Het portret

images

 

Alles wat me van mijn werk zou kunnen afleiden had ik al ‘s morgens vroeg van tafel verbannen: de radio, het dagafschrift van de bank, de krant met het nieuws over de bezuinigingen bij de symfonieorkesten, de fotokopieën van het interview met John Henry Van Boven, die zo’n succes had met zijn filmmuziek, en de nieuwe cd van Exclusive Records met Van Bovens Sea Symphony. Ik had de stekker van de telefoon uit de muur getrokken. Alles om mijn werkkamer tot een kloostercel te maken van iemand die heilig geloofde in zijn werk.

Het resultaat van een hele dag en een halve nacht geploeter lag voor me: vellen met doorgekraste en half uitgevlakte noten, krabbels, telefoonnummers en kringen van vochtige glazen. Wat er aan speelbare noten op papier stond, had een amateur kunnen bedenken in een zomercursus van twee weken. Ik zette mijn ellebogen op tafel en duwde mijn vuisten in mijn ogen, tot er een warreling verscheen van lichtende noten. Wat een beroep, componist… In de uitgeverijen, muziekwinkels en bibliotheken lagen duizenden en duizenden partituren. Moest ik boven op die stapels nog een compositie van mezelf deponeren? Was het lonend maanden of jaren te werken voor één uitvoering, die ook nog een mislukking kon worden? Ik kon hier beter mee ophouden en als dirigent of pianist de stukken van anderen uitvoeren.

Zuchtend veegde ik het muziekpapier bij elkaar, verfrommelde de vellen tot proppen en gooide ze in de prullenbak. Ik stond op, sloot de telefoon aan en liep naar de keuken om koffie te zetten. Het begon licht te worden.

Onproductieve periodes had ik vaker meegemaakt; blijkbaar hoorden ze bij het vak. Langer dan een dag of drie hadden ze nooit geduurd. Misschien moest ik me er niet zo druk om maken. Het opdrachtstuk van het Zomerfestival Nieuwe Muziek, de Liederen van de zelfkant, had ik al maanden geleden ingeleverd, ruim voor de afgesproken datum; daarna had ik zelfs nog de Ode gecomponeerd, zomaar, omdat ik de klarinet een mooi instrument vond, en zonder de gedachte aan een bepaalde speler of een bepaalde uitvoering. Journaliste Ernestine Snel, die naar aanleiding van de Festival-opdracht bij me was gekomen met vragen over componisten-emoties, had ik het achterste van mijn tong laten zien en verteld over mijn scala van stemmingen tussen scheppingsdrift en impotentie. Ze had mijn openhartigheid gewaardeerd en alles nauwkeurig opgeschreven, tot en met mijn kritische opmerkingen aan het adres van John Henry van Boven, die ik een compositorische gigolo had genoemd. Morgen, in de eerste repetitie met orkest, moest ik laten horen wat míjn opvatting was van nieuwe muziek. Festivaldirecteur André had de partituur van de Liederen van de zelfkant al bekeken en er met zijn vuist een stempelende slag op gegeven: ‘Goedgekeurd door de directie!’ Maar zijn oordeel was niet het belangrijkste. Ook dat van de recensenten niet; ik wist van tevoren wel wie het stuk zouden waarderen en wie het kapot gingen schrijven. Nee: de muzikanten, de doorgewinterde sceptici uit de praktijk, die zouden bepalen of mijn muziek werkelijk iets te betekenen had. Het liefste zou ik de hele eerste repetitie niet dirigeren, maar laten leiden en onbespied tussen de coulissen staan om de gezichten in de Roaring Twenties Band te bekijken en alle terloopse opmerkingen over het stuk af te luisteren. Maar ik moest het instuderen en dat zo overtuigend doen dat de muzikanten van de Band hun nieuwe cd en de komende tournee naar Italië even vergaten.

 

*

In de zaal van De Werkplaats hadden de meeste leden van de Roaring Twenties Band al uitgepakt. Ik liep naar het podium en legde mijn partituur op de directielessenaar. Meestal vond ik de ketelmuziek van het inspelen hinderlijk, zeker wanneer er met een van de muzikanten nog iets te bespreken was, maar nu mochten ze doorgaan: ze trokken akoestische coulissen op waartussen ik me kon voorbereiden op mijn opkomst.

Plotseling zag ik tussen de bekende mensen een nieuw gezicht: een lichtblonde klarinettiste, die er tijdens mijn vorige optreden als dirigenten gastcomponist niet bij geweest was. Nieuwsgierig liep ik naar haar toe om me voor te stellen. ‘Matthijs Vecht.’

‘Clara Timmer,’ zei ze, terwijl ze me een stevige hand gaf. ‘Jouw naam kende ik al.’

‘Van de affiches,’ zei ik, wijzend naar de ingang van de zaal.

‘Nee, ik ben al lang een fan van je muziek. Maar dat hoor je natuurlijk wel vaker.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Je hebt een iets te rooskleurige voorstelling van het componistenbestaan.’

‘Misschien.’

‘Welke muziek van mij ken je?’

‘Alle stukken van de laatste jaren. En daarvan vind ik het Requiem en Worksong de beste; die zijn in hun soort al haast klassiek. Jammer genoeg heb ik behalve de Liederen van de zelfkant nog nooit iets van je gespeeld. Je hebt voor klarinet niets geschreven, voorzover ik weet.’

‘Toch wel: mijn allerlaatste stuk is voor klarinet zonder begeleiding: Ode aan Vandoren.’

‘Een ode aan de rietenfabrikant? lachte ze.

Ik knikte.

‘Zonder sponsoring?’

‘Zonder sponsoring. Als een eerbetoon aan de werker op de achtergrond, die het materiaal levert aan de solist die de show steelt op het podium.’

‘Is dat stuk al uitgegeven?’

‘De inkt is nog maar net droog.’

‘Is het ook een opdrachtstuk?’

‘Nee.’

‘Heb je al iemand die het gaat doen?’

‘Ik heb nog niet gezocht.’

‘Zou ik dan…’

Ik had haar nog niet horen spelen, maar als de Band haar gevraagd had moest ze goed zijn. En aantrekkelijk was ze zeker. De zwarte klarinet met de zilveren kleppen leek een modern, voor haar ontworpen sieraad. ‘Op de volgende repetitie neem ik de Ode mee.

‘Ik heb geen idee wat me te wachten staat,’ zei ze. ‘Hoe virtuoos is het?’

‘Behoorlijk.’ Voor ik er meer over kon vertellen, werd ik op mijn schouder getikt door aanvoerder Otto, die zijn hobo had neergelegd en vroeg of de opstelling was zoals ik wilde. Omdat ze de in de partituur getekende plattegrond hadden gevolgd was alles in orde, hoewel de microfoonopstelling nog iets beter kon. Na wat schuiven konden we beginnen met repeteren. De Band stemde snel en geroutineerd. Ik sloeg mijn partituur open en gaf de inzet.

Ik was zo onbescheiden geweest voor mijn Liederen van de zelfkant de orkestbezetting te kiezen van Kurt Weills Kleine Dreigroschenmusik, een van de succesnummers van de Roaring Twenties Band. Maar iedereen was met de identieke bezetting tevreden: Otto om organisatorische en de Festivaldirectie om financiële redenen.

Het openingslied Opdracht klonk zoals ik het me achter mijn werktafel en mijn piano had voorgesteld: glad en huichelachtig in de klarinet, louche in de sax en sarcastisch in de knorrende banjo. Het was een goede beslissing geweest voor de solopartij geen geschoolde zanger te vragen maar een acteur van een wat oudere jaargang. Mijn vriend Max had precies de juiste stem voor deze teksten van Willem van Iependaal en hij zong ze zo nonchalant of hij tussen de coupletten door een sigaret stond te roken.

 

Er kwam tot mij een keur van reclassenten

Met vroom gebazel over Ons Lief Heer

Een ouë broek, een handje losse centen

En een tractaatje over deugd en eer.

Het liep haast vanzelf, merkte ik tot mijn opluchting. De koperblazers, die in het tweede lied tientallen maten rust hadden, begonnen geen gesprek, maar luisterden grijnzend naar Max, die begeleid werd door de houtblazers en een schrijnend accordeon, dat rechtstreeks uit een bruine havenkroeg leek te komen.

 

Zeg, joekel, jij schrokt en jij schranst zonder schroom

De piepers en prak uit een krant aan de boom:

Fortuin was je gunstig, zo als haar betaamt

Ze liet je de schurft en onthield je de schaamt.

Vooral het aan een compositie van Van Boven ontleende loopje op “schurft” had succes. Ik werd beloond met een knipoog van trompettist Henk en een blik van verstandhouding met Clara.

Na de pauze kwamen de Liederen van de zelfkant nog dichter bij wat ik me thuis in de lichtkring van de lamp had voorgesteld. Dat het klinkende resultaat nooit helemaal overeenstemde met de partituur, die op haar beurt weer geen volmaakte weergave was van de in de fantasie gehoorde klanken, dat was iets waarin een componist moest leren berusten. De muzikanten van de Band deden hun best. Toen we het stuk in het laatste halfuur van de repetitie zonder onderbreking doorspeelden, klonk het alsof dit niet de eerste repetitie was, maar een uitvoering in een warme zaal voor een gespannen luisterend publiek. De radio-opname hier in De Werkplaats werd vast goed. Het was alleen de vraag of de uitvoering in de openlucht een succes zou worden; hoe zou het weer zijn bij de uitvoering op de boot, eind juni? Over het idee om het stuk eind juni ook op een dekschuit te spelen was ik al vanaf het begin minder enthousiast geweest dan André en de staf van het Festival: het publiek en het weer waren onberekenbaar.

 

*

De Roaring Twenties Band op de dekschuit had al één keer onder veel bekijks de Dreigroschenmusik en de Liederen van de zelfkant gespeeld. Ik vond mijn muziek niet zo goed klinken als binnen, zeker niet in de piano, maar we waren hier bezig met de cultuurspreiding die het Zomerfestival Nieuwe Muziek in opdracht van de gemeente zo belangrijk vond. Gelukkig stond er weinig wind, zodat de klanken niet verwaaiden.

Toen we aanlegden voor het Kwadraat-theater waren we allemaal blij dat we buiten zaten en niet in de warme zaal bij de première van Klatergoud, de nieuwe Nederlandse musical. Omdat er gekoeld bier aan boord was, hadden we geen behoefte aan de foyer, en de benauwde orkestbak in de zaal met de verouderde en slecht onderhouden airconditioning misten we al helemaal niet.

In afwachting van meer publiek ging ik naast Clara zitten om te vragen hoever ze met de Ode aan Vandoren gevorderd was.

Het stuk kostte veel studie, zei ze, maar die investering was het waard. Ze schakelde over op een geluidloze demonstratie van moeilijke grepen in het hoogste register, die me – al ging het over mijn eigen stuk – minder interesseerden dan haar vingers op de kleppen en de kritische blik van haar ogen.

Plotseling keek ze op. Groepjes bezoekers in avondkleding kwamen het Kwadraat-theater uit om de pauze door te brengen aan het koele water. Onze boot kreeg veel bekijks. Juist wilde ik aanstalten maken om mijn Zelfkant-liederen te dirigeren, toen ik Clara’s gezichtsuitdrukking zag Claranderen: ze fronste en bloosde. Haar blikrichting volgend zag ik een paar heren in gala; een van hen glimlachte, bracht langzaam twee vingers aan zijn lippen en maakte het gebaar van een kushand.

Geïrriteerd sloeg Clara haar ogen neer.

‘Is dat voor jou bedoeld?’ vroeg ik.

Ze gaf geen antwoord.

‘Van Boven?’ zei ik. ‘Ken je die persoonlijk?’

Haar vingers peuterden aan de rietklem van de klarinet.

‘Matthijs, het tweede lied,’ stelde Max voor. ‘Dat is toepasselijk.’

Ik schudde mijn hoofd en stak één vinger op. Wie er ook op de kade stond, mijn stuk zou uitgevoerd worden in de volgorde waarin ik het gecomponeerd had. Ik wachtte tot iedereen klaarzat, sloeg de partituur open en gaf de inzet voor Opdracht, het eerste lied.

 

*

Eind augustus kwam ik Van Boven weer tegen, deze keer in de krant: zijn naam stond met die van directeur Geluk onder het overlijdensbericht van Diederik Bakker, zijn collega compositie aan het Conservatorium.

De keurige necrologie op de kunstpagina noemde Bakker een interessante vernieuwer. Dat was de officiële opvatting, maar ik vroeg me af of er nog iemand belangstelling had voor Dodecaëder en al die andere steriele seriële stukken uit de jaren vijftig en zestig, of voor de niet minder saaie composities van na zijn bekering tot de minimal music: Circular Road en de rest.

In de krant van zaterdag verscheen de advertentie; het Conservatorium vroeg docenten voor uren compositie en voor uren theorie – eventueel gecombineerd – en deed een oproep aan vrouwen en vertegenwoordigers van minderheden om toch vooral te solliciteren.

 

*

De concentratie op mijn privélessen theorie en piano kostte me veel moeite. Hoewel ik vragen van leerlingen over de vacatures wegwuifde, dacht ik voortdurend na over de veranderde situatie: ik moest eigenlijk wel solliciteren, want het zag ernaar uit dat er voorlopig geen nieuwe vacatures zouden komen, ook niet aan de andere conservatoria in de Randstad. Ik wilde beslist in het westen blijven en niet met hangende pootjes terug naar Groningen of nog verder terug, naar Drenthe. En mijn inkomen moest omhoog. Zonder goede baan hoefde ik geen honger te lijden, maar een betere piano, een computer met een muzieknotatieprogramma, of een auto, die me eindelijk de nodige bewegingsvrijheid zou geven, kon ik wel vergeten.

Om de zaak snel af te handelen en daarna geconcentreerd verder te kunnen componeren maakte ik ruimte op tafel, scheurde halve bladzijden en resten uit mijn blocnote en begon op een schone bladzij zonder ballpointindrukken van het vorige vel aan een sollicitatiebrief.

De brief kostte me meer moeite dan mijn artikelen in Grondtoon over het symfonische oeuvre van mijn voornaamgenoot Matthijs Vermeulen. Sommige zinnen waren te zelfverzekerd, andere weer te bescheiden. Na een uur geschreven en herschreven te hebben met het beeld van Geluk voor ogen was mijn geduld plotseling op. Met een ruk trok ik het vel uit de blocnote en versnipperde het net zo lang tot mijn vingers de snippers niet meer vast konden houden.

Omdat ik componeren wel kon vergeten, zette ik me aan een karwei dat toch een keer gedaan moest worden: al mijn partituren bij elkaar zoeken en een oeuvrecatalogus samenstellen.

