Fabels 201-248

brown-hare-58589 (1)
 

Eliëzer Sjteinbarg

 
 

201. Moed
202. Grote Baas
203. De moedige
204. Bikkertje
205. De paniek
206. De voet
207. Stommeling
208. Aadje en het vaatje
209. Kousen
210. Wijzers
211. De opinie van de buik
212. De knoop en het knoopsgat
213. De klerenkast
214. Jossel de meubelmaker
215. Reb Chajem-Jajem
216. Rabbi Akiba en de beer
217. Geurige vis
218. Gomhars
219. Het vaatje uit Lublin
220. De wens
221. Een gesprek
222. De papegaai
223. Het gezond verstand van een vlieg
224. De opscheplepel
225. Op het bord
226. De kat in Spanje
227. Twee katjes
228. De kater en de bij
229. Twee katers
230. De vos en de wolf
231. De belediging
232. De ezel en de zon
233. De trots van een pauw
234. Aesopus en de ezel
235. De bij en de vlieg
236. De honden van koning Salomo
237. Sjnappe
238. Een honds misjebeirech
239. Klappen
240. De melkhond
241. De hond en de vos
242. In het bos
243. Drie honden
244. Simson en de slangen
245. De dans
246. De zon en de maan
247. De kerkklok en de torenklok
248. De Messias

 
 

201. Moed

Ja, de haas is kundig en bepaald geen wildebras.
Hij rolt op zijn rug, valt in het zachte gras,
Heeft zijn neus bezeerd. –
Om te drinken naar het water rechtsomkeert,
Maar daar steekt een clown met lange oren zijn tong naar hem uit.
En natuurlijk springt de haas nu achteruit
En gaat gauw naar huis, gauw naar zijn haasje toe.
Kijk: daar loopt een muisje in de weg: nou moe!
Dat is een slecht teken en dat is niet pluis,
En wie weet is dat nu net de muis
Die een haas van het leven berooft, op slag,
Met gehuil en met gelach!

Hij ontwijkt het ongeluk naar links –
Luister: ritselt daar iets slinks?
Wat is dat? – Het blaffen van zo’n hondenrekel!
(In werkelijkheid speelt in het gras een krekel.)
Hij gaat over in galop, galop naar rechts,
En daar nadert iets heel groots en slechts,
Op zijn kop twee horens, aan zijn hals een klok
(Wie is dat? – Een geitenbok!)
Aan zijn sik zie je: dat is de kwaadste van de kwaden!
Maar waar vlucht je heen als satan
Alle wegen heeft bedekt met draden?
En de haas voelt zijn bewegingen nu stokken,
In zijn ogen bokken, in zijn oren klokken,
Hij rent kriskras heen en weer, bijt de bok in zijn poot!
En hier schrikt de haas zichzelf al dood
Uit zichzelf begint hij nu te vluchten en te jagen,
Zo, halsoverkop, waarheen zijn poten hem maar dragen.

Heel zijn verder leven heeft de haas het wel geweten:
Wat lichtzinnig was dat! Hoe kon hij zichzelf toch zo vergeten?
Goed, hij heeft toevallig net geluk gehad – een beetje vreemd!
Maar wat als de horenduivel hem te grazen neemt?
Ja, zo is het inderdaad: moed past een haas.
Overdrijven moet je ook weer niet, want dat is dwaas!

 
 

202. Grote Baas

Grote Baas, dat is een hond die indruk maakt
En gewoonlijk als een hond ook waakt
Over alles wat zijn baas bezit, en furieus
Waakt hij met zijn tanden en zijn neus
En zijn tong (dat alles bij elkaar.)
Maar
Al heeft hij enorme kracht,
Hij is toch geen dommekracht.
(Hij had namelijk een goede rebbe: huisknecht Fisjke Nasjer…)
En hij kent het vers “Eejn tsaddik asjer”…
Dat is: Er was maar één tsaddik die geen navel proefde –
Wat blijkbaar niet hoefde…
Dus vergeet een hond, al is hij ook verplicht
Op het erf gericht,
Niet de inwendige hond
En kijkt soms ook in de keuken rond.
Het is gek:
Daar vliegt een gebraden duifje in zijn bek!
Hij weet, God verhoede, echt wel wat hij doet,
Wat niet mag, dat mag niet, dat weet hij heel goed.
Dus levende duifjes zal hij niet aanraken.
En gebraden duifjes moet je goed bewaken.
En als een kogel uit een geweer
Rent hij naar een hoek en vleit zich neer
Om te proeven van het beest,
Maar – een boze geest!
Fisjke met zijn stok…
Kijk toch, kijk: hij slaat, vol wrok!
En de Grote Baas die blaft!
‘Wat is er? Mag je niet ruiken wat de pot hier schaft?
Ik vind het een onverteerbaar ding,
Een chotspe en een belediging,
Als je mij “Gij zult niet stelen” leert, hoor stakker!
Straks ga ik nog schreeuwen, dan worden de baby’s in de wieg wel wakker,
Dan weet iedereen: ze zijn hier gek!’
Fisjke let maar niet op hem en slaat de hond het hapje uit zijn bek.

 

*

En de hond is kwaad, al dagen,
Loopt gespannen rond en houdt niet op met klagen:
‘Roof en moord!
Nu de waarheid is gestorven, is er hier veel wat mij stoort.’

 

tsaddik: vrome en wijze man.
chotspe: schande.

 
 

203. De moedige

Daar het muisje honger heeft gekregen
Gaat hij jagen en komt dan een druifje tegen
(Iemand heeft daar blijkbaar druiven zitten eten.)
’t Eerste wat hij denkt: ‘Vergíf!’ En hij begint te zweten
En bedenkt een vluchtplan in zijn hoofd,
Maar dan schaamt hij zich: hij is toch al verloofd;
En als zijn verloofde dat ziet, weet je hoe het gaat:
Dan lacht ze hem uit of ze wordt kwaad
En ze straft hem met boze grimassen
Of besproeit hem met het water voor het handen wassen…
En de zielenpoot wordt haast niet goed,
Maar dan vat hij moed:
Alsof hier de zwarte kater het gemunt had op zijn kop,
Slokt hij een, twee, drie het druifje op:
Mooi sterven liever dan lelijk leven!

Al zijn angst wordt door de zoete druif verdreven
En dan gaan de voetjes van de vloer
(Heeft een muisje dan voor vrolijkheid veel nodig van dat voer?)

En zijn oogjes branden en zijn stem wordt dikker:
‘Ik ben springer-dwinger, scheurder-pleurder, pikker-prikker:
Laat de kat maar komen, dan geef ik hem op zijn flikker!’

 

“het water voor het handen wassen”: het water in de kom voor het rituele handen wassen na het opstaan en voor en na het eten.

 
 

204. Bikkertje

Bikkertje
Is een muisje als een kikkertje
En zijn ene pootje is mismaakt;
Toch heeft hij bij alle muizen naam gemaakt!
Dat stuk vreten
Heeft de kat zijn staart eraf gebeten!
Afgebeten? Zeker, afgebeten!
Maar ten eerste moet je weten
Bijten is bij muizen krabben, kort samengevat,
En ten tweede was het ook geen kat
Maar een katje…
En het katje was een klosje en geen katje,
En het klosje was geen klosje maar een koekje
In een hoekje!

 
 

205. De paniek

Leperd
Geeft de muizen weer een streek, een zeperd.
Wat een schurk is dat! Hij greep een muis, waagde een gokje
En bond aan zijn staart een klokje.
En het muisje rende als een dolletje
Rechtstreeks naar zijn holletje.

Wat een toestand is het daar, zie ze verwilderen!
Ik ben niet in staat de herrie daar te schilderen.
Dravend
Als vergiftigde kabouters, geestelijk gehavend,
Springen ze, niet wetend wat dit alles moet beduiden:
‘Heb jij ergens de klok horen luiden?’
En daar thuis,
In het holletje daar voor het huis,
Zitten ze nu met de brokken
En ze fluisteren geschrokken:
‘Hoor je dat geluid?
Hoor je het? Dat is de schurk, die lacht ons uit!’

‘Wat? Een schurk? Wat is dat?’ ‘Een soort grappenmakertje is dat,
Hij verandert in een kat
En heeft rode horentjes!
Als je hem ziet, trek je aan je oor, je niest
En je zegt: “Op lege gaten en op dorentjes!”
Anders kan het zijn dat je alles verliest!’
In een hoekje bij de eik
Staat de schurk, meer dood dan levend nu: een lijk!
Met aan elke kant een dame
Met een onderkin, ja, zo’n voorname,
Eén uit huis geslopen en gezegd niet te laat terug te komen –
Klinkt het klokje, ziet ze al fantomen
En valt flauw, haar hoofdje op zijn schouder.
En de ander houdt hem vast: ‘Wat nu? Ik krijg het steeds benauwder!’
Hij streelt en kalmeert: ‘Niets aan de hand!
Kijk maar: lange staarten, kort verstand!
Vrouwen… ’t Was een klokje… Nou en? Daarvan schrok je?’
Dan klinkt weer datzelfde klokje.
Hij staat op en maakt zich uit de voeten. En weldra
Gaat zij hem dan achterna!
En zo zijn ze samen uit en thuis.
Onze muis
Rent maar in en uit
En wordt door de klokgeluiden opgeruid.
Hij ijlt door een spokenhuis,
Alle muizenhoofdjes vinden het niet pluis.
Ze verstoppen zich in het fornuis, de pannen,
Laten zich onder de trap verbannen,
Een springt er wanhopig in de beek
En een ander in de kattenmuil, van streek. –

En waar is het duiveltje nu? Vluchten kan niet meer!
Dat ligt bevend, draaiend met zijn oogjes ergens neer.
En een wondertje: de muizenschrik, toch zo ontaard,
Schrikt nu van zichzelf en van zijn eigen staart!

 
 

206. De voet

In een oud, verstandig boek wordt er verteld
Dat een schoen van de verkeerde maat een voet beknelt.
Er ontbreekt iets in de breedte en veel meer nog in de lengte.

‘Het is duister! Het is bitter! Wat een engte!’
Roept en wringt de vastgeklemde voet,
‘Lopen wil ik, ja, dat moet!
Ik kan me niet meer bewegen. Help, de wereld is te klein!
Hij bezorgt me kwellingen en pijn!
Die schoen drukt op mijn likdoren, vreselijk gewoon!
Als een kippennagel door een boon!
O, o, rustig! O, o, o, voorzichtig!
Wie trapt me daar zo gewichtig?
Heb toch meelij, mensen! En nu eropaf:
Pak een bijl en hak mijn tenen af!
Dan krijg ik wat ruimte, want dan ben ik kleiner!
Dan is het voorbij, dat vind ik fijner!
Ik wil liever geen abces!’

‘Broertje, ik lees je echt niet de les!’
Roept de sok aan zijn adres.
‘Je praat als een dwaas, als ik het zeggen mag:
Wie een eksteroog heeft ziet alleen de nacht en niet de dag!
Luister: ik heb held’re ogen, want toen de vroedvrouw mij haalde,
Prikte zij me met breinaalden…
En ik zie: de wereld is heel wijd,
Groot en licht en vol vrijheid,
Geloof me maar, want ik zie goed!’

‘Wat er niets toe doet,’
Stampt de voet nu streng,
Wijde wereld? Mijn schoen is te eng!’

