Fabels 151-200

Steinbarg

 

Eliëzer Sjteinbarg

 
 

Dit zijn dan de fabels

Als een bijl die erin hakt

151. De beer
152. Gemengd weefsel
153. De oven en de ovenplank
154. De sjofar van de Messias
155. Te veel gepraat
156. Lokken
157. De klok en de naaimachine
158. De kaftan en de laarzen
159. De weegschaal
160. De kraai-profeet en de duif
161. De wolf en zijn jong
162. De bevrijding
163. Het ijzer
164. Gods wonderen
165. De opstand der honden
166. Hermon
167. De overwinning van de waarheid
168. De overdrijving
169. De berg en de rivier
170. De koe in de Karpaten
171. De kameel en de ezel
172. Onbetrouwbare geluiden
173. Het leven
174. Recht is ver te zoeken
175. Op de cimbaal
176. Justine
177. Rechtbank
178. De zoeker naar recht
179. De hoofdzaak
180. Bij de leeuw op het banket
181. Het slachtoffer
182. Vrede
183. Op een onbewaakt moment
184. Het probleem van een blok hout
185. Mazzel en Sjlimazzel
186. Het arme ding
187. De kraai en de kanarie
188. De kenner
189. Het viooltje, de bas en de bekkens
190. Waarheid en leugen
191. Mozes met muze
192. De trom
193. De bij en de spin
194. De brombas
195. De straatlantaren
196. Zuiverder dan goud
197. Het zenuwpeesje
198. Sterren
199. Engelen
200. Stoelen

 

Dit zijn dan de fabels van Eliëzer, de zoon van Jesjoeë,
En diens vrome vrouw Rejzl was zijn koosjere moeder,
Hun zielen zijn al in het hemelarchief.
En wie is zoonlief?

Een duif tussen rampen, zowel met een lach als een traan,
Geruis van een blad door de wind van een boomtak gerukt,
Een wees tussen wezen, bedrukt!
Soms blijft hij beschaamd, naakt als Adam, verstopt tussen bomen staan
En hoort dan alleen maar het stemgeluid van zijn Rebekka:
‘Eicha?’
Waar ben je? Kom, laten we gaan…

 

Eicha: “Ach, hoe…”, begin van een aantal Hebreeuwse klaagzangen, zoals Klaagliederen 1:1.

 

Als een bijl die erin hakt. Maar de bijl is niet bot
En hakt met kabaal het woord kapot.

Alles moet eraan, punt uit!

Vraag niet wat hij wil, maar: waar loopt dit op uit?
Hoor mij aan:
Tast de beer de hemel aan,
Dan wordt alles anders, dan zal onderaards verzet ontstaan.

 
 

151. De beer

Stap voor stap, rustig en zwaar,
Komt tevoorschijn aan de hemel daar
De beer Donderwolk.
Hij staart naar de wereld met haar volk.
En daar legt hij op de zon zijn zwarte poot!
En de wereld is in nood:
Hij heeft de balans al opgemaakt,
Wat hij zag al afgekraakt,
Want twee gimels waren alles wat hij vond…
En zijn ingewanden branden en zijn mond die gromt,
Hij scheurt stukken van de hemel en de zon en
Gooit ze voor de varkens en de honden…
En terwijl hij loert
En de honden met de zon en hemel voert,
Huivert in de wereld alles al,
Bloem en boom en berg en dal,
En rivieren bloed zijn niet te keren…
Bloed? Wat zeg ik? Ik zou zweren:
Geen bloed, eerder generatieslang verstikte tranen.
Uitgestort op aarde door het openen van alle hemelkranen!

‘Opaatje, wat wil de vader van de beren?’
Dat wil het bos van de oude eik nu leren.
‘Wat hij wil?’ De oude eik klinkt log en domp
Als een verre bijlslag. De bijl is echter niet stomp,
Want de eiken woorden klinken scherp: ‘Hij wil alles hier verscheuren!
Maar vraag nu niet wat hij wil, maar wat er zal gebeuren!
Hoor, mijn waarde:
’t Omgekeerde zal gebeuren:
Scheurt de beer de hemel, komt het leven op vanuit de aarde.’

 

“twee gimels”: mogelijk de beginletters van “goet” (goed) en “gants” (heel).

 
 

152. Gemengd weefsel

Ik vertel jullie immers van alles?
Dus vertel ik over een kussen van zij
En over een kussen dat van wol is.
De niet-joden weven er veel katoen bij,
Wat bij onze wol niet het geval is.

En het kussentje van zij?
Dat had wat borduursels op een rij:
Goudvisje, kalkoen, kapoen met fakkel en meer van dat alles!
En van binnen? Veertjes, door een vrome oma aangebracht
En geplukt van kippen, op de sjabbat eerst geslacht.

’t Kussentje is mooi en zacht.
Zeg dat maar niet, want dat had het zelf gedacht!
Met een zijden stem, zo zacht en vol,
Zegt het tegen ’t kussentje van wol:
‘Vindt u ’t heel erg om opzij te gaan?
En nog een verzoek: raak me niet aan!’
‘Waarom?’ ‘Daarom! Het mag niet!’
‘Weg, subiet?’
‘Ja, zeg dat het niet mag! U hebt me toch gehoord?’
‘Hoe zeggen ze het ook weer? Spreek nooit een overbodig woord –
Maar soms is dat woord niet overbodig.’
‘Goed, u vindt het nodig…
Kijk, ik wil met u geen heibel,
Maar hoe noemen ze dat in de Bijbel?
(Toen die knappe Micha op mij leunen kon
Las hij het voor kleine Aäron)
U bent… gemengd weefsel… wol en vlas.
Ruw en hard, van een onzuiver ras!’
‘Meent u dat? Is dat echt waar? Maar – wacht!
Kijk, ik ben gemengd en u bent fijn en zacht –
Maar vergeet niet en onthoud maar goed
Hoeveel kuikens voor uw zachtheid betaald hebben met hun bloed!’

 

“Gemengd weefsel”: “sha’atnez”. Volgens Leviticus 19:19 is het verboden een gemengd weefsel van wol en linnen te dragen.

 
 

153. De oven en de ovenplank

‘Ik begrijp wel dat je honger hebt, maar moet die mond zo open?
Wat een vuur en wat een kolenhopen!
Zijn we hem iets schuldig? Hij wil brood!
Zijn lelijke mond is groot!
Jullie zijn getuigen, mensen! Kijk, hij is niet wijzer,
Hij kan me verbranden, ik ben niet van ijzer!
Nee, die mensen hebben mij nooit dankbaarheid geboden.
Wacht, ik stop je mond wel vol met broden!
Voor je goede daden krijg je ze nu toegeschoven!’
Zegt de ovenplank verstoord tegen de oven.
En de oven zindert en hij brandt:
‘Poe, reb Ovenplank, bij wat een broodheer ben ik toch beland!
Eerst geeft u me mooi het volle pond
En daarna haalt u het brood weer uit mijn mond!’

 
 

154. De sjofar van de Messias

Op een dag in Eloel hoort de ezel de sjofar luid schallen
En hij beeft: de sjofar van Messias klinkt!
‘Had ik maar,’ roept hij, ‘een vlieginstinct,
Dan bracht ik het nieuws naar alle stallen.
Luister! Jullie moeten op je knieën vallen!’
Maar dan is de ezel eensklaps van de kaart,
Want hij ziet een ruiter op een paard
En hij jammert al, hij kreunt: ‘Waarom laten ze zich berijden?!
Voelen ze het niet? Dit zijn niet meer dezelfde tijden!’
En hij is nog nooit zo boos geweest:
‘Het is hopeloos, want beest blijft beest!
Nee, Messias, vrijheid zullen zij wel nooit aanschouwen,
Als ze maar één ding doen: kauwen en herkauwen.
Als ze met hun zadel al vergroeid zijn.
Als ze in hun moeders buik al uitgebloeid zijn.
Stom!
Duizend ramshoorns kunnen blazen, maar geen eik valt om!’
Hij vervloekt het paard zonder ophouden en met wild geraas –
Ondertussen draagt hij op zijn rug zijn eigen baas!

 

sjofar: ramshoorn, geblazen tijdens Eloel (de maand voorafgaand aan de Hoge Feestdagen), tijdens die feestdagen zelf: Rosj Hasjana (Nieuwjaar) en Jom Kippoer (Grote Verzoendag) de Hoge Feestdagen, en ooit bij de komst van de Messias.

 
 

155. Te veel gepraat

Sane spant de ezel in,
Maar die heeft het weer niet naar zijn zin
(Hij is altijd een vervelend ventje)
En hij zegt: ‘Wie ben je?
Is de kloof tussen ons beiden wel zo groot?
Ik heb altijd al betoogd:
Beiden komen wij toch uit een moederschoot,
En een moeder heeft jou net als mij gezoogd,
En voor ons een vriendelijke blik gevonden
Als wij eens niet eten of niet lachen konden.
En wij werden beiden grootgebracht door moeder Aarde
Onder een en dezelfde voorwaarde:
Wij betalen met ons vlees en bloed voor iets
En wij krijgen in ons leven niets voor niets…
(Geen probleem, levende wezens zijn we beiden!)
Maar waarom toch, Sane, laat je me zo lijden?
Ben ik wel verplicht jouw zware last te dragen?
(Nee, ik ben niet bang je te mishagen.)
Draag hem zelf maar! Word ik dan geslagen?
Sla me dan maar dood!
’t Is niet overtuigend! Jij bent de baas, maar ik hoor niet in de goot…
Weet je, overgrootmoeder bracht Bilam nog eens in de klem,
Leerde hem een les en toonde hem
Dat een vlakke weg ook op en neer kan gaan.
Dat is wel iets om bij stil te staan.
Is de weg wel recht, maar “jarat”, dat is: overhaast,
Dan ga ik niet verder, Sane, dan zit je ernaast.
Denk je dat ik slaaf zal blijven tot in eeuwigheid?!
Vandaag wil ik me je spreken als gelijke en met waardigheid.
Jarat? Nee, die oude weg volg ik niet langer!
Duisternis en gladheid maken me steeds banger!’
Ezeltje lucht zijn gemoed, maar schiet hij er wel iets mee op?
Hij gaat in zijn redelijk verhaal zo op
(In zijn o zo held’re woorden brandt en gloeit het),
Dat zonder veel pijn en moeite,
Vlotter nog dan anders, zijn baas al heeft opgetast
Op zijn rug een extra zware last.

 

“jarat” (“overhaast”): uit het verhaal over de ezel van Bileam, die verstandiger was dan zijn meester. Numeri 22:32.

 
 

156. Lokken

Lokken
Die het knappe hoofd van een oude geleerde
Met hun zilverkrans vereerden
Heeft het schaartje afgeknipt. Denkt u dat die lokken
Schrokken?
Nee hoor! Maar het speet hun voor het hoofd, heel onverwacht.
(Lang haar, kort begrip! Begrijpt u het? Ik dacht:
Zilv’ren lokken staan een knap hoofd toch het kienste
En zijn zeker een verdienste.
De geleerde droeg ze op zijn hoofd toch niet voor niets?)
Maar zij zeggen met een witz:
Scheiden doet lijden, ‘t is waar,
Maar geen klachten, God verhoede, tegen deze schaar!
Wij zullen vrijheid verwerven
En van land tot land gaan zwerven,
En in ieder land
Worden wij gestreeld door een fluwelen hand,
Overal ontvangen als een lok van stand
En gekamd steeds door een gouden kam.
Zilverhaar is zilverhaar, en weg is deze zilverstam.
God beschermt hen wel, gezegend Hij.
Ja, maar jij?!

Dan opeens, och heden,
Zie je de geleerde ’t zilver zelfs met voeten treden,
En hij glimlacht: het gebeurt vaak, zegt hij, dat een coupe
Op de grond iets achterlaat waarop wij trappen als op troep.