De complete Vechts Verzeichnis was aan het eind van de avond klaar. Hij besloeg met alle specificaties erbij vijf hele pagina’s. Mijn oeuvre begon zowaar respectabel te worden. Toch waren mijn kansen op de baan te verwaarlozen: ik kwam niet uit het minimal-musicschooltje van Bakker en was geen Van Boven-adept; grotere tegenstellingen dan tussen hun muziek en die van mij waren niet denkbaar. Van de dode niets dan goeds: Bakker had het volste recht op een voetnoot in de Nederlandse muziekgeschiedenis. Van Bovens muziek was een stuk interessanter: briljant en pikant volgens de meeste recensenten. Hoe vonden ze mijn muziek? Sober, streng, geëngageerd, dat waren de steeds terugkerende adjectieven. Als ik solliciteerde, zou Van Boven, die ik een compositorische gigolo had genoemd, me met hoongelach ontvangen, of erger nog: met een glimlach en een compliment. En afgezien daarvan: er waren tientallen componisten, oud-leerlingen of vriendjes van Van Boven, die de nog warme stoel van Bakker wilden bezetten en op weg naar het Conservatorium niet op de rem zouden trappen als ik voor hun bumper de straat overstak.

 

*

De volgende dag om half tien ging de telefoon.

‘Goeiemorgen, Matthijs Vecht,’ zei een mannenstem, de keus tussen “Matthijs” en “meneer Vecht” vermijdend.

Ik zag het vlezige, wat zakkige gezicht van Maurits Geluk voor me. Waar had de directeur van het Conservatorium mij voor nodig?

‘Maak ik me schuldig? Haal ik een componist achter de piano vandaan?’

‘Eh, ja,’ antwoordde ik. Wat een familiariteit! Ik had de man vorig jaar september voor het eerst en het laatst een hand gegeven. ‘Kan ik iets voor u doen?’

‘Langskomen. Wat denk je van morgenmiddag twee uur?’

Ik wachtte twee seconden en antwoordde: ‘Dat kan,’ zonder in mijn agenda te kijken.

‘Tot morgen dan,’ zei Geluk en legde neer.

Hij had niet eens het onderwerp van gesprek genoemd. Wie weet wilde hij mij gastcolleges laten geven over de symfonieën van Matthijs Vermeulen. Misschien maakte ik zelfs een minieme kans op de uren theorie die Bakker had nagelaten: analyse, harmonie en contrapunt. Daarover zou Van Boven weinig of niets te vertellen hebben. Van componeren zou weer niet veel komen, voelde ik. Het was ergerlijk dat ik me van de wijs liet brengen door een componerende pianist die toevallig conservatoriumdirecteur was en door een knappe, maar overschatte modecomponist. Om toch iets zinnigs te doen zocht ik de Grondtoon-nummers met mijn artikelen over Vermeulen bij elkaar: het kon geen kwaad om nog eens na te lezen wat ik geschreven had.

 

*

Ik kende het gebouw van het Conservatorium, althans de Grote Zaal, van de concerten en lezingen van gastdocenten uit het buitenland. De leskamers en Geluks directeurskamer waren onbekend terrein voor me, omdat ik in Groningen gestudeerd had.

Omdat ik geen zin had me ergens te melden, liep ik de portiersloge en het kantoor van de administratie voorbij en ging voor de kamer met het bordje “Directeur” op een stoel zitten. Tot mijn verbazing zag ik in het gebouw geen collega’s-componisten.

Welke idioot schoor zich om twaalf uur voor de tweede keer, trok een ander overhemd aan dat beter bij zijn broek kleurde, stopte een werklijst en een stapeltje cassettes in zijn tas om vervolgens nederig te gaan zitten wachten op een gesprek over een onbekend onderwerp met iemand die hij niet voor honderd procent serieus nam?

Om vijf over twee ging de deur open en een hand met een pijp verscheen, gevolgd door een minzaam lachend hoofd. ‘Matthijs Vecht? Heel plezierig om de kennismaking te hernieuwen. Als je geen bezwaar hebt, tutoyeer ik. Kom binnen, dan kun je onze collega John Van Boven de hand drukken. Je kent hem?’ Er klonk totaal geen dubbelzinnigheid in de vraag.

‘Niet persoonlijk,’ antwoordde ik. ‘Wel zijn muziek uiteraard.’

Ik zat tegenover twee uiteenlopende vertegenwoordigers van het goede leven: Geluk de ouderwetse variant, Van Boven de trendy versie. De pijp van Geluk paste bij de burgemeester van een landelijke gemeente in Limburg. De handdruk van Van Boven zou de presentator van een modeshow niet misstaan, net als de egaal gebruinde huid, het grijzende haar en het geraffineerd gesneden pak. De hand hield me een pakje sigaretten voor, maar ik bedankte. In een vloeiende beweging namen de vingers een sigaret uit het pakje, staken hem in een sigarettenpijpje en drukten op een zilveren aansteker. Nu ik voor het eerst oog in oog met hem stond, vond ik de lach van Van Boven toch niet afstotend. Mijn kritiek uit het interview met Ernestine Snel bleef gelden: de man was een compositorische gigolo – liever gezegd de directeur van een complete composische escortservice – maar het bevredigen van de muzikale behoeften van het publiek was een kunst en Van Boven beheerste die tot in zijn vingertoppen. Zijn stukken waren met felgekleurde cocktails te vergelijken; de muziek van Maurits Geluk leek meer op slappe thee en die van wijlen Diederik Bakker op koffie in een plastic bekertje uit de automaat. En mijn eigen muziek? Die was wijn, droge wijn, met soms een wrange afdronk.

De pijproker en de sigarettenroker tegenover me begonnen over het Zomerfestival Nieuwe Muziek en mijn succes met de Liederen van de zelfkant. Het was een ti

tel die uit hun mond vreemd klonk: mijn bestudeerd haveloze muziek kwam uit een heel andere gedachtenwereld. Liefhebbers van haute couture die ijverig de snit van een overall betastten, waren niet erg geloofwaardig. Misschien besefte Geluk dat ook, want hij ging verder met de woorden van anderen, die hij tevoorschijn haalde uit een map met kranteknipsels. De passages uit de goede recensies las hij langzaam en nadruklijk, die uit de ongunstige snel met demonstratief schouderophalen. Vervolgens stond hij op en begon te zoeken in een stapel paperassen op zijn bureau. Van Boven kwam hem te hulp en trok er met duim en wijsvinger een paar papieren uit met lange getypte kolommen. Tot mijn verbazing bleek het een lijst met mijn composities te zijn, die begon met door mij verworpen jeugdwerken en eindigde met de Liederen van de zelfkant; de Ode stond er natuurlijk nog niet op.

‘Ik ben blij met uw belangstelling,’ zei ik, toen Geluk zijn loflied over mijn composities en essays gezongen had. ‘Mijn artikelen over Matthijs Vermeulen vindt u kennelijk goed; mag ik daaruit opmaken dat u plannen hebt om me uit te nodigen voor een gastcollege?’

‘Dat idee was nog niet in me opgekomen, maar het is niet slecht: ik zal het eens voorstellen wanneer ik de andere conservatoriumdirecteuren zie.’

‘Meneer Geluk, ik lees de kranten en de advertentiepagina’s. Wilt u me misschien spreken over de vacature theorie?’

‘Ook.’ Geluk glimlachte en trok aan zijn pijp.

‘Ik wil jou graag als collega in de afdeling compositie,’ zei Van Boven.

‘Ik kan me niet voorstellen dat u affiniteit hebt met mijn muziek.’

Geluk lachte. ‘We zijn het wel degelijk eens met de goede recensies van jouw laatste werk: we zitten hier geen komedie op te voeren.’

‘En misschien heb ik wel onvermoede kanten,’ zei Van Boven, terwijl hij zijn sigaret uitdrukte. ‘Misschien beantwoord ik toch niet helemaal aan het beeld dat sommige jongere collega’s van mij hebben.’

‘Vertegenwoordigers van minderheden werd vooral verzocht te solliciteren,’ schertste Geluk. ‘Wij willen je benoemen. En je de vrijheid geven om je eigen ideeën te realiseren, ook als ze diametraal tegenover die van John staan. Laat Honderd Bloemen Bloeien! Zeiden die maoïsten dat niet, lang geleden in hun Culturele Revolutie? Mij interesseert niet zozeer welke kleur de bloemen hebben, als ze maar bloeien.’

Ik staarde voor me uit. Geluk en Van Boven verdwenen in de verte; ik zag mezelf in dit gebouw aan de piano zitten met een groep studenten en nieuwe partituren analyseren…

‘Wat is hierop uw antwoord?’ vroeg Van Boven als een ambtenaar van de burgerlijke stand.

‘Jongen, deze kans zou ik niet voorbij laten gaan,’ zei Geluk, op de toon van een aanstaande schoonvader.

Ik knikte.

Geluk stond op achter zijn bureau en stak zijn hand uit. Daarna kwam de felicitatie van Van Boven. Misschien opgelucht dat ik niet tegenstribbelde, kwam de directeur ter zake. Als ik meteen kon beginnen, hoefden Bakkers studenten compositie en theorie – ja, die uren kreeg ik erbij – niet zonder docent te zitten. De formaliteiten zou mevrouw Lodewijks van de administratie afhandelen; of ik straks meteen even langs wilde gaan. Van Boven deed nog een voorstel. Eind oktober organiseerden ze op het Conservatorium het eerste van de nieuwe serie Componistenconcerten; daar werd nieuw werk gespeeld van docenten en gevorderde studenten. Natuurlijk moest dat concert beginnen met een compositie van Diederik Bakker, bijvoorbeeld met zijn Circular Road. Daarna kon ik een groot deel van het programma vullen met eigen werk, al of niet zelf gespeeld of gedirigeerd. Of ik deze week maar even de titels en de bijzonderheden wilde doorgeven, dan konden ze beginnen met de organisatie.

 

*

Omdat de voorbereidingstijd voor het Componistenconcert bijzonder kort was, koos ik uit mijn eigen werk een stuk voor pianosolo en een compositie voor een ensemble dat door zijn homogene samenstelling makkelijk te organiseren was. Toevallig waren het de stukken die Clara Timmer bij onze kennismaking in De Werkplaats had genoemd. De Ode aan Vandoren had ik er graag bij gehad, maar Clara had door de telefoon gezegd dat ze nog maanden aan de solo moest werken, omdat hij echt moeilijk was. Worksong voor piano was ook niet eenvoudig, maar in dat stuk met zijn simpele notenbeeld lag de moeilijkheid meer in de voorbereiding dan in de uitvoering. De vijfdejaars pianostudent Paul Slager, die al naam begon te maken met hedendaagse muziek, was direct enthousiast toen ik hem de cd met het stuk liet horen. Het even voorspelen kon niet, omdat er een geprepareerde piano voor nodig was; het monteren van alle materialen in het binnenwerk van de vleugel kostte uren. Paul deed het met geduld en precisie. Nog voordat ik hem verteld had over de elementen van de John Henry-ballade die ik in de Worksong verwerkt had, speelde hij een van Van Bovens Concert Studies, die op de geprepareerde piano een portret in een lachspiegel leek.

 

*

Ik had besloten mijn Requiem voor spreekstem, koper en slagwerk zelf te dirigeren. De eerste repetitie met de vijftien koperblazers en vijf slagwerkers viel me niet mee: ik was verwend geraakt door de perfectie van de Roaring Twenties Band. Ik begreep dat ik geen tijd moest verliezen aan verhalen over de theoretische en ideologische achtergronden van het stuk, maar de studenten moest laten doen wat ze graag wilden: blazen en nog eens blazen, respectievelijk slaan.

Na het slotakkoord van het Requiem klonk achter in de Grote Zaal het kleinst mogelijke applaus: twee klappen van twee handen. Toen ik me omdraaide en de zaal overzag, ontdekte ik op een van de achterste rijen een vrouw. Clara! Was ze voor mij gekomen? Zo optimistisch durfde ik niet te denken. Snel herinnerde ik de studenten nog een keer aan tijd en datum van de volgende repetitie, nam de partituur onder mijn arm en stapte van het podium.

‘Clara!’ zei ik, terwijl we elkaar tegemoetliepen. ‘Ik wou je deze week juist bellen.’

De slagwerkers verreden de pauken en de trompettisten probeerden nog even wie het hoogste kon.

‘Wat zeg je? Het is zo’n herrie!’

‘Dat ik je deze week juist wou bellen.’

‘Dat zeggen ze allemaal.’

‘Wie?’

Ze lachte en schudde haar hoofd.

‘Wat doe jij hier?’ vroeg ik.

‘Luisteren. Is dat toegestaan?’

‘Ik heb je niet op de lijst zien staan als docent klarinet.’

‘Dat klopt. Ik geef geen les; ik krijg les.’

‘In wat?’

‘Compositie.’

‘Compositie? Waarom heb je dat niet meteen gezegd, toen we repeteerden in De Werkplaats?’

Ze haalde haar schouders op.

‘Ik ken je muziek niet. Je studeert bij Van Boven?’

‘Mm. Nog gefeliciteerd met je benoeming, ik ben daar blij mee.’ Ze gaf me een hand.

‘Hij kwam volkomen onverwacht,’ zei ik.

‘Voor mij niet.’

‘Heb je Geluk of Van Boven dan over mijn benoeming horen praten?’

‘Nee, die dingen blijven binnenskamers.’

‘Geluk belde me op. Ik had niet eens gesolliciteerd, omdat ik mezelf geen kans gaf: mijn opvattingen over het vak staan lijnrecht tegenover die van Van Boven.’

‘Dat is toch mooi,’ zei Clara. ?Een jonge idealist naast de ervaren man van de praktijk.’

‘Waarom heeft Geluk geen oudleerling van Van Boven of Bakker benoemd?’

Clara lachte kortaf. ‘Aan Bakker hoeven we geen woord vuil te maken. Maar Van Boven heeft de laatste jaren ook niet veel capabele studenten gehad. De enkele goede die ertussendoor loopt is te jong voor deze baan. Een gevestigde naam wilde Van Boven natuurlijk ook niet, dan had hij een te sterke concurrent in huis gehaald. Volgens mij was jij de ideale kandidaat: ervaren, maar nog niet gesetteld, en vooral: volkomen verschillend van hem. Hij is geen man van impulsieve besingen; Van Boven weet heel goed wie hij binnenhaalt.’

‘Geluk weet wie hij binnenhaalt.’

‘Van Boven trekt hier aan de touwtjes,’ zei Clara op stellige toon, ‘en Maupie knipt de linten door.’

‘Maupie?’ lachte ik, verbaasd over de naam.

‘Ja. Maupie is ook blij met jou: met die benoeming heeft hij zijn veelzijdigheid en zijn ruimkendheid kunnen demonstreren.’

 

*

Het Componistenconcert opende met Bakkers Circular Road. Al na vijf minuten voelde ik een dringende behoefte om op de vluchtstrook te gaan staan of de eerste afslag te nemen, maar daar kon het strijkkwartet niets aan doen.

Ik was het stuk vergeten na een paar maten Clara Timmer. Bouwstenen was de eerste compositie die ik van haar hoorde. Ze had me verteld dat de bedoeling van de serie korte pianostukken was kinderen techniek en voordracht te laten oefenen en ze tegelijk inzicht te geven in compositie-principes, in bewerkingen als imitatie, variatie, omkering en kreeftengang. De negenjarige Eva, dochter van mijn pianocollega Van der Horst, speelde tien Bouwstenen. Ik hoorde dat er bijzondere dingen gebeurden en besloot Clara na het concert een exemplaar van de partituur te vragen, met handtekening. Misschien kon ik zo het contact met haar verstevigen.

