Flora

Mosin-Nagant-9130-1024x652

 

Der Nister

 

1

Hier begin ik mijn dagboek:

Dag … Maand … Jaar …

Lieve papa, binnenkort ben je er alweer een jaar niet meer, jij, mijn trots en mijn eer, mijn hartsvriend en mijn opvoeder, onder wiens beschermende vleugels ik op de wereld gekomen en opgegroeid ben, zonder mijn moeder, die ik nauwelijks gekend heb. Jij, de bekende dokter bij ons in de Pools-joodse stad en de omgeving, die meer dan als arts bekend stond als de organisator met de schoonste handen en de eerlijkste bedoelingen; jij, voor wie iedere keer als je met mij de stad inging, de kinderen eerbiedig opzijgingen, net als de ouderen die je tegemoet kwamen; jij, die bij jong en oud blijkbaar vooral naam had gemaakt als als organisator op het gebied van het onderwijs, waarvan je hield en waaraan je al je vrije tijd gaf met de grote toewijding die je opbracht.

Jij was de vader en de mentor van het joodse schoolwezen, dat door de Poolse staat niet gezien werd als iets wat aandacht nodig had. Jij en een paar nationaal denkende geestverwanten zagen zich gedwongen om daarvoor het nodige te organiseren: een eigen volksfonds, een eigen lerarencorps en eigen gebouwen, en jullie hadden de ambitie om te laten zien dat het joodse onderwijs dat jullie propageerden niet hoefde onder te doen voor het onderwijs dat de staat wél ter harte ging.

Dat had succes en tot jullie voldoening konden jullie zien hoe jullie eigen kinderen naar dezelfde school gingen als de volkskinderen, zonder een scheiding door taal en gewoonten, anders dan bij sommige andere hoogopgeleide filantropen die dergelijke onderwijsinstellingen voor het volk organiseerden, maar zich gewoon niet konden voorstellen dat hun eigen mensen daar gebruik van zouden maken…

Ook al was je rijk en vertrouwde je mij van jongs af aan toe aan zorgvuldig geselecteerde kindermeisjes en daarna aan buitenlandse gouvernantes om vreemde talen te leren, toen de tijd kwam dat ik naar school moest aarzelde je geen moment om mij naar een van de door jullie opgerichte scholen met hun eigen methodes en leermiddelen te sturen, omdat ze zogenaamd niet geschikt voor mij zouden zijn. Nee, integendeel: ik zag hoe graag je altijd uitgenodigd werd bij de overgangsexamens van de leerlingen en dan zag dat alle kinderen in een jaar tijd vooruitgegaan waren, net als ikzelf, je enige kind, waarvan je zoveel hield.

Wat me vooral is bijgebleven is de laatste keer dat je bij de eindexamens was, toen ik afscheid van de school moest nemen en toen je met het oog op het feestelijke bal dat bij die gelegenheid georganiseerd zou worden, een jurk voor me liet naaien, al iets langer dan ik tot dan toe als scholier gedragen had, van witte zij met een ceintuur van dezelfde stof, die op de rug gestrikt was en waarvan de uiteinden afhingen tot op de zoom van de jurk.

Toen ik als jouw grote dochter, die al wat te veel was opgeschoten op haar “lange spillebenen”, zoals je een keer voor de grap over me zei toen je me bekeek, toen ik in de speciaal voor die gelegenheid genaaide jurk, bij de inzet van de muziek in de grote feestzaal met mijn danspartner vooraan in de rij de eerste danspassen maakte en zag hoe alle genodigde ouders samen met de leraren en het huishoudelijk personeel aan de kant van de zaal gingen staan om plaats te maken voor de mannen, zag ik ook hoe jij als altijd onopvallend tussen de mensen stond en naar me keek, maar deed of je niet keek, alsof je bang was dat het boze oog me ongeluk zou brengen.

Ik kon toen goed dansen en mijn eerste partner en ik – mijn hand op zijn rug en zijn hand op de mijne, licht gearmd en luchtig-opgewekt, raakten het glanzend gepolitoerde parket nauwelijks en voelden het haast niet onder onze voeten; we droegen elkaar toen als de wind en wisselden ook een tijdje van danspartner wanneer dat moest, we dansten nu eens met de gezichten en dan weer met de ruggen naar elkaar en omarmden elkaar dan weer zoals de etiquette wilde, tot uiteindelijk alle paren zich in een kring lieten gaan in een duizelingwekkende galop langs het achteruitwijkende publiek, dat aan de kant bleef staan en de dans tevreden bekeek.

Toen de eerste ronde voorbij was en alle dansers blozend en verhit voor een korte pauze naar hun ouders gingen, die aan de kant stonden te wachten om hen aan te moedigen en te complimenteren en die nu eens met een liefdevolle hand het zweet van het voorhoofd van hun kinderen wisten en dan weer volstonden met een vriendelijk woord, toen ging ik ook naar jou, papa, als jouw al zo grote dochter met de lange spillebenen, die gelukkig was dat je zo bescheiden tussen de mensen stond na mijn eerste, duizelingwekkende succes in de dans, waarna ik geen vermoeidheid voelde, maar alleen dorst en de behoefte meteen door te gaan met de tweede ronde…

Ik zag dat ik succes had bij iedereen die me had zien dansen en ook bij jou, ja, bij jou, al wilde je uit angst voor het boze oog niet naar me kijken… Ik wilde heel dicht bij je zijn, als een kind bij haar vader, haar geliefde vader, terwijl jij, bescheiden als altijd, me niet te dichtbij wilde laten komen, al zag ik best dat je mij op een afstand hield, terwijl je me eigenlijk heel dicht bij je wilde hebben, net als ik jou.

Toen ik voor de tweede dans gevraagd werd, liet je me meteen zonder morren gaan, al had je me graag wat langer bij je gehouden.

Ik ging weg en danste verder, de ene dans na de andere, zodra de muziek begon en er jongens waren die mij ten dans vroegen, en ik moet zeggen dat er die hele avond genoeg belangstelling was, praktisch tot de laatste dans.

En toen de avond afgelopen was en toen we op dat late uur naar huis gingen, ik met een hoofd vol meisjesdromen van een duizelingwekkend succes en jij na je successen als vader en organisator, die van je gezicht af te lezen waren, toen we thuiskwamen en naar onze kamers gingen, ik naar de mijne en jij naar de jouwe, en toen ik op mijn kamer aanstalten maakte om me uit te kleden en naar bed te gaan, al een beetje moe en uitgeput door het dronken makende bal en ook een beetje treurig, omdat dit toch de dag was dat ik mijn jeugdige zorgeloosheid moest verwisselen voor de ernst van het leven en afscheid moest nemen van mijn geliefde schoolbank met alles wat daaraan verbonden was, toen klopte je plotseling zachtjes bij me aan de deur om me bij je te roepen. Wat er was? Je had iets voor me…

Klaarwakker opeens en niet meer afwezig zoals daarnet, toen ik me uit zou gaan kleden, ging ik naar je toe, verwonderd en niet begrijpend waarom je me zo laat riep en wat je me nu moest geven, waar je eerst geen tijd voor had gehad. Je ging toen naar je bureau, trok een la open die waarschijnlijk altijd op slot was, haalde een soort sieradendoos tevoorschijn, maakte die open en nam er een gouden ring uit, antiek, mooi gemaakt, met in het midden een kostbare steen, geslepen in de vorm van een davidster, die mooi in de gouden ring gevat was, en terwijl je me die gaf, zei je:

‘Dit heb ik lang voor je bewaard… Deze ring is een erfstuk van mijn moeder, van mijn oma en hij gaat terug tot tijden waar ik geen herinnering aan heb… Hij was trouwens,’ zei je erbij, ‘een cadeau van een verre voorouder van je, die ook dokter was, in de tijd van Menasse Ben Israël; hij was geboren in Padua in Italië, emigreerde later naar Engeland en ging vandaar via Nederland en Duitsland naar Polen, waar hij een betrekking kreeg als lijfarts aan het koninklijke hof… Hij liet een Sejfer Harefoeës na,’ vertelde je, ‘en zijn familie herinnerde zich hem als een moreel hoogstaande man, die de verleiding weerstond toen ze hem eervolle staatsfuncties aanboden, op voorwaarde dat hij zich bekeerde tot het christendom… Hij weigerde en na die test kreeg hij des te meer respect en hij werd beloond en een van de vele cadeaus was deze ring, die met het oog op het joodse embleem speciaal bij een joodse goudsmid besteld was.

Het is misschien een beetje erg romantisch,’ zei je met een verlegen glimlach, ‘maar dat geeft niet… Neem hem, draag hem in gezondheid en waardigheid, zoals je grootmoeders en overgrootmoeders hem in het grijze verleden gedragen hebben.

Daarmee,’ voegde je eraan toe, en je stem klonk al een beetje plechtig, ‘zorg ik dat je om zo te zeggen verloofd bent met je verleden, en met de toekomst, meisje, zal een andere man je verloven.’
 

***

Dag … Maand … Jaar …

Ach lieve papa, hoe lang geleden is dit allemaal en hoe lang is het al voorgoed voorbij?

Hier moet ik denken aan onze moire, de leraar Hebreeuws, die speciaal voor onze school helemaal uit Palestina gehaald was: de al wat oudere man, die er helemaal niet joods, maar Arabisch uitzag, met meer grijze dan zwarte haren, waarvan de grijheid niet opviel boven de diepbruine huid van zijn gezicht, voorhoofd en handen en boven zijn heldere, oosterse ogen met hun glans… Die moire met zijn zachte, katachtige manier van lopen, die aan zijn schone, bruine blote bruine voeten altijd sandalen zonder sokken droeg, die je je niet in Europese kleren voor kon stellen en die als een oosterling met gekruiste benen op de grond zat… Hij had niet veel nodig, omdat hij vegetariër was en buiten de lesuren kon je hem altijd in gedachten verzonken zien wandelen in de stad of daarbuiten, in de frisse lucht en in de zon, en dan had hij zijn eten – gedroogde vruchten – in zijn zak en behalve dat “eten” ontbrak in zijn zak ook nooit zijn allerliefste bezit, zijn zakbijbel…

Die enthousiaste liefhebber van profetische teksten had iets van een kind en ook wel van een profeet; op een keer liet hij zich zo meeslepen dat hij voor de klas dat boek tevoorschijn dat voor hem het allerbelangrijkste in het leven was en zei:

‘Kijk eens, jongens, meer dan dat het volk het boek bewaard heeft, heeft het boek het volk bewaard…’

Die moire zie ik nu nog achter zijn lessenaar staan, waar hij in een les bepaalde verzen citeert uit de aanklacht en vervloeking van een profeet, uit de Klaagliederen:

Asjer tipachti veribiti oibi kilam, De kinderen die ik baarde en grootbracht, worden door mijn vijand gedood…’

Heveta jom karata vejihejoe kamoni, De dag die u had bepaald, brak aan. – Laat hen nu delen in mijn lot!’

 

***

Lieve papa, ik wil me herinneren wat er gebeurde na hun komst, na de rooftochten en moordpartijen van de eerste dagen onder de joodse bevolking, die zich meteen verslagen voelde, buiten de wet gesteld en als zwerfhonden overgeleverd aan de hondenmepper; al gauw verscheen in de stad de Gebietskommissar, een zekere Von Lemke, die vanuit onze stad de hele regio bestuurde als een gebied onder zijn heerschappij.

Later had ik de “eer” met hem kennis te maken; hij was al wat ouder, boven de vijftig, en een typisch voorbeeld van een Pruisische jonker met een kaarsrechte rug, blijkbaar een erfenis van de militaire dril uit de tijd van Frederik de Grote of misschien nog veel ouder, uit de tijd van Barbarossa. Verder kwam hij blijkbaar uit een rijke kliek, die hem in staat had gesteld te studeren aan een hogeschool of universiteit en die misschien af te maken, wat te zien was aan de opvallende, een beetje lichtbruine schram op zijn gezicht, het overblijfsel van een degengevecht, een traditie bij de zuiplappen van dergelijke studentencorpora.

Kortom: zowel als militair geschoolde als hochgebildete persoon was hij geknipt als bestuurder en provinciaal heerser.

En direct na zijn komst in de stad werd jij, papa, bij hem geroepen, want hij was getipt door bepaalde “informanten” en trejfe verklikkers in de stad, die de bezetter daarvoor al in het geheim in de stad geïnstalleerd had of door mensen die nog maar net voor de bezetter werkten en hen al geïnformeerd hadden bij wie ze moesten zijn.

Ze hadden jou aanbevolen als de man met het meeste aanzien onder de joodse bevolking, die groot vertrouwen in je had.

En toen je verscheen voor de man die je uitgenodigd had, deed die je meteen een voorstel dat je natuurlijk graag als immoreel had afgewezen, maar omdat je geen keus had moest je er wel op ingaan en je nek buigen onder het verafschuwde juk.

Herr Doktor, volgens informatie die wij uit betrouwbare bron verkregen hebben bent u de meest gerespecteerde persoon van uw stam, iemand op wie niet alleen wij als het gezag, maar ook uw mensen kunnen vertrouwen, en daarom vonden wij uw kandidatuur de meest passende om volmachten te verlenen in een eminente leidende functie… Wij hebben besloten een orgaan in het leven te roepen dat de betrekkingen moet reguleren tussen ons als autoriteiten en uw bevolking, en u, en u willen we kiezen als vertegenwoordiger, als bemiddelaar.’

‘Mij?’ vroeg je. Waarom jou? Je had het al zo druk met je werk en je wist dat je tijd en ook talent tekort zou komen om zo’n functie te bekleden waar je geen ervaring mee had.

‘We dwingen u niet, we doen u alleen maar een voorstel, en als u, Herr Doktor, het zonder meer een goede zaak vindt dat de leiding over uw mensen in onbekwame en ongewenste handen komt, dan is dat uw keus, zoals u wel zult begrijpen.’

Alleen al de uitnodiging die je overhandigd werd door die twee soldaten in hun groene uniformjassen met die speciale onderscheidingstekens: doodskoppen en knekels; alleen al de aankomst in het gebouw waar de Kommissar zat, waar je weer zo’n soldaat moest passeren die gewapend was met een geweer en nog meer: met koude, doordringende blikken; dan je eigenlijke binnenkomst bij de Kommissar, die eerst deed of hij je niet zag en je een tijdje liet staan, en die nauwelijks reageerde op jouw groet, alsof hij niet kon praten; en vervolgens, toen je dacht aan de eerste fraaie acties van de bezetter, al direct bij zijn komst in de stad, door dat alles wist je precies met wie je te maken had, dat niemand hier iets goeds verwachten kon, en dat wij een heel speciale behandeling zouden krijgen; je begreep dat heel goed; wat je zo tegenstond moest je wel aannemen, want als jij het niet deed, waren er altijd wel bepaalde figuren die in staat waren de noodsituatie voor eigen gewin te gebruiken.

Met een haastig ‘Zum Wiedersehen’ nam de Gebietskommissar afscheid van je, even kil als met het “welkom”, waarbij hij zijn mond niet had opengedaan – direct nadat jij al als vertegenwoordiger het recht had menen te hebben de eerste zogeheten excessen aan de orde te moeten stellen die de militairen bij hun komst in de stad tegenover de joodse bevolking hadden begaan, waarbij iedereen had gezien dat de militairen geen remmingen kenden en met ons konden doen wat ze wilden, wat nog maar een onschuldig begin was geweest van hun latere daden.

Zum Wiedersehen, Herr Doktor, daar hebben we nu geen tijd voor… Dat is overigens wel een kwestie die we om zo te zeggen niet uit de weg gaan en waaraan vast en zeker ongedisciplineerde, onverantwoordelijke elementen schuldig zijn.’

Ze hadden je moeten zien toen je thuiskwam van de Kommissar, na je eerste bezoek aan die man. Je leek wel een stukje kleiner geworden… Ik had je ook nog nooit zo bleek gezien en ik had gezworen dat het de eerste keer was dat ik je zag met een das die niet goed zat, en ik weet niet of je zo van huis was gegaan of dat je daar zo vandaan kwam: je kwam daar toch al vandaan als gevolmachtigd vertegenwoordiger van de later zo met hoon en schande overladen “Joodse Raad” onzaliger nagedachtenis.

En hier begon iets wat ik niet over mijn lippen kan krijgen en niet op papier kan zetten, omdat het al genoeg is dat ik er zelf levend getuige van ben geweest, iets wat geen mens zich tot gisteren ook maar had kunnen voorstellen en wat je zelfs bij de grootste barbaren niet had kunnen meemaken.

En jij, papa, moest dat allemaal uitvoeren: het ging allemaal door jouw handen, jouw arme hand moest al die verordeningen ondertekenen en jouw arme ogen zagen je naast de anderen staan, verenigd in wreedheid… Ik weet natuurlijk dat je het goed bedoelde, dat wil zeggen dat je erger wilde voorkomen, omdat je rekening hield met het onvermijdelijke en hoopte op een ingeving waardoor je het slechte kon afzwakken en binnen de perken houden.

