Fabels 37-109

r

 

Eliëzer Sjteinbarg

 

Rook en wolk

Nu eens wil ik opstijgen met de rook

De schoorsteen

37. De rook en de wolk
38. De slimme rivier
39. Meneer Indewolken
40. Open vraag
41. De Amerikaan
42. Twee eenden
43. De zwemmer
44. Het briefje
45. Twee kippen
46. De held
47. Reb Mopneus
48. Kattig medelijden
49. De belangrijke figuur
50. De intelligente beer
51. Het nut van de aarde
52. De hond en de ganzen
53. Twee wijzen
54. Het peper-en-zoutstel
55. En het geschiedde als de ezel vluchtte
56. Amnon en Tamar
57. Het bord
58. Reb Miezemuis
59. Wielen
60. Vliegen
61. De vliegende vis
62. Het leven is mooi
63. Twee ezeltjes
64. Het boze dak
65. De herfstdag en de klok
66. Der zok
67. De barmhartige
68. Het echtpaar
69. De haan en de kalkoen
70. De molen
71. Paardjes
72. Het hemd en het jasje
73. De broek van reb Berl
74. Twee draden
75. Het gat in de bagel en de koperen knopen
76. De handdoek
77. De baard
78. Koosjer
79. De adelaar en de vlinder
80. De kalkoen
81. Reizigers
82. Muren
83. De spiegel en het beeld
84. De profeet
85. De waarheid
86. Een aanklacht tegen God
87. De ezelachtige ezel
88. De zakdoek
89. De dappere kersenpit
90. De zakdoek en de neus
91. Het ontwaken van het bos
92. De trein
93. De adelaar en de mol
94. De dans (de grote trom)
95. De regenboog en de vissen
96. Ke-koe-ak
97. De bruidegom
98. Het slechte gerecht
99. De hond en de zee
100. Zegening van de nieuwe maan
101. De geleerde
102. Rasji
103. Mirjams bron en de vuurzuil
104. De kraai en de koekoek
105. Oude vrienden
106. De hele wereld
107. Schoentje, boekje, doekje
108. Speculatie
109. De klok en de gaon van Wilna

 
 

Rook en wolk

Nu eens wil ik opstijgen met de rook,
Dan weer wil ik afdalen met de wolk.
En tot oplossing komen zal ik ook
In tranen in dor gras of op een pol!

 

De schoorsteen

Hij verheft gedachten en gedachtetjes,
Kringelt, slingert hen de ruimte in aldus.
Die worden dan tot een wolk verdicht,
Op het zicht
Massa’s rook loodzwaar en zwart,
Met een bliksem en een knal die zelfs de geest verwart.
Zegt de schoorsteen: ‘Niet voor niets reikt hij zo hoog, mijn schacht:
Mijn gedachte overweldigt werelden met al haar kracht!’

 
 

37. De rook en de wolk

Als een naakte ziel, die ’t lichaam uitgaat in een laatste zucht
Slingert er en kringelt er en wervelt er daar door de lucht
Zwarte rook de schoorsteen uit,
Ver de hoge, blauwe ruimten in, vrijuit –
Tot die ergens in het hemelse azuur
Een wolk tegenkomt, zo puur.
‘Wolkje, en wat zoek je wel
In die hel?
Je bent gek!’
Zegt de rook tegen het wolkendek.
‘Vraag mij raad! Ik kom daar net vandaan. Ik was een boom voordien.
Hoe ik groeide, hoe ik bloeide had je kunnen zien.
Ik kon God en mensen dienen met mijn lover,
Zorgen dat de zon vermoeiden niet kon stoven,
Ik bood vriendschap en ook gastvrijheid,
Maar ik kijk terug met erg veel spijt,
Want met ijzer en met vuur werd voor mijn vriend’lijkheid betaald.
Pas op voor je leven als je daalt!
Boven zijn de sterren, kom met mij daarheen:
Zuiv’re vonkjes zonder lichaam, rein, sereen.
Kijk, ze wenken, roepen ons bijeen!’
‘Nee, ik moet omlaag, mijn weg verloopt langs and’re banen!’
‘Kind, waarom?’ ‘Ik heb een hart met donder, bliksem en met tranen!’

 
 

38. De slimme rivier

Een rivier zei op een keer:
‘De rivieren stromen naar de zee, steeds weer!
Dat begrijp ik niet: zijn er te weinig wegen?
Is er geen dor land, vergeten door de regen?
Plaatsen waar ze dorstig snakken naar een druppel water?
Kan ik niet veel beter daarheen? Want de zee wordt toch wel natter!
Als je stroomt, maak je lawaai! Geen tijd om bij gedachten
Stil te staan, behalve in de nachten,
In de stilte!
Nee, ik ga niet mee! Ik zoek – ik zoek een nieuwe weg!
Luister wat ik zeg:
Als de o zo hoge zee, de zilte,
Zeggen zou: kom maar eens kijken, daar
Heb je al mijn parels en ook een sirene
Zonder benen,
Neem ze maar –
Nee en nog eens nee! Voortaan ga ik hem mijden!’
De rivier begon te kronk’len en te snijden
Door de bossen,
Woeste mossen,
En door velden droog als gort.
(Mooie sport!)
Zegeningen kreeg hij waar hij was gekomen,
Door de kiezels werd hij dolblij opgenomen.
De rivier die kronkelde maar door en door en door,
Notoir,
Zocht steeds nieuwe wegen, totdat hij belandde
In de hete woestijnzanden,
Waar de zon met ovenhitte brandt.
En zijn poging strandde?
Vraag het aan het zand!
Nieuwe wegen zoeken? Ja, een goed idee!
Maar mijd een woestijn als bij de Rode Zee!

 
 

39. Meneer Indewolken

‘Wat een wereld is dit, ach!
Alleen goed voor dommen en dat slag,
Dat is al een oude regel!’
Roept de ezel kregel
Over een komkommer in het zuur.
‘Ik had rechter kunnen zijn, een vooraanstaand figuur,
Die de hele stad
Zogezegd gedragen had.
Want mijn schouders zijn, God zij geloofd, heel breed;
In mijn buik liggen gereed
Tal van plannen en ideeën,
Schitterend en fijn op maat gesneeën!
Als men mij de vraag had voorgelegd,
Dan had ik gezegd:
Paarden hebben altijd wagens voortgetrokken,
Dat is overtrokken:
Voortaan moeten wagens paarden trekken!
Of ik zou een nieuw idee tot leven wekken
Over rituele slacht.
Alles is nu vrij: wie wil, die slacht!
Slachten dat komt hierop neer:
Snij een hals en pluk een veer –
Klaar, meneer!
Ieder kan het met deze methode,
Slager, badman, hond. En ik had elke hond geboden
Een bonthoed en een kleine talliet:
Slachten mag je, hond, maar blaffen mag je niet!
Dan had je op straat geen blafje meer gehoord.
Enzovoort.
Balk maar en klets het publiek maar plat
Dat –’
‘Onzin! Dat vertel je nu tot in den treure!’
Laten we hem maar in stukken scheuren,
Die hond is niet aan het zeuren.
‘Ja, hij heeft gelijk, maar ach,
Overal hoor je gelach.
Sorry, meneer Indewolken,
Wijsheid wordt tot dwaasheid, wil een ezel haar vertolken!’

 

bonthoed: gedragen door zeer vrome joden.
talliet: gebedsmantel.

 
 

40. Open vraag

Soms wil een gek iets buiten de orde:
Eensklaps wou de ezel rov in Wilna worden!
Wat trok hem zo aan
Om als dorpsgek naar de synagogelessenaar te gaan?
Was het de Tora?
Maar die gaf de molenaar hem na.
Zonder meel geen Tora, staat er in de Misjna toch geschreven?
Bij je meel wordt je dus de Tora gegeven!
Door een toeval had hij dat ontdekt
In een afgeluisterde discussie en het had effect,
Het beheerste hem al dagen
En het was hem in zijn bol geslagen.
En een landweg liep de ezel af,
Op de treurdagen van Av,
Als het droog is en maar niet wil regenen
En geen hond een snipper vlees of bot heeft om te zegenen,
Vond de ezel Wojtek-Rojtek op zijn pad,
Een bekende rode jachthond, die niet-koosjer vrat,
En ze maakten in stilte afspraken:
‘Hond, als jij van mij een rov kunt maken
En mij helpt om bij de joden op de zetel van de rov te kruipen,
Maak ik jou tot slachter die zich kan bedruipen,
En je vrienden en familieleden, al die leuke en die blije,
Worden dan keurmeester bij de slagerijen.’
En bij honden is het: zo gezegd en zo gegeten.
Net hadden ze elkaar ingepalmd,
Hoorde je in alle straten hondenkreten:
‘Rov, treed af! Wat heb je aan een olielamp die walmt?
Wij hebben de slimme ezel, rabbijn der rabbijnen,
Die zijn licht van oost tot west laat schijnen!
Hij is knap, deskundig, oordeelt vliegensvlug
En brengt de Messias op zijn rug!’
Misschien wilt u me nu straffen –
Honden blaffen,
Maar ze weten wat ze willen!
(Al is het een hele afstand van willen naar Wilne.)
Toch moet u eens luist’ren: ook de haan kraaide zijn commentaar vandaag
En gans, eend en geit kwaakten en mekkerden gestaag!
Willen schapen en de kippen in de hof
Ook de ezel als de nieuwe rov?
Open vraag!

 

rov: geestelijk leidsman.
Wilna/Wilne: het tegenwoordige Vilnioes in Litouwen.
Misjna: de joodse religieuze wetgeving.
treurdag van Av: joodse religieuze treurdag op de 9e van de maand Av.

 
 

41. De Amerikaan

Hyper
Pieper
Lijkt me als aardappel heel gewoon,
Maar als een zwaarlijvig en Amerikaans persoon
Heeft hij een bijzonder rijke fantasie:
Luchtkastelen bouwen, dat is het patroon.
Tussen rapen en uien gezeten voert hij de regie
In een mandje onder het fornuis,
Als een rijke gast bij armere familieleden thuis,
En hij pocht:
‘Het is niet zo gek dat ik jullie niet vaak bezocht.
Het bevalt me hier veel minder.
Want daarginder,
Op het erfgoed van mijn dromen,
Tussen notelaars en kersenbomen,
Staat mijn huisje onder ’t bladerdak dat wiegt
En als ik er zin in heb, dan vliegt
Het zomaar de hemel in…’
Ieder houdt zijn adem in.
‘Ik ben daar vaak gast.
Dan neem ik mijn huis en bind het vast
Aan de knevel van de morgenster.
En dan praat ik wat en wandel er.
Of ik ga wat liggen aan de hemelzoom
En heb dan een zoete droom.’
‘Maar dat is toch prachtig!’
‘Prachtig, zeg je? Nee, het is reusachtig!
Niets kan dat maar evenaren,
‘k Ben een zonnebloem tussen de korenaren!
Luister eens: als jullie geen droog stro zijn dat kan knappen,
Zal ik jullie een geheim verklappen:
Ik kreeg een liefdesverklaring van de zon.’
‘Wat? De zon? O God, ik dacht niet dat dat kon!’
‘Maar ik zei haar dat ik het niet deed,
Zij was niets voor mij: ze was gesmolten en te heet…
Zomaar een liefkozing of een kus was niet bezwaarlijk,
Maar de ware liefde was gevaarlijk!
Bovendien lonkte er nog naar mij een gouden wicht,
En haar naam was Sterrenlicht,
Stralend haar gezicht,
Maar ze had haar reputatie tegen.
Helaas ging ze om mij zelfmoord plegen
En ze sprong en werd tot sterrenstof uiteengereten!
Maar ik ben niet schuldig, rein is mijn geweten:
Waarom zocht ze het dan ook zo hoog aan het hemelgewelf?
De voornaamste regel is toch: ken jezelf!
Wie zichzelf niet kent, die eindigt in het graf!’
Zegt de aardappel en gaat dan op een aardig uitje af.
Kortom: Hyper Pieper is een bluffer en een pieper,
Maar daar hij vandaag gestorven is, ga ik niet dieper.
Nu dit hier ter sprake komt schiet me nog iets te binnen:
Ga niet aan het omlaaghalen van een ster of zon beginnen
Als je ooit een ui voor je wilt winnen.

 
 

42. Twee eenden

In een beek, een kleine
En niet altijd overdreven reine,
Spartelden twee eenden, gingen kopje onder
En verzorgden met hun snavels hun veren bijzonder,
Want er was een wonderwerker, hadden ze vernomen,
Helemaal uit India gekomen,
In een zwarte jas en een talliet bestikt met goud,
Met een onderkinnetje, de snavel goedgebouwd;
Hij spreekt algemeen beschaafde vogeltaal
(Klinkt veel mooier allemaal!)
Beide eendjes prepareren zich met energie
En ze baden wel een uur of twee (of drie).
Een belandt er op een modderige plek
En krijgt nog meer smeerboel om haar bek.
Is het rituele bad voor niets geweest?
En haar buurvrouw? Die is vlekkeloos: een feest!
Werpt die dan echter een blik op haar vriendin,
Ziet ze al gauw in:
‘Nee, die is niet schoon genoeg,
Niet schoner dan ik met mijn gezwoeg.’
Dat kan beter! ‘Nog meer spoelen!’ zegt ze, ‘keer op keer!
En de vuile? Die is trots, ondanks de smeer:
‘Als zij mooi is,’ zegt ze, ‘dan ben ik het des te meer!’

 

talliet: gebedsmantel.

 
 

43. De zwemmer

Diep in mijn herinnering
– Opa zat nog op de po –
Wandelde een gouden ring
Eens met een plumeau.
(Waar en hoe kwamen die elkaar tegen?
Die vraag komt wat ongelegen,
Probeer vragen over fabels te vermijden!)
Over bochtige en kronkelende wegen,
Waar geen wagens rijden en geen arrensleden glijden,
Liepen zij en liepen zij en op hun schreden
Deden zij wat alle lopers deden,
Praten en wat babbelen, tevreden,
Tot ze daar benee
Arriveerden bij de Dode Zee.
En toen zagen zij het mes er,
Nog van koning Salmaneser.
En dat vroeg: ‘Wie zwemt het beste?’
‘Ik!’
De plumeau sprong als de beste:
‘Kijk hoe ik het flik!’
Op het water werd hij vederlicht gedragen
Met zijn dons,
En de ring besloot hem na te jagen,
Met een plons
Ging die ook in zee.
Toen maakte het mes in ’t hart een snee:
De plumeau bleef boven, maar de ring ging naar benee!

 

*

Voor een vederlichte babbelaar
Is het blijven drijven helemaal niet zwaar.
Wel voor and’re dingen:
Zware gouden ringen.

 

Salmaneser: naam van verschillende Assyrische koningen in de Oudheid.

 
 

44. Het briefje

‘Beste Avi Salomon,
’k Schrijf je weer een keer.
Ik leef, God zij dank, en ben gezond,
Maar de benen doen hun plicht niet meer.
Ik weet niet of al het lopen hun te veel gaat worden,
Maar ik hoorde dat ze morden.
‘Rijden,’ vinden ze, ‘is veel gezonder.’
Maar een been dat zo praat is een luie donder…’
Deze woorden schrijft de hand.
‘Is hij wel bij zijn verstand?’
Roept de grote teen, ‘hij is van slag!
Iemand die bij ons de laarzen poetsen mag,
Iemand die nog geen teennagel waard is
En die nu iets schrijft wat heel afkeurenswaard is!
Wij willen niet lopen, liever met de wagen gaan,
Al dat zwerven staat ons niet meer aan,
Lopen maakt ons zweterig,
Is dat zo betweterig?’
‘In een open rijtuig willen ze, de heren,
En dan in een luxe slee de sneeuw trotseren!
Ga je gang, ik geef de vrije hand,
Heb je geen geld? Geef je laars als onderpand!’
Probeert nu de hand hen te beleren.
Waar zit hun verstand?
In hun hielen.
En maar draaien op hun hakken, de sjlemielen,
En maar stampen, het begrip ontbreekt ten enen male:
‘Dus wijzelf en niet de handen gaan betalen?’
De hand brengt een vinger naar het voorhoofd toe
En hij denkt: ‘Nou moe,
Bij die lui gaat het er vreemd aan toe!
Maar betalen moet ik toch,
Want ik was die domme voeten en poets ook hun laarzen nog!’

 
 

45. Twee kippen

Van de een komt steeds geklaag.
Wat daarachter zit, dat is de vraag.

 

*

Daar zitten twee kippen al een poos,
Een is helaas kinderloos:
Met haar eieren is iets gebeurd en dat is zuur.
Maar haar buur
Heeft het lot welwillender bejegend:
Zij is met tien deugnieten gezegend.
Met haar snavel is ze telkens aan het pikken.
‘Hoor eens,’ zegt ze, ‘als je moeder bent moet je veel slikken,
Kuikens hebben aandacht nodig!
Alles doe ik voor mijn kuikens en dat ga je merken.
Als ik ergens maar wat mest vind, wil ik die wegwerken.
Doe ik dat dan voor mezelf? Nee, het is helaas nodig.
Het is voor hun bestwil. Is een moeder overbodig?
Luisteren ze naar hun moeder?
Absoluut niet! Kijk eens naar dat kleine loeder,
Mooi, nietwaar? Maar wel wat smerig rond zijn snater!
En totaal niet angstig voor de kater!
En als ik hem roep, dan weet hij altijd weg te wippen.
Eieren zijn, denken ze, slimmer dan kippen.
En die deugniet daarginds bij zijn vader, is die beter?
Voor geen meter!
Wat een ramp, ik hoop dat het niet erger wordt!
Vandaag heb ik hem weer eens beknord.
Een vervelend kuiken, dat is het!
Hij had zich zo klemgezet
Dat ik dacht: het is voorbij, uit met de pret!
En daar verderop, die stille rakker?
Die is ook een ramp, hij houdt me wakker!
Eerst
Vocht hij bijna met de kalkoen om een korrel gerst!
En dat gaat maar door, vandaag en morgen!
Zorgen heb ik, zorgen!’
‘Tok, tok, tok, tok, wat dan nog?
Houd je snavel toch!’
Roept de buurvrouw en dan pikt ze met een ruk
In haar kop. ‘Stuk ongeluk!
Klagen en mij plagen met geluk!’

