Het eind van de wereld verslapen

Funny-Sleep-38 (1)

 

Moisje Nadir

 

Hij was een slaapkop: bij iedere gelegenheid viel hij in slaap. Overal, in de grootste vergaderingen, bij alle concerten, op alle belangrijke bijeenkomsten, kon je hem zien zitten slapen.

En slapen deed hij in alle mogelijke en onmogelijke houdingen; hij sliep met zijn ellebogen in de lucht en zijn handen onder zijn nek; hij sliep staande, tegen zichzelf geleund om niet om te vallen. Hij sliep in de schouwburg, op straat, in de synagoge. Waar hij ook liep, hij kon niet meer uit zijn ogen kijken van de slaap. Zijn ogen traanden de hele tijd van de slaap en lieten overal een spoor achter. De buren vertelden dat hij al zeven grote branden doorgeslapen had en één keer, bij een heel grote brand, hadden ze hem slapend van zijn bed getild en op de stoep gelegd; zo sliep hij uren door, tot er een patrouillewagen kwam om hem mee te nemen.

Ze vertelden ook: nadat hij bij zijn trouwplechtigheid “Ja” had gezegd, was hij in slaap gevallen, zodat ze hem urenlang met koperen vijzels op zijn hoofd moesten slaan om hem wakker te maken en toen ze hem eindelijk wakker kregen, deed hij rustig zijn ogen open, zei “ik wil” en viel weer in slaap.

We vertellen dit opdat u óók het volgende verhaal over onze held gelooft.

Toen hij een keer ging slapen, bleef hij maar slapen en slapen en slapen, maar in zijn slaap was het of het buiten donderde en of zijn bed een klein beetje schommelde; hij dacht in zijn slaap dat het buiten regende en daardoor kreeg hij nog meer zin om te slapen en voelde hij zich nog behaaglijker; hij kroop nog dieper onder de dekens en sliep vol knusheid en welbehagen door.

Toen hij wakker werd, zag hij om zich heen een vreemde leegte.

Zijn vrouw was er niet meer, zijn bed was er niet meer, zijn deken was er niet meer. Hij wilde door het raam naar buiten kijken, maar er was geen raam meer waardoor hij naar buiten kon kijken. Hij wilde de drie trappen aflopen en om hulp roepen, maar hij had geen trappen meer om af te lopen en geen lucht om iets in te roepen. En toen hij gewoon naar buiten wilde gaan, zag hij dat er geen buiten meer was. Het was verdampt.

Even stond hij verbluft, niet begrijpend wat er aan de hand was. Daarna dacht hij bij zichzelf: ik ga slapen, maar hij zag dat er zelfs geen grond meer was om op te gaan slapen. Pas toen bracht hij twee vingers naar zijn voorhoofd en dacht: blijkbaar heb ik me verslapen tijdens de ondergang van de wereld. Wat een toestand!

Hij werd somber. Geen wereld? dacht hij, wat moet ik zonder wereld? Waar moest hij werken? En hoe moest hij zijn brood verdienen? Juist nu het eten zo duur was en tien eieren een dollar kostten en wie weet of ze wel vers waren, en wat gebeurde er met de vijf dollar die hij nog terugkreeg van het gasbedrijf? En waar was zijn vrouw heen, naar de hel? Kon het zijn dat zij ook ten onder gegaan was met de wereld en met de dertig dollar loon die hij in zijn broekzak had? En ze was toch geen type, dacht hij, om ervandoor te gaan, die vrouw van hem. En hoe moest het als hij wou gaan slapen? Waar moest hij op liggen, als er geen wereld was? En zou dat niet hard liggen? En wie zou het werk afmaken dat hij in de werkplaats had laten liggen? En als hij een biertje wilde, waar moest hij dat dan halen?

Foute boel! dacht hij. Heb je ooit zoiets meegemaakt? Je gaat liggen met de wereld onder je rug en je staat op zonder de wereld… Niet te geloven!

En terwijl onze held daar zijn ondergoed stond te denken wat hij moest doen, bedacht hij: naar de hel ermee! Dan maar geen wereld! Niets aan te doen! Weg is weg, dan ging hij wel naar de film om te tijd door te komen. Maar tot zijn stomme verbazing zag hij dat met de wereld ook de film en de rest ten onder was gegaan.

Een zooitje heb ik ervan gemaakt! dacht onze held, terwijl hij zijn snor glad streek met de linkerkant van zijn hand, en hij dacht opnieuw: een zooitje heb ik ervan gemaakt met dat geslaap! Had ik niet zo liggen pitten, foeterde hij op zichzelf, dan was ik tegelijk met alles ten onder gegaan. Nu ben ik, God verhoede, ongelukkig; en waar kan ik een biertje halen? Ik houd zo van een biertje iedere morgen. En mijn vrouw? Wie weet met wie die ten onder is gegaan! Misschien met de strijker van de bovenste verdieping, dan vermoord ik haar, God sta me bij!

Wie weet hoe laat het al is!

Bij deze woorden wilde onze held op zijn horloge kijken, maar hij kon het niet vinden. Hij zocht met beide handen in de linker- en rechterzak van de reusachtige leegte, maar voelde niets.

Heb ik net twee dollar betaald voor zo’n ding en dan gaat het ten onder, dacht hij. Maar goed, piekerde hij verder, kan me niet schelen, het is mijn wereld niet. Maar dat horloge! Waarom moet mijn horloge ten onder gaan? Een nieuw horloge voor twee dollar, en het is niet eens opgewonden, dat moest nog.

En waar haal ik een biertje vandaan?

Ik drink graag een biertje iedere morgen. En wie weet of mijn vrouw niet ten onder is gegaan met de strijker van de bovenste verdieping. En ik heb me verslapen bij die geweldige ondergang van de wereld; dat me geen duister lot mag treffen! Help! Hèèèlp! begon hij te roepen. Waar zijn mijn hersenen? Waarom heb ik de wereld en mijn vrouwtje niet in de gaten gehouden? Waarom heb ik ze zo jong ten onder laten gaan? Hèèèlp!

En onze held begon met zijn hoofd tegen de leegte te slaan, maar omdat de leegte heel zacht was, bezeerde hij zich niet en bleef in leven om dit verhaal te vertellen.
 
 

Moisje Nadir (pseudoniem van Jitschok Raiz, 1885-1943), Farsjlofen a weltoentergang. Uit In wilden werterwald, pp. 73-77. Farlag “Werbe”, New York, 1919.