 
 

207. Stommeling

‘Stommeling! Pantoffelheld!
Schaam je je niet, dat ze je zo kwelt?’
Slaat de veter de hak van de damesschoen,
Want ze trappen hem en hij laat het maar met zich doen.
‘Laat je je zo trappen en loop je maar mee?’
En de veter houdt niet op, o nee!
Hij slaat door, dag in, dag uit:
‘Stommeling!’ Hij geeft hem op zijn huid!

Dan wordt de hak woedend en hij geeft een kik:
‘Dat is waar! Zal ik
Me nog langer laten trappen door een damesschoen,
Thuis en zelfs op straat, met goed fatsoen?

Nee,
Schoentje, ik ga niet meer met je mee!
Je mag me uitzwaaien!’

En de hak begint te draaien,
Hij moet onder de pantoffel uit, voorgoed!
Hij wil zich niet langer laten trappen door de voet.
Weg onwaardigheid en leed, met spoed!
Er zijn grenzen!’ (Hoor je wat hij in zijn woorden legt?
Hij is zelf verrast en ook geschrokken door wat hij daar zegt.)
En hij draait en kraakt
Tot hij zich heeft losgemaakt.
Maar wat voor verschil maakt het?
Onder de pantoffel uit raakt hij nu in de prut!

 
 

208. Aadje en het vaatje

Aadje
Draagt een vaatje
Op zijn rug,
En dat vaatje is met zijn adviezen wel wat vlug:
‘Blijven staan!
Nee, wat zeg ik? Kom, we gaan!
Nee, niet hierheen, robot, die kant op!
Stop!
Weet je wat ik je wil zeggen?
Je zou me wel kunnen leggen
Op je hoofd, da’s ideaal,
Net als de lantaren op die paal!
Nu we toch aan ’t leren zijn: zeg, als je torst,
Neem me liever op je borst,
Houd me dan
Als een wiel vast, beste man!
Vooruit dan!
Volg je vaatje en schiet op!’

Aadje haalt zijn schouders op.
‘Op mijn hoofd en op mijn borst, meneer?
Weet je wat: ik zet je neer!
Dat lijkt me gelijker. Geen gezeur!’
Hij laat het vaatje nu zakken en wijst het gat van de deur!

 
 

209. Kousen

Zelfs een fabel met een kous is soms nog om te zoenen.
De kous zegt tegen de schoenen:
‘Ik bedien de voet,
Jullie dienen mij, zoals het moet.
Wij zijn wel verbonden allebei.
Jullie met veters aan mij,
Ik met bandjes aan het been,
Daarom sta ik, naar ik meen,
Boven jullie, schoenen, maar onder de voet…
Wat staan jullie op je hak te draaien? Luister goed!
Wie denk je wel dat je bent? Zo hoog als kleren?
Nou, vergeet het maar. Dat zul je nog wel leren!
Jullie zijn van lager orde, van grof leer,
En het is een voorrecht en een eer
Dat de kous, die zich steeds om de voet bevindt,
Als zijn boezemvriend, met jullie een gesprek begint.
Kus mijn hiel en slik je tong in! Stil!’
Maar de oppositie
Klaagt uit haar positie:
‘Kousen zijn geen kledingstukken, omdat hij dat wil.
Je draagt ze nu eenmaal uit fatsoen
In de toffel en de schoen.
Het zijn maar beuzelarijen!’
En wat doet de voet? Hij luistert en trapt de beide partijen.

 
 

210. Wijzers

Ieder draagt zijn offer aan:
Eén een os, een ander ’t beste graan.
Ik wil u twee wijzers schenken
Van een klok: teken van hoop.
Ja, mijn gave is goedkoop,
Maar het gaat niet om de wijzers – eerder om het denken.

‘Vooruit, slak,
Niet zo traag, op je gemak!’
Zegt de grote wijzer tot zijn makker.
‘Maak toch eens wat tempo, stakker!
Is dat met je tijd meegaan?
Kijk eens, zie je mij hier staan?
Heb jij even niet goed opgelet,
Dan ben ik al rond, van a tot z!
Jij kruipt nog, het lijkt wel of je wacht,
Ben je soms in slaap gevallen? Nou, slaap zacht!
Droom maar: de zon zingt Gods lof en gaat al henen…
In Athene
Heeft een filosoof ontdekt door speculatie:
Niet de tijd draait, maar wijzelf zijn in roulatie…
En de engel die steeds hoedt
Over de gebroken wijzers – ‘k weet niet goed
Hoe ik hem nu noemen moet,
Heeft de tijd gestopt: ga niet voorbij!
Zeg maar “Amen” en wees blij!’

‘Welbedankt voor je gebaar!’
Zegt de kleine wijzer, ‘maar
Traag als stroop
Is mijn loop,
Maar ten goede, absoluut!
Ik wijs het uur aan, jij de minuut!’

 
 

211. De opinie van de buik

Ja, de bolle buik –
Niet de buik van Bennie met de pruik,
Maar de buik van het orkest, de trom,
Geeft hier zijn opinie, met aplomb:
‘Klank – als ik het zeggen mag –
Klank is dag!

Er zijn lichte, held’re dagen
Zonder tegenslagen
Als de klanken van een fluit
Met een zacht, bezield geluid.
Maar er zijn ook dagen met bewolking, miserabel,
Nat en lamentabel
Als het grommen van de bas.
Dagen van schreeuwerig licht komen alras,
Het licht is temet
Als de luide klank van de trompet,
En als God het wil (maar deze woorden zijn niet tegen Hem gericht!)
Schenkt Hij dagen zonder duister, zonder licht,
En zo vuil en vaal
Als het hijgen van de lijder aan een kwaal,
Dagen die je krenken…
Laten we de zaak nu snel doordenken:
Wat een dag is, luidt de vraag.
Dagen zijn een plaag.
En de sjabbats en feestdagen dan?
(“Rijke buren van de arme man!”
Zei een grappenmaker met een lach.)
Dat betekent: klank is dag.
Dagen zijn een ramp, kortaf,
Rampen zijn een straf.
Schapen krijgen straf,
Want zij kauwen gras op de negende av
En hun kop, daar groeien duivelshorens uit;
Dat is het probleem: die herders spelen altijd op een fluit.’

 
 

212. De knoop en het knoopsgat

Zoet is liefde en vol hoop.
Kijk, de vinger pakt de knoop:
‘Broertje, met het knoopsgat is het heel dik aan,
Dat is niemand hier ontgaan.
Wie kiest wie, zoals jijzelf het ziet?
Zeg het maar, geneer je niet!’

‘Wie? Zij kiest natuurlijk mij!
Zij komt dichterbij
En omhelst me, om me niet meer los te laten.
Hier moet je niet met een ander over praten,
Maar ik zou het soms wel anders wensen… Er zijn grenzen!’

‘Grenzen?’ vangt het knoopsgat op, ‘wel anders wensen?’
Nee, zij zwijgt niet! Want het stoort
Wat hij daar zegt, het is ongehoord!
Dus die schuwe
Knoop die werkt nu op haar zenuwen
En hij laat haar vallen, zelfvoldaan.
Hij kan gaan,
Tot ze hem roept: zij is hier de baas!

‘K-k-kijk!’ Van woede stottert nu de knoop met wel zo’n achttien k’s.
‘Ben ik meegaand? Door mij valt zij op!
Maar ze wurgt me… Ze legt om mijn nek een strop,
Volgens haar vind ik dat fijn.
Ik heb haar niet nodig. Weg! Verdwijn!’

‘Ik verdwijnen? Donder zelf maar op, jij klier!’
Maar hij zit goed vastgebonden hier.
Vastgebonden? Waaraan? Witte duivels, die hem schaden!
Hier binden hem witte draden
En die zijn een barricade! –
Knopen houden van rust bovenal…
Knopen willen zich verknopen overal.
Legt hij het bij met het knoopsgat? Ja,
Want het is weer “lieve” voor en na,
Ze omhelzen elkaar weer, kussen elkaars gezichten,
Zoals je kunt lezen bij de dichters in gedichten.

 
 

213. De klerenkast

Alles praat. Dat hoef ik hier niet te zeggen,
Maar je moet je oor te luist’ren leggen.
En als je het niet kunt horen,
Pak een boortje en ga boren!
Maak daarna een gaatje in de klerenkast,
Zoals ik dat doe, steevast:
Je hoort meer dan je vermoedde.
(Maar niet van de duivel, God verhoede!) –
De kleren zijn kwaad: ze zijn in de cel opgesloten.
Wisten ze waarom, dan waren ze niet in hun wiek geschoten.

‘Voor een straf is altijd wel een reden!
Ken jezelf en je verleden!’
Zegt de vrome zijden kaftan, zuiver op de graat.
‘Kijk eens naar dat korte jasje! Daarin schuilt het kwaad!
En dat rode hemdje met die gesp is ook iets mals.
En dan dat fluwelen jurkje, uitgesneden aan de hals.
Schande en losbandigheid!’

‘Misschien maakt u terecht dat verwijt.
Maar zoekt u bij anderen de zonde,
Doe dan bij uzelf wel eerste de ronde:
Is er na de tasjlich iets overgebleven?’
Zeggen de gelakte laarsjes even,
‘Voel eerst bij uzelf, dat is niet overdreven!’

‘Jij bent echt zo iemand, ja, maar ik?!’

‘Luister eens naar mij! Een ogenblik!’
Vraagt een zijden hemdje, ‘ruzie wordt het hier allicht,
Daarbij raakt de waarheid uit het zicht.’

‘Stil toch!’ roept het vest nu boos.
‘Zeg eens, hemdje, waarom zit ik opgesloten in een doos?
Op deze donkere plek?
Zeg eens, heb ik soms een vlek?’

‘Wat dan nog? Daarbuiten in de vrijheid is ook niet iedereen fris!
Waarom zitten wij juist hier in de gevangenis?’

‘Ja, waarom willen ze ons opsluiten?’

‘Wij zijn nieuw en feestelijk en klaar voor buiten!’

 

kaftan: lange jas, gedragen door ultra-orthodoxe joden.
tasjlich: een gebed tijdens Rosj Hasjana (Joods Nieuwjaar) om vergiffenis van zonden. Dit vindt plaats aan een water, waarbij de jas- en broekzakken worden omgekeerd om symbolisch alle kruimels eruit te verwijderen.

 
 

214. Jossel de meubelmaker

Hooggeëerd publiek,
Heb toch meelij! Onze tafel die is ziek!
Uitgeput zijn al zijn poten, weet je,
Daardoor wiebelt hij een beetje,
En een tafel is toch net een mens, fysiek!
Is een mens eens, God verhoede, ziek,
Dan roep je de dokter, tegen pijnen
Geeft die medicijnen,
En bloedt er soms een slagader,
Dan smeekt hij wel om genade…
Zo roep je de meubelmaker als de tafel zorgen baart.
Jossel is met zaag en schaaf net zoveel waard
Als de huisarts, dokter Aron,
Met zijn spuit, zijn meter en zijn scharen.

