Hesjl Ansjeles

Fashion-antique-suitcase-vintage-suitcases-storage-box-home-font-b-decoration-b-font-box-props-box

 

Der Nister

 

1

Hesjl Ansjeles was heel bekend bij de intellectuelen van de stad: bij journalisten en schrijvers en dergelijken. Ze kwamen vaak zijn mening vragen over werk dat ze al afhadden en als ze aan werk wilden beginnen dat nauwkeurige kennis vereiste over een gebied waarop ze zelf niet thuis waren, raadpleegden ze eerst hem, als een handboek of een encyclopedie.

Hij torste veel kennis mee. Al was hij nog jong, een jaar of vijf-, zesentwintig, en toch al zo knap en belezen, hij zag er ook een beetje overbelast uit: zijn hoofd op zijn nek was een beetje gebogen, zijn gezicht zelfs nog betrokkener en bleker dan de gezichten van mensen die niets anders doen dan studeren; het haar op zijn hoofd was al aardig dun, zijn slapen waren ingevallen en de huid van zijn handen was dun en doorzichtig als de huid van een kuikentje wanneer je de veertjes opzijblaast.

Gezegd moet worden dat hij een flinke erfelijke belasting meedroeg. Ten eerste van zijn moeder, die tijdens de bevalling met stomheid geslagen bleek te zijn en niet op de felicitaties reageerde. Ook niet op de gelukwensenvan familieleden en kennissen die op kraamvisite kwamen. Ze stond onverschillig tegenover het kind, tegenover de baby, anders dan andere moeders; als ze het kind bij haar op bed brachten om het te laten drinken, gaf ze het de borst; zelf dacht ze daar niet aan en vaak vergat ze het kind zelfs tijdens het zogen en verloor zichzelf in bizarre gedachten.

Ook na het kraambed was het niet afgelopen met het zwijgen. Integendeel: het werd alleen maar erger en het kwam zover dat iedereen er zelfs voor terugschrok om het kind aan haar toe te vertrouwen, want ze zou het wel eens kunnen vergeten of het uit haar handen laten vallen.

Waarschijnlijk was haar dat al een keer overkomen, en toen hadden ze doktoren advies gevraagd en die kwamen na een grondig onderzoek en na elkaar een aantal keren geconsulteerd te hebben tot de conclusie dat het kind bij haar weggehaald moest worden, want ze was in een dergelijke toestand niet in staat haar plichten als moeder te vervullen en moest naar een speciaal ziekenhuis om te genezen.

Dat gebeurde en het duurde niet lang of haar toestand verslechterde. Ze raakte steeds meer in zichzelf gekeerd, weigerde te eten en te drinken en stond zelfs niet toe dat ze onder dwang gevoed werd. En het liep slecht met haar af. Op een dag, toen het ziekenhuispersoneel even een andere kant op keek en het niet merkte, kreeg ze een scherp voorwerp in handen, een mes of een vork, waarmee ze haar keel probeerde door te snijden. En nadat ze haar die keer hadden kunnen redden en haar wond hadden geheeld, hield ze zich een tijdlang rustig en gaf te kennen dat ze geen scherpe voorwerpen in handen wilde hebben en die zelfs niet onder ogen wilde krijgen, tot zich een tweede gunstige gelegenheid voordeed, en deze keer maakte ze een einde aan haar leven met een diepe, dodelijke snee in haar hals.

Dat wat betreft zijn moeder. Zijn vader, die blijkbaar veel van haar gehouden had, trok het zich zo aan, dat hij ook zijn eigen leven als beëindigd beschouwde. Hij was lange tijd in de war, ontroostbaar en niet aanspreekbaar, en toen er later zoals gebruikelijk huwelijksmakelaars bij hem aan de deur kwamen met allerlei voorstellen aan de jonge weduwnaar, liet hij hen niet uitpraten, maar begon al na hun eerste woorden tegen hen te schreeuwen en joeg ze gewoon weg. De huwelijksmakelaars haalden eerst alleen maar hun schouders op, denkend dat het wel over zou gaan, omdat het verdriet nog zo vers was, maar toen ze nog eens en nog eens aanklopten en hij steeds heftiger tegen hen tekeerging, zagen ze in dat het hem ernst was, niet gespeeld of alleen maar buitenkant, en ze wilden hun schoenzolen niet langer verslijten en gingen niet meer naar hem toe.

