Fabel 150

awesome+rainbow (1)

 

Eliëzer Sjteinbarg

 
 

150. De regenboog

Ja, God mag het weten!
In de lente laat de hemel zich een wollen jas aanmeten
En ze krijgt daarmee het aanzien van een oude vrouw.
De neus van de oude is aan ‘t druppen, druppen en wordt blauw,
En de droeve ogen blijven niet ten achter bij de neus.
Vuil en nat en desastreus
Is de hele atmosfeer.
En de hoop, een frisse, jonge regenboog,
Heeft zich nu gedraaid in een kleurige boog
En zich al samengetrokken ginder,
Ze heeft zich gerimpeld en veranderd in een vlinder
En is weggevlogen als een bladje,
Ergens naar een stadje;
Ze was dagenlang op pad,
Nam plaats op een treurwilgblad
Voor een slot als uit een sage
En stelde daar oude vragen:
‘Vuurtje, waarom knap je, als je eindigt in de as?
Op het veld rijpen de aren later pas –
En ’s nachts zie je aan de hemel al de sikkel staan.
Als een molen draait de aarde rond de zon haar baan –
Als een bok die met zijn sik maar in de rondte gaat.
Aan een draadje hangt de koude hemel
In een groen riviertje vol met schimmel,
En een oude boerin breit een sok, kortom:
Waarom toch, waarom?’
En het oude vrouwtje boven snuit haar neus steeds luier,
Melkt als uit een volle uier,
En haar tranen zullen alles gaan doordrenken.
En de regenboog wil verder denken:
‘Kortgeleden daalde er een blauwe ster neer op een plek
En bleef daar toen steken in de drek
Als een kever op zijn rug, spartelend met veel pootgeflikker,
Die begon in het moeras te kwaken als een groene kikker,
Die daar al bestemd leek voor het hiernamaals.
En ikzelf? Houd ik mezelf soms voor de gek? Ik denk meermaals:
Wat doe ik hier? Wat moet ik hier? Waarvan is dit het begin?
Wat heeft dit alles voor zin?’
Het is op dit ogenblik dat ze een gouden straal bespeurt,
Ze beeft: wat er nu gebeurt!
Heel de lange hemeljas die scheurt:
Dat heeft de zon met haar speer gedaan.
Dan werkt toverkracht, en vader hemel bovenaan,
Moeder aarde onder en de bloemen en het gras
En de groene bruidssluier (die schimmel was
Op het aangezicht van de rivier),
En de kever op zijn buikje hier,
Die beeft als een ster met spitse stralen en lichtkringen,
En het kikkertje dat kwaken moet en springen,
En de goede, vrome, snotterende vrouw
Met de pennen die maar trouw
Elkaar loven en prijzen en kussen als duiven met dunne bekjes,
En spelend met vonkjes en lichtvlekjes
Voor haar kleinzoon breien aan de sok,
En het grappige en dwaze sikje van de bok,
En het zoemen van de vliegen en de bijen op de wegen:
Alles heeft opeens een zin gekregen.
En de zon maakt zich nu op de regenboog voor te bereiden
En die op het voorhoofd van de hemel uit te spreiden.

 

*

Heeft de wereld zijn verstand verloren?
Vind je al dat duister storen
En begint wanhoop te schrijnen?
Wacht maar, vrienden, tot de zon gaat schijnen!