stellingen te graven voor alle groepen van drie man. Individuele schuttersputten, maar gegroepeerd. Hij zei dat we aan de rand van de boomgaarden onmogelijk zonder verdedigingswerken kunnen vechten. Hij dreigde ons zelfs geen toestemming te geven om te vechten, als onze stellingen te wensen overlieten.’

‘Maar waar is hij naartoe?’

‘Hij is met Hai Thep terug naar Hon Dat. Hij heeft Nam Nho en de kleine Diep opgeroepen. En die zijn allebei gekomen! Meestal vindt hij het wel goed, maar in dit werk is hij heel precies. Ik ben wel van hem onder de indruk, moet ik zeggen!’

Ba Ren liep voorop met een lamp en adviseerde zijn kameraden:

‘Kom achter me aan en let op de valkuilen! Dit is niet het moment om op de palen gespiest te worden, hè?’

Tan kende de plaatsen van de valkuilen uit zijn hoofd, maar Ngan moest vlak achter Ba Ren lopen. Ze trokken door kaneelboomgaarden en de zachte geur van de rijpe vruchten prikkelde hun neusgaten. Nu en dan viel er een overrijpe vrucht op de grond, wanneer zij langskwamen.

‘Dit is een ideale omgeving om de vijand tegen te houden,’ zei Ngan. ‘Zelfs zonder bevoorrading kunnen we ons altijd nog redden met het gevallen fruit.’

‘Niets voor mij,’ zei Tan. ‘Ik houd meer van bananen, die voeden meer.’

‘Wat grappig dat jullie al aan je maag denken,’ lachte Ba Ren. ‘Ik ben alleen maar bang dat we niet genoeg munitie hebben voor onze proppensschieters. En dan heb ik het nog niet over de bidsprinkhanen, [eenvoudige mortier, waarvan het silhouet deed denken aan een bidsprinkhaan] waarvan je nooit weet of ze het zullen doen!’

‘Bij het testen schijnen ze een donderend lawaai gemaakt te hebben.’

‘Ja, bij het testen… Maar zegt dat hoe ze het tegenover de vijand doen?’

‘Dan zullen ze echt wel knallen! Wat de munitie betreft heb je gelijk: we zitten een beetje krap. We zullen zuinig aan moeten doen!’

‘Hai Thep en Tam Chan adviseren ons onder de vijand zoveel mogelijk slachtoffers te maken. Pas in het uiterste geval gaan we de grot in.’

‘Ze hebben gelijk,’ zei Ngan. ‘Akkoord, in het uiterste geval. Maar de grot is een ideale positie om te verdedigen. Eén man bij de ingang met een doodgewone hamer kan de vijand tegenhouden. Hij hoeft iedereen die eraankomt maar de hersens in te slaan.’

‘Dat had ik al bedacht, jochie,’ antwoordde Ba Ren. ‘Alleen zou ik in plaats van een hamer liever een vierkante knuppel nemen. Die ligt beter in de hand. Met één horizontale klap leg je iedereen neer.’

Al kletsend begaven de vijf mannen zich naar de lichten die ze in het gebladerte zagen verschijnen. Toen ze daar aankwamen waren de partizanen het terrein al aan het voorbereiden. De nieuwe schuttersputten waren langs de rand van de boomgaarden aangebracht. Aan de takken waren lampjes gehangen met ieder een stuk bananenblad ervoor, om het licht aan de kant van de rijstvelden te camoufleren.

Ngan inspecteerde iedere schuttersput en bedankte Tam Chan heel zacht, dat hij aan de graafwerkzaamheden gedacht had. Omdat hij gevochten had, wist hij hoe nuttig die schuttersputten waren, zowel voor de aanval als voor de verdediging. En ze waren des te belangrijker voor degenen die minder goed bewapend waren dan de vijand.

Ze hadden voor Ngan een schuttersput gegraven. Tham, zijn adjudant, wees hem aan:

‘Die is voor jou.’

Ngan sprong erin om hem van dichtbij te bekijken. Hij vroeg Toi hem zijn Mas 36 aan te geven. Hij liet het geweer op de borstwering rusten en bukte om te richten. Daarna gaf hij Toi het wapen terug, nam een schop en haalde wat van de rand af, die te hoog voor hem was. Toen de hoogte goed leek, pakte hij zijn geweer en richtte opnieuw. Eindelijk tevreden sprong hij met steun van zijn handen op de grond. Toen Toi zag met hoeveel zorg zijn kameraad zijn eigen schuttersput inspecteerde, begon hij zich zorgen te maken over de zijne en ging die gauw van dichterbij bekijken.

