Fabels 129-149

1565_Antieke_pendule_Donker_eiken (1)
 

Eliëzer Sjteinbarg

 
 

Drie uur slaat de klok

 

Drie uur slaat de klok, Ik lig met mijn ogen open

Drie

129. Het roosje
130. De verschrikkelijke gedachte
131. Twee rozen
132. De lucifer
133. Vaatjes
134. Widoei
135. De vraag
136. De leeuw en het muisje
137. Het suikerbrood
138. Het mes en de zeven vlammen
139. De rode papaver
140. De poppen
141. Laarzen
142. ’s Nachts
143. Waarom de aarde draait
144. Het windje
145. Het ogenmannetje
146. Wraak
147. De spiegel en de engel
148. Verlangen
149. Boven de zee

 
 

Drie uur slaat de klok

Drie uur slaat de klok,
Ik lig met mijn ogen open,
En bedenk een fabel – hoe dan ook,
Als de smaak slaapt, en ik ook, is ’t afgelopen.

 
 

Drie

Leejzer zit in zijn huiskamertje verlaten
In zichzelf te praten.
Hij vraagt aan zijn droefenis
Wat één mens wel is.
Dan zoemt een vlieg door de kamer heen:
‘Eén dat is toch géén!’
Daarop zegt het scherpe twijfel-wee,
Hem verdelend: ‘Eén is zelfs wel twéé!’
‘Is er dan nog één aanwezig in dit hok?’
Drie uur slaat de klok.

 
 

129. Het roosje

Er staat heel veel speelgoed in dit hoekje:
Hier een vrouwtje met een mandje,
Daar een smidje met een hamer in zijn handje,
En een haantje kijkt in zijn gebedenboekje,
Hier een beertje, daar een bevertje, een acrobaatje
En een heldhaftig soldaatje
Met patroontjes in een doosje –
En daartussen in een vaasje staat een roosje.
Het is laat, tijd om te dromen op dit plekje,
Roosje voert dan ook een zacht gesprekje
Met soldaatje naast haar van metaal.
Zij vertelt hem haar levensverhaal:
Lang geleden is ze een vlinder geweest:
Voor het oog was ze een feest!
Nee, geen vogeltje, een kleintje,
Zelfs nog minder: echt een schijntje,
Ja, een schijntje van de regenboog.
Toen ze midden in de nacht naar een zonnetje vloog
In een woonhuis, aangetrokken door de zoete vlam,
Brandde ze haar vleugeltjes en ze was lam.
En de sterren – hemelrozen –
Namen een besluit zonder blikken of blozen:
Dit vlindertje moest een roosje worden.
Ach, een roosje is een roosje, dat is wel in orde.
Tussen plantenstelen
Kon ze met vliegjes en windjes spelen
En dat was geen slecht bestaan.
Maar helaas: de sterretjes trokken haar aan.
Dan roept ze de storm te hulp, die ruwe gast,
Want haar stengeltje zit aan de aarde vast.
Smachtend laaft ze zich aan een druppeltje dauw
En een troost is: haar verlosser die komt gauw, heel gauw,
Zij zal hem dan met haar vrome geur verblijden
En hij zal haar snel bevrijden…
Om een lang verhaal samen te vatten:
Haar verlosser kwam, de hooggeschatte,
Maar wacht even:
Beter had ze met verlangen kunnen leven.
Hij bevrijdde haar zonder vleugels te geven!

 

*

Het is laat. De klok slaat drie.
Moet ze zich beklagen? Tegenover wie?
Stil, want het soldaatje slaapt, zover ik zie.

 
 

130. De verschrikkelijke gedachte

Nacht.
Heel de wereld slaapt nu zacht
En ook alle schapen
Zijn al zoet gaan slapen.
Maar één lam is nog wakker gebleven
En het moet trillen en beven,
Het huilt trekkebekkend
En het mekkert meelijkwekkend.
‘Kindje toch, bedaar,’
Zegt een buurvrouw tegen haar,
Wat zijn dat voor lelijke geluiden?
Mekkeren als allen slapen? Wat moet dat beduiden?
Ben je, God verhoede, ziek?
Zeg het me dan! Geen paniek.’
‘k Weet het niet. Het is dat ik het hier zo donker vind,
Het is nacht en buiten huilt de wind –
Ik ben bang… God, help me toch!
Want de wolven jagen in het donker immers nog?’
‘Jij moet je verstand bijeen gaan rapen.
Denk je soms dat onze honden slapen?
Wees niet bang, ze liggen met hun oren open
Bij de poort en als ze iemand horen lopen
Staan ze direct op om hem te gaan bestraffen!’
‘Bè! Mè!’ zegt het lammetje, ‘De honden… Vier die blaffen!’
‘En wat is er met die beesten?’
‘Wat er is? Ik zie de grijze boze geesten –
Dat wij uit hun klauwen blijven;
En van één gedachte voel ik me verstijven,
Ik kan mekkeren en janken:
Ik vind dat ik een hond moet bedanken!’

