Hergroei

LE3183_REGROWTH_ON_CUT_TREE_STUMP_OF_PRUNUS_LAUROCERASUS

 

Der Nister

We hebben het hier over twee halve gezinnen (een man zonder vrouw en een vrouw zonder man), die tegenover elkaar woonden op dezelfde verdieping van hetzelfde gebouw in een grote hoofdstad in de Sovjet-Unie.

Verdere bijzonderheden over hen en hun bezigheden zijn hier overbodig. Het volstaat om te zeggen dat aan de ene kant dokter Zemmelman woonde, een oudere, knorrige chirurg, een zwijgzaam persoon die graag op zichzelf was, een man met een goede reputatie in zijn vak, zowel hier in de stad als in praktisch het hele land, en aan de andere kant mevrouw Zajets, een bekende pedagoge, die als afdelingshoofd bij het Volkscommissariaat voor Onderwijs werkte. En nog wel meer.

Ze hadden allebei één kind. Dokter Zemmelman had een zoon en mevrouw Zajets een dochter. De kinderen waren bijna even oud, waren naar dezelfde school gegaan en hadden daarna doorgeleerd en doordat ze van jongs af aan tegenover elkaar hadden gewoond kenden de kinderen elkaar natuurlijk goed. En omdat hun ouders als intellectuelen dezelfde sociale status hadden, waren zij ook bevriend geraakt, voor zover dat mogelijk was bij drukbezette mensen die allebei opgingen in werk dat hen helemaal in beslag nam en gewoonlijk geen tijd overliet voor persoonlijke dingen. Toen de kinderen groter waren, gingen ze veel vertrouwelijker met elkaar om. Ze hadden veel gemeenschappelijke belangstelling, zowel bij het leren als tijdens de vrije dagen en de schoolvakanties, die ze doorbrachten zoals jongeren dat doen, nu eens met zijn tweeën en dan weer met andere vrienden erbij.

Als hun ouders tijd hadden, stonden ze wel eens even stil bij de relatie tussen hun opgroeiende kinderen, die wederzijds in de smaak vielen: de dochter van mevrouw Zajets bij de oudere, knorrige chirurg, die over zijn bril heen kijkend zag dat zij perfect bij zijn zoon paste en daarom ook bij hemzelf bijzonder welkom was. En zo voelde mevrouw Zajets bij het kijken naar de uitverkorene van haar dochter een moederlijke tevredenheid over het feit dat haar dochter niet ver hoefde te zoeken, omdat de voor haar bestemde man haar uit de tegenoverliggende deur op dezelfde verdieping van hetzelfde gebouw zomaar in de schoot geworpen werd en als het ware voor haar geboren was.

Was het zo doorgegaan, dan was vroeg of laat het voor de hand liggende gebeurd: een samengaan van de twee halve gezinnen, door de twee jonge mensen aangevuld en verenigd tot geluk en welzijn van hun ouders.

Er gebeurde echter iets anders: het jaar ’41 brak aan met de ramp voor het land, voor alle inwoners en ook voor de beide families waar het hier om gaat.

Ook al werden de twee jonge mensen de eerste tijd nog niet opgeroepen voor militaire dienst, ze voelden zich verplicht om vrijwillig dienst te nemen, net als de meeste studenten, zowel hier in de hoofdstad waar ze woonden als in andere steden, overal en zonder uitzondering.

De zoon van de chirurg, een knappe, sterke, volgroeide jonge man met energie en wilskracht, vroeg zijn vader niet om advies en stelde hem, zoals dat heet, voor een voldongen feit: hij vertrok naar zijn bestemming, goedgekeurd en gezond, wat hij inderdaad was. De ander, de dochter van mevrouw Zajets, deed hetzelfde, om niet onder te doen voor haar vriend, of misschien had ze dat zonder haar vriend ook wel gedaan, naar eigen geweten en uit plichtsgevoel als staatsburger.

Hun ouders protesteerden natuurlijk niet, want ze wisten dat je iets kostbaars nu niet voor jezelf kon houden, maar het af moest staan omwille van het algemeen belang in tijden van nood. Maar bij het vertrek op de laatste dag, toen de enige zoon van dokter Zemmelman afscheid moest nemen van zijn vader, die overigens ook al lange tijd de jonggestorven moeder had vervangen, toen dus het afscheid naderde, keek de vader heel de tijd dat zijn zoon aan het pakken was een andere kant uit. Hij moest steeds zogenaamd in een andere kamer zijn en niet daar waar zijn zoon was. En pas op het laatst, toen ze al tegenover elkaar stonden en toen zijn zoon hem een hand gaf, kon de vader niets anders doen dan zich naar zijn zoon buigen en hem zwijgend een kus op zijn voorhoofd geven. Hij zei geen woord, want blijkbaar werd zijn stem verstikt door tranen.

Hetzelfde gebeurde in de andere woning aan de overkant bij mevrouw Zajets, toen die afscheid moest nemen van haar dochter, die op het punt stond te vertrekken; de dochter had behoefte haar moeders hoofd en voorhoofd lange tijd te strelen, haar te kalmeren en steeds weer hetzelfde te herhalen: ‘Mama, ik ben toch niet de enige… Iedereen gaat… En verpleegsters lopen echt niet zoveel gevaar.’

Allebei vertrokken ze. De deuren van de twee overburen op dezelfde verdieping zagen er na het verdwijnen van de jonge mensen veel dichter uit dan vroeger. De ouders gingen om maar te vergeten heel vroeg naar hun werk, bleven daar de hele dag en kwamen pas heel laat op de avond terug om de sleutel in het slot te steken. Een huiskat die een keer een tijdje uit een van de woningen weggelopen was kon voor de deur krabben en miauwen zoveel ze wou, niemand van de bewoners gaf antwoord of ging kijken wie daar krabde.

Dokter Zemmelman had het toen al druk met de gewonden die van het niet veraf gelegen front kwamen en iedere wond van een strijder was als een groet van zijn zoon – wie weet wat hem daar overkwam… Aan de andere kant deed zijn buurvrouw, mevrouw Zajets, ondanks de in oorlogstijd gebruikelijke forse bezuinigingen op het onderwijs toch alles wat je maar kon doen ondanks die bezuinigingen en de ongunstige oorlogsomstandigheden, en mevrouw Zajets deed zelfs meer dan alle anderen, want nu haar dochter weg was leek haar huis zo leeg dat ze er liever helemaal niet heen ging en als het gekund had was ze zelfs nog blijven overnachten op haar werk.

Kort nadat de twee jonge mensen vertrokken waren gebeurde het dat plotseling ieder spoor van hen verdween en er kwamen geen berichten van de dochter aan haar moeder en van de zoon aan zijn vader.

De ouders gingen als kennissen, als buren en als bijna-schoonouders af en toe bij elkaar langs op een vrije dag, niet om met elkaar te delen wat ze van hun kinderen wisten, maar om te delen wat ze niet… Ingehouden bespraken ze dan het een en ander en probeerden elkaar gerust te stellen, want er was geen keus: ‘Het is nog vroeg… Het komt nog wel…’ De ene keer stelde de man de vrouw gerust en de andere keer was het omgekeerd: dan stelde de vrouw de man gerust, die al luisterend opzijkeek of naar zijn schoenen, alsof hij die niet herkende als die van hemzelf.

En omdat oorlog oorlog is, ontving niet lang daarna eerst dokter Zemmelman de korte mededeling van het Commissariaat voor Defensie dat zijn zoon als held was gevallen in de strijd, zonder verder commentaar… Daarna kreeg hij van een kameraad van zijn zoon bij hetzelfde legeronderdeel waar zijn zoon gediend had een uitvoerige brief met de mededeling dat zijn zoon op patrouille door een kogel was getroffen en zonder te lijden gesneuveld was en dat al zijn kameraden hem met militaire eer begraven hadden, omdat hij heel geliefd was geweest om zijn moed en zijn kameraadschap in de strijd en dat zijn nagedachtenis hun dan ook dierbaar was.