Toen de voorbereidingen achter de rug waren zei Ngan tegen zijn mannen:

‘Behalve de wachtpost gaan jullie allemaal je schuttersput met takken camoufleren, en daarna gaan jullie slapen. Het is al laat.’

‘Ja, we moeten even pitten,’ beaamde een stem in het donker. ‘Ik weet niet hoe het komt, maar bij iedere klopjacht van de vijand val ik meteen in slaap.’

‘Ik krijg alleen maar slaap,’ antwoordde Ba Ren scherp, ‘als ik in mijn schuilplaats moet blijven en nooit als ik moet vechten. Tussen twee haakjes, jongens, ik waarschuw jullie, want morgen krijgt mijn nieuwe bidsprinkhaan hoe dan ook zijn vuurdoop. Platvis en ik hebben er maanden aan gewerkt!’

‘Zorg eerst voor je benen, schutters van de bidsprinkhaan!’ zei Ngan. ‘Direct na het vuren moeten jullie je uit de voeten maken met het geschut op je schouders, want het heeft maar een klein bereik. Op grote afstand richt het geen schade aan.’

De partizaan met de bijnaam “Platvis” zette een hoge borst op:

‘Ik schiet alleen van heel dichtbij. Ik vind een schrammetje op de vijand meestal niet genoeg. Reken daar maar op!’

Onder het camoufleren van hun stellingen voerden de partizanen een levendige discussie. Ze wisten allemaal dat ze het morgen zwaar zouden krijgen, maar leken daar niet bij stil te staan. Weerstand bieden aan de vijand was voor hen iets heel natuurlijks. En iedere gedode vijand verminderde in hun hart de bitterheid van al die duistere jaren, waarin zoveel kameraden voor hun ogen onder afschuwelijke omstandigheden waren afgeslacht. Na de opstand probeerde iedereen klaarblijkelijk de haat te koelen die hij persoonlijk voor de vijand koesterde en wraak te nemen voor het grote gemeenschappelijke verdriet. Al was hun bewapening beperkt, ze waren ervan overtuigd dat de vijand hen nooit meer zoals vroeger onderdrukken kon. Nu lag het heel simpel: als de vijand op hen schoot, schoten ze terug. De dood zou niet meer aan één kant heersen. Hij zou ook veel meer betekenen dan vroeger en de onvermijdelijke verliezen zouden minder talrijk zijn dan in al die jaren van stille berusting, die jaren van schijnvrede, waarin de vijand onophoudelijk had aangevallen.

Ze spreidden hun nop [stromat in de vorm van een zak, die dient als mat en muskietennet] uit aan de voet van de kaneelappelbomen. Platvis bleef maar praten terwijl hij erin ging liggen. Tham vroeg Ngan om naast hem te komen liggen. In kleermakerszit op zijn mat trok Ngan zijn Colt 12, haalde de patronen eruit en liet er maar drie in het magazijn zitten. Hij leegde ook al zijn reservemagazijnen, riep Trong en liet hem de patroontas zien en zei:

‘Verdeel die onder de drie Thompsons. Ik houd er drie, dat is wel genoeg.’

Wat een buitenkans! Trong nam meteen zijn hoed af en deed er de glanzende nieuwe patronen in.

Vervolgens inspecteerde Ngan de patronen van het Mas-geweer en liet de kulas klikken. Gerustgesteld legde hij het naast zich neer. Het was zijn favoriete wapen in de strijd. Hij zei vaak tegen zijn mannen:

‘Dat Lebel-schietijzer van de Fransen is niets waard, maar hun Mas 36 is geweldig. Die vind ik absoluut betrouwbaar.’