Als verlosser
Komt reb Jossel
(Tussen kleermakers was hij de beste schoenmaker, als ’t moest.)
Van tabakslucht krijgt hij hoest,
Dat bevalt hem slecht.
Dokter Jossel zegt:
‘Dat is niet zo fijn;
Als één poot te lang zou zijn,
Dan was deze operatie in een oogwenk klaar,
Dan kon ik de tafel repareren met een klein gebaar.
Nu moet ik me er langer op storten,
Korten,
Zagen, schaven… Alle drie de poten…’
En meteen heeft hij besloten
En hij zaagt.
Ja, de tafel roept om hulp, maar hem wordt niets gevraagd.
(Hij weet niet dat wie een poot wat korter maakt
Ook wel eens een pijntje veroorzaakt…)
Niet voor niets begint de tafel aan een litanie,
Maar de dokter gaat al van poot twee naar nummer drie,
Maar het is verkeerd de vierde bij te zagen.
Eén keer in de zeven jaar blijkt Jossel iets te veel te wagen!
Pech gehad… Er is nog geen man overboord…
Schuif de siddoer er maar onder, als het je nog stoort,
Maar of dat ook hoort?
Jossel schaaft weer verder
Aan de eerste, tweede, derde,

Nu hinkt nummer twee!
Jossel laat zijn zaag vallen: het zit niet mee!
Maar hij gaat al door in draf,
Zaagt en schaaft er nog wat af,
Heen en weer en nog een keer en nog een keer –
Stop, want korter maken kan niet meer.
Jossel kijkt, hij spreidt zijn armen en hij ziet:
‘Nou, ik heb mijn best gedaan… En beter kan het niet!’

 

siddoer: dagelijks gebedenboek.

 
 

215. Reb Chajem-Jajem

Waarheen gaat reb Jidl?
Naar de jaarmarkt, die is doel en middel.
En de jaarmarkt valt steeds na het Wekenfeest,
Als het weer nog mooi is. Maar het is noodweer geweest
Met veel regen en veel modder en dat blijft nog zo, dagen en nachten.
Wat moet je dan doen? Op redding wachten?
Reb Jidl huurt een koetsier en hij bespreekt met hem meteen,
Kort en krachtig: één persoon, dus hij alleen,
En drie paarden;
En ook als het niet opklaarde,
Gaat de rit nog door.

De volgende morgen rijdt de koetsier voor
(Hij heet Chajem,
Ook al noemen ze hem Jajem,
En je denkt, als ik goed schat:
‘Dus die vent is altijd zat!’
Nee, alleen maar aangeschoten, als ik het goed samenvat.)
En reb Jidl komt naar buiten en wordt kwaad:
‘Kijk eens wat daar staat:
Drie personen en twee paarden!’
Chajem glimlacht: ‘En dat wilt u niet, mijn waarde?
U bent boos, ik zie het al.
Maar ik vraag in dit geval:
Wie verkiest u, paard of mens?
Volg ik dan uw wens
En bezorg ik u mensen in plaats van paarden,
Valt dat niet in goede aarde!’
Wat te doen? Reb Jidl glimlacht pedagogisch
En hij antwoordt: ‘Dat klinkt logisch,
Alles klopt, ik kan het niet bestrijden,
Maar vijanden mogen met jou rijden!’

 
 

216. Rabbi Akiba en de beer

Jullie weten het blijkbaar al, beste kinderen:
In zijn jeugd hoedde rabbi Akiba schapen en ook runderen –
Toen was hij nog niet de grote heer.
Hij ging in gesprek met schapen en zelfs met de beer.
Er bestaat een fabel sinds de dagen van weleer:

Eens toen de hemelen spleten, Hosanna rabba,
Legde zich te slapen de beer reb Abba.
Dan verschijnt zijn oma in zijn droom,
Zij omhelst hem, streelt hem vroom,
Uit haar mond druipt honing; ze zegt verder:
‘Kind, ga naar Akiba toe, de herder,
Zeg: Ga nu naar de jesjieve om te leren,
Ik zal al je schapen hier beheren,
Dan word je te zijner tijd in mijn plaats in dit bos de rebbe
En je zult honing in overvloed te eten hebben.’

Als de beer dan wakker wordt kijkt uit de hemel op hem neer
De gestalte van de grote beer…
Blijkbaar ziet hij dat de hemel hem heeft voorbestemd,
Hij gaat naar de herder, vertelt ongeremd
Over de droom met alle bijzonderheden,
Gaat dan zitten en vraagt ongeduldig: ‘Kan het heden?’
Dan hoort hij Akiba zeggen:
‘Mijn oma is in het paradijs gekomen,
Die van jou verschijnt zelfs in je dromen!
Ga tegen je oma zeggen:
Wie nog niet gedroomd heeft van Akiba, moet nog niet van Abba dromen!’

 

Akiba: joods geestelijk leider (ca. 40-135).
Hosanna rabba: “groot hosanna”, feestelijke ceremonie op de zevende dag van Soekot (Loofhuttenfeest).
jesjieve: Talmoedhogeschool.

 
 

217. Geurige vis

Twee kooplieden stoppen er
Bij een herberg ergens ver.
Ze zijn samen,
Horn, Chanina zijn hun namen.
De waardin serveert de dis
En die bestaat uit geurige vis.
‘Eet u smakelijk! Een vorstelijk geheel:
Warme vissoep, peper, nagels en kaneel –
Serieus!’

‘Zeg, Chanina, misschien vind je me onheus,
Maar die vis vertrouw ik echt niet helemaal,’
Fluistert Horn nog voor het maal,
‘Hij ruikt nogal sterk!’

‘Vind je ‘t gekkenwerk?
Is er iets bij wat je niet vertrouwt?
Horn, ben je benauwd?
Eet je er niet van? Misschien word je wel honderd!’
En Chanina eet de vis, verwonderd.
Daarna komt hij met een toost
En een grapje: ‘Ezel, proost!’

Na het eten bensjt Chanina vroom
En eenmaal in slaap heeft hij een vreemde droom:
In zijn buik vechten de vissen heel vilein
En de ruzie gaat hierover: zegenen we drank of wijn?
De ruzie is voor de gast
Wel een financiële last:
Hij heeft het gehaald,
Maar wel haast met zijn leven betaald.
Hij ontsnapt zonder bezwaren,
Maar na deze droom is hij ervaren
En hij waarschuwt met zijn vinger: ‘Maak je zorgen!
Onder kruidnagels en pepers zit de stank verborgen!’

 

bensjen: een zegen uitspreken.

 
 

218. Gomhars

’t Is een hypothese,
Of ik heb het ooit ergens gelezen
In een talmoedisch traktaat,
Dat wierook grotendeels uit gomhars bestaat.
Dat is onzin! Maar als je wilt luisteren,
Durf ik wel “duivenpoep!” in je oor te fluisteren!
Het verhaal is uit een tijd al lang voorbij
En ik was zelf niet van de partij,
Maar de fabel moet je kunnen horen.
Duivenpoep is nodig voor de wierook (niet leuk om te horen),
Maar goed: duivenpoep is duivenpoep.
En met goede specerijen vermeng je desnoods die troep.
Dus sturen ze iemand naar het duifje toe:
‘Liefje, wees zo vriendelijk – het is wel wat gedoe –
Voor ons een hoeveelheid gomhars af te scheien:
Dat moet door de specerijen…’
‘Ja, hoor,’ zegt ze, ‘als ik jullie daarmee kan verblijen.
Maar ik wil daarvoor een zoete wafel
Van de koninklijke tafel!’
‘Wat een antwoord uit je snavel!
Vind je dat voor God geen schande?
Gomhars is geen specerij uit verre landen!’
‘Nou en?’ zegt de duif, ‘als het koopwaar is die ik schijt,
Betaal dan met zoetigheid!’

 

Talmoed: met de Bijbel het belangrijkste religieuze werk in het jodendom, met uitgebreid commentaar op de Misjna (religieuze wetgeving).

 
 

219. Het vaatje uit Lublin

Ik heb dit ooit van mijn overgrootvader gehoord,
Die vertelde het verhaal van de magied van Dubno voort.
Reb Gedalia, veehandelaar, kwam uit Lublin
(Ieder jaar was hij daar toen te zien).
Hij komt naar huis met een pronkjuweel,
Een soort geel
Vaatje,
Heel modern – het trekt de blik van tantje Kaatje:
Een leuk, klein en buikig vaatje
Met van boven een kop met een sjofarneusje gemonteerd,
En ze zeggen: als je met een blaasbalg ventileert,
Kookt hij gauw als tante Pessel in een rage
En dan tap je er iets warms uit in een glaasje.
Wat is dat toch goed gedaan!
Echt, ik geloof dat engelen bestaan!

Heel nieuwsgierig komen alle buren aangerend.
Maar Gedalia vertrouwt alleen zichzelf, die vent,
Zijn bediende niet en zelfs zijn dochter niet.
Hij hanteert de blaasbalg nu subiet,
Ventileert zoals het moet, met mate,
(Dat is niet zo simpel, maar houd het wel altijd in de gaten:
“Overdrijf niet!” staat er toch geschreven!)
En een hele kring volgt nu zijn ventilerend streven:
‘Kijk eens, er gebeurt een wonder!’
Maar je ziet nog niets, ’t is niet bijzonder.
En Gedalia peinst, een vinger aan zijn hoofd.
Te veel uitgesloofd?
Nee, het wil nog steeds niet koken!

‘Reb Gedalia, laat mij even stoken,’
Zegt een buurman, ‘je moet harder ventileren!’
Reb Gedalia begint te blazen
Als een dwaze,
En steeds woedender, tot hij begint te dazen.
Nee, het helpt niet en het vaatje blijft morsdood.
Hoe bestaat het? Hij vergat, die idioot,
In Lublin te vragen
Of je in het vaatje vuur moet dragen.

 

*

En een uitspraak bleef beroemd
Van de magied die men “sterke hamer” noemt
(Dus “grote geleerde” simpelweg):
‘Is de vonk er niet, doe dan de blaasbalg weg!’

 

Lublin, Dubno: steden in Polen.
sjofar: ramshoorn, geblazen op bepaalde feestdagen in de synagoge.
magied: rondreizende prediker. De magied van Dubno (Polen): Jakob ben Wolf Kranz (ca. 1740-1804).
Waarschijnlijk gaat het hier om een samowar, een Oost-Europese theepot met ingebouwde verwarming en een kraantje.

 
 

220. De wens

‘Kom, mijn duifje, met je pootjes klein,
Rood en lief en fijn,
En ga zitten op mijn rug!
Ik zal me aan jouw wil onderwerpen en je zin doen vlug;
Ik draag je waarheen je wenst;
Onbegrensd
Geef ik je de schatten en het goede uit mijn ruif!’
Zegt het varken tot de duif.

‘Roekoe, wat een zwijnenwereldbeeld!’
Koert ze en vliegt weg (wat dat beest zich verbeeldt!)

Daar komt ook de kraai nog en die zegt pedant:
‘Varkentje, wat heb je aan geluk zonder verstand?
Van een duifje wordt een varken mooi, dacht je tevree?’
‘Nee!’
Roept het varken melig,
‘Ik dacht: van een varken wordt een duifje lelijk!’

 
 

221. Een gesprek

‘Allerbeste vader!’
Zegt de hond tegen de kater.
‘Wist je ’t al? Ik kwam vandaag te weten:
‘n Duivel heeft de boter in de kelder opgevreten!’
‘Miauw,’ zegt de kater, ‘wat gaat mij dat aan?’
‘Ja, maar… Onder de deur hoorde ik spontaan:
Jij had die duivelse mond!’
‘Wat kan jou dat schelen, hond?’