Ja, maar… Toen het nog alleen nog om “lapwerk” en om “getto” ging en om het opeengepakte, vernederende bestaan van een soort melaatsen achter een schutting, toen er nog geen sprake was van openlijke moord, van het uitleveren van meisjes die te schande gemaakt zouden worden of van pogingen om te zorgen dat ze dat uit zichzelf deden… Toen het om zo te zeggen nog half te verdragen was, waren er al mensen die openlijk, maar vaker stiekem begonnen te fluisteren over jouw schuld, omdat ze in jouw gedwongen handelen tegenover hun mensen alleen jouw eigenbelang zagen.

Zo stonden de zaken ervoor toen je ze, zoals gezegd, nog in woorden kon vatten. Maar later, toen de wreedheid alle perken te buiten ging en als een vloedgolf alles overspoelde in de vorm van de beruchte Aktionen, begeleid door de huichelachtige garanties van de bezetters in hun openbare Appelle dat het niet meer voor zou komen en dat het gebeurde veroorzaakt was door die en die incidenten en dat de schuld zogenaamd bij de slachtoffers zelf lag, die dat allemaal maar slaafs moesten geloven.

Toen hield je het niet meer uit en je zei tegen jezelf: nu is het genoeg. Al je illusies over het beheersen van het onbeheersbare waren verdwenen, en als je toen nog langer gebleven was op die vervloekte en jou opgedrongen post, was dat pas echt verraad geweest van een soort waartoe alleen mensen in staat waren die er niet voor terugdeinsden een heel volk op te offeren voor hun eigen lijfsbehoud.

Toen je in die tijd een keer thuiskwam van je werk, riep je me weer bij je in je kamer, en met een gezicht alsof je iets heel ergs zou overkomen zei je: ‘Meisje…’ En na dat woord kon je niet verder. Je stamelde, alsof je je eigen mond niet onder controle had, en toen je wat gekalmeerd was zei je:

‘Luister eens: ik heb besloten met dat werk te stoppen, wat er ook gebeurt, wat de gevolgen ook zijn… Begrijp je, meisje…’

‘Ik begrijp het,’ zei ik, al wist ik niet precies wat je bedoelde met het woord “gevolgen”. ‘Wat bedoel je, papa?’ vroeg ik.

‘Ik bedoel: door mijn contact met die mensen hoor ik toevallig wel eens directe of indirecte toespelingen waardoor ik er vast van overtuigd ben dat er ergens in de allerhoogste kringen een geheime overeenkomst is gesloten om vroeg of laat, hoe dan ook, tot de laatste man met ons af te rekenen…

Ik mag daar niet blijven, ik mag bij niemand hoop wekken, ik moet weg,’ zei je, ‘en dat betekent insubordinatie. Zo zullen ze het opvatten, en dat kan vreselijke gevolgen hebben. Daar is niets aan te doen… En begrijp wel,’ vervolgde je na een korte pauze, ‘dat je misschien al gauw alleen zult zijn, dus weet wat je te doen staat. In het verzet gaan! Redding is hier voorlopig nog niet in zicht. Ik zie maar één uitweg: hier weg en daarheen.’ Je keerde je gezicht opeens in de richting van de oostgrens van ons land, alsof je vandaar de enig mogelijke redding verwachtte.

‘Ik weet,’ voegde je er zacht, peinzend en vertrouwelijk aan toe, ‘uit de geheime berichten die ik als functionaris gekregen heb, dat er in de bossen hier in de omtrek mensen bij elkaar komen om in het verzet te gaan en dat iedereen die verontwaardigd is over wat de bezetters hem hebben aangedaan en in staat is om te vechten daarheen gaat…

Ik weet ook,’ vervolgde je, ‘dat die weg vol gevaren is: je moet eerst ontsnappen aan de bezetters en daarna het verzet zien te bereiken. Maar ik weet ook, weer uit geheime informatie op mijn werk, dat er zelfs hier bij ons in de stad al mensen zijn die anderen helpen om daarheen te gaan… Die mensen moet je zien te vinden… Mij lukt dat niet meer, want ik ben te oud en te bekend en velen zouden moeten lijden als ik gepakt werd. Maar jij moet erover denken, als je alleen komt te staan.’

Toen ging je weer net als die ene keer naar je bureau, maakte de la weer open die altijd op slot zat en haalde er iets uit, alleen was het deze keer niet voor mij bestemd, maar voor jouzelf, voor voor eigen gebruik… Ik had gezworen dat het iets uit de apotheek was, een soort medicijn in poedervorm, dat je haastig in je vestzakje stak, opdat ik het niet zou zien… En je haalde nog iets uit de la, het leek me een soort scheermesje, zoals gebruikelijk in papier verpakt.

Al de tijd dat je met die dingen uit de la bezig was keek je me niet aan. Zoals je me ook niet aangekeken had toen je de richting aangaf die ik in moest slaan, waarbij je woorden gebruikte als “strijd” en “verzet”, die volgens mij nog nooit in jouw woordenboek waren voorgekomen. En het was ook wel begrijpelijk waarom: jij, die eigenlijk geen politicus was en soms wel en soms niet iets zag in onze volgens mij te slap aangedraaide Volkspartij, en die nooit meer deed dan misschien een keer gaan stemmen, jij gebruikte hier woorden die niet bij je pasten en die ik niet van je gewend was.

Maar dat was niet het belangrijkste. Het belangrijkste was dat ik, niet wetend dat ik je voor het laatst in mijn en jouw leven zag, niet lette op de diepe ernst van wat je zei en niet begreep waarom het ging.

Ik zocht niets achter de medicijn die je uit de la haalde en in je vestzakje stak, want ik dacht dat het een poeder was tegen de hoofdpijn, waar je de laatste tijd dat je het zo druk had met je werk, zo’n last van had en waar je ook vaak over klaagde.

Ik zocht er ook niet veel achter, toen je me die keer gedag zei bij het weggaan, toen je naar me toe boog om me een kus op mijn voorhoofd te geven, wat niet ongewoon en nieuw was; wel nieuw en ongewoon was dat je mond bij het kussen iets langer treuzelde, alsof je even, heel even alles wilde vergeten, maar toch langer dan nodig was…

Toen je wegging en ik met je meeliep, zocht ik er ook niets achter toen je de deur na het opentrekken en het naar buiten stappen iets minder snel dichtdeed, alsof je weer in gedachten was of me nog iets te zeggen had, wat vroeger nooit gebeurde; je hield de deur heel even open en keek me een beetje verlegen aan.

Kortom: veel ontging me op dat moment… Ik wist niet dat je toen al naar de Gebietskommissar ging, vastbesloten om je ontslag aan te bieden, afstand te doen van je functie en je in geen geval te laten overhalen om te blijven, waarbij je op alles voorbereid was en wist wat de gevolgen van zo’n ontslag konden zijn.

En inderdaad: al was niemand bij dat gesprek van jou met de Gebietskommissar geweest, het resultaat werd direct bekend: je was door een bewaker regelrecht van hem naar de gevangenis gebracht, waar je zoals iedereen uit ervaring wist niet meer uit zou komen, omdat je ter plekke geëlimineerd werd of als veroordeelde naar een ver oord verbannen werd – wat op hetzelfde neerkwam.

 

***

En toen, papa, stond ik er als je dochter moederziel alleen voor…

Ik weet niet waar ik de daadkracht vandaan haalde, uit mijn naïveteit of uit mijn wanhoop; ik weet alleen: wat me in beweging bracht was de wil om jou te redden, de enige die ik had.

Toen ik het nieuws hoorde schreef ik, zonder lang na te denken over wat ik deed en wat de gevolgen konden zijn, meteen een verzoekschrift aan de Gebietskommissar om te vragen of hij mij kon ontvangen. Ik beheerste de taal van de Kommissar goed, alleen wat ik in mijn verzoekschrift schreef en hoe ik mijn verzoek motiveerde herinner ik me niet. Ik weet alleen dat het wonderlijk genoeg niet lang duurde tot ik de mededeling ontving dat mijn verzoek was ingewilligd en dat ik op die en die dag, op dat en dat uur voor zijne excellentie verschijnen kon.

Ik weet niet of hij dacht dat ik jou zou kunnen overtuigen – wat hém niet gelukt was – weer in dienst te treden om zijn plannen dan onder een andere dekmantel ten uitvoer te brengen; ik weet niet of hij dat serieus dacht of er alleen maar plezier in had als despoot op het “moment suprême” te kunnen toekijken hoe na het slachtoffer ook het kind van het slachtoffer voor hem lag te spartelen.

Hoe dan ook, toen het moment was gekomen om voor hem te verschijnen, voelde ik, jong en onervaren als ik was, dat ik iemand alleen maar zou kunnen overtuigen met mijn eigen persoon…

Ik trok de beste en mooiste kleren aan die ik had – op dat moment hadden jij en ik nog meer bezittingen dan anderen, want iedereen was beroofd, terwijl jij door je functie en ik als je kind ontzien waren.

Instinctief vergat ik zelfs niet jouw cadeau mee te nemen, je ring, blijkbaar als een soort talisman, maar vooral met de bijgedachte dat ik er goed uit moest zien.

Ik ging naar het gebouw waar ik ontvangen zou worden en net als jij passeerde ik de wachtpost in zijn groene uniformjas, met zijn geweer in de aanslag en zijn kille, doordringende blik.

Uiteindelijk werd ik binnengelaten bij hem, bij zijne excellentie zelf, die ik aantrof achter zijn bureau, dat schuin in een hoek stond, in het gedempte licht van een raam in de zijmuur.

Net als bij jou deed hij de eerste minuut of ik er niet was, of hij niets gemerkt had van mijn onopvallende binnenkomst met het opengaan van de deur en de eerste passen op het geluiddempende tapijt.

Maar toen hij me daarna wel degelijk zag staan en quasitoevallig opkeek van zijn werk, vroeg hij heel verbaasd, alsof ik een onverwachte, ongevraagde bezoeker was:

Wer sind Sie, Fräulein?’

Stamelend noemde ik mijn naam en ook die van jou, voor wie ik de eer had bij Herr Gebietskommissar ontvangen te worden.

Ach so, de dochter van meneer de voorzitter van de Joodse Raad?’

Jawohl, mein Herr!’

Zo zo, en wat ik te zeggen had om jouw schuld te verlichten, vroeg hij, en als een volwassene die op zijn hurken gaat zitten om een kind in gewone taal toe te spreken, begon hij me uit te leggen waar het hier om ging en wat voor een geweldig onrecht jij begaan had tegenover het gezag, en dat ze met een ander korte metten hadden gemaakt en hem direct hadden gestraft, ter plekke en zonder uitstel, maar tegenover jou nog genade voor recht hadden laten gelden, dat je in de gevangenis tot bezinning kon komen om misschien spijt te krijgen van wat je gedaan had.

Daarom was ik hier eigenlijk ook gekomen: ik wilde Herr Kommissar toestemming vragen om jou te mogen zien en je als je eigen kind helpen tot bezinning te komen en je op het gevaar te wijzen waarvan je misschien niet wist hoe groot het was.

Weer op de toon van een volwassene tegen een kind haalde hij de woorden uit mijn mond, alsof ik zelf niet praten kon, en daarbij stond hij plotseling van zijn zetel op, als man die de middelbare leeftijd al gepasseerd was, een gezet persoon, wiens militaire training nog af te lezen was aan zijn strakke, rechte rug en zijn “stramme” nekpartij als van een wolf, die niet opzij kan kijken. Hij stond op en terwijl hij tegen me bleef praten als tegen een kind, stapte hij welwillend op me af, van achter zijn bureau naar de plaats waar ik stond, als om zijn welwillendheid te tonen en mijn allesbehalve opgewekte stemming te verlichten.

Daarbij legde hij zelfs met een vaderlijk gebaar een hand op mijn schouder en terwijl hij al heel dicht bij me stond, nam hij me van hoofd tot voeten op: mijn lengte, mijn figuur, en dat beslist niet zoals je een kind bekijkt, waardoor ik merkte dat hij even niets te zeggen wist, alsof hij geblokkeerd was en er iets veel belangrijkers dan woorden in zijn keel bleef steken.

Maar al gauw beheerste hij zich en omdat hij begreep hoe groot mijn liefde voor jou was, alleen al door het feit dat ik als een zo jong en onervaren iemand zo’n verantwoordelijke missie ondernam, een zo hooggeplaatst persoon onder ogen kwam en die dacht te kunnen overtuigen, wilde hij blijkbaar gebruik maken van mijn onervarenheid en terwijl hij zijn hand op mijn schouder liet rusten keek hij me ook recht in mijn ogen en begon, half voor de grap, maar meer nog gemeend, op een zakelijke manier met me te onderhandelen:

‘En hoe gaat Fräulein Flora, want zo heet u toch, betalen voor dit vriendelijke gebaar?’

Ik moet bekennen, papa, dat ik toen toch niet zo jong en onervaren was in dergelijke dingen, want ik voelde me onder die erg vervelende hand op mijn schouder een vrouw en besefte ook dat je die wetenschap in bepaalde gevallen goed kon gebruiken.

Dat ik niet jong en onervaren was, bleek echter toen ik op de proef gesteld werd en moest kiezen tussen mezelf en jou, dat wil zeggen ofwel jou, nog steeds mijn enige liefde, de helpende hand bieden en risico’s nemen, al zou er op mij geen smet van onfatsoenlijkheid vallen, ofwel mezelf beschermen en jou niet helpen; voor die keus stond ik; begrijp me goed, papa: zelfs de godin van de kuisheid had me niet verstoten en niet geprotesteerd toen ik de naald van haar wankele weegschaal van deugdzaamheid een tikje liet uitslaan; het was denk ik de eerste keer in mijn leven dat ik koketteerde met mijn vrouwelijkheid en deed of ik me schaamde en ik zag heel goed dat het op die man wel degelijk indruk maakte en hem aan het denken zette: als ik nu al iets van hem gedaan kreeg met alleen de blik van onder mijn neergeslagen wimpers, zou hij me later misschien tegemoetkomen om aan mijn verzoek gehoor te geven.

Mijn blik had effect. Ik zag hoe in de persoon voor wie ik nu stond als jonge, onervaren en weerloze vrouw, iets als was begon te smelten, terwijl hij naar me keek en de ogenschijnlijke toegeeflijkheid bespeurde die hij later van mij kon verwachten.

Neem me niet kwalijk, papa, jij en alle vrome geesten moeten het me niet kwalijk nemen… Maar ik zweer dat het vrouwelijke spel maar een moment duurde, want direct beheerste ik me en riep mezelf tot de orde, uit schaamte, om de talisman en om niet te ver te gaan, waarbij ik jouw cadeau, jouw ring aan mijn vinger voor ogen hield om te beseffen van wie ik die gekregen had en wat je gezegd had toen je hem aan me gaf.

Ik hield mijn hand met de ring iets langer voor mijn ogen en dat beviel die man blijkbaar nog meer; ik weet niet of het alleen mijn hand met de ring was of mijn persoon of mijn gezichtsuitdrukking met de niet-gespeelde schaamte, maar ik zag die man nog verder smelten en met zijn mond vol van iets anders dan woorden zei hij:

‘U kunt krijgen wat u wilt, Fräulein.’

Ondertussen vergat hij niet wie hij was en welke functie hij bekleedde en hij eiste dat ik op je in zou praten om je over te halen terug te keren op je post, en om die reden – de kern van de zaak – kreeg ik bij wijze van hoge uitzondering toestemming om jou in de gevangenis te bezoeken.

Daarbij vergat hij niet me te herinneren aan de toezegging die hij van mij gekregen dacht te hebben, dat ik hem later al mijn schulden “fatsoenlijk” terug zou betalen…

Hij ging in zijn welwillende houding tegenover mij zover, dat hij zelfs boog om mijn hand met de ring te kussen, die ik nog steeds voor mijn ogen hield, maar die kans gaf ik hem natuurlijk niet.

Ik had op een quasikinderlijke manier, maar zeker niet zonder volwassen verstand, heel snel bij hem het nodige gedaan gekregen: het verzoek aan de gevangenisdirecteur mij bij jou toe te laten, en toen ik dat eenmaal in handen had ging ik weg; ik weet niet meer of ik hem wel gedag zei of niet; ik voelde alleen dat hij me begeleidde met een blik in mijn rug, en aan zo’n soort begeleider had ik absoluut geen behoefte meer…

 

***

Lieve papa, diezelfde dag gingen de deuren van de gevangenis voor me open, toen de directeur zag van wie het verzoek afkomstig was… Meteen brachten ze ons bij elkaar en ik kreeg je te zien. Maar het kleine beetje vreugde van het weerzien, al was het dan in de gevangenis, werd meteen bedorven toen je me plompverloren vroeg:

‘Hoe kom jij hier? Wie heeft je toestemming gegeven?’

‘De Gebietskommissar,’ antwoordde ik.

‘De Gebietskommissar? Hoe ben je bij hem terechtgekomen?’

‘Ik kom net bij hem vandaan.’

‘Jíj, bij hém vandaan?’

‘Ja!’

Ik zag hoe de duisternis die je uit de gevangenis meebracht door het laatste woord dat je van mij hoorde voor jou nog dieper werd… Je zweeg een ogenblik. Daarna zei je kort en zonder commentaar:

‘Dat moet je niet meer doen… Jij hoort daar niet.’ En voor zover ik kon zien lag er in je blik de hele tijd een soort onuitgesproken verdenking en er kwam geen ingehouden waarschuwing aan mij over je lippen.