 
 

131. Twee rozen

Ik bedacht een fabel van twee rozen, hier:
Eén is prachtig,
Fabelachtig,
Echter van papier
En wat ijzerdraad,
En de andere die smacht,
Al is ze net uit de tuin gebracht.
En ze liggen inderdaad
Samen op een tafel, schilderachtig.
Kreunt de ene: ‘Lieve buur,
Waarom staat toch je gezicht zo vreeslijk zuur?
Vroeger stond je wel bekend als prachtig
En je oude schoonheid ligt
Nog altijd op je gezicht –
Zeg me toch eens wat je scheelt,
Hoe kom je toch zo vergeeld
En niet blij?
Ik voor mij
Heb voor jou diep medelij.’
‘Tuin en warme stralen, frisse dauw,’
Stamelt ze, ‘o, dat is waar ik zo van hou!’
‘Waar ik zo van hou? Dat moet je maar vergeten,
Tuin en stralen
En die andere verhalen,
Werkelijk, hoor, van die dwaasheid heb ik nooit geweten,
En ik leef, God zij geprezen!
Luister, zuster, dan vertel ik je bij dezen:
Jouw zenuwgestel is echt te zwak,
Daardoor, liefje, lijkt het mij zo’n onzin die je sprak,
Dromerijen zijn dat allemaal.
Kijk naar mij: mijn zenuwen die zijn van staal –’
‘Nee, dat zijn niet mijn gedachten!’
Met haar laatste zwakke krachten
Onderbreekt ze haar nu bleek,
‘Zeven weken bloeide ik, de dood kwam in de achtste week,
Maar ik vrees het sterven niet zozeer.
Liever nog dan eeuwig droog te zijn
En niet op de hoogte zijn
Van de dauw en al die warme blikken –
Sterven, want ik kon mezelf één keer
Met een druppel dauw verkwikken!’

 
 

132. De lucifer

Rrrits:
Daar ontvlamt een lucifer en in een helle flits
En een kus van vuur maakt hij het licht.
(Plotseling ging dat, snel als een schicht.)
En de kous, de lichtziel, wordt direct
Uit de dood gewekt –
Kijk: twee lichte vlammen
Vloeien in één ogenblik nu samen.
Maar het ware geluk van de fik,
Wat is dat? Een blik.
En onthecht
En loodrecht
Valt de lucifer nu op de grond,
Uitgedoofd en zwaargewond
En gegrild.
‘Heethoofd, is dit wat je wilt
Met je vuur en met je vlam?’
Zegt het afval waarin hij neerkwam,
‘Die vlam was toch overbodig.
Hier ben je niet nodig:
Wij worden onder de voet gelopen
En de vuilnisemmer staat al open!’
‘Nee, arm mens,’
Zegt de lucifer, ‘dit einde was mijn wens,
Ik ben anders, niet gelijk.
Ik ben rijk,
Heb geluk gehad:
Eén moment heb ik gegeven en toen vlam gevat!’

 
 

133. Vaatjes

Wijn leidt zelfs tot spraakzaamheid bij dode straatjes,
Dus waarom zou dat dan ook niet lukken bij wijnvaatjes?
In de wijnkelder geven de vaatjes nu geluid:
Een, een deugniet die genoemd wordt “Giet-je-woede-uit”,
Bijt
Van zich af tegen “En-Uw-gerechtigheid”,
Een vaatje met goede, vrome wijn,
Dat zacht en zoet lijkt te zijn,
Maar vertrouw je op zijn air,
Werpt zijn afdronk je omver.
En een ander, een schurk, wil alleen maar weten
Hoe die kwas van hoge kwaliteit toch heette,
En waarom dat vaatje eersteklas
Wijn beweert te zijn, maar ruikt naar kwas.
Waarom nemen ze die kwestie nog steeds niet onder de loep?
‘Bietensoep!’
Roept het vaatje “Hoge-Kwaliteit”, ‘je mag me pesten,
Maar ik ga niet in discussie – ik ben toch een van de besten!’
Maar het boost
Is het vaatje “Proost”:
Dat zit vol met nieuwe, verse wijn,
Maar het wil nogal eens tegen God en zijn Messias zijn!
Hier is niets en niemand dat hem echt bevalt,
Alles in de kelder moet heel anders uitgestald.
Er wordt heel weinig gezegd en veel gelald.
Zegt “En-Uw-gerechtigheid” tot “Hoge-Kwaliteit”:
‘Zoete, heb je even tijd?
Vraag je buur dan hoe het gaat,
Wat er in hem borrelt en net praat
Als een dibboek, God verhoede, als een boze geest!’
‘Ach, wij zijn ook jong geweest,
Hij is nog een jonkie, een schavuit,
En een beetje opgewonden, net de wijnpers uit.
Later leert hij wel wat wij al wisten –
Wij die hier een tijd liggen te gisten.’
‘Nee, wij liggen niet, wij lopen!’
Trekt de ander de registers open,
‘Elke dag, broeders, lopen wij verder leeg,
Als hier weer iemand zijn fles vol kreeg.
Eensklaps zie je dat het daagt.
Boven is het op en uit de kelder wordt om meer gevraagd!’
‘Wat moet hier dus de conclusie zijn?’
Zegt een vat met wijn zuur als azijn,
‘Zowel in de kelder als daarbuiten
Is het misbruik niet te stuiten,
Kom je hier, dan gaan ze van je profiteren!’
‘Zo is het beslist niet! Je moet niet zo sneren!’
Onderbreekt “Vandaag-hebt-U-ons-weer-gesterkt”
En zijn interruptie werkt:
Hij is van een jaar dat er wel wezen mag
En spreekt warm, met veel gezag
En met smaak:
‘Broeders, wijnen, deze azijnzure woorden zijn niet raak.
Doe niet giftig, wees tevreden.
Morgen zijn we op – leve het heden!
En gezegend hij die voor de dood tot zichzelf zegt:
Onbekommerd leven was voor mij niet weggelegd,
Maar mijn laatste druppel heeft gewerkt,
Want die heeft iemand verwarmd en ook gesterkt!’
 