 

*

Zeven keuzes bij de exegese,
Ieder kan in deze fabel wel iets anders lezen.
Maar ik hoop toch dat u dit kunt snappen:
God zegt of je op tevreden troep mag trappen!

 
 

157. De klok en de naaimachine

‘Struikelblok!’
Roept de naaimachine naar de klok,
Tegenover hem daar aan de muur,
‘Taktiek, taktiek, uur na uur!
Nee, dat liedje van jou is niet meer te harden, ’t maakt me ziek.
Naar de hel met je taktiek!
Wat is dat voor onverschilligheid?
Hij had toch al uren moeten slaan! Rusttijd!
Maar je hoort en ziet hem niet!
Slaan moet hij, subiet,
Maar die tacticus is op zijn hoede
Dat hij vóór zijn tijd een slag laat horen, God verhoede!
Daarom loopt hij langzamer, die luie donder,
Dat is voor die tacticus gezonder!’

En de klok kreunt ziek: ‘Ik wil niet plagen,
Ik had ook allang geslagen
Als het sleuteltje, mijn gangmaker, me niet met stomheid had geslagen.’

 
 

158. De kaftan en de laarzen

Tot de laarzen richt de kaftan nu het woord:
‘Van de Eeuwige heb ik vandaag gehoord:
Houten vijzel is gaan vijzelen,
Baarde toen een vijzeltje, een ijzeren,
Dat de muren zal verbrijzelen
Met de poorten van het paradijs erin!’

‘Jij hebt je maar iets op de mouw laten spelden!’

‘Schaam je! Denk je dat ik eigenwijzer ben?

Beter was het als ik niet naar buiten trad,
Maar soms valt er in mijn zak een gat,
Ik heb iets verloren –
Maar niet elk woord is bedoeld voor laarzen-oren…’

 
 

159. De weegschaal

Weegschaaltong, jij snelle,
Wil jij iets vertellen?
Ja, dan zal ik wat verhalen
Van een weegschaal met twee schalen
Zonder hoge toppen, zonder diepe dalen.
Beiden hingen prettig aan de balansarm te wiegen
Zonder elkaar ooit in de haren te vliegen.

Eén schaal zou een dag niet boffen,
Zij werd door het harde lot getroffen:
Van haar buur, de and’re schaal,
Krijgt zij al het materiaal;
Zonder ook maar iets te vragen
Geeft men haar een zware last te dragen!
‘Help, zusje!’ kreunt de beladene, ‘ik val verschrikkelijk!
En jij, buur?’ ‘Onzin!’ Die toont zich niet inschikkelijk,
Want zijzelf hangt hoog en valt haar zusje dieper,
Dan is zij toch hyper?

Wat een knallen!
Help! Haar zus is van haar geloof gevallen!
Koordjes knapten met een ruk,
Daardoor viel ze en haar schaal is stuk!
Met een klap viel ze eraf!
Maar ook het bevoorrechte familielid kreeg straf
(God hoede ons voor zo’n flop!)
Zij ging naar beneden en kwam nooit meer op!

 
 

160. De kraai-profeet en de duif

Op een boomtak is de kraai-profeet gezeten,
Peinzend, somber en verbeten.
Nee, geen kraai: een duister stukje nacht,
Door de zon vandaag niet meer met licht bedacht,
En niet uit de slaap gewekt.
De duif komt aanvliegen en vraagt goedgebekt:
‘En hoe gaat het, heilige profeet?’

‘Er is veel wat aan me vreet,’
Zegt de kraai-profeet ontdaan.
‘De zon had vandaag een slechte bui:
Ze was lui
En ze gaapte met een volle mond,
Ging weer slapen na de morgenstond,
Ogen half open, half dicht
En een vlam op haar gezicht…’

‘Wat moet dat betekenen?’

‘’t Bos moet op veel rampen rekenen:
Hitte, koude, bliksem, bijl verwacht ik daar!’

‘Is het waar?
Waarom zwijgt u? Krast u niet?
Roep toch! Wijs op de remedie die u ziet!’

‘Krassen? Heeft dat zin?
Als ik aan een grote brul begin,
Geleend van de leeuw, luistert het bos dan goed?
Nee, het bos is doof, zelfs voor een woordenvloed!
Ik neem afstand met veel hartenleed,
Maar uiteindelijk, God weet,
Kunnen woorden
Bergen verzetten naar and’re oorden!’

‘Nee, geen woorden – één woord maar,’
Zegt de duif, ‘en zo niet hier, dan daar…’

 
 

161. De wolf en zijn jong

Aan zijn zoontje leert de wolf het alfabet
En de rebbe sjokkelt: ‘Ik wil dat je goed oplet!
Kijk, doe me een lol:
Dat ’s een mem en dat is een segol,
Hè,
Segol-mem is “mè”!
En wat dat betekent?
Achterbaks, mijn zoon, ja, mè is heel berekend,
Smerig, sluw, gesloten,
Al het ongeluk op vier koosjere poten,
In een kroesharig omhulsel met heel vrome kantjes –
Zwijg niet en gebruik je tandjes!
Scheur het vrome vel eraf en koel je woede.
Blijft er dan een koosjer zieltje over, denk je? God verhoede!
Nee, alleen een stukje vlees, zondig en goed,
En wat bloed!
Wat je daarmee aan moet, weet je wel…
Maak je werk af en loop weg, pijlsnel!
Wacht niet tot je slaag krijgt op je bakkes!
Want hoewel de vroomheid zowel stil als zwak is,
Werkt die samen met de straffers,
Met de honden, onze vijanden, de blaffers,
En de tweevoeters, ja, die bandieten,
Die met vuurstokken gaan schieten;
Hij verscheurt ons, als het aan hem ligt!
Want dat is voor hem een mitswa of een plicht…

En het wolfje krimpt ineen en moet zijn oogjes sluiten,
Het opent zijn snuit en
Huilt tranen met tuiten:
‘O, mamaatje, o papaatje, o rebbetje, stop!
Al dat “mè”, ik kan er niet meer tegenop!’
En de rebbe geeft hem een draai om zijn oren:
‘Zo, wil jij niet horen?
Luister dan goed, dwaze klant:
Eens krijg jij toch je verstand –
Bedenk: alle mè-zeggers die zijn vilein,
Maar wat zou ons leven zonder mè wel zijn?’ – – –

 

rebbe: chassidische religieuze leider.
sjokkelen: een schommelende beweging maken bij het bidden.
mem: de letter “m”.
segol: klinkerteken voor de klank “è”.
koosjer: ritueel geschikt.
mitswa: religieuze verplichting.

 
 

162. De bevrijding

De berg Sinaï ontwaakt, nu wiegt zich de woestijn.
Iets wordt uitgebroed, wat zal het zijn?
Hier wordt iets geweven, iets geboren.
Het heeft lang geduurd, maar veel tijd is er niet verloren.
Het geduld wordt niet meer op de proef gesteld!

Hé, wat wil die bron daar, waar het water uit opwelt?
Stil! We luisteren… Er klinken woorden…
‘Wat? Gij zult niet moorden?’ ‘Nee, niet moorden!’
‘Nee, wij horen niets… Wees stil!’
Daar een knal! Getril!
Nog een knal en nog een keer een knal.
En door berg en dal gaat een vurige bal,
Rollend, zich afwindend als een lont
Van de hemel naar de mond
Van de afgrond: ‘Ik!’

Hoge bergen slaan nu neer hun blik
Voor een nieuwe wet, Tora.
(In de blinde, duist’re nachten heerste de angst voor en na,
Generaties lang wachtte het schaap
En de duif verlangde in haar slaap,
Met haar kopje weggestopt onder haar vleugel.)
En daar bliksemt en straalt uit de nevel
Het begeerde woord:
‘Uitgewist is moord!
Ik ben Abels God en Kaïn wil ik mijden!
En Ik ben gekomen om te troosten, helpen en bevrijden
Alle onderdrukten uit hun slavernij.
En niet voor de wolf, maar voor het schaap kies Ik partij.
Ik ben liefde en erbarmen,
En al heb Ik vuur en stormen in mijn armen,
Op mijn altaar wordt gebracht
Geen wolf, adelaar of luipaard voor de slacht,
Maar de os, het schaapje en het duifje juist:
Ik bewillig slechts het zachte, vrome, niet de harde vuist!’

 

“Gij zult niet moorden”: vgl. het geven van de tien geboden: Exodus 20:13.
“Ik ben Abels God en Kaïn wil ik mijden”: Kaïn vermoordde Abel: Genesis 4:8.

 
 

163. Het ijzer

‘Hahaha, ben jij niet wijzer?’
Zegt tegen de smid het ijzer,
‘Jij tegen mij iets uitrichten?
Breken? Buigen? Denk maar niet dat ik voor jou zal zwichten!
Nee, man, je bent wat verward!
IJzer, moet je weten, is heel koppig! Ik ben hard!
Zo gauw heb je mij echt niet bedwongen!
Hé, de slimmerd maakt mij bang met rode tongen.
Kijk ze vlammen, knappen al uit alle macht!
En waar blijf je, blaasbalg? Kom en toon je kracht!
Duizend winden uit je buik:
Het vuur is buiten gebruik.
Alles uit, zonder erbarmen!’
En de blaasbalg danst en hij spuit uit zijn darmen
Wilde winden, zo naar hartelust,
En hij blust!
En de winden blazen, razen ondertussen,
Want zij willen blussen.
Nu worden de doden opgewekt
En de tongetjes tot tongen uitgestrekt!
Er ontstaat een vuurgericht
En dat springt de blaasbalg recht in zijn gezicht!

‘Zo, wat denk je wel?’ ‘Hitte is onze vader,’
Bromt de blaasbalg, roept de natte lap nu nader.

Die komt en begint te sproeien.
Maar het helpt niet. Erger kan het vuur niet loeien!
Moe de blaasbalg en het ijzer zacht als was.
‘Kom op, kerel! Pak de hamer! Smeed een as!’

Beste werker,
IJzer is wel hard, maar sterker
Is toch de vrije gedachte op den duur!
Jij bent blaasbalg en zij is het vuur!

 
 

164. Gods wonderen

Narigheid is er genoeg,
Met nog heel veel voor de boeg.
Zalmen heeft een paardje, daarop is hij trots.
Want dat paardje heeft iets vlots:
Het begrijpt je voor je “hu!” zegt
En het is een werkpaard waartegen je u zegt.
Het draagt en trekt alles van je gading,
Zelfs een wagen met een zware stenenlading.
Heb je het kunnen ontketenen,
Dan trekt het als een bezetene.
Heuvelop lijkt bij hem heuvelaf
En het gaat in draf
Langs een gat en door een poel
In een modderweg, recht naar het doel.
Omkeren? Dat komt bij hem niet voor:
Anders dan een rotknol gaat het altijd door.
’s Avonds na een zware rit
Gebeurt er vaak dit:
Zalmen komt van Hongerland,
Brengt zijn paard naar de stal aan de hand
En zegt: ‘Goedenacht! Moge een engeltje je storen
En je brengen haver, graan en koren:
Bij de priester is er nog genoeg…’
Op een keer heeft het paard weer een hongernachtje voor de boeg
En het wacht.
Wacht? Ja, op dat engeltje vannacht!
Zacht en rustig gaat de staldeur open:
Oude man komt binnenlopen,
Breedgeschouderd, sterk postuur met lange benen,
Hij bestijgt het paardje en ze zijn verdwenen!
En in grote vaart gaat het door berg en dal…
Meer zeg ik niet, maar in elk geval
Komen ze dan bij een poort,
Een poort van de stille soort,
En de oude man loopt door,
Fluistert iemand een zin in zijn oor
En die ander leidt het paardje naar een stal –
Nee, geen stal, eerder een zaal, een ruim geval.
Aan de volle troggen staan de paarden daar hun maag te vullen,
En ze kauwen en ze staan te smullen,
En ze hinniken spontaan,
Maar wat is het voor een stal waarin ze staan?
Iedereen is hier gelukkig en tevreden.
’t Is de Paardenhof van Eden!