‘Nee,’ zei je nog een keer en nu wel heel kortaf, ‘van die kant hoef je geen gunsten te verwachten…’

‘Maar… Papa!’ liet ik me ontvallen, toen ik je zo zag staan: binnenkort zou je moeilijk te herkennen zijn in andere kleren dan het pak waarin je van huis was gegaan en zonder je eigen schoenen, of zonder schoenen, al voor driekwart veroordeeld en kort voor het vonnis dat aan je voltrokken zou worden.

‘Lieve papa,’ was het enige wat ik uitbracht, omdat ik je niets te zeggen had en alleen maar een klacht kon laten horen.

Ik zag dat praten om te zorgen dat je terugkwam op je besluit geen zin had, want dat stond vast; je wist waar je aan begonnen was en kon niet meer van gedachten veranderen. En eerlijk gezegd, als ze toen míjn mening hadden gevraagd, had ik het ook niet raadzaam gevonden om terug te komen op je besluit…

‘Papa, lieve papa,’ kreunde ik, toen jij me geen troost gaf en geen enkel vooruitzicht, en ik besefte dat jij zelf niet zeker van je zaak was en mocht dat wel zo zijn, dan was je zeker van een slechte afloop en dan zagen wij elkaar nu misschien wel voor het laatst.

Je wendde je hoofd af en wilde me niet aankijken, en toen ik je omarmde en mijn hoofd tegen je borst legde kon je niet anders doen dan hetzelfde: mij omarmen en niet loslaten, en ondertussen zweeg je, verstikt door tranen, die je niet aan het woord lieten komen.

Ik zag dat je heel veel moeite deed om je los te maken uit mijn omhelzing, omdat je voor het naderende afscheid nog tijd wilde hebben om me iets te zeggen.

‘Meisje,’ zei je, ‘maak je om mij geen zorgen. Misschien verandert er voor mij nog iets, misschien ook niet. In ieder geval heb ik mijn leven achter de rug. Maar jij nog niet. Dus zie dat je hier wegkomt en daarheen gaat, zoals ik je gezegd heb. Dat is de enige uitweg.’

Toen kwam de bewaker zeggen dat de bezoektijd om was. En toen omhelsde ik je voor het laatst, als om in je op te gaan en dood of levend aan je borst gedrukt te blijven.

Ze moesten me bijna van je losscheuren om ons uit elkaar te halen, en… dat voorgoed, want de volgende dag wisten anderen al eerder dan ik dat je die nacht niet overleefd had. Je had niet gewacht tot anderen je doodden, maar het zelf gedaan. En je deed het voor jezelf, om zeker te weten dat je van de lijst der levenden geschrapt werd, en waarschijnlijk nog meer voor mij, om te voorkomen dat ik weer op de proef gesteld zou worden en jouw lot op een voor jou ongewenste manier zou verlichten.

Ze kwamen er later achter dat je die nacht iets ingenomen had, en dat was natuurlijk de medicijn die je voor je vertrek van huis uit de la had gehaald, en toen je dacht dat wat je ingenomen had niet snel genoeg zou werken, vond je nog iets wat je meegenomen had om ook nog een ader open te snijden…

En toen ze bij zonsopgang gewekt werden, voelde je buurman op de brits dat hij in een plas lag… Hij werd kwaad op zijn buren, op de man aan de ene kant en op jou aan de andere kant, en zoiets kon onder die omstandigheden onaangenaam worden met die kou, die krappe ruimte enzovoort… Maar toen hij in de ochtendschemering naar je keek en de bleekheid op je gezicht zag, begreep hij direct wat er gebeurd was… Zeker omdat hij wist dat je dokter was en ook wist dat je niet één keer met de anderen over een middel gesproken had; vooral ook omdat hij wist dat je eerder die dag bezoek had gehad van mij, je enige kind, en dat je van dat bezoek nog verslagener was teruggekomen dan je al geweest was, omdat er iets gezegd was waardoor bij de angsten die alle veroordeelden kenden nog een nieuwe angst gekomen was. Dat werd iedereen duidelijk en toen was je er al niet meer…

Jisgadal vejiskadasj sjmej raba zeggen ze, dacht ik, voor een dode.
 

***

Dag … Maand … Jaar …

Lieve papa, ik moet nu weer denken aan de moire, die er helemaal niet joods uitzag maar Arabisch, met zijn flitsende, donkere blik als uit een verre, hete woestijn, zoals hij achter zijn lessenaar stond met in zijn hand de zakbijbel die hij altijd bij zich had en met zijn hoofd op een kinderlijke manier een beetje opzij, en hoe hij met een ongewoon kelige stem en een voor ons vreemde uitspraak las uit het profetische geschrift van de wild-visionaire Ezechiël ben-Boezi Hakohen:

Vaäni al nehar kevar…’

Ik weet niet waar het Kebarkanaal ligt, en of dat nog wel bestaat, of het tweeënhalfduizend jaar later niet is opgedroogd zonder sporen achter te laten, en toch zie ik mezelf daar staan naast de profeet en hoor hem zacht in zijn boze profetenbaard mompelen:

Vaäni betoch hagola –’

‘En ik,’ zegt hij, ‘temidden van de in ballingschap gedrevenen…’

Ja, hij, Ezechiël, tweeënhalfduizend jaar geleden in Babylonische ballingschap, en ik, je dochter, zoveel jaar later hier in het Poolse land, in een veel ergere ballingschap: niet te vergelijken.

Ja, papa, vaäni betoch hagola… Toen jij er niet meer was, raakte ik mijn privileges kwijt als je kind, het kind van een gerespecteerde functionaris; ze zetten me ons huis uit en brachten me onder in een kamertje van drie bij vier: de norm voor alle gettobewoners; ik kwam terecht in een huis, of liever geen huis, maar een hol, een krot, waar je nauwelijks rechtop kon staan en waar zelfs midden op een zonnige dag zelden een sprankje licht doordrong. Ik en veel van die “gelukkigen” leefden daar als kippen in een hok, en wie er in die benauwde rommel ook nog wel bij kon was een arme, oude jood die Hirsjl Sjoester heette en over wie ik een paar woorden wil zeggen, omdat je door hem een beetje een idee kreeg hoe wij eraan toe waren in wat ons zo liefdevol ten deel gevallen was.

De hele dag was hij bezig in een werkplaats waar ze laarzen maakten voor het front. Hij werkte zwijgend, vakkundig en consciëntieus, zelfs al te consciëntieus… Toen de andere werkers hem een keer vroegen:

‘Hirsjl, waarom doe je zo je best? Waarom sloof je je zo uit? En wat maakt het uit als een van die lui, God verhoede, zijn schoenen kwijtraakt of misschien wel zijn voeten? Is dat, God verhoede, jouw probleem?’ Toen gaf hij geen antwoord, alsof hij niets gehoord had en ging onverstoorbaar door met zijn werk, zonder te kijken wie de vraag gesteld had.

Ze stelden ook geen vragen meer. Ze wisten wie hij was, dat hij de hele dag met zijn vak bezig was en dat hij daardoor ’s avonds thuis zichzelf niet meer was. Hij was… de Messias. Dan was hij druk bezig met het instuderen van de rol die hij op zich genomen had… Met zijn neus in de boeken was hij een beetje een geleerde… En een keer vertelde hij dat hij zichzelf als een arme ruiter op een arme ezel naar Jeruzalem had zien rijden; hij deed een stap in de kamer, voorzover de krappe ruimte dat toeliet, om plaats te maken en zichzelf met een ‘Sjolem!’ te begroeten, één keer, twee keer, drie keer, vier keer, terwijl hij de menigte uit Jeruzalem al zag opdringen om hem met een ‘Sjolem!’ te verwelkomen. Een andere keer zag hij, zoals volgens hem in het boek Daniël geschreven stond, zichzelf verschijnen op de wolken hoog in de hemel, waar hij stond met opgeheven hoofd en hevig bevend en in extase met open mond naar zijn eigen schitterende verschijning keek… Hij zag zichzelf ook een keer temidden van melaatsen, zwervers en verdorven vrouwen bij de poorten van Rome, terwijl hijzelf ook melaats was en druk bezig was met zijn wonden, die hij opnieuw moest verbinden, en er was niemand te vinden die ongelukkiger keek dan hij, toen hij op de grond hurkte en met zacht jammerende stem begon te bedelen in de voor hem vreemde taal van Rome, bij alle mensen die Rome in- of uitgingen.

Ja, Hirsjl had gelijk dat hij voor Messias speelde, want bij het zien van wat er om hem heen gebeurde kon en mocht geen gek met een mindere rol genoegen nemen.
 

***

Lieve papa, ik weet dat je er niet meer bent. Maar ik weet ook dat je beter niet had kunnen horen wat ik hier verder te vertellen heb, want je was in opstand gekomen van angst, van schaamte, van verbittering en van verdriet als vader en als mens.

Daarnet hebben ze me geslagen…

‘Wie?’

Die lange ongelikte beer, de opzichter van het arbeidscommando waarvan ik deel uitmaak, die met die zwarte snor, hard als de kaken van een kever, die al te oud is voor het front, maar nog wel “deugt” als opzichter over de vrouwen van ons arbeidscommando; hij moet toezien dat we de kantjes er niet af lopen en zorgen dat wij het quotum halen, of meer, als hij daar zin in heeft. Hij is daartoe gemachtigd en heeft daarvoor niet alleen een Peitsche gekregen, maar ook een geweer, die hij ter plekke mag gebruiken als hij daartoe de behoefte voelt bij het vervullen van zijn plicht als bevelhebber… Hoewel hij al oud is en gebroken door jicht in zijn botten en zijn knieën, beschikt hij zoals gezegd over die zweep en dat geweer en daarbij over een aardige hoeveelheid scheldwoorden als Blutjude en Jude, verrecke, die hij telkens weer gebruikt, en als er een uit is krijgt hij het te pakken en vindt dan dat hij het recht heeft er meteen nog een tweede, derde enzovoort aan toe te voegen… Behalve dat het gezag hem blijkbaar het recht gegeven heeft om zo te werk te gaan, eigent hij zichzelf dat recht ook toe, want hier krijgt hij de kans om zijn woede te uiten over een belediging, een fout van de natuur, die hij vanaf zijn geboorte met zich meedraagt en waaronder hij blijkbaar in stilte lijdt. Het zijn zijn kromme benen, die om de ruimte ertussen in zijn taal O-Beine, o-benen worden genoemd.

Om kort te gaan: die persoon zou niet te verdragen zijn als hij niet twee zwakke kanten had, waardoor je hoe dan ook even opgelucht kon ademhalen. De eerste is “zijn bier”, dat hij iedere dag weer achterover moet slaan op kosten van degenen over wie hij opzichter is en die dat moeten betalen van hun “hoge” arbeidsloon, want anders, weten ze, worden ze geprügelt, dus geslagen; en als hij krijgt wat hij wil maakt hem dat veel zachter en welwillender… En de tweede, die voortkomt uit de eerste, is dat hij naar de vrouwen loert als hij bezopen is en dan het liedje van verlangen begint te zingen dat hij van zijn zo geliefde vaderstad Hannover heeft meegebracht:

 

In Hannover an der Leine,

Mädel haben dicke Beine

enz.

Dan werpt hij eerst een droef-glimlachende blik op zijn eigen benen en daarna op de benen van de vrouwen die in zijn buurt zijn en wie hij dan opdracht geeft hem ter plekke een plezier te doen…

Ik weet niet of hij toen in schlechter Laune was, omdat de vrouwen van het arbeidscommando hem die dag, op dat moment, “zijn bier” nog niet hadden verstrekt, of dat hij die dag om een andere reden de pik op mij had; hij keek nogal kwaad of ik wel hard genoeg werkte en opeens ging hij me te lijf, schreeuwde tegen me en sloeg me, niet met de Peitsche, maar met de hand.

Het ergste was niet de pijn, maar de vernedering. Niet de pijn, maar de hele ellende van de tijd voor het pak slaag werd in me wakker en greep me bij de keel…

Ik legde mijn zware werk neer, ook al had de opzichter daardoor het recht me nog harder te slaan en strenger te behandelen, zonder enige angst om voor zijn daad verantwoording af te moeten leggen tegenover zijn meerderen, integendeel: hoe hard hij ook optrad, hij kon op hun goedkeuring rekenen; desondanks legde ik het werk neer, liep weg bij de andere vrouwen, die toekeken, en toen ik tussen twee hoge stapels materiaal stond begon ik te huilen…

Dat was denk ik de eerste keer nadat ik jou, papa, verloren had. Zo versteend was ik bij het zien van wat er gebeurde in de omgeving waar ik terechtgekomen was. Ik huilde om mijn jonge jaren en om de herinnering aan degene die het toen voor het zeggen had gehad; ik huilde omdat ik onder zo’n kwaad gesternte geboren was en niet wist waarom.

Ik bleef daar lang zo staan… En toen ik uitgehuild was, ging ik weer aan mijn werk, zonder een woord met de andere vrouwen te spreken, omdat ik de hele tijd in mezelf gekeerd was.

En nadat de opzichter later blijkbaar al het zijne gekregen en opgezopen had en in de goedmoedige Hannoverse stemming gekomen was, moest hij mij om de een of andere reden hebben; nadat hij vandaag zo tegen mij tekeer was gegaan en me geslagen had, koos hij mij uit om hem te plezieren en zoals gewoonlijk naar de “benen” te laten kijken…

Meer nog: deze keer ging hij in zijn zatte sentimentaliteit zover dat hij zelfs een hand naar me uitstak om de ronde vrouwelijke vormen aan te raken waarop hij ook in zijn dronkenschap soms brutaal en openlijk zijn weerzinwekkende blikken richtte…

Toen kreeg hij van mij zo’n klap op zijn hand dat hij die ijlings terugtrok achter zijn rug en ik dacht zelfs achter zijn nek. En ziet, een wonder: hij was niet alleen niet beledigd door die afwerende klap, waarom hij anders al zijn Wut op mij gebotvierd had, maar gaf er een draai aan alsof hij te maken had met een gelijke in een lichtzinnige grap: op zijn lippen verscheen een toegeeflijke glimlach als van een vader tegen een lief, ondeugend kind, dat na iets stouts wel een potje bij hem kon breken.

Dat deed hij. Maar toen de andere vrouwen zagen hoe heftig ik de hand van de opzichter van me af sloeg – ze wisten niet waar ik het lef vandaan haalde, maar wel wat voor gevolgen zoiets voor iedereen kon hebben wanneer hij niet of zelfs wel dronken was – maakten ze me verwijten, zo zacht dat hij het niet kon horen:

Hoe kon dit gebeuren? Wat had ik gedaan? En waarom was ik zover gegaan dat ík daar niet alleen last mee kon krijgen, maar ook alle anderen op wie de schaduw van mijn woede zou vallen?

Ze moesten zich schamen… De vernedering was immers erger dan de toestand zelf en wie dat niet vond moest maar met een varken uit één bak vreten.

‘Moet je haar zien,’ zeiden sommigen verwijtend, ‘wat een verbeelding! Ben jij soms beter dan de anderen? Hebben wij dan iets te kiezen? Anderen zijn juist blij als ze met het varken mee mogen eten.’

‘God zegene haar!’

Van het een kwam het ander en op het laatst werd het ruzie.

‘Je denkt toch niet,’ zeiden sommigen, in een poging hun onderdanigheid en toegeeflijkheid te verdedigen, ‘je denkt toch niet dat je het in je eentje beter kunt?’

‘Jazeker wel!’ zei ik, zonder me te verontschuldigen.

‘O ja? Hoe dan?’

‘Zoals zij,’ liet ik me ontvallen, ‘zoals degenen over wie je hoort dat ze ondergronds werken, die doen wat ze kunnen, hun leven riskeren en bij wijze van spreken zelfs hun eigen ogen opofferen om de vijand een oog uit te steken.’

‘Heb je dat geprobeerd?’ vroegen ze en wezen me op de risico’s die daaraan verbonden waren en ook op bepaalde mislukkingen die zulke treurige resultaten hadden opgeleverd, niet alleen voor de direct betrokkenen, maar ook voor velen die alleen maar de schijn van verdenking wekten dat ze er iets mee te maken hadden.

Ze hadden gelijk, de andere vrouwen: er waren al veel van zulke gevallen geweest, waarvan alle gettobewoners op de hoogte waren en dat ook wel moesten zijn; en daar waren veel mensen erg van geschrokken, waarna ze zich illusies gingen maken dat ze misschien wel een uitweg zouden vinden, wat anderen, die daar niet op wilden wachten, uit pure wanhoop van de hand wezen, omdat ze niet de ene dood boven de andere verkozen en zeiden dat ze toch al veroordeeld waren, of ze nu in verzet kwamen of niet, dus waarom zouden ze daarop vooruitlopen? Ze hadden niets te verliezen…

‘Onzin,’ zeiden de vrouwen, ‘er is toch geen hoop en dat soort verzet is geen oplossing voor iedereen, maar alleen voor een paar mensen en dan lukt het nog maar één op de honderd keer. En daarom is dat iets voor mensen die niets om het leven geven en wie het niets uitmaakt of ze er vroeg of laat aan gaan.’