 
“Giet je woede uit”: verzen gereciteerd op de avond van Pesach, om Gods woede op te wekken tegen de vijanden van de joden.
“En Uw gerechtigheid”: betiteling voor iemand die vromer wil lijken dan anderen.
kwas: niet- of licht alcoholische drank, bereid uit brood en vruchten.
dibboek: geest van een gestorvene, die bezit neemt van het lichaam van een levende.
“Vandaag hebt U ons gesterkt”: vers uit een gebed aan het eind van Rosj Hasjana en Jom Kippoer.

 
 

134. Widoei

Broertje, jij bent geen barbaar.
Is de wolf een moordenaar?
En vervloek je hem, dat stuk verdriet?
Doe dat niet!
Aan de tsaddik-beer, hij leve lang,
Bekende de wolf erg bang
Al zijn zware zonden en hij snikte,
Terwijl hij zijn borst aantikte:
‘Rebbe, echt, zowaar als ik een wolf ben,
Zweer ik dat er wonderen bestaan en dat ik heel gewetensvol ben!
Mijn leven is moeilijk, ongehoord!
Het bestaat uit angst en bloed en moord!
Ik moet hongeren en vasten. Verder:
Als hij mij zou kennen, ik bedoel de herder
Die vandaag twee pootjes en een oor uit mijn bek los moest scheuren,
Zou hij samen met mij om mijn lot gaan treuren!
Zeg me, rebbe – u bent kenner van traditie en esoterie –
Waarom word ik zo gestraft, waarom die hysterie
Als je toch je brood verdient met dood?
En ze kleurt steeds dieper rood,
Die zondige ziel van mij,
Door bloed van koosjere koeien uit de wei
Die ik doden moet –
Maar hoe krijg ik anders dan mijn buik gevoed?
Rust niet Gods erbarmen op de schaapjes en de runderen?
Ik ben echt een goede vader voor mijn kinderen
En in iedere minuut dat ik het weer in me voel branden,
Wanneer er tussen mijn tanden
Een spartelend schaapje vers, warm bloed uitbraakt
En het ene bot na het andere kraakt,
Dan voel ik mijn hart weer breken,
En dan is het snel bekeken:
Dan laat ik mijn tanden spreken!’
Zo vertelt de wolf, terwijl de beer
Kwijlt naar meer –
Bloed en vuur,
‘O wat is het leven zonder vlees toch zuur!’

 

widoei: gebed met schuldbekentenis.
tsaddik: wijze en vrome man.
“bloed en vuur”: woorden uit de Haggada, het ritueel van Pesach. Hierbij wordt wijn gedruppeld ter herdenking van de plagen van Egypte.

 
 

135. De vraag

Gloeiend is het oventje, het vlamt.
Hartelijk en zoet, charmant
Praat het met de witte broodjes van de sjabbat
En zijn streling ondergaan ze als een warm bad:
Ja, ze zijn hem aan het hart gebakken, zo is dat!
Hoe meer er gepraat wordt, hoe minder er wordt gezegd!
Was er maar één woord, heel machtig en oprecht,
Levendig en lieflijk, fris en zacht,
Dat in één keer zowel branden kon als strelen zacht,
Dan –
Maar we weten dat zo’n woord er niet zijn kan,
Nee, het is vergeefs, ’t is hopeloos:
Voor dat er is duurt het nog een poos.
‘O, wat pijnlijk!’ Onder veel lawaai
Schuift de ovenplank naar binnen met een grote zwaai,
‘Vlug, mijn witte broodjes zijn bijna verbrand!
Kom gauw hierheen, deze kant!
Vlugger!’ roept ze, ‘anders worden jullie as!’
En haar snelheid komt de broodjes goed van pas.
Goddank. En de challe gaat nu bensjen,
Want ze leeft nog en heeft zich niets meer te wensen.
Op de tafel rijst ze boven zichzelf uit
En een witte doek bedekt haar als een bruid.
Nu voelt ze zich een prinses.
Plotseling – o, help, wat wil het mes?
O, het snijdt haar stuk! De vraag schiet door haar heen
En ze verstijft als een steen:
’t Oventje was goed, de ovenplank was een succes,
Maar waar moet het heen: van de vlam naar het mes?

 

challe: gevlochten witbrood, gegeten op sjabbat.
bensjen: de zegen uitspreken.

 
 

136. De leeuw en het muisje

In een kooi een leeuw, ze kregen hem eronder,
Een verstomde donder.
Alle hoop verflauwd,
In een krappe kooi is hij gestouwd,
Als een donderwolk in honderdvoud.
Mensen, wees niet ongevoelig voor dat soort verdriet!
Dan nadert de muis en nauwelijks komt hij dichterbij
Of hij zegt: ‘Ontzettend, wat een pesterij!
Muis en leeuw – niets dan ellende ligt ons in ’t verschiet.
’t Gaat van au!
Is dat nou een leeuw? O, haasje, gauw,
Roep de kat, die gisteren mijn broer en zwager nog verslond,
En zeg haar terstond:
Kom eens naar de leeuw – de aarde beefde voor die speciës,
Kijk eens goed en trek daaruit je les!
Wat moet een kat zeggen bij het zien van leeuwen in het nauw?
Was het nou gewoon een net van touw,
Dan verscheurde ik dat ding heel gauw.
Maar o wee, het is een kooi van ijzer!
Zelfs een muis kan op die kooi zijn krachten niet bewijzen.
Ik ben bang dat ik hier mijn gebit stukbijt.
Wat te doen? Ik ben om mijn karakter niet berucht.
Maar ik kan wel helpen met een kreun of zucht.
Dat is dan nog iets: compassie uit pure loyaliteit –’
‘Wraaa!’ daar rolt de donder door de lucht.
Trippeltrappel slaat het muisje op de vlucht,
Ja, het rent half dood, half levend, ijlings naar zijn hol
En ligt daar een hele week onder de wol,
Want die steken in zijn linkerzij maken hem horendol.
Dit is wat hij bij zijn kroost er toen in heide:
‘Wie ooit als een muis een leeuw ontmoet die toont geen medelijden!’