En daar staat ook Zalmens paardje tussen de smulploegen
En denkt bij zichzelf: God zag mijn zwoegen
En het broodafval
Dat ik daar at bij reb Zalmen in de stal,
Daarom stuurde hij zijn engel al
En bracht me hierheen om rust te vinden
En te smullen met gelijkgezinden.
God vergeet zijn moede paardjes niet.
Zo denkt het paard. Weg is zijn verdriet! –

Engel en verlosser was zigeuner Jozjek – maar wacht even,
In de Bijbel staat geschreven:
“Maak het niet bekend in Gat!”
Houd het stil, dan weet je dat.

 

Geef de honden geen kans om te blaffen, wees op je qui-vive:
Eerst verschijnen engelen en dan zijn ’t opeens paardendieven!

“Maak het niet bekend in Gat!” Vgl. 2 Samuel 1:20.

 
 

165. De opstand der honden

Rabtsjik was heel stiekem bij de slagerij binnengeslopen
En probeerde met een stuk vlees weg te lopen.
En hij is al bij de voordeur hier,
Krijgt de slager hem in het vizier
En die leert hem op de wijs van “klits klets klandere”:
Lendenstukken zijn voor anderen!

Nu begint Rabtsjik te razen,
Mensen op straat komen zich verbazen.
‘Nou, die slagersbuik is veel te rond!
Lendenstuk geen eten voor een hond?
Wacht eens even:
Wie heeft jou de macht over het kalf gegeven,
Om het naar de slacht te leiden
En de klant met stukken te verblijden?!
Wie? Nou, wie? De koe heeft het gebaard,
En de aard
Heeft het grootgebracht, gevoed;
Ik heb het met open ogen, oren en met moed
Al die tijd beschermd, ik hield de wacht,
Verjoeg in de woeste bossen de gevaren van de nacht.
Toen lag jij daar zo doorspekt
In je zachte bedje uitgestrekt
Om te slapen als een os –
Op dat uur breken de wolven los!
Moet ik nu mijn speekselstroom bedwingen
En hongerig rond jouw hakblok springen?!
In mijn hondenmaag begint het al te gisten!’

En de horde hoort de hond al twisten
En komt in beweging snel,
Alsof ze zijn weggeslingerd uit de hel,
En ze keffen en ze blaffen: ‘Voorwaarts, honden!
Weg met slagers! Bijt ze in hun konten!
Hakblokken zijn vrij!
Voorwaarts! Al wie honger heeft die komt erbij!’

Plotseling vindt er een wonder plaats:
In de bende loopt een vreemde hond met praats!
Men vergeet het ding
Waar het eerst om ging
En de slager is vergeten:
Ze zijn op de vreemde hond gebeten,
Ze scheuren hem haast in stukken.
En hij worstelt, slaagt erin zich los te rukken
En rent weg halsoverkop!
Maar de bende achtervolgt hem snel en geeft hem klop!
Wat levert dit op?
O, de vreemde hond krijgt zijn verdiende loon!
En de slager? Die verdient nog meer door dit vertoon!

 

“De opstand der honden”: knipoog van de vertaler naar het filosofische boek “De opstand der horden” (1930) van José Ortega y Gasset.

 
 

166. Hermon

“Sjor-Habor”, moet dat voor u verklaard?
God, Hij zij gezegend, slaat hem met het zwaard
En zal hem ooit aan de tsaddikiem serveren
Op de dag dat Messias zal arriveren
(Lieve God, stuur hem gauw naar ons land,
Stuur hem toch, Uw ware afgezant!)
Maar voordat de sjofar van Messias ooit zal blazen
Moet de Sjor-Habor van duizend bergen grassen grazen
En nog altijd is hij hongerig en magertjes!
Op een dag stuurt Sjor-Habor de lopertjes, de jagertjes:
Krekel, sprinkhaan, doorntje, kever,
Naar iedere berg, die hem dan grassen levert.
En hij is de krekel bij de berg Hermon gaan leggen.
Wie en wat Hermon is, mag ik u niet zeggen.
Hermon (noem hem Sirion, Senir of Sion)
Is degeen die zegent de heuvels van Zion:
‘God heeft u welvaart en voorspoed toegedacht!’
Hij is van de hoge keten en van een voornaam geslacht.
Vindt u dat in orde, dat Sjor-Habor hem betalen laat?

Al bij dageraad,
Op zijn hoofd het keppeltje als sneeuw zo wit
Op zijn schouders de blauwe talliet waar een zilveren band in zit,
Wilde Hermon met gebed zijn God gaan eren
En zich als gewoonlijk concentreren,
Hoog, verheven, streng en hard –
Wordt hij door een krekeltje getart.
‘Hè?’ vraagt Hermon: dit moet irriteren!
‘U bent Hermon? Dat uw vrede als het gras zich mag vermeren!
Neemt u me niet kwalijk dat we storen,
En we gaan zo, maar tevoren
Vragen we een bijdrage aan gras.
Sjor–Habor stuurde ons pas.’

‘Hermon, zeg je?’ zegt de berg – hij speelt niet mee –
‘Ik heb geen idee.
Nee, die ken ik niet.
Sirion, zo heet ik. Vraag maar aan een Sidoniet!’

De bijdrage-vragertjes zijn schaamteloos en sterk,
Maar tegen een hoge berg is ’t gekkenwerk.
Sprinkhaan komt een jaar nadat krekel begon
En vordert zijn deel van Sirion.
Hem stuurt Hermon ook snel weg:
‘Kindertjes,’ zegt hij, ‘jullie hebben wel pech.
Naar wie zijn jullie gestuurd? Naar Sirion? Dus niet naar hier.
Ik ben Senir, ja, ik heet Senir.
Je gelooft me niet? Vraag het dan aan de Amorieten.
Sirion: belachelijk! Wie zei dat? Laat toch schieten!

Sprinkhaan gaat en kever komt naar Senir toe gevlogen:
‘Hij heet Sion! Senir is gelogen.
Dat staat toch in de Tora geschreven,
Ga maar gauw naar huis en leer dat even!’

Als hij dan gebrek krijgt aan een synoniem,
Denkt hij: ‘Huilen is toch legitiem?
Schaamte is toch flauw?’
Hermon barst in snikken uit, vergiet tranen als dauw;
‘Hoe kunnen ze de berg Hermon als een schaapje scheren?
Willen ze soms op de geestelijken teren?
Ongehoord! Getuigen zijn de bergen en de dalen!’
Wat denkt u? Ging Hermon met zijn gras betalen?
Dat God hem bescherme telkenmale!
Maar wat dan? De arme heuveltjes van Zion
Leverden een bijdrage voor Hermon, Sirion, Senir en Sion!
Die hebben ze kaalgeplukt,
Omdat de Sjor–Habor honger heeft en elk verzet mislukt!

 

Sjor-Habor: een mythologische os, die de tsaddikiem in het hiernamaals geserveerd zullen krijgen.
tsaddik, meervoud tsaddikiem: vrome, wijze man.
de sjofar van de Messias: de ramshoorn waarmee de Messias aangekondigd zal worden.
doorntje: sprinkhaanachtig insect.
Hermon: berg in de Golanhoogten.
Sirion: zo noemden de Sidonieten de berg Hermon.
Senir: zo noemden de Amorieten de berg Hermon.
Sion: andere bijbelse naam voor de berg Hermon.
keppeltje: mutsje gedragen door joodse mannen.
talliet: gebedsmantel.
Sidonieten: inwoners van de stad Sidon.
Amorieten: oud volk in het land van Kanaän.
Tora: de Hebreeuwse Bijbel.

 
 

167. De overwinning van de waarheid

Nee, de leugen heeft geen benen, en ze wordt gedragen;
Heeft de waarheid wel gezonde botten, mag ik vragen?
Lang geleden kroop ze op een hoge berg
En, heel erg,
Brak haar rug
En sedertdien loopt ze mank en niet zo vlug
Op twee ganzenpoten.
En ze hinkt en komt bij molens, lang gesloten,
Die vermalen tsjirp van krekels en ook piep van poort.
Daar treft ze een gaap van een bebrilde soort.
‘Goedenavond!’ ‘Hoe gaat het met u?’
(Het is schemering en de zon kamt haar rode haren nu
En besproeit zichzelf met rozenwater voor het slapengaan.)
‘Ga maar zitten. Blijf niet staan,’
Zegt de gaap. De waarheid neemt plaats op de drempel, naast haar metgezel,
En ze krabt en zoekt iets in haar grove vel…
‘A-a-a-a-a-a!’ gaapt de gaap,
‘Van dat illegale reizen heb ik slaap…
Ik heb twaalf weken gezworven,
Ik moest zijn op de vergadering van alle wolven.
Want u weet wel: die vergadering was pas.
Ze bespraken hoe de toestand van de schapen was.
Bij de armen valt Jom Kippoer tegenwoordig op Tisja Beav…
Ditmaal ging het spreken iedereen goed af,
En er ontstond duid’lijkheid.
Iedereen zei unaniem: er heerst veel narigheid,
Zoveel, dat je soms naar adem hapt.
Wie er nagels heeft, die krabt,
Wie een slachtmes heeft, die slacht.
En die droogte… Voor de schaapjes komt die onverwacht…
Liepen ze wat verder op het pad,
Verder van het dorp en van de stad,
Dan vonden ze wel een blaadje van een plant
En hadden voor hun gekrompen ziel een beetje proviand.
Maar er zijn herders en honden op de wereld! A-a-a!’
‘En hebben de wolven iets besloten, ja?’
‘Alle nagels worden afgeknipt,
Dit heel stipt,
Bij de vogels, ook de arend, als het nodig is…
Daarentegen scherpen wolven al hun nagels, dat ’s gewis.
Scherpen met de scherpste stenen
En met dode benen:
Als de zon moeten ze glimmen!
En als ze verblinden, dan door knippen even dimmen!’

‘Ongelooflijk! Nieuwe tijden!
Geef me purper, geef me lauwerkransen!
Dat ik dat nog mee mag maken, dat wil ik helpen verbreiden!’
Roept de “waarheid” en begint op ganzenpootjes vlot te dansen.

 

Jom Kippoer: Grote Verzoendag, waarop de gelovigen in het reine komen met God en hun medemensen.
Tisja Beav: dag van rouw, onder andere om de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem.

 
 

168. De overdrijving

Vreemd verhaaltje: over graven welgeteld
En over het veld
Springt een held.
Zestig ruiters, grote heren,
Jagen op hem, werpen speren,
Maar ze raken hem niet, deze snuiter.
Roept een ruiter
En een reus brult rood:
‘Hij moet dood
Of in boeien opgebracht!’
Maar de held die lacht.
Over alle reuzen heen
Bliksemt hij als geen
En springt op de punt meteen
Van een aar van ’t hoge koren,
En vandaar weer op de horen
Van een geit – reb Jossi liet nog van zich horen:
‘Is de held sterk, hoe sterk zijn dan niet de aar
En de horen van het geitje daar?’
Daar zat onze held niet lang, als ik me niet bedrieg,
Hij is immers van de zoemers en zijn naam is vlieg.

Wat is de moraal van dit verhaal?
Waar domheid regeert, zul je aan trots niets hebben:
Chelm verover je niet met het staal,
Maar met een midrasj vol spinnenwebben!