Hij, de vader, sloot ook zijn zaak. Omdat hij rijke ouders had, die hem bij zijn huwelijk goed bedeeld hadden, net als de ouders van de bruid, kon hij na zijn huwelijk al gauw een groothandel beginnen met uitzicht op heel grote winsten, zoals alle rijken na hun huwelijk, maar nadat hij door het ongeluk getroffen was, had hij de zaak van de hand gedaan. Hij werd een huismus en luisterde naar niemand meer, niet naar zijn ouders en ook niet naar andere familieleden met hun ‘Het is gebeurd… Je bent nog jong en je moet er weer bovenop zien te komen…’ Hij wijdde zich helemaal aan zijn kind, waarvoor hij nu ook de moeder moest vervangen. En wat de zaak en het huishouden betrof, die liet hij vooral over aan zijn huisknecht, een toen nog jonge man, die Sjamai heette en die hij vertrouwen kon, en verder aan de voedster en het dienstmeisje, die respectievelijk voor zijn kind en zijn huis zorgden.

Hij liquideerde zijn zaak en kocht met het geld van de liquidatie een groot huis op stand, een huis als bron van inkomsten, en met het beheer van het huis, het innen van de huur, het onderhoud en dergelijke belastte hij zijn huisknecht Sjamai, die functioneerde als bediende, kassier en manusje-van-alles, want hij had geen privéleven en dacht er niet over zelf een gezin te stichten.

Dat was toen de vader nog jong was en toen het ongeluk hem trof. En op het moment dat we dit vertellen is hij al meer dan een kwarteeuw ouder. Hij loopt thuis altijd rond in een kamerjas en op slippers. In het zakenleven is hij niet teruggekeerd en ook niet in het huwelijk. Hij is nog steeds de eigenaar van dat grote huis op stand, net als vroeger. Hij heeft nog steeds zijn huisknecht Sjamai in dienst, die natuurlijk ook ouder geworden is, net als meneer zelf, en die zich bij hem zo thuis voelt dat hij dezelfde kleren draagt als meneer, de ene keer afdankertjes van hem en de andere keer ook nieuwe kleren van een goedkopere stof, maar dezelfde snit als de kleren van meneer. Hij eet samen met hem en gaat met hem naar het badhuis en in vrije uurtjes zitten ze altijd rustig te schaken.

Ook het huis is niets veranderd. De vijfkamerwoning op de tweede verdieping van zijn eigen huis is nog even rijk gestoffeerd als vroeger. De zachte meubels zijn alleen een beetje verschoten, en het enige wat het aanzien van het huis wel iets veranderd heeft is de volwassen zoon van meneer, die nu diens vroegere studeerkamer in gebruik heeft, waarvan hij, de zoon, alle vier de muren heeft voorzien van boekenkasten met glazen deuren tot aan het plafond en waar nu vaak mensen op bezoek komen met wie noch meneer, noch zijn huisknecht Sjamai zich bemoeien; ze maken nooit kennis, blijven op een afstand en vinden het prettig dat zoon Hesjl er een kennissenkring op na houdt.

Ze zien trots en verwaand hoe de bezoekers altijd met respect Hesjls drempel betreden en er blijkbaar van overtuigd zijn dat ze bij hem kennis kunnen opdoen die bij anderen niet te vinden is. Niet alleen de vader is trots op zijn zoon, als hij ziet hoe beleefd de bezoekers bij zijn zoon aankloppen, maar ook de huisknecht Sjamai, voor wie Hesjl ook een beetje een zoon is geworden, en die iedere keer als hij meneer ziet in diens verwaande en een tikje opschepperige glorie er nog een schepje bovenop doet en diens trots rechtvaardigt met de woorden: ‘Meneer, onze Hesjl heeft blijkbaar niet het boze oog, als anderen hem nodig hebben.’

Dat is een goede zaak. Maar tegelijkertijd ergert het hun bijzonder als ze merken hoe Hesjl steeds meer een vrijgezel met een gebogen rug wordt en dat de bleekheid van zijn kindertijd niet met de jaren niet minder wordt, niet verdwijnt, maar juist erger wordt en op zijn gezicht zulke vaste trekken aanneemt, dat als zijn vader Hesjl weer eens onopvallend bekijkt, hij met schrik diens enorme gelijkenis ziet met zijn moeder in de tijd dat ze met hem in het kraambed lag en door die notoire, treurige zwijgzaamheid overvallen werd.

Dat maakte de vader en zijn bediende Sjamai erg bang. Maar ze troostten zich met het feit dat Hesjl een huismus en een grote geleerde was en dat het voor zo iemand typerend was als het lichaam een beetje zwak en onderontwikkeld was. We moeten het maar accepteren, troostten ze zichzelf, er komt nog wel een tijd dat Hesjl meer met de wereld in aanraking komt en dan zal ook zijn gezondheid erop vooruitgaan.