Van Bovens Concert Studies opus 59 waren ontegenzeglijk briljanter; de componist, die ze zelf speelde, wist louter door variaties in de aanslag veel instrumentale kleuren uit de piano te halen. En zelfs het beeld zonder geluid zou nog amusementswaarde hebben: geen ander draaide zo lang aan de knop van zijn pianokruk en niemand veegde de toetsen droog met zijn pochet; straks ging hij er nog als een Horowitz mee staan wuiven. En niemand boog zo voor het applaus; hoeveel ironie speelde hier mee? Toch overtuigden de virtuoze etudes me minder dan de sobere en contrapuntisch interessante Bouwstenen van Clara.

Arie en zijn hulpconciërge reden de eerste Steinway opzij en zetten de tweede, van buiten identieke, maar van binnen totaal veranderde Steinway in de schijnwerpers.

Ik had tijdens mijn repetities met Paul Slager al gehoord dat hij de juiste pianist voor mijn Worksong was. De meeste pianostudenten kwamen op het Conservatorium met het idee om later carrière te maken in het grote romantische repertoire, wat nog niet één op de honderd lukte, maar Paul legde zich toe op de nieuwe muziek, vooral de Nederlandse, die veel anderen links lieten liggen.

Geconcentreerd ging hij zitten en zette het monotone basmotief in. Uit het onderdrukte gelach hier en daar in de Grote Zaal begreep ik dat een geprepareerde piano voor sommigen iets nieuws was. Paul en ik hadden op zorgvuldig berekende plaatsen schroeven, klemmen, houtjes en rubbertjes aan de snaren gemonteerd. De slagen van de hamerkoppen op de snaren wekten nu reminiscenties aan verre hamers die tegen spoorstaven sloegen en schorre stemmen die liederen met blue notes zongen; de muziek was beschadigd en gebroken als de ruggen van de zwarte arbeiders die in het grijze verleden de oorspronkelijke worksongs gezongen hadden.

‘Vakwerk,’ was Van Bovens commentaar op Worksong. ‘En daarvoor ben je hier tenslotte binnengehaald. Proost!’

Ik complimenteerde Van Boven met zijn Concert Studies: ook vakwerk, veel gepolijster dan het mijne.

‘Straks krijgen we dus dat stuk van jou op tekst van Pablo Neruda,’ zei hij en haalde het programma uit zijn zak. Een Requiem. Ik heb me al de hele tijd afgevraagd aan wie jij een dodenmis opdraagt.’

‘Aan plantagearbeiders. En in ruimere zin aan Midden-Amerika, aan de landen die zo denigrerend “bananenrepublieken” worden genoemd. Ze worden uitgebuit en kapotgemaakt door een onderneming als de United Fruit Company. De tekst en de muziek zullen je wel het een en ander verduidelijken.’

‘Ik ben benieuwd,’ zei Van Boven. ‘Het beste. Ik zie je nog na de mis.’ Hij gaf me een schouderklopje en liep de stemkamer uit.

Ik dronk mijn glas leeg, zette het op een tafel en ging het podium op. De opstelling van het uitgebreide slagwerk: pauken, trommen, buisklokken, tamtam en de verzameling Latijns-Amerikaanse instrumenten, was in orde en ook die van de microfoon. Ik ging terug naar de stemkamer om Max, die net als in de Liederen van de zelfkant de solopartij op zich zou nemen, op zijn gemak te stellen. Zelf kon ik ook wel een geruststellend woord gebruiken; ik moest me beheersen om de studenten niet te laten merken dat het klamme zweet me uitbrak. En ik besefte opeens hoe vreemd het was mijn carrière aan het Conservatorium te beginnen met een requiem. Bij de deur naar het podium wachtte ik met Max tot de toegangsdeuren van de Grote Zaal gesloten waren en alle luisteraars zaten. Toen de koperblazers gestemd hadden, haalde ik diep adem en liep achter Max het podium op.

Het werd stil. Ik hief mijn handen. Een machtige kopertoon uit vijftien bekers boorde zich door de Grote Zaal. De eenstemmige bes werd gevolgd door een f. Ik had de dalende kwart, een interval als een oordeel, ontleend aan het Dies Irae van Mozarts Requiem en tot melodische kern van mijn eigen Requiem gemaakt.

Begeleid door een diepe paukenroffel nam de stem het woord:

 

Toen dan de bazuin weerklonken had,

alles toebereid stond op de aarde

en Jehova alles had verdeeld

onder Coca-Cola en Ford Motors,

Anaconda Copper en consorten,

had de trust van de United Fruit

zich verzekerd van het sappigst aandeel:

‘t soepel middel van Amerika,

zachte leest van mijn geboortegrond.

Na de naam van ieder concern zwol het slagwerk aan om te eindigen met een klap als van de hamer van een veilingmeester.

 

Boven op de doden die daar rustten

boven op de ongeruste helden

die de vrijheidsvanen deden waaien

en beschaving hadden laten tronen

richtte zij een operette aan…

Er klonken flarden zwoele, operetteachtige walsmuziek en brokken van parademarsen in een gecompliceerde pastiche van muziek die met iedere maat lichtzinniger werd. Plotseling stokte het orkest, alsof de stoppen waren doorgeslagen. Een eenzame trompet keerde het motief van de dalende kwart om en transformeerde het tot het begin van The Last Post. Dan raasde het koper verder. De tonen zwermden uit de bekers van trompetten en trombones als bloeddronken vliegen op de dodenakkers van de Latijns-Amerikaanse volken; lager en lager zonken ze, om hun diepste verzadiging te vinden in de contrabastuba. Op het podium leek een chaos te heersen, maar dat was schijn; alle muzikale motieven hingen ten nauwste samen: in dit stuk waren rover en beroofde aan elkaar geketend.

Op de dolgedraaide roes volgde de ontnuchterende laatste strofe met de begeleiding in het lage register van de trombones:

 

weer een lijf dat instort, weer een naamloos

voorwerp, weer een afgevallen nummer,

een vergane dode vruchtentros,

weggegooid, doorgedraaid op de vaalt.

In het instrumentale slot had ik bij het componeren keer op keer geschrapt, tot er niets overbleef dan een schraal koraal voor het koper, dat telkens overstemd dreigde te worden door de grommende pauken en trommen.

Na een paar seconden stilte barstte het applaus los. Ik gaf Max en alle twintig muzikanten een hand en liep naar de stemkamer. Het applaus hield aan: ik moest terugkomen. En daarna nog een keer.

Terwijl ik me het zweet van mijn voorhoofd wiste, keek Van Boven de stemkamer in. ‘Complimenten aan iedereen in de sacristie,’ zei hij met een zegenend gebaar. ‘Speciaal aan jou, Matthijs. Een knap werkstuk, dat Requiem, nog interessanter dan Worksong.’

‘Dank je.

‘Ik heb een paar kritische noten, maar die geef ik je morgen wel.’

‘Waarom nu niet?’

‘Kritiek kan hard aankomen; er zijn collega’s die er absoluut niet tegen kunnen. Jij blijkbaar wel; nou, des te beter. Kom even mee naar het podium.’

Ik volgde hem. De kale plek op zijn hoofd glom.

‘Dat verhaal van die United Fruit Company is me duidelijk geworden,’ zei hij. ‘Maar naar mijn smaak steunt het stuk toch te zwaar op ideeën uit de jaren zestig. In die tijd had je daar meer succes mee gehad.’

‘Op de lagere school componeerde ik nog niet,’ zei ik. ‘En Latijns-Amerika wordt nog steeds uitgebuit; daar is sinds de jaren zestig niets aan veranderd.’

‘Mm. Punt twee: waarom heb je de tekst laten spreken in plaats van zingen?’

‘Prachtig, Matthijs,’ zei de corpulente Geluk, die hijgend het podium beklom. ‘Een eerlijk pleidooi voor de uitgeteerde en uitgebuite armen. Ik moet er nu snel vandoor, maar we spreken elkaar morgen.’

‘Belcanto was wel het allerlaatste wat ik wilde,’ probeerde ik Van Boven aan zijn verstand te brengen. ‘Ieder woord moest verstaanbaar zijn en vrij van galm.’

‘Het is een opvatting. Interessant.’ Van Bovens blik dwaalde naar de rand van het podium, waar Clara verscheen. Van Boven en ik excuseerden ons op hetzelfde moment.

Alsof we het afgesproken hadden, gingen Clara en ik Fermate voorbij: het café op de hoek zat stampvol muziekstudenten. We liepen honderd meter verder naar De Stijl, de halfslachtige imitatie van Theo van Doesburgs Aubette Restaurant-Cinéma. Het etablissement was niet stijlzuiver, maar wel vrij van muzak.

We zaten nog niet, of Clara begon over mijn Requiem, het grootste en spectaculairste programmaonderdeel.

‘Het stuk heeft veel moeite gekost,’ antwoordde ik op haar vraag hoe ik het voor elkaar gekregen had. Eerst heb ik Canto general van Pablo Neruda bestudeerd, met Engelse en Franse vertalingen en de onvolledige Nederlandse vertaling ernaast. Jammer genoeg ken ik geen Spaans. Maar Max spreekt het wel; met hem heb ik vluchtelingen uit Latijns-Amerika opgezocht om meer te weten te komen over de achtergronden. Voor de muzikale kant heb ik Henk, de trompettist van de Roaring Twenties Band, en Carl van het slagwerk uitgehoord over de mogelijkheden op hun instrumenten. Instrumentatie is mijn zwakke kant, dat merk ik steeds weer. Ik heb van ieder deel verschillende versies gecomponeerd en steeds maar zitten schrappen, vooral in het slot, dat eerst niet strak en sober genoeg wilde worden.’

‘Van instrumentatieproblemen heb ik niks gemerkt,’ zei Clara. ‘Dat Requiem is een ijzersterk stuk geworden en deze uitvoering was nog veel indrukwekkender dan de radiouitzending van de première.’

‘Jouw Bouwstenen vond ik in hun formaat net zo sterk.’

‘Aardig van je om dat te zeggen.’

‘Ik zeg het niet om aardig te zijn. Ze zijn echt heel goed. Ik zou graag een partituur willen hebben, gesigneerd en met een opdracht.’

‘Serieus?’ vroeg ze verbaasd. ‘Maar ik haal op de piano toch niet het niveau van Worksong?’

‘Dat vind ik wel. Ik weet niet of ik zulke didactische stukken zou kunnen schrijven. Componeren voor kinderen is moeilijk, omdat je aan zoveel technische beperkingen vastzit. Maar je hebt de problemen prachtig opgelost. Ik geef tien Concert Studies van Van Boven voor één Bouwsteen van jou. Wat vond hij er eigenlijk van?’

‘Daar heeft hij zich niet over uitgelaten.’

‘Je hebt zeker nooit aan les bij Bakker gedacht?’

Clara maakte een wegwerpend gebaar.

‘Ook niet bij iemand aan een ander conservatorium?’

‘Ik woon hier,’ zei ze. ‘Dit is mijn stad, mijn territorium.’

‘Krijg ik een partituur van je Bouwstenen, gesigneerd?’

‘Beloofd. Ik zal nadenken over de opdracht. Wat is jouw tegenprestatie? Een compositieles?’

‘De cd met Worksong, als je die nog niet hebt.’

‘Nee. Graag.’

‘Waar ben je nu mee bezig?’ vroeg ik.

‘Liederen met pianobegeleiding; een cyclus met de titel Tegenstem.’

‘Van wie zijn de gedichten?’

‘Van mij.’

‘Van jou? Schrijf je ook?’

‘Ik heb één bundel gepubliceerd.’

Ik werd benieuwd naar haar literaire werk. Ze noemde de uitgever en las met een ironische frons op haar voorhoofd een denkbeeldige flaptekst voor. Maar gedichten navertellen of beknopt samenvatten kon niet, zei ze.

‘Heb je wat aan Van Boven bij het schrijven van die liederen?’

‘Ach…’ zei ze geërgerd. ‘Ik schrijf die dingen ondanks hem, niet dankzij hem.’

Ik wilde niet doorvragen en een bemoeizieke indruk maken.

We bestelden nog een pils.

‘Cadeauverpakking,’ mompelde Clara ineens, peuterend aan een papieren servet met de naam “Café De Stijl” in drie primaire kleuren.

‘Wat?’

‘Cadeauverpakking, dat is de muziek van Van Boven. Cadeauverking zonder cadeau. Een glitterpak aan een knaapje. Jouw muziek is stevig pakpapier om een doos met inhoud.’

‘Voor die Concert Studies van vanavond is glitterpak inderdaad wel een goed woord, zeker voor de manier waarop hij ze speelde.’

‘Dat zelfvoldane, lachende hoofd,’ zei Clara. ‘Wat een problemen ik gehad heb met die man…’

‘Vertel eens.’

‘Ik wil daar pas iets over zeggen als ik de compositieprijs eenmaal in mijn zak heb.’

‘Dan moet je er niet over beginnen.’

Ze zette haar ellebogen op tafel en ondersteunde haar kin met haar handen. ‘Aan de ene kant wil ik op een normale manier aan dit Conservatorium examen doen. Aan de andere kant zou ik graag bij jou studeren: jouw muziek is interessanter, dat heb ik vanavond weer gehoord, en met jou kan ik werken.’

 

*

Tijdens het Componistenconcert had ik het zo druk gehad met organiseren, dirigeren en luisteren, dat ik geen moment aan recensenten had gedacht. Kritieken vond ik vaak niet zinvol, omdat de lezers, behalve bij een lange serie operavoorstellingen, toch niet konden nagaan of het oordeel van de recensenten gefundeerd was. Daarbij was de mening van de meesten voorspelbaar. Ondanks alles las ik hun stukken, ik spelde ze, en wist dat ook de schijnbaar onverschillige collega’s dat deden.

De dag na het concert bracht mijn compositieleerling Joost Het Ochtendblad mee, een krant die ik nooit kocht en alleen opraapte in een wachtkamer of een trein. Het was de enige krant met een recensie; de andere dagbladen hadden volstaan met een beknopte aankondiging van het concert.

‘Ben jij dat?’ vroeg Joost, wijzend op de foto bij het artikel.

Ik was het inderdaad.

Ik demonstreerde in Groningen voor de rechten van de Palestijnen in de door Israël bezette gebieden. Naast mijn verwaaide, schreeuwende hoofd was een spandoek zichtbaar met een davidster, waarvan de punten dropen van het bloed. Een bijzonder onsmakelijk spandoek, waarachter ik niet gezien wilde worden en dat ik dan ook haastig voorbijgelopen was. Waarschijnlijk juist op dat moment.

‘Het is een soort recensie,’ zei Joost.

Ik begon te lezen.

Gehamer op beschadigde vleugels. Geram op kostbaar slagwerk, bekostigd door de belastingbetaler. Gescheur op batterijen koperinstrumenten. Geschreeuw van politieke verdachtmakingen. Gedwongen medewerking van studenten aan provocerende uitingen. Hoe is het op het Conservatorium gesteld met de vrijheid van meningsuiting? Waar blijft de tegenstem? Wij hebben moeten luisteren naar “muziek” van een bedenkelijk allooi – naar akoestische terreur, zouden we liever zeggen. Er waait door het Conservatorium een nieuwe, maar weinig frisse wind, een wind uit een bepaalde hoek. De documentatie uit het archief van onze krant – foto’s liegen niet – zegt genoeg. Onze lezers oordelen zelf.

