Haiku’s

 

sneeuwsporen

 
 

I

 

fietsspoor in de sneeuw
elegant bewijs van een
uitgestelde val

 
 

lichtschittering in
uitwaaierende spaken
van wentelend wiel

 
 

het keerpunt voorbij
de wind die tegenwerkte
geeft nu ruggensteun

 
 

schot uit een luchtbuks
wie wil niet dat ik doorrijd?
mijn eigen fietsband

 
 

ik heb echt geen haast
waarom houd ik dan niet van
ingehaald worden?

 
 

de gestrekte val
door het water omgezet
in de gave duik

 
 

hoofd boven water
galmend gegil in het bad
hoofd onder water

 
 

zwaartekracht getart
halter van honderd kilo
onder wordt boven
 
 

 
 

II

 

achterwaarts gaande
knielende stratenmakers
pelgrims onderweg

 
 

mijn oude rugzak
vergezelt me altijd trouw
hij kan niet anders
 
 
mijn trein rijdt weg
of is het de trein hiernaast?
het station staat stil
 
 
wit op hemelsblauw
karrensporen in de lucht
gewist door de wind
 
 
boven de wolken
maar wel met de gordel om
en goed verzekerd
 
 
sluisdeur gaat open
zuigende watermassa
ruzie op een jacht
 
 
autoradio
bonst dof op de ruiten van
de isoleercel
 
 
oranje schijnsel
zaait twijfel in hoofd en voet
gaspedaal of rem?
 
 
tweetaktuitlaatgas
drukt mijn neus terug
in de ddr

 
 

 
 

III

 

krassende kraaien
vliegen in een zwarte zwerm
die uitdijt en krimpt
 
 
schreeuwende meeuwen
tien kilometer van zee
sta ik aan het strand
 
 
zwoegen door mul zand
op de duintop ademloos
kijken naar de zee
 
 
drie heuvelruggen
als gekleurde coulissen
van groen naar grijsblauw
 
 
even oude boom
een sprietje toen ik klein was
nu houtig en stram
 
 
de boom is nu hol
lente, zomer, herfst, winter
gaan aan hem voorbij
 
 
de herfst valt nu in:
het decor is nog zomers
het spel al winters
 
 
geveld, weggesleept
op een kruis gespijkerd en
versierd met kaarsen
 
 
door elkaar geschud
maar verend met de vlagen
blijft het web intact
 
 
late middagzon
over de rode ruwte
van de baksteenmuur

 
 

 
 

IV

 

de zonnestralen
scheppen licht in de kamer
en tonen het stof
 
 
één korte poot
brengt alles op de tafel
aan het wankelen
 
 
wat een lichtgewicht,
die beschuit, en daarbij zo’n
herrie aan tafel
 
 
het ei danst vrolijk
in de pan, zonder zorgen
over het ontbijt
 
 
onvermijdelijk
wordt ook het verste brood ooit
droog en beschimmeld

 
 

 
 

V

 

flinterdun papier
die japanse houtsnede
maar wat een indruk!
 
 
het openvallen
de geur van papier en lijm
de diepzwarte druk
 
 
bladen langs de duim
glijvlucht door het alfabet
op weg naar het woord
 
 
het penseel levert
een fraaie streek wanneer je
meegaat met het haar
 
 
in de nieuwe bieb
ruggen achter computers
verweesde boeken
 
 
armen in de lucht
honderdtwintig decibel
het grasveld geplet
 
 
in het oranje
op de foto met hemzelf
uitzinnig juichend
 
 
de hand heft de stok
longen verzamelen lucht
openingsakkoord
 
 
de harmonica
jammert haar schrijnende zang
met blikken tongen
 
 
fado uit een raam
o, en die etensgeuren
beide vervliegen
 
 
mariakapel
gloed van honderden kaarsen
slaat in je gezicht

 
2016