 
 

137. Het suikerbrood

Dit gaat over een Baruch:
Baruch: goed stel hersenen, een rechte rug,
Hoffelijk en punctueel van geest,
Zeven jaren boekhouder geweest;
Die carrière liep toen dood,
Nu is hij een suikerbrood.
Suikerbrood? Je kunt hem dus in stukjes breken,
Hem dan op de tafels in de suikerpotten steken,
Hem in hete glazen gooien en met lepeltjes doorroeren.
Deze Baruch liet zich echt niet vloeren:
Hij staat rechterop dan anders, rustig, moedig,
En als witte sneeuw zegt hij koelbloedig:
‘Breken? Ja, dat was ik ook van plan.
Ik ben sowieso een oude man,
Tot de veertig moest ik me erdoorheen sleuren,
En nu moet het maar gebeuren:
Verder sleuren zou volgens berekening een misdrijf zijn,
Iets als fraude op boekhoudkundig terrein,
Aan krediet een nul toevoegen – laten we daarover zwijgen,
Daarvoor kun je klappen krijgen!
Maar als suiker, broers,
Ben ik niet jaloers:
Goede, vrome mensen zullen mij begroeten,
Er is zoveel bitterheid – dan kunnen ze hun thee verzoeten.
Ik zat al die tijd maar aan droge getallen vastgebakken.
Nu mogen ze mij in stukjes hakken
En al doet dat nog zo’n pijn,
Ik zal pas gelukkig zijn
Als ik me in warme zoetheid op kan lossen.
Door mijn liefdespijn kan ik jullie van ongeluk verlossen
En dat zal me niet hard vallen.
Kom, bevrijd me maar van de getallen!
Dan is er geen Baruch meer, we mengen met zijn allen!
Want de cherub zei: er is maar één!’
Dat zei hij en sloeg zich toen door de pijn heen.
Narigheid komt meestal in één ruk,
Laat niet zo lang op zich wachten als een laat geluk;
En ze zijn nog niet eens uitgebeden
Of hij is al in stukken gesneden.
En hij mompelt: ‘Eet mijn lichaam nu en drink mijn bloed.’
Daarna lost hij op en zijn geluk is warm en zoet.
Aangekomen in hemelse landen
En beland in de kern van de ingewanden
Van de zijnen,
Denkt hij pas: voor wie heb ik geleden?? Voor de zwijnen!

 

suikerbrood: kegel van suiker, met een afgeronde punt.

 
 

138. Het mes en de zeven vlammen

Luister: het mes, onze scherpe denker, spuit
Al zijn kennis luid,
Het snijdt wetenschappelijk problemen aan:
‘Wat is leven? Wat je in Talmoed ziet staan?
Iedereen die denken kan bemoeit zich ergens mee,
Maar wie toont er meesterschap, wie heeft een scherp idee?
Nee, kinderen, geen hilariteit –
’t Leven is een blaadje noedels, die je snijdt,
Stuk voor stuk op het aanrecht,
Tot je zegt:
Noedel, tot ziens, hoep!
Daar verdwijn je in de soep
En vandaar recht in de maag,
Die maar borrelt, warm, gestaag,
En nooit stopt met zijn gevraag;
Kom, geef hem tenminste al je pijn en zorgen.’
‘Ligt daarin een zin verborgen?’
‘Het antwoord is nee.
Dat begrijpt een kind zelfs, dat is toch het abc!’
‘Maar wie houdt jou tegen, meneer Mes?
Snijd dan eerst jezelf, dat is de beste les.’
‘Mezelf snijden? Dat kan zelfs het zwaard niet van de scherpste soort!’
‘Wij hebben je wijsheid aangehoord.
Als je je niet stuk kunt snijden, steek jezelf dan in de aarde,
Als je denkt: het leven heeft voor mij geen waarde.
Leef je: vlam dan, tot je eigen vuur je zal verschroeien!’
En als in een licht gedicht
Komen zeven levendige vlammen loeien
Als een geest weer naar hun oorsprong: recht in zijn gezicht!

 

Talmoed: met de Bijbel het belangrijkste joodse religieuze werk, een uitgebreid commentaar op de joodse Wet.