De vader herlas het briefje vele keren en het troostte hem natuurlijk. Maar een zoon had hij niet meer.

En in diezelfde tijd, alleen wat later, kreeg zijn buurvrouw, die door een verbintenis van hun kinderen naaste familie van hem geworden zou zijn, een dergelijke brief met een allesbehalve prettige mededeling, in dezelfde trant, van hetzelfde commissariaat, dat haar dochter bij een vijandelijke luchtaanval op het hospitaal waarin ze zich bevond op haar post om het leven gekomen was.

De twee overburen op dezelfde verdieping hadden geen behoefte om nu meteen naar elkaar toe te gaan en elkaar gerust te stellen… Waarom zouden ze? En bijna verbraken ze hun relatie om elkaar maar niet te hoeven troosten.

Zoveel mogelijk probeerden ze waardig en zwijgend, zoals dat hoort bij mensen in zo’n situatie, hun verdriet voor zicht te houden en het niet te uiten als ze aan het werk waren; maar als ze thuiskwamen in het lege huis en vooral geen hoop meer hadden dat het ooit weer verlevendigd zou worden door de terugkeer van degenen die nog niet lang geleden voor papa en mama zo levend en dierbaar waren geweest, dan was ieder van de twee ouders natuurlijk uitgeleverd aan de diepe angst die hun uit alle hoeken en gaten aanstaarde.

Natuurlijk: wat je niet hebt, dat is er niet, maar iets bezitten en het dan verliezen, vooral een kind en al helemaal een enig kind, richt zonder twijfel een verwoesting aan in het leven van de achtergeblevene.

Al gauw gebeurden er dingen die de twee genoemde mensen liever hadden vermeden, omdat ze het persoonlijke verdriet dat hen een tijd beheerst had toch een beetje moesten vergeten.

Ten eerste: ze werden tijdelijk geëvacueerd, samen met het grootste deel van de bevolking van de hoofdstad, die door de vijand ingenomen dreigde te worden. Ten tweede: na hun terugkeer uit de evacuatie, toen het gevaar week en er geen aanval meer te verwachten was, en na de bevrijding van de hoofdstad en een tijd later ook van hele gebieden en toen uit die gebieden steeds meer gedetailleerde berichten kwamen over de onmenselijke daden van de vijand tegenover de bevolking daar in het algemeen en tegenover de joden in het bijzonder, die hij zoals bekend met uitroeiing bedreigde, toen zij beiden, zelf ook uit die gebieden afkomstig, zich gingen interesseren voor het lot van hun verwanten en de achtergebleven restjes familie en erachter probeerden te komen of die gered waren of niet, en zich ook gingen interesseren voor het lot van de hele gemeenschap waarvan ze zich lang afzijdig hadden gehouden, toen moesten in het licht van de gruwelijke gebeurtenissen waarover ze hoorden hun persoonlijke belevenissen een tijdje naar de achtergrond verdwijnen.

Maar toen de bovengenoemde twee mensen het niet meer zo geweldig druk hadden in hun vak, omdat iedereen nu in oorlogstijd keihard moest werken, en omdat ze elkaar niet uit het oog verloren hadden en niet van elkaar vervreemd waren tijdens de evacuatie, toen ze naar verschillende steden gebracht waren om te wachten tot het gevaar geweken was, en ook omdat ze toch al niet van elkaar vervreemd waren na de dood van hun kinderen, toen ze geen behoefte hadden hun relatie nog langer aan te houden, toen haalden ze de oude banden toch weer aan, alleen niet gewoon als buren, maar als mensen die iets hogers deelden dat hen tot elkaar had gebracht en verenigd.

Zo ging dokter Zemmelman, die zoals gezegd eenzelvig van aard was, zeker na de dood van zijn zoon, toen hij ieder gezelschap meed, toch een keer naar zijn buurvrouw, naar mevrouw Zajets, waar hij het hele bezoek naar zijn schoenen staarde, alsof hij die niet als zijn eigen schoenen herkende, en waar hij opeens een terloopse opmerking maakte:

‘U weet, mevrouw Zajets -’ hoeveel hij van zijn zoon gehouden had, dat hij zichzelf en zijn zoon toch gelukkig prees dat zijn zoon door een kogel was getroffen en niet in krijgsgevangenschap geraakt was, waar ze, zoals iedereen wist, met hem gedaan hadden wat ze met alle gevangen deden en vooral met joden…

‘Ja,’ zei mevrouw Zajets instemmend, want ze begreep waarom dokter Zemmelman dat zei en ze dacht aan de dood van haar dochter en ook aan het geluk dat zowel zijzelf als haar dochter gekend had…

Dat gesprek vond overigens plaats toen dokter Zemmelman mevrouw Zajets een paar berichten wilde doorgeven die hij gekregen had over zijn vroegere huis in de pas bevrijde plaatsen, waaronder ook het bericht van de dood van een oudere broer van hem, een hoogleraar die gewoond had in de hoofdstad van een van de republieken, niet ver van de vroegere grens.

Ze hadden hem verteld hoe zijn broer was omgekomen, samen met zijn oude, zieke vrouw, die bedlegerig was, en om wie hij in de stad gebleven was en niet meer weg had kunnen komen.

Voor joden, hadden ze verteld, was er in de stad waar zijn broer woonde een verordening uitgevaardigd in de taal van die republiek, al de eerste dagen dat de vijand binnengetrokken was.

“Joden! Op die en die dag, om zo en zo laat moeten alle personen van joodse afkomst, jong en oud, zonder uitzondering, zich verzamelen op dat en dat plein, alwaar ze op transport gesteld zullen worden; het is hun vanaf heden niet toegestaan zich in de stad op te houden.”

Het was winter. Alle achtergebleven joden zagen zich gedwongen – ze hadden geen keus – naar het opgegeven plein te gaan. “Zo niet,” luidde de verordening, “dan zullen de betrokkenen standrechtelijk gedood worden.”

Omdat de vrouw van zijn broer ziek was en zich niet bewegen kon, moest de broer, die zelf al oud was en van niemand hulp kreeg, haar voortslepen op een sleetje dat hij ergens gevonden had.

Een stoet van duizenden en nog eens duizenden zette zich in beweging: jong en oud, vrouwen met kinderen op de arm, ouderen die ondersteund moesten worden enzovoort.

Wie van de niet-joodse bevolking de moed had om vanaf de stoep of de drempel van zijn huisdeur te kijken wat daar gebeurde, die moest huilen.

Een jonge, niet-joodse student, een leerling van de broer, die toevallig zag hoe zijn krachteloze leraar zijn last op het sleetje voortsleepte, ging naar de stoet, wat voor niet-joden verboden was, om zijn professor een handje te helpen. Dat werd gezien en de jonge, niet-joodse student werd hard neergeslagen door de politie en de gendarmes die de stoet begeleidden en erop moesten letten dat de openbare orde niet verstoord werd.

En opnieuw was er iemand die de last van de broer wilde verlichten, en het tegenovergestelde gebeurde: ze duwden de last, de zieke vrouw, van het sleetje en bevolen hem haar op te tillen en weer terug te leggen.

Ze vonden één keer niet genoeg en lieten het overdoen en nog eens overdoen tot de oude vrouw niet meer kon en na twee, drie keer eraf en erop de geest gaf en dood werd opgetild.

