Geen nieuws

Postmen from more than 100 Years Ago (14)

 

Sjolem Aleichem

 

1

My dear friend Jisrolik,

Een gelukkig nieuwjaar voor jou en je wife en je children, mogen jullie en kol Jisroël allright zijn, amen.

Wij hebben veel trouble omdat jij ons geen letters schrijft, want sinds bij jullie de revolution met de constitution en met de massacres begonnen is lopen wij hier disappointed rond, echt met onze ziel onder onze arm. Als wat onze papers schrijven geen bluff is, hebben ze bij jullie al een halve wereld naar de verdoemenis moeten helpen. Iedere dag horen we van jullie een nieuwe sensation. Gisteren heb ik een cable gelezen dat ze Mister Krushevan, de president van de vierde Doema, opgehangen hebben – schrijf me of dat waar is. En je moet me schrijven over je business, of je in een shop werkt of dat je eigen boss bent. En hoe gaat het met je Channe-Rikel? En met Hersjel? En hoe gaat het met mijn cousin Lipe? En met Jossel van Henich? En met Bentsie en Rochel? En Zlatke? En Mottel? En hoe gaat het met de andere operators? En wat denk je van moven naar Amerika? Dat moet je me allemaal schrijven in je letter. En wat moet ik jou over mezelf schrijven, my dear friend? Ik ben allright, en mijn wife is allright, en mijn children zijn allright. Godzijdank maken wij hier allemaal een living. We werken als een paard, maar we maken een living. Geld saven we niet, maar we wonen in twee rooms met een kitchen. We werken de hele dag en ’s avonds gaan we uit voor pleasure of naar een meeting van de socialisten of de zionisten of zelfs naar het Jiddisje theater. Je hele leven wordt verpest, maar we zijn vrij en ik kan member zijn van welke society ik maar wil, en als ik wil word ik citizen en dan kan ik meedoen aan de election. Eén ding missen we wel: thuis. O, wat hebben we een heimwee! Mijn Jenny (ze heet geen Bloeme meer, maar Jenny) geeft me geen moment rust. Ze dringt erop aan dat we naar Russia gaan om de familiegraven te bezoeken. Als je mijn Jenny nu zou zien, zou je haar niet herkennen. Een lady met een hat en met gloves. Ik stuur je hierbij de picture van mijn Jenny en mijn family. Wat zeg je van mijn oudste boy? Dat is Mottel. Mike heet hij nu. Hij is allright. Hij werkt in een factory en verdient tien, twaalf dollar per week. Als hij niet zou gamblen was hij helemaal allright! De tweede, Jack, had eerst werk; nu heeft hij een beetje English geleerd en hij is bookkeeper in een barbershop. De derde deugniet, Benjamin, werkt in een saloon. Hij krijgt geen wages, maar hij brengt soms zes dollar mee naar huis en soms acht. De vierde, dat ventje met de pet, is een echte loafer, wil niet naar school en is dag en nacht een beetje aan het voetballen in de street. De meisjes van me zijn ook allemaal allright. Ze werken in de shoppen en hebben al geld op de bank. Het probleem is dat je ze niet ziet. Ze gaan wannéér ze willen en waarhéén ze willen en met wíe ze willen. Amerika is een vrij land. Je hebt niets te vertellen, zelfs niet over je eigen dochter. Mijn oudste dochter bijvoorbeeld, Chaje heette ze, nu heet ze alweer Francis – wat heb ik daar een job mee gehad! Ze werd verliefd en trouwde zonder mijn medeweten met een stomme boy van het gilde van de pickpockets. Hij was uit het house of refuge gevlucht en vertelde haar dat hij een bekende clothing manufacturer was en een real estate-man. Uiteindelijk bleek hij een bigamist te zijn. Hij had alles bij elkaar drie niet-gescheiden vrouwen! Het heeft me genoeg trouble gekost om van hem af te komen. Nu is ze getrouwd met een pushcart peddler en ze is allright. Mijn andere dochters zijn het huis nog niet uit en als ze dat willen, zullen ze mijn toestemming niet vragen. Amerika is een vrij land, iedereen attendet zijn eigen business zoals hij dat wil – en that’s all! My dear friend, ik heb je geschreven hoe het met mij gaat en schrijf jij mij alsjeblieft een letter terug om te vertellen hoe het met jou gaat. En doe iedereen de hartelijke groeten en ik wens jullie nogmaals een gelukkig nieuwjaar. Good bye!

Je best friend,

Jacob (vroeger Jenkel).