En zo ging het nog een tijdje door. Aan het eind zag ik pas dat het artikel niet geschreven was door “Onze Muziekredacteur”, maar door Fred Gravemaker: het stond dan ook op de Society Pagina.

Grijnzend wees Joost op dezelfde pagina een ander stukje aan:

Ze waren er allemaal, op de receptie ter ere van de nieuwe cd van de mooie vocaliste CAROLINE KWEKKEBOOM. Niet alleen onze geliefde sterren van de lichte muze en de buis, maar ook de klassiek georiënteerde componist JOHN HENRY VAN BOVEN, bekend van het vaderlandse filmdoek.

‘Achterlijk proza,’ zei ik.

‘Door honderdduizenden gelezen,’ merkte Joost op.

Ik wilde de pagina verscheuren, maar bedacht me, vouwde de hele krant op en stopte hem in mijn tas. Mijn zin in de les was over en ik maakte met Joost een nieuwe afspraak. Na de vieze drukinkt van mijn handen te hebben gewassen, besloot ik in de kantine een zwarte koffie te gaan drinken.

Er was alleen een groepje eerstejaars, dat mij nauwelijks kende. Mevrouw De Waard vroeg bij het inschenken van de koffie of ik soms uit mijn humeur was. Ik wist dat zij Het Ochtendblad spelde en liet me niet verleiden tot een praatje over de Society Pagina.

Ik zat nog geen vijf minuten, toen Van Boven binnenkwam. Voordat ik de krant uit mijn tas had kunnen halen kwam Van Boven bij mijn tafeltje staan, maakte een bezwerend gebaar en zei: ‘Ik weet wat je me wilt laten zien. Ze suggereren dat jij tegen Israël bent en misschien zelfs een antisemiet. Met feiten komen ze niet. Er is niks tegen te doen. Rotzakken zijn het, die Ochtendblad-journalisten. Nog een koffie?’

‘Wat heb jij met Fred Gravemaker?’ vroeg ik, terwijl hij de koffie op tafel zette. De vraag was niet gelukkig, besefte ik meteen: te direct. “Ze waren er allemaal, onze geliefde sterren.”’

‘Ik ben getrouwd met Elly,’ zei Van Boven, zonder zijn gebruikelijke glimlach. ‘Niet met meneer Gravemaker. En ik heb mezelf niet als Geliefde Ster aan de artiestenhemel geplaatst. Ik heb succes genoeg gehad en hoef dus niet zo nodig. Maar wanneer je met het filmvak en de reclamebusiness te maken hebt, ontkom je er niet aan op bepaalde gelegenheden je gezicht te laten zien.’

Ik lachte honend.

‘Die recepties zijn precies zoals jij denkt,’ zei Van Boven zacht, terwijl hij zich vooroverboog en zijn hand op mijn onderarm legde. ‘Stomvervelend. Allemaal leeghoofden, er wordt alleen maar gezopen en geroddeld en mensen als Gravemaker leven daarvan als een zwam op een boomwortel. Niks voor jou.’

‘Voor jou wel?’

‘Ook niet, ook niet, maar ik zeg je: dit moet je op de koop toe nemen wanneer je ook commercieel werk doet.’

‘Wat een onzin. Als je goed componeert vragen ze je toch wel.’

Van Boven dronk zijn kopje leeg en zei: ‘Heb jij wel eens een commercial gecomponeerd?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Welke muziek is van jou? De naam van de componist staat er nooit bij.’

‘Estrellón Bananen,’ zei Van Boven, terwijl hij een sigaret opstak. ‘Je weet wel, die vrolijke sombrero’s met gitaar en trompet. Ken je die niet?’

‘Is me niet opgevallen. Als de STER komt, zet ik vaak het geluid uit of ik zap naar een andere zender.’

‘Vanavond is er na het laatste journaal muziek van mij in de reclame voor de Security Bank: probeer te kijken en te luisteren als je thuis bent. Jij hebt nog nooit een commercial gecomponeerd?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Dan moet je dat gewoon een keer doen: het is heel wat interessanter dan een Worksong, financieel bedoel ik. Het bevrijdt je van een hoop zorgen.’

‘Ik heb door mijn benoeming hier geen financiële zorgen meer,’ zei ik. ‘En zulke hoge eisen stel ik niet.’

‘Vind je het bedrijfsleven verdacht?’

‘Zeg ik dat?’

‘Nee, maar ik zit hier tegenover de componist van een aanklacht tegen de United Fruit Company. Ik vind het componeren van een kleine commercial een grote uitdaging: je moet snel en gecontreerd schrijven, een hit van tien, twintig seconden.’

‘Het ligt me niet,’ antwoordde ik. ‘En van kijk- en luistercijfers lig ik niet wakker.’

‘Het verdient aardig,’ zei Van Boven welwillend, ‘en als je je ooit nog bedenkt, kan ik misschien een goed woordje voor je doen, zoals ik hier bij Geluk heb gedaan.’

Ik had besloten de twintig Van Boven-seconden in het laatste STER-blok te beluisteren en de rest van de avond nuttig te besteden aan de opzet van een nieuwe compositie voor piano. Clara’s Bouwstenen hadden me op het idee gebracht om weer iets voor dat instrument te schrijven. De televisie bleef zo lang mogelijk uit. Als je wou componeren, had ik tegen Joost en mijn andere studenten gezegd, moest de televisie uit en de fles dicht. Je deed het alleen, net als boksen of schermen, met dat verschil dat je vocht tegen jezelf, tegen –

Dat er juist nu gebeld moest worden! Buurvrouw die de sleutel vergeten was? Poes weggelopen? Jehova’s getuigen? Was ik wel thuis? Maar van boven kon ik niet zien wie er stond. Ik liep naar de trap en drukte op de knop om drie verdiepingen lager de deur open te maken.

Wie was dat? Die lichte passen en die manier van traplopen kende ik niet.

Mijn ergernis was weg toen Clara onderaan de derde trap verscheen. ‘Stoor ik?’ vroeg ze. ‘Ben je aan het componeren?’

‘Ja, een pianostuk. De inspiratie kwam juist boven.’

‘Neem me niet kwalijk dan,’ zei ze hijgend. ‘Maar ik moet je even spreken.’

‘Over mijn klarinetstuk?’

‘Over iets anders eerst.’

‘Doe je jas uit. Als je wat langer blijft, kunnen we straks samen een commercial beluisteren van de stercomponist van Nederland.’

‘Om die stercomponist kom ik juist,’ zei ze, terwijl ze me haar jas gaf. ‘Mooie werkkamer… Ik ben bij hem weg.’

‘Bij hem weg? Heb je de knoop doorgehakt?’

Clara grijnsde, slaakte een diepe zucht en ging op de stoel aan mijn werktafel zitten.

‘Hoe ging het?’

‘Geen scène. Hij zei met zijn superieure lachje dat ik het recht had om van leraar te veranderen. Het kwam alleen onverwacht, zei hij. De huichelaar.’

Hoewel ik bijzonder blij was dat ze nu bij mij zou gaan studeren, moest ik opeens weer denken aan Het Ochtendblad met dat kwalijke artikel, waaraan Van Boven misschien medeplichtig was. Ik bukte me om de krant uit mijn tas te halen.

‘Laat maar: dat stukje heb ik gelezen,’ zei ze met een wegwerpgebaar. Een vleugje parfum beroerde mijn neusgaten. ‘Smerig, maar ik heb nu geen zin om me nog een keer op te winden. Je doet er niets tegen en een ingezonden brief plaatsen ze toch niet.’

‘Wat heeft Van Boven precies met Het Ochtendblad te maken?’

‘Hij staat op de Society Pagina, als hij weer eens op een party of een receptie geweest is. Ook wel in Boulevard. Maar hoe zijn contacten met Gravemaker precies liggen, daar ben ik al die jaren dat ik hem ken niet achter gekomen.’

‘Hij zei tegen mij dat hij dat soort journalisten rotzakken vindt. Er was geen grijns op zijn gezicht.’

Clara hield haar hoofd schuin en keek me aan. ‘Ik moet toegeven dat hij het laatste jaar rustiger geworden is, met zelfs af en toe iets wat op een inzinking leek. Een menselijke inzinking misschien, door de crisis in zijn huwelijk, of een creatieve: als je die commercials niet meerekent, heeft hij de afgelopen anderhalf jaar niets nieuws laten horen.’

Sea Symphony,’ zei ik.

‘Is ouder,’ antwoordde Clara.

Masks.’

‘Dat is het laatste, maar het is de nieuwe orkestratie van een oud stuk. Belegen titel trouwens.’

The Zoo.’

‘Die film draait al ontzettend lang,’ zei Clara. ‘Je hebt hem gezien?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Mijn genre niet. Hoe is hij?’

‘Tja… Het is een thriller over dieren die massaal uit de dierentuin ontsnappen en de stad terroriseren. Krokodillen in de grachten, aasgieren op de lantaarns, gifslangen achter geparkeerde auto’s. Ze doden alle mensen die ze op hun weg tegenkomen. Wanneer je buurman gaat verzitten en met zijn mouw jouw hand raakt, denk je onwillekeurig dat er een vogelspin overheen loopt. De muziek is fantastisch, maar het gaat allemaal over volstrekte onzin. En het is in feite een belediging voor de dieren dat mensen zoiets verzinnen.’

‘Ik moet hem toch nog maar bekijken,’ zei ik, ‘om de spinnen en om de muziek. We hadden het over de Sea Symphony…’

‘Opus 63.’

‘Ik heb de cd gekocht. Je gaat dat stuk vanzelf vergelijken met de Four Sea Interludes van Britten, uit Peter Grimes. Ook briljante muziek, maar totaal verschillend. Bij Van Boven vind je de golfslag, het licht, de sfeer van de zee: de oppervlakte. Bij Britten heeft de zee diepte: hij geeft voedsel en neemt levens.’

‘Dat je juist Britten noemt,’ zei Clara, ‘een van zijn grote voorbeelden van de oudere componisten. Bij de jongeren ziet hij het meest in een paar vlotte Italianen, niet degenen die ik goed vind. Volgende onderwerp: heb je iets te drinken?’

Ik knikte en ging naar de keuken. Daar haalde ik twee pilsjes uit de koelkast, aarzelde, zette ze terug en maakte een fles wijn open. Toen ik terugkwam, zat Clara op mijn notenbalken te turen. ‘Sorry voor mijn nieuwsgierigheid.’

‘Geeft niet, kijk maar,’ zei ik.

Nadat ik een aantal inderhaast neergekrabbelde noten duidelijker had opgeschreven, vroeg ze wat voor soort pianostuk er uit deze bladzij moest ontstaan. Ik analyseerde nooit mijn eigen muziek met de studenten, maar met Clara was het anders: zij was meer een collega dan een studente en die compositieprijs had ze allang gekregen, als het aan mij gelegen had. Haar vragen waren terzake, maar ik kon ze niet allemaal beantwoorden, omdat de vorm van het stuk me nog niet duidelijk genoeg voor ogen stond.

Toen ik het derde glas inschonk, verschoof ze mijn linkermouw een stukje om op mijn horloge te kijken. ‘Het is tijd voor onze stercomponist.’

Ik genoot van haar aanraking en zette met tegenzin de televisie aan. De commercials gingen over een pretpark waar we liever met een wijde boog omheenreden en over repen met noten onder weemakende chocola. Bijna dachten we Van Bovens muziek gemist te hebben, toen een synthetisch strijkorkest ons meevoerde naar een paradijselijk oord, waar een vrouw klaarstond om een man te geven wat hij nodig had. Jong en knap waren ze, zonder één rimpel. Een lening rijker, zweefde de klant op de klanken van het strijkorkest de marmeren trappen van de Security Bank af.

‘Goedkoop, die synthetische violen,’ zei Clara. ‘Je zou met die electronica heel wat interessante geluiden kunnen maken, maar het enige wat hij verzint is een imitatie van een strijkorkest.’

Ik strafte het gebrek aan fantasie af met een druk op het rode knopje van de afstandsbediening. ‘Van Boven vroeg of ik het bedrijfsleven verdacht vind.’

‘Hij heeft goed naar je Requiem geluisterd.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Banken zijn onmisbaar, maar ik vind dat een bank een bank is en geen filantropische instelling. Hij probeert dat met zijn muziek te verdoezelen.’

‘Hoe laat is het?’ vroeg Clara opeens.

Ik had al in tijden niet meer op mijn horloge gekeken. ‘Half een… Ik wist niet dat het al zo laat was.’

‘Rijden de trams nog?’ vroeg ze met een onschuldig gezicht.

Vragen of ze hier blijft, dacht ik, maar zette het idee meteen weer van me af. Met geduld zou ik meer bereiken. ‘Waar woon je?’

Het was een verre zijstraat van een gracht.

‘Ik breng je,’ zei ik. ‘Met de fiets. Ik spaar voor een auto.’ Terwijl ik haar jas haalde, zei Clara dat ze voor hardwerkende fietsers een speciaal recept had, dat ik in het weekend maar eens moest komen proberen.

 

*

Voor Clara’s deur werd ik opeens nerveus als een student die aanbelt bij zijn docent. Maar toen ze opendeed, leek het eerder of zij de meest nerveuze was. Snel gaf ze me een hand. Ik volgde haar op de smalle trap naar boven.

‘Zoek maar iets te lezen of zet een cd op,’ zei ze gehaast. ‘Bij het componeren mag je me op mijn vingers kijken, maar in de keuken niet.’

Ik merkte dat Clara net zo met ruimte moest woekeren als ik. Voor het raam stond een tafel met een onbeschreven vel muziekpapier. Ernaast lag de open koffer met de bes-klarinet broederlijk naast de iets grotere a-klarinet. Voorzichtig drukte ik op een paar kleppen, waarschijnlijk met de verkeerde vingers. In de koffer lag een doosje met rieten en op de lessenaar erachter stond mijn Ode aan de rietenfabrikant, vol potloodaantekeningen en viltstiftmarkeringen. Platen en cd’s had Clara weinig en dan nog alleen van de Roaring Twenties Band en ensembles die het minder gangbare repertoire speelden. De cd met Worksong stond op een ereplaats. Cassettes waren er meer – ik zag de radio-opname van de Liederen van de zelfkant – en ze had aardig wat boeken. Vooral klassieke Russen. Al kende ik alle auteurs die er stonden van naam, veel meer dan Jevgeni Onegin, De overjas en De dame met het hondje had ik niet gelezen. Clara moest een expert zijn in moderne poëzie. Ik wilde juist haar eigen bundel Tegenstem uit de kast halen, toen ze binnenkwam met de mededeling dat het eten in de oven stond.

Ze maakte een fles open en stelde voor te drinken op de nieuwe samenwerking tussen docent en student.