Dit ging de broer zo aan het hart dat hij er niet meer tegen kon en toen hij zag dat zijn vrouw al niet meer leefde, maakte hij plotseling een zwak gebaar met zijn hand en viel op de grond, naast zijn vrouw.

Toen gelastten ze een jongere en gezondere man uit de voortgedreven joodse menigte hen beiden op het sleetje te leggen.

‘Hoe?’ vroeg die man. ‘Op het sleetje is toch geen plaats… Het is net groot genoeg voor één.’

‘Geen probleem,’ zeiden ze, ‘leg ze maar op elkaar. Geeft niks, hij is gewend om op haar te liggen…’

En die man, die uit de menigte gehaald was, werd gedwongen dat te doen.

‘Op elkaar! Hij erbovenop!’ riep de politie bij wijze van grap en vond dat zelf erg leuk.

Ja, zoals dokter Zemmelman toen niet helemaal vervreemd was geraakt van zijn gemeenschap in de lange jaren dat hij er geen contact mee onderhouden had, zo kreeg hij nu zo’n donkere wolk de gemeenschap kwam verwoesten een heel sterk gevoel van verbondenheid en werd diep geraakt door de vernietiging.

Dat overkwam zeker niet alleen mensen als dokter Zemmelman, maar ook vele anderen die net als hij vroeger buitenstaanders geweest waren.

Zoals bijvoorbeeld zijn buurvrouw, mevrouw Zajets, die bij het luisteren naar wat dokter Zemmelman haar nu te vertellen had en naar de even schokkende dingen die anderen haar verteld hadden, ongeacht het feit dat haar hart gebroken was door het verlies van haar dochter, die gesneuveld was in de strijd tegen de vijand, nu door dat verlies in zeker opzicht toch een soort genoegdoening voelde, want als zijzelf jong was geweest en daartoe geroepen had zij ook de weg van haar dochter gevolgd en wraak genomen, niet op zomaar een vijand, maar op een vijand die tegenover iedereen en vooral tegen haar eigen mensen zo onmenselijk optrad, dat daar nog geen woorden voor uitgevonden leken te zijn.

Wat dokter Zemmelman betreft, die had belangstelling gekregen voor wat hem tot dan toe niet geïnteresseerd had, omdat het zover van hem af stond, en hij was zo veranderd, dat hij was gaan denken alsof een vroeger verborgen gevoel van zijn volk in hem wakker geworden was, zoals bij schapen die in gevaar verkeren en tegen elkaar aan dringen om bescherming te zoeken…

Als je hem nog niet zo lang geleden gezegd had dat hij zich bij dergelijke dingen betrokken zou voelen, had hij dat beslist niet geloofd; het ging hier natuurlijk niet alleen om het enorme aantal slachtoffers onder zijn volksgenoten, waarbij iedereen zich betrokken kon voelen, maar ook om zoiets als de bezorgdheid om de eer en zuiverheid van de bron van het volk, die door een varkenspoot beroerd en bezoedeld was.

Hij had dat natuurlijk niet geloofd, ten eerste omdat hij het zo druk had in zijn vak, waarin hij vroeger, voor de oorlog en zeker nu, tijdens de oorlog zoveel nieuws tot stand had gebracht; ten tweede doordat hij al zo lang van zijn gemeenschap vervreemd was dat hij niet eens meer besefte wie hij was en waar zijn oorsprong lag; ten derde omdat hij de last droeg van zijn verplichtingen als burger, die hem zeer ter harte gingen, zoals iedereen in de hitte van de oorlog; en ten vierde: als hij eens een klein beetje tijd had om aan zichzelf te denken, had hij nog genoeg vaderlijke zorgen om zich af te zonderen in een hoek en al piekerend zijn blik te laten rusten op zijn schoenen, zoals zijn gewoonte was; ja, dan had hij natuurlijk niet geloofd dat hij na dat alles en gezien dat alles nog had kunnen denken aan iets als het erkennen van een bron, waaraan hij nooit behoefte had gehad en waartegenover hij zich nu schuldig, meer dan schuldig begon te voelen…

Het zal dus geen verrassing zijn als hier verteld wordt dat hij, dokter Zemmelman, de vader van zijn omgekomen enige zoon, regelmatig een droom had gehad waarin zijn zoon als een dierbare, levende gestalte verschenen was aan zijn eigen volk en vooral aan degenen die zoals dokter Zemmelman neigden tot eenzaamheid, en dat hij, dokter Zemmelman, de laatste tijd zelfs meer dan eens een verwijt van zijn zoon had moeten horen over zijn vroegere betrekking tot die bron, die hij volgens de woorden van zijn zoon verwaarloosd en miskend had.

En terwijl dokter Zemmelman nog discuteerde met de doden, kreeg hij opnieuw een dergelijke droom.

Het was of hij zich bevond in dezelfde stoet en dezelfde menigte als die waarin zijn broer zijn oude, zieke vrouw voortsleepte op het sleetje.

Het leek weer of hij, dokter Zemmelman, degene was die, nadat de vrouw van zijn broer dood neergevallen was en nadat zijn broer naast haar gevallen was, van de politie de order kreeg hen bij elkaar te leggen en voort te slepen.

En dat doet hij; hij trekt, hij sleept het sleetje, maar het valt hem zwaar; hij blijft staan en snakt naar adem…

En opeens draait hij zich om naar het sleetje met de dubbele last van de doden en ziet dat zijn broer rechtop zit met zijn gezicht naar hem en met halfopen, halfdichte ogen en hoort hem plotseling woedend zeggen:

‘Wat is er aan de hand? Waarom blijf je staan? Wat hijg je? Is de joodse last te zwaar voor je? Wil je ervan af?’

Terwijl dokter Zemmelman de klachten en verwijten van de doden diep in zijn hart wegstopte en terwijl geen nuchter denkende mens zich laat beïnvloeden door wat soms opkomt in een vage slaaptoestand, kon hij dergelijke dromen en nachtmerries, die bij hem al bijna ziekelijke vormen aannamen, toch niet van zich afzetten.

Zo verscheen er de laatste tijd voor zijn geestesoog vaak een beeld van een afgelegen terrein, waarover veel gesproken werd, een bekend massagraf, waarin de vijand volgens sommigen zestig en volgens anderen duizenden mensen tegelijk begraven had en waar je nog altijd, lang na die bizarre gebeurtenis, kleren en andere menselijke bezittingen kon vinden die achtergebleven waren, ook al hadden degenen die het fijne werk verricht hadden moeite gedaan om alles op te ruimen en alle sporen uit te wissen…

Ook nu, zeiden ze, kon je daar soms een bos vrouwenhaar aantreffen of een hoed of de losse mouw van een mannen- of vrouwenhemd, waar honden mee aan de haal waren gegaan en waar de winden mee speelden… Dat terrein stelde dokter Zemmelman zich nooit voor bij daglicht, maar altijd in het duister van het begin of het eind van de nacht, als er niemand was en geen hond en geen wind er huishield… En altijd dacht hij ook te zien hoe er van een van de kanten van dat terrein iets naderbij kwam als een oud echtpaar, een man en een vrouw, gekleed als mizrachiem: de man in een lange jas tot aan de grond, de vrouw in een soortgelijke jas en daarbij nog met een soort doek die haar ogen bedekte tot over de wenkbrauwen… Ze gingen nooit de grens over, maar bleven staan aan de rand, als bij een van die parken rond een begraafplaats, trokken hun schoenen uit en bleven lang en zwijgend staan kijken naar de stille, slecht begraven beenderen op dat terrein… En zo stil als ze verschenen, zo stil verdwenen ze weer uit het oog van dokter Zemmelman, dat maar moest raden wie die van ver gekomen bezoekers waren in hun kleding van mizrachiem, die man en die vrouw, ongetwijfeld een van de oudste ouderparen van het volk waartoe de hier zo slecht begravenen behoorden; een soort Abraham en Sara, zullen we zeggen.