‘Beter vroeg dan laat,’ zei ik uit volle overtuiging, na wat ik had meegemaakt op deze dag, waarop ik eerst geslagen was en daarna schandelijk betast.

Aan het eind van de dag kreeg ik weer een huilbui; ik kon me niet inhouden, ging weer naar mijn plaats achter het opgestapelde materiaal en dacht aan mijn eigen moedeloosheid en die van de anderen, bij wie zelfs de neiging om te protesteren al vergiftigd was. Ik bleef huilen, denkend aan wat jij, papa, me bij je afscheid als een testament gegeven had, door me de richting te wijzen waaruit ik hulp kon verwachten, hulp die bijna voor het grijpen lag; je hoefde maar in die richting te kijken om de andere wind die daarvandaan kwam in je gezicht te voelen…

Ik weet niet hoe lang ik daar in mijn eentje tussen de balen heb staan huilen. Pas toen het al schemerde en het sein tot verzamelen werd gegeven om naar huis te gaan, kwam ik tevoorschijn; ik hoefde niet meer te huilen, maar had een waas voor mijn ogen en met een onwezenlijk gevoel keek ik uit mijn ooghoeken naar de anderen en de anderen leken mij te bekijken alsof mijn blikken priemden.

Ik zweeg de hele weg naar huis en sprak met niemand een woord, en van de afgelegen plaats waar ons vrouwencommando werkte tot in de stad keek ik strak in de richting vanwaar ik redding verwachtte, zonder te weten hoe die te bereiken was.

 

***

Die dag, lieve papa, was volgens mij beslissend in mijn leven… Ik weet niet of jouw goede naam hier een rol speelde of dat alleen het bizarre voorval met de opzichter door iemands luisterend oor werd opgevangen, waarbij mijn gedrag door die persoon werd goedgekeurd; hoe dan ook, juist de mensen van de ondergrondse hadden mij blijkbaar opgemerkt en hun oog op mij laten vallen, en dat was geen slechte zaak.

Ik had gezworen dat ik vanaf dat moment voortdurend onopvallend werd gevolgd; ze passeerden me en bekeken me aandachtig, en als ze me tegenkwamen draaiden ze zich om en keken me na, vast niet om mijn schoonheid, maar om een andere reden.

En toen ik een keer op een rustdag onderweg was in het getto had ik een ontmoeting waarvan ik, oog in oog staand met de ander, begreep dat die geen toeval was, maar dat die man wist dat hij mij precies op deze plaats en tijd zou tegenkomen.

Op een zekere afstand van de drukke straten kwam de ander me tegemoet en schoot me aan, alsof hij me in het voorbijgaan eerst niet opgemerkt had, en nu hij me zag zei hij:

‘Goed dat wij jou hier treffen…’

Het woord “wij” klonk alsof hij niet namens zichzelf sprak, maar namens de een of andere groep, die hem gemachtigd had om dit te zeggen.

Dat intrigeerde me en ik werd ook een beetje bang, omdat ik oog in oog stond met een vreemde; toch beheerste ik me en als een vrouw tegenover een onbekende met een bepaalde bedoeling: zich aan haar voorstellen, nam ik een afwachtende houding aan, ging niet al te snel op zijn toenaderingspoging in en vroeg:

‘En wie zijn die “wij”?’

‘Wees maar niet bang, Fräulein Flora. We hebben geen slechte bedoelingen en “mijn” mensen zijn geen ongelikte beren… We kennen je, we weten wie je bent en we denken dat we je kunnen vertrouwen.’

‘Ja, maar wie zijn dan die “wij”?’

‘Dat zijn mensen waarvan je waarschijnlijk nog nooit gehoord hebt en waarvan wij denken dat je niet alleen meer van ze wilt weten, maar ook met ze kennis wilt maken… Je raadt het misschien al… Als je wilt, kom dan vanavond daar en daar, dan zal het je allemaal veel duidelijker worden.’

En hier gaf de man tegenover me een gedetailleerd en tegelijk raar adres van een nog raardere woning ergens in een afgelegen steegje in het getto, dat zoals later bleek helemaal niet zo makkelijk te vinden was; en direct nadat hij me dat gegeven had draaide hij zich om, bijna zonder gedag te zeggen en alsof hij niets met mij te maken had gehad, niet was blijven staan en niets gezegd had, liep hij haastig weg in de richting waaruit hij gekomen was toen hij mij tegenkwam. Maar meteen bleef hij staan, kwam weer naar me toe en zei haastig:

‘Als ze bij de voordeur vragen: “Bij wie moet je zijn?” Dan zeg je: “Bij Rosin…” Ik denk dat je dat allemaal wel begrijpt en onthoudt.’

Het leek verdacht, bijna als iets uit een detectiveroman, en toch voelde ik me in het geheim aangetrokken tot de man die me aangesproken had om me dat allemaal toe te vertrouwen, en ik kwam tot de conclusie dat het serieus was en geen onzin, omdat die man er allesbehalve onzinnig uitzag en bovendien betrouwbaar leek.

Dat was Berl Bender (niet zijn echte naam, maar een schuilnaam), die eruitzag als een handwerker: een schoenmaker of een smid, wat je zelfs nog aan zo iemand kunt zien als hij zich grondig gewassen heeft… In werkelijkheid was hij echter geen handwerker, maar een intellectueel, weliswaar geen hoogvlieger, maar wel een man van de daad, zo’n energiek en bewonderenswaardig iemand die alle nieuwe ideeën opzoog als frisse lucht, zoals mijn jonge verstand me zei, omdat zij degenen waren die de oude, verkalkte werkelijkheid openbraken om ruimte, zoveel mogelijk ruimte te scheppen voor een nieuwe, waaraan ze hun leven wilden wijden tot aan hun laatste ademtocht.

De “geborene” noemden ze hem daar, zonder het woord “revolutionair” erbij, omdat dat vanzelf sprak. Iemand die heel wat gevangenissen van binnen had gezien in zijn illegale activiteiten in het vooroorlogse Polen, omdat de toenmalige Polen – de overheid – dergelijke dingen helemaal niet op prijs stelde en om uitbreiding van het aantal activisten te voorkomen een groot apparaat met spionnen onderhield, die tot taak hadden zulke mensen op te sporen en ze zo nodig “een plaatsje te geven”: de minder belangrijke en gevaarlijke in kleine gevangenissen en de belangrijke en gevaarlijke in een gevangenis als de Bereza Kartuska, waar ook hij, Berl Bender, al lange tijd had mogen verblijven…

Hij was al ver over de dertig en had toch niets van de bedachtzaamheid die met de jaren komt en een mens bezadigder maakt. Nee, hij was nog heel actief en al liep hij normaal al in een flink tempo, je voelde dat zo iemand als het moest nog zeker zo hard kon lopen als een jongere, bijvoorbeeld om een gevaar te ontwijken en niet in ongewenste handen te vallen.

Hij had een sterk postuur, stevige, hoekige schouders, pikzwarte ogen en zwart haar met twee diepe inhammen. Daarbij bezat hij twee deugden: hij was zacht en toegankelijk en zo trouw dat hij zichzelf wegcijferde als het om medestanders ging, maar toonde aan de andere kant brandende haat tegenover de grootste vijanden die hij de laatste tijd bestreed: de brutale buitenlandse bezetters.

Jij, papa, had trouwens ook met hem te maken gehad, wat ik pas later aan de weet kwam; toen jij nog “in functie” was kwamen de bezetters met de onvoorwaardelijke eis aan de Joodse Raad dat die hun zonder officieel arrestatiebevel de persoon zou uitleveren die ze al lang zochten, omdat hij nauw contact onderhield met het zich hier in de streek uitbreidende ondergrondse verzet en van wie ze uit betrouwbare bron wisten dat hij hier ondergedoken zat, bij jou, dat wil zeggen bij ons in het getto; toen jij noodgedwongen die formele toezegging deed en daarbij, ook weer formeel, zelfs een hoge beloning uitloofde, een premie zogezegd voor degene die hielp hem op te sporen en te arresteren, toen vond je met de hulp van een paar gelijkgezinde medewerkers van de Joodse Raad een manier om de speurtocht naar hem en het voortdurende gevaar waarin hij verkeerde te beëindigen; jullie vonden uiteindelijk een manier om hem daarvan te bevrijden: jullie kregen namelijk zijn paspoort in handen, smeerden dat vol bloed en zeiden dat het op hem gevonden was bij de begrafenis van de slachtoffers van een bepaalde actie, waar ook hij, Berl, aan deelgenomen had; dat was zogenaamd een teken dat hij niet meer in leven was en dat ze hem konden vergeten.

Dat is dat. En nog wat, papa: als ik niet zo jong was en hij, Berl, niet een stuk ouder, als ik niet zo onervaren was in de dingen waarin hij zo ervaren was, moet ik bekennen dat hij wel eens de eerste zou kunnen zijn op wie ik, je dochter, verliefd werd.

 

***

Toen ik dezelfde avond na lang zoeken het door hem opgegeven adres gevonden had, ging ik een klein kamertje binnen in een achteraf gelegen huis, verborgen achter muren en schuttingen, die pal voor de ramen stonden, waardoor ‘s avonds maar een zwak schijnsel naar buiten drong.

Ik zag een paar jongens en meisjes die door dezelfde man uitgenodigd bleken te zijn als ik, alleen voelden die zich al meer thuis en kenden elkaar al beter, doordat ze blijkbaar niet voor het eerst in deze woning waren. Ze gingen vriendschappelijk met elkaar om en hadden aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen en dat ging ook meer met blikken dan met woorden. En toen vlak na mij ook de man binnenkwam die mij uitgenodigd had, begon er zoiets als een vergadering, waaruit ik begreep dat ik opgenomen zou worden in een cel van vijf mensen, die dezelfde taak had als alle andere cellen: enerzijds sabotage waar ze tewerkgesteld waren en waar dat nodig was en anderzijds hulp aan zoveel mogelijk mensen van wie ook hulp te verwachten was… Dat laatste doelde op het ondergrondse verzet waarmee ze op de een of andere manier al contact hadden gelegd, en al was het heel gevaarlijk om contact te leggen en hen te benaderen, er bestond toch al een geslaagde samenwerking, waarin zij uit het getto kregen wat ze nodig hadden, zoals kleren, ondergoed, geweren enzovoort en op hun beurt het getto hielpen om van tijd tot tijd meer mensen die in staat waren om te vechten over te brengen naar de partizanen in de bossen.

Daarbij stelde degene die me voor de geheime vergadering in de woning uitgenodigd had me aan de anderen voor als iemand die erbij hoorde en betrouwbaar was, waar hij voor kon instaan… En meteen nadat alle kwesties die in de vergadering aan de orde kwamen rustig, zakelijk en op een heel vlotte manier afgehandeld waren nam hij mij aan het eind van de vergadering, voor we uit elkaar gingen, apart en vroeg:

‘En?’ Had ik geen probleem met zijn uitnodiging?

‘Nee,’ zei ik, niet alleen voor de vorm, maar uit innerlijke overtuiging dat wat hier gedaan en besloten werd in onze uitzichtloze toestand niet alleen noodzakelijk en mogelijk was, maar ook het enige juiste.

En of ik ook wist wat er aan het werk vastzat, dat wil zeggen het gevaar dat eraan verbonden was, informeerde hij.

‘Ik weet het, en ik ben op alles voorbereid,’ antwoordde ik, terwijl ik al de adem van die gelukkige vrijheid voelde, voor zover ik me die kon voorstellen en er een idee van had.

Toen wilde de man die me uitgenodigd had precies weten waar ik werkte, wat ik deed en met wie en of ik een bijdrage zou kunnen leveren aan wat, zoals ik gehoord had, van iedereen hier gevraagd werd.

‘Ik weet het niet,’ zei ik, ‘ik zal kijken, ik zal erover denken.’

‘Wij zullen ook kijken,’ zei hij en legde uit dat ze als er mijn werk niet genoeg mogelijkheden bood om iets te bereiken, voor mij misschien ander werk zouden zoeken met meer mogelijkheden.

We gingen uit elkaar. Ik had bijna het gevoel of ik vleugels had nu ik toegetreden was en ik zag een eerste sprankje licht, doordat ik kon beginnen aan het werk waar ik de hele tijd naar uitgekeken had en waarvoor ik hier gekomen was, zonder dat ik het nog een naam kon geven.

En vanaf dat moment, sinds die avond, sinds die geheime vergadering met mijn nieuwe mannelijke en vrouwelijke kameraden, mijn lotgenoten, begonnen bij mij, jouw dochter, lieve papa, de ziel en de geest in een bepaalde richting te werken: ze wilden vindingrijk zijn en zich onderscheiden op een gebied waarop ik me tot dan toe niet bewogen had, omdat het me volkomen onbekend geweest was.

 

***

Een paar dagen later konden de andere vrouwen van het arbeidscommando waarvan ik deel uitmaakte me iets zien doen wat helemaal niet paste bij mijn vroegere gedrag en mijn boze gepreek en gemoraliseer van een tijdje geleden, toen ik de hand van de opzichter zo heftig weggeslagen had, na die klappen van hem. De andere vrouwen konden op een dag zien hoe ik volkomen onverwachts voor die man begon te kruipen, alsof ik op een vleierige en goedkope manier bij hem in de gunst wilde komen en iets van hem gedaan wilde krijgen…

Toen ik merkte dat hij net als toen in een goed humeur was na het zuipen van “zijn bier”, konden ze zien hoe ik hem toevallig weer onder ogen kwam en hoe hij mij nu uitzocht voor zijn pleziertje in zijn aangeschoten toestand en terwijl hij ongegeneerd en kwijlend op zijn Hannoverse manier naar mijn “benen” keek, bracht ik hem naar de kant, alsof ik heel vertrouwelijk met hem was en begon een beetje te flikflooien, wat bij hen zeker niet in goede aarde viel.

Dat was inderdaad zo: de andere vrouwen keken verbaasd toe en ik had gezworen dat ik van sommigen woorden opving van wraak en zelfs leedvermaak, begeleid door blikken op mijn niet zo fijnzinnige onderonsje met de opzichter; ze zeiden: ‘Moet je kijken, eerst was ze zo streng dat ze ons aanviel om een paar woorden over een akkoordje met hem; nu gaat ze zelf verder en brengt het akkoordje in praktijk, wat blijkbaar meer haar stijl is.’

‘Moet je haar zien,’ zeiden anderen, ‘ze vond zichzelf het onbedorven meisje in de witte zij, maar nu zal er op die witte zij wel gauw een vlek komen.’

Omdat ze niet wisten wat er in mij omging, hadden ze gelijk door mijn gedrag van nu te veroordelen. In werkelijkheid was alles wat ik deed maar een truc om aan te kunnen pappen met de man die voor mij net zo weerzinwekkend was als voor hen, en nu net zo weerzinwekkend als vroeger; ik deed het alleen maar om mijn hoofddoel dichterbij te brengen.

Mijn nieuwe kameraden hadden immers van alles nodig, vooral wapens, waarvan ik de opzichter zoveel mogelijk hoopte te kunnen ontfutselen.

Het was misschien kinderlijk en riskant, maar ik dacht dat het kon, dat het me zou lukken en ik hield mezelf ook niet voor de gek… Zonder risico’s te nemen, met alleen maar een klein beetje oppervlakkige toegeeflijkheid in de vorm van een vriendelijke, dubbelzinnige opmerking, kreeg ik uiteindelijk door bedrog wat ik nodig had en dat was niet weinig en zelfs meer dan ze verwachtten.

Ik speelde een keer en nog een keer een amicaal spelletje met hem, tot ik ervan walgde en hij er zijn krombenige plezier aan beleefde, en toen ik daarbij zag hoe hij in mijn aanwezigheid week als was werd, durfde ik op een dag niet lang daarna te zeggen:

Herr Quickenquass, mag ik zo vrij zijn u een verzoek te doen?’ En ik gaf daar een quasikokette, suikerzoete draai aan.

‘Ach wat… Wat zei je daar? Herr Quickenquass?’ vroeg hij, stikkend van de lach, doordat ik zijn achternaam zogenaamd per ongeluk verkeerd uitsprak, want in werkelijkheid heette hij helemaal geen Quickenquass, maar Herr Futterfass. Voor jou, voor mij dus, was hij bereid om door het vuur te gaan; en terwijl hij er ontspannen voor ging zitten, zei hij dat hij voor Fräulein Flora zelfs bereid was zijn Frau in Hannover ein klein bisschen te vergeten, en het enige wat hij van mij daarvoor terugkreeg was toestemming om schaapachtig-verliefd naar mij te kijken…

Ja, maar wat was dan mijn verzoek? wilde hij weten.

Dit: zoals hij wist, waren alle Juden, zowel mannen als vrouwen, door zijn mensen veroordeeld om heruntergeschmelzt, dat wil zeggen gedood te worden, en daarom zou zij, Flora, wanneer zij aan de beurt was, dat zelf willen kunnen doen om zich de kogel te besparen van de massa-executies met het luide geschreeuw van massa’s mensen die bijeengedreven waren tijdens een Aktion.