‘Wacht even,’ zei ik. ‘Officieel ben ik de docent, maar alleen om ervoor te zorgen dat je zo gauw mogelijk het papiertje van de compositieprijs krijgt. Verder zijn we collega’s. Laten we liever drinken op onze plannen: jouw liederen, mijn pianostuk.’

We klonken.

‘Zou je je kunnen voorstellen,’ zei Clara, ‘dat we ooit samen een stuk componeren?’

‘Misschien. Hoewel samenwerken onder componisten niet gebruikelijk is.’

‘Weet ik. Maar het voordeel zou kunnen zijn dat we van elkaars sterke punten profiteren en elkaars tekortkomingen goedmaken.’

‘Waar liggen die tekortkomingen van mij dan?’ vroeg ik dreigend.

‘Je hebt zelf gezegd: in de orkestratie,’ antwoordde Clara lachend. ‘Ik vind die juist helemaal niet slecht. Jij hebt een lange adem; ik ben goed in het beknopte.’

‘Waarover dagdroom je? Over vocale of instrumentale muziek?’

‘Vocale muziek.’

‘Liederen? Wil je soms dat ik jouw nieuwe liederen orkestreer?’

Clara keek me aan en schudde half verlegen, half geheimzinnig haar hoofd. ‘Ik hou van opera.’

‘Je wou toch niet zeggen… Dat is toch geen serieus plan?’

Ze ademde langzaam en diep in, terwijl ze me bleef aankijken.

‘Waarom meteen het moeilijkste?’ zei ik. ‘Weet je wel hoeveel tijd en energie een opera kost? En waar zou hij over moeten gaan? Over de zieleroerselen van een tragische kunstenaar?’

‘Waarom niet? Ik denk niet aan een grote opera, maar eerder aan een eenakter. Vind jij de Nederlandse opera’s van de laatste tijd allemaal zo geweldig? Slaan die je met stomheid? Durf je zelf niets meer te schrijven?’

‘Je moet wel een onderwerp hebben,’ zei ik, ‘een verhaal waarvan je een operalibretto kunt maken.’

Tot mijn verbazing liep Clara naar de boekenkast. Ze streek met haar wijsvinger over de ruggen van de klassieke Russen en pakte een boek waaruit een papiertje stak. ‘Ik heb het,’ zei ze, terwijl ze het boek triomfantelijk omhooghield. Op het stofomslag stonden de naam Gogol en het cijfer 2.

‘Dat is snel,’ zei ik.

Ze fronste. ‘Hierin staan de Petersburgse verhalen van Gogol.’

‘O.’

‘Ken je ze?’

‘Dat dacht ik niet.’

‘Misschien heb je de titels wel eens gehoord,’ zei ze en zonder in de inhoudsopgave te kijken begon ze aan een opsomming: ‘De Nevski Prospekt, Het dagboek van een krankzinnige, De mantel, De calèche, De neus – je kent die opera van Sjostakovitsj toch wel?’

‘Mm.’

‘Al die verhalen zijn herhaaldelijk gebruikt voor opera’s, alleen Het portret nog maar één keer…’ Ze sloeg het boek open en keek op het papiertje dat ze tussen de bladzijden gestoken had. ‘Door de Zweedse componist Hilding Rosenberg, in de jaren vijftig. Je kent dat verhaal dus niet?’

‘Nee.’ Ik zag hoe ze het papiertje op de grond liet vallen en chaotisch door het boek begon te bladeren. Ze had last van een bevlieging. We moesten niet aan zo’n karwei beginnen. Geen van beiden hadden we iets van de omvang van een opera gecomponeerd en geen van beiden hadden we ooit samengewerkt met een andere componist. Als we ruzie wilden krijgen, moesten we samen een opera gaan schrijven. Plotseling dacht ik aan het eten. ‘Stond er niet iets in de oven?’ vroeg ik.

Clara gooide Gogol op tafel en rende naar de keuken. ‘Nog net op tijd!’ riep ze.

Ik liet het boek liggen, ging aan de eettafel zitten en vroeg me af hoe ik haar enthousiasme een andere kant op kon sturen.

Hoewel de schaal waarmee ze binnenkwam er veelbelovend uitzag, werd het onderwerp eten door haar niet aangeroerd. Ze ging meteen verder over Gogols Portret. ‘Wil je weten hoe het verhaal gaat?’

Ik knikte.

‘Je bent toch wel geïnteresseerd als ik het vertel?’

Ik knikte weer. Naar haar kijken en luisteren wilde ik, ongeacht het onderwerp.

‘Het gaat over een jonge schilder die Tsjartkov heet. Ik heb het verhaal kort geleden herlezen, dus ik kan het je nog precies vertellen. Het begint zo. Op een dag koopt die Tsjartkov in een winkeltje een portret; het stelt een oude man voor met een vreemde, fascinerende blik. Wat hij met dat kunstwerk moet doen, weet Tsjartkov nog niet. Tussen twee haakjes: hij heeft talent, maar is niet populair en verkoopt weinig. Thuis maakt hij het gekochte portret schoon; nog meer dan eerst lijkt het of de oude man naar hem kijkt met de ogen van een levende. Dan valt Tsjartkov in slaap. In zijn droom ziet hij tot zijn ontzetting hoe het portret tot leven komt, hoe de oude man uit zijn lijst stapt en goudstukken gaat tellen. Daarbij laat die man een rol met duizend dukaten vallen.’

‘Dat niet tot zijn ontzetting.’

‘Je moet me niet in de rede vallen met flauwe opmerkingen! Zonder dat de oude man het merkt, raapt Tsjartkov de dukaten op. Opeens wordt de oude weer portret en Tsjartkov ontwaakt uit zijn droom. De huisbaas komt om de huur op te halen, maar de arme schilder heeft geen cent meer – geen kopeke, moet ik zeggen. Dan ziet Tsjartkov plotseling een rol met duizend dukaten liggen, waarvan later blijkt dat die in de lijst van het portret verborgen heeft gezeten. Nu kan Tsjartkov een ander leven beginnen. Hij verhuist naar een groot appartement. Hij koopt de diensten van een journalist, die sensatieverhalen over hem schrijft en hem beroemd maakt. De Petersburgse society stroomt toe en Tsjartkov krijgt steeds meer opdrachten. Maar wat gebeurt er? Gaandeweg conformeert hij zich aan de heersende smaak en hij wordt een modeschilder. Zijn originaliteit verdwijnt en hij wordt steeds onverschilliger. Alleen goud interesseert hem nog. Op een dag krijgt Tsjartkov een uitnodiging voor de tentoonstelling van een jonge schilder. Het werk van die man is zo subliem, dat Tsjartkov plotseling inziet hoe waardeloos zijn eigen schilderijen zijn. Hij sluit zich op in zijn atelier om een geïnspireerd meesterwerk te schilderen. Maar het is te laat: hij kan niets meer produceren dan clichés. Als hij het portret van de oude man terugvindt, dat in zekere zin de oorzaak van zijn dwaling is geweest, laat hij het weghalen. Met zijn goud koopt hij de prachtigste schilderijen om ze in zijn atelier aan stukken te scheuren. Zijn aanvallen van razernij worden steeds heftiger, tot hij krankzinnig sterft. Na zijn dood ontdekken de mensen wat hij met al die kostbare kunstwerken heeft gedaan.’

Clara was zo opgegaan in haar verhaal, dat ze nog niet veel gegeten had. Nu at ze door en keek me na iedere hap gespannen aan.

Eerst had ik geluisterd hoe ze vertelde, maar later steeds meer naar wat ze vertelde.

‘En?’ vroeg ze.

‘Lekkere kip.’

Ze keek me dreigend aan.

‘Een prachtig verhaal,’ zei ik.

‘Dat zeg je om mij een plezier te doen.’

‘Nee, ik vind het echt goed. Het is spannend en beeldend. Ik zie zo al een paar scènes voor me. De droom van dat goud bijvoorbeeld.’

‘De ijdele dames en heren in het atelier.’

‘De scène met het verscheuren van die schilderijen…’

‘Een mooie waanzin-aria!’

‘Ik moet het eerst lezen,’ zei ik, ‘maar ik zou me er wel een eenakter bij kunnen voorstellen.’

‘Met instrumentale tussenspelen.’

‘Ja. Al blijft het componeren van een opera een grote onderneming.’

‘Dus jij bent ook enthousiast.’

‘Ben jij in staat een libretto te maken?’ vroeg ik.

‘Dat hoop ik. We moeten het lezen en herlezen. Dan kunnen we een voorlopige indeling in scènes maken en een rolbezetting. Daarna kan ik aan het libretto gaan werken.’

Ik knikte. ‘Dan zou ik alvast aan de instrumentale gedeelten kunnen beginnen. Zou het toch niets worden, dan staan we niet met lege handen.’

‘Je gaat toch niet aan het werk met het idee dat het niets zou kunnen worden?’

‘Dat doe ik ook niet.’

‘Tsjartkov is natuurlijk een tenor,’ fantaseerde Clara.

?En de oude man een bas,’ vulde ik aan.

De rest van het eten was koud geworden. We stonden op en ruimden de tafel af.

Tijdens de afwas verdwenen mijn laatste bedenkingen tegen Het portret.

 

*

We zagen elkaar terug in De Stijl, na een vermoeiende Conservatoriumdag. Clara demonstreerde op de achterkanten van zes bierviltjes – voor iedere scène een – dat ze al had nagedacht over de opzet van het libretto. Al luisterend kreeg ik wel zin in gesprekken over thema’s, scènes en rolbezettingen, maar ik wilde niet dat Clara zou terugtreden achter haar eigen operafiguren.

‘Luister eens even.’

‘Je onderbreekt me.’

‘Heb je er al over nagedacht…’ vroeg ik, op het laatste moment mijn persoonlijke vraag in een zakelijke verranderend, ‘wie dit allemaal gaat financieren?’

‘Dat is nog niet aan de orde.’

Mijn handen namen de bierviltjes en probeerden er een huisje van te bouwen. ‘Clara, we hebben het over minstens vier solisten, een koor van tientallen zangers, een orkest van tachtig man, over kostuums en decors, over maanden repetitietijd. Het gaat om een paar ton per voorstelling. Wie betaalt die? Heb je een opdrachtgever? Heb je relaties? Of wou je bij Van Boven aankloppen?’

‘Ik wil niets meer met Van Boven te maken hebben,’ zei ze, met een fatale tik tegen het wankele huisje.

‘Hij heeft veel relaties.’

‘Ik wil niets meer met die man te maken hebben,’ herhaalde Clara en begon met een kleur van ergernis haar neus te snuiten.

‘Het lijkt wel of je ook zakelijk vervelende ervaringen met hem hebt gehad.’

‘Mm.’

‘Is dat zo?’

‘Dat kun je wel zeggen, ja.’ Ze wreef uitgebreid in haar ogen, maar slaagde er niet in de blos op haar wangen te verbergen.

‘Hebben die ervaringen met een opdracht te maken?’

‘Ja.’

‘Wat voor opdracht?’

‘Radio.’ Ze dronk haar glas leeg en zei: ‘Ik zal het je vertellen, anders blijf je nieuwsgierig. En je kunt het beter van mij horen dan van hem. Ik heb op het ogenblik geen grote geldproblemen, dankzij de Roaring Twenties Band en mijn nieuwe klarinetlingen, maar anderhalf jaar geleden stond ik rood, ver in het rood. Ik was al bang dat ik moest verhuizen of een van mijn instrumenten verkopen. Het lijkt wel of Van Boven zulke dingen ruikt. Hij sprak me aan en zei dat hij kon proberen een kamermuziekopdracht voor me te versieren. Ik blij. ‘Daar moet van jouw kant iets tegenover staan,’ zei hij, op precies dezelfde dubbelzinnige manier waarop ik het nu zeg. De bedoeling was me meteen duidelijk. Maar omdat de situa

tie nijpend werd, nam ik de dubbele opdracht aan. De ene opdracht kostte me weinig moeite; de andere des te meer.’

Ik herinnerde me de zomeravond voor het Kwadraat-theater en de vreemde handkus van Van Boven – eigenlijk had hij meer het gebaar van de eed gemaakt met de vingers tegen zijn lippen – en ik hoorde het eerste couplet uit de Liederen van de zelfkant met de stem van Max, die zong over een handje losse centen en een tractaatje over deugd en eer.

‘Wat vind je van me?’

Clara wilde weten wat ik van haar vond. De vraag telde, het antwoord niet. ‘Precies hetzelfde als gisteren,’ zei ik.

Op het moment dat ik me omdraaide en de ober riep, viel mijn oog op een nummer van Boulevard, dat half onder een stapel kranten en kunsttijdschriften lag. Op het omslag stond in pastelkleurige letters, die vloekten met de primaire kleuren van De Stijl:

 

DE KAALHEID VAN JOHN H

In plaats van af te rekenen bestelde ik nog twee bier en stond op om het blad onder de stapel uit te trekken. ‘Je kunt die man moeilijk ontlopen,’ zei ik, terwijl ik het nummer van Boulevard op tafel legde. ‘De kaalheid van John Henry Van Boven… Interessant. Waar staat het artikel… Wat doet Mireille na haar scheiding… Danny lag drie dagen dood naast zijn bed voor hij gevonden werd… Hier is het.’

De brede lach besloeg de hele pagina acht. Op pagina negen zagen we het hoofd van achteren.

‘Sla eens om,’ zei Clara.

Op pagina tien ging het over dunner wordend haar, nieuwe methoden voor haartransplantatie en de vraag of haarverlies het gevolg kon zijn van intellectueel denkwerk.

‘Die angst voor haarverlies is een grapje,’ zei Clara. ‘In werkelijkheid is hij maar voor één ding bang.’

‘En dat is?’

‘Zijn vader was ongeschoold arbeider, vaak ziek en straatarm. In gesprekken en interviews praat Van Boven nooit over zijn jeugd. Maar ik weet dat hij de armoede vreest als de pest. En het lijkt wel of zijn angst groeit tegelijk met zijn bankrekening.’

‘Hij schnabbelt ongelooflijk veel.’

Ze knikte. ‘Ik ken in de muziek niemand die zo’n volle agenda heeft als Van Boven. Hij moet recepties aflopen en praten met mensen die hij minacht, omdat hij ze intellectueel de baas is. Hij moet naar de kapper en het zonnecentrum, en dan in een nieuwe outfit naar het televisiepanel, de presentatie van een nieuw keyboard of een nieuwe sportwagen. Toch is het grootste probleem volgens mij niet de volte, maar de leegte. Hij nadert steeds meer het punt waarop niets of niemand hem nog interesseert.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Het vakmanschap interesseert hem nog wel degelijk. Op het gebied van instrumentatie hebben we in Nederland geen betere.’

‘Misschien.’

Bij onze fietsen bleef Clara staan. ‘Ik wil met je praten,’ zei ze.

‘Nog over daarnet? Het is voorbij. Zet het uit je hoofd.’

‘Over ons.’

‘Hier?’

‘Hier, ja. Ik moet het zeggen. Ik voel geen vriendschap meer voor je.’

Ik hoorde mezelf zuchten als een kerkorgel waar een grappenmaker onder het concert de stekker uittrekt. Was de vriendschap met Clara schijn geweest? Had ze na Van Boven en mij genoeg van de mannen? Wilde ze op een zakelijke manier verder werken aan onze opera?