 

Chelm: Poolse stad. In de joodse folklore een stad van gekken.
midrasj: interpretatie van een bijbelse tekst.

 
 

169. De berg en de rivier

Diep gehuld in dromerige nevelen
Staan de bergen maar te prevelen
En ze denken: wat is ruimte? Wat is tijd?
En de hemel? De wereld in haar volledigheid?
Aan hun voeten, vlak en met veel zwier,
Over gaten, over stenen, loopt murmelend een rivier.
Tegen hem zegt een benepen berg
(Hij krijgt hoofdpijn van al dat gemurmel en het stoort hem erg!):
‘Blijf toch staan, jij! Luister toch!
Wat een haast! Wordt er op je gewacht? En wat dan nog!
Alle vragen zijn toch al beantwoord? Waarheen? Waarvandaan?
Kan de wereld eigenlijk bestaan?
Sta stil! Waarom stroom je? Niemand jaagt je, hoor!’
‘Erger: ik ontvlucht mezelf!’ zegt de rivier en stroomt dan door.

 
 

170. De koe in de Karpaten

Bukovina: een gebied
Met een bergachtig en groen verschiet,
Een gebergte als een ruwe kracht,
Door God bij de schepping nog niet ingebracht.
Waarom? Om naar iets te kunnen staren.
Of het is nog anders te verklaren?
Toen de aarde jonger was, verhief ze haar gedachten
Hoog en trots, zoals je bij de jeugd nog kunt verwachten.
Later, als gebruikelijk, kwam er een kentering;
Godzijdank bleef er wel een herinnering!
Dat zijn de Karpaten.
En het uitzicht daar brengt je in alle staten!
Je denkt niet aan drukte, zaken en bureaus
En je bent er sprakeloos.

–––

De koe komt naar huis en zegt dan plompverloren
Tot de hond: ‘Zeg, moet je horen!
Raad eens waar ik vandaag ben geweest? In de Karpaten!’
‘Leugens! Jouw vader kon ook zo praten.
Dat was ook een leugenaar.’
‘Naar de duivel maar
Met je moeder en jezelf en ook je tante!
Ik ben daar geweest! Denk je dat ik niet goed bij mijn verstand ben?
Moeizaam opgeklommen, bloed begon te koken,
Twee keren gestruikeld, poten haast gebroken.’
‘En wat deed je toen je daar was uitgesjouwd?’
‘O, niets,’ zegt de koe, ‘ik heb wat gras gekauwd.’

 
 

171. De kameel en de ezel

Denkers zijn verguld
Met hun dikke bult.
En het werd avond en het werd morgen –
De kameel zegt: ‘Goedemorgen’
Tot de ezel en: ‘Jij domoor weet niet veel,
Maar ik ben echt geen kameel;
Ik ben, snap je wel, een echte filosoof.
Kijk, het zit hem in de bult – God zij geloofd:
Die bezit ik al!
Maar bij Mendelssohn en Aesopus was dat niet het geval.
Naar de hemel vliegt de kop.
In de dunne poten zit ook veel spiritualiteit: let op!
Dat is de filosofie toch: een verstrooide wolk,
Ronddraaiend als in een kolk,
En je ziet hem in de hemel bij zonsondergang,
Waar hij zweeft, dromerig in zijn ommegang,
Zoekend naar zijn “ik”.
Dan komt er een ogenblik
Dat de maan wat nader glijdt
En die zegt: ‘Verdwijn in de oneindigheid,
Daar zul je je “ik” wel vinden!’
Daarheen vliegt hij als een hinde,
Overnacht daar uitgestrekt
Tot de eerste straal hem wekt.
Dan pas ligt hij hier weer in de stal.
Op de muur wordt de straal een vlammetje al,
Met de ezel praat nu de kameel,
En de ezel vraagt hem veel.
‘Ik ben filosoof, dat zei ik je toch al?’
‘Filosoof? Dat dacht ik wel, op mijn manier –
Dus een denkend dier.
Ik begrijp het en ik geloof
Dat ik ook een dier ben… En dus ook een filosoof!’

 

“Het werd avond en het werd morgen”: met deze formule sluit elke scheppingsdag in Genesis 1.
Moses Mendelssohn (18e eeuw): beroemd joods filosoof. Hij had een bochel.
Aesopus (6e eeuw voor de jaartelling): Grieks fabeldichter. Volgens de overlevering had ook hij een bochel.

 
 

172. Onbetrouwbare geluiden

Wa – waa – waar… blaat een schaap alleen maar;
Niemand mag zich ontpoppen als leugenaar.
Ongeschikt als jokkebrok
Is een klok.
Wij kunnen ze niet meer duiden,
Al zijn onbetrouwbare geluiden.
Die slaan nergens op,
En wij weten al: het is een flop,
Wat Frans Jozef slaat, die goede oude keizer
(Ja, “Frans Jozef”, want een snorrenhelft is elke wijzer.)
Midden in de lange winternacht
Wordt de kleine Mirele niet bij haar moeders bed verwacht:
Uitgeslapen wil ze mama vragen wat die toch beduiden,
Van Frans Jozef plotseling die telegramgeluiden.

‘Stil, kind! Wat die oude tikt dat wil ik horen!’
Zegt haar moedertje, ‘even niet storen!’
En zijn laatste uur slaat daar.
Het kind zegt: ‘Hij is een leugenaar!’
‘Nee, je snapt het niet, mijn kind. Ik ken hem goed
En weet alles wat hij doet,
De minuten die hij heeft misdaan –
Moge hij gezond gaan slaan!
Ik vind het niet erg: al heeft hij ergernis gewekt,
Ik heb daardoor de waarheid ontdekt!’

 
 

173. Het leven

Luister naar het mes
En zijn wijze les!
Het snijdt als autoriteit, als laatste commentator,
Over ’t leven zegt het, als ernstige prater:
”t Leven is als een stuk deeg en snijden is mijn vak.
Plak na plak… En plak na plak…
Tsjak, tsjak, tsjak, snijd ik het weg,
Tot ik zeg:
“Nu is ’t puik!”
Dan gooi ik die groep
In de soep
En vandaaruit in de buik –
En dan lacht de buik met een schuin oog
Naar de zon en regenboog.

“Waarom lach je, buik?” vraagt dan het leven.
“Waarom denk jij?” vraagt de buik dan even.

“O, niks, kijk ik in mijn spiegelnagel,
Zie ik dansen bliksem, hagel,
Sterren dansen in de rondte en zijn olijk
En heel vrolijk.
Ik vergeet mezelf dan dagen!”

“Zo! En ik maar denken dat je aan mij dacht en aan mijn groene haar…
Dat je om mij baadde in de ochtendlijke baar…
Eerst… Uiteindelijk… Verstand zie je hier nergens blinken!
Kraaien krassen, klokken klinken!”
Nee, het leven heeft geen doel, geen zin, en is alleen maar raar!

 
 

174. Recht is ver te zoeken

Op een kwaad momentje
(Nee, eerder gelukkig, volgens Sjeintje)
Is het deurtje van het kooitje dichtgeklapt
En het muisje niet ontsnapt.
De kat komt met zachte stap,
Geeft met nageltjes een krab
En ze roept: ‘Miauw! Miauw!
Dit loopt heel erg uit de klauw!
Recht is ver te zoeken!
Zit een muisje
In een huisje,
Hoeft niet meer te zoeken,
Alles te kust en te keur,
En de arme kat
Die staat voor de deur!’

 
 

175. Op de cimbaal

Gaat de muzikant naar huis,
Springt op de cimbaal de muis.
Springt de muis op de cimbaal,
Spreekt de cimbaal klare taal:
‘Bimbel, cimbel, cimbel, bimbel,
Nee, dat is niet simpel,
Dans maar, liefje,
Hartediefje!
Jij de fabel, ik de illustratie
‘k Dacht aan jouw creatie,
Toen ik huilde pas
Voor de bas
En vertelde een verhaaltje
Met een staaltje
Van prinses Cimbaaltje,
Die ging zitten in een vat
Bij een verre stad.’
‘Nee, geen vat en ook geen stad, maar een paleis,
Na een verre reis,’
Corrigeert de muis, gebarend met haar poot.
‘Neem me niet kwalijk! Het jaar is groot,
Het hoofd klein! Een les…
Dans, prinses!
Ik zal zonder klagen
Alles van je voet verdragen:
Op mijn hart tienduizend slagen!’

En het muisje niest
En verkiest
Te gaan dansen op de snaren.

Danst een muis dan wel op snaren?
Het bevalt!
Maar ze valt:
Twee pootjes die gaan rechtuit,
Eén pootje gaat onderuit.
‘Dronk je soms wat te veel wijn?
Of vond je een bierbad fijn?’
Dat veronderstelt de cimbaal. ‘God behoede!
Tril je?’ Even heeft hij een vermoeden
Dat hij het geluk gevonden heeft,
En hij schrikt er zo van, dat hij beeft…
‘Maar wat maak ik me toch druk?
Vandaag zijn we dronken van geluk.
Dans maar vlug en dans maar fijn,
Al zijn je schoentjes te klein.
Of het niets is
Danst zij op haar spitzen
En maar draaien, keer op keer.

Wat? Ben je gevallen? Weer?
Zevenmaal gevallen,
Opgestaan steeds na het vallen.
Zit je lip onder het bloed?
Dat komt wel weer goed,
Dat is vóór de bruiloft heel…’
En het muisje danst nog veel,
Alhoewel haar pootje niet meer gaat
En het leven haar verlaat.
Het duurt nog enkele ogenblikken,
Maar dat mag je aan niemand verklikken!

 

“Zevenmaal gevallen”: “Een rechtvaardige komt zevenmaal ten val, maar telkens staat hij op.” Spreuken 24:16.

 
 

176. Justine

Ergens woonde bij haar vader, geen rijk man,
Een mooi meisje met de naam Justine, nog niet aan de man.
Haar naam duidde op rechtvaardigheid.
Huwelijkskandidaten zwermden om haar heen de hele tijd
Als om honing,
Gaven haar attenties als een koning een beloning:
De een gaf een kushand en zei dan “Tot horens”,
De ander beloofde de koe met de gouden horens.
Daarna zag je steeds weer dezelfde stramienen:
Niemand keek meer om naar die Justine…
Waarom? Ze had één jurk en één hemd,
Daardoor voelden al die mannen zich geremd
En – rechtvaardigheid! – gunden een ander ook iets, heel correct.
Toch kreeg ze een bruidegom. Waar was die dan ontdekt?
Niemand wordt immers door God vergeten
En er zijn geen oude vrijsters, thuis gezeten
Als het weggerolde beste appeltje, dat niemand ziet.
Dat is nooit het einde van het lied.
En daar komt de duivel, die zegt scherp, kortaf:
‘Zeg, Justine, ik heb een vrouw nodig voor mijn staf,
Mijn huishouden… En ik zeg je al:
Blijf bij mij… Of ik beval
Weet ik niet,
Dat is iets wat je vanzelf wel ziet.’
En zo ging de duivel zich met Justine verloven
En werd zijn huishouden op haar schoudertjes geschoven.

Ze wordt ongelukkig en een schim van wie ze was.
Als de duivel thuiskomt is het schoon en nergens ligt meer as.
Hij kwijnt weg en draait zijn snor als een rijk man,
En hij zegt: ‘Wat is het schoon, helemaal volgens plan!
O, Justine, vrouw, jij bent de enige op wie ik spuwen kan!’

