Fabels 122-128

photodune-6782658-hebrew-bible-xs-300x199 (1)

 

Eliëzer Sjteinbarg

 
 

Alef, bet

122. G
123. De illustere figuur
124. Het debat
125. Het vraagteken en het uitroepteken
126. De droom
127. Het puntje van de joed
128. I

 
 

Letters

 

Van letters word je knap.
 
 

Alef, bet

Tot de alef zegt de bet:
‘Jij of ik, wie wordt vooropgezet?
Ik natuurlijk, want je ziet:
Ik begin in “beresjiet”,
En punt twee:
Ook in “chochma-bina” doe ik aardig mee.
Daarom vraag ik, jochie,
Waarom ben jij eerste in het alfabet
En waarom ben ik daar dan niet neergezet?
Jij begint alleen maar in “anochi”!’
‘In “anochi”, maar ook in “ata”!’
Luidt het antwoord met veel logica.

 

beresjiet: “In het begin”, de aanhef van de Bijbel.
chochma-bina: “wijsheid en intelligentie”, twee kernbegrippen uit de joodse mystiek.
anochi: “ik” (dat wil zeggen: God), het eerste woord van de tien geboden.
ata: jij.

 
 

122. G

Weet je wie een keer een zonde beging in de hemel?
Gimel!
Zij, het voetje, o zo schattig en charmant,
Sprong heel graag een beetje uit de band
En ging met de samech dollen.
‘Kijk,’ zegt ze, ‘ik laat het rondje rollen!’
Als een kogel slingert ook de joed.
Is er meer nog wat de gimel doet?
Ja, daar staat reb tsaddik, verdiept in zijn heilige gebeden,
En het voetje voor de grap
Geeft hem bij toeval een trap.
Ja, reb tsaddik beeft toch even
En voelt daarna iets vurigs opleven
Als zij met haar knie beroert zijn leden:
‘Neem me maar niet kwalijk! Ik ben uitgegleden!’
‘Strijkstok!’ roept ze naar de lange noen,
‘Ik val en hij helpt niet: geen manier van doen!’
En reb tsaddik zegt verward: ‘Dit mag niet, geen seconde!’
En hij voelt al de opwinding van de zonde.
Alle sterren mompelen en wenken naar elkaar, een heel gewriemel,
En de engel van de dood nadert nu, grijpt de gimel
En maakt aan zijn zolen dan twee wieltjes vast: een tsere,
Waarna je hem hoort scanderen:
‘Vanaf heden ben je tsere gimel: geej!’
Sindsdien zwerft het voetje als een dwergje hier benee,
Over land en over zee,
Onder tafels, onder banken,
Danst bij feesten op de planken
En op grafstenen op alle hoeken
En zelfs tussen regels van heilige boeken.

 

gimel: de g, de derde letter van het alfabet, in de vorm van een onderbeen met een voetje.
samech: de letter s, in de vorm van een cirkel.
joed: de letter i of j, in de vorm van een punt.
tsaddie/tsaddik: de letter ts. De vorm lijkt op een gebogen gestalte. “Tsaddik” betekent ook: vrome man.
lange noen: de letter n, die aan het eind van een woord een lange staart krijgt. Hij staat aan het eind van het woord en kan als het ware niet van zijn plaats komen.
tsere: een klinkerteken (twee puntjes naast elkaar) dat onder een medeklinker geplaatst kan worden en dan de klank eej weergeeft.
tsere gimel: een g met een toegevoegde ee-klank. “geej!” betekent ook: “ga!”
“tussen regels van heilige boeken”: in religieuze teksten worden alle klinkertekens geschreven, in niet-religieuze teksten vaak niet.