Hij liet zich op zijn mat vallen, rug aan rug met Tham. Al gauw doorstroomde hen een aangename warmte. Hoewel Ngan een paar jaar ouder was, sprak Tham op voet van gelijkheid met hem. Door zijn kleinburgerlijke afkomst had Tham wat meer onderwijs genoten. Hij hield zich bezig met de redactie van de artikelen bestemd voor de vijandelijke soldaten, maar was niet spraakzaam. Zijn ouders hadden in het eerste verzet [tegen de Franse overheersing] gezeten. Na de wapenstilstand had de vijand zijn vader gedood en zijn moeder gedeporteerd naar Poulo Condor. [concentratiekamp op een eiland voor de Mekongdelta] Op een keer had hij Ngan in vertrouwen genomen:

‘Mijn moeder was één en al zachtheid. Als onderwijzeres was ze tegen mij strenger dan tegen de anderen, het jaar dat ik bij haar in de klas zat. Op de dag van haar arrestatie was ze zwanger. Waarschijnlijk is het kind dat ze kreeg gestorven in de gevangenis van Chi Hoa. Na haar deportatie heb ik niets meer van haar gehoord.’

Ngan bedacht dat Tham iedere nacht bezorgd moest zijn dat hij zijn lieve moeder nooit meer terug zou zien, terwijl die zorg op hemzelf niet meer van toepassing was.

Hij was al jong wees geworden en de herinneringen aan zijn moeder waren beperkt tot details over haar ellende. Het opgelapte jasje van de ongelukkige vrouw, de zweetdruppels waardoor haar haren ’s avonds aan haar slapen kleefden, de manden aan het juk dat ze iedere morgen op haar schouders naar de markt droeg.

‘Heb je je verloofde vandaag nog gezien?’ vroeg Tham opeens.

‘Jazeker!’ antwoordde Ngan met een glimlach. Hij was even stil en zei: ‘Toen Quyen me zag met jouw jasje aan, vroeg ze van wie dat was.’

‘Informeerde ze nog naar het pak dat ze je gestuurd had?’

‘Ja! Ze glimlachte toen ik zei dat ik het aan een ander gegeven had. Daarnet wilde ze per se hier komen, maar ze kreeg geen toestemming.

Tussen twee haakjes,’ vervolgde hij na een korte stilte, ‘volgens de informatie die we van de visserijbaas gekregen hebben komen ze zeker hierheen. Laten we met het oog op morgen proberen een beetje te slapen.’

Ngan ging liggen met opgetrokken knieën en zijn arm om het middel van zijn kameraad. Een minuut later lag hij te snurken.

Tham maakte hem voor zonsopgang wakker.

Iedereen ontbeet met de resten rijst van de vorige dag. Nauwelijks waren ze begonnen of Ba Ren kwam aanrennen en riep:

‘Iedereen op zijn post! Volgens de verkenners zijn ze in Hon Soc!’

Ngan pakte zijn geweer en sprong in zijn schuttersput. Tham en Trong deden hetzelfde.

Achterovergeleund in zijn schuttersputje at Ngan zijn rijst op.

‘Eet je rantsoen op,’ zei hij. ‘Straks zijn ze er.’

Het werd dag toen iedereen klaar was met zijn ontbijt. De vijand verscheen aan de kant van Hon Soc, in de persoon van tirailleurs op het kale terrein. Ze kwamen in groten getale, krioelden als wormen en verduisterden een hele strook van de vlakte die zwak verlicht werd door de eerste zonnestralen. Met zijn hand boven zijn ogen tegen het licht kondigde Ngan aan:

‘Ze zijn met heel veel!’ En terwijl hij hen observeerde: ‘Ze kijken heel arrogant, vind ik!’

Hij keerde zich naar Tham:

‘Doorgeven: houd het hoofd koel. Schiet pas als ze in het veld met de vallen zijn. Zorg dat ze met hopen tegelijk in de kuilen vallen.’

Ba Ren kwam aanlopen, ging gebogen achter Ngan staan en vroeg:

‘Zeg, Ngan, is het veld met de gepunte palen goed genoeg gecamoufleerd?’

‘Maak je geen zorgen: dat is goed gedaan. Zeg tegen je jongens dat ze niet uit hun schuttersput komen, wat er ook gebeurt. Ze mogen er pas uit op commando.’

‘Ja, maar als we ons terug moeten trekken, gaan jullie voorop.’

‘Nee, jullie, want jullie kennen de weg. Jij geeft het commando “terugtrekken” als volgens jou het moment gekomen is. Wij volgen je. Maar laat ons voorlopig de eer om het vuur te openen.’

‘Akkoord met het laatste punt. Maar jullie trekken je als eersten terug en ik zal je een gids geven. Wij gaan als laatsten en vormen de achterhoede.’