 
 

139. De rode papaver

Dag en nacht ging de rode papaver hier tekeer:
‘In de tuin regeert de leugen en het interesseert niemand meer!
Kijk die tsaddik met zijn baardje, meneer korenaar:
O, wat raar!
In zijn groene talliet bidt hij heel de amida,
Hij zucht en hij sjokkelt, vroomheid voor en na,
Ziet:
Als ze hier allemaal slapen en ze kijken niet,
Vleit hij,
Vrijt hij
Met de gele helianthus (dat betekent zonnebloem.)
’t Is goed als ik de meloen ook even noem,
Wat een oen
En een zielepoot, zo gek als een pompoen!
Je zou moeten zien wat voor methodes hij gebruikt
Bij het flirten met watermeloentje, zo besmuikt!
Wie kan het wat schelen? Maar het is opmerkelijk!
Alles wat niet mag dat doet hij werkelijk
En hij brandt en hij ziet geel van jaloezie:
‘Die rode papaver is een schoelje, wis en drie!’
Is komkommer dan van goeden wille?
Hij lijkt wel een goede vent, een stille,
Groen, zonder een greintje kwaad,
Maar ’s nachts met de heks en de oude tomaat
Wil hij duistere dingen bedrijven.
Waar het duister is, daar is het treife!’
Wat hem aan de bomen ergert: hij komt er niet achter
Wat ze tegen elkaar fluisteren, steeds zachter,
Wat ze zeggen als ze met de vogels van gedachten wisselen –
God weet wat ze daar bedisselen.
Hij moet hier weg, want hij staat op springen!
Hoe? Als je maar wilt, dan zijn er geen belemmeringen.
Waren er dan geen vrijheidslievende madelieven
Die vluchtten met toekomstperspectieven?
Hij moet zo groot en sterk worden als hij kan,
Een, twee, drie, en dan
Vliegt hij naar de zuiverheid die hij aanschouwt van verre,
Naar de hemelrozen, naar de sterren.
Wie zal hem dan tegenhouden, wie zal hem besnoeien?
God, alleen maar sneller groeien! Groeien! Groeien!
Wielen draaien, draaien om hun oude as
En de tijd weeft dag en nacht van grijzig vlas,
Tot de haan het uit zal kraaien als de morgen gloeit:
Dan voorspoedig is onze papaver uitgegroeid.
Uitgegroeid – maar wat moeten we hier bespeuren:
Waar zijn nu de bloem en de vurige kleuren,
Kleuren, ooit zo schroeiend en zo edel?
Wat is er nog over? Deze bol, een schedel
Vol met zwart en priegelig papaverzaad:
Van vroegere dromen zijn die nu het resultaat.

 

*

Ik hoorde een stem die sprak tot mij:
‘Neem deze papaverbol en ga dan naar mijn dromers
En zeg: “Aldus spreekt mijn Heer tot mij:
Een papaver komt u tegemoet –
Dromers, onderzoek hem goed!”’

 

tsaddik: vrome en wijze man.
talliet: gebedsmantel.
amida: achttiengebed, het belangrijkste dagelijkse gebed.
sjokkelen: met het bovenlichaam schommelende bewegingen maken tijdens het bidden.
treife: niet-koosjer, ritueel ongeschikt.

 
 

140. De poppen

In één bed liggen twee poppen,
Hun geklets is niet te stoppen,
Want zo gaat dat in één bed.
Dan wordt het gesprekje voortgezet
Over het horloge op de tafel naast het bed.
‘Hoor je het?’ zegt popje Kaatje-Naatje.
‘Wat – het gaat toch om het wijzerplaatje?’
‘Ja, natuurlijk!’ antwoordt popje
Poppekopje,
‘Is die wijzerplaat er niet, dan heb je niets om op te kijken.
Het kloppende hartje mag nog zo fantastisch lijken,
Niemand die je wijzers ziet.’
‘Niet?’ ‘Echt niet!’
‘Jammer! Word je in de boeken doorverwezen?
Jij hebt toch boeken gelezen?’
‘Bah, vervelend! Eén blik op het titelblad
En je bent het zat!
Ja, je lijkt wel slimmer dan de meute:
Schomer, Schiller, Faust van Goethe,
Don Quichot, Bar Kochba, Amnon en Tamar –’
‘Zusje, wat weet je toch veel! Vanwaar –’
‘Ik lag naast de boekenkast, daar op een kussen.
Maar ja, ondertussen
Ben ik weer vergeten wat ik wilde zeggen,
Dus we moeten even overleggen –’
‘Het ging toch over de wijzerplaat?’
‘Ja, de wijzerplaat. Dat is waarom het gaat,
Voor zo’n wijzerplaatje is geluk toch echt wel nodig –
Mazzel, zusje, is niet overbodig.
Ik heb het horloge nog gekend van tante Dien:
Gouden wijzerplaatje, prachtig om te zien.
Maar ze liet het liggen, want het liep niet: stuk!
En waarom? Nou, geen geluk!’
‘Rikketikketik!’
Het horloge spreekt dit ogenblik,
‘Zonder mazzel gaat het niet, geluk dat hoort erbij.
Vraag dat maar aan mij!
Loop ik rustig en gestaag,
Dan vinden ze mij te traag;
Ga ik me sneller bewegen,
Roepen ze: “Wat rent hij door de regen!
Leg hem maar onder een steen!”
En dan draaien ze weer door mijn ingewandjes heen.
Ja, kind, zonder mazzel is het zwaar!
Voor wie je ook buigt met een beleefd gebaar –
Heb je mazzel, prijs Zijn naam dan, God zij dank!’
‘Dank, dank!’ slaat de wandklok met een volle klank,
‘Wees niet met je eigen bitter lot begaan,
En weet op het juiste ogenblik te slaan!’
geen wijzerplaat: oudere horloges hadden een deksel.

 

Bar Kochba: leider van een joodse opstand tegen de Romeinse keizer in de 2e eeuw.
Amnon en Tamar: bijbelse figuren.