 
 

123. De illustere figuur

Waar heeft dit verhaal zich afgespeeld, op welk gebied?
Nee, kindertjes, jullie raden het toch niet!
Want de hemel en de aarde vallen af:
Het was in de siddoer, op het kopje van de waw.
Die plaats werd eens, vreemd genoeg, door een chirek bezet:
Eerst, zo zeggen sommigen, nam hij als stoel een chet
En sprong er zo op, maar anderen beweren
Dat een vlieg in zijn mond kwam parkeren,
Die hij toen uitspuwde,
Waarna de zaak luwde –
Zo krijg je door toeval een verheven naam!
Eerst vond hij het boven heel onaangenaam.
Waarom? Ach, misschien wel door het onbekende.
Maar toen hij uiteindelijk wat wende
En ook nog een nieuwe naam kreeg: cholem,
Werd hij vrolijk, arrogant en zelfs gezwollen:
Hij begreep de kleine wereld echt niet meer
En keek uit de hoogte erop neer:
Patach, segol, ieder toch een broer,
Ook in de siddoer,
En de tseree en de kamets,
Allemaal van lager orde: chamets!
En zelfs reb meloepem, al was deze dan
Volgens mij dezelfde mooie man,
Maar een beetje lager dan hij in de regel:
Ook van die meloepem werd hij meestal kregel,
Al had die zijn vaste stek.
‘Volgens mij,’ zegt hij ook, ‘vind je wel een plek
Waar elk van deze illustere figuren stoorde!’
(Moet je horen: wat een mooie woorden!)
‘Zorg maar dat jullie naar de heilige plekken
Trekken,
Alles is er rein en schoon, wat willen jullie meer,
Chirek-mirik-sjoeroek? Maar het spijt me zeer,
Hier is echt geen plaats voor waardeloze dingen.’
Dit begint toch wel te wringen.
En de patach roept: ‘Ik zei het toch?
Hoe lang blijft die chirek boven nog?’
Reb meloepem kijkt benard,
Want hij heeft het altijd aan zijn hart.
‘Poe,’ zegt hij, ‘poe poe,
Moe…’
En onder een joed gevouwen
Bromt de kamets onbehouwen:
‘Wat een tijden zijn dit! Chirek zit te vitten,
Wil per se daar boven zitten!’
En de segol, heel erg krom,
Loenst eens naar de anderen en zegt dan met aplomb:
‘Ja, ik ken jullie wel, heren! Maar ik zeg:
Waar reb chirek weg moet, stuurt men ook reb cholem weg!’

 

siddoer: dagelijks gebedenboek.
chet: de letter ch.
joed: de letter i/j.
chamets: alle resten van gedesemd brood, waarvan het huis voor Pesach gezuiverd moet worden.
chirek, cholem, patach, segol, tseree, kamets, meloepem, mirik, sjoeroek: klinkertekens bij de Hebreeuws medeklinkers. De meeste staan onder de medeklinker.
chirek: een puntje als i-teken onder de medeklinker.
cholem: een puntje als o-teken schuin boven de medeklinker.
meloepem: een puntje als oe-teken links naast de medeklinker.

 
 