2

Beste Jenkel,

Ik heb je nieuwjaarsbrief nog net poloetsjet voor Rosjesjone, en veel dank voor die hartelijke brief, en ik wens jou ook het beste voor het nieuwe jaar. God geve dat we elkaar met een opgewekt gemoed mogen zien, amen. Nu zal ik antwoorden op je brief. Het is al mooi dat je me eens in de twee jaar een nieuwjaarsbriefje schrijft, maar schrijf dan tenminste als een mentsj! Hoe moet ik in ’s hemelsnaam weten wat woorden betekenen als letter, paper, picture en bluff? Je wilt dat ik je uitvoerig schrijf. Maar wat moet ik je schrijven? Er is helemaal geen nieuws. Er heerst nu God zij dank blagopoloetsjnje bij ons. De rijken gaat het goed, zoals altijd, en de armen sterven van de honger, zoals overal. Wij ambachtslieden zitten zonder werk. Voor één ding worden we, God verhoede, gespaard: voor een pogrom. We zijn helemaal niet bang meer voor een pogrom. Want dat is al gebeurd, twee keer – dat is iets wat alleen in Kisjinjov gebeuren kan. De pogrom kwam bij ons zelfs een beetje laat, maar wij hadden er wel een met alles erop en eraan. Kortom: ik wil en kan je niets schrijven. Ik kan je maar één ding zeggen, beste Jenkel: ik leef! Ik heb de engel des doods driemaal gezien – maar niets aan de hand! Wat zoals Getsie de kleermaker zegt – ken je die nog? “Wie door een natuurramp en wie door een epidemie – als je voorbestemd bent om te lijden, spaart God je leven…” Ik had alleen te doen met mijn vrouw en mijn kinderen en ik heb ze naar de duivel gestuurd, ze zijn mooi ondergedoken bij een goede goj op zolder en hebben daar in alle eer en deugd twee dagen en twee nachten gezeten, godbetert niets gegeten en gedronken, niet geslapen en pas laat op de derde dag, toen er niemand meer was om te beroven of te slaan, was het bij ons weer blagopoloetsjnje, God zij dank; langzamerhand kwamen ze allemaal in vrede van de zolders naar beneden en van onze semeistvo heeft God zij dank niemand geleden, behalve Liepe, die vermoord is met haar twee zoons, Nojech en Melech – twee werkers met gouden handen en behalve Moisje-Hersj, die ze, neem me niet kwalijk dat ik het zeg, die ze van zolder gehaald hebben, en Perel Dwoire hebben ze later dood gevonden, daar in de kelder, en dat kindje van haar (Reejzele) vonden ze aan haar borst… De kleine kinderen meegerekend zijn er van onze semeistvo bij elkaar zeven vermoord… Maar zoals Getsie zegt: “Je moet de goede kant zien: het kan nog erger; té is nooit goed…” Je vroeg hoe het met Hersjel gaat. Maak je niet bezorgd. Die zit al meer dan een half jaar moederziel alleen in de gevangenis. Waarom? Waarschijnlijk omdat hij ergens zijn neus in gestoken heeft… Waarschijnlijk hebben ze nog iets moois in petto voor hem: of hij krijgt de strop, of hij komt voor het vuurpeloton; het is maar hoe het uitvalt, want het is met alles zoals Getsie zegt een kwestie van geluk. Zo is Henichs zoon Jossel gestorven nog vóór ze hem naar de gevangenis brachten… Verder heb ik geen nieuws om je te schrijven. Maar je vraagt helemaal niet naar Leejb, de zoon van Nechemië de timmerman. Ken je die nog? Dat was een absolute nul. “Lijpe kachelpijp” noemden ze hem. Die zit nu als een graaf in de vesting van Petropavlovsk. Maar weet je met wie ik wel medelijden heb? Met Zlatke. Ze zeggen dat zij een harde klap gekregen heeft… In één week eventjes twee kinderen verloren! En Avraham, de zoon van Moisje, is nu vast al in Amerika. Als je die ziet, doe hem dan de groeten en zeg dat zijn vader een molodjets, een beste kerel is: hij is nog voor de constitutie gestorven! En onze Mottel is gewoon verdwenen, we weten niet waar hij is… Zo zijn er veel istsjenoetj geraakt, we weten niet waar hun stoffelijk overschot terechtgekomen is… Veel zijn er kapotgegaan, veel zijn er vermoord en veel rusten er uit in de gevangenissen, zwerven door de sneeuw van Siberië, verrichten dwangarbeid – maar onder wiens leiding? Die jongens zijn definitief in verzet gegaan: de constitutie of niets! Maar dat wil er bij ons ambachtslieden niet in; Getsie zegt dan ook: “Noch je honing, noch je steek – bespaar me je attenties…” Een vreemde man, die Getsie: zijn ene zoon hebben ze gedood in de oorlog en zijn andere moet zitten; hijzelf heeft al genoeg ellende, maar als het om een gezegde of een bijbelvers gaat, vaart de duivel in hem! En verder is er geen nieuws. God zij dank is er blagopoloetsjnje, en we zijn God zij gezegend allemaal heel gezond, alleen heeft mijn Channe-Rikel hartklachten… Het is geen kleinigheid, de angst die je hier voelt voor de onteigeningen. Daar weet je waarschijnlijk het fijne niet van? Dat zal ik je uitleggen. Ze komen bij je thuis met een kant-en-klare bom, niet gevuld met matsemeel, maar met springstof en spijkers, en ze zeggen: “Roeki werch!” (Getsie noemt dat: “Hef uw handen!”), en ze trekken je je jas uit en pakken alles wat je hebt – en je staat erbij en je kijkt ernaar! Kortgeleden kwamen hier twee van die lui, zeiden dat bijbelvers en pakten mijn naaimachine. Ik had ook nog een koe, maar die ging vanzelf dood. En mijn Brooche is nog armer dan ze al was, en Alter gaat ook al die kant uit, en Leejzer hebben ze niet zo lang geleden gedeporteerd omdat hij geen verblijfsvergunning had. Eigen schuld: moest hij maar geen leraar aan een cheejder zijn! En Mendel heeft ook iets moois laten zien: hij heeft het voor elkaar gekregen om dood te gaan, volgens sommigen aan de tering, volgens anderen van de honger, en ik denk aan allebei… En Benjamins zoon is in dienst, en bij ons praten ze volop over de cholera. Dat ontbrak er nog maar aan! Maar verder heb ik je niets nieuws te schrijven. En wat betreft jouw Bloeme, of hoe ze tegenwoordig heet, Jenny, die de familiegraven wil bezoeken: dit is niet het moment, Jenkel! Stel dat uit tot volgend jaar, als God het wil, dan wordt het bij ons wat rustiger, dan slaan ze elkaar niet meer dood, als jullie dan komen, gaan we, als God het wil, samen naar de begraafplaats – we hebben daar, God zij gezegend, aardig wat vrienden bij gekregen, om van kennissen niet te spreken; en er komen er iedere dag nog bij! Verder is er geen nieuws. Blijf gezond en doe iedereen de heel hartelijke groeten. Ik ga niet naar Amerika. Ik voel niets voor dat Amerika van jou. Een land waar een krant een paper heet, waar Bloeme Jenny wordt, en waar een man drie vrouwen heeft – uit zo’n land, neem me niet kwalijk, ga je hard hollend weg! Uit je brief maak ik op: als wij hier de grondwet hebben die we bedoelen, hebben we Amerika helemaal niet meer nodig. Dan hebben we hier een beter Amerika dan jullie daar… Maar maak je niet druk, Jenkel: voor mij een stuk goud en ellende voor Kroesjevan, wat zullen we dan voor een grondwet hebben, als God het wil! Laten we hopen dat God ons een goed jaar gunt, ons hier en jullie daar!