 

*

Opvoeden? Weet waar je aan begint.
Maar ’t is beter dan geen kind.

 
 

46. De held

Elke keer
Stapt hij voor de schutting heen en weer
Met krachtige passen, deze haan,
Alle zeven vrouwen kijkt hij vol trots aan
En zijn blik zegt continu:
‘Kukeleku, kukleku!
Ik ben een haan uit één stuk
En ik geef jullie geluk!’
Plotseling en onverwacht verschijnt de vos en rustig aan
Geeft hij hem de zegen: ‘Meneer Haan zal gaan!’
In een oogwenk vlucht de haan uit de benarde veste.
‘Blijf toch staan, mijn beste!’
Roept de vos, ‘hij is me de held wel!
Kijk toch eens, hij krijgt al kippenvel!
Is hij taaier,
Die meneer de grote kraaier,
Op de schutting of het erf?
Ik dacht: ik zeg vast widoei voor ik sterf,
Voor hij me aanstonds onaardig gaat bejegenen.
Donder, bliksem is er al, alleen wil het niet regenen!
Nou, voor wie ben ik zo bang met name?
Voor je vrouwen mag je je nu toch wel schamen!
Je springt op de schutting. Is dat goed?
Geef die vrouwen toch een held met moed!
Want met heldendom moet je hun hartjes winnen
En niet als een haas maar aan de vlucht beginnen!’
‘Kijk, die duivel,’ kraait de haan nu luid,
‘Wil zijn krachten met mij meten, daagt mij uit!
Als jij sterker bent, nou, wat dan nog? Wie lacht,
God verhoede, om een zwakkere? Nee hoor, er wordt
Juist gelachen om wie zich dwaas in gevaren stort,
Daar hij anders laf gevonden wordt!
Duivel, verdwijn, sterf!’
En de haan springt van de schutting op het erf.

 

Widoei: gebed met schuldbekentenis van een stervende.

 
 

47. Reb Mopneus

Op de neus daar staat een bril.
En reb Mopneus
Heeft daar wel wat last van, want de bril die drukt,
Maar dat is niet echt wat hem bedrukt;
Nee, het afgaan voor de mensen is niet wat hij wil.
‘Hierop moet ik zitten,’ zegt de bril,
‘Dit is toch het hoogste deel van het gezicht?
Nou, dat vindt zichzelf een heel groot licht.’
‘Schoppen ze hier,’ zegt reb Mopneus, ‘soms een rel?
Dan wens ik ze naar de hel!’
‘Houd je bek!’
Roept de neus, ‘vetvlek!’
(Met een neus lukt geen verfijnd gesprek.)
‘Jij bent,’ zegt de bril, ‘hier boven bij de baas
’t Bovenstuk van het gezicht, helaas.
Als gereedschap ben je wel wat raar,
Vraag de zakdoek maar!
Ja, meneer, je bent wel rood en groot van stuk,
Maar je maakt je veel te druk!
Toch mag je hierboven blijven dazen,
Dat alle verstandigen en alle dwazen
Zeker weten
Waarom Mopneus zo moet heten.’

 

*

Wat zegt u? Vindt u dit dubieus?
Deze fabel was mijn keus
Omdat ik wel houd van prikkels in de neus!

 
 

48. Kattig medelijden

Naast het keukenfornuis stond een pook
En die raakte hevig van de kook,
Luchtte toen haar hart tegen de kat:
‘Niemand heeft hier meelij en ik krijg geen rust: ik ben het zat!
Hebben zij het vuur net aangestoken,
Halen ze mij om het op te poken.
Noem je dat rechtvaardig? Nou, ik vind het zonde.
Ook ik heb een hekel aan brandwonden.
Waarom vraagt niemand zich hier af wat ik ervan vind?
Als het dienstmeisje tegen de hond een scheldpartij begint:
Hij wil niet meer opzitten en pootjes geven,
Want ze heeft die slokop te veel toegegeven –
Op wie wordt dat afgereageerd? Wie is de klos?
Froeme die pakt mij en slaat er maar op los!
Ik moet dan de hond zijn rug gaan breken.
Heb ik dan geen recht van spreken?
Heeft zij, God verhoede, zelf geen handen?
Trouwens: waarom krijgt de hond een reprimande?
Froeme is onhandig en de hond is bijdehand!
Of ze nu witheet is of alleen maar aangebrand,
Altijd weet ze wel het vuurtje op te stoken
En dan pakt ze mij – om Godswil! – om erin te poken!
Laat me toch met rust! Is een pook een remedie tegen blaffen?
Komt het dan in orde door de hond te straffen?’
‘Wat? De hond?’ zegt dan de kat met kippenvel,
‘Ja, die ken ik wel.
Liever nog dan in zijn bek beland ik in de hel!
Als hij bij de deur staat dan word ik niet blij.
Beste pook, doe maar iets nuttigs en sla hem ook namens mij!’

 
 

49. De belangrijke figuur

Nacht’lijk duister is nu doorgedrongen
En het krekeltje is uitgezongen.
In de keuken vertelt het fornuis
Een verhaaltje over een kabouter hier in huis:
‘Eerst bleef hij nog boven,
Naast de schoorsteen van de oven.
Later, toen in het fornuis floten de winden,
Ging hij naar de kelder, waar hij nog een schat zou vinden.
Sjabbats en feestdagen was hij bezig walnoten te kraken
En een voorraad lege doppen voor de armen aan te maken,
Tot ze die kabouter kwamen pakken –’
‘Gekheid,’ zegt de pook, ‘het is jullie een poets aan ’t bakken!’
(Laat die domoor in de hete kolen zakken!)
‘Onzin, pook,’ zegt het fornuis, ‘jij denkt dat ik hier sta te liegen?
Is het onzin dat ik ze zie vliegen,
Al die geesten en die duivels, suizend door de schoorsteen
Naar hun meester, dienaar onder Salomo voorheen?
Ik verwacht beleefdheid en een beetje tact:
Bedenk wie hier brood en koek en challe bakt
Voor de trouwpartijen en besnijdenissen!
En je moet je niet vergissen:
Ik ben van ons beiden toch de oudste, dat hoeft geen betoog!
En nu zwijg ik, want het zit me hoog.
Laat de pook maar iets vertellen!’
Maar de pook laat zich de wet niet stellen.
Is hij dom? Beschaamd? Is dat terecht?
‘Op een keer,’ zegt hij, ‘werd ik betrapt hier door een knecht,
Denk je dat het me wat deed? Ik zat niet in de rats,
Nee, ik gaf hem gauw een knats!
Knechtenvoet onder die kaftan, donder op!’
‘Ja, het is een mooi verhaal, maar wel wat kort,’ antwoordt de schop.
‘Heb jij in een hevig straatgevecht ooit stukgeslagen
Zeven stokken en de dissel van een wagen?
Ons heeft het verhaal niet zo verwonderd,
Want we hoorden het al wel een keer of honderd.’
‘Rustig aan,’ verzoekt de deegrol allen
(Hij is altijd kalm en nog nooit uit zijn rol gevallen),
‘Misschien heeft de bezem ons iets te vertellen.
Hij loopt zich soms wel een beetje aan te stellen,
Maar hij is belangrijk en voor hem gaan alle deuren open,
In de zaal, de slaapkamer, overal mag hij lopen!’
‘Heel belangrijk,’ vindt de kat, ‘zowaar als ik het zeg.
Meneer Bezem brengt hier altijd alle rotzooi weg!’

 

*

Heel de nacht werd in de keuken geen verhaaltje meer gehoord.
En de pook, die het zo had gestoord,
Kreeg van het fornuis zijn trekken thuis:
Branden op de kolen van ’t fornuis.

 

challe: sjabbatbrood.

 
 

50. De intelligente beer

Ergens in Egypte, in de streek van Gosen,
Waar je overal de Nijl hoort stromen,
Kun je uit de holen, woestijnen en bossen
Dieren bij elkaar zien komen
Voor verhalen over tovenaars en farao’s
Die de Nijl vertelt; de nacht luistert dan ademloos,
Want de Nijl weet de verhalen steeds weer anders in te kleden.
Op een keer komt daar optreden,
Met een lang betoog, de olifant.
Hij is filosofisch aangelegd.
(Bij de dieren is er ook een Kant!)
En met zijn glasheldere verstand,
Heel goed onderlegd,
Als de nachtheks, die de zwarte beer gaat slachten,
(En dus als de nieuwe maan in held’re nachten),
Toont hij duid’lijk aan dat alle dieren dwalen:
Ogen hebben ze wel, maar hun hersens falen,
En dat leidt dan tot hineininterpretieren.
‘Mensen,’ zegt hij, ‘noemen ons zelfs schadelijke dieren.
Mensen hebben ook besloten
Dat de aarde staat maar op twee poten
En niet, zoals wij het zien, op vier,
Omdat zowel daar als hier
Men met echt denken nog moet beginnen.
En de wereld is iets wat wij spinnen
Als een spin een web, met een beperkte blik,
Beter uitgedrukt: vanuit ons ik…’
Zo pijnigt hij ieders brein.
Onder zijn gehoor, rechtsachter om precies te zijn,
Zit meneer de Beer ook in zijn jas van bont,
Open hangt zijn mond,
En hij denkt: de duivel zal nog in me varen
Door die halvegare!
Als hij hoort
Van de filosoof het laatste woord,
Staat hij op, als waardig heer,
Kucht een keer
En glimlacht dan deftig:
‘Ja, dat was wel even heftig!
Maar ik zie de kern van het betoog met scherpe blik:
Spreken dat moet ik,
Noch de wereld, noch ikzelf voor mijn gevoel
Zal weten wat ik bedoel –
Maar ze vinden mij een beer van eer!
Die meneer de Beer is niet zomaar een beer!
Van hem kun je leren,
Want hij is de slimste van de beren!’

 
 

51. Het nut van de aarde

Koude.
’t Draaien van de molen is nu opgehouden,
Bergen kristal zie je tussen de wieken tevoorschijn komen.
Op zijn blote tenen, tussen kersenbomen,
Nadert in een fraai versierd gewaad een dorpse, frisse nacht.
Door het veld wordt nu diep nagedacht.
En wat denkt een veld? Het prakkiseert:
Dient de aarde voor de aren? Of is ‘t omgekeerd:
Heeft God met de fraaie aar de aarde gewaardeerd?
En bij wie kom je met deze vraag het verst?
Tja, natuurlijk bij de gerst.
“De professor” is de naam waarmee hij prijkt.
Dat is niet toevallig: als je beter kijkt,
Zie je dat de snor bij hem een beetje groter lijkt.
Wie anders dan hij
Kan een antwoord geven op die vraag? Hij is goed bij.
Inderdaad. En in de duisternis verschijnt een licht,
Want volgens de gerst is deze vraag genoeg belicht.
‘Ik heb,’ zegt hij, ‘over deze kwestie lang gedacht,
Totdat in een nacht,
In een droom, een oude gerstaar mij het antwoord bracht:
De gerstaren leven van de aarde
En van gerstaren leven de paarden.’

 
 

52. De hond en de ganzen

Op een keer wilde een hond zich graag kunnen beroemen
Op wat de intelligenten noemen
Fijn begrip en tact…
Hij kwam van de vuilnisbelt en uit een hutje scheefgezakt
Op straat bij de slagerij –
Hoe kwam hij op het idee? Doet er niet toe: hij bleef erbij.
Want zijn vrienden gingen hem vervelen, al die domme honden,
Hij had ze gewogen en te licht bevonden.
En zo’n slager: wat een grove bek,
Net zo vol met vloeken als zijn dikke buik met spek!
En wat koeioneren zij de slager! Eerst dacht hij: ‘Komaan,
Moet een hond achter zijn slager staan?’
Maar wat hem ergert is die ondankbaarheid:
Als de slager hen met iets verblijdt,
Klagen ze over zijn zuinigheid!
Geeft hij lever of een long,
Dan is het: ‘Nee, ik wil tong!’
Eén
Geeft de slager rib – dan is ‘t: ‘Ik heb alleen maar been!’
Benen, kun je daardoor dan vergiftigd raken?
En wat zegt de slager? ‘Benen hebben alle smaken!’
Maar dan zeurt de slagersvrouw de slager aan zijn hoofd
En gaat net zolang door tot reb Chajiem nog meer vlees belooft.
Dat wordt door de slager met een spreekwoord aangevuld:
‘Tobias zondigde zondag: maandag krijgt de schuld!’
Wie de meeste narigheid doorstaat?
Vraag dat aan de stok! Eerst krijgt de kat wat klappen
En dan mag de hond naar adem happen.
Waarom? De intelligentie is er niet!
Bij welk dier je die dan eerder ziet?
Hond of kat of varken? Nee, denk dat maar niet.
En terwijl de hond op die gedachten broedt
Komt hem een troep ganzen tegemoet,
Helder, zuiver, slank en wit:
Heel intelligent is dit!
En ze zeggen: ‘Goedemorgen!’ En hij: ‘Dank je wel.’
Hoe het gaat, vraagt dan het stel
En hij antwoordt: ‘Tja, ik kom tekort,
Telkens weer te weinig op mijn bord,
Zeven honden op één been!’
‘Waarom benen? Eet toch liever gierst alleen!’
En hij zegt: ‘Wat denk je dat ik ben? Kom nou!
Als ik gierst kauw, is het of ik hout of aarde kauw…’
‘Horen jullie dat?’ Ze kijken elkaar aan.
‘Verder praten heeft geen zin, we gaan!’
De hond kijkt hen na en kan zijn meelij niet verhelen:
‘Weten niet eens hoe een been smaakt! Arme intellectuelen!’

 
 

53. Twee wijzen

Bij de geit
Wilde de os een keer kwijt:
‘Een geheim! Heel vroeger zei mijn mama dit,
En ik geef het door aan jou: er is een soort van pit,
“Kersenpit” geheten
(Zeker weten),
En als het je lukt die pit goed door te slikken,
Krijg je vleugels, zing je als de leeuweriken!’
‘Echt?’ ‘Ja, want mijn mama hield dat vol bij hoog en laag!’
‘Waar zit die pit?’ ‘In de nachtegaal zijn maag.’
‘Dus wil je de pit van de gezangen,
Moet je wel de nachtegaal eerst vangen!’
‘En herkauwen in twee gangen!’
‘Maar om die te vangen moet je toch met vleugels kunnen zwaaien?’
‘Vleugels, ja, dat denk ik. Misschien zwarte, net als bij de kraaien,
Witte, net als bij de duiven, of zelfs rood of geel…’
‘En waar haal je die vandaan?’ ‘Och, weet ik veel!
Als je die pit doorslikt, krijg je vleugels op je rug!’
‘En die pit?’ ‘O, geitje, geitje, daar heb ik niet van terug!
In de nachtegaal zijn maag, dat zei ik jou!’
‘Eh, mè, mè, mè, wat ik zeggen wou…
Laat me mijn verhaal afmaken…’
‘Slim,’ glimlacht de os, ‘maar kan wel gauw de weg kwijtraken!
Met een zwakke kop behoor je niet gauw tot de groten:
Want niet iedereen die horens heeft kan stoten!’

 
 

54. Het peper-en-zoutstel

Kijk: de welvoorziene dis is klaar,
Zonder plooien ligt het tafellaken daar,
Alles staat al bij elkaar, en dit en dat,
Vorken, messen, borden en een glazen opdienblad,
En de broederlijke drie (dat zijn
De drie kleine flessen naast elkaar:
Water, sterkedrank en rode wijn,
Die daar praten met de glazen, enkel door gebaar);
Daar is ook het peper-en-zoutstel (een bastaard en een vonk!)
En de notenkraker (vol venijn)
En het zilveren mes met de scherpe tong
(Slijpen is niet nodig daar) –
Alles staat al klaar,
Alles kan nu opgedist.
Slechts de baas wordt nog gemist:
Hij is bezig voor de zaak
(Dat gebeurt voor etenstijd vrij vaak.)
Wat doet ondertussen het gezelschap hier op deze plek?
Vanzelfsprekend onderhoudt het een gesprek.
‘Ach, als God eens troost en redding ons zou geven,’
Zegt de wijn, ‘als vissen zouden zingen
En als waar geen mensen leven
Brood en kaas eens dansen gingen,
Wat een toost zou dat wel zijn.’
‘Dat zou kunnen,’ zegt de brandewijn,
‘Als de Schepper van de wijndruif in Egypte feesten kon,
Dan werd de zee drank en die werd opgezopen door de zon,
En de berg die danste, vermaakte zich hogelijk.
Ja, bij God is alles mogelijk.’
‘Ja bij God is alles melkelijk.
Als God wil, dan schiet een bezem welkelijk
En een blinde dlonkeman schiet laak!’
Roept het peper-en-zoutstel met smaak.
‘Bastaard! Ongelovige!’ roept een plat bord, ‘een schande!’
Lepels rammelen en vorken knarsen met hun tanden:
‘Schurk! Vrijdenker! Dood moet je! We snoeren jou de mond!
Hoor: de zwarte peper spreekt, de boze geest blaft als een hond!’
‘Gooi hem van de tafel af, hij heeft het hier verknoeid!’
‘Ga terug naar het land waar de zwarte peper groeit!’
‘Notenkraker, kom op, pak hem!
Knak hem!
Jij weet hoe dat moet!’
‘Zeker,’ zegt de notenkraker, ‘tafels weten ’t net zo goed;
Maar, neem me niet kwalijk, ‘k wil me er niet mee bemoeien,
Tenzij jullie me met deze ruzie gaan vermoeien…’
‘En? Is deze kraker onze bondgenoot?’
Zegt de wijn en fonkelt rood.
‘Jij bemoeit je er niet mee, en jij vindt tanden niet van nut?
Voor de tafel sta je nu voor schut!’
‘Houd je bek!’ hakt nu het mes,
Maar de geest is uit de fles.
Vorken worden uitgescholden dat ze bordenlikkers zijn
En zij schelden op de fijne flesjes wijn:
‘Schaam je, terug naar je domein!’
‘Hullie?’
‘Jullie!
Dat je dit maar in je oren knoopt:
Jullie drank lonkt wel naar God, maar jullie zijn gedoopt!
Half wijn en half water!’
Wordt het tegen mijn peper-en-zoutstel rabiater?
’t Is een feit: de leugen laat zich dopen en verdedigt dan zijn Schepper,
Maar de waarheid prikkelt God met Spaanse peper!

gedoopt: overgegaan tot het christendom.