124. Het debat

Voor het hele volk heeft een debat
Plaatsgehad
Met de praktisch-slimme bet,
Die met boosheid is besmet,
En de tsaddik, rijk als geen,
Weldoeners van iedereen.
Door ’t debat werden hun weldaden vertraagd, globaal.
‘Als ik een gunst met een gunst betaal,’
Roept de tsaddik, ‘wel, wat doe ik dan?
Is wie zijn schuld afbetaalt een man
Die een gunst bewijst?
Nee, je vijand tot broer maken is het wijst:
Dus betaal voor steen met zoete koek!’
‘Jij komt wel heel goedgeefs uit de hoek!’
Valt de bet hem in de rede,
‘Dan zullen velen tevreden
Met een stapel stenen koeken komen kopen.
Ja, dat zaakje zal wel lopen!
Maar het slechte cultiveren met koeken en vruchtentaart
Is financieel echt geen haalbare kaart.’
‘Hoezo?’ zegt de tsaddik, ‘vind je dat te duur?
Dan vraag ik jou: blus je liever vuur met vuur?
Wil je het kwaad met het slechte overwinnen?
Ik zou me maar eens bezinnen!
Jij gooit olie op het vuur, dan weet je het!’
‘Ja, te veel is altijd slecht,’ antwoordt de bet,
‘Engelen bestaan alleen maar in de hemel!’
‘Weet je wat: we vragen het de gimel!
Omdat die in Gods naam vooropstaat,
Kent die de geheimen wel van goed en kwaad.’
Daarom gaan ze naar de gimel en ze vragen raad,
Welk idee van goed en kwaad hij ondersteunt.
En de gimel luistert, denkt en kreunt.
‘Waarom kreun je zo vol smart?’
Vraagt de tsaddik, ‘dan breek je ons hart!’
En de gimel zegt: ‘Ik kijk hoe men het doet
En denk bij mezelf: goed met goed, slecht met goed,
Dat is moeilijk te bepalen.
Maar probeer voorlopig niet goed met slecht te betalen!’

 

bet: de letter b, in het Jiddisj uitgesproken als “beejs” lijkt op “beejz”: het boze, het kwaad.
tsaddik: de letter ts. “tsedaka” betekent “liefdadigheid”.
gimel: de letter g.

 
 

125. Het vraagteken en het uitroepteken

Deze twee:
De gebochelde meneer Vraagteken
En die lange arrogante, die van spreken
Altijd schreeuwen maakt, want dat is zijn métier:
Meneer Uitroepteken,
Moesten voor de eerbiedwaardige autoriteiten,
De o zo verstandige drie puntjes, hun standpunt bepleiten;
Over waarheid ging het heen en weer.
‘Ik ben waarheid!’ riep de lange heer,
‘Voor de waarheid strijd ik als een leeuw,
Waarheid ligt in luide kreten, in geschreeuw,
Voor de waarheid lijd ik en ik kies partij!
Waarheid is bij mij, bij mij!’
‘Waarheid is bij jou?’
Vroeg het Vraagteken, ‘hoe kan dat nou?
Is dat een vergissing, buur, vandaag?
Wat is waarheid? vraag ik, een vraag in een vraag.
Is het iets wat in een kringetje ronddraait
En dan ergens op een stuk papier komt aangewaaid?
Is de waarheid soms een raadsel dat, verborgen in het zwart
Van het menselijk oog, iedere beschrijving tart?
Vindt de waarheid zich rechtvaardig? Is ze niet ontsteld
En moet ze niet, door zichzelf gekweld,
Diep gebogen
Alles wat zij uit wil schreeuwen onderdrukken naar vermogen?
Rusten er geen droeve vragen en problemen van gewicht
Op haar bleke aangezicht?
Is de hele wereld geen vraagteken?
Kan dat aan de waarheid wel ontbreken?’
De drie rechters van de raad
Gingen daarop in beraad,
Elke uitspraak werd gewogen en geduid,
Daarna spraken zij een oordeel uit.
En een beitel met een scherpe rand
Beitelde toen in de rechterkant
Van de grote torenklok
Iets wat elke nacht moest klinken uit de hoogste nok:
“Uitroeptekens elke keer
Halen steeds de waarheid neer!”

 

*

Willen jullie mij niet geloven? Kom dan, zie:
Hier staan deze rechters nog steeds, alle drie…

 
 