Het woord “achterhoede” klonk in de mond van Ba Ren trots, alsof het de aanval van de duizend vijanden kon onderscheppen. Hij rende weg met zijn zware pas. Hij had zijn jasje uitgedaan en om zijn hoofd gebonden. Ngan glimlachte, toen hij de brede rug van zijn vriend achter het gebladerte van de kaneelappelbomen zag verdwijnen. Nog nooit had hij zo’n hartstocht bij de smid gezien, zelfs niet bij het zwaaien van de hamer in de smidse. Ngan herinnerde zich dat Ba Ren gedurende de jaren dat ze zich in het struikgewas moesten verbergen de vurigste voorstander van de gewapende strijd was geweest. Er ging geen dag voorbij of hij vroeg toestemming om op de politiemannen en de landwachters te mogen schieten. Hij vond het vreselijk dat ze hem de principes van de legale strijd uitlegden. Op een dag was hij Hai Thep zijn “schietijzer” komen brengen met de mededeling:

“Na rijp beraad geef ik mijn geweer terug aan de partij.”

Hai Thep keek stomverbaasd. Maar Ba Ren voegde eraan toe:

“Ik meen het. Waarom moet ik er een geweer op na houden als ik er geen gebruik van mag maken? Als ik hen ooit in handen val, zal ik me verdedigen met mijn vuisten en mijn voeten, ja zelfs met mijn tanden; daarna kan ik rustig sterven.”

Hij sprak deze laatste woorden met nadruk, maar Hai Thep liet zich niet de wet voorschrijven.

“Met andere woorden,” zei hij tegen Ba Ren, “je protesteert tegen de partijlijn, of niet soms? Wil je eruitstappen?”

Die woorden kwetsten Ba Rens gevoel van eigenwaarde. Daar rekende Hai Thep op, want hij wist dat zijn kameraad niets erger vond dan zich distantiëren van de partij. Hij stond op en besloot:

“Goed! Ik zal het doorgeven aan kameraad Tam Chan.”

“Héhé,” riep Ba Ren geschrokken. “Doe geen domme dingen. Ik geef jou het wapen terug, jij weigert het aan te nemen, en dus praten we er niet meer over. Niet meer over zeuren.”

Hai Thep liet hem staan en ging het verhaal aan Ngan vertellen, grinnikend van plezier. De zaak kreeg geen vervolg. Tam Chan werd niet ingelicht en Ba Ren bleef een toegewijd lid van de Lebel-garde. Twee maanden later werd bevel gegeven tot de opstand en Ba Ren met zijn “schietijzer” was een van degenen die de legerpost van Hon Dat innamen.

Vandaag, in de discussie over de terugtrekking, hechtte hij eraan dat de groep van Ngan voorop zou gaan. Ngan wist beter dan wie ook hoe het was om je als laatste terug te trekken. Dat was geen werk voor de eerste de beste, die dan ook nog zo opgewekt als Ba Ren kon zeggen: “Wij trekken ons als laatsten terug, als achterhoede.”

De silhouetten van de aanvallers kregen meer contouren. Voorop gingen de rangers in hun camouflage-uniform en met het wapen in de hand. Het wachten leek Ngan eindeloos te duren en de sfeer was drukkend. Al had hij heel wat keren oog in oog gestaan met de dood, de jonge man kon het bonzen van zijn hart niet onderdrukken. Het was gewoon ongeduld, want hij was helemaal niet bang, zeker niet met een geweer in handen. Kortgeleden had hij nota bene met geboeide armen zijn bewakers tegen de grond geslagen en was gevlucht. Nu, met zijn geweer en omringd door zijn mannen, voelde hij zich zeker van zichzelf.

Bovendien had hij vertrouwen in het veld met de vallen. De aanvallers liepen precies over dat terrein, dat er even ongevaarlijk uitzag als de omringende velden. Het dampte vreedzaam in de zon. Nu betraden ze het, zonder dat er één in de val liep. Ze liepen zelfs flink door, alsof ieder van hen als eerste in de aanlokkelijke boomgaard wilde zijn.

Ngan hield zijn adem in en legde rustig aan.

De afstand die hem van de vijand scheidde was nauwelijks tweehonderd meter.

“Dit is het moment,” zei hij tegen zichzelf. “Dan hebben ze geen tijd om hier te komen.”