 
 

55. En het geschiedde als de ezel vluchtte

Stil nu, stil:
’k Hoor de ezel, die de kat iets zeggen wil.
‘Goedemorgen! Ik moet iets vertellen. Hoor:
Vóór
Uit de sombere en zwarte stal
Nog de rode koets vertrekken zal,
Door ezels getrokken
Die geen grassen schrokken,
Maar die sterren slikken,
(Nu niet schrikken)
Ga ik ervandoor.
Ik wens je het beste, hoor!
Kat, zeg, is het een gemis?’
‘Ik denk dat het niet te vatten is!
Het sjtetl en ik zullen je niet vergeten!
Ezeltje, is het geheim of mag ik weten
Waarom je opeens gaat zwerven?
Waarom sla je de vriendschap aan scherven
En laat je je vrienden en jezelf zo lijden?
Je bent te benijden:
Eten, drinken wordt bereid,
De bazin is toegewijd,
Boterzoet,
En Motl de baas, lang zal hij leven, is ook goed –’
‘Voor mij is hij juist een grote boef!’
Zegt de ezel en hij schraapt over een straatkei met een hoef.
‘Zeg nu zelf: sinds mijn geboorte
Diende ik hem trouw van hoef tot oortje,
Werkte me een ongeluk;
Om goed voedsel maakt hij zich niet druk,
En ik laat het zo,
Bah, voor mij alleen een beetje stro.
Waarom toch moet het altijd zo gaan
Dat mijn baas zijn stok op mijn rug stuk wil slaan,
Waarom is hij onbehouwen?
Lieve kat, ik zeg je in vertrouwen:
Jij had dit niet uitgehouden! En dan dat:
Als hij zo tekeergaat slaat hij in mijn hart nog eens een gat!
Schelden kan hij ook: “Je bent een ossenkop
En een strop,
Stuk verdriet!”
Niet
Zal ik dat hier navertellen,
Maar ik zeg je dat hij me kan kwellen,
Hij komt me te na,
Dus ik ga!
Vaarwel!’ ‘Blijf gezond!’
‘Groeten aan de hond!’
En wat denk je, hield de ezel woord? Ja hoor!
’s Morgens drong het zonlicht door
In de stal, bij dageraad,
En de ezel stond op, heel kordaat,
Of er iemand aan zijn staart getrokken had.
Hij was zo wakker als wat,
Of hij niet geslapen had.
Drie uren zijn er voorbij
En de ezel loopt al ver weg op de hei;
Hij zal niet de weg kwijtraken
En hij denkt aan vreemde zaken:
‘Bilams ezel kon wel zeven talen dromen…
Op een ezel zal Messias komen,
Wonderen geschieden, in de gloria –
Zal ik dan de ezel van Messias zijn? Ia!!’
En hij balkt van vreugde, zijn geluk is zeker. –
En de stokkenbreker,
Motl, ja, die kwade,
Waar is die? Waar zal hij zijn? Nou, in het zadel!

Bilams ezel: een ezel die verstandiger was dan zijn baas (Numeri 22).

 
 

56. Amnon en Tamar

Hij en zij,
Als een muizenbruidspaar zijn ze er vroeg bij
Om een wandeling te maken – maar de kat die krijgt juist jongen,
Daardoor worden zij tot omkeren gedwongen
En de wandeling wordt verder uitgesteld.
Stil tussen het vaatje en het deurtje opgesteld
Wachten ze met ingehouden adem en spitsen het oor.
Opeens, hoor:
Ergens jengelt een speeldoosje, oud, versleten,
Een gebroken straatliedje vol jammerkreten.
En ze zeggen: ‘Nu alleen nog fluisteren!’
Onbeweeglijk zitten ze te luisteren
(Want de muzikaliteit van muisjes is heel groot.)
‘O, ik val flauw! Ik ga dood!
Dat kattengejammer is niet uit te houden!’
Hij, de bruidegom, wil schreeuwen. Waarom dan zijn mond gehouden?
Dat doet hij omwille van Tamar, zijn bruid.
‘Mij staat het lied tegen,’ denkt hij, ‘maar vooruit:
Haar spreekt het aan, zij heeft er geen wanklank in vernomen.
Moge het haar wel bekomen.
Nee, ze is geen kenner – maar ze is een vrouw.
Wat ik voor gevaarlijk hou:
Er kan in haar hartje wel iets mee gaan trillen!’
En nu schrikt mijn held en voelt zich al verkillen.
Hij wil vluchten naar een plaats waar nergens herrie is,
Maar hij zwijgt en onderdrukt zijn ergernis.
En het bruidje? Dat luistert aandachtig
En hij ziet het aan haar oogjes: ja, zij vindt het prachtig.
Ongelooflijk! O, die comédienne
Is in staat om nu naar huis te rennen
En hem te vergeten.
Om hem, om haar Amnon, heeft zij al haar tandjes stukgebeten
Op “Liefde voor Zion” van Mapoe…
‘Niets voor mij,’ dacht ze, ‘dat boek van reb Mapoe maakt me doodmoe,
Nee, er zit voor mij niets bij,
Maar kijk: hij
Wordt hiervan juist blij!’
Kom, verzin iets en schenk klare wijn,
Wanneer vóór-zijn erger is dan tegen-zijn!

Amnon en Tamar: bijbels liefdespaar (2 Samuel 13).
“Liefde voor Zion” van Abraham Mapu: de eerste moderne roman in het Hebreeuws.

 
 

57. Het bord

Een zigeunermeisje als jongleur
In een jurkje wit van kleur
Met een zilv’ren bord al op haar haar,
Dik en zwart en door elkaar,
Uitgespreid naar alle zijden:
Zo, in die gedaante, daalt de nacht op stille weiden.
En daar blijft ze staan, vleeskleur in rose.
En een spin komt zich verlossen
Van een lange, dunne draad
Die van aard naar hemel gaat,
En de nacht gaat daarop balanceren
En met het zilveren bord jongleren,
’t Is een hachelijke gooi.
Mooi?
Maar daar komen al de honden
En die blaffen uit veel monden:
‘Kunstenmakers zijn hier overbodig!
Zand in ogen heeft ze nodig!’
Tikken op haar blote billen!
Dit is wat wij honden willen:
Dat het nu veel lichter wordt,
Laat maar kijken op dat bord!’

 
 

58. Reb Miezemuis

Het stond in de krant:
Midden in een land
Ergens op de aarde
Lag een berg die zeven jaren baarde,
Dat met een gekreun als duizend ongesmeerde assen
(Je moest op je oren passen),
En ten slotte baarde deze berg een muisje.
En dat muisje groeide in zijn huisje,
Waar het tot een flinke muis opschoot.
Groot,
Niet zo groot natuurlijk als een berg,
Nee, het was nog niet zo erg,
Maar wel als een muis gezond en sterk;
Tussen bergjes leek hij wel een dwerg,
Tussen muisjes leek hij wel een reus.
Ja, reb Miezemuis die was fameus.
Alle muizen beefden voor het reusje.
En kwam er een nies uit Miezemuis zijn neusje,
Niesten alle muizen metterdaad;
Kuchte hij, dan brachten allen hem een glaasje advocaat.
Onder muizen was hij mini-Gog-Magog!
Van ver leek hij een gezichtsbedrog,
Want zijn oor was als een boomtak met veel bladeren.
Als ze gaan vergaderen,
Zwijgt reb Miezemuis altijd heel diep.
Geen verroert zich dan of geeft een piep,
Alle jasjes lijken wel van gips.
Op een bruiloft of iets hips
Krijgt hij steeds de beste noot
In zijn poot
Of hij krijgt de noten en de rest de doppen.
Niet zo erg. Reb Miezemuis blijkt niet te kunnen stoppen
Met een gril (heel typisch voor bestuurders); wat is bij hem in de mode?
Hij leest voor het slapengaan gebeden voor de doden
En hij neemt een snuif tabak.
Die tabak moet, ook al is het noodweer op zijn dak.
Want dan slaapt hij als een roos.
Waar is de tabak? In de snuifdoos.
En de snuifdoos staat bij reb Berke zijn bed.
Die reb Berke is een vreemd portret:
Is hij in zijn bed gekropen,
Staat de snuifdoos op de tafel nog steeds open,
En wie zin heeft die steekt heus
Daarin zijn snorharen en zijn neus…
Ja, gezondheid! Droom tevreden
Van veel zoete kleinigheden,
Van gemarineerde kaas-en-boterkatjes en van vrede –
Ha… ha… ha… hatsjie!
O, zoet zou het leven zijn als een biscuit
Als reb Berke ergens een hotel besprak
En vertrok met medeneming van zijn snuiftabak;
Dan waren reb Berke en de snuifdoos geen van beiden hier,
Een etmaal of drie (of vier).
En reb Miezemuis die sterft haast van ellende
Als hij zich niet tot de snuifdoos meer kan wenden.
Hij wordt gek wanneer hij wil maar niet kan niezen!
Het is om al je geduld te verliezen:
Je wordt iebel,
In je neuspunt zit een kriebel,
Net als zo’n rood knopje op de neus van een clown in tutu…
Het springt naar beneden! Nu –
Nee, het is nog niet fini,
Er ontbreekt iets aan, een ietsje, als het puntje op de i –
O, o, o,
Want het klopt toch zo:
Hier is toch de neus – waar is dat puntje?
Miezemuis gaat zitten zonder stuntje,
Niemand durft er meer te praten,
Ieder beeft nu over al zijn ledematen,
Ieder wenst hem naar de barrebiesjes –
En daar stromen duizend niesjes
Samen in één hele grote nies,
Ja, daar komt hij, de verlossing, wat een straffe bries,
Licht in ogen en een groots opga-ga-gaande zon ziet men –
En???

 

Gog en Magog: mythische bijbelse reuzen (Ezechiël 38).

 
 

59. Wielen

Hoor, daar rijdt een wagen met piepende wielen: net muziek.
Een orkestje is op weg naar zijn publiek,
Of, waarschijnlijker: het komt net van de bruiloft terug.
Het orkestje rijdt niet al te vlug,
Want wat slaperig zal het wel zijn:
Het speelde een nacht voor de rabbijn
Op ’t festijn,
Maar de wielen moeten het nu doen.
Het orkest rijdt tot het bosje, stopt daar in het groen
En stapt af.
Paarden kunnen grazen en de groep heeft nu vrijaf
Om een ogenblikje te ontspannen.
De aanvoerder van de mannen,
En dat is reb Nate,
Gaat daar naast de wagen zitten om te praten
Met de voerman en legt deze keer
Zijn viool vlakbij een voorwiel neer.
Zo gebeurt het dat het wiel met de viool een goed gesprek begint:
‘Broertje, luister eens,’ zegt het, ‘ik vind
(Dat is mijn opinie,
En zo denkt men niet over de hele linie)
De wereld van tegenwoordig dwaas en vluchtig
En met al die bekkens en trompetten ook luidruchtig!
Ik persoonlijk heb een hekel aan die holle vaten
En probeer het zachte toe te laten,
Dat streelt en ontroert
En op een falsettoon naar de verste verten voert…
Hoor je onderweg mijn zuchtje en mijn kreuntje?
In mijn rollen speel ik toch een aardig deuntje,
Knap, hè? Maar daarnet was er een foutje te betreuren,
Jammer, maar helaas, dat kan gebeuren.
Je begrijpt dat ik me afvraag welke waarde
Mijn spel heeft voor paarden.
Geen, behalve voor de merrie, ’t is een feit.
Speel ik, is ze boos dat ik niet rijd.
Het roodbruine paard
Heeft een hele serie wijsheden vergaard:
“Is je keel droog? Moet je soms een beetje smeer?”
Een paard blijft een paard en daaraan behaal ik geen eer.
Maar wat zou dat: mijn talent wordt toch verspild!’
‘Niet zo erg!’ zegt het viooltje, ‘en dan zeg ik het nog mild.’
(Dat is niet galant!)
Daardoor is het wieltje dan ook aangebrand.
‘Dwaas,’ zegt het, ‘was dat wel zo urgent,
Medelijden zoeken bij een concurrent?’

 
 

60. Vliegen

Dit verhaaltje is me door een leugenaar verteld
En dat het een leugen was had hij gemeld.
Dat is een bewijs dat het verhaaltje waar is.
Bij de vliegen was een denker, legendarisch,
Die ontdekte: zonder liefde heeft het leven echt geen zin
En een vlieg moet zelfs ook liefde voelen voor de spin.
Hij bedacht dat helemaal op eigen kracht. En daarvanuit
Ging hij naar de oorsprong, waar de narigheid ontspruit:
Vliegen jaagt men terecht, want, God verhoede, ze verdienen het.
Zomaar in de rondte vliegen heeft geen nut!
Maar zou de vlieg honing maken als de bij,
Dan, denkt hij –
Zie hoe er een vonkje door zijn slimme oogjes schiet!
Zonder dralen stuurt hij per muskiet
Snel een oproep niet alleen naar huisjes in de stegen,
Maar ook naar luxe paleizen aan de brede wegen;
Naar de hutten en paleizen vliegt de frase:
“Zo God wil, met Tweede Pasen
In het oude hospitaal
Een vergadering. Komt allemaal!”
En hij bleef geen roepende in de woestijn.
Op die dag en plaats was er een samenzijn
Van zoemende zwarte zwermen.
In de keuken gaf de wijze hun een ferme
En met kwinkslagen doorspekte explicatie.
Toen het uit was, sjokkelde de congregatie
En ze zoemde naar haar aard:
‘Honing maken? Ja, de moeite waard!’
‘Zeker, maar wat komt daarbij te pas?’
‘Weet je dat niet? Honing maken ze van gras!’
‘Nee, van kalkoenvoer en rozen!’
‘Spinnen weten dat, want dat zijn bollebozen!
Honing maken ze van druiven, dat ’s een feit!’
‘Ja, ja, druivensap verdrijft de somberheid!’
‘G-g-god verhoede, daar niet i-i-ingestonken:
Van dat sap word je d-dronken!’
‘Waarvan dan? Vertel op, leperd!’
‘V-van speciale peper!’
‘Stotteraar, je bent wat van de kaart!’
‘Schaam je, jij bent een b-b-bastaard!’
Toen kwam daar de vlieg van Titus aangegleden
(Met zijn snuit van koper en met al zijn geestigheden),
En die zei: ‘Zijn wijze woorden waren zoete spijzen,
Laten we dus honing maken van de woorden van de wijze.’
‘Ga toch zitten en houd je toch stil!’
‘Schreeuw niet “Stil!” als je hier stilte wil!’
‘O, een volk dat steelt en zich verrijkt!’ – –
’s Nachts ging dat zo door. Bij dageraad werd een akkoord bereikt
En daar op de muur in vliegschrift vastgelegd:
“Ieder jaar worden er twee bijeenkomsten belegd,
Alle vrome vliegen komen bij elkaar
Ieder sabbatsjaar,
In Litouwen of ook wel in Polen,
Tot ons ooit wordt aanbevolen
Wat de beste stof is voor de honing.”
Sedertdien zie je deze vertoning:
Elke zomer komt een ommezwaai,
Vliegen zoemen en maken lawaai,
Wassen dan hun achterpootjes met accuratesse,
Stormen in de flessen –
Men vergadert en vliegt af en aan in razernij, –
En de honing? Vraag dat liever aan de bij!

sjokkelen: een schommelende beweging maken bij het bidden.
vlieg van Titus: vlieg in Shakespeare toneelstuk “Titus Andronicus”, die gedood wordt.
Tweede Pasen/Pesach: een maand na Pesach, o.a. voor onreine personen.
sabbatsjaar: ieder zevende jaar, waarop het land braak moet liggen.