Misschien kwam dat beeld bij dokter Zemmelman op als een verre herinnering aan wat hij in zijn vroege jeugd een oude grootmoeder of tante een keer had horen voorlezen uit oude boeken op een dag van treurnis over de ramp, waarbij de vaderen volgens de legende gehoor hadden gegeven aan Gods oproep Hem te helpen bij het bewenen van de ramp van Zijn en hun kinderen…

Misschien kwam het ook niet uit zijn verre kindertijd aangewaaid, maar was het gewekt door de nieuwe belangstelling waarmee hij wilde onderzoeken wat zijn lijdende gemeenschap had getroffen, de gemeenschap waarvan hij de bron vroeger nooit genaderd was, maar die hij nu wel met gebogen hoofd wilde naderen om in zijn nogal angstwekkende diepte te kijken.

Want nu dit hier aan de orde is, moet ook gezegd worden dat dokter Zemmelman, als hij de laatste tijd soms een avond alleen thuis was, het zogeheten Boek der Boeken ter hand nam, dat zich ergens in een verborgen hoek van zijn boekenkast verstopt had, en waar hij al in de eerste hoofdstukken stuitte op de levensbeschrijvingen van de voorname personages tot wie de mensachtige bijbelse God zich wendde als tot gelijken en wie Hij toezegde wat Hij tot in verre generaties voor hen had bestemd en voorbereid: dat Hij een groot volk van hen zou maken waarmee Hij een verbond zou sluiten enzovoort.

En hoe ging het verder? En wat voor gevolgen had de terugkeer van dokter Zemmelman?

Op een keer was hij een vrij moment weer naar mevrouw Zajets gegaan en terwijl het over bijzaken ging had hij het gesprek met haar ineens een andere wending gegeven met de volgende vraag:

‘Hoe gaat u uw dochter herdenken, terwijl u waarschijnlijk niet eens weet waar ze begraven is?’

Mevrouw Zajets was in verlegenheid gebracht en wist niet wat ze zeggen moest.

‘Zeg, wat denkt u ervan om bijvoorbeeld een kind te adopteren en op te voeden ter nagedachtenis aan haar?’

Dokter Zemmelman sprak over mevrouw Zajets, maar dacht ook aan zichzelf: aan zijn zoon, van wie hij ook niet wist waar die begraven was.

‘Wat?’ Daar had ze nog niet aan gedacht. Dat was nog niet zo’n gek idee… Eerlijk gezegd zou ze het wel moeilijk vinden om een vreemd kind in de plaats van haar eigen kind te zien. Maar nu dokter Zemmelman het voorgesteld had, zag ze geen reden om nee te zeggen.

En inderdaad, hoe moeilijk mevrouw Zajets ook kon wennen aan het idee dat een vreemd kind haar eigen kind zou vervangen, ze was na lang over dokter Zemmelmans idee te hebben nagedacht toch bereid naar hem te luisteren en ze was het zelfs al bijna half met hem eens, al vroeg ze dokter Zemmelman nog wat bedenktijd om tot een definitief besluit te komen.

Ze nam ten slotte een besluit toen ze zag dat dokter Zemmelman bereid was hetzelfde te doen en dat hij geen lichtvaardig, maar een serieus voorstel had gedaan en er blijkbaar ook goed over na had gedacht.

Later, tijdens een ander bezoek van dokter Zemmelman, begonnen ze aan een bespreking van de details: wie wat voor een kind zou nemen, een jongen of een meisje, en van welke leeftijd.

Ze kwamen tot de conclusie dat ze naast hun drukke werk geen van beiden tijd hadden voor kleine kinderen, die veel aandacht vroegen en dat het dan ook beter was wat oudere kinderen te nemen, die zichzelf konden redden en maar af en toe aandacht en een wakend oog nodig hadden.

Ze stonden er niet lang bij stil over wat voor kinderen het ging, maar het was zo al duidelijk dat het de doodongelukkige kinderen van vluchtelingen zouden zijn of nog eerder van joodse ouders die omgekomen waren in de gebieden die de vijand tijdelijk bezet had.

Al was mevrouw Zajets misschien minder dan dokter Zemmelman in staat om in die richting door te denken, zij was ook nu meer geneigd tot medelijden met degenen die haar het meest ter harte gingen, zoals mensen die de vijand had voorbestemd tot het ergste.

Ze besloten heel spoedig op een vrije dag naar de instelling te gaan die belast was met de opsporing van dergelijke kinderen en de onderbrenging in speciaal daarvoor ingerichte algemene tehuizen, om dan te zeggen dat zij, dokter Zemmelman en mevrouw Zajets, bereid waren een tweetal kinderen in huis te nemen om ze onderdak te geven en te verzorgen.

Dokter Zemmelman wilde graag een jongen, die hem als man meer zou liggen, en mevrouw Zajets een meisje; en al gauw, niet lang daarna, ging hun wens in vervulling en ze kregen toegestuurd wat ze wilden… Nee, meer dan dat: niet gewoon kinderen, maar kinderen van de daad, kinderen met een hele geschiedenis achter zich, kinderen die in het vuur geweest waren, kortom: kindpartizanen.

De jongen van een jaar of vijftien, zestien heette Moisjke en kwam uit de Wit-Russische bossen, die ten tijde van de oorlog wemelden van honderden of zelfs duizenden onderduikers in ondergrondse schuilplaatsen, die twee, drie jaar als holbewoners gejaagd hadden en gejaagd waren en die nadat het reguliere leger zich bij hen had gevoegd, in licht en vrijheid opgedoken waren om eindelijk openlijk te kunnen strijden…

En het meisje, dat iets jonger was dan de jongen, kwam uit Oekraïne, en had net als de jongen veel doorstaan voor ze zich een weg naar haar lotgenoten gebaand had; eerst had ze met een hele joodse gemeenschap uit haar sjtetl, ouders, familieleden en bekenden, op het punt gestaan om geëxecuteerd te worden en alleen door toeval was ze ontkomen aan het martelaarschap in de groeve.

De jongen had weliswaar lange tijd samengeleefd met oudere, geharde strijders onder niet bepaald gemakkelijke omstandigheden in de bossen, die hem hadden gehard en een eind hadden gemaakt aan zijn kindertijd, maar hij had toch nog steeds een lichte huid, een jongensachtige mond met witte tanden, geprononceerde, roze neusvleugels als een jong hert en een vrij hoog, blank voorhoofd als een intelligente student.

Deze jongen had alleen maar een goede wasbeurt nodig na zich in het bos jaren niet ontkleed en schone kleren aangetrokken te hebben; hij gaf ook schitterende blijken van kennis die hij zich al in de schoolbanken eigen had gemaakt en die hij in zijn jaren zonder school niet alleen als een edelsteen bewaard had, maar ook vermeerderd met kennis niet uit boeken, die in het bos natuurlijk ontbraken, maar uit het leven, dat soms zoals ze zeggen een veel betere leermeester is dan boeken.