Verbaasd keek Clara me aan. ‘Ik ben verliefd,’ zei ze.

‘Op Tsjartkov,’ zei ik melig.

‘Verdomme, Matthijs, ik ben bloedserieus.’

Ik trok haar naar me toe en sloeg mijn armen om haar heen.

‘Ik kan er niet tegen om altijd alleen te werken,’ zei ze. ‘Ga je mee naar mijn huis?’

‘Om te werken?’

Ze lachte.

 

*

Ik volgde de handel en wandel van Van Boven met de grootste interesse, als een soort muzikale privédetective. Clara’s veronderstelling dat hij na de filmmuziek van The Zoo niets nieuws meer had gecomponeerd, leek me juist. Misschien had ik alleen enkele seconden bank- of bananenmuziek gemist. Het kon natuurlijk zijn dat Van Boven ons een publicitair rad voor ogen draaide, terwijl hij in stilte werkte aan zijn magnum opus.

 

*

Toen ik hem op een middag tegenkwam in de kantine, vroeg ik waar hij mee bezig was.

‘Met een grote partituur,’ zei hij. ‘Ik heb het hartstikke druk, jongen.’

‘Filmmuziek?’

‘Hij trok aan zijn sigaret en schudde zijn hoofd. ‘Opdracht uit het buitenland.’

‘Welk buitenland?’

‘Duitsland. De Westfälische Philharmonie bestaat binnenkort honderd jaar en ik moet het jubileumstuk schrijven.’

Ik kende de Bruckner-opnamen van het orkest. Het waren niet de bekendste uitvoeringen, maar naar mijn smaak wel de mooiste: onder leiding van Klaus-Dieter Hehler klonk de Philharmonie zo weergaloos sonoor en voornaam, dat zelfs de meest verstokte atheïst iets van Bruckners religieuze vervoering moest begrijpen. ‘Staat Hehler er dan voor?’ vroeg ik.

‘De oude Klaus…’ knikte Van Boven. Hij zoog krachtig aan zijn sigaret. ‘Ze hebben daar veel geld. Het jubileum wordt gesponsord door Seidel AG, de grote bierbrouwer.’

‘Waarom vragen ze een Nederlandse componist?’

Van Boven grijnsde en blies een grote wolk uit. ‘Ze vragen een goede componist. Maar zonder gekheid: ze hebben al eerder werk van mij gespeeld: de Sea Symphony. En The Zoo, Der Zoo kan een rol hebben gespeeld: die film is ook in Duitsland een groot succes. In ieder geval zijn Hehler en directeur Kaufmann nogal gecharmeerd van mijn orkestratiekunst. Wanneer ze een buitenlander kiezen, gaan ze bovendien de rivaliteit onder de Duitse componisten uit de weg en ze vermijden de schijn van vriendjespolitiek.’

‘Wanneer is dat jubileum?’

‘Juni,’ zuchtte hij. ‘Hard werken dus… En wat doe jij op het moment?’

Ik aarzelde.

‘Heb je niet zo’n inspiratie?’ vroeg Van Boven. ‘Kan gebeuren: we hebben allemaal wel eens last van een composer’s block. Op zulke dagen heerst er stilte in je hersenpan. Dodelijke stilte. Je kunt je niet herinneren dat je ooit componist bent geweest, maar je ziet het beroep in de televisiegids achter je naam staan.’

‘Ik heb daar weinig last van.’

‘Dus je bent lekker aan het werk? Des te beter. Wat schrijf je?’

‘Een opera. Een eenakter. Het is allemaal nog in het beginstadium.’

‘Een hele onderneming. Je eerste opera. Werk je alleen of met een librettist?’

‘Het is een heel karwei.’

‘Laat eens wat zien.’

‘Te zijner tijd misschien.’

 

*

Clara zei dat ze nog stapelgek werd van het werken aan het libretto, al ging het maar om een bladzij of vijftien. Het vorderde wel, maar ze was weer toe aan noten schrijven. Als klarinettiste stond ze op non-actief en de première van de Ode aan Vandoren zou ze moeten verschuiven naar volgend jaar. Die waanzin-aria van Tsjartkov moest ik maar voor haar bewaren, vond ze.

Ik had Het portret zesmaal gelezen en begreep niet waarom nog geen enkele componist behalve Hilding Rosenberg het suggestieve verhaal van Gogol had gebruikt. Ook ik had bergen verzet. Vier instrumentale scènes die niet direct van de tekst afhingen waren voor een groot deel klaar: Tsjartkovs droom, de scène met de society-figuren, de tentoonstelling van de jonge kunstenaar en de rancunescène met de verwoesting van de schilderijen. Al deze orkeststukken had ik als particel op drie balken genoteerd, zodat ze met enige moeite op de piano te spelen waren. Vreemd was wel, dat we over het werk van de ander veel enthousiaster waren dan over dat van onszelf. Ik kon maar geen begin maken met de orkestratie en verwachtte problemen. De blaasinstrumenten kende ik, maar met de strijkinstrumenten was ik ondanks de paar jaar bijvak viool nooit helemaal vertrouwd geraakt. Clara, die op de tekst voor het koor zat te zwoegen, wuifde de orkestratieproblemen weg. Ze stelde voor, de vier fragmenten die in particel nu bijna klaar waren samen te voegen tot een suite die ook in de concertzaal uitgevoerd kon worden. Dat had grote voordelen: zwakke passages zouden we naderhand in de partituur van de opera kunnen verbeteren, en we hielden in de lange periode dat we aan onze opera werkten contact met het publiek.

Ondanks al die mooie plannen zag ik tegen de orkestratie op als tegen een berg.

 

*

Op een donkere, regenachtige avond zonder Clara dacht ik aan Van Bovens opmerking over het composer’s block. Ik begon te vrezen voor moeilijkheden, veel ernstiger en langduriger dan die in de tijd van het Zomerfestival Nieuwe Muziek. Voor het raam staand, herinnerde ik me wat Hindemith gezegd had over componeren: de componist staat voor het raam en kijkt naar een nachtelijk onweer. De bliksem maakt het landschap een ogenblik zichtbaar; daarna is alles weer donker. De componist probeert het schitterende landschap dat hij gezien heeft steen voor steen, boom voor boom, blad voor blad weer op te bouwen. Maar ik zag het niet meer; het was alsof mijn ogen vertroebeld waren door voortijdige staar. Ik werd zo moedeloos, dat ik mijn muziek in een la smeet en mijn werktafel ontvluchtte. Als produceren niet wilde lukken moest ik maar consumeren, onderuitgezakt in een bioscoopstoel. Waarom niet naar The Zoo? Dan had mijn vlucht nog iets van een werkbezoek. Na Clara had Joost me over de film verteld en nu moest ik zelf maar eens gaan kijken. Me bang laten maken door de opgehitste beestenbende die de bewoners van de stad uit hun schuilplaatsen verjoeg. Natuurlijk was de thriller mijn smaak niet, maar waarom moest ik daar altijd zo precies in zijn? De muziek zou alles goedmaken. Volgens Joost moest Van Boven een gevecht geleverd hebben met de regisseur en de producent om de inbreng van de muziek te verdedigen, om geen partituur te maken bij een voltooide film, maar die film te sturen met opzwepende muziek.

 

*

‘Complimenten voor de film,’ zei ik, toen Van Boven de kantine binnenkwam. Zoals gewoonlijk droeg hij het jasje over zijn schouders, maar zonder zijn armen in de mouwen.

‘Zo, je hebt The Zoo gezien,’ zei Van Boven. ‘Nog een espresso?’

‘Graag.’

Zelfs de manier waarop de filmcomponist met de twee kopjes tussen de tafeltjes door manoeuvreerde had iets artistieks, vond ik, iets van de motoriek van een choreograaf die vroeger een goed danser was geweest.

‘En?’

‘Werkelijk fantastisch. Wat een suspense en wat een vondsten: die strijkers die opeens afbreken, zodat je weet: die man is doodgebloed.’

‘Die scène tegen het eind.’

Ik knikte. ‘Het goede is dat de partituur er niet aangeplakt is. Soms neemt de muziek zelfs de leiding. Je hebt denk ik hard moeten knokken om dat voor elkaar te krijgen?’

‘Dat heeft me jaren van mijn leven gekost, en al is die film nog zo’n kassucces, ze zullen me toch niet zo gauw een tweede keer vragen: ik ben in hun ogen erg lastig geweest.’ Hij zette het kopje aan zijn mond, nam genietend één slokje en keek me aan. ‘Schiet je op met je eenakter?’

‘Jij met je opdracht?’

Van Boven fronste. ‘Het wordt te vaak nachtwerk. Nou heb je nog niet gezegd hoe het met je opera is… Waar gaat hij over? Is het een klassiek liefdesverhaal?’

Ik besloot een beetje opening van zaken te geven. ‘Het portret, naar het verhaal van Gogol.’

‘Ken ik niet. Ik ken alleen Dode zielen: heel goed en heel bizar. Heb je al een tekst? Wie maakt het libretto?’

‘Eh, ik.’

‘Serieus? Ben je een dubbeltalent, net als Clara Timmer? Dan heb ik je onderschat.’

‘Zo makkelijk gaat het niet. En ik heb problemen met de orkestratie.’

‘Misschien kan ik je een paar adviezen geven,’ zei Van Boven. ‘Sorry, ik loop te hard van stapel. Neem me niet kwalijk dat ik me zo opdring.’

‘Geeft niet.’

‘Maar ik dacht: als je wat kunt laten zien, kan ik als buitenstaander misschien een paar suggesties doen. Jij zit de hele tijd met je neus op dezelfde noten en ik zie de zaak voor het eerst. Soms ziet een ander opeens de uitweg.’

Al het materiaal zat in mijn tas. Ik haalde de map eruit en legde hem op tafel.

‘Laten we naar mijn kamer gaan,’ stelde Van Boven voor. ‘Daar kunnen we ons beter concentreren, zonder pottekijkers.’

Hij hing zijn jasje over de bureaustoel en begon in hemdsmouwen te lezen, de bladen voorzichtig omslaand, als ging het om een manuscript van Stockhausen of een andere grootheid. Na tien minuten zwijgend lezen keek hij op. ‘Ik heb je toch verkeerd beoordeeld. Ik wist niet dat je dit kon. En daarbij ook nog literair talent!’

‘De orkestratie…’ zuchtte ik.

Van Boven knikte en bleef een tijdje onbeweeglijk zitten, alsof hij mediteerde. ‘Ik wil je een voorstel doen,’ zei hij met een klap van zijn vlakke hand op tafel. ‘Als collega. Jij geeft me kopieën van deze map een paar dagen ter inzage. In de voorjaarsvakantie schuif ik mijn opdracht een dag opzij en ik kijk of ik je suggesties kan doen om je over het dode punt heen te helpen. Het blijft onder ons. Een zaak van vertrouwen. Of voel je dat voorstel als schoolmeesterij?’

‘Nee.’ Ik stond op, schudde het muziekpapier op het bureau tot een ordelijke stapel en stak alles in de map.

‘Bij een andere gelegenheid help jij mij misschien weer eens.’

‘Ik ben even naar de administratie,’ zei ik. ‘Je ziet me zo terug.’

Bij mevrouw Lodewijks haalde ik de teller en een grote envelop en liep naar de kopieermachine. Na wat mislukte pogingen, waarvan ik de resultaten niet in de grote prullenbak gooide maar in mijn tas stopte, vond ik de juiste verkleining en kopieerde alles.

‘Dit is het dan,’ zei ik en legde de envelop op Van Bovens bureau.

‘Zet er even je naam op,’ zei hij.

Ik pakte zijn potlood en krabbelde onder het Conservatoriumlogo Matthijs V.

‘Matthijs Vermeulen,’ glimlachte Van Boven.

Ik trok mijn wenkbrauwen op. ‘Een eervolle vergelijking.’

‘Zeker. Ik heb respect voor die zeven symfonieën en de rest, maar…’

‘Maar wat?’

‘Er gebeurt bij hem zo verschrikkelijk veel tegelijk: je krijgt geen moment de kans om te relaxen.’

‘Wie gaat er dan ook naar een symfonie van Vermeulen luisteren om te relaxen?’

‘Laten we niet twisten over een woord. Hoe dan ook: ik vind ze altijd veel te zwaar georkestreerd. De Vijfde, godallemachtig, die lijkt wel een blok graniet.’

‘Graniet heeft zijn bekoring.’

‘Behalve als je er drie kwartier onder ligt,’ zei Van Boven. ‘Misschien komt het doordat Vermeulen zijn symfonieën zo zelden heeft gehoord; de Tweede heeft geloof ik dertig jaar op de eerste uitvoering moeten wachten. Jij zult dat door je essays wel beter weten dan ik.’

‘Kan zijn.’

‘Het blijft dus onder ons,’ herhaalde Van Boven. ‘En onmiddellijk na de vakantie krijg je alles terug, met notities op een bijlage. Van de noten blijf ik af.’

‘Wat heb je gedaan?’ vroeg Clara met stemverheffing. ‘Zeg dat nog eens: ik hoop dat ik het niet goed verstaan heb.’

‘Van Boven de schetsen gegeven.’

‘Ben je helemaal besodemieterd?’

‘Kopieën natuurlijk,’ zei ik, in een poging haar te kalmeren.

‘Dat moest er nog bijkomen, dat je zo iemand het origineel geeft! Dan had ik meteen de dokter gebeld! Ga terug naar Eerste, Tweede, voor mijn part Derde Exloërmond, als dat bestaat, dan nemen ze je misschien nog als hulporganist van de kerk! Het schijnt niet tot je door te dringen dat we samenwerken, dat het ook mijn muziek is, al heb ik tot nu toe aan het libretto zitten werken! Hier is de telefoon: je belt hem nu op om alles terug te vragen.’

‘Dat kan niet. Dan ga ik voor hem af als een gieter.’

‘Dat ga je nu voor mij! En wie vind je belangrijker?’ Haar ogen werden lichter blauw dan ik ze ooit had gezien. Ze liep naar haar klarinetkoffer, deed hem met een ruk open en greep de bladmuziek die erin lag. ‘Hier! Ga een ander maar vervelen met die rietenfabrikant! Houd die Ode op het bedrijfsleven maar! Jij geeft onze muziek weg? Dan geef ik jouw muziek weg!’ Ze slingerde de partituur in mijn richting. Als een afgeschoten vogel viel de Ode voor mijn voeten neer.

Ik knielde om de vellen op te rapen en voelde mijn hoofd rood worden van het bukken. ‘Hij was anders dan normaal,’ zei ik, opkijkend. ‘Hartelijk en echt geïnteresseerd.’

‘Hij is altijd anders dan normaal!’ schreeuwde Clara. Ze stond op van de werktafel en ging met haar hoofd op haar handen in een lage stoel zitten.

Ze wond zich onnodig op: Van Boven en ik hadden een duidelijke afspraak gemaakt. Maar ze gooide me er tenminste niet uit. ‘Je stelt te weinig vertrouwen in jezelf,’ zei Clara, zonder me aan te kijken. ‘En in mij.’ Ze pakte de krant van tafel, vouwde hem met een ruk open en verschanste zich erachter.