 
 

222. De papegaai

Heb je wilskracht, dan ken je geen moeilijkheden.
De huispapegaai heeft leren blaffen als geen tweede:
Als iemand beweegt met een geritsel of gebaar
Bij de voordeur, dan maakt hij misbaar,
Ieder, buur of huisgenoot, krijgt op zijn kop,
Zelfs het baasje – dan barst het los, het geblaf:
‘Waf waf waf!’ en ‘Waf waf waf!’
Nee, hij wordt niet moe en houdt niet op!
En waarom? Tja, weet ik veel?
Alsof iemand hem gehuurd heeft officieel.
Gek is het! Het lijkt me ook niet erg gezond.
Nee, het is geen kleinigheid: een vogel wordt een hond!
Toch klinkt dat geblaf wat vogelachtig en vreemd wild –
Op een dag, de papegaai slaat weer op tilt,
Slaat het hondenjong
Ook aan ’t blaffen, met een radde tong.
Het opdondertje denkt: ‘Hé,
Als de honden blaffen, doe ik mee!’
Wonder boven wonder blijft de oude hond, de kwade,
Rustig liggen en komt niet tot daden.
Het interesseert hem niet, dat blaf-eskader.
‘Vader,’ blaft het kleintje, ‘vader!
Hoor je al dat blaffen niet? Wat gek!’
‘Stil!’ roept nu de oude, ‘houd je bek!
Kom hier liggen bij de poort!’
En hij sleept het kleintje aan zijn oren voort.
Wat een onzin! Hij blaft maar om niks, die kneus,
Kijkend naar dat spechtje met die kromme neus!
‘Kijk daar niet naar, luister niet naar dat lawaai!
Hij is maar een nagemaakte hond, een papegaai!’

 
 

223. Het gezond verstand van een vlieg

Bij de bijen heerst er op bepaalde dagen echt
Groot rumoer en een gevecht,
En er zijn ook, God verhoede, slachtpartijen.
Een vlieg zag dat bakkeleien
En hij zei tot de giftige strijders:

‘Zeg me eens, noeste arbeiders,
Hoe komt het dat jullie werk toch zo ontspoorde
Dat jullie elkaar vermoorden?
Is jullie geen eigenliefde bijgebleven?
Duurt het leven je te lang? Ach, wat zijn wij, wat is ons leven?
Zoem, zoem, zoem, voorbij! Dat beetje leven, wees er zuinig op!
Nee, ze geven elkaar klop!
Dat is, eerlijk waar, niet in de haak!’

‘Ja, die kwestie,’ zegt de bij, ‘prikkelt mij ook wel vaak.
Sterven willen we echt niet, integendeel!
Maar wat anders? Het is, zegt men, een voordeel voor het geheel,
In de korf zitten we dicht opeen
En je moet ook weten, broertje, in het algemeen
Leven wij volgens een streng systeem,
Niet chaotisch als de vliegen, zo extreem,
Zonder heerser, God verhoede! Discipline!
Onze gouden koningin beveelt, wij dienen!
Heel de bijenkorf voor haar in het geweer!
Het gaat op leven en dood! Men stelt geen vragen meer!’
‘Echt waar?’ ‘Ja, of denk je dat ik lieg?’

‘Zo, zo, zo,’ nu moet de vlieg
Met een pootje aan een vleugel krabben.
‘Wacht even! Ik weet niet of ik dit kan snappen.
Regel – offer – orde: mooie stappen,
Maar wat is de noodzaak? Want ook voor een bij
Is het leven kort; waarom zo’n moordpartij?
Er wordt al genoeg gemoord! Waarom jezelf vermoord? Ik huiver.
Houd het voor het volk gezond en voor de hemel zuiver!’

 
 

224. De opscheplepel

Met een stem haast uit de buik
Zegt de opscheplepel: ‘Het misbruik
En de onkunde van het dienstmeisje maken me niets uit,
Echt geen fluit.
Maar natuurlijk: zal de soep zo lekker zijn
Als schoenen in de azijn,
Dan gebeurt het dat ik roep:
“Zij veroorzaakt deze troep!”
Lepels, vorken, jullie snappen dan:
Waarheid past bij mij als wijn past bij een dronkeman.
Wil het dienstmeisje me dan in stukken breken
Of me gruwelijk schuren om zich te wreken,
Dan draag ik mijn lot passief,
Want de waarheid is me lief.’

‘Aan die kwestie zitten vele kantjes,’
Zegt een vork met scherpe tandjes,
‘Over waarheid praat haast iedereen
En de meningen lopen uiteen.
Wat denk jij: waarheid? Een lege dop.
Jij schept graag aan tafel soep in lege borden op!’

 
 

225. Op het bord

Een groot bord staat op de tafel voor de dis,
En op dat bord ligt een vis,
Die het verstand tart,
Want al liggen kop en buik en staart apart,
In gebarentaal spreken ze zacht
(In die stille taal spreekt nacht met nacht,
In die taal zonder geluiden, die toch samenbrengt
Wie wat minder babbelt en meer denkt.)
‘Wie heeft mij waarom hierheen gebracht?’
Stelt de kop een oude vraag heel zacht.
‘Waarvandaan ga ik waarheen?’

‘Neen,
Zulke vragen zijn nu niet renderend,’
Zegt de dikke buik kalmerend,
‘Maar je vindt het antwoord in het soepje, hoe dan ook.’

‘Ja, dat is mijn mening ook,’
Zegt de brede staart met waardigheid.
Hij mist de diepzinnigheid,
Maar heeft snorren als een edelman, een Poolse vorst.
‘Met filosofie is het gedaan, lig je hier eenmaal op het bord.
En je wordt omringd door vissoep, neem een lik.’
‘Ach, wat praten jullie? Het is hier benauwd, ik stik!
Ik moet aan een droom terugdenken, telkens weer…
Over iets van vroeger, het is er niet meer…’
‘Kom, speel open kaart!’
Roept de staart.
‘Ja, er was een schotel ergens… En die had geen rand.
Er was daar geen ik en jij… Geen droogte aan de kant.
Ik en jij en hij waren daar één geheel… Eén vis…
En ineens drijven wij daar in vissoep, blij en fris,
En begrijpen jullie, broeders, hoe dat is?’
‘Wat is daaraan te begrijpen, dwaas?’ antwoordt de buik onaardig.
‘Ja,’ geeft de staart toe en glimlacht staartig,
‘Als er in de kop nog wat verstand zou rijpen,
Zou de buik hem wel begrijpen.’

 
 

226. De kat in Spanje

Al dat armenbrood begon de kat erg te vervelen
Dat haar in de keuken toewierp Chaje-Manje,
En ze ging dus weg naar Spanje.
Maar waarom naar Spanje? Oude paddenstoel wou met haar delen
Wat een vrome salamander met veel eruditie
Had verteld, en wel als dochter van de Inquisitie.
Spanje is een heilig land, waar alle dingen anders lopen,
Daar hoef je geroosterd vlees echt nooit te kopen:
In de straten wordt het van de brandstapel gegeten!
En wie honger heeft kan eten!
Dus geroosterd vlees is gratis voor de vromen.
Eet en moge het je wel bekomen!
Tot een kleine wederdienst wil men je wel bewegen:
Was je, breng de zegen,
En loof dan het allermeest
De Drie-eenheid van God en de Geest
En de Zoon, dus de Verlosser!
Zo reist dan de kat door witte velden en door groene bossen.
En ze blijft aan één stuk door miauwen: ‘Mi-miauw!’
Dat betekent: ‘Ik denk steeds aan Spanje en kom gauw!
Wacht! Ik kom al! Ja, ik vlieg!’
Haar denken vliegt ook, als ik me niet bedrieg.
En daar is ze op een zachte bank gelegen,
Welkom! Ondertussen stroomt de regen
En ze brengen haar veel levertjes en maagjes.
Ze bestormen haar ook met veel vraagjes:
‘Was je echt niet liever thuis?’
‘En hoe was het onderweg?’ ‘Wat was je lang van huis!’
Erger! Langer nog dan lang… Twee volle jaren later,
Toen de kat was aangekomen, hongerig en desperater,
Kwam een nieuw berichtje: Spanje hoeft geen katten meer,
Want die lopen werkeloos daar heen en weer!

 

armenbrood: matses, ongezuurde brood, verbonden met de uittocht uit Egypte.
Inquisitie: rechtbank van de Rooms-Katholieke kerk, die in de 15e en 16e eeuw de verdrijving van de joden uit Spanje organiseerde. De achterblijvende joden moesten zich bekeren tot het christendom.
“Wie honger heeft kan (komen) eten”: lied uit de Pesachviering.
“twee volle jaren later”: “va-jehi mikets”, Genesis 41:1, met een woordspeling “kets”, meervoud van “kats”, kat.

 
 

227. Twee katjes

Vriendelijke Kizzi
En haar zusje Mizzi
Leven van gehakketak
En ze lijken wel te leven in een dichtgeknoopte zak.

Mizzi had eens na het eten
In de zon gezeten,
Met haar tongetje had ze zich fijn gelikt
En er werd in haar hart ook iets warms gewekt.
Daar komt Kizzi aan, geeft kopjes, gaat zich rekken:
‘Zusje, deze toestand is toch van de gekken.
Laten we het bijleggen na onze ruzie.
Want dan lijkt de wereld weer een prachtige illusie.
Zusje, wat geweest is, is geweest.
Vanaf nu wordt het leven een feest.
Alles ten goede gekeerd!’

‘Amen,’ antwoordt Mizzi, ‘gefeliciteerd!
Ik vind: ruzie heeft de geur van spruitjes!’
Ze omhelzen elkaar, kussen elkaar op de snuitjes
En gaan kletsen als twee zusjes, weer zonder gekijf.
Eerst over het dienstmeisje: een vrees’lijk wijf!
Als die kwaad wordt, dan is het niet pluis.
En de buurhond is hier tegenwoordig kind aan huis.
Die komt om de beste hapjes weg te dragen.
Gitl heeft hem met de bezem al geslagen!
En reb Haman is een hond met oren.
Hoe is zoiets ooit geboren?
‘Wacht,’ zegt Mizzi, ‘wij zijn vandaag jarig, mensje!
Ik was het bijna vergeten! En wat wens je,
Zusje, mij wel toe?’
Kizzi zegt: ‘Ik ben blij toe!
Maar wat wens jij eigenlijk voor mij?’
‘Zegeningen, zusje, gaan toch nooit voorbij?
Weet je wat ik wens? Wat jij in mij wilt zien
Dat wens ik ook mijn lieve zus nadien.’
‘Trut, ben je wel goed bij je verstand?
Oog om oog en tand om tand!’
Zo gilt Kizzi en doldriftig wordt het wicht,
Ze krabt met haar nagels in Mizzi’s gezicht.
En zo maken ze weer ruzie met veel mauwen en veel keffen.
Als de stenen vallen, hoop ik dat ze niemand treffen!

 

Haman: figuur uit het bijbelboek Ester, die een moord op de joden beraamt.