Toen dokter Zemmelman hem voor het eerst zag en observeerde en al de eerste avond de tijd nam om hem beter te leren kennen, was het of zijn vaderhart zich niet langer verloren voelde; hij zag hoe de jongen een huisgenoot van hem werd en een zijn aandacht nodig had, en hoe moeilijk het ook was, hij kreeg bij het kijken naar de jongen, die wel een frisse, veelbelovende twijg leek, die hij zou kunnen enten op de eenzame boom van zijn eigen familie, toch wel een voldaan en monter gevoel, niet zozeer vanuit het idee zichzelf weer te zien opbloeien, maar meer in het algemeen, als bij het kijken naar een jong schepsel in de bloei van zijn bestaan met al rijpe en nog onrijpe charmes…

Al gauw ging dokter Zemmelmans welwillendheid zover dat, als de jongen hem op zijn verzoek vertelde wie hij was, waar hij vandaan kwam en wat voor onwaarschijnlijke dingen hij doorstaan had voor hij zijn broeders en redders in het bos bereikt had, als de jongen begon te vertellen in een voor zijn adoptievader dokter Zemmelman ongewone tongval en zich niet helemaal vrij voelde om alles uit zijn rijke ervaringen onder woorden te brengen, dokter Zemmelman hem eerst hielp bij het overwinnen van zijn verlegenheid, nu eens met een woord en dan weer met een hele zin; naderhand, toen dokter Zemmelman besefte dat de jongen toch een eigen taal had, die hij thuis bij zijn ouders had gebruikt en ook bij het verwerven van zijn kleine beetje schoolkennis, zag hij zijn eigen tekortkoming in en zei:

‘Moisjke, praat maar zoals jij wilt, zoals voor jou het makkelijkste is, want ik versta toch wel wat je zegt.’

Toen schitterden de ogen van de jongen, als bij iemand die losgemaakt wordt en bevrijd van de prop uit zijn mond en hij produceerde een woordenstroom alsof er een heel vat leegliep, zodat dokter Zemmelman het eerst niet kon volgen, al had hij er wel plezier in, zelfs geweldig veel plezier, alleen al om de klank van die vreemde rijkdom die het volk waaruit hij losgescheurd was had bewaard, en luisterend naar de jongen voelde hij nu diep in zichzelf iets als een opwellende bron, alsof hij werd gegroet vanuit een oud en dierbaar thuis dat nooit in vergetelheid kon raken.

Hetzelfde, met maar een klein beetje verschil, gebeurde in het andere huis, tegenover dat van dokter Zemmelman, bij mevrouw Zajets, die ook had gekregen wat ze wilde: een meisje.

Dat meisje was een beetje klein voor haar leeftijd en had nogal wat concentratieproblemen, blijkbaar omdat ze veel had meegemaakt, en dat was niet bevorderlijk geweest voor het bevattingsvermogen van haar hersenen… Daarentegen leek ze een heel gezonde constitutie te hebben: haar meisjesschouders waren breed en haar wangen rond en stevig met zulke speelse lachkuiltjes, dat je je werkelijk afvroeg hoe dit schepsel zonder thuis en zonder toezicht, ook nog blootgesteld aan dergelijke gevaren, overal doorheen gekomen was, met desondanks zoveel hardheid, en daarbij nog een soort vettig traanvocht in haar grijze ogen: een teken dat ze een goede moeder en min zou worden, als bij een soort oermoeder of moeder Eva.

Kortom: wat gezondheid betreft was zij wel een uitzondering, al hadden haar hoofd en haar kennis geleden. Misschien had ze van school weinig meegekregen of niet eens in de schoolbanken gezeten, of misschien was ze het geleerde vergeten in de jaren zonder school. Toch leek ze in het algemeen een beetje traag van begrip… Daarentegen had haar ziel een stem, een ruw godsgeschenk, ongepolijst en ongecultiveerd, en als ze haar mond opendeed voelde je je meteen aangesproken door haar ongedwongen, moederlijke aard, die zich zo zangerig en ongekunsteld uitte.

Ze bedacht zelf liedjes, met melodieën en al, die als volksliederen klonken.

 

Mogen honden je verscheuren!

Maak hetzelfde door als ik…

Je moest haar een vloeklied horen zingen in de trant van bijbelse vervloekingen, waarin ze huilde over een jurk die ze geërfd had van haar moeder, met wie ze een tijd in het getto had gewoond voor die was weggevoerd naar de groeve voor de massamoord, en die was opgemerkt door een politieman, die de jurk had afgepakt om haar aan zijn liefje te geven…

‘Mogen honden je verscheuren!’ Haar scheldende stem had een kracht die niet alleen uit haar eigen mond leek te komen, maar uit de monden van allen, allen die samen met haar in het getto hadden gewoond, veroordeeld en beroofd.

Toen ze bij mevrouw Zajets kwam, een beetje verlegen en nog niet echt op haar gemak in het huis en in huizen in het algemeen, die ze ontwend was door haar verblijf in het bos, keek mevrouw Zajets haar eerst niet aan, omdat ze nog niet kon kijken naar de plaatsvervangster van haar dochter… Maar al gauw beheerste ze zich, werd vertrouwelijker, nam haar onder haar hoede en stelde vragen over alles, alles wat haar overkomen was, een kind dat ontsnapt was aan het slachtmes, een kind dat geen dak boven haar hoofd had gehad en geen medelijden ondervonden had op een aarde die brandde en onder een hemel die geen hulp bood.

Ze heette Elke, het meisje. En net als Moisjke bij dokter Zemmelman beheerste zij de taal waarin ze mevrouw Zajets verslag begon te doen niet helemaal. Ze gooide er Oekraïens doorheen en zelfs ook een beetje Duits, dat ze een tijd gehoord had in het getto, onder de zweep van de beul. En mevrouw Zajets kwam haar, Elke, net als dokter Zemmelman zijn Moisjke, telkens te hulp als ze de woorden niet vond en hakkelde en stelde haar dan voor om het makkelijker te zeggen in de taal die ze uit haar verlorengegane thuis had meegebracht als een dierbaar overblijfsel dat ze bij zich droeg…

Luisterend naar Elke en kijkend naar haar brede schouders, haar stevige wangen met de lachkuiltjes en haar tranende ogen, een teken van een toekomstig moederschap, voelde zelfs mevrouw Zajets, die ervan vervreemd was, zich nu verbonden met die veelbeproefde en zwaargetroffen gemeenschap waarvan het lot ook het hare had kunnen zijn als ze er toevallig bij geweest was of niet vanaf het begin erbuiten had gestaan.

Kijkend naar Elke groeide in haar een groot medelijden met die gemeenschap en ze voelde zich ook schuldig als een debiteur tegenover de gemeenschap die haar in de persoon van Elke een soort levend testament had nagelaten, een laatste rest die zij moest zien te bewaren om te zorgen naam en erfenis niet uitgewist zouden worden.

En zo bleven de kinderen daar, de bovengenoemde Moisjke bij dokter Zemmelman en Elke bij mevrouw Zajets. Overigens kwamen de nieuwe ouders weer veel nader tot elkaar door hun beider belang, de allerbeste zorg voor hun pleegkinderen, waarover ze elkaar nu steeds advies vroegen en gaven: hoe het ging en of ze succes hadden met hun onderneming.

Zo klopte dokter Zemmelman, een drukbezet man met weinig ervaring in opvoedkundige zaken, vaak bij mevrouw Zajets aan met een vraag over zijn Moisjke, die hij een heel bijzondere jongen vond en die hij overigens al de eerste avond, nadat hij hem had laten vertellen over wat hij had meegemaakt, voor het slapengaan en welterusten zeggen had opgezocht om hem verlegen een kus op zijn voorhoofd te geven, wat hemzelf aan de ene kant het verdrietige gevoel gaf of hij zijn dode zoon gekust had, maar aan de andere kant ook een zekere tevredenheid, omdat hij na de dood van zijn zoon zijn vaderlijke liefde kon uiten.

Ja, Moisjke had bij dokter Zemmelman al gauw zijn plaats gevonden.