 
 

61. De vliegende vis

Wat de mens heeft kunnen ook de landdieren, vissen en vogels hebben.
Zo is er ook in de oceaan een wonderrebbe:
De vliegende vis doet denken aan de Heil’ge Naam
Door zijn zuiverheid; trekt hij zijn vinnen saam
En heeft hij boven het water uit de hemelvlucht gekozen,
Zuivert hij zich in het eindeloze;
Als hij terug in zee komt springen
En zich onderdompelt, leidt hij daar zijn volgelingen
En neemt de Tora ter hand:
‘Loof de Schepper van ‘t
Licht!
Wij zijn water, vlees, van geen gewicht.
Wij zijn blinden en graven in gronden gaten.
Maar als je het opbrengt om je zondige buik te verlaten
En je steeds maar hoger te verheffen
Zul je op een ogenblik beseffen
Dat er iets is wat alles ontsteeg,
En daar is geen water, nee, daar is het leeg,
Tevens is het ongedeeld
En het mag en kan niet dragen naam of beeld –
Een nee dat meer is dan een ja, noem het onbetwijfelbaar:
In die lichtheid en die warmte vlieg je daar
En wat je bevend voelt in den hoge
Is Gods mededogen!
Onder je zie je het duister van de oceaan
Waarin zieltjes kringen draaien af en aan,
Badend in glanzend genoegen zangen zingen
Van de allerzoetste dingen
En de vleugeltjes verheffen naar de troon
Van de maan, als een saffier zo schoon,
En geen parel in de zee
Krijgt daarvan de minste afschijn mee.
En zo is het. En zo is het! En zo is het! Amen! Amen!’
In extase luisterend scholen de vissen samen,
Door een warme stroom worden ze meegenomen,
Die ze uit de diepten voelen komen,
Waaraan zijdezachte zangen dan ontglippen –
Er borrelen belletjes van groenig water op hun lippen,
Die ze vroom en ongekunsteld samenknijpen…
Eén moderne vis zwemt daar zonder het te begrijpen,
Hij gelooft maar in drie dingen: liefde, sport en wormen,
En hij spot en lacht over hun normen:
‘Het zijn oude, duist’re krachten die ik zie!
Tweemaal twee is vier, zeggen de viskundige mathematici –
Toch bestaan er nog fanatici!’

 
 

62. Het leven is mooi

En wie blaten?
Bokken (twee). Ze herkauwen, ze praten:
‘Mè, waar gaat ons leven heen?
Nog een week en nog een week en dan nog een
En nog twee weken gewacht,
En daarna? Einde verhaal: dan wacht de slacht!’
‘Hè,
Slacht!’ ‘Het zij zo, mè!
Ja, het is ons lot:
Toegangshek wordt uitgangshek en dat gaat dan op slot.
Ondertussen, in de lengte en de breedte,
Houden we ons bezig met gras eten.’
‘Gras? Zijn er geen and’re dingen?’
‘Daarvoor moet je hoger springen
En de strooien daken vreten.
Dat is kauwen, niet vergeten.’
‘Stik!
Nou, dan ga ik springen en gauw grazen daar. Hortsik!’
‘Maar dan komen ze je vangen met een strik!’
‘Vangen? Je leeft maar één keer,
En dan kauw je stro, meneer!’
 
 

63. Twee ezeltjes

‘Dag meneer ezel, goedemorgen!’ ‘Goedemorgen!
Hoe gaat het? Geen problemen?’
‘Nou… wel wat zorgen.
Ik wilde graag iets nuttigs ondernemen
Door voor de hele wereld
En mezelf te transformeren
Heel onze wetenschap:
Het is een chaos daar! En wat ik ook niet snap:
De een zegt: het zit zus –
Nee, het zit zo! zegt dan een criticus.
Kom dichterbij, dat ik tegen je fluister
Hoe dom ze zijn: ze praten, maar hun geest is duister!
Ze kletsen je de ezelsoren van het hoofd, figuurlijk!
En God vergeve hun natuurlijk,
Maar allemaal maken ze loze plannen!
Ik wil me nu als ezel in gaan spannen
En schrijf een werk onder de titel “Eben-ezel”;
Het eerste deel gaat over Bilams ezel,
En welke lettertekens zijn hoefafdruk gaf,
Hoelang hij vastte en of hij de vasten alleen brak met kaf,
En van zijn staart het aantal haren daar,
En zijn geboorte en zijn dood: het jaar,
De maand, de dag,
Een heel precies verslag:
Nog steeds wordt er niet naar gedegen onderzoek gestreefd.
En als die ezel toen Hebreeuws gesproken heeft,
Wil ik graag weten hoe de uitspraak was:
Wolhynisch, Asjkenazisch, of Sefardisch zo helder als glas;
Voor mij is het een uitgemaakte zaak
Dat Bilams ezel toen Sefardisch sprak, want Asjkenazisch is gekwaak!
Deel twee behandelt uitgebreid
(Gewijd!)
De ezel van reb Pinchas ben-Jaïr
(Bijzonder dier!)
In de woestijn: waar vond je water en op welke wijze,
En dat die tsaddik toen geen wijze was, alleen een grijze.
En daarna komt er nog –
Je zegt niet veel, broer!’ ‘Och, och, och,
Dat juk doet me zo’n zeer!’
‘Nog meer?
Banaliteit houdt ons gevangen!’
Hier laten beide ezeltjes de oren hangen
En treurig schudden ze hun kop; dit lot is hun beschoren:
Door dwaasheid gaat er telkens weer zoveel kennis verloren!

 

Bilams ezel: een ezel die verstandiger was dan zijn baas (Numeri 22).
Sefardisch: joods van Zuid-Europese herkomst.
Asjkenazisch: joods van Oost-Europese herkomst.
Wolhynisch: uit Wolhynië, een gebied in Oost-Europa.
Pinchas ben-Jaïr: joods geleerde uit de 2e eeuw.
tsaddik: wijze en vrome man.

 
 

64. Het boze dak

Boosheid is – wij weten het – afgoderij,
Maar het dakje van reb Sjloimes huis zorgde voor razernij:
Ja, je zag de bui al hangen om zijn neus
En de schoorsteen, heus.
Waarom dan?
Er zijn klachten over deze man.
Sjloimes dakje was een plaatje,
Maar het kreeg ergens een gaatje;
Later was het met zo’n zestien lekken enig in zijn straatje.
Maar was het wel nodig om dat dak een zeef te noemen
En nog erger: het stilzwijgend te verdoemen?
Bij een wolkje werd reb Sjloime opgewonden,
Gaatje in het dak – wie is er zonder zonde?
Maar reb Sjloime lag al bij de buren!
Waarom al die kuren?
Tegen wie kon nu het dak zijn hart uitstorten?
Duif hoorde wat eraan schortte.
Duif die was één en al oor
En hij zei: ‘Een gaatje? Dat komt voor,
Ja, nou en?
Sjloime die is vroom en eerlijk, zoals ik hem ken.
Maar ik hoop wel dat je mij gelooft:
Wil je hem niet weg hebben? Huil dan niet op zijn hoofd!’

 
 

65. De herfstdag en de klok

Broeders, als ik jullie vragen mag:
Wie draait rond, volkomen nutteloos, de hele dag
Hier op straat,
Herfstig, ziek en nat tot op de draad?
Woonde hij maar als die wijze in een ton, dan deed hij niemand kwaad,
Was hij maar een dibboek in een ijsbeer uit het Hoge Noorden,
Of ging hij maar slapen op een wolkje, alsof het zo hoorde,
Om pas op te staan en ons te gaan vermoeien
Als er op zijn handpalm haar ging groeien –
Nee, hij wil nog leven en met veel misbaar
Maar zo doorgaan, doorgaan, zeker nog een jaar,
Tot alles net als hijzelf vaalgrijs is en gekweld!
En de klok die maakt hem woedend, omdat die zijn uren telt:
‘Als je zegeningen telt dan hebben ze geen macht:
Meer dan eens heeft ons de klok veel ongeluk gebracht!
Niemand is zo schadelijk als zij.
Sluwe trucjes gebruikt ze erbij
En geeft een eentonige vertoning:
Tik tak, tik tak, tik tak, als druppeltjes honing,
Tot je oogleden zwaar worden langzaamaan,
En dan komen overal vandaan
Zwarte wezens, er gebeurt iets geks,
Want ze brengen je dan naar de oude heks
En die stopt je in de sjolent van versleten schoenen in de pan
Van haar betovergrootmoeder –
Treurig is de wereld en het is je zwaar te moede,
En hoe is het met je, ben je dan
Met de wereld of jezelf begaan?’
Zo gromde de herfstdag en vergoot een traan.
‘Hoor!’
Slaat de klok nu, ‘Gaat voor jou de wereld voor,
‘Hak de knoop dan door!’
Ga weg en kom nooit meer hierheen, denk eraan!
Heb geen heimwee meer naar ons voortaan,
Want naar jou verlangen wij ook niet tenslotte!
Natte herfstdagen die kruipen in je botten
En ze denken gauw
Dat de wereld om hen treuren zou!’

 

dibboek: geest van een gestorvene, die bezit neemt van het lichaam van een levende.
sjolent: sabbatgerecht.

 
 

66. De sok

Heel de dag ligt hij daar buiten uitgestrekt,
Moord en doodslag hebben op hem geen effect,
Door slacht raakt hij niet ontstemd.
En hij heeft zijn armen in zijn witte overhemd
Makkelijk onder zijn hoofd gelegd.
Nu wijst hij de meid terecht
Die zich bij het water met de wasstamper uitslooft:
‘Zeg, je stampt me toch niet op mijn hoofd?’
Een lachende druppel op zijn voorhoofd koketteert
Met een bastaardlok, fraai gecoiffeerd.
Het is doodstil. In de oren klinken klokken.
Liggend trapt hij uit zijn sokken:
Eén voet helpt de andere om zich van de sok te bevrijden.
Tot de hemel roept de sok die zo moet lijden:
‘Vader! Vader!
Ik ben niet meer dan een nat vod voor die dader!
Ik –
Kijk toch naar de grove vingers van die slechterik! –
Ik ben gebreid met de gouden pennen van de zon
Uit een kluwen stralen, en dat kon
In de stille nacht alleen doen die expert
Wiens naam luidt “de morgenster”!
Daarna heeft de melk van de melkweg mijn fonkelnieuw gewassen
En nu zou ik die rotvent niet passen?
Hij had zich als mens toch kunnen bukken
Om mij rustig uit te trekken, zonder rukken –
Nee, hij scheurt zelfs met zijn nagel!
Hemel! Donder, bliksem, hagel!’
En de hemel hoort het: de sok is van slag,
En hij kust de hielen van de dag.

 

*

Hoe kan dat nu? Kent de hemel geen gerechtigheid?
Wie betwist zijn almacht als een feit?
Maar natuurlijk: gratie
Is van de gerechtigheid de emanatie!

 
 

67. De barmhartige

Naakt, op blote voeten, in een hemd,
Half geschrokken, half geremd,
Als een kind
Achternagezeten door een bruut,
Door een ruwe vechtersbaas, acuut
Losgebroken uit het net van zonden en verblind:
Zo drijft nu de maan weg, van treurnis ontzind.
Ieder die het ziet is droef gestemd.
Sterker nog: zelfs Asmodee voelt zich beklemd.
In zijn kleed van zeven nachten, leunend op zijn zwaard,
Staat hij voor de hellepoort en denkt bezwaard:
‘Angst en treurnis, dat is het lot van de maan,
En mijn lot: vervloekingen doorstaan.
Angst en treurnis heelt men met erbarmen;
Toon ik mijn erbarmen met die armen,
Dan prijst men mij éénmaal. Amen.
Haman!’
Met zijn zwavelvleugels maakt hij veel geluid,
Dat de hel bijna ontploft als kruit.
‘Haman!’ (Want die is de trouwe hond van meester Satan)
‘Nu direct de poorten openlaten
Van de duivel! Willen ze niet luisteren,
Zullen wij de zon verduisteren!
Maak de zon bang en bedroefd en breng haar uit balans!
Geef zon en maan even weinig kans!
En de maan vertoont beschaamd een goddelijke glans!’
‘Halt!’
Roept nu een verstoorde donder, die vervaarlijk knalt,
‘Veel gevaren borrelen in jouw retort,
Maar het grootste is dat jij barmhartig wordt!’

 

Asmodee: een duivel.
Haman: figuur die het joodse volk vermoorden wil, uit het bijbelboek Esther.

 
 

68. Het echtpaar

Als de dageraad weer gloeit
En de rode roos opbloeit
(De mens zegt: ‘De zon is opgegaan’)
Zegt de haan,
De papaverrode,
Tot de kip, zijn leliewitte echtgenote:
‘Vrouw, mijn toegewijde,
God behoede ons, het leven hier is lijden
En het is gevaarlijk, schat!
Vrienden hebben we hier niet, noch aan de hond, noch aan de kat,
En vergeet de kater maar.
En de mensen: ’t is een kompres op een blaar!
Aan de ene kant is het niet slecht, God nee, integendeel:
Oma voert ons zoete brokjes en ze geeft ons veel.
God zal haar daarvoor belonen!
Maar het allerergste als je hier moet wonen
Is het plichtsbesef van mensen, erger dan het blaffen van de hond!
Weg hier, vrouw, dan blijven we gezond!
Kom dan, kom!’
(Anders dan de haan maalde de kip er nooit zo om.)
Maar de haan hield voet bij stuk
En ze zochten het Land van Geluk,
Waar de helderwitte geit regeert,
Die in vrome kinderdromen glorieert.
Mensen zijn daar niet en er blaft ook geen hond.
Zo vertrekken ze en pikken telkens wormen uit de grond,
En ze lopen rustig op en neer,
Nog een wormpje, nog een keer,
En toen waren ze er weer.
Goed. Wat moet zo’n echtpaar dan nog meer?
Wormpjes eten, een gelukkig onderdak
Tot het slachtmes komt en – tsjak!

 
 

69. De haan en de kalkoen

‘Wat moet jij hier de rust verstoren?’
Zegt tegen de haan Bar-Kapore
Kalkoen reb Bolek Ben-Tsipoer,
In huis bij de slager reb Zejde
Zitten zij beiden,
Het is de vooravond van Jom Kippoer.
‘Houd toch je bek!
Wat kraai je? Maakt die kooi je gek?
Je maakt de slager wakker. Moet hij opstaan voor een onderzoekje
(Is dit mes nog volgens het boekje?
Een braam is heel bezwaarlijk!)
Die moordenaar moet slapen, want dan is hij niet gevaarlijk!’
‘Ik slaap nog half,’ antwoordt de haan en schudt zijn kam, ‘het is nog nacht.’
En dan kraait hij uit alle macht.
(Hij hoorde bij de buren kraaien en kreeg toen een kriebel in zijn keel,
Nu geeft hij aan: jullie en ik, wij kraaien evenveel!)
‘Jij specht, stop met je zondige gedram!’
Zegt de kalkoen nu boos en pikt hem in zijn kam.
‘Houd op, houd op,’ verzoekt de haan, ‘waarom die woede?
Ik wil die moordenaar niet wekken, God verhoede!
Wat een ellende, o, dat slachtmes, het is treurig, hu!
Kukeleku!’

 

Jom Kippoer: Grote Verzoendag.

 
 

70. De molen

Kan de molen wel zijn taks bepalen?
Nee, ziet hij: hij heeft te veel gemalen.
Je maalt gauw te veel, dat weet toch iedereen,
Draai je eenmaal, ga je er snel overheen.
Maal je veel, dan maal je niet altijd volgens model.
Dat begrijp je wel.
Zwaaiend met zijn wieken zegt hij tegen berg en dal:
‘Kijk, ik ben gewend te malen, dus ik maal.
Maal ik meer zemelen dan ze kunnen eten?
Zal wel, die gewoonte is al ingesleten.
Toch is een gewoonte geen ijzeren wet gebleken:
Ook met een gewoonte kun je breken.
Vinden jullie niet? Ik hoorde van een oude muis
(Hij kauwt Bijbels bij de buurman thuis):
‘Een gewoonte is tweede natuur.’ Dus bij jezelf en anderen
Kun je de natuur heus wel veranderen.
Neem molenaar Sender in de schuur:
Hij had ooit een lelijke natuur,
En die heette Saar
– “Molensteen om mijn nek”, zo noemde hij haar,
Want bij malen en bij slaan had ze haar draai gevonden
En ze strooide zout in al zijn wonden.
Vinden jullie dat hij haar veranderd heeft?
Ja, dat heeft hij. Wist je dat hij met een ander leeft?
En die is geen molensteen,
Maar een duivelin als geen.
Wat zeg je? Is dat geen natuur, maar tortuur?
Natuur, tortuur, beide maken je het leven zuur!
Molenaar reb Sender zei pas nog tegen zijn buur:
“Hoor eens, Hilek, een vrouw is een kwade speling der natuur,
Met haar samenleven is een straf,
Door de dood ben je pas van haar af!”
Mijn natuur zal in de loop der tijd verflensen,
Net zoals een duivelin sterft onder mensen.’
Glimlachend luisteren berg en dalen.
En de molen maalt maar door, hoe meer hij klaagt over het malen.

 
 

71. Paardjes

Twee paarden staan met hun tanden het voer te vermalen
En vertellen bij de ruif elkaar verhalen.
‘Nee, het bruine paard is er niet meer.
Wat heeft hij geworsteld en gekronkeld keer op keer,
Tot hij zich voorgoed bevrijdde van de wagen,’
Zegt de ene kauwend en verslagen.
Malend zegt de andere: ‘Och, och, dat bruine beest
Staat me nog heel helder voor de geest.
Over bergen en door dalen draafde hij
Met een kameraad erbij,
Tot hij plotseling ging liggen, midden op de weg:
“Broer, vaarwel! Vervolg nu zonder mij je weg!”
Maar wat zeg je van het hooi?’ ‘Heel matig, maar beter dan niets.’
‘Ach, je wordt er hard van en dat is nog iets –
Weet je het verhaal nog dat het bruine paard ons eens vertelde?’
‘Ja, ik zie hem daar nog staan, zoals hij het toen meldde.
“Ik kom in de stal,” zei hij, “draait mijn baas me een loer:
Wacht eens, heel de dag krijg je geen voer!
Hij ging, deed de deur op slot,
En daar stond ik, heel de nacht was ik kapot,
Of er mesjes door mijn buik heen sneden!”
Ja, dat was heel zielig, wat heeft hij geleden!’
Kauwend zegt het eerste paard:
‘Hoeveel dagen is er op zijn voer bespaard?’
‘Met de zweep werd hij steeds half bewusteloos geslagen!’
Malend geeft de tweede toe: ‘Ja, hij heeft veel gedragen.’
Zo staan beide paardjes daar te kauwen met heel veel getob,
En daarna is al het hooi weer op.