Hij mikte zorgvuldig op een lange slungel, die in het midden van de groep liep en haalde de trekker over.

Een droge knal verscheurde de lucht, direct gevolgd door het intensief geweervuur van zijn mannen.

De lange slungel was verdwenen. De anderen die onverwachts getroffen waren verspreidden zich halsoverkop. Ngan zag sommigen plotseling door de grond zakken. Hun handen en hun armen zwaaiden radeloos boven het maaiveld uit.

‘Ze liggen erin!’ riepen de jongens.

‘Nog een!’

‘En nog een!’

Hoe meer de aanvallers in paniek raakten, des te meer kwamen ze vast te zitten in de vallen. Ten slotte gingen ze plat op de grond liggen en durfden niet voor- of achteruit. Maar de achterhoede herstelde zich en begon de boomgaard te beschieten. Vruchten vielen dof op de grond. Een afgebroken tak kwam op de schouder van Ngan terecht; hij gooide hem weg en hees zichzelf uit zijn schuttersput. Omdat de aanvallers nog altijd plat op de grond lagen, riep hij naar zijn kameraden:

‘Niet schieten, jongens! Dat doen we pas weer als ze opstaan en op ons af komen.’

Inderdaad stonden de aanvallers na even onbeweeglijk gelegen te hebben op en trokken verder onder het geschreeuw en getier van degenen achter hen. Ze liepen met de grootste voorzichtigheid, stap voor stap. Ngan hoorde het “pang! pang! pang!” van de Lebel-geweren van de groep van Ba Ren, dat even trots klonk als het salvo uit een FM. Nieuwe paniek bij de vijand. Sommigen vielen in de valkuilen, anderen drukten zich tegen de grond. Ondertussen waren enkele rangers erin geslaagd heel dichtbij te komen. Ondanks het geweervuur vervolgden ze hun koers, gebogen lopend. Anderen volgden hen. Zonder dat iemand het aan had zien komen veranderde de slagorde van de vijand in een lange ganzenmars, die de tweede linie valkuilen bereikt had. Ngan besefte dat ze hen snel zouden bereiken als ze de kans kregen. Hij sprong uit zijn schuttersput, verplaatste zich zijdelings tot recht voor de punt van de aanval en wierp zich plat op de grond. Hij haalde de trekker over op het moment dat drie of vier rangers achter elkaar verschenen. Het schot trof twee man. De achterste viel het eerst en degene die vooropliep hield even in, liet zijn machinepistool vallen, richtte zich nog even op en zakte vervolgens in elkaar.

De vijand rukte makkelijker op na de ontdekking van de plaatsen zonder valkuilen. Een mortier in het midden van het veld blafte. Granaten floten en ontploften in de boomgaard, waarbij ze bomen ontwortelden en opwierpen. Donkere rookpluimen stegen op.

Na nog een paar keer geschoten te hebben riep Ngan:

‘Klaar voor de eerste terugtocht!’

Daarna richtte hij zich tot een guerrillastrijder:

‘Jij leidt ons!’

De hele groep van Ngan volgde de gids op de voet. Ba Ren riep:

‘Wacht op ons achter de boomgaard!’

‘Trek jij je dan niet terug?’

‘Jawel, ik kom zo dadelijk.’

Maar haast had hij niet. Toen hij zich omdraaide, zag Ngan door door het gebladerte hoe de smid en een paar partizanen met twee bidsprinkhanen oprukten in de richting van de vijand. De jonge man was diepbezorgd. Bij het zien van die wel erg rudimentaire wapens kromp zijn hart van liefde en affectie voor Ba Ren en zijn mannen.

Bij de aankomst in de tweede boomgaard posteerde de groep zich langs een bevloeiingskanaaltje. De aanval kwam van drie kanten. Ngan en zijn kameraden sloegen acht aanvallen af. Plotseling werd Tham bij een sprong over een talud in zijn been geraakt door mortiervuur. De jongens moesten hem naar hun schuilplaats dragen. De aanvallers sprongen luidkeels schreeuwend over het bevloeiingskanaaltje. Ze stormden voorwaarts, terwijl de groep van Ba Ren niets meer van zich liet horen. Ngan gaf Toi opdracht Tham naar de weg te brengen. Hijzelf en de overige mannen gaven vuurdekking en trokken zich daarna al schietend op hun beurt terug.