 
 

177. Rechtbank

Met een schaapje op zijn schouders en zijn stok al in de hand
Loopt de slager door het bos. Niet om te wand’len op het land.
Wat, voert hij niets uit? Is hij onthecht?
Nee, hij moest verschijnen voor het rabbinaal gerecht
In de zaak tegen de hond:
‘Ja, de hond maakte het wel heel bont
Met dat zwijggeld, ’t was niet in de haak,
Maar God zeeg’ne hem. Dat is zijn zaak.
Hij rooft koosjer vlees zo zonder straf
Van het hakblok af.
Dat is niet meer te verdragen. Het is fout!
Bij mij, ook al werk ik koosjer, nog een achterbout,
Gister bij een ander een heel vleespakket.
En daarvoor een heel stuk vet.
Wat? U gelooft het niet? Ik roep het van de daken!
Want wie hoort er over ons te waken?
Waf, waf, waf! Een boze heer!
Die pakt nog een lendenstukje meer!
Ja, een echte waakhond! Toen ooit die vandalen
Bij de buren de winkel leeg kwamen halen,
Blafte hij niet en ze konden rustig kapen:
Hij had zich ergens verstopt en lag te slapen
Of hij likte een hem toegeworpen botje af.
Is dat goed? Hij heeft veel straf verdiend, veel straf.
Misschien wordt hij streng beboet!’
Reb Nisn weet hoe het moet
En hij is verbaal een goede vechter.
En de uitspraak doet reb vosje (hij is in het bos de rechter,
De verdediger, reb wolf, moet de beklaagde assisteren,
Verder zitten er in bontjassen twee notabele beren).
En de rechter moet vermanen:
‘Onrecht begint steeds met vreugde en eindigt met tranen.
Voor een misdaad ongehoord
Past slechts wurging, vuur en moord.
Streng het vonnis als de aanblik van des konings hoofd.
(Zijn tand zij gezegend en zijn nagels zijn geloofd!)
Nu, reb slager, u kunt gaan,
U betaalt de proceskosten achteraan!’
(En de rechter wenkt al met zijn ogen.)
Het geld wordt dan overhandigd en er wordt gebogen
Door reb Nisn en die gaat naar huis. Daar krijgt hij vele vragen:
‘Is er nieuws?’ ‘Veel kans van slagen!’
‘Wees niet bang. Die hond zal het bij mij bezuren!’
Eén maand gaat voorbij, twee maanden: het gaat even duren.
Komt er niets?
Nee, niemand hoort of ziet iets.
En reb Nisn neemt contact op met deze en gene:
Een belofte van het monster halfformaatjeweggeweken
(Dat kan bij de wolf een potje breken!)
Van de beer ook een goed teken,
Tot omstreeks de Pesachtijd –
Nee, ik ben het even kwijt:
In de maand Ijar of pas Siwan
Weet hij er het fijne van:
Naar alle waarschijnlijkheid
Heeft geen opzet, God verhoede, de hond tot zijn daad verleid,
En daar het een ongeluk is, zogezegd,
Wordt een “mi-sjepara” opgelegd.
Een erg lichte straf! De slager is in zijn trots aangetast
En hij reageert dan ook gepast.
Hij betaalt een hoge prijs
Voor getuigen en stapels bewijs
Dat de hond niet deugde: van geen kanten.
Geen reactie. Wel verschenen de verwanten,
En die zijn heel kwaad! Er komt een eis
Naar nog meer bewijs
En op hun verzoek
Naar alle getuigen en de hele zaak meer onderzoek
(Niet op ieders woorden kun je immers bouwen.)
En dan, in de maand Av, om het kort te houden,
Komt bericht: er ontbreekt nog een document, zo is gebleken,
Als bewijs dat het dier koosjer was, zonder gebreken.
Maar hij raakt nog niet van de wijs
En hij zoekt naar nieuw bewijs.
De rabbijn die levert hem dan dit
Zwart op wit,
Alles van de slager, van alef tot tav,
Daar gaat niets van af,
‘t Is volkomen waar.
En het vlees is koosjer, zonder één gebrek.
Honden die niets krijgen die gaan blaffen als een gek!
En reb Wolfje zet nu droogjes
De bril voor zijn groene oogjes
En bekijkt het document. ‘Stil! Het is niet volgens de regel:
Zoals bekend moet het zegel
Niet als vierkant, maar als cirkel zijn getekend.
En de wet eist dat de slager het ook ondertekent.’
Daar heeft de slager geen moeite mee.
Denkt u dat het klaar is? Nee!
Want over de slager zelf komen nu vragen:
Hij moet een getuigenis aandragen
Over hem en zijn voorvaderen
Om de zaak verantwoord te benaderen.
Zo ontstaan er telkens meer problemen
En men moet het onderzoek hernemen;
De naïeve slager
Doet zijn best en jaagt en rent zich mager.
Hij voelt alles als een straf
En wordt haast bevorderd tot de bedelstaf,
Want zoals u weet: iedere stap kost geld.
Hij wordt eindeloos gekweld
En nu spuwt hij, onze held
En dan zweert hij bij de tefilien:
Wat de honden vreten, moeten ze maar zien,
Of treife of koosjer. Hij zal van zijn levensdagen
Niet het bos meer ingaan om te klagen!

 

Ijar, Siwan, Av: achtereenvolgende maanden van het joodse jaar.
achterbout: wordt niet beschouwd als koosjer vlees.
mi-sjepara: een vervloeking voor iemand die zich niet houdt aan een afspraak.
van alef tot tav: van de eerste tot de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet.
tefilien: gebedsriemen.
koosjer: ritueel geschikt.
treife: ritueel ongeschikt.

 
 

178. De zoeker naar recht

In het vrije veld knaagt een hond een karkas
Dat eerlijk verkregen was –
Ja, het is van hem, dat moet u weten.
Maar als God hem een vet stuk laat eten,
Laat hij ook een tweede en een derde eter komen –
En opeens beginnen gasten toe te stromen,
Die echt niet gaan wachten op het drankje,
Maar aanvallen zonder een bedankje.
Want ze komen vreten om te leven.
Ben ik nu weer aan de beurt? Ik wacht maar even.
Niemand hoeft hier – afkloppen! – honger te lijden, zeker weten.
Zo vormt zich een kring. Stil! Want ieder is druk bezig met eten.

Dan komt er heel hinderlijk reb Bello bij
En duwt anderen opzij:
‘Jullie waren eerder bij het vlees, ik ben wat later,
Maar niet minder! Denk je soms: dat is een kater?
Ik ben ook een hond en mag dus meevergaderen.
Ik wil hier mijn deel, en mijn voorvaderen
Blaften ook niet tegen joden in Egypte.
Laat me dan tenminste wat jullie ontglipte,
Om me iets tegen de honger te verschaffen!’
En ze laten hem erbij, dan hoeft geen hond te blaffen.
Laat anderen dat maar doen! Voorlopig kan hij vreten! –
Dat moment komt Rover aan. Reb Bello blaft verbeten:
‘Schiet op, schooier! Bedelaars kunnen wij hier niet lijen!
Ga maar naar de slagers, naar de slagerijen!
Hier is niets meer. Wie te laat komt, die heeft pech!’

Hier wordt recht gezocht, met haast en in het wilde weg.
Ben je eenmaal bij de schotel, gaat het zonder overleg!

 
 

179. De hoofdzaak

Neem nu maar aan dat ik niet lieg:
Er nieste ergens in het bos een vlieg,
Heel lang geleden. Nou, gezondheid dus!
Dat hoorde in het bos ook de fanaticus,
De koekoek, waarna hem ontglipte:
‘Koekoek! De plagen van Egypte!
’t Gaat naar de gallemiezen!
Wie heeft er ooit gehoord dat vliegen niezen?
Dat riekt naar opstand onder dieren, hoor!’ –
Daarop stopt hij een krekel in de leeuw zijn oor.
Er rolt een donder door de eiken, je hoort hem van verre,
Als honderdduizend erren:
‘Rrrotzakken! Ik gooi jullie vlees nog voor de honden!
En de slagaders worden dan levend verslonden!’

Een ramp stroomt uit over het bos! Een dode zee!
De dieren kiezen in het donker nu een afgevaardigde in spe,
Die bij de koning voor hen pleiten kan.
Wie dan? Wie dan?
‘De nachtegaal!’ klinkt het uit vele bekken.
‘Hij is uniek, kan preken en ook tranen trekken,
Kan wekken
Met al die trillers heel die overvloed, dat milde
’s Nachts in de wildewoudenstilte!’
Een ander
En nog een ander roept: ‘De salamander!
Dat is een dier vol vuur met lichte en gloeiende ogen!’
‘De salamander? Nee, die kunnen wij echt niet gedogen!
Te jong nog en te driftig!’
‘De vos moet gaan! Die is heel slim en giftig!
Zijn tong is zowel scherp als glad,
Hij spreekt iedereen aan: de grootste boom, het kleinste blad;
Een woord, een voorbeeld van een wijze klinkt door in zijn stem,
En ieder knikt ja tegen hem!’
‘Mijn mening is,’ balkt nu de ezel,
‘Ik voel in elke vezel
Dat onze vos een zwakke advocaat zal zijn!’
‘O, ja? Wie wil je dan?’ ‘Het zwijn!’
‘Het varken? Wat dacht je daarvan voor dieps of slims te horen?’
‘Hij heeft een buik! En de hoofdzaak: twee lange oren!’

 
 

180. Bij de leeuw op het banket

Wat? Je wilt een fabel? Waarom niet? Hier komt hij dan:
De leeuw had een keer een vrolijk plan
En richtte een groot banket aan – wie ooit is geweest
Bij die koning Ahasverus op het feest,
Die heeft zo’n banket daar kunnen zien.
En de leeuw zei: ‘Haute cuisine!
Ja, dit is een vorstelijk banket!’
’t Is alsof de hemelpoort daar open werd gezet!
’t Is niet weer te geven in verhalen!
Schalen
Zijn er vol met mirte en met kruiden
En je hoort blije geluiden
Van tevreden dieren;
Wat je wenst brengen de hertjes om je te plezieren:
Geef een kik en je kunt schransen,
En grappige aapjes dansen,
Rode sinaasappels in hun handen,
Veel plezier voor alle standen.

Maar het varken zit daar aan de kant, dik ingepakt,
Het knort maar en gromt en zijn gezicht verstrakt.
‘Meneer varken, u bent wel uit uw humeur,’
Zegt reb vos, ‘ik snap het: u bevalt de geur
Van de kruiden op de schaal niet!’
‘Helemaal niet!’
‘Wat dan? Smaakt het banket u totaal niet?
Of is er te weinig toch?’
‘Wat dan nog?
In vertrouwen zeg ik u, meneer vos, het zit zo:
Het gezelschap hier heeft een te laag niveau!’
‘Ja, u hebt gelijk,’ antwoordt het vosje, ‘het zou beter zijn
Als dit een banket was zonder zwijn!’

 
 

181. Het slachtoffer

De leeuw vindt zichzelf als zanger nog completer
Dan de nachtegaal, misschien zelfs beter;
Zijn stem klinkt als hoorngeschal
Door de bergen en het dal.
Ach, en als hij voor het nachtgebed
Heel die muil weer openzet.
Hoor hem in falset de vele
trillertjes en loopjes kwelen.
Wat gebeurt er? Intimi
Klappen dan in euforie,
En ze roepen dat het knap is,
Zo van: ‘Tasjrak! Tsapes!’
(Dat betekent dan “bravo”!)
De pauw geeft hem bloemen na de show,
En een zwerm van kraaien vliegt luidruchtig op: ‘Kra, kra!’
(Dat is zoiets als bij ons “hoera!”)

Ondertussen klinkt er ook een “boe!” heel kort,
Of de zon opeens verduisterd wordt;
’t Is de os uit het Talmoed-traktaat,
Die zich zomaar horen laat.
’t Is geen boze opzet, eerder enthousiasme van een rund,
Een psalmvers in boe-boe-taal, wat je verwachten kunt.
Maar je voelt de boosheid groeien,
Wolven, beren huilen, loeien:
‘Wat een chotspe en een schande
Om de leeuw zo af te branden!’
In een oogwenk is de os gekeeld
En daar ligt hij al, gevierendeeld.
Toch heeft hij zich nu een naam verworven:
Hij is voor de waarheid, zeggen ze, gestorven.