‘Eh, wat denk jij ervan, Sjamai?’ vroeg meneer, als hij bezorgd was om zijn zoon en zich met een vraag tot zijn bediende wendde.

‘Komt goed, meneer,’ zei die dan om meneer te steunen en te troosten. Maar beiden hadden dan toch nog hun onuitgesproken en ingehouden sombere gedachten, vooral meneer, wie het lot van zijn zoon al een hele tijd als een steen op zijn hart drukte.

Dat was begonnen in de tijd dat Hesjl een keer een beetje ziek geworden was en er een dokter bij hem was geweest. En toen de dokter hem onderzocht had was hij plotseling vragen gaan stellen over de moeder van de jongen: waaraan die gestorven was. En na het antwoord had hij nog eens een scherp onderzoekende blik op Hesjl geworpen. En toen de vader hem van de kamer naar de voordeur begeleidde en maar vragen bleef stellen over de huidige ziekte van zijn zoon, zei de dokter: ‘Deze ziekte is niet ernstig. Die gaat wel weer over. Maar uw zoon zou echt beschermd moeten worden tegen hevige emoties.’

‘Wat houdt dat in?’ vroeg de vader, die precies wilde weten wat de woorden van de dokter betekenden.

‘Dat houdt in: geen verrassingen, geen schrik waardoor je buiten jezelf kunt raken en waarvan je dan weer slecht herstelt.’

De vader onthield dit en lag er vaak van wakker, en hij wilde Hesjl er altijd van overtuigen dat hij, Hesjl, oppassen moest, omdat de dokter toen en toen daar- en daarvoor gewaarschuwd had, alleen wist hij niet hoe hij Hesjl benaderen moest, hoe hij erover beginnen moest en of hij, Hesjl, hem wel zou begrijpen. En Hesjl zelf bleek het niet te begrijpen en dat was helemaal niet goed voor hem: een teken dat hij niet wist hoe hij ervoor stond, dat hij niet wist wat er voor zijn deur op hem lag te wachten en daardoor kon het lot hem wel eens onverwachts treffen als een bepaald incident plaats zou vinden dat bij iemand als hij tot een ongeluk kon leiden.

Maar ondertussen was er niets aan de hand. Ondertussen ging Hesjls leven bij zijn vader in huis zijn gewone gang, volgens de vaste patronen. Aan de vader, die weduwnaar gebleven was en aan de huisknecht Sjamai, die vrijgezel was, werd door Hesjls volwassenwording nog een man toegevoegd die naar alle verwachtingen ook ongetrouwd zou blijven, met als enige verschil dat Hesjl verknocht was aan de studeerkamer, die zijn vader hem ter beschikking had gesteld en waar hij, Hesjl, voor alle vier de muren hoge boekenkasten met glazen deuren had laten plaatsen die reikten tot het plafond en waar je hem altijd aan kon treffen terwijl hij zat te lezen: nu eens een oud boek met vergeelde bladen die roken naar jaren schimmel en dan weer een nieuw, pas opengesneden boek, dat de geur van drukinkt en vers papier verspreidde.

Toen hij ouder werd, liep Hesjl net als zijn vader hele dagen in kamerjas en op slippers rond. En bij de rustige partijtjes schaak die zijn vader vaak met zijn huisknecht speelde verscheen een derde: Hesjl, die nu eens achter de ene speler en dan weer achter de andere speler ging staan zonder zich met het spel te bemoeien of zelfs maar een aanwijzing te geven.

Als er verder niets gebeurd was, zou hij op zo’n manier ook zijn zware erfelijke belasting te boven zijn gekomen en zijn ziekelijke aanleg was blijven sluimeren en had geen kans gekregen aan de dag te treden, net als soms de zaden van gewassen, wanneer de omstandigheden of de grond, zon en vocht niet bevorderlijk zijn voor hun groei.

Maar plotseling gebeurde er wel iets, en dat was de oorlog, die in 1939 uitbrak en waarvan wij allen in de hele wereld getuigen waren.

 

2

Toen de fascistische troepen de stad waar Hesjl Ansjeles woonde ingenomen hadden, stuurden de bezetters, voor ze de Nieuwe Orde invoerden, voor ze de joden uit hun huizen haalden en dwongen te verhuizen naar de voor hen bestemde wijken, de getto’s, kwartiermakers de stad in om woningen te zoeken voor hun militaire en civiele vertegenwoordigers, voor officieren, ambtenaren en dergelijken, en de joodse woningen waren daarvan niet uitgesloten.