 
 

141. Laarzen

Kruier Just
Gunt zijn benen op zijn bed wat rust.
En zijn laarzen staan
Naast het bed en kijken elkaar aan:
‘Wat een nood!
Noem je dit nog leven? Waren we maar dood!
Heel de dag maar modder kneden!’
‘Ach, broer, ben je ergens uitgegleden
Of is soms je hak eraf gesloopt?
Gek, je weet toch dat het tegen Pesach loopt?’
‘Nou en?’ ‘Dan wordt het weer droog,
Reb Just houdt ons in het oog
En dan worden we weer opgepoetst
Tot we blinken: houd je nog maar even koest!’
‘Echt waar?’
‘Echt waar! Ik heb al een kikker horen kwaken,
Een goed teken! Blijven hopen, broertje, niet verzaken,
Ja, de modder is wel diep, maar het loopt op zijn eind!’
‘Blijven lopen als het schrijnt,
Verder leven.
Broer, je hebt me toch wat troost gegeven.’
Sindsdien bidden ze, terwijl ze door de modder moeten gaan:
‘Pesach, o, brak Pesach maar vast aan!
Kon ik de tijd maar opzwepen in zijn loop!’
En de tijd die kroop en kroop,
Nog een week en nog twee weken –
Just is klaar met werken, een goed teken,
Uit gaan nu de vodden van zijn werk:
‘Saartje,’ zegt hij, ‘breng dit pakje naar de priester van de kerk.’
En hij wast zich en verfrist zich, kleedt zich in zijn beste kleren vlug –
Saartje ziet hem, kent hem niet terug:
Just loopt er nu prachtig bij,
Op zijn hoofd een hoed van zij,
Nieuwe kaftan, schoenen net van de schoenmakerij
(tweeënhalve roebel kostte het
En nog voor de feestdag waren ze weer net.)
Voor het laarzenpaar
Hadden de zwaluwen nog geen feestlied klaar:
Uitgetrokken stonden die te smachten
En beschaamd op de volgende modderpoel te wachten.

 

*

In de boodschap lezen we dat wat we willen.
Aan het laarzenleed kunnen we zelfs zwaar tillen;
Als we willen kunnen we oud leer plezieren:
Laten het de seder vieren.
Maar helaas, het kan voor mensen ook vaak anders lopen,
Als het feest niet komt voor degenen die erop hopen.

 

Pesach: joods feest ter herdenking van de bevrijding uit Egypte.
seder: feestelijke Pesachmaaltijd.
kaftan: lange jas.

 
 

142. ’s Nachts

Armoede is echt geen zonde, hoor!
Een bewijs: je schaamt je er toch voor.
(Vind maar iemand die zich schaamt voor zonde –
Of heb je een kind gevonden?)
Armoe is geen zonde, maar de wereld dreigt
Dat je er wel slaag voor krijgt,
Net zoals een meester zijn slaaf slaat:
Expres of omdat het lekker gaat.
Nu begint een herfstnacht, eenzaam, arm en blind,
En hem slaat met een lange, fluitende zweep de wind.
De nacht huilt en uit zijn duistere oogkassen
Stort hij op de daken tranenplassen.
Deze daken dekken wrakke kneuzen,
Die maar snurken, reutelend met schoorstenen als neuzen.
En wat opvalt: daar bij houthakker Kalonymus
Klinkt het oude dak aldus:
Met al zijn gescheurde randen
Ligt het als een koortsige te klappertanden
(Het klappert zo weinig knus,
Dat het huisje, onder ons gezegd, lijkt op een epilepticus.)
En daarvoor staat op de grond,
Jammerlijk en bijna buiten adem door geblaf, een hond –
Hij bidt voor het zieke huisje en zijn toebehoren.
Maar wie gelooft een hond en wil hem ook nog horen,
Zelfs als hij een zieke met zijn psalmen wil bekoren?
En bij blaft totdat Kalonymus probeert hem met zijn stok te raken:
‘Hond,’ roept die, ‘waarom moet je zo nodig iemand wakker maken?
Donder op,
Of je krijgt van mij een schop!’
De hond rent nu naar een schuilplaats in één ruk
En zegt: ‘Eigenlijk
Kan Kalonymus en zijn zieke mij niets meer schelen.
Blaffen is toch ook leuk werk en gaat niet gauw vervelen.’

 
 

143. Waarom de aarde draait

In de heilige rivier, wel zeven jaren lang,
Baadde Jo-Hoen-Tsjang.
In de maneschijn, in heilige, doordachte nachten,
Daarna kwam hij niet op andere gedachten
En hij baadt weer: baat het niet, dan schaadt het niet.
Hij heeft nu een vlecht zoals je zelden ziet:
Goud van kleur en hangend op zijn hielen, dat is heel pregnant
In het grote vlechtenland.
Moet zo’n vlecht wel achter hangen, op je rug? Misschien
Wil Jo-Hoen-Tsjang zelf hem ook wel zien!
En wat doe je achter als er daar
Iemand muisstil opduikt met een schaar?
Alles kan gebeuren! Is hij veilig naar behoren?
Nee, hij moet de vlecht van voren dragen, ja, van voren!
En hij draait zich om en maakt een zwaai,
Nog een draai –
Stop!
Levert dat iets op?
Nee, de vlecht die hangt er nog.
Weer een draai, het lijkt gezichtsbedrog,
Eén heen en dan twee terug –
En nog steeds hetzelfde. Nu draait hij heel vlug,
Snel als een stel rotorbladen –
Nee, het helpt niet, Brahma verleent geen genade.
Zo draait hij al lang,
Onze Jo-Hoen-Tsjang,
En met hem de hele stad,
De begraafplaats en de tempel en het bad,
Met de stad de grote muur,
Die omringende structuur,
Met de stad de hele aarde,
Als in molens blinde paarden.
En de wereldbol duizelt het echt,
Maar van achter hangt nog steeds die vlecht!