Je kon dokter Zemmelman soms laat op de avond in zijn studeerkamer zien zitten, als zijn pleegkind al op de kamer sliep die voor hem ingericht was, en hem dan stil naar de drempel van die kamer zien gaan, waar hij even het licht aandeed, een blik op de slapende jongen wierp en dan meteen het licht weer uitdeed en terugliep, heel voorzichtig, om niet te storen…

Je kon ook zien hoe dokter Zemmelman, als hij tijd had, ook in de kamer kwam die hij zijn pleegzoon gegeven had, terwijl die zijn huiswerk maakte voor school, waar hij nu na een onderbreking van jaren weer begonnen was; hoe dokter Zemmelman zich dan een beetje bijziend over het boek of het schrift boog waaruit de jongen studeerde, of waar hij iets in schreef, maar hoe hij niet lang bleef, niet stoorde, zich nergens mee bemoeide en geen aanmerkingen maakte, alsof hij goed wist wie hij voor zich had, dat de jongen uit zichzelf alles zou doen wat hem te doen stond en dat op een goede manier. Ja, het was genoeg als dokter Zemmelman even kwam kijken en alleen voor een beetje toezicht af en toe bij zijn pleegzoon kwam, niet als bij een kind dat je voortdurend in de gaten moest houden, maar als bij een zelfstandig en verstandig mens.

Dat was Moisjke dan ook: hij begreep zelfs dat hij de tijd moest nemen om aantekeningen te maken over alle gebeurtenissen waarvan hij getuige was geweest en die hij zich tot in details herinnerde – de plaatsen, tijden en deelnemers – als herinnering voor het nageslacht; zodanig, dat zelfs echte historici belangstelling konden krijgen voor zijn werk, wat later ook gebeurde.

Hij beschikte over een zeldzaam goed geheugen, een goed, jeugdig oog en een subtiel vermogen om onder woorden te brengen wat hij wilde, helder, soepel en in begrijpelijke taal. En naast zijn werk voor school vond hij nog tijd om zich bezig te houden met wat zijn jonge geweten van hem vroeg, en dat deed hij heel ijverig, als een volwassene, alsof hij een gedenksteen oprichtte voor de hem ontstolen jaren van zijn jeugd en ook voor al degenen die al omgekomen waren en rustten op de begraafplaats van het volk.

En als dokter Zemmelman zijn pleegzoon een keer aantrof bij dit werk, bleef hij wel staan, toonde belangstelling, ging niet meteen weg en vroeg:

‘En, gaat het goed? Wat heb je genoteerd in de taal waaruit ik zo moeilijk wijs kan worden?’

Soms las Moisjke dan een passage voor en soms nog een, en natuurlijk waren het altijd de passages die dokter Zemmelman een nauwkeurig beeld gaven van wat de ongelukkige gemeenschap en het individu van de vijand te verduren hadden gehad: de eerste tot de dood, en de tweede, zijn pleegzoon Moisjke, tot die aan de dood ontkomen was.

Het is goed om te beseffen dat het gehoorde dokter Zemmelman genoeg stof tot nadenken gaf, dat wil zeggen: de ene keer werd het hem ter plekke al gauw zwart voor de ogen en de andere keer verscheen Moisjke en alles wat met hem verbonden was pas later in allerlei verwarde dromen, wat hem vaker overkwam.

Eén keer zag hij hem samen met zijn zoon… Die laatste, in militair uniform en met een geweer, leek het, en Moisjke met een pen achter zijn oor. En de eerste bleek niet jaloers te zijn op de tweede, die zijn plaats bij de vader had overgenomen. Integendeel: hij gaf hem broederlijk een hand en wenste hem dat hij daarmee, met die pen, dus met het woord zou doen wat hijzelf met de daad had volbracht.

Een tweede keer zag hij hem naderen met een wat oudere man, die gehuld was in een sjaal, die bijna tot over zijn ogen reikte en zijn gezicht tot zijn lippen bedekte: een soort klaagprofeet, die het terrein van een massamoord betrad, blijkbaar om daar langer te verblijven en te doen wat zo’n profeet moet doen… En de pleegzoon, de jonge Moisjke, volgde de profeet als een jonge dienaar met een boekrol en ook nog een voetenbankje, waarop de profeet kon gaan zitten als de klaagzangen hem vermoeid hadden.

En hij zag hem nog een derde keer, zelfs samen met dat individu met het halve, vierkante, zwarte muizensnorretje en het uiterlijk van een kleine crimineel, door het lot voorbestemd om een grote naam te krijgen, tot schande van het land dat hem had voortgebracht. Kortom: degene wiens naam niet genoemd mag worden, en wee de mond die hem het eerste uitsprak… Hij, dat individu, staat op een soort verhoging en ziet er groter uit dan hij werkelijk is; hij is gekleed in het jagerskostuum van zijn land, met een groene hoed met een pauwenveer erop, alleen niet met een bij het tenue passende stok, maar met de haak van een hondenmepper en een strop, klaar voor de vangst.

Hij staat te wachten en kijkt om zich heen, tot voor hem een grote massa veroordeelden verschijnt die zich in de laatste ballingschap begeeft en naar de groeve gedreven wordt en alleen al het beeld van de voorbijtrekkende massa doet hem zichtbaar geweldig veel plezier. Maar dat is te weinig, hij heeft er niet genoeg aan dat anderen met hen doen wat ze moeten doen… Hij wil het zelf doen, en hij gooit de haak uit, vangt iemand uit de massa, trekt hem naar zich toe en kijkt met plezier hoe de ander spartelt en tekeergaat en stikt in de strop. Zo vermaakt hij zich met de eerste en vervolgens met de tweede…

En dan ziet dokter Zemmelman opeens ook zijn pleegzoon, zijn Moisjke, aan de haak. Maar Moisjke rukt zich plotseling los, tot wilde ergernis van de hondenmepper, die zijn ondergeschikten in bittere woede toeschreeuwt: ‘Pak hem! Grijp hem! Leg hem in de strop!’ Maar dokter Zemmelman ziet Moisjke lachen… En opeens ziet hij Moisjke veranderen in Mozes, door de bekende middeleeuwse meester uit steen gehouwen, met het machtige, menselijk-goddelijke, bezorgde gezicht van een oeroude wetgever, met de lange, golvende baard tot zijn knieën en ook met de spitse stralen uit zijn voorhoofd waarmee anderen hem schilderen. En dokter Zemmelman ziet één straal vallen op het gezicht van die hondenmepper, die erdoor wordt verblind en overstroomd en als een mefistofelische vleermuis zijn hoofd moet afwenden, buigen en in de grond steken.

Het was Moisjke die dokter Zemmelman ’s nachts liet dromen en blijkbaar wilde dokter Zemmelman ook als hij wakker was in hem de voortzetting zien van degene die de hondenmepper van de aardbodem wilde vegen om hem spoorloos te laten verdwijnen.

Het was Moisjke, het jonge vat vol vaardigheden, die als er eens problemen waren bij de studie waaraan hij nu, zoals gezegd, na heel wat jaren onderbreking weer begonnen was, maar één vingerwijzing nodig had om zelfstandig verder te kunnen.

Anders dan Moisjke had Elke, die bij mevrouw Zajets gekomen was, niet genoeg aan een vingerwijzing; zij had een hele hand nodig, juist bij het studeren, waarin ze achterliep, en mevrouw Zajets gaf haar in haar vrije uren bijles en hielp haar als geduldig pedagoog zoveel mogelijk.

Haar tijd was niet toereikend en daarom riep ze de hulp in van de pleegzoon van haar buurman, Moisjke, die oneindig veel meer wist dan haar pleegdochter; uiteraard hadden de twee, Moisjke en Elke, meteen na hun komst, de een bij dokter Zemmelman en de ander bij mevrouw Zajets, met elkaar kennisgemaakt, dankzij de vertrouwelijke omgang met elkaar van hun pleegouders, die in hetzelfde gebouw woonden, op dezelfde verdieping, tegenover elkaar, en die elkaar omwille van hen nu weer heel vaak opzochten.