Er werd niet gecomponeerd.

 

*

Ik kreeg geen noot meer op papier.

Ik draaide cd’s en bekeek partituren uit de Conservatoriumbibliotheek: De neus van Sjostakovitsj en De jaarmarkt van Sorotsjinsy van Moesorgski, alle naar novellen van Gogol. Maar ik schoot er niets mee op, omdat componisten in andere tijden andere oplossingen bedachten. En mijn schijnactiviteit stoorde Clara, die juist in de vakantie veel had willen schrijven. We maakten doelloze ritten met de tweede

hands Golf die ik gekocht had. Onderweg praatten we over wat we zagen, maar op een toon of we een buitenlandse gast rondleidden. We wisten dat we eigenlijk aan tafel of achter de piano hoorden te zitten.

 

*

Op een ochtend dat ik niet bij Clara was, belde ik Van Boven om zijn mening over de schetsen te vragen.

De stem van mijn collega klonk schor en toonloos. Anders dan normaal! had Clara geschreeuwd. ‘Ik heb nachten doorgewerkt…’ zei de stem. ‘Ik zit er verwaarloosd en ongeschoren bij en ben volledig kapot. Op het ogenblik ben ik niet in de stemming om je te woord te staan. Volgende week zien we elkaar weer op het Conservatorium.’

Voor ik iets terug kon zeggen had hij opgehangen.

 

*

Op het Conservatorium was Van Boven een ander mens. Normaal, anders dan normaal, abnormaal normaal, dat was moeilijk uit te maken. In ieder geval vond ik hem net zo collegiaal als in het laatste gesprek voor de vakantie. De vreemde telefoonstem was verdwenen en ook het bekende-Nederlanderachtige dat zo irriteerde.

Met zijn wijsvinger voor zijn lippen zei hij zacht: ‘Matthijs, ik wil je iets vertellen, maar niet hier in de kantine. Kom even mee naar mijn kamer, als je tijd hebt.’

Hij ontsloot een la van zijn bureau en haalde behoedzaam de envelop met Matthijs V. tevoorschijn. ‘Dit is uitstekend werk. Jongen, wat goed. Ik heb er achteraf helemaal geen spijt van dat we je hier benoemd hebben. Integendeel. Mijn kritiek op het Requiem was onterecht, zie ik nu: die neem ik terug. Terzake. In een bijlage heb ik een aantal suggesties gedaan voor de orkestratie. Zes kantjes. Je moet natuurlijk je eigen ideeën volgen, maar het zou me echt verbazen als je nu niet over het dode punt kwam.’

Ik boog me over de bijlage, maar zag dat ik er in een korte leespauze hier aan het bureau niet doorheen zou komen.

‘Ken jij Highgate?’ vroeg Van Boven, voldaan op me neerkijkend.

‘Nee. Is dat een componist?’

‘Barry Highgate is de baas van Exclusive Records in Londen.’

‘Dat label ken ik zeker. Ik heb een paar dingen van ze in huis: ideale opnamen, vlekkeloze registraties. Onder andere de nieuwe cd van jouw Sea Symphony. Jij bent de enige Nederlandse componist die ze hebben?’

‘Jazeker,’ zei Van Boven. ‘En jij kunt de tweede worden.’

Het was of mijn stoel zich tien centimeter in de lucht verhief.

‘Ik heb Barry aan de telefoon gehad en hij zegt dat er te praten valt over een opname van jouw Requiem. Uiteraard in vertaling; Neruda is in het Engels vertaald, neem ik aan.’

Ik begreep dat ik er niet verkeerd aan gedaan had, Van Boven in vertrouwen te nemen. De man gedroeg zich soms irritant en hij was een acteur, maar daar moest je doorheen kunnen kijken. Een schurk was hij niet. Het bewijs lag zwart op wit op tafel in de vorm van de aantekeningen bij de schetsen. Nu kwam hij misschien ook nog met een cd-productie over de brug. ‘Welke componist wil dat niet?’ zei ik. ‘Zo’n fantastisch label…’

Van Boven legde zijn handen op het bureau en lachte breed. ‘Ik had geen andere reactie verwacht. De verdiensten zijn daar on-Nederlands. Er is alleen één ding: het duurt nog maanden voor we nadere afspraken kunnen maken, maar ik neem aan dat je dat geduld wel opbrengt. En: het moet onder ons blijven.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Geweldig. En jouw opdracht, ben je opgeschoten?’

Van Bovens gezicht betrok. ‘Laten we het daar maar niet over hebben. Het is abnormaal zoals ik me af moet beulen om die partituur op tijd klaar te hebben. Die Duitsers houden zich aan alle afspraken en verwachten dat ik dat ook doe.’

‘Wanneer gaat dat stuk precies?’

‘In juni. Eh, wat Highgate betreft: ik houd je op de hoogte. Heb geduld en houd je mond erover.’

In een triomfantelijke, maar niet te uitbundige stemming ging ik de kantine binnen. Clara zat er. Ik had haar op deze tijd niet hier verwacht.

‘Wat kijk jij speciaal?’

Zonder iets te zeggen schoof ik de envelop met de muziek en Van Bovens commentaar naar haar toe.

Ze maakte hem open en begon de eerste pagina van de bijlage te lezen, telkens terugkerend naar de betreffende passage op de notenbalken. ‘Ik moet eerlijk toegeven dat dit bijzonder nuttige opmerkingen zijn,’ zei ze na anderhalve pagina.

‘Misschien was het dan toch niet zo’n grote fout van mij om hem de schetsen te geven.’

‘Maar luister: aan het vakmanschap van die man heb ik ook nooit getwijfeld. Ik heb alleen zo’n moeite met zijn karakter.’

‘Laten we naar de première van zijn stuk in Duitsland gaan,’ stelde ik voor.

‘Ja hoor eens… Uren in de auto zitten om hem een applaus te brengen.’

‘Dan moet ik je nog wat vertellen. Je weet dat hij cd’s heeft gemaakt bij Exclusive Records in Engeland.’

‘Mm.’

‘Hij heeft met de directeur gesproken over een opname van mijn Requiem.’

‘Zo… Is dat serieus?’

Ik knikte.

‘Hoe heet die directeur?’

‘Highgate.’

‘Staat er iets zwart op wit?’

‘Zo gaan die dingen niet in het beginstadium. De manier waarop hij het zei was serieus. Zo kan iemand niet toneelspelen. We moeten er wel onze mond over houden.’

‘Het zou schitterend zijn,’ gaf ze toe.

‘Gaan we naar Duitsland?’

Ze was nog niet overtuigd. ‘Hoever is het?’ vroeg ze.

‘Een uur of drie rijden.’

‘Wanneer is het?’

‘Juni. De datum heeft hij niet gezegd, maar daar kom ik wel achter. Als we zouden gaan, moeten we niets zeggen: dan is het een verrassing als zijn collega op de première is.’

 

*

Het omslag van het programma was glanzend zwart en rood; gouden letters vormden de woorden

 

Hundert Jahre

Westfälische Philharmonie

Op de titelpagina werd de Uraufführung aangekondigd van John Henry Van Bovens jubileumcompositie, die de titel Orchesterporträt gekregen had. Vooraf zou de Philharmonie Paul Hindemiths Philharmonisches Konzert spelen en na de pauze de Rheinische Symphonie van Robert Schumann. De samenstelling van het programma was niet bijzonder origineel, maar daar had ik niets op tegen wanneer dit orkest net zo goed speelde als op zijn cd’s met de symfonieën van Bruckner. Clara en ik bladerden verder in het programma, dat de omvang van een klein boek had, om te zien hoe Van Boven zich presenteerde. Niet slecht: zijn glimlach was beschaafd en had zelfs iets voornaams.

Naarmate het gepreludeer op het podium en het gepraat om ons heen aanzwollen, werden Clara en ik zwijgzamer. Mijn nervositeit was niet zo groot als voor de uitvoering van mijn Requiem in het Conservatorium, maar ik had bijna het gevoel of wij een première hadden in plaats van onze collega. De kale betonnen zaal van het Stadttheater bood niet veel afleiding. Wat in de tijd van het Wirtschaftswunder hypermodern was geweest, maakte nu een haast naïeve indruk. Maar het voordeel van de optimistische architectuur van het tweede balkon was dat we het terrein als twee veldheren konden overzien.

Het rumoer verstomde toen de echte veldheren de zaal binnenkwamen. Volgens het programma waren het de minister van Cultuur van Noordrijnland-Westfalen, de burgemeester, de president-directeur van Seidel AG en Dr. Kaufmann, de directeur van het orkest. Vervolgens de kunstenaars: de freischaffende Komponist Professor John Henry Van Boven en Generalmusikdirektor Klaus-Dieter Hehler.

Het orkest speelde Hindemiths Philharmonisches Konzert – ook een jubileumstuk, las ik, maar voor de Berliner Philharmoniker in 1932 – buitenwoon goed: lyrisch, verfijnd en zonder loos geschetter. Mijn nervositeit ebde weg en ik verheugde me op de rest van het programma. Een beter orkest en een betere dirigent dan de tanige oude Hehler kon Van Boven zich niet wensen.

Toen het applaus weggeëbd was en het orkest opnieuw gestemd had, hief de Generalmusikdirektor zijn dirigeerstok en gaf de inzet voor het nieuwe stuk.

De overgang van Hindemiths stralende slot in C-majeur naar Van Bovens introductie was buitengewoon groot. Het Orchesterporträt begon ook anders dan een gewoon jubileumstuk.

Briljant georkestreerd.

Maar niet monumentaal of feestelijk.

Eerder spookachtig, schimmig.

Na een halve minuut keek ik naar Clara.

Zij keek naar mij.

Door het Stadttheater waarde een spook, een gedaante die me verontrustte maar geen angst inboezemde – daarvoor kende ik zijn gangen en schuilplaatsen te goed.

‘Dit kan niet,’ zei ik.

‘De schoft…’ siste Clara.

Vele concertgangers keken ons bestraffend aan; ze waren uitgenodigd of hadden hun kaarten duur betaald.

Ik moest verder luisteren. Machteloos van woede stond ik tegenover mijn spiegelbeeld, als op mijn eerste schooldag: dat ventje met het overhemdje en het vreemde dasje was ík, maar ik wilde het niet zijn.

Clara’s gezicht was rood en haar ogen schitterden van woede.

Gaandeweg werd me duidelijk welk spelletje Van Boven speelde met de noten die ik hem geleverd had. Hij had de volgorde van de scènes veranderd. De huiveringwekkende droomscène waarin de demonische oude man uit zijn lijst treedt, stelde nu de dictatuur en oorlog voor. De rancunescène met de verwoesting van de schilderijen was het bombardement aan het eind van de oorlog geworden. De tentoonstelling van de jonge talentvolle kunstenaar beeldde nu de wederopbouw uit van de stad en het orkest. Aan het eind kwamen de verschillende secties van het orkest aan bod in het Heden, oorspronkelijk de scène met de rijke snobs. Alle operafiguren waren op een procrustesbed gelegd en onthoofd of uitgerekt. De grootste aanfluiting was de uitgerekte titel: Orchesterporträt.

Het applaus voor het gestolen jubileumgeschenk in de cadeauverpakking was overdonderend.

Wij konden het niet aanhoren. Voordat dief en heler gehuldigd zouden worden, drongen we, tegen knieën stotend en op tenen trappend, het balkon af en de zaal uit.

‘Niet naar de foyer,’ zei ik. ‘Met al die Schickeria eromheen maken we geen enkele kans om Van Boven te benaderen.’ We haalden de vestiairedame weg bij haar

misdaadserie en kregen een snauw, omdat we niets op het schoteltje gooiden. Nadat we afgedaald waren in de kille spelonken van de parkeergarage van het Stadttheater, moesten we lang zoeken naar genoeg marken voor een uitrijkaart uit de automaat.

‘Daar staat zijn BMW,’ wees Clara. ‘535i: de i van ik, ik, ik!’ Haar schelle, nerveuze stem kaatste tegen het glimmende blik in de garage. ‘Moge de krankzin

nigheid van Tsjartkov over hem komen. Onze opera gaat in feite over hem; zou hij dat begrepen hebben? Hij heeft geen portret van een orkest gemaakt, maar een portret van zichzelf.’

‘Hij heeft het wel gezien, maar het maakte hem niets uit.’

‘Dat hij een cynicus is had je wel iets eerder kunnen bedenken, vind je niet?’

‘Laten wij in godsnaam geen ruzie maken,’ zei ik, terwijl we instapten.

We voelden ons onbehaaglijk in onze feestelijke kleren en belemmerd in onze bewegingsvrijheid. Ik deed mijn knellende das af. Onze jassen hielden we aan, omdat het koud en klam was.

Ik staarde door de voorruit. De bezoekers boven zouden een en al lof zijn over het zo goed gelijkende Porträt. Straks gingen ze genieten van de glorieuze inzet van Robert Schumanns Rheinische Symphonie en als die muziek afgelopen was –

‘Na, wird’s endlich?’ commandeerde Clara. ‘Nach Hause, Herr Vecht!’

Het was vochtig. De tweedehands motor sloeg niet meteen aan.

Ik zei pas weer iets toen ik in de stromende regen de oprit naar de juiste Autobahn gevonden had. ‘Vorig jaar had ik met Van Boven een gesprek over plagiaat. Hij had het erover dat Bach in zijn klavecimbelconcerten rustig stukken van anderen gebruikte. Ik zei: dat waren andere tijden, zonder modern auteursrecht.’

‘Bovendien deed Bach dat niet uit armoede,’ oordeelde Clara, ‘maar uit respect voor Vivaldi.’

‘Precies, dat zei ik ook. Toen zei hij weer, dat in deze tijd de door mij zo bewonderde Brecht er ook wat van kon.’

‘De stercomponist van Nederland heeft in hoge nood gezeten: hij had een jongere collega en een studente nodig om zijn opdracht uit te voeren.’

Het begon zo hevig te regenen, dat langzamer rijden onvermijdelijk was. Automobilisten op de linker rijstrook dachten daar anders over: we werden voortdurend gepasseerd.

‘Als hij mij hulp had gevraagd, had ik die waarschijnlijk gegeven. Ik had lessen kunnen overnemen als hij in tijdnood zat.’

‘Veel te idealistisch,’ hoonde Clara. ‘Componisten werken voor zichzelf. Wat wij doen is een uitzondering.’

‘Heeft hij ons vernederd?’

‘Zo kun je het zien,’ zei ze. ‘Maar je kunt net zo goed zeggen: wij hebben onze superioriteit laten zien.’

Bij de grens tankten we om het stuk naar huis te halen en kochten bij de kassa iets drinkbaars in een felgekleurd blikje.

‘Ik breng een toost uit,’ zei ik en tikte mijn blikje met een dof geluid tegen dat van Clara. ‘We hebben nu recht op veel geld; alleen weet het orkest dat nog niet.’

‘Een rol met duizend dukaten,’ zei ze.

 

*

Gespannen wachtten we de volgende dag op de Professor en freischaffende Komponist.

Hij kwam niet.