 
 

144. Het windje

Ergens waait een windje,
En dat achtervolgt een sterretje, een puntje.
En het daagt.
Nu komt er een treurigheid, die knaagt,
En het windje klaagt.
Nu gaat het puntje het windje plagen:
Het gaat rond hem jagen,
Puntje draait om windje heen,
Als een hondje met een been
Draait windje om puntje heen.
Daar wordt uitgepakt:
Windje fluit, het kraakt, het knakt:
Oeioei! Windje heeft puntje gepakt!
En dan houdt het waaien op,
Op een bergje, op de top,
Rust het windje nu wat uit.
En het speelt een spel ronduit,
Draaiend met de wieken van een molen,
En het onderwerpt het puntje aan zijn capriolen:
Gooit het heen en weer aldoor,
Werpt het op een doel rechtdoor.
Maar wat ritselt in het gras daar? Hoor:
Rollend, fonkelend, een gouden ringetje!
Het steekt zijn tong uit, een vlammend dingetje:
‘O, neem me niet kwalijk,’ zegt het zacht,
‘Maar gezegend zij je jacht.
Mag ik even storen
Om je antwoord op een vraag te horen?
En die vraag is: ben je wel geinteresseerd in zeven maten
Gouddukaten?’
‘Uitermate!’
‘Leer me dan hoe ik degene pakken moet op wie ik jaag
Zeven jaren al, tot op vandaag!’
‘Wie is deze vluggerik?’
‘Ik!’
‘Wacht, een ogenblik!
Dat
Is te moeilijk! Pech gehad!’
Antwoordt hem het windje
En gaat dan weer verder spelen met het puntje.

 
 

145. Het ogenmannetje

Iedereen draagt in zijn ogen een heel klein mannetje mee.
Ook het slagertje reb Ietsie had daar een habitué.
Als reb Ietsie op een dag zijn avondgebed zeggen wil,
Voelt hij een getril
Recht in zijn pupil –
Dan begint het water in de bak te koken met veel schuim
En het mannetje vliegt door de schoorsteen naar het hemelruim.
Huilt de nacht? Nee, een windje zoemt er zacht.
En dan is de nachtvlucht van het mannetje volbracht
Op een hakblok bij een oude slagerij,
En de oude hond Bilam die slaapt erbij.
Op het hakblok zegt het mannetje de psalmen
Van het breken van de boeien zonder talmen.
En dan wordt het ventje de punt van een speld,
De punt wordt een knop, versneld,
De knop wordt een groene vrucht
En die wordt een ei, in een vloek en een zucht.
Als dat ei begint te draaien
Staat de punt in lichterlaaie
Door een bliksemschicht
Met een flitsend fosforlicht.
Uit het ei komt reb Ietsie gesprongen
Als een kurk zo klein is deze jongen,
Maar met bonthoedje en alle accessoires,
Zoveel, je kunt haast niet geloven dat het waar is,
Met een zwart kaftannetje en ook met schoentjes, sokjes
En met mooie krulletjes in zijn slaaplokjes,
Uit zijn achterzak een zakdoekje met rode blokjes
Als het tongetje van een dood lammetje
En het baardje in de war, dat kent geen kammetje.
En nu geeft het slagertje een muzikaal vertoninkje:
‘Ai, ai, priestertje!’ En ‘Onze vader koninkje!
O, mijn zieltje is van U een grammetje,
Van Uw vlam een vlammetje,
Een riviertje naar Uw zee –
Hoger, naar Gods glorie streef ik van benee!
Ai, gedachten, zoet, tevree!
Heilig! Heilig! Heilig! En hij maakt een sprongetje,
Uit zijn achterzakje sleept het rode tongetje,
Daaraan hangt aan elke kant een ringetje,
En in ieder ringetje een vingertje,
Aan dat vingertje een handje en dan aan dat handje
Een briljantje:
Lilit in een eigenaardig hesje,
Dochtertje van de voorzanger, zelf een zangeresje,
Een meisje op blote voeten,
En de hertentweeling beeft – wat we hiervan wel denken moeten?
In de kou, de kleren kwijtgeraakt,
Naakt,
Met de zwarte vlechten in de war geraakt.
Zielig. Maar reb Ietsie die grijpt nu zijn kans
Voor de eenheid van de Eeuwige doet hij met haar een dans.
Voor de eenheid van Zijn troon en lieve naam,
Dat berg en dal Hem toezingen saam:
Liefde, eenheid, vrede nu alom!
En daarom:
Vooruit, Ietsie, grijp je kans,
Sneller, Ietsie, nog een dans en nog een dans!
En de stemmen van koosjere diertjes al die tijd
Klinken uit het hakblok, tot het splijt:
‘Godheid, liefde, eenheid, vrede, dat is goed,
Maar waarom gebeurt dat dansen op ons bloed?’

 

Bilam: mogelijk een toespeling op de ezel van Bilam in Numeri 22, die anders dan zijn meester de engel Gods zag.
“Het breken van de boeien”: Psalm 2:3.
Lilit: een verleidelijke vrouwelijke demon.
hertentweeling: mogelijk een toespeling op Hooglied 5:4, dat de borsten van de geliefde vergelijkt met twee herten.
“de eenheid van de Eeuwige”, “dat berg en dal Hem toezingen”: verwijzingen naar dagelijkse gebeden.