Dokter Zemmelman had natuurlijk niets tegen de hulp die zijn Moisjke gevraagd werd, integendeel, want toen hij bij zijn buurvrouw, mevrouw Zajets, voor het eerst haar pleegdochter zag, een meisje bijna van dezelfde leeftijd als zijn pleegzoon, met brede schouders, stevige wangen met lachkuiltjes en altijd vochtige grijze ogen, dacht hij zelfs met een glimlach als een huwelijksmakelaar, dat het geen slecht idee zou zijn, dat het helemaal geen kwaad zou kunnen als die twee elkaar eens beter zouden leren kennen, vriendschap zouden sluiten enzovoort.

Het was zoals gezegd maar een vluchtige gedachte met een glimlach, waarbij dokter Zemmelman niet lang stil bleef staan, omdat hij direct besefte dat het nog kinderen waren en wie wist hoe hun leven verder zou verlopen… Maar later, toen de twee, dankzij de vertrouwelijkheid tussen hun weldoeners, tussen dokter Zemmelman en zijn buurvrouw, mevrouw Zajets, ook vertrouwelijker met elkaar om; en vooral nadat mevrouw Zajets naar Moisjke, de pleegzoon van haar buurman, was gegaan om te vragen of hij als zij, mevrouw Zajets, niet thuis was haar pleegdochter Elke af en toe wilde helpen bij het leren, waarin ze een achterstand had; en als dokter Zemmelman er een keer bij was wanneer hij, Moisjke, met Elke de lessen doornam en haar spelenderwijs uitlegde wat ze door haar traagheid van begrip niet zo gauw snapte, als hij toekeek hoe slim Moisjke dat aanpakte met jeugdig enthousiasme en in begrijpelijke taal, en hoe zij, zijn trage leerlinge, aan zijn lippen hing met zowel jaloezie als een soort respect voor iemand die ouder en knapper was dan zijzelf en ook nog met iets wat typerend was voor haar ontwakende vrouwelijkheid en zich niet in woorden liet vangen; als hij dat allemaal zag, werd dokter Zemmelmans wens dat die twee bij elkaar zouden komen nog sterker.

Want een klein beetje gelijk had dokter Zemmelman wel… Want als je die twee had gevolgd vanaf de eerste minuut van hun kennismaking, toen mevrouw Zajets hen bij elkaar bracht en Moisjke vroeg of hij Elke wilde helpen, had je gezien dat Moisjke zich tegenover degene die zijn hulp vroeg een tikje terughoudend en eigenaardig gedragen had, zoals de meeste jongens tegenover meisjes van hun leeftijd, zeker als die zo’n achterstand hadden, een beetje uit de hoogte, koeltjes en zelfs een klein beetje verwaand. Tegelijkertijd had Elke, die iets jonger was dan hij, vanaf de eerste minuut dat ze hem zag haar ogen niet van hem af kunnen houden, alsof ze aan hem vastgeplakt zat met de lijm van jaloezie, respect en zoals gezegd nog iets anders, wat nog meer zegt over die twee.

Wat later zag je hoe ook Moisjke zijn houding veranderde, niet doordat zijn leerlinge veel presteerde en groot succes had in de bijlessen die ze van hem kreeg. Nee, alleen de identieke situatie in de huizen waarin ze elkaar troffen bleek een band te scheppen als tussen twee kleine Robinson Crusoes die na een schipbreuk door dezelfde golf aan land waren geworpen.

Ja, dat bracht hen blijkbaar tot elkaar. Verder kon je zien hoe Elke met haar stevige benen en brede schouders, na haar bevrijding uit de Robinson Crusoe-achtige omstandigheden in het bos, waar ze een harde strijd om het bestaan had moeten leveren, en na haar komst in de bewoonde wereld, in een stad en onder de mensen, waar ze ook nog een dak boven haar hoofd kreeg en een jurk en een hemd aan haar lijf, meteen haar eigenlijke rol ging spelen door haar vrouwelijke eigenschappen aan de dag te leggen en de gave van haar liefde met anderen te kunnen en willen delen.

Ze zag in Moisjke eerst een broer wie ze trouw wilde zijn. Maar later, toen de twee nader tot elkaar kwamen, kon je zien hoe Elke, als ze wat langer naar Moisjke keek, vochtige ogen kreeg, alsof die door het kijken in een vuurtje eerst droog geworden waren…

Ze hing zoals gezegd voortdurend aan zijn lippen, omdat hij haar altijd meer te vertellen had dan zij bevatten kon en ook omdat ze zelfs als hij zijn mond hield uit meisjesachtige verbazing haar ogen niet van hem af kon houden.

Ook Moisjke veranderde zoals al gezegd zijn houding tegenover haar. Later was al een beetje te merken dat beide partijen, de pleegkinderen, zich meer bij elkaar op hun gemak voelden, wat ook bleek uit het feit dat ze elkaar vaker zagen en meer tijd samen doorbrachten.

Dat ontging dokter Zemmelman natuurlijk niet, die dat al een beetje voorvoeld en in stilte ook vurig gehoopt had…

Meer dan eens was hij om die reden naar zijn buurvrouw gegaan, mevrouw Zajets, die net als alle vrouwen met een ervaren oog in de gaten had wat er tussen twee jonge mensen van die leeftijd opbloeien kon. Net als haar buurman, dokter Zemmelman, hoopte mevrouw Zajets dat in stilte misschien ook wel: zoals elke vrouw die een betrouwbare getuige is van de verhoudingen tussen jongeren, en ook als een moeder die niet had mogen beleven dat er zoiets groeide bij haar eigen kind en die er genoegen mee nam het mee te maken bij haar pleegkind, en misschien ook uit een verborgen gevoel dat haar net als haar buurman, dokter Zemmelman, indirect en onbewust opdroeg die twee te volgen, als een laatste restje, een gespleten takje waarvan de stam wilde dat zij het samen opnieuw zouden enten…

Ja, ook mevrouw Zajets wilde dat misschien wel…

Als dokter Zemmelman de laatste tijd soms in een vrij uur even bij haar langskwam om met haar van gedachten te wisselen over hun pleegkinderen in het algemeen en te vragen wat zij als pedagoge dacht over wat zij beiden tot dan toe voor de kinderen hadden gedaan en ook over wat hun verder te doen stond en wat beter moest, als ze iets verkeerd hadden gedaan, als dokter Zemmelman daarover een gesprek begon, hoorde je in zijn manier van praten niet alleen de gewone interesse van een man die een pleegkind aangenomen had, maar ook wel de interesse van een vader die voor zijn eigen kind zo goed mogelijk wilde zorgen.

Sterker nog: dokter Zemmelman besefte zelf misschien niet hoezeer hij dat wenste, alleen begon hij zich te voelen als iemand die door een soort verborgen natuurwet aangewezen was als boodschapper en uitvoerder.

Hij kwam bij mevrouw Zajets zelfs meer dan eens aanzetten met een half-naïeve, schoonvaderachtige vraag in de trant van:

‘Eh, wat denkt u, mevrouw Zajets? U moet dat toch weten als vrouw… Ja, het kan wel eens wat worden tussen die twee,’ zoiets als een huwelijk, bedoelde hij.

‘Ja,’ zei mevrouw Zajets dan met een goedkeurende, instemmende glimlach, op haar beurt ook als een ouder, zogenaamd namens de bruid…

Meer nog: zoveel haast dokter Zemmelman had met zijn ambtelijke missie op grond van de bovengenoemde verborgen natuurwet om iets nieuws en gemeenschappelijk opgebouwd te krijgen, zozeer zag hij zichzelf de laatste tijd ook steeds meer als een betrokken medewerker aan dat bouwen.