 
 

72. Het hemd en het jasje

Klepel van de klok, doe even niets:
Iemand zegt daar iets!
Wie? Het hemd tegen het jasje.
‘Ik ben,’ zegt het, ‘schoon. Op mij zie je geen asje,
Ik ben rein, publiekelijk,
God verhoede, vuil is ziekelijk.
Maar jij, jasje, moet over de knie!’
‘Ik? Bij wie?’
‘Nou, ik schaam me voor je. Ik ben wit en jij bent zwart.
Niet toevallig ben ik dichter bij het hart.
Zwart is modder, wit, broertje, dat is een kleurtje!’
‘Maar jij hebt een geurtje!’
Zegt het jasje, ‘weet:
Jij bent dichter bij het hart en jij zuigt al zijn zweet!’

 
 

73. De broek van reb Berl

Reb Berl moet gaan reizen,
Maar iets houdt hem tegen. Ik geef geen bewijzen,
Maar ik fluister, niet breed uitgemeten:
Zijn broek is versleten,
Zeker weten!
Hij gaat naar de oude markt, hij ziet een hoop
En vindt zomaar spotgoedkoop
Een heel mooie broek van groene stof,
Nieuw, maar dit is wel een kleine sof:
De broek is te lang.
Kort naar lang: een martelgang,
Lang naar kort: een kleine kunst!
Thuis vraagt hij zijn Serl een gunst.
‘Vrouw, ik moet op reis voor zaken:
Wil je de broek korter maken?
Krijg je kussen op je wangen!’
Maar ze kan niet blijven hangen:
Als ze morgen al wil bakken
Moet ze bij haar buur het zeefje pakken.
Ze gaat snel naar dat adres
En de buurvrouw is ook al een klessebes.
Dan spreekt Berl zijn oude schoonma aan,
Maar die wil net slapen gaan
En kan hem niet dienen.
Hij probeert het bij zijn dochter Dine,
Maar die is druk bezig met haar haar:
In de schouwburg spelen ze “De koppelaar”.
Berl gebruikt nu zijn verstand
En neemt zelf de schaar ter hand,
Knipt de lengte van zijn keuze,
Als was hij coupeuse,
En gaat zich op bed uitstrekken:
Morgen met een hoornsignaal komt de koetsier hem wekken.
Amper slaapt hij, komt zij met het zeefje binnenwippen,
Bijt van schaamte op haar lippen:
‘Arme Berl is al naar bed gegaan,
Ik heb veel gekletst, het naaiwerk niet gedaan!’
Snel pakt ze de schaar en zonder tijdverspillen
Knipt en stikt ze: het is een kwestie van willen!
Als het klaar is, gaat ze slapen (want ze moet al op bij dageraad;
En het is niet nodig dat ze voor Dine haar bed uitgaat,
Want die heeft de sleutel mee.)
Is het nog wat later min of meer,
Is Dine er weer
En ziet dan de broek. Het daagt:
‘O ja, papa had me iets gevraagd…’
Als een trouwe dochter pakt ze, knipt ze, zoomt ze, doet haar plicht
En gaat dan naar bed; haar ogen vallen bijna dicht.
Is Dine dan ingedommeld, staat de oude oma op.
(Dine schept graag op:
‘Ik ga nooit zo laat naar bed en dat is waar:
Als ik slapen ga, staat oma alweer klaar,
Want die is dan opgestaan zonet.’)
Oma wast zich, zegt daarna het oud gebed
En gaat echt niet duimendraaien:
Naaien!
(Stilzitten is haar nooit zo bevallen,
Tenzij, God verhoede, met zijn allen.)
En reb Berl slaapt als een roos;
In zijn dromen is hij groos:
De handel is grandioos!
En het hoogtepunt van al zijn dromen:
Pijpen die tot knieën komen!

 
 

74. Twee draden

Ergens in een vreemde staat
Ontmoet de schoenmakersdraad de rode zijden draad.
De schoenmakersdraad geneert zich voor niemand van stand
En de zijden draad is blij: in ‘t buitenland
Schept de kleinste groet een band.
Graag
Stelt de rode zijden draad een vraag
Over ’t een en ander, meer bepaald
Over de kleermakers, vingerhoed en ook reb Naald.
‘Wie? Reb Naald? Die ken ik niet.
Ik zou graag meer weten van de achtergrond van die persoon.
Want bij jullie is hij blijkbaar echt een hoge piet
En ook niet gewoon:
Zonder hem geen steek!
En is hij op streek,
Sleept hij jullie mee – anders ellende.
Luister: mijn kamer staat open voor bekenden,
Daar kun je zien hoe ik altijd naai.
Ik sla me erdoor, al is het leer ook taai.
Wees een vakkundige draad,
Volg me, vast en stevig en kordaat,
Wees altijd een man!
Is de weg vrij? Kruipen dan!’
‘Ja, natuurlijk,’ zegt het zijden draadje,
‘Zou ik me er ook doorheen slaan, door een gaatje,
Met zo’n kop,
Met zo’n zelfde varkenskop!’

 
 

75. Het gat in de bagel en de koperen knopen

Zo zegt bakker Moisje dat:
‘Weet je wel hoe je een bagel maakt? Je neemt een gat,
Daaromheen wat deeg, ziedaar:
Je bagel is klaar.’
Is de bagel opgegeten, waar is dan het gat? Nou, in je zak.
Sjloimele die heeft dus een gat in zijn zak.
En nog wat:
Twee koperen knopen, mooie dingetjes zijn dat.
Maar die willen zelfs niet even
Met een bagelgat gaan leven
In een broekzak, die willen ze mijden,
Want wat moeten ze daar? Zijn ze ongehoorzaam beiden
Wanneer ze zich uit de broekzak laten glijden?
Nee, ze kunnen zich niet aansluiten bij iets solieds:
Dat gat is het absolute niets.
Bagelgat doet nu een mond open: ‘Jullie moeten je schamen,
Stommelingen, voor de domheden die jullie daar uitkramen!
Gaat het om het deeg in plaats van de essentie?
Nee, het gaat om de idee, die is het wezen van het ding en het geheel – attentie:
Bij iedere entiteit,
Ook bij een stuk koper, dat ’s een feit!
Probeer voor de aardigheid het koper maar eens in veel deeltjes te verdelen,
Ga dan telkens verder met dat delen,
Tot een deeltje dunner dan een haar,
Volg dan de indeling van het jaar
In maanden, dagen, uren, minuten en seconden:
Kom je dan niet bij het bagelgat, de nul, die ronde?
Jullie snappen waar ik heen wil. Denk maar na,
Dit is de hogere fysica!’
En zo sprak het bagelgat op hoog niveau
Van spiritualiteit en zus en zo –
Maar wie luisterde? Wie was er zo geleerd?
De twee knopen niet: die waren hem gesmeerd!

 
 

76. De handdoek

Broer, heb je een hart, voel je mee met die armen?
Vraag dan om erbarmen!
Zondaren worden gepijnigd in de hel,
Vuil kookt daar in een gamel.
Hier een onderjurk en daar een hemd,
Beiden zijn blijkbaar niet voor vreemde ogen bestemd,
En uit het verborgene werpen zij bliksemende blikken
Met ogen die prikken;
Sjieke en gewone kleren van knechts en van heren,
Stijve kragen, onder ons gezegd ook onderkleren,
Allen liggen in een grote bak te stomen.
Jammer, maar ze konden het wel aan zien komen:
Wie zijn gat verbrandt, zit op de blaren,
Deze kleren zondigden al jaren!
Wat doet hier die handdoek uit het rituele bad?
Hij is vroom en van dat water nog steeds nat –
Of is het van alcohol?
En het vuile onderhemd zegt voor de lol:
‘Kwam u ook hierheen over de rode loper,
Meneer Proper?
Ach, u zult toch nog wel weten
Van al die gezichten, vieze, vuile en bezwete!
Koosjer, vroom, of misschien toch niet fris,
Als de hemel een bezoedeld beddenlaken is,
Of per ongeluk hierheen gesleept door een klein heksje
Met een eendenbekje?’
‘O, o,’ zucht de handdoek, ‘ik ben zondig!’
‘Hoezo?’ ‘Ach kind, ik vertel het kort en bondig:
Jaren leefde ik van heel die vieze boel!
Waar de schaamte heerste, leidde ik de poel!
Helderheid of frisheid kwam mij altijd ongelegen,
Fijner vond ik het de smeerboel af te vegen!’

 
 

77. De baard

Dit paard draagt een grijze voerzak om zijn neus;
Die bevalt hem heus.
Als een omgekeerde aar die door een mouw opkruipt
Is er een idee dat hem besluipt:
‘Zoiets als die baard
Daar
Achter,
Die fungeert als vliegenwachter –
Dergelijke baarden
Hebben allen, zowel gekke als snuggere paarden.
Maar als ik die baard dan heb,
Hierzo aan mijn kin,
Wat houdt dat dan in?
Wacht, ik denk dat ik het heb!
Net zoals een ander mooi is, word ik gis!
Niemand heeft zo’n baard, alleen ik en de priester in de mis.
Ik wil geen plumeau, geen bezempje, maar een ringbaard, een echte troef!
Als ze de hand van de priester kussen, waarom kussen ze dan niet mijn hoef?
Als ze moeilijk bukken naar mijn hoef daar bij de grond,
Dan reik ik die hoef wel aan en breng hem naar hun mond;
Doe ik zo, rechttoe rechtaan.’
Zo gezegd en zo gedaan:
Hij komt met zijn hoef omhoog en reikt zijn baas
Rechtstreeks naar zijn taas.
Dan komt daar de zweep, die zwaait en slaat,
Het paard hinnikt en roept desolaat:
‘Idioot, een grijze baard, wat is daar nu op tegen?’
Gaat de zweep pas echt bewegen
En slaat op zijn bek: ‘God hoede ons voor paarden
Die hun buik vullen met grijze baarden!’

 
 

78. Koosjer

Ook al heeft de nacht duizenden ogen, ’t is die toch ontgaan
Dat in het geheim een bloedbad is ontstaan:
De wolf heeft een lammetje verscheurd;
Eerst heeft hij ’t gewurgd, daarna heeft hij het met zijn jong naar huis gestuurd,
En het kind heeft deze missie perfect uitgevoerd!
Maar het moederschaap heeft zich wel degelijk geroerd
En naar hulp van hond en mens en koe gespeurd,
Maar ook zij werd naar het bos gesleurd:
‘Schaamteloos wijf! Honden en de herder wekken
Is toch van de gekken!
Als ik kom,
Geen gebrom,
Luister,
En zelfs geen gefluister!’
En voor na het eten, na het vreten van deze menage
Had de wolf bewaard een lekker haasje.
Sprakeloos van schrik was het, dat hulpeloze baasje,
En het zat gevangen, kon niet meer naar buiten.
Voor het bloed de wolf in zijn gezicht kon spuiten,
Had hij het verzwolgen als een rode wijn:
Bij een feestelijke maaltijd is drank altijd fijn!
Vogels voldoen aan de muzikale vraag.
Daarna klopt de wolf tevreden op zijn maag,
Opent breed zijn muil en zegt dan met een gaap:
‘Nu moet ik God loven voor dit schaap.
Maar er is een grens aan alle lust:
Dus na zoveel koosjer werk verdien ik wel wat rust.’

 
 

79. De adelaar en de vlinder

Op een keer begon een adelaar een vlinder te vervelen.
Uiteraard niet om zijn honger eens te stillen,
Nee, het was eerder een van zijn grillen,
Want een adelaar wil wel eens met een vlinder spelen,
En hij joeg hem en hij greep hem bijna blind.
Het ging olijk,
Hij was vrolijk,
Vloog nog lichter dan de lentewind;
Hij loste de vlinder toen grootmoedig
(Al gaat de zon op en onder bloedig,
Bij het spelen met de regenboog is ze toch nog een kind.)
En de adelaar zegt: ‘Vlieg nu maar,
Vlieg, mijn fladderbloempje, en bloei daar
Boven alle bloempjes en blijf maar gezond.
Ik wou spelen en hoop dat je me niet misverstond!’
Het vlindertje, opgelucht en vederlicht,
Keert zich tot de ander als iets van gewicht
En zegt dan verstandig, recht in zijn gezicht:
‘O, jij sterrengrijper, sterk en rap,
Die zich laaft aan zonnebloed maar zonder dronkenschap,
Jij hebt mij toch bijna het leven ontnomen!
Ik ben nu weer van de schrik bekomen,
Want je leek een vogel zonder mededogen.
Kijk nu maar eens in mijn ogen:
Is daar iets van wrok achtergebleven?
Ik kan ieder altijd, niet alleen vandaag, vergeven,
Ik drink sap voor elk
Die mijn vijand is uit elke bloemenkelk.
Uit mijn hart schenk ik vergeving aan een hele wereld!’
En de adelaar kijkt en zegt: ‘Kerel,
Luister eens naar mij!’ En nog iets bitser:
‘Naar de wolkensplitser:
Zoiets nietigs moet niet naar vergeving streven!
Alleen wie kan straffen, die mag ook vergeven!’

 
 

80. De kalkoen

Kijk: ze dragen kittels, helder wit,
Op hun hoofd een keppel, zwart met blauw;
Een reusachtig sedermaal is dit,
Duizend gouden schalen zijn er gauw:
En dit spel van zon en wolken gaat maar door
Vóór
In zijn zwart priesterhabijt
Vrome nacht de zon bestrijdt
Met het zwaard en met het vuur.
Een kalkoense haan staat bij de schuur
En die haan
Denkt waaraan een kalkoen meestal denkt, dus nergens aan.
Stil! Droom mengt zich met realiteit:
Droom is geen droom meer en werk’lijkheid geen werk’lijkheid.
En uit lege graven
En schoorstenen komen ze opdraven,
Priesters, zwarte rakkers rennen langs de schuur,
En de schuur is geen schuur meer, maar een heet hellevuur!
De kalkoen blaast zich nu op, loopt weg en klokt:
‘Laat ze branden, ik ben niet geschokt,
In die hete vlammenzee –
Laat maar! Ik bemoei me er niet mee!’

 

*

Nu resteert er nog een vraag, die broeit:
Wat was er gebeurd, als de kalkoen zich ermee had bemoeid?

 

kittel: doodshemd.
sedermaal: rituele Pesachmaaltijd.

 
 

81. Reizigers

Reizigers van allerlei terreinen,
Arme, rijke, grote, kleine,
Duitsers, Fransen ook en Turken, verder Russen
En natuurlijk onze joden nog daartussen.
Is het reizen wel de moeite waard?
Of wordt je dan niets bespaard?
Reis, broeder, daarvoor ben je geschapen!
En zo reizen mannen, vrouwen, knapen,
Ongeschoolden, gestudeerden,
Armen en gefortuneerden;
Eén lijkt rijk bedeeld door ’t lot,
Maar hij is een Duitser. O, wat praat die man, mijn God!
En de spraakverwarring is hier Babylonisch:
In één taal gaat het over liefde en zaken, chronisch,
In een andere over een politiek begrip.
Waar is dit dan? Ergens op een schip?
Nee, ’t is in de brievenbus met wat je daarin stopt!
Reizigers in reisjas, dus in envelop,
Voorzien van een paspoort, dus een zegel,
En geloof in God, dat is de regel;
Daarmee, dat begrijp je wel,
Kom je vroeg of laat, langzaam of snel,
Met Gods hulp, Hij zij gezegend, zonder grote stremming
Wel op je bestemming.
Naar Zijn wil zit ik of reis ik.
Maar niet iedereen, begrijp ik,
Is dat groot geluk beschoren.
Als een lijk, zo miserabel en verloren,
Ligt daar een brief die niet van een zegel voorzien was.
(Wat begint een reiziger nou zonder pas?)
Diepe smart:
Want een briefje heeft soms een menselijk hart,
Vaak is dat verbitterd en teleurgesteld.
Dit wordt door zorgen gekweld:
Wat als hij daar bij de grens wordt uitgezift
En ze stellen dan een vraag over de Schrift?
Ja, wat moet hij dan?
En nu zegt de rijkaard, die alleen Duits spreken kan:
‘Sie sind wohl, was dem betrifft,
Dümmer noch als Eisen!
Wollten Sie beweisen:
Ohne Marke kann man reisen?’
‘God verhoede,’ antwoordt hem het briefje in het Jiddisj,
‘Een brief zonder zegel, dat is achenebbisj.
Tja, we weten het: gelukkig die verhuizen
Met een zegel en abuizen!’

 

achenebbisj: meelijwekkend.