Je vriend Jisroël.

 

gelukkig nieuwjaar, Rosjesjone: joods nieuwjaar.

de revolution: de Russische revolutie van 1905.

poloetsjet (Russisch): ontvangen.

Kroesjevan (Krushevan), Pavel Aleksandrovitsj: Russisch politicus, van 1907 tot zijn dood in 1909 afgevaardigde voor Kisjinjov in de Doema (het Russische parlement), berucht om zijn antisemitisme.

Kisjinjov: stad in Oekraïne, waar in 1903 een groot en in 1905 een kleiner pogrom plaatsvond.

“Wie door een natuurramp en wie door een epidemie”: uit een gebed van Rosj Hasjana, over God, die bepaalt wie blijft leven en wie sterft.

grondwet: de nieuwe Russische grondwet van 1906.

mentsj (Jiddisj): een volwassen mens met verantwoordelijkheidsgevoel.

blagopoloetsnje (Russisch): welvaart, welzijn.

semeistvo (Russisch): familie, gezin.

istsjenoetj (Russisch): verdwijnen.

Roeki werch! (Russisch): Handen omhoog!

“Noch je honing, noch je steek”: uit midrasj (commentaar op een bijbelpassage) Numeri Rabba XX:10.

cheejder: religieuze lagere school.

Niesjto keejn najes. Uit: Alle Werk 22: 141-147. Sjolem Aleichem Folks-Fond Oisgabe, New York, 1921.