Toen ze bij het huis van Hesjls vader in de deftige straat arriveerden, wees een buurman, al of niet met boze opzet, het huis van die eigenaar aan als het comfortabelste en passendste voor het inkwartieren van dergelijke mensen.

Het huis van Hesjls vader viel in de smaak. En al gauw verscheen er bij de hoofdingang op de begane grond een officier, met bagage en al, om te horen waar hij ondergebracht zou worden. Hij liet zijn bagage even achter onder het toeziend oog van de conciërge of iemand anders en ging zelf naar boven, naar de tweede verdieping, om te kijken wat ze voor hem hadden uitgezocht.

De woning beviel hem, vooral Hesjls studeerkamer, waar hij zijn intrek dacht te nemen, en meteen gaf hij de eigenaars bevel met hem mee naar beneden te gaan om hem te helpen de bagage naar boven te brengen.

Dat was natuurlijk een taak voor het dienstmeisje. Maar de officier die ingekwartierd zou worden maakte een wegwerpend gebaar: nee, het dienstmeisje moest dat niet doen. ‘Hij,’ en meteen stapte huisknecht Sjamai naar voren in plaats van het dienstmeisje. ‘Nee, jij ook niet,’ zei de officier en wees ook Sjamai’s bereidwilligheid af. Daarop bood meneer zelf, Hesjls vader, zich aan om met de officier naar beneden te gaan. Maar ook hij werd met een handgebaar afgewimpeld; ‘Nee, híj,’ zei de officier en wees naar Hesjl, die aan de kant stond, nog iets bleker dan anders, en de commando’s van de officier aanhoorde zonder te begrijpen waarom die iedereen afgewezen had en hem, juist hem, uitzocht voor het karwei van het dragen.

Panië… Meneer de officier…’ zei Hesjls vader ondertussen met een smeekbede tot de officier, ‘hij is mijn enige zoon… Zoals u aan de boeken in zijn studeerkamer kunt zien, meneer de officier, is hij een geleerde en daarbij heeft hij, zoals u ook wel ziet, een zwakke gezondheid, dus waarom juist mijn zoon, terwijl wij allemaal klaarstaan om meneer de officier van dienst te zijn en hem een plezier te doen?’

‘Zo zo, een geleerde!’ De officier bekeek Hesjl als een luis of een ander nietig wezen. ‘Geen probleem, daar moet hij maar aan wennen. Hij zal nog wel aan ergere dingen wennen. Schiet op!’ commandeerde hij Hesjl, alsof hij het tegen de een of andere loopjongen had en gebaarde hem om voor te gaan naar beneden en dat zonder morren.

Dat hielp natuurlijk niet. Zodra Hesjl en de officier de deur uit waren, gingen alle huisgenoten hen als golems achterna, zowel de vader als de huisknecht Sjamai en het dienstmeisje, natuurlijk niet omdat ze zich daar konden maken en Hesjl ergens mee konden helpen, maar gewoon omdat een oerkracht hen in beweging bracht en hun voeten liet lopen.

Beneden wees de officier Hesjl op de bagage… Het waren twee koffers. Een grote, zware en een lichtere. Hesjl bukte zich om met iedere hand een koffer op te pakken. Maar nu gaf de officier een bevel: ‘Nee! Die’ – hij wees naar de zwaarste – ‘met je handen en die’ – de lichtere – ‘met je tanden.’

‘Wat?’ Hesjl, wie het al was gaan duizelen, wierp nu bij het horen van die laatste woorden een blik op de officier, niet begrijpend wat die bedoelde en overtuigd dat hij het niet goed verstaan had.

‘Ja, ja… Die – met je tanden.’

Een ogenblik stonden alle aanwezigen als versteend. De vader wilde meteen naar voren komen om voor de officier op zijn knieën te vallen en hem te smeken zijn bevel in te trekken. Sjamai leek hetzelfde te willen, net als het dienstmeisje. Maar op dat moment brulde de officier zo hard: ‘Schiet op!’ tegen Hesjl, dat iedereen begreep dat smeekbeden en een knieval hier niet zouden helpen en dat iemand die ogen in zijn hoofd had en kon kijken wat hier verder zou gebeuren, moest kijken. En wie daartoe niet in staat was moest zijn hoofd afwenden en een andere kant uit kijken.