 
 

82. Muren

Is een muur een stomme larf, een pop
Zonder liefde, zonder haat en zonder sprankje hoop,
Zonder wil en passie bovendien?
Nee, dat is niet zo, ik zweer het bij de tefillien!
Ja, een muur leidt graag een teruggetrokken leven,
Toch gebeurt het dat een steen erin een schreeuw moet geven:
Dat heb ik gehoord en ook gelezen.
Ik heb zelf ervaringen in dezen:
Muren huilden, werden door een vreemd verlangen overvallen
Om ter plaatse om te vallen met zijn allen,
En maar niet het gruwelijks te hoeven zien en horen
Waarvoor ze blijkbaar waren geboren.
En het is bekend: de muren hebben oren!
Daarom denk ik: als een muur kan horen, zien en voelen,
Zou er dan nooit een verliefdheid in hem woelen?
Ja! Twee muren kijken elkaar aan,
Door het venster zendt de ochtendzon een sidderende baan
En de oostmuur wordt verliefd, hij voelt zich als herboren
In het licht van de traditie: Herzl, Montefiore,
Malbim, de gaon van Wilna met de tefillien;
En de westmuur bloost en laat haar haren onder schaduwpruik niet zien –
In haar kleedkamer weet zij nu te charmeren!
Sst, ze heeft – afkloppen – hier een kast vol kleren
Van fluweel en zijde en satijn.
En een la vol ondergoed. Daar kan toch niets op tegen zijn?
Want het een past bij het ander!
Maar hoe komen zwaar verliefde muren tot elkander
En hoe vliegen ze naar het geluk?
Tiktak, tikt het hart, de wandklok, druk,
Maar voor liefde heb je nu eenmaal ook vleugels nodig,
En een huwelijksmakelaar is soms niet overbodig.
En wie is die koppelaar, wie is hier die figuur?
Spiegel aan de muur.
Koppelaars bedenken vaak niet of een kandidaat wel past
En ze nemen dan een duivel mee als gast,
Die grijpt een bok bij zijn sik:
Veel geluk! ’t Is vaste prik.
Deze spiegel verbindt muur met muur:
Oostmuur koestert westmuur ieder uur,
Westmuur spiegelt zich in oostelijke muur.
Maar de huwelijksmakelaar komt vragen om zijn loon.
‘Loon? Hoezo? Is dit dan niet de kroon
Op wat lang bestond?
Vraag het de bewoners maar, dan hoor je uit hun mond
Dat de muren bestemd waren voor elkaar.
Daarom was er geen behoeft aan een koppelaar!’
Ze ontkennen heftig en ze geven hem geen kans,
En ze leven heel tevreden in hun diepe glans.

 

*

Voor de held’re olielamp, het licht der ballingschap,
Die een olifant door ’t oog van een naald haalt, heel knap,
Stelt de spiegel dit gedrag nu aan de kaak –
Klets maar raak!

 

tefillien: gebedsriemen.
Theodor Herzl: pionier van het zionisme.
Moses Montefiore: 19e-eeuwse joodse filantroop.
Malbim: geleerde 19e-eeuwse rabbijn.
de gaon van Wilna: geleerde 18e-eeuwse rabbijn.
Een olifant door het oog van een naald halen: spottende verwijzing naar Talmoed Baba Metsia 38b over de geleerden van de academie van Poembedita, die bekend stonden om hun uiterste subtiliteit.

 
 

83. De spiegel en het beeld

Als het niet verveelt,
Luister dan: tegen de spiegel spreekt het beeld.
‘Misschien wil je, buurman, mij een keer verklaren
Wat je bent, een kat of een lantaren.
Eerst was je een oude talmoedlezer in gebed,
Later een vervelend mannetje dat zoende met een slet.
Zonder gekheid nu:
Eerst ben je de een – wie ben je dan daarna?
Eerst ben je Jochanan – ben je dan Hanna?
Vertel me dat nu!’
‘Ik zal het proberen:
In de wereld zijn de mensen heel verschillend,
Óf de ene óf de ander bekijkt jou welwillend.
Dus weet jij:
Als twee elkaar liefhebben is zij niet hij en hij niet zij,
Maar ze houden van zichzelf dan allebei –
Snap je wel? Ze houden van zichzelf, elk van zijn ik! –
En hen allen spiegel ik dan af,
Ik geef weer wat men mij gaf,
Zonder aarzelen, punt uit.
Trek ik ikken aan, dan trek ik ikken uit.
En de norm is: pas je aan aan eigenheid.
Ga mee met de stroom en met de tijd.
Dat betekent dus: verander.
Zo niet, dan ben jij mislukt en dan breekt jou een ander!’
‘Ja, maar toch!’
‘Je begrijpt me niet. Maar wat dan nog?
Jij bent een naïef, achterlijk iemand.’
‘Ja, wie weet. Maar ik bedoel alleen:
Jij bent deze, jij bent gene, jij bent iedereen.
En hoe komt dat? Jij bent niemand!’

 

talmoed: uitgebreide verzameling commentaren op de joodse Wet.

 
 

84. De profeet

Een kraai laat zich horen
Op het dak, hij roept: ‘Kra, kra!
Kra en donder, kra en bliksem!
Kra, kra op de kerken met hun spitsen,
Want die steken en die boren
In de hemel gaten!
Kra op straten!
Kra op daken!
Kra, kra! Alles zal in rook opgaan en kraken!
Kra op nesten in de hoogste takken!
Takken zullen knakken!
Want het einde is nabij!
Honden blaffen, razernij
Van de worstelende wervelwind met veel stampij,
Huilend en wentelend als een slang!
Hoor: zij zingen jullie laatste zang,
De zang van de ondergang,
De zang van straf en van zonde!
Waarom klepperen daar onder
Toch die botten?
Wacht, ik hoor een knekelpoot:
Op ruïnes die daar rotten
Danst de naakte dood
Tussen de karkassen!’
Daarna blijft de profeet nog lang krassen
En hij eindigt met: ‘Onthoud wat ik herhaal:
Kra, kra, allemaal!’
En één keer
Slaat hij met zijn vleugels en strijkt op een varken neer.

 

*

Zo rijdt de profeet door ieder straatje
Op het treife-koosjer voetjesvaatje
En de glans van de profeet spiegelt nog in zijn ogen.
Daar klinkt uit den hoge
Plots een stem:
‘Dat is hem!
De profeet met zijn refrein,
Die eerst op het dak moest zijn
En die nu rijdt op het zwijn!’

koosjer: ritueel geschikt.
treife: ritueel ongeschikt.

 
 

85. De waarheid

Waarheid is soms rood: een klaproos naar je hart,
En soms, God verhoede, als een kraai zo zwart.
Moeder broedhen wandelt met haar jonge diertjes
Met hun schattige maniertjes
En ze is erg in haar nopjes
Met die appeltjes met pootjes en met kopjes,
En elk kopje heeft een snaveltje dat lieve piepjes maakt.
Moeder broedhen zorgt dat ze hen goed bewaakt,
Dat ze bij elkaar blijven daar ziet ze steeds op toe
Door hen dan te roepen; ’t is een heel gedoe,
Maar het piepen is een lichte last.
Kijk eens aan: vandaag is er opeens een gast!
Wie? De zwarte kraai.
‘Liefde, vrede!’ Met een fraaie draai
Wordt de kraai door de broedhen ontvangen,
‘En wat zeg je van mijn kuikens?’ vraagt ze vol verlangen,
‘Niet alleen ikzelf, maar iedereen zegt: wat een schatten!
Afkloppen! Het is niet te bevatten.’
‘Ach, stom mens!’
Het is of de kraai komt met een koude plens
En met zijn gekras in haar hart hard een krasje krast.
‘Schatten zijn het zeker. Daarentegen: wen maar vast
Aan het groot gevaar dat later dreigt: de zwarte pan!
Neem een kijkje dan
In de keuken: daar wordt al het mes geslepen!’
‘Slijpen of niet slijpen: is dat mijn probleem?’
‘Mijn probleem ook niet, maar neem een kijk in het systeem!
Je weet blijkbaar niet dat reb Elisje
Houdt van kippen, jonge, frisse?’
‘Houdt hij daarvan? Fijn, want dat zijn doodnormale zaken!
Maar wat heeft dat met een mes te maken?’
Vraagt de kip verwonderd.
‘Alles!’ zegt de kraai, ‘ik heb je niet bedonderd,
Maar –’
‘Zwarte kraai, spreek klip en klaar!’
‘Dame,
Reb Elisje vreet je kinderen op, heus, allen tezamen!’
‘Maar hij houdt van ze!’ ‘Ja, dat is juist de reden!
Nu zijn het nog kuikens, dus geniet van ze en wees tevreden,
Later, later – God erbarme, komt de knak!’
De kraai schreeuwt de waarheid uit en vliegt op naar het dak.
En het dak vat vlam en vervloekt met vurige tongen
Kraai en waarheid. En de hen denkt niet lichter over haar jongen.

 
 

86. Een aanklacht tegen God

Daar verrijst de morgen, fonkelnieuw en fris
En de kleinste dorre strohalm krijgt een zoete lafenis.
Bevend vliegt de vlinder naar de roos om haar te kussen.
Roos en vlinder zijn intussen
Kussen van Ha-Sjem.
En het ene hartje roept tegen het andere: ‘Wij loven Hem!
Zijn Naam zegenen wij samen,
Amen!’
Deze woorden komen nog niet uit hun mond,
Of daar rijst op uit de grond,
Als een ongenode gast, de oude muis.
‘t Vlindertje beeft: hier is het niet pluis,
Fladder-tinkel-tenen,
En het is dan plotseling verdwenen.
En de muis begint, als vele vrome oude lieden
Deze roos van alles te verbieden:
‘God zet steeds op het goede moment weer iemand op mijn lijstje!
Goed dat ik gekomen ben, want stel je voor! Maar luister, meisje,
Als een oude muis ben ik bekwamer:
Voor jongeren is de wereld een wachtkamer,
Alleen maar een korte doorgang en meer niet.
Waar ter wereld je ook komt, in welk gebied,
Overal is het net uitgespreid:
Vogelkooien en ook katten, pas op, meid!
Katten met wel duizend ogen die verblinden,
Blinden-dinden riedel-diedel biedel-binden,
En wie weet wanneer Messias komt, op welke stonde?
Als de generatie omkomt in de zonde!
Wordt de hemel, God verhoede, niet steeds blinder?
Jij speelt nu al met een vlinder!
Denk toch aan de duizend ogen die er waken!’
Wat de oude zegt doet wel terzake,
Maar wat snapt een roos van muizentaal?
Kijk, haar parel-oog straalt en ze glimlacht helemaal:
Ook zij komt om in de zonde!
De muis, die een misstand heeft gevonden,
Zwaait zijn staartje boos:
‘Wees maar niet zo zelfverzekerd, roos!
God schiep een wachtkamer met duizenden versies van het nutteloze,
Maar er waren nog te weinig rozen!’

Ha-Sjem, “de Naam”, God, wiens naam niet genoemd mag worden.

 
 

87. De ezelachtige ezel

Lang strekt in de saaie straat de zomerdag zich uit.
En de hond haalt met de ezel eens een grapje uit:
‘Ezelachtige ezel, is dit taboe
Of had jij een avontuurtje met de rode koe?’
‘Schiet op! Ik? Dat kan niet! Ik ontken het pertinent!’
‘Houd je maar niet van de domme, vent!
Ik heb het gezien met eigen ogen
En de kater was erbij, ’t is ongelogen,
Gisteren, daar bij de poort!
Over jou had ik nog nooit zoiets gehoord!’
‘Leugens!’ roept de ezel, ‘dit is een gemeen complot!
Dan mag ik een bok zijn of een platgetrapte mot!
Moet ik buiten overnachten als het regent?’
Daarom voelt de ezel zich onheus bejegend.
Heel de dag komt het nu niet meer goed,
Ieder die hij maar ontmoet
Krijgt de kwestie voorgelegd:
‘Heb je het gehoord? Men zegt:
Buurmans rode koe, die Chaje-Froeme
(‘k Wou haar eerst niet noemen) –’
‘Joe?’
‘Roept naar mij: boe-boe!’
‘Poeh!’
‘Niet alleen boe-boe, maar ook: kom op!’
Iedereen lacht in zijn vuistje en de straat staat op zijn kop,
De ezel wordt opgejaagd met bezems vol met dorens
En de rode koe neemt hem al bijna op de horens
En ze roepen hem met hels kabaal scheldwoorden na,
Heel de straat die lacht van hihihi en hahaha!
Maar ze hadden hem toch niet kunnen verschalken
Als hij niet begonnen was het overal maar rond te balken.

 

Jiddisje titel: “Der chamer-eejzl”. “Eejzl” is ezel, “chamer” (Hebreeuws) is niet alleen “ezel”, maar ook “domkop” of “idioot”.
rode koe: het offerdier in de Tempel in Jeruzalem (Numeri 19:2).
“Chaje-Froeme” betekent zoiets als “vroom dier”.

 
 

88. De zakdoek

Hoeveel stemmen zijn er niet te vinden?
Van het groene boompje dat spreekt met de winden
Tot het rollen van de donder
En de zakdoek die reb Sjimen onder
In zijn diepe broekzak draagt
En die desgevraagd
Telkens weer de glazen van zijn bril zal vegen
En dan ook datgene waar de bril op rust zal legen.
Dat die zakdoek ook nog praat, is al gebleken –
Dat is geen goed teken.
Sjimen heeft vandaag kopzorgen:
Hij moet met te weinig geld vier dochters goed verzorgen,
En de koppelaar die is een dove stakker…
En reb Sjimen trekt de zakdoek rond zijn hoofd wat strakker,
Daardoor spreekt die zakdoek nu nog vaster, wranger.
‘Ja, dat komt ervan!’ zegt hij, ‘je droom is langer
Dan de nacht!
Met je hoofd wil je graag denken – wacht!
Al te ver denken is dubieus:
Spring niet hoger dan de neus!
Van een stok hoorde ik dit geluid:
Wie dat kan, die strekt zich uit,
Maar niet verder dan het eind!
(Die stok had een knop en was geen domkop, naar het schijnt.)
Stil, wees maar bescheiden. Een zakdoek ben ik
En beschik
Over veel meer omvang dan jouw kop
En daarop
Heb ik achter je tefillien zelfs een prop,
En wanneer je lenden
Voor gebed zich tot mij wenden
Neem ik die ook in genade aan,
Maar ik weet wel: er zijn ook dingen die kan ik echt niet aan:
Niet de sjoel en niet het bad
En zelfs niet het kleinste huisje in de stad.’
Zegt reb Sjimen: ‘Laten mijn vijanden spreken!
Zelfs in zijn bescheidenheid is deze zakdoek arrogant gebleken!’

 

tefillien: gebedsmantel.
sjoel: synagoge.

 
 

89. De dappere kersenpit

Laat ze in de vuilnisbak een traan,
Treft ze daar een kersenpitje aan:
Beiden rond, dezelfde grootte, echt een paar.
‘Goeiedag!’ ‘Hallo!’ Ze praten met elkaar.
‘En hoe heet je?’ ‘Parel is mijn naam.’
‘Waar kom je vandaan?’ ‘O, heel onaangenaam:
Van een hals, een vette onderkin.
Al dat zweterige vet was niet meer naar mijn zin
En dat vlugzout, daar kreeg ik rillingen van!
Maar ten slotte maakte ik me los en door een plan
Van een lieve helper, bezem heette hij
(Ik wens hem het beste en geen averij),
Kon ik toen ontsnappen en kwam hier terecht.’
‘Goddank! Bezem, hoorde ik dat echt?
Maar dat is een beul! Zeg, ben je niet van steen,
Luister dan naar mijn verhaal en ween:
In de lente, in een frisse bloesemboom, werd ik geboren
En groeide ik op – ach, was dat nog maar niet verloren…
Door de dauw gewassen, door een regenbui gebaad,
De zangvogels wiegden en wekten me delicaat,
En de zoete zon kuste me met haar stralen,
Speelde, kietelde me, en ik lachte vele malen.
En mijn moeder maakte een roodzijden hemdje voor me, prachtig,
Ja, dat was het en het stond me engelachtig!
En de gouden kersen aan de hemelboog
Spraken tot mij in de nachten van heel hoog!’
‘O ja? Spraken ze je toe? Wat mooi! Alleen,
Vraag ik me nu af: ben jij dan ook gevlucht hierheen?’
‘Ik hier naar beneden,
Net als jij? Nee, God verhoede! Val me ook niet in de rede
Zonder reden!
Toen ik zo hing te gedijen
In de zomerzon, tussen vlinders en bijen,
Komt opeens de duivel, o, dat loeder,
En die rukt me weg van huis en van mijn moeder!
Met zijn tanden beet die wilde mij
En scheurde mijn hemd van rode zij.
Toen heeft hij me aan de boze Bezem weggegeven
En die schurk heeft me hierheen verdreven.’
‘Nou en?’ ‘Zie je niet die zooi
En dat afval? Mooi,
Dat jij niets begrijpt van deze wrange klucht!’
En de parel zucht:
‘Wat een arme kankerpit is die dappere kersenpit,
Die hier samen met mij in de vuilnisemmer zit!

 

*

Parel, parel, erger je maar niet:
Als het goed is doet de vuilnisbak ook jou verdriet!

 
 

90. De zakdoek en de neus

Vraagt de neus de zakdoek: ‘Schoontje-Reintje,
Is dat waar of is het maar een geintje?’
‘Wat?’
‘Het verhaal is kort, maar wel gevat.
Kortgeleden rook ik het: reb Itsi
Komt van Traskevitsi,
Daar bloeit nooit een bloem of boom, beweert hij met een staal gezicht,
Terwijl ieder dak en hoofd vol schimmel ligt,
En een zakdoek is de lucht:
Slaakt de wind een natte zucht,
Dan veegt God Zijn neus af met de lucht;
Regen zorgt voor vieze troep:
Tot je middel waad je door de modder op de stoep.’
‘Je moet hem niet geloven! Die reb Itsi is een pias!
Die verhaaltjes worden pas waar bij de komst van de Messias!’