Wat betekende dat?

Dat betekende dat hij, dokter Zemmelman, die al lang geen gezinsleven meer gekend had, ten eerste doordat hij niet zo jong meer was en ten tweede doordat hij zich helemaal gewijd had aan de opvoeding van zijn zoon, waardoor hij al het overige dat bij een gezin hoort was vergeten, dat hij nu, na de dood van zijn zoon en na de adoptie van een pleegzoon niet alleen een roeping als vader, maar ook een roeping als gezinshoofd voelde, met als excuus tegenover de buitenwereld dat zijn eigen zorg en toewijding niet toereikend waren voor zijn pleegzoon en dat hij die graag wilde versterken door een verbintenis met iemand die kon helpen, een vrouw, een moeder voor de jongen.

Misschien had hij gelijk en was dat de reden of een van de redenen. Misschien was hij ook bezeten van dat bovengenoemde, verborgen, dwingende gebod, dat hem gegrepen had en verlangde dat hij zich richtte op andere, jongere mensen dan hijzelf, waarbij hij die taak niet alleen zelf op zich moest nemen, maar ook overdragen op alle overgeblevenen van zijn volk, dat hij nu de raad zou geven om hetzelfde te doen als hij.

Je kon zien dat hij het opgroeiende stel, dat steeds nader tot elkaar kwam, nu met genoegen bekeek en met zoiets als een verborgen vaderlijke tevredenheid en uitzicht op later… En tegelijk wierp hij over zijn bril soms ook een heimelijke, vaderlijk-verliefde blik op mevrouw Zajets, die hij wilde interesseren – niet op stel en sprong, nog niet meteen – voor een gezamenlijk bestaan als vader en moeder, omdat hij zag dat ze aan een half woord van hem genoeg had en dat ze haar ogen neersloeg op haar borst als hij, dokter Zemmelman, steeds maar niet zei wat hij nog niet duidelijk onder woorden brengen kon.

Door dat nieuwe, verborgen verlangen werd dokter Zemmelman nu een frequentere gast bij mevrouw Zajets en hij vertrouwde haar steeds meer toe van wat hij tot dan toe in zijn eenzaamheid had lopen overdenken; en vaak vergetend dat hij haar de vraag al meer dan eens gesteld had, zei hij dan:

‘Eh, wat denkt u, mevrouw Zajets? Het wordt wel wat, denk ik…’ Hij doelde zowel op die twee als op henzelf, die hij nu graag onder één dak zou zien, tot één gezin verenigd: zij met de bruidsschat die ze meebracht, met Elke, en hij met zijn Moisjke, wat de opvoeding vast veel beter en gemakkelijker zou maken.

En in die richting begon hij de laatste tijd zelfs ook te dromen.

Dit is een van zijn laatste dromen:

Hij ziet zichzelf samen met zijn buurvrouw, mevrouw Zajets, ingespannen voor een sleetje, waarop zijn dode broer en diens dode vrouw liggen, die niet weg hadden kunnen komen uit de stad. Hij en mevrouw Zajets trekken de slee vlot en gemakkelijk en zonder enige vermoeidheid… En plotseling houden ze stil en draaien zich om, want ze voelen iets levends achter zich, en ze zien de broer en zijn vrouw rechtop zitten en tevreden glimlachen, waaruit blijkt dat hij, dokter Zemmelman, en mevrouw Zajets hen gemakkelijk, zonder enige inspanning trekken, en daarbij zeggen de twee met half dode, half levende monden: ‘Mazzel tov… Goed dat jullie hier zijn, goed dat jullie samenzijn en moge jullie weg licht zijn…’ Als ze uitgesproken zijn gaan ze weer liggen.

Dan ziet dokter Zemmelman weer een oude man verschijnen met Moisjke aan zijn zijde en een oude vrouw met Elke naast zich. Beide ouderen zijn weer als mizrachiem gekleed: hij in een lange jas tot op de grond en zij met zo’n zelfde jas en daarbij nog een hoofddoek tot over haar wenkbrauwen. En de twee kinderen, die met hen meelopen, dragen een kaars, als bij een huwelijk.

En dan verschijnt ook een choepe, waaronder hijzelf, dokter Zemmelman, en zijn buurvrouw, mevrouw Zajets, zich bevinden, als voor een huwelijksplechtigheid.

Er verschijnen ook familieleden, een van ver aangekomen stoet, een grote menigte, zoals hij, dokter Zemmelman, zich een menigte voorstelde op weg naar de laatste ballingschap, gedreven naar de groeve… Nu lijken ze kalm en zwijgend, allen met kaarsen in de hand, en de kaarsen branden plechtig, door geen wind, geen zuchtje wind beroerd en niet flakkerend naar opzij.

De stoet stapt voort in rijen, plechtig, als gevonnist… En plotseling klinkt er vanuit de kaarsendragende menigte een stem als een stem uit de hemel, niet afkomstig uit een mond, gericht tot dokter Zemmelman, die luistert, al begrijpt hij niet alles wat de stem te zeggen heeft, maar wel wat blijkbaar voor hem bestemd is:

“Onthoud één ding: het gebod van groei en hergroei, ondanks al het kwaad dat allen getroffen heeft en in het bijzonder ons…”

En hier wordt dokter Zemmelman plotseling wakker, nu vastbesloten om mevrouw Zajets in klare taal te zeggen wat hij tot nu toe half voor zich heeft gehouden…

1946

Widerwoeks (“Hergroei”) Uit: Dertseiloengen oen esejen (“Verhalen en essays”), Jidisjer Koeltoer Farband, New York, 1957, pp. 155-183.

 

Der Nister, “de verborgene”, was het pseudoniem van de Jiddisje schrijver Pinches Kahanowitsj (1884–1950). Hij werd geboren in Berditsjev in Oekraïne, verbleef lang in het buitenland en keerde in 1926 terug naar de Sovjet-Unie. Toen politieke druk het hem onmogelijk maakte om nog langer verhalen te schrijven in zijn fantastisch-symbolistische stijl, begon hij in de jaren 1930 aan een roman die tot op zekere hoogte beantwoordde aan de normen van het socialistisch-realisme. Van deze roman, Di misjpoche Masjber (“De familie Masjber”), verscheen deel I in Moskou (1939), maar deel II kon alleen in New York gepubliceerd worden (1948) en er is vermoedelijk een deel III geschreven, dat echter spoorloos is. De familie Masjber speelt in de jaren 1870 in een stad gemodelleerd naar Der Nisters geboorteplaats en behandelt de ondergang van een familie. In deze website zijn al zijn verhalen uit de jaren 1940 opgenomen, die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Ze schilderen op een subtiele manier vele aspecten van de jodenvervolging in het door Duitsland bezette Polen en Rusland, waarbij ze volgens getuigen gebaseerd zijn op historische gebeurtenissen. De meeste verhalen verschenen in de Verenigde Staten en pas lang na Der Nisters dood in de Sovjet-Unie, echter in een sterk gecensureerde versie, waaruit veel joods-religieuze elementen verwijderd waren. In het kader van de officiële liquidatie van de Jiddisje cultuur – in de nacht van 12 augustus 1952 zouden twaalf belangrijke Jiddisje auteurs vermoord worden – werd Der Nister in 1949 gearresteerd en naar een concentratiekamp gedeporteerd, waar hij in 1950 overleed.

 

Woordenlijst

 

choepe, baldakijn voor een bruidspaar.

het jaar ‘41, het jaar van de Duitse invasie van de Sovjet-Unie.

mazzel tov, veel geluk.

mizrachiem, joden met een afkomst uit het Midden-Oosten of Noord-Afrika.