Herr Quickenquass vond dat een redelijk verzoek… Hij als nuchter mens moest dat voorstel even rustig tot zich laten doordringen en al gaf hij mij net als ieder weldenkend mens het recht om deze kwestie aan de orde te stellen, hij had nog wel een vraag:

Wat was dan eigenlijk mijn verzoek? Als ik dat zelf wilde doen, wie hield me dan tegen? Moest ik… Voor zover hij wist, deden de deutsche Soldaten dat helemaal niet slecht…

‘Maar u begrijpt, Herr Aufseher, dat je daarvoor iets nodig hebt: een schietgeweer…’ En hij moest niet denken dat zij dat, Gott bewahre, gratis van hem wilde hebben. Ze was bereid om te betalen met wat ze maar had, met de beste kleren die zij, nadat haar mensen alles afgenomen was, nog verborgen had kunnen houden; ook met een paar sieraden die ze bewaard had en die vast wel een mooi cadeau zouden zijn voor de Frau van Herr Aufseher in Hannover.

So,’ zei de aangeschoten opzichter, die een handeltje bespeurde en in zijn hoofd het een tegen het ander begon af te wegen: het voordeel van het voorstel tegen het kleine beetje risico dat hij hier natuurlijk liep als hij clandestien moest leveren wat er van hem gevraagd werd.

So,’ zei hij alleen maar en je zag dat het voorstel hem beviel en dat het vurig begeerde visje al half aan het aas van mijn hengel zat, niet meer terug kon en zich uiteindelijk zou laten vangen.

En dat gebeurde ook. Op een dag niet lang daarna nam Herr Aufseher, deze keer niet in dronken, maar in nuchtere toestand, me een tijdje apart, met een gebaar dat anderen niet konden zien en drukte me stiekem een klein wapen in de hand, een bepaald type revolver, waarvoor hij door mij betaald werd met iets speciaals voor vrouwen, dat hij lang bij zich zou dragen en dat hij als een opkoper van alle kanten bekeek en onderzocht, zich afvragend hoeveel succes hij er daar, in zijn Hannover, bei seiner Frau mee zou hebben. Hij ging tevreden weg. En daardoor had ik vanaf dat moment, vanaf het eerste handeltje met hem, de sleutel in handen van zijn geslotenheid als opzichter, zodat ik hem zo nodig met meer durf kon benaderen: één keer, een tweede keer en nog vele keren, zonder angst dat hij me weg zou slaan of zelfs uitleveren.

Ongemerkt sloot hij hier in zijn eentje toch illegale transacties, die bij ontdekking voor hem niet minder ernstige gevolgen zouden hebben dan voor mij, want ik had hem overgehaald en was een handeltje met hem begonnen.

De tweede keer zei ik dat mijn zuster hetzelfde wilde hebben als ik en dat het deze keer natuurlijk ook niet voor niets zou zijn, want als hij wilde kreeg hij geld en anders sieraden of zo.

O God, o lieve papa! Wat had ik een moeite met dit spel, wat voelde ik me vies bij dat handeltje met hem, als we ruilden en er iets van zíjn hand in de míjne overging, al werd dat allemaal steeds goedgemaakt door de overduidelijke tevredenheid in de ogen van mijn kameraden van de cel, als ik weer grote gevaren had doorstaan bij het binnensmokkelen van een wapen door de bewaakte poorten van het getto, waar iedereen gefouilleerd werd, en als alle ogen oplichtten alsof het feest was… Zo’n wapen was toch geen kleinigheid en zonder dat was je een grote nul…

Ik smokkelde zoveel ik maar kon, zelfs bijna zonder risico op ontdekking of arrestatie, want het handeltje van Herr Quickenquass garandeerde dat in ieder geval de eerste helft van de operatie tot de aankomst bij de gettopoort veilig verliep.

Uiteindelijk raakte die bron uitgeput. Of Herr Aufseher om andere redenen overgeplaatst werd of misschien ook een zekere verdenking gewekt had, weet ik niet. Toen vonden onze mensen het nodig ook mij daar weg te halen en me ander werk te bezorgen, en ook onder die nieuwe omstandigheden deed ik wat ik kon om anderen te helpen en later hulp terug te ontvangen.

Want inderdaad waren er met hulp van de kameraden in de bossen al een paar door de schuttingen rond het getto ontsnapt, terwijl anderen een gunstig moment afwachtten om hen te kunnen volgen.

En ook ik wacht af. Ik word op de proef gesteld door de leider van onze cel, die mij, zoals ik merk, in de gaten houdt en van tijd tot tijd maak ik uit de korte geheime ontmoetingen en zijn houding tegenover mij op dat hij me niet de slechtste vindt en dat zijn vertrouwen in mij als nieuwkomer terecht is… Daarom kom ik ook aan de beurt.

 

***

Dag … Maand … Jaar …

Lieve papa, nu moet ik denk ik afscheid van je nemen. Het beslissende uur is aangebroken waarop ik van het bekende naar het onbekende moet, naar het bos, waar ik ervaringen zal opdoen die in geen boek beschreven zijn en die je op geen school kunt leren. Wat jammer toch, wat jammer… Bensj me, papa.

Kortgeleden gebeurde er dit. Toen ik op een avond naar de cel in onze afgelegen en geheime woning kwam, nam Berl Bender nam me apart en zei dat ik als de anderen weg waren even na moest blijven, want hij had iets met me te bespreken.

Toen ik met hem alleen was, hoorde ik dat ze besloten hadden mij binnenkort met een groep kameraden het getto uit te sturen, alleen niet op de gewone manier, maar met een speciale opdracht.

‘Het gaat om iets ernstigs, iets heel ernstigs,’ vertrouwde Berl Bender me toe.

En dat was het volgende.

In het geheime centrum van de leiding van het verzet in en buiten het getto was een verrader geïnfiltreerd. Hij had eerst veel vertrouwen gewekt, omdat hij in het illegale werk wonderen tot stand bracht door onder de ogen van allerlei spionnen diverse verboden activiteiten tot een goed einde te brengen. Alles wat van hem verlangd werd voerde hij uit zoals het moest en daardoor strooide hij zijn eigen mensen zand in de ogen, opdat ze steeds meer vertrouwen in hem zouden krijgen en er nooit ook maar enige verdenking op hem zou vallen. Met zijn verraderlijke bedoelingen deed hij eerst veel nuttige dingen door een drukkerij in te richten, radioverbindingen tot stand te brengen en te zorgen voor het transport van allerlei dringend noodzakelijke dingen, en hij bleek zelfs een handige en ervaren gids, die hele groepen gettobewoners, jongeren zowel als ouderen, uit de stad hielp ontsnappen.

Zelfs als er iets misging kwam niemand op het idee om hem, de trouwe kameraad en durfal, onder de loep te nemen en te onderzoeken om de bacillen van het verraad te ontdekken. Iedereen vertrouwde hem, behalve hijzelf, Berl Bender, die hem vanaf de eerste minuut op een bijeenkomst met kameraden antipathiek vond, zonder reden, of liever gezegd: wel degelijk met reden. Een buitengewone mensenkennis, ontstaan in de leerschool van de langdurige illegaliteit, had hem direct geleerd dat ze hier te maken hadden met een vogel die pronkte met andermans veren.

De man was nog jong: tegen de dertig, maar had al een beetje een dikke nek en een gezette borst en schouders; zijn blik was onhelder en wazig en hij had ook een te dikke, gespleten onderlip met een wit litteken in het midden; hij was toegankelijk, maar wekte toch de indruk dat hij niet helemaal open kaart speelde, anders dan alle andere mensen.

Toen Berl Bender die slimme vent zag, voelde hij meteen dat ze hem, ondanks al zijn verdiensten, van tijd tot tijd onder de loep moesten nemen om hem te inspecteren op bacillen.

Hij had dat meteen met zijn naaste kameraden besproken, maar omdat die allemaal razend enthousiast waren over de manier waarop hij de moeilijkste opdrachten die ze hem gegeven hadden vervuld had, bestond er bij geen van de kameraden ook maar een spoor van twijfel, en daarom leverden ze allemaal zoveel kritiek op Berl, dat hij er uiteindelijk juist van verdacht werd een trouwe, nuttige activist uit de weg te willen ruimen vanuit, godbetert, zijn eigen gebrek aan loyaliteit…

Toen er later iets misging, werd iedereen gecontroleerd, behalve… hij, die ze niet eens oppervlakkig bekeken, omdat ze dachten dat ze toch niets zouden vinden… En de volgende keer ging het weer zo. Maar toen het hele verzet kortgeleden door zo’n vreselijke ramp getroffen werd dat iedereen geschokt was en dacht dat het afgelopen was, toen pas gingen ze ook aan hem twijfelen en de vondst van maar een klein draadje leidde al gauw naar een hele verraderlijke kluwen: ze vonden een spoor dat leidde tot de ontdekking dat hij de hand had gehad in alles wat misgegaan was… Ze waren wel zo voorzichtig om te doen of ze van niets wisten, anders zou hij bij de ontdekking dat het afgelopen was met zijn dubbelspel, in één keer iedereen kunnen verraden en het hele verzet liquideren. Daarom besloten ze hem uit de weg te ruimen… En om dit besluit voor hem geheim te houden lieten ze niets merken en deden of ze gewoon kameraadschappelijk met elkaar om bleven gaan. Ze gaven hem zelfs op het laatst nog een heel verantwoordelijke opdracht in de wetenschap dat hij die aan zou nemen om op dezelfde manier door te kunnen gaan, dat wil zeggen als een geheime verrader degenen die hem goed betaalden verder van dienst te zijn.

Ze besloten, weer met zijn hulp en onder zijn leiding, een groep kameraden daarheen te brengen waar ze nodig waren, wat hij al meer dan eens gedaan had, niet zonder succes.

Zo wilden ze twee vliegen in één klap slaan: de kameraden wegbrengen die hier niet langer veilig waren en tegelijkertijd die persoon zelf op een listige manier uitleveren aan degenen die hem een passende behandeling zouden geven en hem onschadelijk maken.

Het was een moeilijk karwei, dat zich tot dan toe in de praktijk van zelfs heel ervaren en op het scherp van de snede opererende verzetsmensen nauwelijks had voorgedaan: een verrader op zo’n manier gebruiken dat hij het leven liet en jouw belang veiliggesteld werd…

Dit gebeurde zoals gezegd na een grote ramp, toen een hele groep zeer capabele en ervaren kunstenaars van het illegale handwerk in handen was gevallen van degenen die hen al lang zochten om wraak te nemen en anderen te laten zien wat hun te wachten stond, omdat hun levens niet telden.

Het waren mannen en vrouwen en een van de vrouwen, die nog heel jong was, had wijdopen, altijd verwonderde ogen onder een hoog, blank, onschuldig voorhoofd en als een kroontje om haar hoofd gebonden vlechten; ik kende haar en had me nooit kunnen voorstellen dat zo iemand daar iets mee te maken had – en hoe!

Zo kinderlijk-onschuldig als ze eruitzag, zo vaardig was ze in het smokkelen van allerlei dingen door de zwaarst bewaakte locaties; ze misleidde mensen die niemand door mochten laten zonder hem te controleren en te fouilleren en liet hen in de waan dat ze een naïef meisje voor zich hadden dat ze niet hoefden te controleren, want zo iemand had toch geen benul…

Maar ze had wel degelijk benul. Daarom hadden ze zich speciaal op haar gewroken, zowel degenen die haar hadden meegemaakt bij een verhoor onder marteling, waarbij ze weer de rol van het naïeve meisje had willen spelen, als later de beulen, die zelf de bizarre executie bedacht hadden of bij gebrek aan eigen fantasie een order hadden uitgevoerd van een superieure, meer geraffineerde en ausgeklügelte beul…

Ze hadden haar halfnaakt opgehangen, zonder kleren om haar bovenlichaam, en aan haar twee lange vlechten, die los op haar borst hingen, hadden ze twee dode ratten gebonden om haar te versieren en te schande te maken… Ik had een keer gelezen dat de twaalfde- en dertiende-eeuwse voorvaderen van de huidige beulen in de bekende stad Speyer in een soortgelijk geval precies hetzelfde gedaan hadden met een andere jonge joodse vrouw.

Iedereen was treurig en terneergeslagen, ondanks het feit dat wij in onze situatie van geen enkele gruweldaad meer opkeken. Dat gevoel hadden vooral degenen die het dichtste bij haar stonden, die samen met haar illegaal werk gedaan hadden, trots waren geweest op haar artistieke vaardigheden en met haar als een juweel hadden lopen pronken. Vooral de bovengenoemde Berl Bender had dat gevoel, niet alleen omdat hij als eerste alarm had geslagen toen de verraadster gevaarlijk begon te worden, maar waarschijnlijk ook omdat zij, de illegale artieste, blijkbaar onder zijn directe leiding had gewerkt, net als ik als het lid van een cel, dat nu als een lidmaat bij hem geamputeerd was.

En nadat iedereen in de stad en in het getto het verhaal had gehoord, waarbij vooral degenen onder de indruk waren wie hetzelfde lot te wachten stond als die artieste, en toen Berl Bender die avond zoals gezegd in de geheime woning met mij alleen was en me verteld had over het geheime besluit, voegde hij eraan toe dat ik met de groep de stad uitgestuurd zou worden, en in die groep een speciale opdracht mee zou krijgen.

‘Het is een ernstige zaak, een heel ernstige zaak,’ voegde hij eraan toe, zonder in details te treden.

De opdracht hield in dat ik met die persoon mee moest gaan om hem aan de lijn houden, natuurlijk niet letterlijk, maar op een andere manier, zodat hij zich zou laten leiden…

Inderdaad hadden de leidende kameraden met hun besluit om die persoon te verwijderen en onschadelijk te maken iedereen, en in het bijzonder Berl Bender, die in staat was gebleken de geur van verraad die zo iemand verspreidde te herkennen, gemachtigd onderzoek te doen naar zijn voorkeuren en zwakheden, waardoor zo iemand gemakkelijk een uitglijder maakte en dan gepakt kon worden.

Ze ontdekten dat vrouwen zijn zwakke punt waren… En dat zat diep, te oordelen naar zijn donkere blik en zijn droge, in het midden iets gespleten onderlip, die vettig begon te glanzen als hij iemand van het andere geslacht tegenkwam die zo’n indruk op hem maakte dat hij zichzelf vergat en in een roes raakte.

‘Vrouwen?’ vroeg ik, toen ik Berl gehoord had en begreep wat hij bedoelde.

‘Ja.’

‘En wat willen jullie van mij?’

Daarop, op die vraag, kwam uit Berls mond geen antwoord. Hij keek zelfs enige ogenblikken gegeneerd naar de punten van zijn schoenen en wist uit verlegenheid niet wat hij zeggen moest. En juist die paar momenten van verlegen zwijgen wil ik, papa, gebruiken voor een paar woorden om hem te verdedigen.

Met zo’n voorstel bij mij aankomen was natuurlijk niet gemakkelijk voor hem, voor de man die ik zo prees toen ik hem de eerste keer ter sprake bracht, en zoals ik al zei: als ik niet zo jong was en hij niet een stuk ouder, als ik niet zo ver af stond van datgene waarvoor hij bereid was zijn leven te geven, zou ik als eerste verliefd op hem kunnen worden. Als man van principes was hij in mijn ogen een van degenen die zich in het zweet werkten om de eerste stenen aan te dragen voor het nieuwe bouwwerk waarvan de meerderheid zich nog geen voorstelling kon maken; sterker: mensen als hij droegen niet alleen de stenen aan, maar stonden ook vaak klaar om zelf het grondwerk te doen en de funderingen te leggen. [228]

En nu kwam hij, Berl, met iets waar je niemand mee lastig zou willen vallen…

‘Nee,’ vervolgde hij na een ongemakkelijke stilte, waarin hij naar de punten van zijn schoenen keek. Hij bedoelde er niets kwaads mee, God verhoede… Ik moest hem niet verkeerd begrijpen. Als hij mij te zwak en te labiel vond, gaf hij me natuurlijk zo’n opdracht niet. Maar omdat hij overtuigd was van het tegendeel, had hij me de korte tijd dat we elkaar kenden geobserveerd om erachter te komen wat voor karakter ik had, voor zover dat mogelijk was, en verder had hij anderen die me beter kenden uitgehoord en de verzekering gekregen dat zijn plan beslist niet te riskant was en dat ik zou doen wat van me gevraagd werd, zonder mezelf of het algemeen belang in gevaar te brengen.

‘Zoals je weet,’ zei hij met gebogen hoofd, ‘leven we in een ongewone tijd, en de omstandigheden doen een beroep op je verantwoordelijkheidsgevoel, en in zo’n geval moet je je geweten een beetje oprekken, terwijl je een andere keer beter je hand kunt laten afhakken of zelfs je hoofd.’

Maar, vervolgde hij, alsof hij in zichzelf sprak en zich verantwoordde voor zijn opgerekte geweten, ik hoefde niet bang te zijn… Ik zou niet alleen zijn, maar met kameraden samen als hij, God verhoede, iets smerigs van plan was… En mijn taak was alleen maar een beetje met hem flirten en dan weer niet, dat wil zeggen hem op een zekere afstand houden zonder hem af te stoten. Hem vooral niet alleen laten, hem niet laten nadenken, hem aan de praat houden, zijn aandacht vasthouden en hem de hele tijd gelijk geven…

‘Neem me niet kwalijk…’ meende Bender er in zijn verlegenheid nog aan toe te moeten voegen, en toen hij zag dat ik vast van plan was zijn voorstel aan te nemen, ging hij nader in op mijn taak en begon me adviezen te geven over de gedragslijn die ik onderweg moest volgen.