We gingen naar het station om Duitse kranten te kopen. De recensenten hadden zich terdege met het stuk beziggehouden. Ze vonden het Orchesterporträt sterk en ontdekten er diepte in, die ze toeschreven aan de leeftijd en ervaring van de componist. Sommige muziekredacteuren, die meer stukken van hem kenden, constaden in Van Bovens werk een stijlbreuk. Alle vier vonden ze de muziek voor een jubileum opvallend ernstig; de Nederlandse componist had verder gekeken dan het feest en het bier en gedacht aan de dingen die er in de jaren dertig en veertig in Duitsland en zijn eigen land gebeurd waren. Dat maakte het werk sympathiek.

 

*

Van Boven bleef afwezig. Op schaduwboksen waren Clara en ik niet voorbereid.

‘Buma bellen,’ stelde Clara voor. Ze deed het meteen. Het Bureau voor muziekauteursrechten had een geschillencommissie voor plagiaat, maar het bleek niets te kunnen doen, omdat ons onvoltooide werk niet bij hen geregistreerd was. Clara stelde voor dat ze bij Buma voortaan hun vingers zouden natellen wanneer ze Van Boven een hand hadden gegeven. Dat zouden ze doen.

Ik dacht aan publiciteit: we konden een analyse maken van het plagiaat en die in Nederlandse en Duitse muziektijdschriften publiceren. Noot voor noot, maat voor maat zouden we onze schetsen en zijn partituur met elkaar vergelijken, met zijn orkestratieaanwijzingen ernaast. Maar hoe kwamen we aan de partituur van het stuk waarvan we de titel nauwelijks over onze lippen konden krijgen?

‘Dat is iets voor mij,’ zei Clara. ‘Ik ben zijn geïnteresseerde oud-leerling en als vrouw krijg ik misschien makkelijker iets voor elkaar.’ Ze draaide het nummer dat in het zwart-rood-gouden programmaboek stond en kreeg het secretariaat van de Philharmonie aan de telefoon. De partituur? Die was eigendom van het orkest, werd niet uitgeleend, niet door andere orkesten uitgevoerd en ook niet uitgegeven; er was wel een opname, maar die kregen we niet. Als ze oud-leerlinge van hem was, moest ze professor Van Boven zelf maar vragen.

Een ander nummer in Duitsland, was mijn volgende gedachte. Ik belde Michael, de componist uit Keulen die ik twee jaar geleden tijdens de Warschause Herfst had leren kennen. Eerst wilde hij het verhaal niet geloven, maar de vele details overtuigden hem ten slotte van mijn naïveteit en Van Bovens criminaliteit. Hij wilde graag proberen te helpen; alleen had hij niet veel invloedrijke relaties. We moesten geduld hebben.

Ondertussen schreef Fred Gravemaker op zijn pagina in Het Ochtendblad, dat de populaire componist JOHN HENRY VAN BOVEN, die een muzikale verjongingskuur leek te hebben ondergaan, ook in Duitsland op zijn waarde was geschat en luid was toegejuicht.

Een dag later belde Michael terug: de partituur was onbereikbaar. ‘Praat met jullie componistenbond,’ stelde hij voor. Een goed idee. Maar tot verbazing van Clara en mij bleek Van Boven geen lid van het Genootschap te zijn.

Mijn telefoontje met Exclusive Records in Londen had geen ander doel dan het afreageren van ergernis. Barry Highgate bleek inderdaad te bestaan en de directeur te zijn. Hij kende mijn naam niet en was dus ook nooit van plan geweest werk van mij op te nemen. Ik vertelde hem alles over het schandaal rondom Portrait of an Orchestra, maar toen ik niet ophield met wat hij opvatte als beledigingen aan het adres van John Henry Van Boven, begon Highgate eerst mijn fouten in het Engels te verbeteren en legde ten slotte de hoorn op de haak.

Van verder werken aan de opera kwam niets meer. Clara en ik hadden al onze vrije tijd nodig voor acties tegen de afwezige. We praatten in de Conservatoriumkantine met Van Bovens vrouw Elly, die zang doceerde. Ze bleek niet meer bij hem te wonen en had geen idee waar hij uithing. Clara kreeg medelijden met haar: Elly leek na haar facelift – nog een idee van John – een karikatuur van de knappe zangeres van jaren geleden.

Iedereen had wel kleine of grote bezwaren tegen Van Boven, of wist dat anderen bezwaren hadden, maar niemand had tijd om iets te ondernemen. Agenda’s werden voor Clara en mij opengeslagen, opdat we zelf konden zien hoe vol de dagen waren. Docenten konden de toeloop van nieuwe leerlingen niet aan; uitvoerende musici hadden haast om de volgende schnabbel te halen. Het was ongelooflijk hoeveel collega’s zakelijk iets met Van Boven te maken hadden: ze waren bekend geworden met zijn muziek, hadden een opdracht toegespeeld gekregen of wilden hun kansen op nieuwe opdrachten niet bederven. En dan waren er nog collega’s die het verhaal van Clara en mij gewoonweg niet geloofden.

Op een avond kreeg ik plotseling genoeg van het eindeloze hengelen naar de vraatzuchtige snoek in het troebele water. Ik zou het Porträt uit Van Bovens huis proberen te ontvreemden en de kopieën van de kopieën van Het portret, die er natuurlijk waren, met aantekeningen in het handschrift van Van Boven.

‘Over naïeveteit gesproken,’ zei Clara. ‘Van Boven heeft de hele zaak natuurlijk allang in een kluis bij de Security Bank.’

 

*

Deze keer kreeg ik Het Ochtendblad van mevrouw De Waard van de kantine. ‘Het is een schande, meneer Vecht,’ zei ze, hoewel haar ogen iets anders zeiden.

De krant had een oude foto van Clara bemachtigd, die genomen moest zijn in haar eerste jaar conservatorium. Links ernaast was de foto van de Palestina-demonstratie nog een keer afgedrukt, groter dan de eerste keer. Rechts een lachend portret van Van Boven. Daarboven de kop

 

Muzikaal gevecht kreeg geen gevolgen…

Haar lichtblauwe ogen stralen vrouwelijkheid uit. En kracht. Een persoonlijkheid, deze jonge CLARA TIMMER. Eenvoudig begonnen als klarinettiste op de achterste rij van de buurtharmonie, toonde zij weldra zoveel muzikaal talent, dat zij de weg vond naar de compositieklasse van de eminente JOHN HENRY VAN BOVEN, bekend van de muziek bij de vaderlandse succesfilm “The Zoo”. Als rasmuzikanten voelden zij elkaar aan en hadden zij al aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen. ‘Ik snap nu nog niet hoe ik John in de steek heb kunnen laten,’ bekende Clara de Society Pagina. Een affaire met nieuwkomer aan het Conservatorium MATTHIJS VECHT leek ongewenste en onherstelbare gevolgen te krijgen voor het persoonlijke en muzikale leven van de charmante Clara. Dat Vecht kakofonieën produceert in plaats van symfonieën hebben wij op deze pagina al eerder vermeld. Vecht, benoemd op voorstel van John Henry Van Boven, bedankte zijn ruimdenkende oudere collega door hem in een interview met de linkse journaliste Ernestine Snel “een compositorische gigolo” te noemen. Clara: ‘Nog net op tijd zag ik, dat ik niet alleen mijn carrière, maar ook mijn leven aan het vergooien was…’

Die Gravemaker had een onuitputtelijke fantasie. Toen Clara zijn verzinsels gelezen had, begon ze hartgrondig te vloeken. Ze sloeg de krant dicht en probeerde hem doormidden te scheuren. Dat lukte niet: de onroerend-goedbijlage maakte hem dik en onaantastbaar.

Ik sloeg mijn armen om Clara heen en probeerde haar te kalmeren. Kijkend naar de bon met de zin Het Ochtendblad: vroeg in de weer voor ú vroeg ik me af wat we nu nog tegen wie konden doen. Moesten we onze schouders ophalen over dit stukje of moesten we hier werk van maken? Welke vriend of kennis hadden we nog niet om hulp gevraagd?

‘Zelfs dat van die harmonie is niet waar,’ zei Clara. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven in zo’n orkest gespeeld…’

‘Natuurlijk is het niet waar,’ zei ik. ‘Alleen wordt het door miljoenen mensen gelezen. Wacht, ik weet het: Geluk! Waarom maken we niet gewoon een afspraak met Geluk?’

 

*

Net als negen maanden geleden waren de verwachtingen waarmee ik de directeurskamer binnenging onbestemd. Geluk was als directeur niet het type van de moderne manager, wat zowel voor- als nadelen had. Hij bemoeide zich niet met iedereen en juist dat maakte hem bij velen populair. De tevreden roker had in deze kamer al heel wat ruzies gesust, in andermans belang en in zijn eigen belang.

Aan de manier waarop Geluk zijn pijp stopte, zag ik dat hij niet wist waarvoor we kwamen.

‘Goeiemorgen, Matthijs. Vlot het met componeren?’

Ik knikte. ‘We zijn bezig met een opera, een eenakter.’

‘We, zeg je? Met wie werk je samen?’

‘Met Clara.’

‘Zo,’ zei Geluk met een ongelovig gezicht. ‘Nog voordat ze de compositieprijs in haar zak heeft. Dat is prachtig.’

‘Dat zou het kunnen zijn,’ zei ik. ‘We komen voor Van Boven. Waar is hij?’

‘Van Boven? Jullie tutoyeren elkaar toch allang? John komt niet meer terug.’

‘Komt niet meer terug?’

‘Nee, niet voor de vakantie. Hij is – begrijpelijk – moe van zijn première in Duitsland en al het werk dat eraan voorafging. Je bent natuurlijk op de hoogte.’

‘We waren er zelf bij,’ antwoordde ik.

‘Dat vind ik collegiaal, dat John jullie heeft uitgenodigd. Dan begrijp je wel dat hij vervroegd vakantie heeft opgenomen om er helemaal uit te zijn.’

‘We willen weten waar hij is.’

‘In Duitsland in ieder geval, maar waar precies weet ik niet. Hij heeft mij gezegd dat hij met rust gelaten wil worden. En dat hij in Duitsland blijft tot en met de compositiecursus die hij daar gaat geven.’

‘Hij kan beter een cursus fraude geven.’

Clara’s bitse opmerking alarmeerde Geluk. De pijp werd in de asbak gelegd.

We vertelden ons verhaal. Ons recitatief werd begeleid door zuchten van de andere kant van het bureau.

‘Als het waar is wat jullie vertellen,’ zei Geluk, ‘dan…’

‘Denkt u dat het niet waar is?’ vroeg Clara.

‘Ik houd vast aan het principe van hoor en wederhoor, mevrouw Timmer. Als het waar is wat jullie vertellen, dan begrijp ik jullie standpunt volkomen. Maar… Kijk eens: ik wil niet dat het Conservatorium op welke manier dan ook negatief in de publiciteit komt. Ik moet zorgen dat de docenten hier ongestoord hun brood kunnen verdienen, dat de toestroom van studenten niet vermindert, dat het ministerie de financiële teugels niet nog strakker aanhaalt. Geen pu-bli-ci-teit dus.’

‘Er is al publiciteit,’ zei Clara, terwijl ze de verkreukelde pagina van Het Ochtendblad uit haar tas haalde en op het bureau legde.

‘Zulke kranten lees ik niet,’ zei Geluk met een vies gezicht. ‘Voor mij hoeven ze niet vroeg in de weer te zijn. Wij plaatsen in die krant ook nooit advertenties, zoals jullie weten.’

Clara drong aan.

Geluk pakte zijn leesbril en las het artikel met tegenzin. Tussen duim en wijsvinger gaf hij Clara de bladzij terug.

‘Hoe gaat u hierop reageren?’ vroeg ik.

‘Aan het eind van dit jaar ga ik hier weg,’ zuchtte Geluk.

Er viel een stilte.

‘Vervroegd. Om gezondheidsredenen. Ik heb aan het eind van de rit en bovendien zo kort voor de vakantie geen zin in problemen.’

‘Maak hierover dan een rapport voor uw opvolger,’ stelde ik voor. ‘Wie dat ook mag worden.’

‘Naar verwachting Van Boven.’

Ik keek naar de rij schilderijen van de directeuren van het Conservatorium en probeerde me daarnaast het portret van de gedoodverfde opvolger voor te stellen.

‘Daar is het laatste woord nog niet over gezegd,’ zei Clara. ‘Er komt een open sollicitatie, neem ik aan.’

‘Hij heeft vrienden in Den Haag,’ legde Geluk uit. ‘En niet alleen daar.’

‘Matthijs, ik wou je iets zeggen,’ begon Clara in de garderobe. ‘Jij hebt een duur betaalde les in instrumentatie gekregen.’

Ik knikte.

‘Jouw fout was,’ ging ze verder, ‘dat jij dacht die les nodig te hebben. Ik heb ook een fout gemaakt; ik heb Van Boven ook nog even geloofd. Maar jij loopt rond met het waanidee dat jij zwak bent in instrumentatie. Goed orkestreren wil volgens mij niet zeggen dat je alle middelen gebruikt die er ter beschikking zijn. In je Requiem heb je gewoekerd met eenvoudige middelen: alleen koper en slagwerk, en een stem die niet zingt maar spreekt. Als je naar een schilderij van De Stijl kijkt, zeg je ook niet dat die kunstenaars geen gevoel voor kleur hebben, omdat ze alleen maar rood, geel en blauw gebruiken en een paar zwarte lijnen. Van Boven is een verwend kind, dat in de winkel al het speelgoed uit de kast laat halen. Soms zit een muzikant er in een stuk van hem voor drie noten. Bij jou heeft iedereen zinnige dingen te doen. Met meer zelfvertrouwen had je hem de schetsen niet in handen gegeven.’

‘Dat is makkelijk gezegd. Ik ging er niet van uit dat ik met een crimineel te maken had. Over crimineel gesproken: ik heb nog aan een andere mogelijkheid gedacht.’ Ik haalde het visitekaartje uit mijn zak dat ik al eerder tevoorschijn had willen halen. ‘Deze mensen schijnen wel meer op dat terrein te werken.’

‘Kraaijeveld en Winter, advocaten,’ las Clara. ‘Duur adres. Stop maar weer in je zak. Zal ik eens voorspellen wat er het komende jaar gebeurt?’

‘Van Boven wordt directeur en probeert mij eruit te werken. Over mijn lijk.’

‘Van Boven volgt Maupie inderdaad op,’ zei ze. ‘Hij krijgt jou niet weg. Als de stercomponist directeur is geworden, stopt hij met componeren. Orchesterporträt was zijn laatste poging. Zijn aanwijzingen voor de instrumentatie van Het portret gebruiken we niet, hoewel we daar recht op hebben. We bergen die vodjes op in ons archief en bedenken een eigen instrumentatie, die origineler is. We maken Het portret af en verslaan Van Boven op het podium.’

 

 

Eerder en in een iets afwijkende versie gepubliceerd in de verhalenbundel Enkel zingen, De Bezige Bij, Amsterdam, 1993. De fragmenten uit Canto general van Pablo Neruda zijn vertaald door Dolf Verspoor.