 

*

Maar hoe zal het zijn, mocht de Messias komen?
Vraag het aan een blinde of een stomme,
Vraag het aan een kreupele of een leprose,
Vraag het mensen met tuberculose,
Vraag het aan een hoed, een bonthoed, oude schoenen –
Vraag het maar: lou loene!
Niet toevallig had een tsaddik het al opgegeven:
‘Hij mag komen, als ik het maar niet hoef te beleven!’

bonthoed: gedragen bij bijzondere gelegenheden door chassidische joden.

 

tsaddik: vrome en wijze jood.
‘Hij mag komen…’: een variatie op Talmoed Sanhedrin 98b: ‘Laat hem (de Messias) komen, maar hem mij niet zien.’ De spreker, rabbi Jochanan, doelt op de beproevingen die joden moeten ondergaan voor de komst van de Messias.

 
 

91. Het ontwaken van het bos

Veel geluk, een feestdag voor het schaap!
Nu wordt het bos wakker uit zijn slaap
En het zegt: ‘Een goedemorgen!
Lang genoeg hebben rovers zich in mijn schaduwen verborgen.
Vandaag gaat de zon op met een heel nieuw licht!
Denk niet dat het zomaar gaat, er wordt veel groots verricht:
Eerst wordt er gezorgd dat iedereen een frisse wind
Ondervindt,
En geen haas bidt meer “dat Hij mij geen vrouw heeft gemaakt”, dat dwaze,
Want waarom was dat? Zijn vrouwen soms geen hazen?
Daarna worden fluisterende blaren telkenmale
Door de wind geplukt: de duivel kan ze halen.
En tegen een oude vos zegt een haas goedgebekt:
‘Ik ben ouder, toon wat meer respect!’
Verder zingen alle vogels vreemd, vol zelfvertrouwen,
En de wolf loopt daar verslagen, die krijgt heel wat knauwen.
Dan donder en bliksem, knal na knal!
De leeuw loopt al wankel en maakt dan een val,
En het hele bos dat beeft,
Zonder te zien wat zich hier voltrokken heeft,
En de leeuw die schudt zijn manen, flink, maar zonder veel poeha.
En daarna
Is de oude orde in het bos gebroken:
‘Er is niet geslacht, gebeten of gestoken
En we redden het met honing, groenten en wat planten,’
Zegt de beer als de nieuwe jurist (een bijdehante);
Alle vleeseters krijgen nu een straf opgelegd:
‘Op twee benen lopen, recht,
Als de mensen, die elkaar beschieten met geweren
En elkaar laten creperen –
Dieren zijn geen mensen op Gods aarde!
Dieren zijn nu broeders, alle dierenlevens hebben waarde!’
‘Goed,’
Zegt de vos, ‘maar het kan beter en dat moet.’
Drie etmalen gaat hij zich bezinnen,
Daarna klimt hij op een bergje en spreekt deze zinnen:
‘Ik ben ook ooit jong geweest, in het grijze verleden,
En ik heb veel meegemaakt en veel geleden –
Deze kleine jongen wil jullie iets zeggen
Over runderen en schapen, het is moeilijk te weerleggen:
Blijkbaar om te stoten hebben zij aan elke kant een hoorn,
Maar dat onderscheidt hen ook van ons en het wekt onze toorn!
Iedereen gelijk, dus weg die hoorns en er is haast geboden.
Horens dragen is verboden!
Lang leve ons bos en zijn gelijke kinderen,
Schapen, beren, wolven, runderen!’
Sindsdien houdt de wolf veel van het lam: het mag niet meer gebeuren
Dat alleen de horens eraf scheuren.
Dan moeten toch sneuvelen, en dat begrijp je wel,
Ook het kopje en het vel?

 

“Dat Hij mij geen vrouw heeft gemaakt”: passage uit het dagelijks gebed van een vrome jood.

 
 

92. De trein

Een tekia fluit de trein tot in de hemel
(Bah, dat stemmetje is maar gezemel!)
In zijn taal laat hij zich gaan:
‘Toeoet-toeoet, maak ruim baan!
Wat is dat nu? Kijk eens aan!
Haha, haha, haha, wat zit daar toch achter?
Heel die spoorboom rent weg en met hem de wachter!
Kijkt
Hoe die berg opzijgaat, hoe hij wijkt:
Van schrik krijgt hij al pijn in zijn maag!
En het dal dat sleept zich nog omlaag!
God zij met je! Blijf toch hier!
Moet je zien daar: door de dam breekt de rivier
Waarna hij het bos in valt!
Grijp hem, grijp hem! Halt!
Kijk, een huisje wil hem grijpen, en een tweede,
Ondertussen, haha, vluchten ze met rasse schreden!
Blijf toch staan! Zit je een duivel op de hielen?
Die Sodom-Gomorra kwam vernielen?
Ben ik een vervloekte, ooit ten val gekomen met de reuzenstrijders,
Die geharde, metalen verleiders,
Uit brandende hartstocht en uit brons gesmede,
Die het zondig met de zo geslaagde mensendochters deden?
Ik begrijp die vlucht niet, waarvoor zo beducht?’
Denkt de trein verwonderd in zijn eigen vlucht.

 

tekia: signaal van een sjofar (ramshoorn).
Sodom en Gomorra: steden die door God vernietigd worden (Genesis 19).

 
 

93. De adelaar en de mol

Beiden waren adelaar en mol gevlogen
En heel ver getogen:
Een zoals gebruikelijk per vleugel
En de ander op de krachten van Salomo’s koningszegel.
Zeven dagen vliegen, op dag acht
Werden zij al in het paradijs verwacht.
Koning Salomo zei: ‘Kom het paradijs bekijken,
Doe het grondig, laat je slimheid blijken,
Vind de zin van ’t leven, het geheim van het geluk,
De verklaring van mijn onverklaarde dromen, stuk voor stuk!’
Bij de poort van ’t paradijs, van onderen,
Opent zich voor hen de wereld van de wonderen.
Ieder wonder is een wereld op zichzelf,
Die bestaat uit spiegels onder een gewelf;
Als poorten in spiegels zich ontsluiten zien ze beiden
Nieuwe weiden
Die hen leiden
Naar nieuwe werelden van oneindigheid.
Dan bedenkt de adelaar: ik mijd
Deze weiden, vlieg omhoog
En bekijk dan alle kleinigheden op zichzelf vanuit de hemelboog.
Want ik zie: je bent niet voor de zon geboren
Als je in afzonderlijke stralen raakt verloren:
Jaag je op details, dan raak je tot in eeuwigheid ontspoord
In een spiegel, in een poort,
Dus moet je op vleugels je verheffen,
Iedereen en alles overtreffen
En je baden in het zonnig glanzend geel
Van ’t geheel
En zo je begrip van alles naar een hoger niveau tillen.
Maar dat moet je kunnen, niet alleen maar willen!’
En omdat de adelaar behendig vliegen kan,
Vliegt hij dan,
En daar spreiden ze zich voor hem uit beneden,
En daar komen ze voorbijgegleden:
Landschappen, kastelen en nog eens kastelen
Van kristal en vele
Ook van glanzend marmer en van blank ivoor en
Ergens op een koepel, op een ronde toren
Ziet hij fonkelnieuwe zonnen, zo uit de verpakking, schijnen,
Spiegelen zich in een regenboog en dan verdwijnen.
En rondom hem lijkt het wel een sjabbat, zo’n doodstille.
En het wonder rolt zich verder uit als een megille,
Mijlenver en ieder woord heeft wel zeven betekenissen
Met elk weer zeven geheimenissen –
En de blije arend kijkt, maar kan niet lezen en moet gissen. –
De bescheiden mol zegt: ‘Het moet andersom, mijn waarde!
Je moet graven in de aarde,
In de diepte, en niet naar de hemel springen:
Je moet vorsen naar de wortels van de dingen!
Dingen zonder eind, in een oneindig aantal vakken.
Dan neem je één ding: een boom, een bloem, te pakken
En je graaft maar door tot aan de wortelstok.
Kom je bij de wortel terecht,
Dan merk je, eerlijk gezegd,
Dat die je verstand belast als een blok hout, een zware stok,
Want er is te veel! De wortel heeft veel haartjes, tal van draadjes,
Daarbij naadjes, gaatjes, vaatjes;
Een zo’n haartje breek je en dat pluis je uit
Totdat je de kiem ontdekt, de spruit,
En daar op een onbewaakt moment, daar ergens in een ril,
Liggen het begin en einde van de grote wil,
Het geheim van het geluk, van leven en ontluiken.
En alleen dat haartje zie ik voor me, dat kan ik gebruiken,
Voor het overige ben ik blind.
Midden tussen dode raven ligt al wat ik vind,
En die kan ik missen, al die raven,’
Zegt de mol en gaat dan aan het graven, graven
Naar de grote ereprijs,
Diep verborgen in het paradijs,
Ergens in de stoffelijke resten, grijs,
Van veel vliegen.
En het eind was een mooie manier om te bedriegen
Als het niet echt waar zou zijn:
Adelaar en mol deden daar onderzoek op hun terrein,
En het resultaat: de adelaar weet nu van alles niets
En de mol weet nu alles van niets.

 
 

94. De dans (de grote trom)

Op een dag begon de grote trom te klagen
Dat hij zoveel ongeluk moest dragen:
‘Dat God vader is kan ik wel snappen,
Maar Hij geeft de een plezier, de ander harde klappen.
Die trompet daar op dat mondje, wat een leven!
(Maar wat is er van die donderstem overgebleven?)
En dan dat viooltje: kijk hoe reb Jitschok
Haar streelt met zijn vingers en zijn stok,
Kijk naar zijn gestoei
Met dat instrumentje, foei!
Zeg maar wat je wilt, maar ik vind het schandalig!
Stil eens even: hoor je hoe armzalig
Die viool daar klinkt? Een valse toon, o God, wat bot,
En ze speelt gewoon maar door! En ondertussen is mijn lot:
Slaan en slaan en nog eens slaan!’
Bromt de bas: ‘Ik ben een oude rot in ’t vak stilaan,
En ik denk iedere keer:
Kus en klap komen steeds op hetzelfde neer
In dezelfde klaagzang, die je lang zal heugen.
Ik bedacht een keer iets vrolijks: dat was ook een leugen!
Hier krijgt de duivel zijn kans:
Lach dan, paljas, lach en dans!
Kom, de voetjes van de vloer!
Morgen draait de duivel jou of je viool een loer!’
‘Boem!’ bevestigt de trom, ‘Boem!
Op ons rust een zware doem.’

 
 

95. De regenboog en de vissen

Daar staat, rijk aan kleuren, een lust voor het oog,
Als een jonge moeder die zich over de wieg van haar kindje boog,
Boven de rivier een regenboog.
Hij blijft staan, alsof het kind nog niet voldoende zoog
En naar zeven kleuren melk nog dorst
En een spel speelt met zijn moeders borst.
Kijk, een donder zonder klanken, met een kleurenstaal!
Stommen worden spraakzaam, vissen krijgen taal,
Ze verbazen zich en zijn verwonderd:
‘Heel bijzonder!’
‘Wat een speling der natuur!’
‘Puur!’
‘Ik bekijk hem al een uur!’
‘’t Lijken verven!’
‘Dit zien en dan sterven!’
‘Hahaha!’
‘Bah!’
‘Niet mooi?’ ‘Nee, nou en?’
‘Typisch weer zo’n leeghoofd van de upper ten!
Alles is nep als het aan hem ligt!’
En een jonge karper slaat een oude recht in zijn gezicht.
‘Hé, dat is geen stijl!’
‘Oude dweil!’
‘Dood!’
Roept de oude karper en hij slaat en wordt vuurrood.
Op de karper werpt zich nu de snoek,
Slaat de oude in een hoek,
Zo is het, meneer, niet anders!
Maar de karper heeft ook medestanders.
En waar men elkaar naar ’t leven staat
Daar begint het verhaal van de rode draad
Die door narigheid loopt altijd weer.
En de regenboog bestaat niet meer,
Vissen zijn hem al vergeten,
Maar dat willen ze niet weten!

 
 

96. Ke-koe-ak

Uit zijn dak gaat Kwaki-Kwak,
Het beroemde kikkertje, en danst een ke-koe-ak
(Dat is in het slijk een dans, die lijkt op stuipen,
Die begint met kruipen
Op de buik
En dan overgaat in een heel hoge duik.)
Het kikkertje springt boven de groene schimmel
(Daar heet het: tot in de hemel),
En geeft met zijn bek bij elke sprong een smak,
En de kikkers plonzen dan en roepen: ‘Ke-koe-ak!’
Nou, ik vind die dans bepaald niet stijf!
Dat ziet ook het regenwormpje Kronkellijf
En het zegt: ‘Ajakkie,
Is dat die moderne ke-koe-akkie?’
‘Ben jij beter?’ vraagt een kikker dan,
‘Toe maar, laat zien wat je kan!’
Als de worm begint te dansen, blijkt al gauw:
Kruipen met zijn lichaamsbouw
Gaat uitstekend! Ja, dat kan hij ook,
Kruipen kan hij net zo goed als wie dan ook,
Maar moet hij daarna tot in de hemel springen,
Kan hij niet zijn slaperigheid bedwingen.

 
 

97. De bruidegom

Hij was naar een vrouw op zoek zopas –
Wie? De kool, die in zijn groene jas.
Maar de bruidegom kon nergens een bruid vinden.
En nu vraag ik jullie: wie zou zich aan hem willen verbinden?
‘Misschien de watermeloen?’ ‘Die is nogal gevaarlijk:
Zij is erg gesloten, in haar kijken is bezwaarlijk,
God weet wat er in haar zitten,
Witte of zelfs zwarte pitten!’
‘De pompoen?’ ‘Geel, opgewonden, slecht gedrag
En een roddelaarster, goeiedag!’
‘Is de tomaat in de haak?’
‘Nee, geen zout, geen smaak!’
‘En juffrouw radijs?’
‘Nee, die tot geen prijs!
Dan houd ik het liever koel.’
‘Wacht eens, wacht: de paddenstoel?’
‘Komt uit kringen met erg veel fatsoen.’
‘De komkommer?’ ‘Die vind ik te groen.’
‘Wie dan?’ vraagt de bij een keer;
Want zij is de koppelaar, vliegt voor hem heen en weer.
‘Tja, ik wil… ik denk… de kool die groot
Boven aan de hemel wandelt, licht en rood,
‘Wacht –’
Die was nog niet bij me opgekomen in mijn droom vannacht,’
Zegt de bij, ‘Maar laten we eens kijken:
Ze draagt mooie jassen en laat schoonheid en verstand steeds blijken –’
Daar verschijnt de zon en kust hem als een bruid!
Waarom? Zien zijn kledingstukken er bijzonder uit?
‘Zeg me wel – dat moet ik weten voor ik met haar praat
Over jou als huwelijkskandidaat:
Wie ben jij wanneer je zonder kleren voor haar staat?
Blijft er dan iets van je over of ben je zo’n holle?
Lig waar ze je kennen, laat ze voor jou niet ver rollen!’

 
 

98. Het slechte gerecht

Heel erg lang geleden,
Nog voor er hier treinen reden
En de wereld werd geplaagd,
Door koetsiers op stang gejaagd,
Toen was iedere koetsier een gulzigaard
En hij at geen brood, maar taart.
Tole had het meest plezier:
In zijn moeders buik was hij al een koetsier,
En hij kwam de buik uit, zegt men, met een ‘Hu!’
Misschien wil je me niet geloven nu,
Maar hij was op een dag in de stal
En streelde zijn paard voor het inspannen al
En had voor hem meegebracht
Onverwacht
Vruchtentaart, een grote punt,
Die was zijn paard wel gegund.
Tole zei tegen zijn paard: ‘Lief dier,
Misschien doet het je geen zier,
Taart is niet iets wat je kent,
Maar ik denk dat je tevreden bent.
Meer vind ik niet passen:
Voor taart moet een paard zijn handen wassen,
‘k Heb het in de dikke vrouwensiddoer nagelezen.
Hier heb je je vruchtentaart. Eet smakelijk, bij dezen.’
Het kieskeurig paard dat ruikt eraan,
Likt eraan en hikt ertegenaan:
‘Is dat eten, heus?’
En dan blaast het rancuneus
Door zijn neus.
‘Dit is walgelijk,’ zegt het, ‘zeg, wat een zooi!
Haver eet ik graag, ik kauw graag strooi:
Geef een volle ruif, dan zul je zien hoe ik kan malen!
Maar zo’n vruchtentaart? Die mag de duivel halen!’

 

*

Paarden willen paardeneten.
Taart voor paarden? Dat nooit, zeker weten!

 

siddoer: dagelijks gebedenboek.

 
 

99. De hond en de zee

Er begon een hond tegen de zee te zeuren
En te foeteren maar uitentreuren,
Hij ging wild tekeer met zijn geblaf!
‘Waf, wat maf!’ riep hij, ‘wat maf!
Waf, wat maf, net als de witte schapen, niet bijzonder!
Waf, wat maf! Er is geen onder-
Scheid
Tussen golven en schapen, een feit!
Op het water gaat het net zo heen en weer als op de grond!’
En hij ging nog verder, onze hond.
‘Als de zee alleen uit vet bestond,
Was er veel te veel! Ze willen je bedotten,
Want ze zeggen: er is vlees en botten.
Maar waar is het vet?
Nee, er is geen vet, geen lammetje, je wordt hier afgezet:
Alleen zout!
Nee, de zee is fout!
Van het overbodigs op de wereld word ik iebel:
Katten, gasten, zee en vliegenkriebel,
Stokken, zwepen, lege zakken en de maan:
Alles blaast de wind maar naar je toe, en waarvandaan?’
En de zee?
Hoe dieper die wordt, des te meer is hij met zichzelf tevree:
Met de schepen op zijn rug en parels in zijn diepte
Merkt hij niet dat honden piepten!