 
 

228. De kater en de bij

Dient een sjikse bij een rebbe,
Leert ze over kwesties een oordeel te hebben,
En waar droomt ze van?
Dat ze bruid wordt van een interessante jonge man.
Ken je al de kater van de rebbe?
Daar in zijn fluwelen jas zul je hem hebben,
Hij draagt witte schoenen, witte sokken,
Uit de Talmoed reciteert hij brokken…
En dat koosjere gezicht…
En zijn kuchje… Iemand van gewicht,
Boven lof verheven.
Eerlijk waar, het duurt nog even
En dan eet hij met de rebbe van één bord.
Wie zegt dat dat niet al gauw bewaarheid wordt?
Er staat toch geschreven: nog enkele dagen,
Heb je dan geen eten, kun je er niet meer om vragen.
En wat zegt de Talmoed daar dan over? Neem en eet,
Hap toe, zeker als je niet ontbeet.
Zeg niet: morgen eet ik, naderhand…
Want de Talmoed zegt: dat is niet relevant.
Moet hij, God verhoede, dan iedere keer wegkijken
Als het heilige bord, moge het lang leven, hem laat blijken:
‘Hier, neem me niet kwalijk, ligt een vis,’
Als er in de keuken niemand te bekennen is.
En pas door een bij wordt deze zaak verdoemd,
Doordat die steeds heel vervelend zoemt:
‘Mizzdadiger! Vreetz-z-zak! Z-z-zuiper!
Moet je zien, die gluiper!
Kijk toch wat die bastaard doet!’

En de kater met de groene ogen knippert maar eens goed
En houdt uit de Talmoed: “Istere bilgine” al gereed
(“Domkop pronkt met het weinige wat hij weet!”)

‘Wat mompel je daar nou, “istre sjmistre”?
Ik ben niet van gist’ren!’
Zegt de bij, ‘heilige woorden maken mij niet bang!
Ik als vrome bij lever allang
Honing voor de tafel van de rebbe
En wat hij voor Rosj Hasjana nog moet hebben!’

‘Zo? De bij die voor God en de mens zo nuttig is?
Hier heb je een graatje van de vis!
Moge het je wel bekomen…
Ga dat zoemen maar intomen!’
‘Alsjeblieft niet!’ En de snelle bij is naar hem onderweg.
‘Neem me niet kwalijk! Ga weg! Ga weg!
Niet je honing, niet je steek!’
Roept hij, zwaaiend met zijn staart, heel bleek.

Niemand luistert naar hem. Het gemene wijf
Vliegt al draaiend, cirkelend en woedend zoemend om zijn lijf,
Spuit het gif dan furieus…
In het puntje van zijn neus.
En waarom zo rigoureus?
Omdat, zegt ze zelf, de volgende vraag ertoe doet:
Kan de kater van de rebbe ingaan tegen de Talmoed?

 

sjikse: niet-joodse vrouw.
“kwesties”: religieuze vraagstukken.
rebbe: chassidisch geestelijk leider.
Talmoed: met de Bijbel het belangrijkste religieuze werk in het jodendom, met uitgebreid commentaar op de Misjna (religieuze wetgeving).
“en dan eet hij met de rebbe van één bord”; “het heilige bord”: eten aan de tafel van de rebbe was een eer.
“nog enkele dagen”: zie Exodus 21:21.
“voor Rosj Hasjana”: de honing die dan gegeten wordt symboliseert de zoetheid van het nieuwe jaar.
“Niet je honing, niet je steek!”: bestaand gezegde uit Midrasj Tanchoema.
“Niemand luistert naar hem!”: letterlijk: “hoort Haman de ratel?” Haman is in het bijbelboek Ester de schurk die de joden uit de weg wil ruimen. Bij het voorlezen van het boek in de synagoge wordt elke keer dat zijn naam valt lawaai gemaakt met ratels.

 
 

229. Twee katers

De twee katers, wit en zwart, kregen het aan de stok.
‘Monster!’ roept de witte, ‘kolenhok!
Duivel! Koffieboon!
Dat wil zomaar ongewassen binnenfloepen
En uit mijn kom boter snoepen!
Miauw, veeg dan eerst die harses van je schoon!
Kun je dat niet? Muizen vang je wel gewoon!
Boter wil je? Word dan zelf eerst wit als boter,
Niet zo’n monster, zwarter, snoder!’

Dit gezegd,
Komt de deegroller en zegt lijnrecht:
‘Wit de snuit en zwart het hart!
De duivel mag weten wie van jullie wit is en wie zwart!
Nu weg van de boter: ik sla hard!’

 
 

230. De vos en de wolf

Ja, de vos lijkt me wel handig
En ze zeggen zelfs: hij is verstandig,
Uit zijn snuit kun je woordjes oppikken,
Zo zoetsappig dat je ze zou kunnen likken.
Maar de slimste vos heeft ook een lange staart.
En de wolf heeft voor de vos een list bewaard:
Stuurt hem in de winter recht naar de rivier,
Vis vangen op een nieuwe manier.
‘Steek je staart,’ zegt de wolf, ‘in een wak,
Blijf een uur of twee kaarsrecht en strak,
Rustig en geduldig zitten aan één stuk,
Dan heb je geluk:
Karpers bijten in je staart met scherpe bekken
En je hebt nauwelijks kracht genoeg om ze eruit te trekken!’

Maar net zit de ongelukkige alhier
Met zijn staart in de rivier,
Ziet hij boeren naderen met bijlen.
En hij trekt en scheurt – maar pech: zijn staart is wijlen!
(Door de vorst al vastgevroren aan het ijs!)
Hij stelt een ontmoeting niet op prijs
En hij rent naar huis, halsoverkop!
Met zijn achterste gaan zitten op de koele klei is al getob
En hij kreunt en steunt om deze strop.
Daar nadert de wolf: een koosjer lammetje,
Maar met in zijn ogen een vreemd vlammetje.
‘En hoe gaat het, broer? En heb je wel iets goeds gevangen?’
‘Vangen of niet vangen,
Die vraag is niet van gewicht,
Hoofdzaak is: ik zie eindelijk licht,
En een nieuwe zon is opgegaan –
Daarvoor heb ik wel een edel deel af moeten staan.
Ja, het voelt daar nog een beetje grover,
Maar dat is een kleinigheid… Dat gaat wel over…
Nu moet ik nog leren lopen op twee poten,
Want ik ben nu haast een mens, op ware grootte,
Met Gods hulp raak ik nog wel veel verder aangepast
En ga naar het dorp als een voorname gast
En neem dan een baan als herder…’
Zo besluit de vos, hij knipoogt en kijkt verder
Naar de vogels, naar het vlieggebeuren.

Razend is de wolf: hij kon zich wel in stukken scheuren.
Wat heeft hij bereikt? Hij heeft verzaakt
En die bastaard tot herder gemaakt.
Hij is ongelukkig en het is een schande!
Hij rent weg, al knarsend met zijn tanden,
En met veel gelamenteer
Rent hij warrig heen en weer,
Maar doet dan een knieval voor de vos, zonder bravoure:
‘Luister, lieve broer:
Dat gebungel daar beneden valt me zwaar…
Ik ben er wel laat mee, maar doe me een lol en help me daar…
Beter laat dan nooit, dat is toch wat ze zeggen.’
Dat laat de duivel zich niet ontzeggen:
‘Ik doe het graag voor een kameraad, die echt nooit zeurt…
Wees niet bang, want het is zo gebeurd…’
En na dit karweitje, als de staart net is onthecht,
Slaat de vos zich met zijn poten voor zijn kop en zegt:
‘Wie is hier de slimmerd en wie is de dwaas?
Ja, de wraak is zoet… Dat is wel waar… Maar ja, helaas
Is het ook heel bitter dat ik dit heb kunnen doen,
Dat ik me heb laten leiden door zo’n oen!’

 
 

231. De belediging

Jaap Jolijt
Klom eens op een geit
(Hoe dan ook:
’t Was niet op een schoorsteen en hij waaide niet weg met de rook…
Zo’n stout jongetje was hij al in zijn moeders buik!)
Hij speelt ruiter, hij rijdt puik,
Aan één stuk
Is hij druk
Met een paard voor farao’s wagen,
Anderen wil hij verjagen!
Kijk, een paardje
Met een baardje,
Moedig draaft het: aan de kant!

Maar wat is er aan de hand?
Nu gooit hij de stoute jongen in het zand!
Met zijn horens had hij hem bijna verwond
En hij schudt zijn sik en zwaait zijn staartje wegens dit affront.
‘Jij noemt mij een paard? Wat een brutaliteit!
Ik ben toch geen paard, ik ben een geit!’

 

“een paard (merrie) voor farao’s wagen”: zie Hooglied 1:9.

 
 

232. De ezel en de zon

In de maand Tammoez,
Als de zon pardoes
Al haar schoonheid openbaart, kruipend van onder moeders schort,
Als haar gratie onthuld wordt
In een simp’le witte jurk zonder versiering, zonder strik,
Dan ontwaakt de wereld van haar eigen ik,
Van haar gang, van haar gebaar.
Dan begint de ezel haar
Met een zure blik te straffen
(Net zoals een hond tegen de maan gaat blaffen.)
‘Noem je dat een zon? Lang haar en kort verstand!
Zij lacht niet charmant,
Geeft geen kik.
Was dat haar van haar maar kort en dik
Als de haren van de manen
Op mijn nek in rechte banen,
En niet geel en groen met veel misbaar
Op dat hoofd van haar.
Verder is de rode kleur op haar gezicht te dicht.
Dunner zou die moeten zijn! Dat kan!
Die is nu te licht
En je rilt ervan!

‘Maar wat zeg je daar? Laat me liever met rust!
Miezerige schepsels zonder levenslust!
Daarom is de zon ook zo’n groot wonder…’
Heel snel verkeert onze wijze onder
Chassidische soortgenoten,
En die sjokkelen maar onverdroten
(Die noemen ze wel fijnproevers, gevoelige mensen!)
Sommigen hebben als grootste wensen
Kijken naar de circusbeer
Die zijn poot zwaait heen en weer:
Anderen mogen dat zien in duizendvoud,
Maar daarvan word ik niet heet of koud.
(Ik zweet liever in de echte zon van goud.)

Dagen komen, dagen gaan,
Dan breekt de dag van het oordeel aan:
Daar verschijnt de hellewachter, draait aan ezelsoren hondsbrutaal,
En de ezel balkt, maakt veel kabaal,
Straks wordt er nog een gedrocht geboren!
Sindsdien is het ongeluk voorzien van lange oren
En het klinkt zo roestig hees, en komt de maand Tammoez,
Gaat hij beven: komt de hellewachter soms pardoes?

 

de maand Tammoez: valt samen met juni/juli.
chassidisch: afkomstig van vrome Oost-Europese joden.
sjokkelen: een schommelende beweging maken tijdens het bidden.

 
 

233. De trots van een pauw

In een van de dichte bossen die je vindt in Polen,
In een oude boom, een holle,
Zetelt onverstoorbaar en gevoelloos in de kou,
Als op een klein kussentje, een pauw.
Buiten zit de nachtegaal te kwelen en te kwinkeleren.
‘Vol met sterren,’ zegt hij, ‘is de wereld,
En iedere ster die je ziet in de avondstond
Is een korrel graan in zwarte akkergrond.
Daar ontkiemen zangen,
Zangen onbevangen,
Korrels van geluk,
En die moet je pikken om ze gauw te vangen.
Vang ze voor ze weg zijn, stuk voor stuk!’