Hesjl zelf zei helemaal niets en keek niet naar zijn vader en niet naar de huisknecht, die wel half dood leken, en ook niet naar het dienstmeisje, dat met haar schort haar tranen droogde; hij bukte zich naar de bagage, pakte de zware koffer met een hand op en ging, omdat hij geen keus had, al met zijn gezicht naar de andere… Heel even zag je zijn rug aarzelen, zich buigen en weer strekken. Maar al gauw aarzelde ook zijn rug niet meer. Maar ach en wee… Een mens genaamd Hesjl boog zich voorover naar de bagage en met de koffer al tussen zijn tanden kwam een ander overeind, al een tweede, kon je zeggen, en dat was in ieder geval geen mens.

Wie Hesjl toen aandachtig had bekeken, had gezien dat zijn blik op slag veranderd was. Zijn ogen, die altijd een grijzige kleur hadden gehad, waren nu helemaal wit geworden, alsof ze met de melk van zijn moeder volgelopen waren. Hij liep daar met in een hand de zware koffer en met de andere, lichtere koffer volgens bevel tussen zijn tanden; een stille rouwstoet met de officier en met zijn eigen mensen volgde hem. De officier, die dergelijke dingen blijkbaar gewend was, er blijkbaar ook niet over nadacht en niet in staat was de diepte te peilen van de vernedering en belediging die hij een mens aandeed door hem een dergelijke dienst af te dwingen, liep erachteraan zoals je achter een gewone kruier aan loopt, die zoals gebruikelijk je bagage draagt: koud, onverschillig, of er niets aan de hand was. En Hesjls eigen mensen: zijn vader, de bediende Sjamai en het dienstmeisje, dat de hele tijd haar tranen droogde met haar schort, volgden hem zoals je een dode volgt, wanneer woorden tekortschieten, wanneer de ramp zo groot is dat je niet weet of je hoofd je eigen hoofd is en of het je eigen voeten zijn die je dragen.

Toch was dat allemaal nog niets vergeleken bij wat er later gebeurde, toen ze de woning binnengingen en Hesjl tot in zijn studeerkamer begeleidden. Toen hij zijn studeerkamer binnenging, bleef Hesjl met de bagage staan, alsof hij niet de kracht had of de wil die los te laten, en toen de officier hem zonder woorden te kennen gaf: Kom op! Dat wil zeggen: zet neer! Toen bleef hij zo staan.

Toen ging het dienstmeisje naar hem toe om hem de zware koffer uit handen te nemen, maar de tweede, die hij met zijn mond droeg, bleef in zijn mond, tot het dienstmeisje weer naar hem toe ging om ook de tweede van hem over te nemen. Maar Hesjl bleef staan met zijn mond open, zo ver open als toen het handvat van de koffer er nog in stak.

‘Jongen toch!’ riep zijn vader, toen hij zijn bevroren ongeluk voor zich zag en op Hesjl af stapte. Maar al gauw beheerste hij zich weer en wierp een blik op de officier, die zich in de studeerkamer al heer en meester waande en het zich in die hoedanigheid gemakkelijk maakte, waarbij de vreemde mensen, dat wil zeggen de eigenaar, zijn zoon en de anderen, hem stoorden.

‘Hesjl, jongen!’ Ook de trouwe huisknecht stapte op de zoon van meneer af om hem te wekken en terug te brengen in zijn oude staat.

Marsch!’ schreeuwde de officier, maar Hesjl verroerde zich niet; de schreeuw van de officier maakte niet de minste indruk op hem en hij leek er geen gehoor aan te willen geven. Hij bleef zo staan met zijn mond stijf open, tot meneer en de huisknecht nu huilend naast hem gingen staan, hem bij de hand namen en hem de studeerkamer uit leidden.

‘Arme vader!’ riep Hesjls vader, toen hij zijn zoon naar een andere kamer had gebracht en zag hoe hij, Hesjl, net als in de eerste kamer, de studeerkamer, bleef zwijgen en met open mond bleef staan.

‘Hesjl, jongen, wat is er met je?’ huilde de huisknecht, die meneer de helpende hand bood en meteen op weg ging om een dokter te halen.

Hij kwam terug met een vertrouwde dokter, hun eigen huisarts; die bekeek Hesjl en onderzocht hem, en een stille hulpeloosheid tekende zich af op zijn gezicht, omdat Hesjl dezelfde niet meer was en omdat de dokter niet meer wist hoe hij de anderen troosten moest.

Afgelopen was het! Vanaf dat moment wist Hesjl niet meer wat er om hem heen gebeurde; hij wist niet dat er op een goede dag, kort nadat de officier naar de woning van zijn vader verhuisd was, verordonneerd werd dat zij, de eigenaren van het huis, moesten vertrekken. Dat deden ze en ze betrokken een heel lelijke woning, ergens in een duistere, vervallen buitenwijk.