 

“Tasjrak”: kunstige constructie op het alfabet in omgekeerde volgorde.
“De os uit het Talmoed-traktaat”: Talmoed Baba Kama 36a behandelt de vergoeding van schade die aangericht is door een os.

 
 

182. Vrede

Op de draden
Van de telegraaf daar danst de satan
En met zeven lange tongen
Wordt er door hem aangedrongen:
‘Palen aller landen, op! Verenigt u!
Reinig je isolatoren nu!
Reinig ze en luister goed:
Ik dompelde een vinger in moeder aardes bloed
En op alle torens in de steden
Schilder ik mijn oproep: vrede!
Vrede aan de naasten en de aarde, aan de bergen en de dalen!’

Maar kijk wat de vogels daar boven uithalen
Met hun drukte en bedrijvigheid!
Hier nagels gescherpt, daar snavels voorbereid,
Adelaars die pikken rots en raven pikken steen!
De kraai kreeg de waarheid van de toverkol alleen
En de toverkol die kreeg haar van de raaf
En de raaf die kreeg haar van de deegrol, dik en gaaf,
Die het katje van het geitje heeft geslagen,
En de deegrol van het blokje, vele lagen
Diep begraven in de weide:
Als satan oproept tot vrede, is oorlog niet te vermijden!

 

“geitje”: uit “Chad-gadja”, een stapellied dat onderdeel is van het seder-ritueel. In iedere strofe slaat of eet een dier of ding een ander dier of ding, waarna de zaak omgekeerd wordt en iedereen achtereenvolgens tot leven komt. Volgens sommigen stelt dit het lot van het joodse volk temidden van andere volken voor.

 
 

183. Op een onbewaakt moment

‘Dag, reb Haas, wat hebt u haast!
Waarom zo voorbijgeraasd?’
‘Hebt u ’t niet gehoord? Het is heel pijnlijk!
Want men zegt: het is waarschijnlijk
Zo’n bevel van hogerhand jongstleden:
Alle vossen wordt de staart nu afgesneden!’
‘O, dat is niet best. Maar waarvoor bent u bang?’
‘Vraag je dat nog? Nou, ik ken die lui allang!
Voor je er attent op bent,
Op een onbewaakt moment,
Voor je klaar en duidelijk bewijst,
Zoals de wet eist,
Wie en wat je bent –
Tegenover engelen ben ik prudent!
Ik ben echt geen vos! Met mijn getuigen is ’t bewijs riskant en mager:
Sjikse van de priester en het hondje van de jager –
Even kijken of mijn staart er nog hangt aan het end!’

‘Op de waarheid nu een nies, een hele grote!
En het beste! God geve u poten!’

 

sjikse: niet-joods meisje of vrouw.

 
 

184. Het probleem van een blok hout

‘Weet je, werken voor twee mensen is echt zwaar,
Want de een trekt hier, de ander daar.
O, ik word haast doorgesneden!’
Zegt de zaag tevreden,
Onverflauwd.
Terwijl het blok hout
Schreeuwt en schreit:
‘Help me! Au! Het steekt, het snijdt!
Laat die mensen hun onenigheid,
Die moet hierheen, die moet daarheen.
En ik? Waarheen?
Kijk wat in het midden nu gebeurt:
Zij ruziën en ik word verscheurd!’

 
 

185. Mazzel en Sjlimazzel

Mazzel kwam Sjlimazzel een keer ergens tegen.
Waar en wanneer? Bij de straatarme reb Spier,
De negende Av; buiten viel regen
En het vasten was licht, een plezier.
Of was ‘t bij een dichter, na zijn dood, op de begrafenis?
Maakt het uit waar? Misschien heb ik het hier mis.
Voor de fabel is dit wel genoeg: het leek
Of Mazzel Sjlimazzel erg jaloers bekeek
En ook op zijn lippen beet, heel bleek.

‘Wat is er met jou?’ zegt Sjlimazzel verwonderd.
‘Wat zie jij in mij? Wel honderd
Duivels spiegelen zich elk
In mij, wassen zich in zure melk.
In het duister brul ik tot mijn schande:
Mogen mijn vleugels verdorren, branden!
Ik ben schuldig! Ik ben zondig! En voor wie?
Ik beschaam de Wijsheid, zoals ik het zie!
Want ik laat haar gal spuwen of bloed!
En ik laat haar door de straat marcheren
Helemaal bedekt met pek en veren
Onder slagen van de knoet!’

‘Maar denk je,’ zegt Mazzel, ‘dat ik niet kan grienen?
Het is toch mijn lot de Dwaasheid te bedienen?
Op een dorre grond iets laten groeien!
En een doornstaf laten bloeien,
Als verwelkt de bloemenhulde!
Of een lege dop vergulden,
De schaal van een ei dat al gemorst was
Maken tot een steentje van de borsttas!
Maar wacht: ik heb een idee!’ ‘Wat voor idee?’
‘Wij ruilen van plaats, wij twee.
Geef je hand!
Want een overeenkomst tussen engelen is wel bestand
Tegen spot. Maar Hij, de Ene,
Zal met tegenzin Zijn gunst verlenen.’

‘O nee,’ zegt Sjlimazzel, ‘achteruit!
Daag Sjlimazzel alsjeblieft niet uit!
Banden aanknopen met gekken? Ja, ik kijk wel uit!
Mijn wegen zijn door God zelf gegeven!’
En Sjlimazzel is tot op vandaag bij de Wijsheid gebleven.

 

“doornstaf”: de staf van Aäron. Zie Numeri 17:23.
“de negende Av”: de negende van de maand Av, een rouwdag.
“mazzel en sjlimazzel”: “geluk” en “ongeluk/pechvogel”.
“borsttas”: tas bezet met edelstenen, gedragen door Aäron als priester. Zie Exodus 28.

 
 

186. Het arme ding

Salomo Ibn Gabirol
Schrijft met een gouden gedichtje een wit blaadje vol
(Hij rijgt parels aan een snoer!)
En het blaadje zou blij moeten zijn met deze toer!
Nee, het klaagt over de pen:
‘Die dronkaard met zijn geren!
Is het kroegje even open,
Vliegt hij daar weer heen, laat zich vollopen
En vlucht weer naar mij toe, laveloos.
Ik heb nu de pest in: vroeger was ik vlekkeloos,
Ik weerspiegelde mijn glans in ogen,
En kijk nu eens: hij heeft me bespogen!
Brrr!
Ik kan hem wegjagen, maar dat is niet mijn natuur.
Spraken goede mensen zich maar uit
Over het gedrag van die schavuit!’

‘Klaar! Uitstekend!’
Roept Ibn Gabirol, hij ondertekent,
Vouwt dan dubbel en verzegelt en verzendt
Het gedicht naar zijn vriend Ibn Sjaproet, de naarstige student
(die altijd woorden als edelstenen pikt.)
Alsof Ibn Sjaproet zich met druiven in de woestijn verkwikt,
Zo vol enthousiasme bukt
Hij en drukt
Aan zijn hart het kind van Ibn Gabirols pen.
‘Kijk,’ ritselt het blaadje, ‘hij drukt mij al aan zijn hart,
Ik beval, al ben ik zwart!
Hij kust mij zelfs en
Wat als ik als vroeger wit geweest was en niet zwart?!’

 

Dit gedicht gaat over Salomo ibn Gabirol (ca. 1021-1058). Als Sjteinbarg doelt op Chasdai ibn Sjaproet (915-970), is dat een dichterlijke vrijheid, want deze dichters waren geen tijdgenoten.
“Ik beval, al ben ik zwart!” mogelijk een toespeling op Hooglied 1:5-6: “donker ben ik, en mooi, . . . Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben.”

 
 

187. De kraai en de kanarie

Onderzoekers zoeken naar een reden.
Ik zeg: dat is larie,
De kraai is jaloers op de kanarie.
Hij is woedend, ontevreden,
In zijn kuif gepikt,
Dat die met zijn trillers telkens in zijn kopje prikt.
‘Zo’n specht krijgt het krassen niet onder de knie,
Hij zingt ook te monotoon. En dan: voor wie?
Wie wil die treurige herrie horen?
Ongeluksvogel, het is genoeg! Je giet lood in mijn oren!
Heb toch meelij en stop dat lawaai!’
Roept de kraai.
En hij krast en kankert net zo lang
Tot kanarietje gaat denken over zijn gezang,
Want iedereen weet: de kraai is een profeet en wijs daarbij.
Wie heeft er zoveel verstand van zang als hij?
Als het eens waar was?
Doet een triller onder voor gekras?
Ik heb vast te lang al zitten kwinkeleren.
Is krassen niet beter? Laat ik het proberen.
Hij probeert het in zijn keel eerst links, dan rechts, zolang het duurt.
Maar het voelt alsof zijn tong ruw wordt geschuurd.
Alle vogeltjes rondom hem stikken van de lach.
De kraai gaat niet overstag
En zegt dat hij er plezier in schepte:
‘Kindertjes, dat mag niet, lach toch niet om een gehandicapte!
Straatjongens maken zo’n gekkigheid!
Niemand is immuun voor narigheid!
Kras maar, word maar muzikaal volwassen,
Dan wordt zuiverder je krassen
In de leer!
Krassen is natuurlijk wel iets meer
Dan een graantje pikken!
Eerst zit je er wel wat tegenaan te hikken,
Maar je moet bedenken: na het zuur komt straks het zoet!
En het klinkt al goed!
Hoor eens wat hij doet met het octaaf,
Nog wat onbeheerst, maar verder gaaf.
Ja, hij krast straks alles bij elkaar,
Ja, ja, ja, geloof me maar…’
De kanarie voelt zichzelf boven zichzelf uitrijzen
En hoe meer hij zich uitslooft, hoe meer de kraai bereid is hem te prijzen.

 
 

188. De kenner

Ja, reb Orang-oetang
Is al ik weet niet hoe lang
Van het hele bos het pronkjuweel.
Hij kent de geheimen en doorziet heel veel,
Hij begrijpt het minste boomgeruis,
Is ook in het roepen van de oude koekoek thuis,
Lost raadsels op in een oogopslag.
– – Het geschiedde op die dag,
Dat hij ging verhalen
Over hoge bergen, diepe dalen,
Opwellende tranenstromen,
En grafstenen, eenzame crucifixbomen,
Naar het woord van God geplaatst aan de weg in het lover,
En ook over
Vreugde,
Die zich stil verheugde
Met knagende treurigheid.

‘Wat vindt u ervan?’ wil het paard aan de stier toch even kwijt.
‘Wat ik vind? Tja, zonder dat ik lang uitweid,
Kan ik hier volstaan met één woord: zwak!
Dat wil zeggen… Ik bedoel… Zoals hij hier nu sprak!
Hij spreekt goed, echt zonder teuten,
Maar toch niet voor ons – wel voor de meute!’

 
 

189. Het viooltje, de bas en de bekkens

Het viooltje werd een keer gevraagd
Waarom toch die Boem-Tsjing-Tsjing
Niet gering
Met zijn bekkens tekeerging.
‘Blijkbaar vindt hij jouw spel heel geslaagd,
Jouw viool is voor hem heel bijzonder
En de bas een wonder.
Maar die bromt alleen, hij gromt zelfs als een beest.
Als jij speelt dan is het
Voor het oor een feest –
Maar de bas die heeft op jou de pik!’
‘Vrijdenker ben ik,’
Antwoordt het viooltje, ‘en ik meen:
Geloven moet je in jezelf alleen…
Boem-Tsjing-Tsjing is voor mij geen autoriteit,
Maar de bas is wel erkend
Als een uiterst respectabel instrument;
Zolang als hij begeleidt,
Mag hij brommen. Laat hem! Maar ik lach
Niet zoals ik doe bij elke bekkenslag!’