‘Dat horen we vaker. Die wijsheid is niet van jou,
Als het al wijsheid is,’ zegt de pauw.
‘Wijsheid kende moeder Eva, mal geval,
Toen zij al
Van de boom der kennis dat appeltje wilde plukken…
Wijsheid is, zeg ik, de wil in jezelf onderdrukken…
Vluchten voor geluk, dat is je zelfbehoud,
Want geluk bedriegt je ‘s nachts als rotte stukjes hout…
Trots grijp je een ster – het is maar schijn,
Want het blijkt een worm te zijn.’
‘Dus wat moet je dan?’
‘Niet verlangen als het kan…’
‘Wat is dan de zin van het bestaan?’
‘Het leven begint pas als je die weg bent gegaan…’
En de nachtegaal zegt: Fijn,
Zo’n wereld moet God dus scheppen, wil een pauw tevreden zijn!’

 

In het Jiddisje gedicht begint de pauw zijn betoog in het Pools.

 
 

234. Aesopus en de ezel

Al voelde de fabeldichter Aesopus zich dan bevrijd,
Hij was toch een slaaf, dat is een feit
(Misschien dat je dit nooit onder ogen zag.)
Eens, het is op een snikhete zomerdag,
Als hij een bad neemt in een lichte rivier,
Leidt hij voor zijn meester een beladen dier,
’t Is een ezel met een zware vracht.

De hijgende ezel is aan ’t einde van zijn kracht:
‘Hier is gras… En ook een boom…
Laten we hier rusten in de koele zoom’
(Schrijft de moede ezel hem al voor.)
Maar nu wil Aesopus door!
Treurig schudt de ezel met zijn kop
En zegt: ‘Aesopus, ik ben doodop!
Jij die toch mijn hart, mijn kop, mijn buik doorziet,
En daaruit je fabels put, de rijkdom van je lied,
Maak jij nu een scheiding tussen mens en ezel?
Ik ben uitgeput in elke vezel,
Mijn last is niet licht, de herberg is ook niet dichtbij,
Ik wil even rusten na mijn zwaar karwei,
Maar jij onbelaste gaat met mij als drager aan de haal.’

Aesopus zegt: ‘Ja, ik ken dat oud verhaal…
Iedereen heeft iets te dragen, dat staat vast,
En pas na de markt is hij verlost van heel zijn last…
Kijk eens naar de berg die ik hier op mijn schouders tors…’
(En de bochel van Aesopus was wel fors.)
‘Draag je last, al zal hij knellen.
Ik kan je wel een fabel vertellen:
Kikkers die een koning moeten,
Of, mooier: de reus wiens voeten
Hebben met het hoofd heel wat te stellen.

De moraal: wij allen zijn Gods werk.
En de aarde draagt de berg,
En de berg sneeuw op zijn top,
En de sneeuw het koude wee,
Van iedere grijze kop
Die kijkt in de afgrond van de zeventigste tree…’

Aesopus is nog maar net gaan spreken!
Zijn hand heeft over zijn baard gestreken
En zie hoe zijn wijsheid kleur verwerft,
Maar de ezel kent geen wijsheden – en sterft!

 

Aesopus: legendarische fabeldichter, die geleefd zou hebben in de 6e eeuw voor de jaartelling in Griekenland.
“de afgrond van de zeventigste tree”: zeventig werd gezien als normale levensduur. Zie Psalm 90:10.

 
 

235. De bij en de vlieg

Wie is er zwak en klein
En vult vaatjes met goud? Wie kan dat zijn?
De bij: die spint haar goud van zon en bloemensap,
En wie lust daarvan niet een hap?
Zelfs mensen die met goud graag smijten
(Sommigen kun je dat verwijten,
Want joden hebben ooit een “gouden kalf” gebouwd…)
Ook zij genieten van het bitter hart met bijengoud,
Want het is zoet.
En liefhebbers van het snoepgoed
Likken hun zoete vingers af,
Ook als het geen pas gaf.)
Dus spint de bij haar goud heel nijver,
Ze overtreft ieder in ijver
En blijft op koers –
Daarop ben ik als mens jaloers, heel erg jaloers!
Maar wat zegt daar de vlieg nu van?
Die tikt met een pootje tegen haar voorhoofd nu en dan
En zegt: ‘Er is aan haar een steekje los!
Wie zo hard werkt is steeds de klos.
Vlieg, als je vleugels hebt – en zulke sterke –
En laat de anderen maar voor je werken.
De kruipers en de slepers! En wij zijn goed af,
Want wij als vliegers stammen toch van vogels af?
Wees vrolijk!
Zoem in de zomer olijk!
En maak je nooit druk!
En feest
Als beest!’
‘Dus niksen?’ ‘Ja hoor, niksen even!’
‘Alleen maar zweven,
Noem je dat leven?’
‘O, ja!’ ‘Het wordt me droef te moede,
Een toestand, God verhoede!
Ik hoef geen zoete bloemen!
Ik wil verlost zijn van het vliegen en het zinloos zoemen,
Vervloekt zijn alle bloemen
En aan de zon zelfs paal en perk!’
Zo spreekt de bij en gaat weer verder met haar werk.

 
 

236. De honden van koning Salomo

Bij koning Salomo daar
Woonde een illuster hondenpaar;
Stilte heet de ene hond
En de ander Verzegelde Mond.
Berensterk, met ogen die je straffen!
Beiden kleinzoons van de honden die niet blaffen,
Maar wel scherp zijn tegen joden uit Egypte.
Wie tegen die honden een stok heft, die is verknipt.
God bescherme hem!
Dat riekt naar een aantal zweepslagen, verbanning uit Jeruzalem
En naar kilte.

Ze vertellen dat hond Stilte
Op een dag iets heel slechts had gedaan:
Met een stuk vlees uit Salomo’s keuken ervandoor gegaan.
Daarvoor gaf de kok hem met een tsietse toen een kleine tik –
Denk je dat de kok toen zeven dagen doorbracht in de lik?
Hij moest zitten, het was niet te sussen!
(Maar intussen:
Honden
Blijven honden, ook met een rabbinale oorkonde!)

Eens was Salomo met zijn vriend Adonia aan het wandelen
En ging met hem onderhandelen.
Eensklaps werden ze door een geblaf gestoord,
Want hond Stilte nam het woord:
‘Majesteit! Waf, waf! Een moord! Heb medelijden!
Met gebroken assen, zonder wielen, kunnen uw wagens niet rijden!
Waarheid, recht en wet gelden niet langer in dit land!
Sodom of Jeruzalem? Waar ben ik nu beland?’
(Heel uniek:
Wat Verzegelde Mond gister riep was identiek,
Maar Stilte wilde daar niets van weten,
Want toen had hij Verzegelde Mond gebeten.
Nu blaft de hond Stilte hard,
Terwijl Verzegelde Mond zwijgt en verstart.)
‘Kom morgen terug,’ zegt Salomo, ‘want dat heb ik besloten!’
En de hond gaat weg, verslagen, staart tussen de poten.
En hij gaat,
Grommend en heel kwaad.
Stomverbaasd
Kijkt Adonia welhaast.
‘Ach,’ zegt Salomo, ‘ik ga hier geen raad schaffen:
Messen in de oren en niet horen hoe de honden over waarheid blaffen!’

 

“zweepslagen”: letterlijk gaat het over 39 zweepslagen volgend de wet.
“tsietse”: een van de vier kwastjes aan de kleine talliet, het kledingstuk dat door religieuze joden onder de kleding wordt gedragen.

 
 

237. Sjnappe

Gek,
‘k Weet niet meer op welke plek
Ik hem heb ontdekt,
Ik bedoel de hond van dit verhaal (hij heette Sjnappe),
Die je nooit op iets oneerlijks kon betrappen,
Die at met zijn mond
En niet met zijn poot, die blafte als een kleine hond,
Die gestreept en ook gespikkeld was, kortom: een echte hond.
Op een dag zegt het oude paard Mani:
‘Pani,
Neemt u me niet kwalijk, maar ik wil u graag iets vragen.
Ik trek dagelijks een zware wagen
En dat doe ik altijd braaf,
Als een nederige slaaf,
Ondanks modder, kuilen, zweep en regen,
Ook al zit me alles tegen;
Ben ik thuis, val ik meer dood dan levend neer,
Dan begint mijn baas met zijn getheoretiseer…
Toen ik jong was, voelde ik me een vis in het water…
En ik trok de wagen veel kordater…
Nu zou ik hem erop willen wijzen
Dat een oud paard een oud paard is en geen ding van ijzer…’
‘Maar eh… maak me nu eens wijzer?’
‘Bij een modderpoel zeg ik tegen mezelf: “Hier kiepen!”
Midden op de weg kiep ik hem in het diepe!
Mag dat? Je hebt toch het recht?’
‘Nee, dat mag niet… Maar een lesje leren… Is dat wel terecht…
Jij weet het toch zelf het beste, niemand kan je instrueren…’

‘Dank u voor het adviseren!’
En de oude schudt zijn hoofd en gaat al stappen.
Nauw’lijks is hij weg, of zijn baas komt naar Sjnappe:
‘Meneer Sjnappe, bent u van de kaart?
Ik heb medelijden met mijn oude paard.’
‘Ach, wat jammer!’
‘Het is niks meer en hij wordt steeds strammer…’
‘Ja, te zwak voor deze klus.’
‘Dus:
Nu is het genoeg!
Niet meer trekken! Ik maak gauw een eind aan zijn gezwoeg.
Ik zou hem heel graag aan de slager verkopen…
Maar dan denk ik: zoveel jaar voor mij gelopen
En altijd zo hard gezeuld…
Ja, hij is door mij erg afgebeuld…
Dan heb ik daar toch een beetje moeite mee.
Maar wat is uw mening over dat idee?’
‘’t Mag niet… Maar laat u niet hinderen…’
En toen? Vraag dat maar niet, kinderen!

Een week later heeft hij het de slager al verteld…
Die leidt ons dier naar het vrije veld,
Laat het voor het laatst de witte wereld zien…
‘Eén ding moet je mij beloven!’ huilt het oude paard nadien,
‘Alleen Sjnappe geef je na mijn dood mijn tong
En mijn lever en mijn long:
Hij krijgt dan de beste happen!
Niemand kan een ziek, oud paard goed snappen,
Alleen Sjnappe… Snappen!’

 

Pani: “Meneer” (Pools).

 
 

238. Een honds misjebeirech

Chalfen
Slaat zijn hondje Dalfen
Waarom? – Gaat het ons iets aan?
Chalfen heeft een stok en hij houdt ook van slaan.
Of hij wil gewoon voorrekenen
Voor de hond, met wonderen en tekenen:
Een hond heeft geen ziel en is een sul!
Hij slaat steeds volgens de Schrift: “met wonderen – dit is de staf!”
Zoek je voor een hond een goede straf?
Neem een ijzerstaaf en sla dan gul!
Chalfens stok heeft te dien einde
Twee heel verschillende einden,
Een dun en het and’re dik.
Dat geeft meer betekenis aan elke tik:
Eerst nam hij de stok ter hand
En leerde de hond een lesje met de dunne kant,
Nu toont hij weer medelijden, met de dikke rand.
Hoe dat kan?
Stel geen vragen aan een dronkeman.
Vraag: wat doet de hond? – Wat zou hij moeten doen?
De zoon doet wat vader en grootvader deden toen:
Blaffen! Grote mond!
Daar komt Wofsi – dat is ook een hond,
En die ziet Dalfen: van kop tot staart één wond.
‘Wil je hem vermoorden?’ roept hij, met diens lot begaan,
‘Hoe kun je zo ongenadig slaan?
Moordenaar!’
Dalfen valt hem aan: ‘Wie is dat daar?
Kijk eens: hij heeft het geapporteerd!’
Dalfen gaat tekeer, bezorgt de gast een “misjebeirech”:
‘Donder op jij! Ga nou gauw van mij weg!
Jij bent in het stokje van mijn baas geïnteresseerd?
Maak dan maar razendsnel rechtsomkeert!’