 
 

146. Wraak

In het bos daar loopt een inboorling;
Voor de verkoop in de stad zoekt hij één ding:
Kokosnoten.
Voor een grote
Boom, tjokvol met noten, blijft hij staan: een lust voor ’t oog,
Maar wat is hij hoog!
En hier is vast niemand met een ladder in de la.
Als hij verder kijkt, zegt hij, ‘Aha,
In de boom zit ook een aapje. Allah zij geloofd!
Straks krijg ik de noten en ik val niet op mijn hoofd –
Ik ben toch niet meer zo goed ter been!’
Wat doet hij? Hij mikt en treft het aapje met een steen.
’t Boze aapje bijt een noot af, dan
Gooit het die hard naar de man.
‘Dank je voor die noot, die wil ik houden!’
Zegt de oude,
Die goed stand kan houden.
Nog een steentje, nog een scheur,
En daar landt de fine fleur.
Zo is er een oorlog gaande:
Hij gooit steentjes naar het aapje, hem een oog uitslaande,
En het aapje wreekt zich goed
(Wraak is zoet).
Wraakacties zijn doorgeschoten,
Tot de inboorling naar huis kan met zijn zak vol noten.

 
 

147. De spiegel en de engel

Voor het spiegelglas
Staat een wiegje pas,
In dat wiegje slaapt een kind.
En de engel met de vleugels als de regenboog getint
Staat bij het bed en weeft voor het kind een droom
Van de honingdraad die rond zijn mond vloeide als room,
Toen het kind nog in de Hof van Eden in een dadelpalmpje zat
En daar van een dadel at;
Die draad pakte de engel toen op, waarna hij weer verdween.
Nu weeft hij daarvan geluk, want ze zijn weer bijeen –
Glimlachend komt hij het overbrengen.
En de spiegel zegt: ‘Je straalt! Ben je gelukkig, engel?
Ja, ik gun het je, ik gun het je met heel mijn hart,
Ook al ken ik in mijn leven veel minder geluk dan smart.
Kijk, ik ben een kunstenaar, een schilder dat ben ik:
Wat ik zie, dat schilder ik.
Nu beeld ik het kind af in zijn wiegje: kijk eens hoe nauwkeurig!
En die kleuren: kijk hoe licht en fleurig,
Alsof ik geen glas was, maar kristal!
Ik hoop op een woord van dank, een complimentje bovenal!
Komt de lof pas na het afscheid van dit tranendal?
Is het dan: over de doden niets dan goeds, die hebben veel krediet?
Liever niet!’
‘Spiegel, spiegel, trek het je niet aan!’
Zegt de engel met een glimlach, niet ontdaan,
‘Jij schildert precies volgens de regels, met veel schroom,
Maar dat is te weinig: ben je kunstenaar, toon dan de droom!’

 
 

148. Verlangen

‘Uit de diepten roep ik, roep ik tot jou, o mijn hart!
Ik ben ziek en duister is het hier en zwart!
En ik kan het niet begrijpen en ik heb het nooit verstaan
Hoe en waarvandaan
Ik de notie heb gekregen
Van jou en van jouw bestaan!
Ja, ik weet het, ik had veel beter gezwegen
Dan onwaardig jouw naam uit te spreken.
Maar jouw lichte hart is steeds ontvankelijk gebleken
Voor de roep en passie van het allerkleinst bestaantje,
Jij, jij zult niet misverstaan wat ik, een nietig traantje
Van een zieke zeeschelp, neuzel.
Ik lek, treuzel
En verlang naar jou, mijn godsidee!’
Zo huilde een parel in de zee.
En toen men haar uit de zee had opgevist
En ze zich met anderen verenigd wist,
Was haar groot verlangen nog gestegen,
Werd zij aan een zijden snoer geregen,
En door de vorstin van de drie zeeën
(Met een zwarte haar-zee en twee ogen-zeeën)
Op de schat van haar verlangen,
Op haar meisjeshart gehangen –
Zonder dralen
Werd zij met haar zusjes warmer en begon te stralen
In het licht waarnaar zij zo lang smachtten –
Samen met het hart begonnen zij nu op een hart te wachten.

 

“Uit de diepten roep ik tot jou”: een toespeling op Psalm 130:1.

 
 

149. Boven de zee

Is de nacht een goede, stille moeder? Ja, ze stemt tevree.
Als een moeder haar zoon, zo omhelst de nacht de zee.
En ze luistert naar hem, ze luistert geboeid.
En de zee heeft zich vermeerderd, is gegroeid:
Alle zeven dagen tegelijk.
En bevrijd van het getallenrijk.
Is de zee een ruwe hemel, die niet hard geworden is?
Nee, een droompje ongewis,
Droompje van oneindigheid.
En daarboven in de openheid
Zwemt de maan,
Zwemt daar baan na baan aandachtig en kalm aan:
Rustig aan
Zwemt en zwemt de maan.
’t Is de nacht die haar nu wenkt,
Wenkt met een stem die niet spreekt, maar denkt:
Stil!
En de maan vraagt wat ze wil.
En de nacht zegt dan verfijnd
Met een stem die niet spreekt en niet denkt, maar schijnt:
‘Doe er ’t zwijgen toe!’
De maan vraagt: ‘Waarom dan? Waarnaartoe?’
En de nacht zegt welbespraakt
Met een stem die niet spreekt en niet denkt, niet schijnt, maar waakt:
‘Ssst!’
De maan antwoordt: ‘Luider! Ik heb het gemist!’
De nacht gaat nu sterren sproeien:
Luider? Wie kan dan nog luider loeien?