 
 

190. Waarheid en leugen

‘Licht is toch
Eigenlijk gezichtsbedrog!’
Riepen al
De stukjes kristal,
Rond de olielamp gehangen
Als een stralenkrans van zangen –
‘Houd maar op, reb lamp, het schittert in je ogen.
Iedereen moet weten dat hij wordt bedrogen,
Want licht is onecht.
Dat moet van de lamp gezegd
En ook van de maan met al haar zonen,
Die zich aan de hemelen vertonen,
Spuw ze, kinderen, in hun gezicht:
Leugenachtig is altijd hun licht,
Allen spelen zij hun valse spel,
Want hun kleuren zijn illusie en niet naturel:
Jullie laten je misleiden!
Geloof je ’t niet? Luister naar ons, naar ingewijden.
Al wat jullie zien, daar gaat het om,
Is alleen maar een soort optelsom
En die noem je “licht”; zie je het nou?
Rood en groen en blauw.’
‘Ja, nu valt het ons ook op!
Alleen een domkop
Zegt nu nog hardop:
Wat de lamp schijnt in je ogen
Dat is licht, we worden niet bedrogen.
Wie heeft zo’n absurditeit toch ooit geloofd?’
En de mensen bogen ’t hoofd
Uit respect voor die gedachtegang
En de waarheidzeggers, maar niet lang.
Gauw besefte men met pijn
Dat het zo moest zijn:
Al dat valse licht is nodig
En niet overbodig:
Al die tijd nam men genoegen met de stralen-leugen
En voortdurend
Daarin turend
Kon men zich daarin verheugen,
In iedere hoek scheen licht, helder en veel.
Nu is ieder in zijn ogen groen en geel!

 
 

191. Mozes met muze

Mozes
Kraakt de hardste noot in grote doses
En stelt nooit teleur.
Zo pakt hij de notenkraker en wordt redacteur!
Zoiets als een boogschutter, een moedige kornuit:
Ongehoorde woorden in andere hoofden schiet hij,
Inkt als bloed vergiet hij
En werkt zijn verhalen met de pen dan uit.
(Mozes kan het als het moet!)
Eens, wanneer het was weet ik niet meer zo goed,
Op een schemeruur
Met een ster heel puur,
Zat Mozes aan tafel als gebruikelijk te krabbelen.
En onder de tafel lag de hond te knabbelen
Op een lekker stuk poulet.
Uit de schaduwen in de hoek tussen boekenkast en bed,
Wie duikt daar op als een maiskolf uit haar zeven hemdjes fijn?
Dat moet wel de muze zijn.
Naakt als Eva zonder vijgenblad,
Ook nog flirtend à la Lilith! Wat is dat?
Dat is mijn zaak niet, ik roddel niet,
Ik werk alleen aan een fabel, puur op literair gebied.
En zij flirt wat en hij aait haar minimaal,
Dan spreekt zij heldere taal:
‘Bleke dichters met versleten schoenen hebben voor mij afgedaan,
Arrogante mannen kan ik ook wel slaan,
Wie betaalt, kan ik vertrouwen.’
Mozes zegt: ‘Om van te houen,’
Draait zijn snor, probeert zijn houding te bewaren.
‘Dus je denkt mondain en bent in wereldzaken al ervaren.
Ja, wat let je?’
Hoffelijk offreert hij haar een sigaretje.
‘Uit het kleine sjtetl ben ik weg,’ zegt ze, ‘al lang,
Daar zijn oude dromen nog in zwang,
Dromen roken uit de schoorsteen neer
En er heerst een dichterlijke sfeer.
De moderne wereld geeft ons een praktische les.
En de maan is voor mij niet meer een poëtische prinses,
Zij heeft ook een maag en ze wil eten,
Heeft haar eigen liefdeslaantjes waarvan niemand hoeft te weten,
En waarover je ’s nachts niet spreekt in een huis met een mezoeza.’
En zo spreekt de muze,
Trekt eens aan haar sigaret en doet dan uit haar schoen.
Ja, en toen?
Nou, ze eten treife, drinken wijn.
Voor de sjtetl-vrouwen moet er iets te fluist’ren zijn.
Tot er op de wereld dan een dichtertje verschijnt,
Net zijn vader, net zijn moeder, maar alleen verkleind:
Niet zo’n muze als Mozes in rijmen,
Maar later wel goed in dames lijmen!

 

Lilith: verleidelijke, demonische vrouw uit joodse mythen.
mezoeza: kokertje met gewijde tekst, bevestigd aan de deurpost van een joods huis.
treife: niet-koosjer.

 
 

192. De trom

De trom dacht dat er een kind in haar buik zat.
Ook bij mensen gebeurt dat.
Ik ben zwanger, denkt de trom,
En daarom
Kijkt ze naar de wereld met aplomb.
Uit haar buik komt dan ooit het vioolspelende wonderkind,
Dat de wereld met zijn wonderspel verblindt,
Als de bomen dansen, de rivieren kabbelen
En de wereld doof is voor het brabbelen
Van de oude muzikanten en getroffen wordt door het verschil.
‘Stil toch!’ slaat de trom nu met de bekkens, ‘Stil!
Wat is dat voor een gekras? Je maakt je echt belachelijk.
Wil je net zo piepen als de deuren? Hachelijk.
Luister naar het hooglied dat ik in me draag!
Het droomt hier onder mijn maag
En het wemelt,
En jullie muziek die is beschimmeld.’
Dan slaat de slagwerker op de trom:
‘Voor je iets ter wereld brengt waarvan je denkt: ‘t is goed,
Kom je ons al zeggen hoe het moet?
Stom!’
‘Bim-bam-bom! Bim-bam-bom!!!’

 
 

193. De bij en de spin

Aan de spin vliegt er een bij
Voorbij,
Tussen bloempjes heen en weer,
Voor een likje elke keer
Of een hapje
En dat sapje
Brengt ze naar de korf daar aan de kant
Heel dicht bij de hand.

‘Diefstal! Diefstal!’ roept de spin,
‘Ja, ik zie het, bij! Je tuint erin!
Ik ben de getuige!
Je steelt hier en je steelt daar en staat te juichen:
Honing! Honing! Honing maakt de bij, ze moge leven,
Maar dat is belachelijk, want wacht eens even:
Wat je daar hebt in je woning
Dat is ook míjn honing.
Diefstal is het! Al die duivels naar de hel!
Bijtje, zie je wel
Hoe ik draden trek?
Die steel ik niet met mijn bek,
Nee, die haal ik uit mijn eigen lijf.
Het staat buiten kijf
Dat ik nergens steel.
Nee, mijn web en het geheel
Dat ik spin,
Is van mij – en anders is mijn naam niet spin!’

‘’t Is waar,’ zegt de bij, ‘ik heb gegapt,
Jij hebt me op heterdaad betrapt.
Ik heb hier gestolen waar vergaard,
Ik verwerk die echter naar mijn aard
In mijn eigen huis, het is de moeite waard:
Er ontstaat toch iets nieuws hier,
Zoet en lekker, een plezier!
Maar jouw weefsel – zonder sneren:
Moeten we daarover debatteren?
Dat interesseert me echt geen fluit.’
En dan spreidt de bij haar vleugels uit…

 
 

194. De brombas

Met veel pracht en praal brandt hier het licht,
Het is een prachtig gezicht.
Elië’s dochter is vandaag de bruid.
Muzikanten spelen luid
(Zij treden op uit liefdadigheid.)
Iedereen danst vrolijk, de sfeer is geweldig;
Voor de bas is dat blijkbaar niet geldig:
‘Nou, hun jongste dochter is getrouwd, kijk ze eens klinken,
De twee die daar hinken,
Sjammes Elië en de kromme Chinke.
Wat gebocheld en verwrongen staan ze daar!
En het huwelijkspaar?
Een etrog en loelav bij elkaar,
Maar ze kunnen hun geluk niet op.
Alles staat hier op zijn kop!
Twee doden die dansen. Wat een flauwekul!
Jut en Jul hier op het beestenspul!’
Zo bromt hij de hele tijd, de bas, hij spreekt zich uit.
Wie hoort hem? Niet de trompet, niet de viool en niet de fluit.
Zo is het altijd geweest: hij bromt maar en zijn spelen.
De viool maakt grapjes, maar veel kan het hem niet schelen:
Als je goed wilt horen hoe het brommen van de baslijn gaat,
Kun je nooit meer met de bekkens slaan op straat…
Maar over de bas zijn er geen klachten, nee, zij voelen
Op het grootste feest waar bruiloftsgasten woelen:
Als de bas zou zwijgen, zouden ze dat voelen.

 

sjammes: huisbewaarder bij een synagoge.
etrog: citrusvrucht.
loelav: een bundel bestaande uit een etrog, palmtak, mirtetakjes en wilgentakjes, gebruikt tijdens het Loofhuttenfeest.

 
 

195. De straatlantaren

Aan een paal een straatlantaren.
Hij brandt goed en niemand heeft er ooit bezwaren.
Maar hij wil zichzelf hoger klasseren
En ’s nachts met de sterren concurreren.
Hij, het pronkjuweel, het sieraad van de straat!
Tja, dat is een eigendunk die hem misstaat…
Het ligt wel in de aard van een hooggeplaatst figuur…
Mogen wij niet lijden onder zijn natuur.
Hij wil zelfs dat ze hem noemen (met een hoofdletter) “Meneer Lantaren”,
Waarom dan niet “vuurzuil”, God beware?
Hij wil eigenlijk degene die niet naar hem luistert laten straffen…
De straathond begint te blaffen:
‘En wat vind je van die ster, die stralende meneer?!
Uit de hoogte kijkt hij op ons neer.
Ik zag die verwaande aap
Toen hij brak en in de war was,
Toen een straatjongen een rotte appel gooide naar zijn harses
En hem trof, recht in zijn raap!’

Ja, verwaandheid kan zomaar gaan jeuken,
Niet bij vuur en olie in de keuken,
Want die spelen daar steeds hun nuttige rol,
Maar de pietlut krijgt het in zijn bol.
Dat geldt voor de lantarenpaal bovenal,
Die zegt ’s nachts tegen de maan: ‘Vuurbal,
Kijk, de honden hebben zich al tegen ons verbonden!
Overal waar maar een maan is, blaffen alle honden!’

 

vuurzuil: de vurige zuil waarmee God de Israëlieten ’s nacht door de woestijn leidde in hun uittocht uit Egypte. Zie Exodus 13.

 
 

196. Zuiverder dan goud

Ergens zit een goudsmid in zijn kamertje
En daar klinkt, daar klinkt zijn hamertje
Op een groot stuk goud, en klinkend,
Slaand en hamerend en zingend
Zegt het liefdevol tot het stuk goud:

‘Wie zijn goud liefheeft, die spaart de hamer niet.
Dus ik sla, zoals je ziet.
Als je het te weinig vindt, beloof ik meer:
Een, twee, drie, het is nodig, meneer!
Nou, je klinkt wel hol als iemand op je slaat!
Nee, goud, nee, nee, maat,
Jij bent geen vierentwintig karaat!’

En een roestig stukje ijzer hoort het aan:
‘Ga maar door met slaan!
Ja, dat is een mitswa! Iets waar ik van houd!
Zoiets heb ik nooit gezien! Een koopje! Goud!
Goud met koper of met messing gelegeerd
En dan nog hooghartig! Niks geleerd!
Kijk naar mij!
Valsheid zit er echt niet bij!
IJzer! Zuiver ijzer! Goud, houd je maar koest!
Want ik draag het aura van mijn afkomst: roest!
Ik ben zuiver, ook als ’t je misnoegt!
Is er soms iets toegevoegd?
Kom maar op, laat iemand dat bewijzen!
Nee, er is niets zuiverders dan roestig ijzer!’