 

“misjebeirech”: zegenwens voor iemand die in de synagoge opgeroepen is om uit de Tora te reciteren. Ironisch gebruikt betekent het “vloek”.
“met wonderen”, “dit is de staf”: verwijzing naar de wonderen die Mozes bewerkte met zijn staf. Zie Exodus 4:17.
“met tekenen”: verwijzing naar de bloedige ramp die Juda en jeruzalem bij de komst van God zal treffen. Zie Joël 4.

 
 

239. Klappen

Kijk eens: daar komt een hond uit de keuken rennen,
En het is niet leuk om dat hier te bekennen.
’t Is de schop die achter hem aan gaat,
Kijk hoe hard hij slaat!
Onterecht! De hond weet best: gij zult niet stelen,
En hij wil ook vasten, net als velen,
Desondanks hoort hij wel tot de sluwen!
Als hij wil, kan hij vuur spuwen,
Vloeken, zich heel erg misdragen
En de mensen angst aanjagen –
Daarbij is hij ook nog dichter!
Dan ontpopt hij zich veel lichter,
Nachtenlang zingt hij tegen de maan!
En die platte schop wil hem als rechter slaan!?
‘Slaan!?’ blaft hij en springt dan van de borden,
‘Naar de duivel met hem! Het moet hier niet gekker worden!
Hij daar onder het fornuis wil mij niet respecteren,
Windt zich op, wil mij een lesje leren!’

‘Ja,’ antwoordt de schop, ‘een lesje leren,
Want jij wilt als hond de kok trotseren!
Ja, ik weet:
Klappen zijn niet wijs en scherper is een beet,
Maar de wijsheid, zegt men, heeft geen grond,
Klappen zonder wijsheid geef je aan een hond!’
En hij jaagt hem tot de poort:
‘Ik heb hier het laatste woord!
Jij bent scherp en ik ben plat,
Jou een lesje leren? Als het moet, dan kan ik dat.
Ik heb het eens met een varken aan de stok gehad,
Al was dat een rijkaard met een dikke kop!
Pas maar op, hond, voor een platte schop!’

Honden blaffen: dat is serieus!
De engel des doods in de stad keert zelfs om, nerveus!
En wat denken jullie, slimmerds? Of is denken te omstandig?
Ga dan naar de platte schop en praat een keer verstandig.

 
 

240. De melkhond

Wat kan het toch raar lopen! Want ja’s die worden zomaar nee’s
En een hond krijgt een hekel aan vlees!
Eerst hield hij van vlees, de hond, en kon niet zonder leven,
Eerst at hij het zo graag, dat je er de benen bij moest geven.
Maar vandaag
Eet de hond het vlees niet graag.
Melkkost eet hij slechts.
Als een huishond kon hij bij reb Tevje terecht,
En die man
Ken je wel: een jood, een arme man,
Hij zorgt voor de koeien en levert de melk aan rijke heren,
Kaas en boter, en zij laten hem net niet creperen.
(“Net niet” is wel beter dan “net wel”,
Maar het blijft kommer en kwel.)
Tevje wordt er ziek van, hij voelt zich gebruikt.
Golde kookt een soep voor hem, die heerlijk ruikt,
En het vette maaltje lijkt ook raak:
Kippenvlees, een beetje peterselie en een uitje voor de smaak:
Aanstonds is hij een tevreden eter
En de geur alleen maakt hem al bijna beter.

In de keuken verschijnt dan de hond
(Heel toevallig liep er niemand rond),
En hij ruikt en zuigt de lucht in door zijn tanden:
‘Staat hier soms iets aan te branden?
Komen straks die peertjes lekker op de borden?
En dat kippenvlees… De borst kan daarvan wat hard worden
En de kop zelfs wel een beetje droog.
‘k Zit ermee omhoog
Dat mijn baas, die zieke Tevje, dat gaat eten.
Als ik niets doe, heb ik dat op mijn geweten.
Vóór Tevje het krijgt, moet ik dat eten.
Laat ik dan voor hem ziek worden of zelfs sterven!’
De hond waagt zijn leven, eet de soep zonder reserve.

En reb Tevje, had die het gelust?
‘Jij mag ongehoorzaam zijn, maar laat mijn stukje kip met rust!’

 

Tevje: de hoofdpersoon in “Tevje de melkboer” van Sjolem Aleichem.

 
 

241. De hond en de vos

De hond kwam de vos een fijne feestdag wensen.
Het was in vervlogen tijden en daaruit herinn’ren zich de mensen
Maar heel weinig, eigenlijk alleen in fabels;
Tussen vos en hond bestond niets lamentabels
En hun vriendschap was toen nog niet aangetast.

‘Prettige feestdagen, beste gast,’
Zegt het vosje met een lieve glimlach, ‘blijf niet staan!
Ga toch zitten!’ En hij biedt de gast wat botten aan.
Noem je dat iets lekkers? denkt de gast van deze dis,
Maar hij weet wel dat het vosje karig is.
En hij kraakt de botten met zijn bek.
Nu begint de vos echter een vriendelijk gesprek:
‘Beste gast, misschien denk je wel: ga nou gauw!
Maar ik ben heel erg jaloers op jou,
Afkloppen! Het boze oog mag je niet treffen!
Dat God zulke tandjes schept – haast niet te overtreffen!
Botten knakken is geen kleinigheid!
Ik hoorde een wijsheid uit de oude tijd,
Dat “de ware smaak van vlees zit in de botten”.’
Met een hond valt niet te spotten
En hondengeduld raakt een keer op.
‘Houd je bek!’ blaft nu de gast, wat denk je wel? Houd op!
Jij het vlees en ik de benen!
Ga je gang, maar daarvoor wil ik me niet lenen!’

 
 

242. In het bos

Als je diep in ’t bos doordringt dan weet je dat
Daar ook op de doordeweekse dagen heerst sjabbat,
Diepe rust bij elke stap.
Dat was niet zo in de grote oorlog om het koningschap
Tussen leeuw en vos, toen broeder tegen broeder streed.

Het was toen een brullen en een grommen, o zo wreed!
Menigten van stemmen en geluiden vol gevaar.
En je leven was niet zeker daar.
Deze oorlog is beschreven in oude literatuur
En hij had een lange duur.
Zelfs in het geheugen van de kat leeft hij nog voort.
Ik vertel een klein detail eruit en dat heel kort.
De leeuw had tegen de vos de overhand,
Wolf en beer en olifant stonden ook aan zijn kant,
En de hond deed voor hem wat hij kon:
Overbrengen als spion
Wat de vogels zongen, de vijanden zeiden
En hoe vrienden hem in het geheim misleidden.
De geschiedenis volgt soms komische paden:
De vos kon met hulp van de zwarte brigade
(Oeros, grote draak en sater,
Vrome kat en zwarte kater)
Het koningschap voor een maand herwinnen.
En de leeuw moest vluchten naar de wilde bedoeïenen.
Zware tijden heeft de leeuw met zijn familie ondervonden.
Lichter was het voor de honden.
Zo werd de hond bij de vos lakei
En werkte met kat en kater, allebei,
En de koning wierp hem van zijn tafel soms een lekker been.

Op een dag moest de hond met een opdracht ergens heen.
Op een afgelegen plekje werd hij door de wolf ontdekt
En die hield hem staande en vroeg hem direct:
‘Hé, jij hond,
Breng jij hier berichten voor het vosje rond?’

‘Word niet kwaad, heer wolf! Ik wil –’
Zegt de hond en zijn stem klinkt wat schril,
‘U de waarheid zeggen en vind dat ik nu geen straf verdien.
Want ik kon niet anders doen dan mijn mening herzien.
Een boom wisselt bladen ieder jaar!’

‘Woeoe! Wat zeg je daar?’
Huilt de wolf met een echo voor tien.
‘Ja, meningen worden vaak herzien!
Maar waarom verander je op het moment
Dat je bij de grote oeros bent
En de vos horens van ijzer krijgt?!
Doe je zo je plicht? Je zwijgt!
Dit doen we in die gevallen!’
Hij verscheurt hem als een voorbeeld voor hen allen!

 
 

243. Drie honden

Deze twee
(Slaafje heet de een en Uitschot nummer twee)
Zijn wel broers, onder hetzelfde moederhart gedragen,
Maar doen nooit iets anders dan elkaar bijten en plagen.
En reb Blaffer, dat is nummer drie,
Die
Sticht juist altijd vrede.
(Lege maag en boze droom heeft hij altijd vermeden.)
Op een dag begon de wens te groeien
Zich met de twee broertjes te bemoeien.
Die rolden over de grond in een verhitte kluwen
En de een wilde zijn bek tegen zijn broers keel duwen
(Uiteraard niet om te kussen.)
Blaffer wilde tussenbeide komen, maar intussen
Bijt hij heel toevallig, onbedoeld,
Slaafje, die dat heel goed voelt.
Die is kwaad,
Al was het een goedbedoelde daad.
Maar daar wil broer Slaafje niet van horen:
Hij keft Blaffer luidkeels in de oren:
‘Zo’n plezier hoef jij mij niet te doen!
God zal mij voor vrienden hoeden en ik zal dat voor mijn vijand doen!’
Wil hij blaffen? Laat hem maar,
Want we kennen hem: die is voorlopig nog niet klaar!
Hij heeft nu het hoefijzer ontwaard
Van het dode paard.
Nou, het beste! – Maar dan steekt Uitschot zijn pootje uit.
Daarvoor dankt hem luid
– En verbazingwekkend – Slaafjes broer – een hond met kwaliteiten! –
Maar ik weet niet wie er schuldig is in feite.
Wat ik van Blaffer moet denken, is de vraag;
Ik weet wel dat Blaffer na de ruzie van vandaag
Uitschot bijt als vijand nummer een
(Hij heeft een verhaal bedacht over een been.)
Slaafje ligt al op de loer
(Het gaat niet over een vriendje, maar over een broer)
En gaat hem eerst uitrangeren
En helpt dan zijn broer met ruïneren
Van broer Blaffers vel! –
Sindsdien zijn de broers weer broers, een prettig stel –
Vandaag kusjes, morgen ruzie weer, dat wel.
Maar de vredestichter is zijn leven
Hun vijand gebleven.

 
 

244. Simson en de slangen

Het geschiedde
Toen Simson de leeuw weerstand had kunnen bieden,
En de dode leeuw lag op de grond,
Terwijl Simson nog de gouden honing proefde in zijn mond
(Pak je Bijbeltje erbij en lees het na!
Ja, weet je het weer? Er komt een raadsel na.)
Opeens – luister!
Uit de aarde komt een vreemd gefluister:
Kom snel, kom snel, slimzoon!
Sneller! Ja, daar is hij, Simson!
Ja, daar staat hij, daar!’
Zeven groene slangen schoffelen en roepen naar elkaar.
Walgend en kortaf
Slaat de held hen af,
Woedend staat hij daar te knarsen.