Hesjl wist ook niet dat hij de hele tijd zijn mond open hield en dat zijn vader of de bediende Sjamai er iets in goten als bij een kind of een bevende oude man, die hulp van anderen nodig heeft. Hij merkte niet dat ze vaak met hem gingen wandelen in die buurt, waar veel andere rijken en notabelen waren komen wonen, berooid, zonder geld, zonder huisraad en met alleen nog kleren aan hun lijf; toch was het ongeluk van zijn vader veel groter dan dat van anderen en iedere keer als de mensen de vader of zijn huisknecht met hem, Hesjl, zagen wandelen, stonden ze stil om te kijken hoe hij, Hesjl, zijn mond open had, alsof dat een aangeboren gebrek was.

‘Wat erg toch,’ zeiden ze medelijdend: wat er gebeuren kon als iemand een ander je zijn bagage liet dragen.

‘En hoe…’

‘Voor zo iemand is zo’n schande absoluut niet te verdragen.’

Ze zouden ze weg moeten brengen, werd er in stilte al gedacht, naar een onreine plek, net als katten en honden en alle andere kadavers.

Hesjl merkte niet hoe zijn vader in korte tijd een gebogen en gebroken man geworden was, verjaagd uit het huis waar hij zoveel jaar de baas was geweest, en nu arm en berooid in een vreemde omgeving en op zijn leeftijd ook nog met een zieke zoon belast.

Ook Sjamai ging erg achteruit. Toen hij met meneer en diens zoon uit hun vertrouwde huis op stand verjaagd was, van alles beroofd en daarbij nog diep vernederd door die schandvlek: de speciale lap die joden moesten dragen op hun hemd, op hun jas of op allebei, toen Sjamai, de huisknecht, die aan het huis van zijn baas gehecht was of het zijn eigen huis was, meneer nu zo terneergeslagen zag, nam hij niet alleen zijn oude werk op zich, de taken van een huisknecht en een huisbaas, maar ook het werk van een dienstbode, het nog overgebleven gewone huishoudelijke werk, voorzover het resterende geld van meneer dat toeliet. Hij nam ook de zorg voor Hesjl op zich, als meneer moe was en van ellende steeds vaker ziek op bed lag.

Sjamai was er zelf ook slecht aan toe. Hij praatte steeds vaker als een seniele oude man tegen zichzelf, zonder te horen wat hij zei en soms, als hij met Hesjl wandelde, praatte hij tegen hem als tegen iemand die bij zijn verstand was. ‘Ach, Hesjl,’ zei hij dan, ‘wat jou en ons overkomen is! De barmhartige God zou zich er wel eens om mogen bekommeren.’

Hesjl begreep dat allemaal niet. Hij begreep het ook niet, als oude kennissen en bewonderaars van hem, die ook hun huis op stand kwijt waren en net als Hesjl en zijn familie in deze duistere, vervallen buitenwijk terechtgekomen waren, bij hem op bezoek kwamen om met veel spijt te informeren hoe het ermee ging, en als die bezoekers in zijn bijzijn over hem en zijn gezondheidstoestand spraken als over een vreemde, zonder dat hij deelnam aan het gesprek.

Het ging hem niet aan en het kon hem niet schelen. Hij verkeerde nog steeds in dezelfde toestand als direct na het ongeluk dat hem getroffen had, toen hij die bewuste bagage gedragen had zoals een hond iets apporteert tussen zijn tanden, met open mond, en hij leek volkomen de weg kwijt door de verstarde blik in zijn altijd grijze ogen, die nu de melancholie vertoonden van een zuigeling die de moedermelk binnenkrijgt.

Weliswaar veranderde zijn blik heel soms ten goede en werd bewuster. Maar dat duurde niet lang en al gauw keek hij dan weer star en glazig uit zijn ogen en zijn melkachtig troebele blik kreeg dan zo’n dreigende uitdrukking, dat je bang werd dat zijn passiviteit ieder moment kon omslaan in een ongeremde wildheid, waarin hij tot alles in staat was.

Dat gebeurde altijd wanneer hij tijdens een wandeling in die wijk, die uitsluitend voor joden bestemd was, iemand van de bezetters tegenkwam, een militair, een officier in hetzelfde uniform met dezelfde kleur als dat van degene die met hem dat bewuste spelletje gespeeld had, waarna hem overkomen was wat hem overkomen was.