 
 

100. Zegening van de nieuwe maan

Op een zilverscheepje in het krullend parelschuim
Zeilt de maan daar door het blauwe hemelruim,
In een glimlachende luim.
Juist nu blaft ergens een hond
Schaamteloos en wild in ’t rond:
‘Hédaar, wachter,
Kan dat niet wat zachter?’
Vraagt reb Jona Torteltril,
Die woont in de duiventil.
‘Houd je snavel, anders bijt je in het stof!
Want ik zeg de zegen voor de nieuwe maan! Ik zing haar lof!’
‘Wat? Wat zeg je? Jij bezingt de schoonheid van de maan?
Nee, meneer, dat grapje komt bij mij niet aan!’
‘Kun je niet tegen een grap? Duif, ben je doof?’
‘’k Ben geen dove duif, maar ik geloof
Dat ik snap hoe mij jouw waffel straft:
Als een hond looft, lijkt het of hij blaft!’

 
 

101. De geleerde

Met de poten onder zich gebogen,
Rechtop beide oren en halfdicht de ogen,
Ligt de ezel daar, diep in gedachten
(Heel veel speculaties kunnen wij van ezels nog verwachten!)
‘Goedemorgen!’ Zijn gedachten worden onderbroken door het paard.
‘Je bent aan het denken, naar je aard,
Ben je weer bezield?’
Zegt het paard, dat rustig naast hem knielt.
‘Van mij heb je ’t meer gehoord:
Denken is voor jou en voor de wereld moord!’
‘Ja, ik weet het, maar toch heb ik doorgedacht,
Want dat wordt van een geleerde wel verwacht:
Die draagt zijn gedachten net als de kameel zijn bult.
Vandaag is mijn denken van zingen vervuld:
Slaap ik, kauw ik stro,
Dan denk ik daaraan, het brein dat werkt nu eenmaal zo.
Vergelijk je deze zaak met gras, dan zit je fout,
Want je krijgt deze inhoud
Niet maar even weggekauwd.
Neem bijvoorbeeld eens de nachtegaal, die is een piepklein brokje,
Maar een wereld van muziek, een klokje!
Waarin zit zijn kracht, in vleugels, buik of and’re dingen?’
‘Men zegt dat je oren nodig hebt voor zingen.’
Maar de ezel schudt zijn oren: ‘Onzin, hoe dan ook!
Oren heb ik ook!’
‘Hangt het dan af van de stem, de keel?
Een koe geef je toch ook zout te likken, niet te veel?’
‘Heb ik, God verhoede, dan geen stem? Ga achteruit!’
En de ezel zet een keel op en balkt luid.
‘Jawel, uiteraard,
Ieder naar zijn aard,’
Zegt het paard.
‘Kauwen doe ik, dat ligt voor de hand,
Met verstand.
Zingen dat is denkwerk en anders is het bedrog!’
‘Denkwerk? Ja, maar toch –’
‘Luister eens, reb paard, je bent niet dom,
Maar hier is het andersom:
’t Is gemeten,
En ik zal het de stal laten weten:
Degeen met het kleinste brein
Moet de beste zanger zijn!’

 
 

102. Rasji

Drukke straat, wees rustiger, met spoed:
Rasji commenteert de Tenach en Talmoed!
Kort de dag en groot het werk, je moet je tijd heel goed besteden –
Waarom stopt hij nu, om welke reden?
Rasji kan iets niet doorgronden,
Zit als aan zijn stoel gebonden.
In gedachten, neuriet hij iets uit Talmoed.
Ondertussen ruziën zijn pen en inkt, dit gaat niet goed:
‘Zeg, reb ganzenpen, doe niet zo arrogant!’
Zegt de inktpot van zijn kant.
‘Waaruit put jij je verstand? Uit mij!
Want ik ben een zee van wijsheid, elke traan van mij
Is een pareltje dat hier
Als pupil verschijnt in het oogwit van het papier!’
En tegen de inktpot zegt de veer:
‘Wat? Wat zegt die zwarte badmeneer?
Als de inktpot zee is, dan ben ik de stok die slaat!
Voor hij verdergaat:
Is hij soms een mikwe waar ik ritueel moet baden
Voor ik op het witte veld mag strooien al mijn zaden?
Dat is godbetert geen spelletje, een plicht is dat!
Voor iedere regel moet ik in dat bad!’
Rasji kijkt eens naar de inktpot en de pen,
Fronst zijn hoofd en denkt vol meelij: ‘Hier weent men!’
Bij een oplossing zijn de twee dingen zeer gebaat –
Rasji houdt de zaak nog in beraad.

 

Rasji (1040-1105): rabbijn en belangrijkste joodse bijbelcommentator.
“De dag is kort, het werk is groot”: uitspraak uit de Talmoed, geciteerd door Rasji.
Tenach: de Hebreeuwse Bijbel.
Talmoed: met de Bijbel het belangrijkste religieuze werk in het jodendom, met uitgebreid commentaar op de Misjna (religieuze wetgeving).
mikwe: ritueel bad, waarin de schrijver van een Torarol zich moet reinigen.
“Hier weent men”: Aramees citaat, herkomst onzeker.

 
 

103. Mirjams bron en de vuurzuil

Een volk heeft zich uit Egypteland bevrijd,
Zee en woestijn hebben het de weg bereid.
‘Steen, kun jij het water geven? ‘Dat kan, ja!’
‘En jij koperen hemel, geef jij het manna?’
Bergen die elkander niet konden benaderen,
Eén in Moab en één op verdiensten van de vaderen,
Beiden niet voor andermans ideeën open,
Bogen, toen zij de bevrijde massa’s zagen lopen,
Hun hoofden naar elkaar toe van beide zijden
En ze vroegen heel bescheiden:
‘Dat op onze ruggen onze droom mag treden,
Onze droom, die vlees en bloed geworden is in ’t heden!’
Mirjams bron, die water naar de massa’s had geleid
Als een oog van moeder aarde, vol van goedertierenheid,
Murmelde zacht en sprak tot de zuil van vuur,
Die het volk voorging van uur tot uur,
Het de weg verlichtte en woestijnslangen verbrandde:
‘Broeder vuur, nu is de uitkomst van een droom ophanden!
Kijk: de bergen sloten vrede!
Nu kan vuur met water samenvloeien, er is alle reden!
Broeder, spring toch vurig naar beneden
In de armen van mijn koelte!
God behoede ons op Zijn gestoelte!’
‘Moet vuur nu ineens met water spelen? Waarom zo welwillend?
Kijk eens naar
Bergen daar:
Zijn die soms gelijk? Bergen denken verschillend, wij voelen verschillend!’

 

Mirjams bron: volgens het mystieke geschrift de Zohar zou, door de verdiensten van de profetes Mirjam, een bron de Israëlieten hebben begeleid in hun uittocht door de woestijn. De bron komt in de Bijbel voor in Numeri 21:16-17.
zuil van vuur: zie Exodus 13-14.
Bergen in Moab en “op verdiensten van de vaderen”: geïnspireerd door een midrasj (commentaar) op Numeri 21.

 
 

104. De kraai en de koekoek

‘Kom eens hier, mijn kleine raaf, ik wil je leren
Hoe je moet gaan profeteren,’
Zegt de oude kraai tegen haar kind.
‘Morgenochtend, bij de eerste lentewind,
Zodra het gaat dagen,
Komen velen naar jou om advies te vragen
En voor je te buigen, want je wordt bar-mitswe!
Hoe zorg je dat je voor hen een goede gids bent,
Die iedere keer weet wat hij hun moet adviseren,
Terwijl je toch niet bent gaan studeren?
Regel één is: ga op alle vragen in,
Maar om godswil: zeg niet alles wat je weet en houd je in!
Bitter is de waarheid, zuur,
Onrustbarend en huiveringwekkend, een tortuur –
Deze harde noot te kraken
En de zaak verteerbaarder te maken
Is de zwaarste van je taken…
Laat je woorden glanzen, houd de waarheid flets,
Maar zorg wel dat er een restje waarheid zit in je geklets!
En je moet de waarheid loven, loven!’
‘Is dat alles?’ ‘Zorg dat ze je gaan geloven!’
Ergens ver weg spreekt de koekoek tot zijn zoon
En zegt hem op serieuze toon:
‘Luister wat gebeuren gaat:
Morgen, als de zon hoog aan de hemel staat,
Zal de geest van profetie over je komen.
Schrik dan niet en heb geen nare dromen.
Dan zul je tot daden komen, preken,
En de waarheid zul je spreken,
Kind!
Zeg hun waar de narigheid begint:
Die heeft al haar oorsprong in hun moeders ei!
Maar wat heb je aan mijn raad hierbij?
(Je bent nog een kind, je raakt misschien van slag
En je oog is helder als de lentedag…)
Maar ik zeg je, zonder uitleg nu maar even:
Nee, de waarheid is niet mooi en niet verheven,
Leg er dus een suikerlaagje op van boven!’
‘Is dat alles?’ ‘Zorg dat ze je gaan geloven!’

 

bar-mitswa: jongen van 13 jaar, die in religieuze zin meerderjarig wordt.

 
 

105. Oude vrienden

Boven op een hoge berg is hij te vinden,
Daar waaien steeds sterke winden,
En daar heeft Rachmiël net
Zijn gloednieuwe molen neergezet.
Aan wind is er nooit gebrek:
Dit is voor een molen echt de beste plek.
Alleen is de klim geen prettige gedachte.
Daar op klanten wachten is op de Messias wachten.
Frisse bries, een nieuwe molen,
En hij zit op hete kolen.
Dat gaat knellen!
Op een dag hoort hij klinkende bellen.
Hij staat op en kijkt goed: wat is dat?
En daar komt bergop over het pad
Paard en wagen aangereden
En een zware last nadert met trage schreden.
‘Kijk, reb Aron!’ denkt Rachmiël heel tevreden,
‘Ik zal reb Aron gastvrij onthalen,
Want hij is een vriend, die bij een vriend komt malen.
Fijn, een klant! Niet onderhandelen en mooi betalen.
Aron
Is een oude vriend, nog uit mijn kinderjaren!’
En de oude vriend
Rijdt rustig de berg op, uitgekiend,
Vol vertrouwen:
‘Als iemand een molentje wil bouwen
Op zo’n godverlaten plek,
Is het geen genoegen om mijn zakken daarnaartoe te sjouwen,
Maar ik heb geen keus: de molenaars hebben een grote bek
En rekenen hoge prijzen
Voor hun buren en voor wie van ver komt reizen.
Slechte tijden: op een cent moet je beknibbelen!
En omdat ik zo moet sjouwen, zal hij wel niet kibbelen
En maalt dan voor weinig of niets mijn paar aren:
Ja, Rachmiël is een vriend, nog uit mijn kinderjaren!’

 
 

106. De hele wereld

Beven doet de grond hieronder en het dak hierboven,
Gauw: een catastrofe!
Wanden
Zullen als moede kamelen op de grond belanden!
Zestig kwade deuren lijken daar te knarsen in de stal:
Kinderen verstoppen zich en vrouwen schrikken al.
Met een stok komt daar heel driftig
Al de baas en hij roept giftig:
‘Hé, wat is hier aan de hand?’
De keel van de ezel staat in brand,
Balkend probeert hij er een lied uit te krijgen,
En de paarden staan ervan te hijgen.
‘Succes,’ lacht de baas, ‘als voorzanger met orgelbegeleiding!
Maar nu stil, kom niet in de verleiding!’
‘Waarom,’ zegt de ezel, ‘roept hij toch zo lang?
Houdt hij soms niet zo van mijn gezang?
Baas, als het niet klikt,
Is mijn lied dan ritueel niet zo geschikt,
Terwijl heel de wereld het wel pikt?
Het valt in de hele wereld toch in goede aarde?’
‘Ezel, wie zijn dan de wereld?’ ‘Nou, de paarden!’

 
 

107. Schoentje, boekje, doekje

Niet alleen gelijkenis in klank
Brengt de drie hier samen op de plank.
’t Schoentje steekt van wal:
‘Kom, ik zal
Jullie zeggen waar ik ben geweest,
Wat me trof het meest –
Of jullie dat willen is de vraag.’
‘Nou, heel graag,
Als er maar iets leuks te horen is!’
‘Wie ik ben en wat ik meegemaakt heb is niet mis:
Ik ben schoentje “Zwerversbloed”,
Koning Alexander droeg mij aan zijn voet –
Ik bedoel de grote Alexander, dat kun je wel raden,
En de eerste heilige mikado,
En de tovermeester van Granada –
Ik heb ook een kracht, want ik trap elke schorpioen en slang!
Nee, ik ben niet bang.
In een woestijn trapte ik tegen een berg en op die plek
Maak ik een sprong pardoes op de nek
Van de duivel! Zie:
Ik trap met mijn hiel een keer of drie,
En de duivel is ten slotte
Na de laatste trap niets meer dan dorre botten!’
‘Sprookjes,’ zegt het boekje, ‘duizend-en-één-nacht!
Maar ik, ik heb echte macht!
Ik heb met de loop van sterren, zon en maan directe voeling,
Net als met de zee en ken hun verborgen bedoeling!
En geef ik de bliksems een bevel,
Dan veranderen die razendsnel
In vluchtende geesten op een naald!
Storm en bliksem heb ik bij en uit elkaar gehaald!
Zeg, en wat presteer jij?’ vraagt het boekje
Aan het doekje,
‘Neem me maar niet kwalijk, maar je lijkt een kale plek
Op een hoofd met een gebrek!’
Doodgemoedereerd
Zegt het doekje: ‘Ik heb iets meer gepresteerd.’
‘Kijk eens aan!’
‘Ja, ik veegde uit een oog een traan!’

 
 

108. Speculatie

Schadelijk is te veel speculeren,
Dat hoef ik hier niet te expliceren;
Maar het kleinste wieltje in mijn oude klok wilde dat feit
Niet aanvaarden en het was de hele tijd
Aan het speculeren om te raaien
Naar de oorzaak en ’t gevolg van al dat draaien
Van het hele mechaniek.
‘Laten we,’ zegt het, ‘dit onderwerpen aan kritiek:
Eén wiel drijft een ander aan – en dat is waar,
Dat begrijp ik, dat is klaar!
Alle wieltjes draaien weer
Met (dat zegt men) een heel dunne veer,
’t Is een hypothese, want wie draait die veer dan weer?
Dat bewijzen is een last.
Ja, ze zeggen: buiten deze raderkast
Ligt een groot rad en dat draait met alles mee gestaag –
Dat kan zijn! Maar dan ligt dezelfde vraag
Weer eens op mijn pad:
Wie beweegt dat grote rad?’
Onverwacht
Zeven weken en een nacht
Had onze speculatieve denker nodig,
En daarna, niet overbodig,
Nog drie maanden en een week.
En vervolgens zei hij bleek:
‘Luister: ik ontdekte dat
Het bekende grote rad,
Dat ons helpt de tijd te geven,
Zelf wordt aangedreven
Door een nog veel groter wiel,
Dat weer deel is van een nog groter mobiel.
Onderbreek me niet, maar hoor:
Dat wordt weer bewogen door iets groters en zo gaat het door –’
Hij heeft tijd om dit goed na te lopen.
En hoe is het afgelopen?
Een tevreden ziel!
Toen de denker al was uitgedacht
Zag hij onverwacht
Nog een heel nieuw wiel!

 
 

109. De klok en de gaon van Wilna

Wie praat er ontzettend veel?
Vrouwen niet, naar mijn oordeel.
Vrouwen zijn met praten wel druk in de weer,
Maar de klok praat toch nog meer.
Hij kan tikken, met je praten vierentwintig uur
En wil dat je luistert, want hij praat niet graag tegen de muur.
Luister je niet goed, dan gaat hij slaan,
Meestal echter tsjirpt hij als een krekel, rustig aan.
Hij kan ijskoud uren tegen je aankletsen.
Wind hem maar eens op, dan gaat hij direct zwetsen.
Kiest u voor filosofie, bewijst hij wederom:
Zelfs de rechtste waarheden zijn krom
Zelfs de tijd is maar een cirkel, zoals hij ’t verklaart,
Als een ronde nul omringt die heel de aard.
Verder is het een komen en gaan
Op des mensen levensbaan,
En het eind is de eeuwige wederkeer.
Ook de politiek heeft geen geheimen meer:
Hij weet alles van gedraai en van tactiek,
Dat is werkelijk uniek:
Als een sleuteltje, een leidertje op weg naar zege
Kan hij ’t mechaniek opwinden en bewegen.
In de medicijnen
Is hij thuis als op weinig terreinen.
Is er wel iemand met medische problemen
Die de klok niet hoeft te vragen wat hij in moet nemen?
Ook in kleine dingen vraagt men hoe het zit,
Want hij weet wanneer je eet of bidt,
Wanneer je je aan- of uitkleedt en je wast,
En als je het vraagt, dan weet hij vast
Of je toestemming om melk te drinken hebt
Als er al vlees stond op het recept.
En vier, vijf uur lang jaagt hij een gril na
Met geklets tegen zijn buur, ’t portret van de gaon van Wilna,
Over het feit dat de zon vandaag veel feller schijnt
En de straling hem zo schrijnt.
Hij kletst maar wat aan
En de wijze en geleerde gaon laat hem maar begaan,
Onderbreekt niet, hoort hem aan
En zegt dan één enkel woord na dat geren:
‘En?’
Nu begint de opgewonden klok te slaan:
‘Niet interrumperen: dan is het met dit gesprek gedaan!’

 

de gaon van Wilna: beroemde joodse geleerde (1720-1797) uit Wilna, de hoofdstad van Litouwen.