‘Wat een tandenknarsen, wat een farce!’
Zegt onder vurige ogen een gifmond,
‘Wil je ons soms bijten als een hond?’
‘Bijten? God verhoede! Nee, ik neem mezelf in acht!’
‘Ja, dat weten wij. Je mist daarvoor de kracht.
Of denk je ons net als de leeuw met je handen te verscheuren?’

‘Dat gaat niet gebeuren.’
‘Ga je het ons dan met een stok flikken?’
‘Waarmee moet ik van de leeuw de honing likken?’

‘Vrede wil de reus van ons verlangen!’
‘Vrede? Met de slangen?!
Adderengebroed, ik trap wel met mijn voeten!
En hij trapte op hun koppen en vervolgde toen zijn route.

 

Het verhaal van Simson staat in Rechters 14-16.
De leeuw: zie Rechters 14:5-6. Simson doodde met blote handen een leeuw. Later at hij de honing die bijen in de schedel van het kadaver hadden aangebracht.
Het raadsel: zie Rechters 14:12-18.

 
 

245. De dans

De appel
En de sinaasappel,
Oranje,
Rood franje,
Dat danste daar maar als een huwelijkspaar.

Een dans als gewoonlijk, in deftige geuren en kleuren,
Toch moest er iets ernstigs gebeuren!
Gevaar:
Zo’n ongeluk is heel erg naar,
Je valt serieus
En dan breekt je neus!

Maar wie is er dan zo gevallen?
Ze dansten daar fijn met zijn allen,
Toen was de bruidsjurk afgegleden!
Daar stond ze als Eva in de Hof van Eden
Nog ver voor de zonde.
En schaamde de bruid zich? Ze danste haar ronde,
Ze deed het volmaakt,
Zo schattig en naakt,
Ze liet zich daar nu in haar ware dans gaan,
En niets kon haar langer weerstaan.

O wee, wat gebeurt daar? Een kikker kwaakt koud,
Een kater miauwt
En draait met zijn staart.
Een vat met een baard
Dat zit wat onnozel te kwekken,
Het bloost en gaat dan bekketrekken.
Veel drukte maakt daar maar een kraaiende haan.
Hij gaat met zijn vleugeltjes slaan.
Wat hoort zij? Wat gaat het haar aan?
Zij danst voor de spiegel.
Haar evenbeeld danst met hetzelfde gewiegel!
Hij spiegelt, de ruit,
En vruchtensap spuit.
‘’t Is regen met zonneschijn, regen met zonneschijn!’
‘Maar mag het zo zijn?’
‘Dat moeten we vragen gaan aan de rabbijn.’
‘Dat moet, ja, dat moet!’
‘En wat doet de bruidegom daar met zijn voet?’
Hij danst op het scherp van het mes,
Het is een succes:
De bruid die danst goed, maar de bruidegom beter.
Hij draait om haar heen, steeds bezweter!
De zomer danst open en bloot,
Een zomertje, geurig en rood.
Zijn passen die zijn nu wel groot!
Het suizelt
En duizelt,
Een vreugdevol zwaaien,
Een vreugdevol draaien,
En daar in een hoekje zit mokkend de eend
En zegt tot de gans haast versteend:
‘Ik zeg u, mevrouwtje, de wereld is zondig!’
Hij mokt en kijkt ook naar de dans heel kortstondig.

 
 

246. De zon en de maan

Wat voert tot de nachtelijke val
Van een maantraan in het jammerdal?
‘Luister dan,’
Zegt reb Leejzer Ha-Katan
(Hij vertelt het graag en houdt zich in):
In ’t begin
Was de maan nog groter dan de zon
En de zon was een lichtbron
Als de maan van nu, niet heter.
Velen zeggen wel: iets beter,
Maar beide waren nog onvolmaakt.
En in oude boekjes wordt dat punt al aangeraakt:
God schiep beide lichten na het water,
En het scheppingsvuur verflauwde later,
Tot het doofde in Zijn oog.
Hoop vervloog. –

Beide lichten hebben tikkoen op het oog.
(Met blikken van vuur
Lukt het op de lange duur
Verre verte dan te vangen
In een net van hunker en verlangen.)
In de westelijke richting ging de maan
En de zon is naar het oosten toe gegaan.
Als zij zich dan naar het oosten spoedt,
Komt haar iemand tegemoet:
’t Is de engel Raziël.
‘Wees gegroet, licht zonnespel!
En gezegend zij de Schepper van de stof!
Ja, het licht is nog wat grof,
Hier en daar heeft het donkere vlekken,
Maar geen schaduw. Als je licht niet zal betrekken,
Denk ik dat je stralen ze wel zal bedekken.
En vandaag of morgen zul je zonder dralen
Aan de hoge hemel stralen!
En je licht zal zich van oost tot west uitstrekken!’ –

Aldus sprak de engel en hij hield niet op met wekken,
Tot de zon ontstak en straalde in lichtkransen.
In een oogwenk waren er zeshonderdduizend glansen
En evenzovele stralenzangen! –

En wie werd er toen in het westen ontvangen?
De maan! Wie kwam zij daar tegen?
Af-Bri, dus de prins van regen.
Een heel boze engel! Daarbij viel er heel de dag veel regen.
Af-Bri zien bij regen is geen zegen,
Want dat is een teken
Dat het hozen zal, wel zeven weken.
Af-Bri ziet de maan en ziet als lichtgeraakt persoon
Zijn kans om onheil te stichten schoon:
Hij vernedert haar, maakt haar te schande,
Scheurt en snijdt aan alle randen,
Tot zij kreupel is en nauwelijks kan branden.
En bevlekt raakt ze, armzalig,
En pokdalig.
Bleek, geschrokken trok de maan zich terug tot nader orde
Door de poorten in het westen en verborg zich in een regengordel.

Met haar jeugd en vreugd was het gedaan sindsdien.
En beschaamd liet ze zich overdag op straat niet zien.
Alleen ’s nachts komt ze tevoorschijn, nog geschrokken
En er druppen tranen op de hele wereld uit haar lokken!

 

tikkoen: het herstel van de wereld.
Raziël: engel die de geheimen van de Tora kende.
zeshonderdduizend: volgens Exodus het aantal joden dat uit Egypte trok.
Af-Bri: de engel van de regen.

 
 

247. De kerkklok en de torenklok

‘Hé, sta op! Sta op! Een brand!
Door het land
Zie ik hier een heks met woedende, warrige haren
In een wilde dans over de hoofden waren,
Met Satan incluis!
Het is hier een vagevuur en een slachthuis!
Midden in de nacht komt de heks hier ogen uitrukken!
Huizen smijt ze hier aan stukken
Met afschuwelijk gekrijs!
En de hemel gloeit al, zelfs bij sneeuw en ijs!’
Sidderend ontwaken de kerkklokken
En geschrokken
Wordt er nu geluid:
‘Domme zwartkijkers, horen jullie dan niet wat dit beduidt?
Er wordt hier gedanst vannacht, een feestje tot het ochtendkrieken!
Kom je bed uit, ouden, zieken,
Kreupelen en zielenpoten!
Dansen, terwijl alles brandt en wordt kapotgeschoten!
Heel de wereld is een brandend kolenhok!’

Luister ondertussen, want daar slaat de torenklok.

‘God zij dank, ja, God zij dank!’
Roept de kerkklok, ‘want ik heb je nodig met je klank!
Waarom was je zo verstrooid?
Hoewel: beter laat dan nooit.
Broer, je moet me helpen,
Alles hier met klanken overstelpen
En verdrijven al het kwaad
Uit de straat!
Dat het hier met pek en zwavel wordt bedolven
Of gedreven in de muilen van de hongerige wolven!’ –

En de torenklok slaat een, twee, drie, vier… twaalf keer,
En zinkt dan weer in zijn tijdgedachten neer.
‘Nu al moe?’ verwondert zich de kerkklok, ‘blijf je staan?’
‘Niets van aan!’
‘Waarom zwijg je? Alles brandt en niets blijft staan!’
‘Tussen heksen in de wildste vormen
En vuurstormen
Word ik door mijn onrust aangedreven, op de regelmaat gericht.’
‘O, ja?’ ‘Ja, ik ga mijn gang en doe mijn plicht.’

 

onrust: een heen en weer gaand wiel, dat zorgt voor de regelmatige loop van een uurwerk.

 
 

248. De Messias

Het gebeurde op een dinsdag, op klaarlichte dag,
Toen je winkeliers achter de toonbank slapen zag,
Anderen zaten te bakken in de zoelte,
Snakkend naar een koude dronk en ook wat koelte,
Toen zelfs babbelzieke vrouwen waren uitgepraat
En stilzwijgend sokken breiden van een draad,
Haastig werkend met de pennen en allemaal bang
Om achter te blijven in hun dadendrang
(Anders, God verhoede, kwam het plafond naar beneden!)
De jaloerse zon volgt hen met rasse schreden
Door wel duizend lichte pennen door een sok te stoten.
Ondertussen komt een hond aanrennen op drie poten,
Met een klacht tegen God en de mensen ligt hij daar ineengedoken.
Iemand heeft daarnet – waarom? – zijn poot gebroken.
En dat was een witte ruiter op een witte merrie!
In de herrie
Roept hij: ‘Sjema Israël!’
En zijn stem klinkt als de wagens van het vurige model,
Die je door de hemel kunt zien roeien in de plassen na veel buitjes.
Wie is dat? Weet je het niet? Er klinken veel geluidjes:
‘Mensen, maak toch plaats! Haal nou die kramen weg!’
‘Ik raak hierdoor van de leg!’
‘Wat een taal! Zie je het niet? Messias komt eraan!’
‘Die komt pas over ik weet niet hoeveel jaar, dus rustig aan.’
‘Jij moet maar stro kauwen met wat bitter kruid!’
De Messias houdt het wel lang uit…
Op een paardje, op een mooi wit paardje zal Messias ons verblijden!
En die man daarnet zag ik zelfs op een schimmel rijden!
Ik geloof al een beetje in hem, ja, beslist!’
‘Ketter! Atheïst!’
‘Hij blaast sjofar! Zorg dat je niets mist!
‘Geef elkaar de hand, dan dansen we als lammetjes!’
‘Volgens mij heb je te veel gegeten van die gekke zwammetjes!
Domoor! De Messias komt toch op een ezel? Op een ezel komt hij aan!
Door een luid brullende leeuw voorafgegaan!’
Twee magere handen spelen nu voor tolk:
‘De Verlosser komt ooit op een wolk,
Met een zuil van rook en ook een zuil van vuur
Komt hij op de berg Libanon op het juiste uur,
Daar in het Beloofde Land!’

Het kookpunt bereikt nu onderhand
Heel de massa volk.
Er ontstaat zelfs nieuwe groepjes: groepje “Wolk”,
Groepje “Ezel”, groepje “Paard”,
Mensen trekken elkaar aan de haren en de baard
En ze graven diep in oude boeken
In diverse hoeken,
En men spitst de hersenen en scherpt de tongen,
In klausen de ouden, in cheiders de jongen,
Maar de kwestie blijft nog onverklaard…
En Messias? Nou, die kwam te paard en ging te paard!

 

“Sjema Israël”: “Hoor, Israël!” Het belangrijkste joodse gebed.
“bitter kruid”: wordt gegeten tijdens het Pesachmaal, ter herinnering aan de uittocht uit Egypte.
sjofar: ramshoorn, geblazen bij bijzondere gelegenheden in de synagoge.
klaus: kleine synagoge.
cheider: religieuze lagere school.