Hij zei nog dat ik voor mijn vertrek een bericht in geheimschrift mee zou krijgen, dat in mijn jurk genaaid zou worden, een bericht opgesteld door de kameraden hier uit het verzet, bestemd voor degenen voor wie ik met die persoon zelf moest verschijnen om hem te ontmaskeren en zijn trejfe karakter aan het licht te brengen…

 

***

Ik houd op, omdat ik aanstonds klaar moet zijn om daarheen te gaan waar ik vrij zal zijn van dat alles en waar ik mijn lichaam en geest en alles wat ik heb zal kunnen inzetten voor wat volgens mij mijn bestemming is: zorgen dat er op de wereld wat minder van zulke slechte mensen rondlopen.

Ja, en hier moet ik weer denken aan de moire die geen jood leek maar een Arabier, met zijn zachte, kelige stemgeluid en zijn ongewone accent, hoe hij voor ons stond en de teksten uitlegde uit onze oeroude geschiedenis, het volksepos en het volksgezang, die hij voor ons tot klinken uit die oude tijden, alsof de zanger van toen direct ons moderne oor bereikte.

Zoals het Lied van Debora, waarschijnlijk het eerste overwinningslied van onze oudste volkszangers, de vermetelheid bezingt van alle deelnemers aan de roemruchte oorlog tegen Jabin, de koning van Kanaän, en zijn veldheer Sisera; hoe Jaël, de vrouw van Cheber de Keniet, bij de ingang van haar tent stond en zag hoe Sisera verslagen van het slagveld kwam en zich voor zijn achtervolgers wilde verbergen; hoe ze hem bij zich riep, zogenaamd om hem te beschermen, en hoe hij haar moe en dorstig om water vroeg, waarop ze hem melk gaf en hem vervolgens toedekte, en hoe ze toen hij in slaap gevallen was een scherpe tentpin door zijn slaap sloeg; Ken jovedoe chol oveicha, Adonai, “Heer, laat zo al uw vijanden ten onder gaan!” eindigt de zangeres.

Ja, hoe staat het daar? Majim sjaäl, chalav natana: “water vroeg hij en melk kreeg hij”; ik herinner me nu de tekst in verband met wat mij als verre nakomeling van Jaël nu misschien te wachten staat…

 

***

Dag … Maand … Jaar …

Vandaag, lieve papa, zag ik Berl Bender voor het laatst. Samen met de hele groep die op weg zou gaan kwam ik naar de verborgen woning in het achterafsteegje waar tot nu toe al onze vergaderingen gehouden waren. Daar werd het in geheimschrift opgestelde bericht in mijn jurk genaaid en op mijn verzoek ook de ring die ik van jou gekregen had. Berl Bender gaf zijn laatste adviezen en aanwijzingen voor de manier waarop ik mijn rol zou moeten spelen.

We moesten afscheid nemen. Er was een punt buiten de stad afgesproken waar de leden van de vertrekkende groep onafhankelijk van elkaar bijeen zouden komen, nadat we met veel geluk uit het getto waren ontsnapt, wat nog niet zo eenvoudig was: sommigen moesten door de zwaarbewaakte schuttingen rond het getto zien te sluipen en anderen moesten helemaal door de riolering, waar je niet alleen de kans liep te verdwalen in de duistere buizen vol water, stank en massa’s ratten, maar ook dat je er niet uit kon komen op het punt waar je niet bang meer hoefde te zijn voor een gevaarlijke confrontatie, en in plaats daarvan door je gebrekkige oriëntatie in die gangen ergens naar buiten kwam waar je makkelijk in een hinderlaag liep, wat al meer dan eens gebeurd was…

We gingen allemaal naar huis voor de laatste voorbereidingen. Ook ik ging weg en op de drempel van mijn tegenwoordige “huis” draaide ik me nog eens om naar de straat om te kijken naar het huis dat ooit mijn thuis was geweest, maar waar ik nu niet meer aan denken wil…

Het is nu winter. Het is een koude avond en buiten sneeuwt het. In de afgelegen bossen in onze streek huilen nu de wolven, die in roedels door het struikgewas trekken, en de dieren die zich aan de bosrand ophouden werpen zonder angst fosforescerend opflitsende blikken op de passerende paarden en reizigers.

Ik voelde toen ik buiten stond geen kou. Ik voelde ook niet hoe de warme, dappere tranen uit mijn ogen stroomden bij het afscheid van wat me altijd zo dierbaar was geweest en wat ik zo onverdiend en zonder reden had verloren.

Ik besefte dat het al laat was. Ik herinnerde me dat mijn vertrek nu niet alleen mijn plicht was en mijn wens, maar ook een onderdeel van jouw testament dat ik naleefde, wat je zeker ter harte zou gaan.

Daarom keerde ik mijn vroegere huis snel de rug toe en ging mijn huidige huis binnen. En het enige wat me nog te doen stond was de laatste paar regels schrijven, afscheid van je nemen en je vragen: bensj me, papa, voor onderweg…

 

2

Hier eindigen Flora’s aantekeningen. En het is begrijpelijk waarom: ze ging immers ergens heen waar geen plaats en geen tijd was om de pen ter hand te nemen, alleen plaats en tijd om voor iets nog belangrijkers: een geweer.

Overigens moet hier tussen haakjes vermeld worden dat ook het weinige dat ze tot hiertoe geschreven had na haar bevrijding van het leven in het bos, in handen kwam van een beroepsschrijver, die het recht kreeg het verhaal te ordenen, te redigeren en om zo te zeggen door de stilerende schrijfmachine te halen… En die beroepsschrijver heeft nu tot taak op basis van mondelinge informatie die hij later bij hun kennismaking van haar kreeg, in dezelfde stijl door te gaan met het verhaal over haar ervaringen in het bos.

Hieronder volgt wat de beroepsschrijver te vertellen heeft.

Wonderen, grote wonderen overkwamen haar, toen ze als jong meisje haar weg moest vinden in de doolhof die haar ouders noch haar grootouders ooit doorkruist hadden.

Ze had eigenlijk een school met speciale vakken moeten doorlopen om te leren hoe je met een verrader om moet gaan of anders tenminste gewapend moeten zijn met iets als een aangeboren jachtinstinct, om daarmee als een dier op pad te gaan, en aangezien ze geen van beide had, beschikte ze hier alleen over haar puur vrouwelijke instinct en verder de wetenschap dat ze zich bewoog op het scherp van de snede, dat ze dit spel wel móest winnen, omdat ze anders zichzelf en de hele groep en zelfs het hele verzet naar de slachtbank zou leiden.

Toen de individuele leden van de groep uit het getto na de doorstane kwellingen zoals afgesproken bijeenkwamen op de plaats vanwaar ze samen verder zouden trekken en toen ook de verrader woord hield en daar verscheen, merkten ze dat hij nogal somber uit zijn ogen keek, gewoon door vervelende gedachten of misschien uit tegenzin, als bij iemand die iets moet doen wat niet van harte gaat.

Hij bekeek de groep die hij als ervaren kameraad moest leiden half minachtend en half onverschillig en zelfs als iemand die een te zware last te dragen krijgt… Maar toen hij met dezelfde groep een eindje op weg was en een aantal leden van de groep eens goed bekeek, viel zijn oog direct op Flora met haar lange benen en hij voelde zich een ander mens…

Meteen ontdekte hij in haar de vrouwelijke eigenschappen die zo iemand niet konden ontgaan en niet onverschillig lieten… Hij ging op haar af en al gauw verscheen er op zijn eerst zo sombere voorhoofd een soort nieuwe glans als het attribuut voor een nieuw en opgewekter spel. Hij likte ook meteen over zijn droge, gespleten onderlip, waarop duidelijk een tevreden glans verscheen, en die twee dingen: het glanzende voorhoofd en de glanzende lip duidden erop dat die persoon hier iets gevonden dacht te hebben wat hij niet verwachtte, en voor de tegenpartij was het een teken dat deze ontmoeting de haak zou kunnen zijn waarmee hij zich zou laten vangen.

Hij was niet meer bij haar weg te slaan. Hij keerde iedereen die hem iets kwam vragen ongeïnteresseerd de rug toe en luisterde nauwelijks naar de vraag, terwijl hij een en al oog en oor voor Flora was, om niets te missen als zíj hem iets te vragen had en direct antwoord te kunnen geven.

Samen met haar liep hij nu eens ver voor de anderen en bleef dan juist weer achter, de ene keer om haar gezicht te kunnen zien en een andere keer om haar hele lichaam te bespieden, waarna zijn ogen een begerige glans kregen.

Hij was nog in de kracht van zijn leven, rond de dertig, recht van lijf en leden en met genoeg ervaring in de omgang met vrouwen die hij dacht te kunnen versieren…

Maar hier lag het anders, voelde hij meteen… Aan de ene kant durfde hij eerst geen woord te zeggen, laat staan verder te gaan, zoals altijd wanneer hij voelde dat de ander hem welwillend tegemoet zou komen, en aan de andere kant zag hij ook dat dit niet de plaats was om zo snel en overhaast te werk te gaan als elders…

Daarom zocht hij langzaam toenadering, stap voor stap, en begon op een vriendschappelijke manier te vertellen wat hij anderen blijkbaar niet toevertrouwde. Het ging over wat hij tot dan toe in het verzet gedaan had en wat hij in de toekomst dacht te doen.

Daarbij merkte hij dat Flora onder het luisteren niet één keer naar hem keek, uit fascinatie of op zijn minst respect, zoals je doet wanneer iemands verhalen je verbazen en verrassen, om hem in ieder geval zwijgend te belonen, al ben je niet waanzinnig enthousiast. Al luisterend keek ze om onduidelijke redenen naar beneden en vermeed zijn blik. Hij interpreteerde dat eerst als iets positiefs, een teken van te veel respect en te grote bewondering, waarmee je zeker als jonge, onervaren vrouw niet te koop wilde lopen als je van een man onder de indruk was. Maar later, toen hij er al van uitging dat ze zich tegenover hem vrijer voelde, dankzij zijn vertrouwelijkheid, was ze nog steeds geremd en keek voortdurend naar beneden, zelfs als hij niet meer over zijn prestaties vertelde, maar gewoon met haar over dagelijkse dingen sprak.

Als hij probeerde haar op te vrolijken met een vriendelijker woord of gezichtsuitdrukking of door haar aan te raken met zijn hand, zogenaamd om haar te ondersteunen bij het lopen, zoals gewoonlijk, merkte hij steeds dat ze daar niet van gediend was en een stap opzij deed, alsof ze iemand was die een vriendelijke aanraking niet alleen onaangenaam vond maar zelfs iets afstotelijks dat pijn deed…

Ze pakte het niet goed aan; ze had niet de juiste instelling die de rol die ze op zich genomen had van haar vroeg. Eerst kon ze zich niet beheersen. Ook niet later, op de avond van diezelfde dag, toen hij, die persoon, de ervaren leider op de route die hij al meer dan eens had afgelegd, de groep deze keer naar een afgelegen boerderij bracht, waar hij voor iedereen onderdak vond bij een anonieme boer, die na het avondeten voor slaapgelegenheid zorgde door een baal stro binnen te brengen en die uit te spreiden op de deel, zodat allen die zojuist waren aangekomen en moe waren van de tocht konden gaan liggen.

Toen regelde die persoon het zo dat hij bij het aanwijzen van de slaapplaatsen op de deel heel toevallig naast haar kwam te liggen, naast Flora, met wie hij al een sterkere band dacht te hebben dan met alle anderen die hij leidde, doordat hij met haar de hele dag gezellige gesprekken had gevoerd, waardoor hij zich inbeeldde dat hij al zozeer haar vertrouwen had gewonnen dat hij zelfs het recht had op zoiets intiems als naast haar slapen.

Toen viel Flora helemaal uit haar rol. Openlijk en zonder omhaal liep ze weg van de plaats naast hem die hij haar aangewezen had en vroeg een kameraad uit de groep met haar van plaats te ruilen, zogenaamd omdat ze niet lekker lag en ergens anders wilde liggen…

Dat beviel die persoon helemaal niet en al was het in het boerderijtje nog zo donker, je zou bij het schaarse licht toch kunnen zien hoe hij verslagen en beledigd op de deel lag met naast zich niet degene die hij uitgekozen had, maar een vreemde, met wie Flora van plaats had gewisseld; en zo betrok zijn voorhoofd weer en zijn onderlip vertoonde een droge, witte streep in het midden als teken van een dorst die niet zo snel gelest kon worden.

Dezelfde tekenen waren nog te zien toen iedereen de volgende morgen wakker werd; ze stonden heel vroeg op, moesten weer op pad en zagen dat hij nogal in een slecht humeur was, alsof een maaltje zure haring slecht gevallen was. Hij bleef die dag nog een hele tijd in dat humeur.

Toen herinnerde Flora zich haar opdracht en dacht aan de richtlijn die Berl gegeven had: die persoon niet alleen laten met zijn gedachten, want wie weet waartoe hij dan in staat was.

Ze moesten zoals gezegd toch op hun hoede zijn, want er was een heel kleine kans dat die persoon hen ervan zou verdenken dat ze hem in een val wilden laten lopen en de leiding van hem over wilden nemen…

Toen ging Flora naar hem toe en zorgde voor een rolwisseling. Zij deed nu wat hij gisteren deed: ze vrolijkte hem op met een woord, een gezichtsuitdrukking en permitteerde zich zelfs een aanraking met haar hand om een vertrouwelijk gesprek met hem aan te knopen en zijn kwade gedachten te verdrijven.

Dat werkte. Uiteindelijk kwam zijn goede humeur terug. Net als gisteren wilde hij weer bij Flora in de smaak vallen en succes hebben na zijn wansucces van gisteren.

Die persoon kreeg door haar vriendelijkheid zoveel zelfvertrouwen dat hij, toen zij net als gisteren met hem alleen was, zonder de rest van de groep, die ze vooruit lieten gaan of achter zich lieten, zelfs de moed had haar in het geheim iets voor te leggen, zoiets als een plan: ze moest zich helemaal losmaken van de groep, zowel in zijn als in haar belang, dus in hun beider belang.

Hij wist een dorp hier in de buurt, waar hij een goede kennis had bij wie ze veilig zou kunnen onderduiken zolang er gevaar dreigde.

Hij zag, vervolgde hij, dat het bos en het leven van de partizanen in de wildernis niets voor haar waren… En als ze bang was dat de anderen zouden denken dat ze hen in de steek liet uit lafheid of om hen te bedriegen, zou hij, die persoon, het nodige overtuigingswerk doen en uitleggen dat hij haar op eigen verantwoordelijkheid in dat dorp installeerde als verbindingspersoon en permanente vertegenwoordiger van het verzet in voorkomende gevallen.

Ja, die persoon ging zover dat hij haar dat voorstelde.

Met een rustig en beheerst “Nee” wees Flora zijn voorstel af, terwijl ze probeerde hem niet voor het hoofd te stoten en te doen alsof ze niet verrast was, integendeel: dat er in andere, rustiger tijden wel over zo’n plan te praten was… Ze begreep zogenaamd wel waarom hij haar apart zou willen nemen en uit de groep halen.

‘Goed idee…’ zei ze, ‘maar niet voor nu.’ Ze voelde zich nu verbonden met degenen met wie ze tot nu toe alles in het getto had doorstaan en zonder wie ze zich het leven niet voor kon stellen…

Daarbij ging Flora, midden in het gesprek met hem afzonderlijk, plotseling vooruit of achteruit, naar de kameraden achter haar om te laten zien dat het niet ging, dat je haar niet los kon maken van de anderen als een lidmaat van een lichaam.

Daarop betrok zijn gezicht weer. Deze kleine, maar onmiskenbare tegenvaller, nu hij met Flora zo’n eind op weg was en haar, net als de hele groep, in de hand had en haar kon brengen waarheen hij wilde of haar om kon brengen, maakte dat hij aan een totale mislukking begon te denken…

Mensen in een dergelijke irreële situatie zitten immers vaak vol bijgeloof en twijfel en zou het gezien hun reële situatie niet af en toe tot hen doordringen dat degenen die zij misleiden al die tijd een eind van de draad van het verraad te pakken hebben die hun in staat stelt de hele kluwen te ontrafelen? En het kon dus best zijn dat hij liep te denken dat hij de anderen in de hand had, terwijl hij helemaal aan hen overgeleverd was en bezig met zijn laatste tocht… Dergelijke gedachten kon je je toch voorstellen.

Zoals gezegd was het winter. Die persoon en de groep die hij leidde bevonden zich toen al ver van de stad, in een dunbevolkte streek met weinig dorpen en gebaande wegen; door de oorlog was het verkeer tussen stad en dorp beperkt en zeker de laatste tijd, waarin ieder dorp gezien werd als een verdachte schuilplaats van geheime ideeën uit de stad, dat wil zeggen door de bezetter, die zich daarom uit veiligheidsoverwegingen daar verschanst had…

’s Winters lagen er in die streek altijd veel verse hopen sneeuw langs de weg, maar doordat er nu zo weinig verkeer was, waren de wegen zelf ook bedekt, waardoor je ’s morgens vroeg of ’s avonds moeilijk kon zien waar de weg lag en waar hij ophield.