 

mitswa: joods religieus gebod.

 
 

197. Het zenuwpeesje

Tussen nekken buigt en koekeloert hij door,
Een klein ventje – nee, hij stelt niets voor –
Kinderen lachen graag om zijn pasje.
Hij draagt een wit broekje, een zwart jasje,
Op zijn hoofdje staat een hoge hoed,
En zijn lakschoentjes passen hem goed
En – wat de geruchtenmolen wil –
Al draagt hij voor zijn twee oogjes wel een bril,
Het mannetje ziet niet verder dan zijn neusje.
(Misschien is zijn ooglensje een kneusje!)

Het mannetje is een filosoofje en werkt zich te sappel!
Kinderen noemen hem “doctortje Aardappel”.
Hij filosofeert, dat doctortje-met-bril.
En waarover? Nou, over de vrije wil.
Ik leef, denkt hij, en ‘t bewijs dat hij verkreeg:
Ik beweeg!
Maar de vraag die ik nu stel hierbij:
Die beweging, is die vrij?
Doet mijn vrije wil mij steeds tot iets besluiten
Of is er een oorzaak niet in mij, maar wel erbuiten?
En zo’n oorzaak buiten mij
Speelt een spel met mij,
Met mijzelf en met mijn wil.
Eh, wat zeg ik? Stil!
Ik moet me hierin verdiepen.
Oorzaak… Buiten… De begrippen –
Hebben die wel een essentie? Zijn ze stoffelijk? En van gewicht?
Zeg ik: oorzaak, dan zijn er allicht
Oorzaken die in elkander haken,
En elkaar heel logisch weer veroorzaken,
Zonder eind en zonder grenzen… Net als de natuur…
Waar eindigt dit avontuur?

Zonder einde is zonder begin, denk ik hardop,
En dientengevolge dringt de overtuiging zich nu op
Dat… Nee, er begint niet iets, er eindigt ook niet iets…
Alles is helemaal niets, het absolute niets.
In het middelpunt van dat niets zie ik niemand dan mijzelve staan –
Met mijn jasje en mijn schoenen aan.

 

Deze fabel is waarchijnlijk een zelfportret. Sjteinbarg was bijzonder klein van stuk en moest dus “tussen de nekken door” kijken; hij werkte veel een graag met kinderen en was filosofisch geschoold.

 
 

198. Sterren

Ja, de oude trog
Die heeft nog
Jarenlang het vee het voer gegeven,
Ook de geit en zelfs de varkens en de koe, zij moge leven
(Al hebben de varkens met hun vraatzucht het hem wel moeilijk gemaakt.)
In die tijd was hij “volmaakt”,
“Onze voeder”, “onze vader”,
Heel de dag prezen ze toen hun levensader,
Nu, bejaard en uitgediend, verrot, vermolmd, in gruis,
Ligt hij daar in het “bejaardenhuis”,
Met meer spullen afgedankt en uit de mode.

En daar komt het kalf, het rode
(Hij heeft nog haar moeder grootgebracht!)
En laat snuivend merken dat ze hem minacht.
Zelfs een likje is nog beneden haar waardigheid.
En dan geeft de gekke geit
Hem met mè en bè een minachtend presentje.
Erger is het witte varkentje, het ventje:
Dat geeft een trap met zijn koosjer pootje:
‘Waardeloze trog hier bij dat zootje!’

‘Jij bent onze broer, ondanks je lot!’
Troost het oude vod,
‘Luister goed en kijk eens hier:
Een traditie hebben we: lompen worden papier,
Puur papier voor een mooi boek ter ere Gods,
En daarop ben ik, begrijp je, trots.
Hout wordt ook papier, wees niet jaloers!
En in dat geval zijn we dus broers.
Verder hoop ik dat je dit onthoudt:
Sterren, zeggen ze, ontstaan uit rottend hout.
En dat zag ik ook:
Hout gaat naar de hemel met de rook…’
(Daarom ook
Ligt reb vod hier op de afvalberg,
Hij werd er “mystiek” en de kabbala boeit hem erg.)
Hij weet antwoord op elke hemelse vraag.
En de trog gelooft hem ook maar al te graag…)
En zo dacht de trog op een bepaald moment:
Waren er zonder de troggen dan wel sterren aan het firmament?

 
 

199. Engelen

Ja, mijn beste mensen,
Vroeger liepen engelen op blote voeten, maar nu wensen
Ze op schoenen rond te lopen.
Ook de mode van het kaalscheren is ingeslopen.
Blijkbaar willen ze één ding zijn: heel modern.
Toch zijn het maar arme mensen in de kern.
Net als jij vrezen ze op Jom Kippoer voor hun leven
En dat komt: Nachman Bialik heeft geschreven
Over hen een droeve, bittere tirade
En ook een geheim verraden:
Joden, lees maar in mijn lied:
Jullie God is, godbetert, failliet!
Alles is gaan wankelen: waar is het geloof in de Ene?
Als rook uit de schoorsteen, als de sneeuw van vorig jaar: verdwenen!
Iedereen ging naar het hemelse loket, in heel groten getale,
Met zijn oude wisseltjes en met de eis: betalen!
Praten tegen God is praten tot dovemansoren.
Het loket ging dicht: ‘Je zult nog van Me horen…’
Zo verdween de firma “Ikke-Ikke”
(Ik het zilver, Ik het goud, de mens kan stikken.)
Toen de stroom was opgedroogd die leidde naar de hoge kassa
Kwam er van de hemel naar de aarde dus een massa
Werknemers van God en al Zijn engelen,
Om op aarde naar een baantje te gaan hengelen.
Maar tussen priesters en engelen is geen verschil, zoals je ziet –
Een broodwinning hebben ze nu nodig, en die is er niet.
Net als engelen zijn mensen overbodig,
En met gif verdelg je ze zonodig.
Ja, de mens is spotgoedkoop.
Als de golem komt, gaat de mens op de grote hoop!
Golems, golems, golems allemaal,
En van ijzer of van staal…
Zijn er tegenwoordig nog engelen nodig? Kom!

Nu, kortom:
Kom je in dit leven tot bezinning,
Dan verzin je een broodwinning.

Sjivve-zitter wordt er een,
Sjivve-zitter… Snap je dat meteen?
Aan wie is dat tegenwoordig nog besteed:
Bij een lijk zitten, je overgeven aan je leed
En je ten behoeve van de weggerukte
Zeven dagen terugtrekken uit alle drukte?
Stel je zit daar en je lijdt verlies in je afwezigheid,
Of je raakt, godbetert, dan je baantje kwijt…
Dat is voor een jood een droevig feit. –
Daar komt dan het engeltje Bezinning
Voor jou sjivve-zitten als broodwinning.
Nog God, noch de mens heeft daartegen bezwaar:
Een beschaafd gebaar!

Iets heel anders werd bedacht door de engel Hatsjoe:
Die werd een niezer, en hoe,
Een soort nimrod, schutter met zijn neus.
Als een winkelier zijn klant verzekert, serieus,
Dat de zaak niet loopt en hij iets wil verkopen,
Laat hij hem voordelig een artikel kopen;
De verdiensten voor de winkelier zijn in totaal
Minimaal.
Dan verschijnt Hatsjoe op de koop toe!
En ha – ha – ha – ha – hatsjoe!
Tekia’s, teroea’s en sjworiempjes, al die noten,
Worden door de hele straat geblazen en geschoten.
En de winkelier zegt: ‘U hebt echt geprofiteerd!’
En de engel krijgt zijn fooi, zo felbegeerd.

En het arme engeltje Louloene?
Die plakt nu gescheurde overschoenen
Met het kauwsel
Van de politieke redenaren en hun speekselbrouwsel.

En engel Nietsnut?
Die is zondenbok, lijkt het;
Ergens in een bende met Chinezen
Moet hij pezen.
Heeft iemand het op neuzen begrepen
Of op staarten, heel geslepen,
Dan komt hij ertussen en vangt op de klappen,
Waarvoor hij in ruil een bakje rijst mag happen
(Klappen worden niet geteld: er is één prijs,
Ieder slaat hem op zijn eigen wijs.)
Jullie mening
Kan zijn dat zo’n soort broodwinning
Niet erg respectabel is. Dat had ik ook gedacht!
Maar de engel kan degene zijn die het laatst lacht:
Nieuwe broodwinningen worden ook voor mensen uitgedacht.

 

*

Aan de and’re kant: wie kan dat zeker weten?
De mens heeft zich tegenwoordig zelfs al vleugels aangemeten
En hij vliegt zomaar het luchtruim in!
Dan huurt hij voor broodwinning ook wel een golem in!

 

Jom Kippoer: Grote Verzoendag, waarop God bepaalt wie er het komende jaar blijven leven en wie er zullen sterven.
Nachman Bialik: dichter in het Hebreeuws (1873-1934), auteur van enkele grote gedichten over jodenvervolging (1903, 1905).
golem: legendarische lemen figuur, die zich beweegt door goddelijke kracht.
sjivve zitten: zeven dagen rouw in acht nemen na het overlijden van een naaste.
Nimrod: legendarische jager uit Genesis 10 en 11.
tekia, teroea, sjworiem: signalen van de sjofar, de ramshoorn, die in de synagoge wordt geblazen tijdens Rosj Hasjana (Nieuwjaar) en Jom Kippoer (Grote Verzoendag).

 
 

200. Stoelen

Of het nu gezond was dan wel ziekelijk:
Alle stoelen spraken nu publiekelijk
Over – neem me alsjeblieft niet kwalijk, excuseer – over het onderlijf
Van de Schepper, Hij is heilig, dat staat buiten kijf,
En verheven, in Zijn waardigheid
Mild, doordrongen van bescheidenheid,
Steunt Hij slechts het nederige streven.
Waarom? Wat zijn wij, wat is ons leven?
Nederige schepsels, ’t is een feit,
Op ons gaat Hij zitten met Zijn majesteit,
Nee, niet op de hoge tafel, maar op ons stoelkussen.

‘Moge Hij mij kussen!
Moge Hij mij kussen met Zijn kussen
En hun zoetheid,
De koning die op ons zetelt in Zijn goedheid!’
Zegt een stoel en stoelt dit op een bede.
‘Amen!’ zegt de tweede,
‘Wij staan altijd voor Hem klaar
Als zacht maar gebrekkig accessoire.’

‘Ja,’ zegt nu de derde, ‘dat is waar,
Onthoud: Hij beheerst alle zeven wijsheden
Met Zijn zitvlees daar beneden.’

‘Het belangrijkste, wat niemand nog aanstipte:
Niet met kracht en niet met wond’ren van Egypte,
Niet met donder, bliksem lukt het Hem
Eens Jeruzalem
In te nemen dat we moesten verliezen.’

‘Hatsjie!’ moet de tafel nu sjokkelend niezen,
‘Sinds ik op mijn poten sta,
Heb ik niet zo veel genoten, o la la!’

‘Ja!’ roepen nu allen, ‘dat is waar!’

‘Onthoud dit, bewaar het in je laatje daar!’

‘Ja, bewaar het, amen!
Want je zult nog veel beleven met ons samen.
Eens wordt er gedanst op tafel en op stoelen!’

Misschien kon je het voorvoelen:
Alle stoelen zijn allang kapot en sleets,
Maar het oude, koosjere geloof bestaat nog steeds!

 

“Moge Hij mij kussen!”: een variatie op Hooglied 1:1.
sjokkelen: een wiegende beweging maken bij het bidden.