Onderweg zag Ngan een bloedspoor in het zand. “Het bloed van Tham,” dacht hij. Voor hem rende Toi met korte pasjes, met Tham op zijn rug. Thams voeten raakten de grond. De wond aan zijn kuit was eenvoudig verbonden met een handdoek. Ngan haalde hen in en riep:

‘Tham, Heb je pijn?’

‘Het prikt een beetje,’ glimlachte Tham.

Ngan merkte dat zijn vriend er bleek uitzag. Het was vreselijk om zoveel bloed te zien vloeien. De handdoek was ervan doordrenkt en het droop langs de hiel naar beneden en verspreidde zich op de grond. Het zand zoog direct iedere druppel op en kreeg een roestkleur. Ngan liet geen ongerustheid blijken en probeerde een grapje te maken.

‘Houd nog even vol,’ zei hij. ‘Ik zal je door Nam Nho laten verzorgen! Als zij het doet, verdwijnt de pijn onmiddellijk!’

Tham glimlachte zwijgend.

Omdat Toi buiten adem raakte, werd Tham overgenomen door Trong. Ngan liep naast hen en keek af en toe achterom, in de hoop dat hij Ba Ren en zijn mannen zou ontdekken. Aan die kant was het vuurgevecht nog geen moment verstomd. Plotseling hoorde hij twee donderslagen, doffer dan het blaffen van een 61-mortier. De volgende minuut zag hij een groep mannen rondlopen.

‘Ba Ren en zijn mannen gaan ervandoor!’ riepen de jongens.

‘Wat een gymnastiek! De smeerlappen zitten hen natuurlijk op de hielen.’

‘Ja, ze moeten nu wel bij de rand van de boomgaard zijn.’

Ngan kwam tussenbeide:

‘Maak voort. Ik ga met Trong en Tham mee. Rustig aan, Trong, als je moe wordt neem ik het over.’

De jongens versnelden hun pas en gingen Trong en Ngan voorbij. Deze kregen al gauw gezelschap van Ba Ren en de guerrillastrijders die de kleine Be, de zoon van Tu Rau, ondersteunden. Omdat de jongen nogal moeilijk liep, keek Ngan beter en zag dat de linkermouw van zijn jasje aan flarden hing. Geschrokken vroeg hij:

‘Mortier?’

Be knikte.

Ba Ren, die zijn bidsprinkhaan op zijn schouders droeg en met kleine pasjes liep, voegde zich bij Ngan en riep met stentorstem:

‘Hebben jullie onze bidsprinkhanen horen bulderen?’

‘Ik heb twee explosies gehoord; was jij dat?’

‘Platvis en ik hebben het allebei een keertje af laten gaan!’

Met een weids armgebaar om zijn woorden kracht bij te zetten vervolgde hij:

‘Je had moeten zien hoe ze omvielen. Maar we konden niet doorgaan en toen zijn we hem gesmeerd. De schoften! Ze hebben op onze terugtocht hevig geschoten!’

‘Wat doen we nu?’ vroeg Ngan.

‘We gaan richting Hon Dat!’

Ze begaven zich naar het dorp, dat vlakbij was. Toen ze er bijna waren, zagen ze een vrouw uit de kokosboomgaard komen en zo hard mogelijk op hen af rende. Toen Ngan goed keek, herkende hij Nam Nho. Onder het lopen woei bij iedere pas haar haar op en neer. Hijgend en blazend kwam ze aan, lijkbleek in haar gezicht, en volgde Trong bezorgd. Ze nam haar halsdoek af en veegde haastig Thams bebloede kuit schoon. Maar nauwelijks was ze klaar, of hij bloedde al weer hevig. Nam Nho brak in snikken uit.

‘Niet verdrietig zijn, Nam Nho!’ zei Ngan. ‘Hij gaat echt niet dood!’

Terwijl hij naar het meisje keek, dacht hij bij zichzelf: ze geneert zich nergens meer voor! Wat is ze ongerust! En toch maakt ze zich druk om iedere toespeling van mij! Nu, meisje, je bent dus stapelverliefd op onze Tham! Daarna vroeg hij zich af of Quyen gehuild zou hebben als hijzelf gewond was. Met een zekere voldoening stelde hij zich voor hoe zijn verloofde over zijn verwonding even ongerust zou zijn als Nam Nho.

 

hoofdstuk III