Als hij zo iemand met een dergelijk uniform tegenkwam, nam hij plotseling een houding aan en ging er iets door hem heen alsof hij iets in zijn lichaam gekregen had wat het verhardde. Dan bleef hij ineens staan om naar de hand van die ander te kijken, of die iets droeg wat hij dadelijk moest overnemen om te dragen, en dat niet alleen met zijn hand, maar ook met zijn mond, net als toen… En dan deed Hesjl zijn mond iets verder open.

Dat gebeurde zelden, omdat die militairen hier in die vervallen wijk niets te zoeken hadden: de buurt was berucht en met zijn bekrompenheid, smalle straten en overbevolking ook niet bepaald schoon en voor dergelijke respectabele militairen geen passende omgeving om er hun vrije tijd door te brengen of een wandeling te maken. Nee. En toch liep er wel eens een verdwaalde militair rond. En die kwam er dan maar voor één ding, met maar één doel: geweld, dat wil zeggen om eens te kijken hoe zijn voortreffelijke regime hier het voortreffelijke handwerk uitoefende en het smerige toevluchtsoord schiep voor zijn ergste vijanden, die het vogelvrij had verklaard en buiten de wet gesteld.

Op een keer gebeurde het dat Hesjl tijdens een wandeling, in zichzelf gekeerd door zijn ziekte, vergezeld door zijn geruïneerde en terneergeslagen vader en door de huisknecht Sjamai, die aan zijn andere kant liep, plotseling een groep van drie militairen tegenkwam, die hun tegemoet liep.

Toevallig gebeurde het dat een van de militairen, die gekleed was in hetzelfde groene uniform als degene die Hesjl met het dragen van zijn bagage vereerd had, nu ook iets droeg, geen groot voorwerp dat hem inspanning kostte, want dan had hij zeker een van de wijkbewoners “uitgenodigd” het voor hem te dragen, zoals dergelijke “mensen” in dergelijke wijken gewend zijn. Nee, het was niets zwaars, maar een gewoon, klein koffertje.

En toen merkten Hesjls vader aan de ene kant en de huisknecht Sjamai, die aan de andere kant van Hesjl liep, plotseling hoe Hesjl ineens op de drie die hen tegemoetkwamen afging; en voor Hesjls vader en de bediende Sjamai er erg in hadden, ging Hesjl naar degene die het koffertje in zijn hand had en bracht zijn gezicht en zijn mond ernaartoe, alsof hij het af wilde pakken… En toen de ander zich verweerde en ook een beetje schrok, toen hij zag met wie hij hier te doen had en ook kwaad werd dat hij, dat wil zeggen die idioot, de moed had hem midden op straat zomaar staande te houden en te storen bij de wandeling, en toen hij hem weg wilde duwen, hoorde je opeens een wild geschreeuw van die man, als van iemand die heet pek over zijn hoofd gegoten kreeg; en voor de andere militairen en ook Hesjls vader en de bediende Sjamai het in de gaten hadden, zagen ze Hesjl overeind komen uit zijn naar de hand van die man gebogen houding. Zijn mond zat vol bloed en in zijn mond zat iets wat hij met uiterste kracht en vasthoudendheid tussen zijn tanden geklemd hield.

Op dat ogenblik werd Hesjls gezicht licht en levendig en het straalde van vreugde, alsof hij zojuist een overwinning had behaald en heel voldaan was over een daad waartoe hij zichzelf niet in staat had geacht.

Hesjl hield een afgebeten stuk vinger van de militair tussen zijn tanden geklemd en je zag dat hij in- en ingelukkig was, nu hij voor het eerst sinds zijn ongeluk in staat was met volle tevredenheid zijn mond dicht te doen – nee, niet dicht te doen, maar dicht te klappen – nee, niet dicht te klappen, maar zo te verzegelen dat je kon zien dat geen rijkdommen ter wereld toereikend waren om hem te dwingen zijn mond weer open te doen en dat wat erin geklapt was, het afgebetene, eruit te krijgen.

Laat een geleerde hier maar uitleggen of Hesjl handelde uit de gekte waarin hij steeds verder was weggezakt en hoe dergelijke mensen zover konden komen dat ze een hand ophieven tegen zichzelf of anderen met de bedoeling een moord of zelfmoord te begaan, of dat hij dat juist had gedaan op een helder moment en of hij als ze hem na de daad, na de bewuste wraak, in leven hadden gelaten, misschien weer tot zichzelf gekomen was om weer mens te worden… Laat een geleerde dat maar uitleggen. Wij weten het niet. Wij weten alleen dat hij de kans niet kreeg… Want al gauw waren de twee die de getroffen militair begeleidden bekomen van de schrik, van de plotselinge aanval en van het geschreeuw van hun kameraad, en ze grepen direct hun wapen. Ieder van hun kant begonnen ze op Hesjl te schieten met hun pistolen, die ze ijlings getrokken hadden, en ze troffen hem in zijn hoofd, in zijn borst, in zijn slaap en weer in zijn hoofd, en Hesjl viel meteen als een korenschoof.