Dat was voor de leider met de duistere gedachten een excuus om zijn eigen gang te gaan en oude karrensporen op te zoeken, omdat hij zogenaamd niet wist of ze op de goede weg waren… Hij had wel een beetje gelijk, want je wist dat nooit zeker, maar de reden dat hij zo vaak inhield was misschien eerder de twijfel die hem overviel toen hij een voorgevoel kreeg van het oordeel dat hem te wachten kon staan…

Sommigen in de groep merkten dat hij zich zorgen maakte. Degenen die waren ingelicht over de laatste akte in de rol die die persoon hier, in zijn laatste tocht, te spelen had, keerden hun blik van hem af en deden alsof ze van niets wisten, alsof ze echt dachten dat hij zocht wat iemand zoekt die de weg kwijt is. Maar zij, Flora, had een speciale opdracht en moest actiever blijven dan degenen die niet op de hoogte waren en zij moest hem op allerlei manieren uit zijn drukkende gepieker zien te halen.

Dat ging haar niet gemakkelijk af, want ze moest twee dingen tegelijk doen: zowel in zijn buurt als uit zijn buurt blijven, zorgen dat hij niet te veel in gedachten verviel, maar ook dat hij niet te familiair met haar werd.

Het leiden van de groep naar de plaats van bestemming duurde deze keer langer dan anders, doordat die persoon in verwarring was; bewust of onbewust treuzelde hij in iedere bebouwde kom om na te denken of hij het wel goed deed en of hij ook deze keer weer kon poseren als een van de hunnen, aan wie ze geen moment hoefden te twijfelen, om ondertussen te blijven hoe hij was: door en door corrupt…

Tot hij met de groep ongemerkt en zelfs tot zijn eigen verrassing uitkwam bij de grens waar een wachter van de partizanen hen altijd opwachtte in een van de goedgecamoufleerde schuilplaatsen die voor ongewenste buitenstaanders niet te zien waren.

Toen waren ze onverwachts aan de rand van de bossen die zowel in als buiten die streek bekendstonden om het vele wild dat daar sinds onheuglijke tijden leefde en waarop al eeuwenlang gejaagd werd door de heersers en grootgrondbezitters van die streek met hun honden, vergezeld door vele dienaren, allerlei gasten uit hun eigen land en genodigden uit het buitenland; de plezierjacht op wolven, beren en andere dieren duurde weken en elke keer werd het succes: het vangen of neerschieten van een opmerkelijk exemplaar, met pracht en praal gevierd in koninklijke of grafelijke kastelen, waarbij er niet één dag, maar weken achtereen gefeest werd.

Toen ze die bosrand naderden hoorden ze plotseling uit het struikgewas een kort, snerpend fluitsignaal: het teken waarop alle oren al heel lang gespitst waren geweest, waarop ze allemaal met groot ongeduld en vreugdevol gewacht hadden; eindelijk hadden ze met veel moeite het doel bereikt dat de langverwachte redding bood.

Dat gold voor iedereen, behalve voor hem, die persoon die, zoals je zou kunnen zien, bij het opvangen van het fluitsignaal onwillekeurig schokschouderde.

Al gauw kwam er uit de verborgen en geheime wachtpost een gewapende man tevoorschijn, nonchalant gekleed, half in uniform en half in burger, en toen die de groep en de persoon die zich als leider presenteerde genaderd was sprak hij het wachtwoord en wachtte op een passende reactie… Die persoon, die het wachtwoord kende, sprak het deze keer iets te zacht uit en met bleke lippen.

Toen kwamen er van andere plaatsen nog een paar mannen tevoorschijn, die de pas aangekomenen broederlijk mee het diepe bos in namen, terwijl ze onderweg een vertrouwelijk gesprek aanknoopten en informeerden wat voor nieuws er was.

Ze leefden allemaal op, alsof ze bevrijd waren na lang geboeid te zijn geweest en deelden al het mogelijke met degenen die hen tegemoetkwamen en als kameraden het bos in leidden. Allen behalve één, die persoon, die een slot op zijn mond leek te hebben en ook nog een soort vage angst in zijn ogen, waardoor hij telkens een andere kant uitkeek, nu eens hier en dan weer daar, en soms zelfs achterom, alsof hij dacht dat hier uit de een of andere hoek onverwachts iemand zou verschijnen om hem bij zijn kraag te vatten of in zijn nek te springen…

Hij keek niet blij, zoals de leden van de groep, die daarnet uit hun benauwdheid waren bevrijd; integendeel: hij leek iemand die in een voos moeras met een zompige ondergrond gestapt was, waarin iedereen onzeker begon te waggelen en wankelen.

Ze werden een heel eind het bos in gebracht tot ze bij een plek kwamen waar de partizanen zelfs beschikten over een soort basiskamp van plaggenhutten met eigen voorzieningen, zoals paarden en wagens, een eigen bakkerij en zelfs een niet onaardige werkplaats voor de nodige reparaties.

Toen brachten ze de groep en de leider naar een plaggenhut waarin de commandant van de partizanen woonde met de politiek commissaris, degene die zorg droeg voor wat je noemt het geestelijk welzijn van de mensen in het bos.

Meteen kwamen die twee tevoorschijn uit hun hut als uit een grot: de commandant, een jonge Rus van nog geen dertig met een gespierd en pezig lichaam, gekleed in een knielange uniformjas van schapenbont, met een lichtgeel, gekruist draagriemstel over zijn schouders, en met laarzen; en de ander, de politiek commissaris, een in uniformjas geklede man van boven de vijftig, die een wat bezadigder indruk maakte, maar over genoeg militaire ervaring beschikte, omdat hij een veteraan uit de Burgeroorlog bleek te zijn, die nu hetzelfde werk als toen deed.

Meteen wendde de commandant zich tot de persoon die de groep leidde en vroeg om de papieren die gewoonlijk werden meegegeven op de plaatsen waar iemand uitgezonden werd om de drager aan te bevelen als betrouwbaar persoon en verder om het wachtwoord, dat diende als legitimatie tegenover degenen die hij het eerste aantrof.

Die persoon had de papieren natuurlijk in zijn kleren genaaid en begon ze tevoorschijn te halen in aanwezigheid van de hele groep.

Maar toen hij, weer een beetje bleek, voor de commandant en de politiek commissaris stond en hun zwijgend het gevraagde overhandigde, gebeurde er plotseling iets onverwachts voor die persoon en natuurlijk ook voor degenen die de papieren in ontvangst moesten nemen: er stapte uit de groep een jonge vrouw naar voren en dat was Flora, die duidelijk maakte dat zij ook documenten in haar kleren verborgen had en zei:

‘Kameraad commandant, ik heb óók papieren…’

Haastig en met bevende vingers trok ze de dichtgenaaide zoom in haar kleren los om het meegegeven bericht tevoorschijn te halen, en nog voor de commandant het van haar aangenomen had begreep die persoon dat hij hier met zijn papieren niets meer kon beginnen en zich de moeite kon besparen ze te overhandigen. Hij zag in dat de andere meegebrachte papieren de zijne waardeloos zouden maken, dat de anderen hem te slim af waren en dat het met zijn hele duistere carrière en criminele succesjes nu echt afgelopen was…

Overbodig te zeggen hoe de commandant en de politiek commissaris die leidende persoonlijkheid na het doorlezen van Flora’s bericht bekeken; overbodig te zeggen hoe die persoon keek toen hij op heterdaad betrapt, ontmaskerd en gepakt werd: na de ellende die hij zich op de hals had gehaald, wist hij uit verslagenheid niet waar hij kijken moest; overbodig dat te zeggen, omdat het vanzelf spreekt en omdat het hier alleen om de hoofdpunten gaat, en dan nog dit:

In de stad waar Flora vandaan kwam en waar ze met haar groep uit het getto naar het bos was uitgezonden, in de stad die vroeger, voor de oorlog, bij Polen hoorde en nu, na de oorlog, met een groot gebied deel uitmaakte van een van de republieken aan de westrand van onze unie, in die bekende oude stad met haar eeuwenlange geschiedenis en al haar gebouwen, kastelen en monumenten, waar zich ook een historisch museum bevond, dat in de oorlog met de moderne Vandalen overigens erg te lijden had gehad en dat nu weer opgebouwd en hersteld wordt, in dat museum is aan de bestaande afdelingen met opgravingen en vondsten van steen, been, brons, ijzer en glas en met kledingstukken, schilderijen, boeken, documenten en geschriften, die je een idee geven van voorbije perioden en tijden, nu een afdeling toegevoegd met verzameld materiaal uit de geschiedenis van de laatste tijd, dat wil zeggen de oorlog die hier in de streek nog pas gisteren woedde en die zowel een reguliere oorlog was als een partizanenstrijd.

En tussen al dat verzamelde materiaal van die nieuwe afdeling, tussen pamfletten, oproepingen, affiches, brochures, brieven, dagboeken van onze kant en van de kant van de vijand is ook een protocol te vinden van een tribunaal dat oordeelde over een verrader: de bewijsstukken die de verrader zelf aanvoerde bij zijn verdediging, de belastende getuigenissen en ook het vonnis, geïllustreerd door een paar bijgevoegde fotootjes van een amateurfotograaf in het bos, genomen met een slechte camera, afgedrukt op slecht, goedkoop papier en miserabel en onbeholpen geretoucheerd.

Toch kun je op een van die fotootjes een stuk boslandschap zien dat je ondanks het kleine formaat een idee geeft van het hele bos; het doet denken aan de bekende bossen van Oost-Afrika, die donkere oerbossen met in de woudreuzen kleine, halfdierlijke mensjes: de Pygmeeën.

Aan één boom zie je een mens hangen in de typische “pose” van een gehangene… En naast de galgboom staat aan één kant een groep meisjes naast elkaar en de allereerste, die je op het fotootje het duidelijkste kunt zien, is de ons bekende, langbenige Flora, al gekleed in partizanenuitrusting: in een gewatteerde broek, vilten laarzen, een korte, gewatteerde jas en met een geweer op haar rug.

Ja, dat is ze, samen met de anderen van de groep, die door de leider naar het bos gebracht waren en vervolgens ontsnapten aan het gevaar van uitlevering door diezelfde leider; die persoon was van een leider een misleide geworden, die ernstige vergissingen beging en had daarvoor van zijn rechters zijn verdiende loon gekregen…

Ken jovedoe chol oveicha, Laat zo al uw vijanden ten ondergaan, staat in Flora’s onverschillige blik op dat fotootje te lezen, terwijl ze omhoogkijkt naar de gehangene.

Inderdaad had de commandant haar met haar vrouwelijke kameraden helemaal vooraan bij de galg neergezet, om te zorgen dat ze al vanaf het begin een leerschool doorliepen en leerden geen krimp te geven telkens wanneer ze te maken hadden met een vijand, een verrader.

Hier had de commandant overigens speciaal aan Flora gedacht, die hij helemaal vooraan liet staan, het dichtste bij de boom, en dat om één speciale reden: toen zij daar aankwam met de leider en in zijn aanwezigheid op het juiste moment haastig en met bevende handen de dichtgenaaide zoom in haar kleren opentrok om het bericht in geheimschrift tevoorschijn te halen, merkte de commandant dat ze tegelijk met het bericht nog iets anders tevoorschijn haalde – hij had gezworen dat het een ring was – dat ze snel met haar andere hand wegstak, opdat anderen het niet zouden zien.

Toen hij haar later vroeg wat ze zo haastig weggestopt had bij het tevoorschijn halen van het geheime bericht, antwoordde ze: ‘Een ring.’

‘Van wie was die?’ vroeg hij streng, om haar te laten merken dat je voor een commandant niets verborgen mocht houden.

‘Van mij,’ antwoordde ze, ‘een aandenken aan mijn vader.’

En of ze wel wist, vervolgde hij, dat we hier niet aan vaders denken, maar alleen aan één ding: richten, schieten en treffen?

‘Ja,’ antwoordde ze, dat wist ze. Maar dat zou haar niet afleiden en juist helpen in deze leerschool, waarin ze nu pas in de tweede klas zat…

Toen begon de commandant wat meer op haar te letten en gaf haar meer aandacht dan anderen en de les die hij haar bij de eerstvolgende gelegenheid gaf was het op de proef stellen van haar moed, toen ze toe moest kijken bij iets wat zelfs moediger mensen onder andere omstandigheden moedeloos had gemaakt…

 

***

Flora doorstond de beproeving en meer nog; ze had niet alleen de eerste les die ze kreeg goed begrepen, maar bleek een van de flinksten en capabelsten in allerlei taken die het verzet in het bos van haar eiste en die iedereen te verrichten had, of het nu ging om eigen initiatieven of om opdrachten die ze van haar meerderen kreeg.

Ze onderscheidde zich zozeer, dat iemand die haar kort tevoren in het getto had meegemaakt niet geloofd had dat ze dezelfde was; als het moest kon ze bliksemsnel paardrijden, bij een aanval te voet was ze onvermoeibaar en kon dagen en nachten zonder slaap toe, en als het nodig was kon ze urenlang geduldig, doodstil en zonder een vin te verroeren ergens in het struikgewas blijven liggen, wanneer in een afleidingsactie uiterste stilte, onbeweeglijkheid en voorzichtigheid vereist waren.

Kortom: ze presteerde zo goed, dat toen de commandant, de rechtlijnige en doortastende jonge Rus van nog geen dertig met het gekruiste draagriemstel over zijn schouders, een keer in een goed humeur was na een militair succes met uitzicht op nog grotere successen, onder vier ogen broederlijk tegen haar zei:

‘Zeg Flora, beste meid…’ Of ze wel wist dat hij haar in een andere situatie dan die hier en nu voor zou stellen aan een heel goede vriend van hem om een levenslange kameraadschap aan te knopen…

Flora begreep zonder verdere uitleg wat de commandant bedoelde en toen hij na de woorden van daarnet een hand op haar schouder legde, zonder commentaar en een beetje tegen zijn gewoonte romantisch-peinzend, draaide ze op een waardige manier onder zijn hand uit, zonder iets te zeggen, maar haar wegdraaien betekende zoiets als:

‘Goed, het is nu niet de tijd en de plaats voor zulke voorstellen…’

Het was inderdaad al oogsttijd, de tijd kwam naderbij dat ze zingend het gewas moesten oogsten dat ze zo bloedig en vol treurnis hadden gezaaid. Het was de vooravond van de overwinning, wanneer de werkelijkheid weldra een legende zou worden waarover iedereen, of hij nu veel of weinig bijgedragen had, meer dan genoeg te vertellen zou hebben en waaraan ook zij, Flora, een groot aandeel had gehad.

Dat zal ze ook doen… Ze heeft immers niet alleen iets te vertellen over de gebeurtenissen tot de tijd dat ze het bos inging, die eerlijk gezegd niet meer dan een inleiding was tot de hoofdzaak, maar ook over die hoofdzaak zelf: de partizanenstrijd in het dichte bos, die ze zelf gezocht had en waarover ze haar vaders zegen had gevraagd, en niet alleen haar vaders zegen, maar die van al haar voorvaderen en haar voorouders tot aan moeder Debora, zoals gezegd de oeroude zangeres van haar volk.

En in de tussentijd, tot ze daaraan begint en tot wij haar toekomstige werk onder ogen krijgen om te zien wat zij ons dan te zeggen zal hebben, zetten wij hier alvast een punt en voegen aan dit verhaal alleen nog wat kleinigheden toe.

 

3

Ja, wanneer, waar en onder welke omstandigheden hebben wij Flora leren kennen?

Plaats en tijd:

9 Mei 1945 in Moskou.

In een joods maatschappelijk instituut, dat in oorlogstijd was opgericht voor het verzamelen en verspreiden van nieuws over de beruchte misdaden van de vijand, werd op die avond van de 9e mei een bal georganiseerd ter gelegenheid van de overwinning op die vervloekten, zoals toen overal in ons land en niet alleen in ons land, maar in alle vrijheidslievende landen die de vijand hadden bevochten.

Naast de medewerkers van dat instituut waren er ook andere betrokkenen uitgenodigd, zoals wetenschappers, kunstenaars, schrijvers en vooral militairen van de generaalsrang tot de laagste rangen, die toen trouwens allemaal zoveel oorlogslintjes en -medailles droegen dat je op hun borst geen plaats meer had gevonden om er nog een op te spelden, en onder de militairen waren ook partizanen, mannen en vrouwen, in uniform of in burger.

Het was een drukte van belang in het gebouw van dat instituut, al op de begane grond bij de garderobe en in alle werkkamers, voor de bezoekers uitgenodigd werden in de grote zaal op de bovenverdieping, waar altijd de meetings en vergaderingen werden gehouden.

Er heerste een geroezemoes als in een bijenkorf, terwijl militairen van verschillende fronten, die zojuist waren teruggekeerd en elkaar lang niet gezien hadden, hun collega’s weer ontmoetten en ook burgers die de hele oorlog hun bijdrage hadden geleverd in het achterland.