Snel kwamen politiemannen en bezetters aangelopen, die zagen dat een van de hunnen aangevallen was en al gauw liep de hele wijk gevaar door zijn vermeende medeleven met de aanvaller en iedereen had het slachtoffer kunnen worden van een wilde klopjacht. Gelukkig kwam die klopjacht er nog niet; geen probleem: de bezetter stelde de afrekening uit tot later.

Meteen werd de dode naar een lijkenhuis gebracht voor nader onderzoek. De vader en de bediende Sjamai kregen niet eens de gelegenheid hun naaste te begeleiden en hem met een enkel woord vrij te pleiten, omdat hij niet in orde was en dus niet verantwoordelijk voor zijn daad.

Het duurde lang voor ze Hesjl ook aan de kehille ter beschikking stelden voor een begrafenis op de joodse begraafplaats, voor ze er eindelijk van overtuigd waren dat ze hier te doen hadden met iemand die niet verdacht kon worden van kwade bedoelingen tegen de bezetter… Toen kreeg de kehille de beschikking over de dode.

Hij werd behandeld als alle doden: hij werd gewassen en gereedgemaakt… Maar toen ze begonnen aan zijn mond om die open te maken en eruit te halen wat hij afgebeten had: het vingerkootje van de militair, lukte dat met geen mogelijkheid: de mond zat zo stijf dicht dat geen kracht toereikend was om de kaken van elkaar te krijgen.

In het begrafenisgenootschap ontstond toen onenigheid: sommigen waren geneigd om te zeggen: nee, dat mag niet… Dat is verkeerd… Met een vreemd lichaamsdeel in zijn mond… Maar anderen, juist de vroomsten, drongen erop aan om een uitzondering te maken en oordeelden daarentegen: het moet juist mee… Dan weten ze het daarboven… Daar kunnen ze dan boven over piekeren…

Waarschijnlijk hebben ze hem zo begraven, met het kootje, dat ze niet meer uit hem konden krijgen.

Augustus 1942

Hesjl Ansjeles: Dertsejloeng wegn ejnem fal inem itsikn okoepirtn Poiln (“Hesjl Ansjeles: Verhaal over een affaire in het huidige bezette Polen”). Uit: Dertseiloengen oen esejen (“Verhalen en essays”), Jidisjer Koeltoer Farband, New York, 1957, pp. 31-47.

Der Nister, “de verborgene”, was het pseudoniem van de Jiddisje schrijver Pinches Kahanowitsj (1884–1950). Hij werd geboren in Berditsjev in Oekraïne, verbleef lang in het buitenland en keerde in 1926 terug naar de Sovjet-Unie. Toen politieke druk het hem onmogelijk maakte om nog langer verhalen te schrijven in zijn fantastisch-symbolistische stijl, begon hij in de jaren 1930 aan een roman die tot op zekere hoogte beantwoordde aan de normen van het socialistisch-realisme. Van deze roman, Di misjpoche Masjber (“De familie Masjber”), verscheen deel I in Moskou (1939), maar deel II kon alleen in New York gepubliceerd worden (1948) en er is vermoedelijk een deel III geschreven, dat echter spoorloos is. De familie Masjber speelt in de jaren 1870 in een stad gemodelleerd naar Der Nisters geboorteplaats en behandelt de ondergang van een familie. In deze website zijn al zijn verhalen uit de jaren 1940 opgenomen, die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Ze schilderen op een subtiele manier vele aspecten van de jodenvervolging in het door Duitsland bezette Polen en Rusland, waarbij ze volgens getuigen gebaseerd zijn op historische gebeurtenissen. De meeste verhalen verschenen in de Verenigde Staten en pas lang na Der Nisters dood in de Sovjet-Unie, echter in een sterk gecensureerde versie, waaruit veel joods-religieuze elementen verwijderd waren. In het kader van de officiële liquidatie van de Jiddisje cultuur – in de nacht van 12 augustus 1952 zouden twaalf belangrijke Jiddisje auteurs vermoord worden – werd Der Nister in 1949 gearresteerd en naar een concentratiekamp gedeporteerd, waar hij in 1950 overleed.

 

Woordenlijst

 
golem, wezen uit joodse legendes, dat gevormd is uit klei en dat leven is ingeblazen door een rabbijn.
kehille, joodse gemeente.
pani, meneer (Pools).