Voor iedereen was het feest en toen het hele gezelschap eenmaal werd uitgenodigd op de bovenverdieping, waar in de genoemde grote zaal lange, welvoorziene tafels in een U-vorm voor de drie muren waren opgesteld, en toen de aanwezigen afzonderlijk, met zijn tweeën of in groepjes naar boven gingen, kon je onder degenen die wat later of als laatsten binnengekomen waren een vrij kleine, stevige man zien, niet zo jong meer en al kalend, met pikzwarte ogen en iets van een beer in zijn motoriek, met naast hem een jonge vrouw die je zelfs in een heel grote menigte niet over het hoofd kon zien.

Dat waren Berl Bender en Flora, die elkaar na Berls ontsnapping uit het getto ontmoet hadden in dezelfde verzetsgroep in het bos. Zij hadden zichzelf veel eerder bevrijd dan de soldaten van het reguliere leger en toen de laatste legereenheden hun gebied hadden verlaten om naar het westen te trekken, waren de partizanen eigenlijk niet meer nodig. Ze werden uit de dienst ontslagen. Wie kon ging naar huis en wie geen huis had, zoals Berl en Flora, die net als veel anderen alles kwijt waren, kon gaan en staan waar hij wilde.

Zij wilden naar Moskou. Misschien naar familie of naar vrienden en misschien was de stad zelf voor hen wel een vriend of een familielid.

Het kon best zijn dat Flora hier bij familie vandaan kwam, want als je haar nu met de laatkomers de zaal in zag komen, merkte je dat ze uit een huis kwam, een welgesteld huis, omdat haar kleren, haar hele uiterlijk en de manier waarop ze zich in gezelschap bewoog opviel, niet alleen bij mannen, maar ook bij alle aanwezige vrouwen, die niets meer zagen wat aan “bos” en partizanenstrijd herinnerde.

Ze onderscheidde zich niet alleen door haar uiterlijk, maar ook door haar persoonlijkheid, al hielp haar uiterlijk wel mee… Of ze zo’n jurk nu toevallig in een modezaak gevonden had of er speciaal naar had gezocht, zowel de stof als de kleur en de snit leken op die van de jurk die haar vader, zoals we ons herinneren, had laten maken voor haar eindexamenbal op school, toen ze nog een gelukkig kind onder zijn beschermende vleugels was: de jurk had dezelfde ceintuur van dezelfde witte stof, die op de rug gestrikt was en waarvan de uiteinden afhingen tot op de zoom van de jurk.

Ze trok al direct bij haar binnenkomst de grootste aandacht van praktisch iedereen die haar zag, zozeer dat sommigen meteen bij haar in de buurt probeerden te komen, terwijl anderen, de paar esthetische snobs die we nog overhadden, uit puur enthousiasme een vergelijking wilden maken, niet met iemand van onze generatie, maar met de een of andere historische figuur:

‘Kijk,’ zei een van hen, ‘daar heb je een Henriëtte Herz uit de Duitse Sturm und Drangtijd; Dorothea von Schlegel, op wie een hele generatie romantici afkwam als vliegen op de stroop…’

‘En zij heeft als partizane gevochten,’ zei een ander, ‘meegeholpen om de vijand een kopje kleiner te maken en een eind aan die schandelijke tijd te maken!’

Toen iedereen aan de welvoorziene tafels plaatsgenomen had om een dronk uit te brengen op de feestdag, zaten Berl Bender en Flora recht tegenover de vertegenwoordigers van de joodse kehille van Moskou onder leiding van rabbijn Sjirer, want we moeten nog vermelden dat ook die waren uitgenodigd op het bal ter meerdere eer en glorie van het land.

Hierbij een opmerking over rabbijn Sjirer: al leek hij nog geen vijftig, hij had al een volwassen zoon, zijn enige, die in de oorlog meegevochten had en gesneuveld was, en daardoor was er op het gave, kalme gezicht van de rabbijn met de gesoigneerde, niet zo lange baard zowel de stijfbevroren angst te zien van iedere vader die het dierbaarste verliest wat hij bezit: zijn enige zoon. En tegelijkertijd dat professionele godsvertrouwen dat ervoor zorgt dat dergelijke mensen hun zelfbeheersing niet verliezen en zelfs niet wanhopen wanneer hun het ergste overkomt wat een mens kan overkomen.

Aan het hoofd van de eerste tafel in het midden kon je om zo te zeggen de respectabelste vaders van deze viering zien: de militairen, die ook de eer hadden als eersten te toosten.

Natuurlijk werd er eerst een toost uitgebracht op de overwinnaars, de geallieerde aanvoerders en organisatoren, daarna op de volkeren zelf en vervolgens op de legers, die met doodsverachting gestreden hadden; en iedere militair gebruikte de paar minuten die hem waren toebedeeld om heel wat schitterende voorbeelden te geven van zijn eigen oorlogservaringen en die van de militairen onder zijn gezag, die bewezen hoe moedig en onverschrokken allen zonder uitzondering geweest waren, welke functie of taak ze ook hadden vervuld, en hoe ze nooit aan zichzelf en eigen lijfsbehoud hadden gedacht, maar alleen aan het gemeenschappelijke doel: de overwinning op de vijand, die zo snel mogelijk met bloeddoorlopen ogen zijn eigen, definitieve val moest aanschouwen.

Er spraken ook niet-militairen, die tijdens de oorlog in het achterland hadden gewerkt, en ook die hadden genoeg te vertellen.

Ook Berl Bender kreeg het woord als vertegenwoordiger van het ondergrondse verzet en iedereen luisterde goed naar de bescheiden held onder helden, die het zonder epauletten, zonder munitie, zonder wapens en bijna met blote handen hadden opgenomen tegen een tot de tanden gewapende vijand en die een heel speciaal soort dichters en zangers nodig zouden hebben om hun heldhaftigheid te bezingen.

Toen kreeg ook Flora de gelegenheid een toost uit te brengen, als vertegenwoordigster van de heldinnen; zij was een nog grotere verrassing en toen ze alleen nog maar van haar plaats was opgestaan en opzij keek om zich niet alleen tot haar tafelgenoten te richten, maar tot alle aanwezigen in de zaal, applaudisseerden die al voor een woord van haar gehoord te hebben; van iemand met zo’n postuur, zo’n houding en zo’n uiterlijk konden ze zich absoluut niet voorstellen dat die het bos en de gevaarlijke realiteit van de partizanen nog maar net achter zich gelaten had.

Toen ze was opgestaan en zag dat ze in het vertrouwde milieu verkeerde waarvan ze een tijd geïsoleerd was, sprak ze in haar eigen Jiddisj, dat ze al die tijd in het bos was ontwend; ze deed dat zo dat iedereen trots werd op haar en ook op het feit dat die bron van het volk niet was opgedroogd en iedereen zag daarin een teken dat er na de ramp die ons getroffen had nog jonge vrouwen waren met zo’n uiterlijk, zo’n houding en zo’n welsprekendheid.

Toen ze terloops over een paar episoden uit haar leven als partizane vertelde, leefden de aanwezigen zo mee dat ze onwillekeurig van hun stoel opstonden om haar beter te kunnen zien en horen.

Ze stonden met open mond te wachten tot ze verdervertelde, zo nieuwsgierig en geboeid als dorstige mensen die naar regen verlangen soms kunnen kijken.

Toen sprak ze ook over het getto en legde de aanwezigen die niet op de hoogte waren uit wat dat was, wat er met dat woord bedoeld werd, waarbij ze zei dat als het anders was gegaan, dat wil zeggen als de vijand niet de omstandigheden had gecreëerd die joods heldendom onmogelijk maakten, ieder vermoord kind of iedere vermoorde oudere een bewonderenswaardig en bijna onnavolgbaar voorbeeld had kunnen worden.

‘En daarom,’ zei Flora, die de herinnering hoog wilde houden aan het getto, dat door niet op te geven had bewezen waartoe het eigenlijk in staat was, ‘moeten we daar groot respect voor hebben…’

Toen wist Flora niet wat ze moest zeggen in de respectvolle stilte in de zaal, die even duurde.

Daarna stak ze haar rechterhand op om iedereen de ring aan haar ringvinger te laten zien; nadat ze die met haar linkerhand had afgedaan hield ze hem omhoog als om de waarde ervan te schatten en terwijl ze zich tot de vrouwen in de zaal richtte zei ze:

‘Zusters, deze ring heb ik geërfd van mijn vader, die omgekomen is en die mij door deze ring te geven verloofde met ons verleden, en dat verleden verplicht ons nu een generatie groot te brengen die de draad op kan nemen van het voortbestaan van ons volk tot in eeuwigheid. Laten we dat doen, zusters,’ zei ze, terwijl ze de ring met haar linkerhand weer om haar rechterringvinger schoof als een bevestiging van de zojuist gedane belofte.

Hier juichten de aanwezigen haar toe.

‘Ja, zuster!’ vielen sommigen haar bij en omhelsden haar.

Het enthousiasme over haar optreden was zo groot, dat rabbijn Sjirer, die direct na haar het woord kreeg en die tegenover haar gezeten had en geroerd was door haar woorden, waaraan hij bijna niets had toe te voegen, kon volstaan met weinig woorden; ze bestonden uit een zegen, afkomstig uit de aloude Choemesj:

Achotenoe,’ zei hij tegen Flora als tegen een eigen kind, als tegen de schoondochter die hij voor zijn levende zoon vast en zeker gewenst had, ‘Achotenoe, at chai le’alfei revava: Zuster van ons, wij wensen jou duizend maal tienduizend nazaten toe.’

Meer wilde hij niet zeggen… De aanwezigen vielen hem bij met applaus.

En toen er later niet meer getoost werd en het feestmaal afgelopen was en toen de aanwezigen nog volop in de stemming waren en plezier wilden hebben, begon het personeel af te ruimen en de lange tafels en de stoelen weg te halen om ruimte te maken voor het bal.

Ondertussen was er een musicus achter de piano gaan zitten die veel optrad bij dergelijke gelegenheden in de zaal; meteen liet hij zijn handen opgewekt over de toetsen gaan en de aanwezigen hoorden dat het bal ging beginnen.

Dansliefhebbers waren er genoeg. Maar eerst bleven degenen die wilden dansen aan de kant staan, omdat ze zagen dat er te midden van al die paren één was dat het verdiende om de dans te openen.

Dat was Berl Bender met Flora, die nu ten dans was gevraagd door haar intiemste vertrouweling, met wie ze in het getto, het bos en vele gevaren zoveel meegemaakt had.

De aanwezigen gingen om hen heen staan. Ze hoorden Berl, haar “cavalier”, tegen haar zeggen: ‘Flora, dit is ons moment…’

Toen danste hij rondjes om haar heen als een kozak… Op een onjoodse manier danste hij om haar heen, eerst met zijn rechterhand in zijn nek, terwijl zij naar hem glimlachte, hem aanmoedigde, in de maat meeklapte en ten slotte glimlachend met hem meedanste.

Daarna deed hij hetzelfde met zijn linkerhand in zijn nek, maar deze keer hurkte hij, alsof hij zittend danste.

Zij deed hem na: terwijl ze hem in het midden liet staan, draaide ze met snelle passen om hem heen en je kon aan al haar gebaren zien dat ze met overgave en wat je noemt Gods zegen danste en dat zulke dansen niet in zalen thuishoorden, maar eigenlijk in de vrije natuur.

De aanwezigen gaven hun natuurlijk een enthousiast applaus. Ze zagen wel dat Berl een kameraad was, maar dat ze geen paar vormden, omdat hij te oud voor haar was en door zijn postuur niet bij haar paste.

En later, toen de dans afgelopen was en de volgende zou beginnen, verscheen dan ook de juiste man, een jonge militair, waarschijnlijk van de cavalerie en wat je noemt iemand met allure.

Toen dansten ze een moderne dans, naar de smaak van de jongeren, die zich daarbij meer in hun element voelden.

Toen bewees Flora, die een hand op de schouder van haar danspartner legde, al bij de eerste dans zoveel “klasse”, dat al degenen die niet dansten en aan de kant zaten, opstonden om te wachten tot ze voorbijkwam, zodat ze haar van heel dichtbij konden zien.

Er was dan ook iets te zien, toen haar danspartner zijn hand op haar taille legde en zij haar hand op zijn schouder, en toen aan een vinger van diezelfde hand elke keer dat zij voorbijkwam de ring te zien was die haar zoveel vreugde gegeven had, en zeker toen iedereen dacht aan de herkomst van die ring, een herinnering aan haar vader, over wie ze in haar toost gesproken had.

‘Lang zal ze leven!’ zeiden, nee: dachten de ouderen die aan de kant stonden en een kind zagen waarvoor ouders zich niet zouden hoeven schamen, maar waar ze trots op konden zijn.

‘Moet je zien! Wat een meisje!’ Jonge mannen keken jaloers naar haar en naar de man die zijn hand op haar taille hield en haar nu zo dicht bij zich had.

Het was heel jammer, zeggen wij hier, dat er onder de mensen aan de kant één toeschouwer ontbrak, en wel Flora’s vader, die zich nu, net als toen hij naar haar had staan kijken bij haar afscheid van de school, vast en zeker bescheiden had teruggetrokken tussen de mensen en om haar te beschermen tegen het boze oog gedaan had of hij niet keek. Jammer, heel jammer…

 

Moskou, april-mei 1946

Flora (“Flora”). Uit: Dertseiloengen oen esejen (“Verhalen en essays”), Jidisjer Koeltoer Farband, New York, 1957, pp. 184-256.

 

Der Nister, “de verborgene”, was het pseudoniem van de Jiddisje schrijver Pinches Kahanowitsj (1884–1950). Hij werd geboren in Berditsjev in Oekraïne, verbleef lang in het buitenland en keerde in 1926 terug naar de Sovjet-Unie. Toen politieke druk het hem onmogelijk maakte om nog langer verhalen te schrijven in zijn fantastisch-symbolistische stijl, begon hij in de jaren 1930 aan een roman die tot op zekere hoogte beantwoordde aan de normen van het socialistisch-realisme. Van deze roman, Di misjpoche Masjber (“De familie Masjber”), verscheen deel I in Moskou (1939), maar deel II kon alleen in New York gepubliceerd worden (1948) en er is vermoedelijk een deel III geschreven, dat echter spoorloos is. De familie Masjber speelt in de jaren 1870 in een stad gemodelleerd naar Der Nisters geboorteplaats en behandelt de ondergang van een familie. In deze website zijn al zijn verhalen uit de jaren 1940 opgenomen, die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Ze schilderen op een subtiele manier vele aspecten van de jodenvervolging in het door Duitsland bezette Polen en Rusland, waarbij ze volgens getuigen gebaseerd zijn op historische gebeurtenissen. De meeste verhalen verschenen in de Verenigde Staten en pas lang na Der Nisters dood in de Sovjet-Unie, echter in een sterk gecensureerde versie, waaruit veel joods-religieuze elementen verwijderd waren. In het kader van de officiële liquidatie van de Jiddisje cultuur – in de nacht van 12 augustus 1952 zouden twaalf belangrijke Jiddisje auteurs vermoord worden – werd Der Nister in 1949 gearresteerd en naar een concentratiekamp gedeporteerd, waar hij in 1950 overleed.

 

Woordenlijst

 
Achotenoe, at chai le’alfei revava, Zuster van ons, wij wensen jou duizend maal tienduizend nazaten toe (Genesis 24:60).

Asjer tipachti veribiti oibi kilam, De kinderen die ik baarde en grootbracht, worden door mijn vijand gedood. Klaagliederen 2:22.

bensjen, zegenen.

Choemesj, de vijf boeken van Mozes: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium.

Herz, Henriëtte (1764-1847), organisator van een salon in Berlijn waarin voorstanders van joodse emancipatie elkaar ontmoetten.

Heveta jom karata vejihejoe kamoni, De dag die u had bepaald, brak aan. – Laat hen nu delen in mijn lot! (Klaagliederen 1:21).

Jisgadal vejiskadasj sjmej raba, Moge Zijn grote naam verheven en geheiligd worden; gebed voor een dode.

kehille, joodse gemeente.

Ken jovedoe chol oveicha, Adonai, Heer, laat zo al uw vijanden ten onder gaan! (Rechters 5:31).

Majim sjaäl, chalav natana, Water vroeg hij en melk kreeg hij (Rechters 5:25).

Menasse Ben Israël (1604-1657), joods geleerde in Nederland.

moire, leraar.

(ogen): “die … hun leven riskeren en bij wijze van spreken zelfs hun eigen ogen opofferen om de vijand een oog uit te steken”, omkering van het gezegde “zichzelf een oog uitsteken, maar bij de ander twee ogen”. Uitdrukking van wraakzuchtigheid, hier veranderd in uitdrukking van opofferingsgezindheid.

Peitsche, zweep (Duits).

Schlegel, Dorothea von (1764-1839), organisator van een salon waarin voorstanders van joodse emancipatie elkaar ontmoetten.

Sejfer Ha-Refoeës, geneeskundig boek.

trejf, niet-koosjer, onrein.

Vaäni al nehar kevar, En ik bij het Kebarkanaal (Ezechiël 1:1).

Vaäni betoch hagola, Toen ik te midden van de ballingen (bij het Kevarkanaal woonde) (Ezechiël 1:1).