126. De droom

Vele soorten vogels zijn er, legioenen.
Ik wil nu vertellen van een groene,
En die kwam een witte op het spoor.
Maar eerst leg ik je een raadsel voor.
In de hemel is hij wel,
Op de aarde niet,
Wel bij Mechele melamed, zoals je hier ziet.
Ja, een lamed, dus een l.
Goed geraden, hoor!
Nu zijn we de fabel op het spoor.
In een droom zag ik met eigen ogen
Hoe een witte ooievaar kwam aangevlogen;
En hem tegemoet van ‘t huis van Mechele de melamed,
Door de schoorsteen, op een fluwelen servet,
Vlogen daar een hee, een joed, een mem, een lamed.
En die lamed
Was een groene ooievaar die op één pootje stond.
Groen, kan dat niet? Maar het was een droom en dromen zijn soms bont!
Beide ooievaars die strijken op het dakje neer
Van de oude heer
En ze groeten met een buiging voor elkaar.
‘Waar kom jij vandaan als Gods dienaar?’
Vraagt de groene met een weids vleugelgebaar.
‘In de hemel pleeg ik op een wolk te zitten,’
Zegt de witte.
‘In de hemel? Ja, daar ben ik ook geweest,
Maar ik heb je beeld niet voor de geest.
Je was zeker aan het zwerven, ooievaar?’
‘Nee, mijn hemel is niet daar.’
‘Nou?’
‘Ik kom niet uit die van jou.
Nee, mijn hemel die is blauw en hoog en breed
Met zwart wolkenkleed,
Waaruit rode bliksemschichten knetteren.
En jouw hemel zijn de dode letteren!’

 

*

Deze droom is klaar.
En je weet: een fabel en een droom hebben iets met elkaar.
Stel je voor: dat droomgezicht heb ik in werk’lijkheid ontwaard,
Toen ik met heel veel geürm
En per ongeluk eens trapte op de staart
Van een lange boekenwurm.

 

melamed: leraar.
hee–joed–mem-lamed: de letters h-i-m-l, “hemel”.

 
 

127. Het puntje van de joed

Ik wil iets vertellen: wilt u dus niet meer rondlopen?
Slaat u eens een boekje open,
Zoek daar dan een joed en kijk ernaar:
Op zijn hoofdje zit een streepje daar,
En daar vind je
Een soort puntje,
En dat lijkt een vleugel met een voetje aan het eindje
Van het neusje van uw kindje, ja dat kleintje,
Dat kan zorgen voor hilariteit.
En dat streepje noemen we een rariteit,
Of het puntje – dat is goed –
Van de joed.
Midden in de nacht, je hebt je ogen toe,
Mompelt dat puntje opeens: ‘Moeilijk gedoe!
Met een grote gooi
Maak ik grote zooi,
Alles door elkaar
Met een hoop misbaar.’
En de letters in het boek beginnen nu te wiegen
En elkaar in de haren te vliegen:
Niemand wil – geen denken aan –
Naast de bet gaan staan.
En ze mompelen: ‘Ajakkes,
Naast dat bakkes!
Dat past eerder bij het boze!
En de gimel schopt om ergernis te lozen
Tegen alefje. ‘Vooruit, we zijn geen vrienden!
En wie is toch die bediende,
Wat een type, ik lach me een ongeluk:
Twee emmertjes aan een juk!’
En de reesj, die rijke man,
Vindt dat hij niet op één regel met de dalet kan.
‘Hoe komt die hier?’ roept hij, ’t is een armoedzaaier!’
Maar het antwoord: ‘Hij maakt heel wat woorden fraaier!’
Nee, het helpt niet! Hij blijft fulmineren
En de lange tsaddik wil niet stilstaan naast de “heren”.
Waarom is dat dan? ‘Daarom.
Die vent heeft geen hart, hij is een schurk, wat ik je brom!’
En de lamed-wow die blijft wat achter, want zijn voetje is zo sloom
In “sjaloom”.
‘God zij met jullie, ik loop bedaard!’
‘Maar wat is zijn “sjaloom” waard
Als zijn sjin staat in het woord voor zwaard
En zijn memmetje zit in de klem
Bij de duivel: samech-mem?
Je vindt het ook in het woord voor “wraak”,
Ook in “oorlog” is het raak
(Al is het daar onopvallend in gevlijd.)
En de sjin wordt als een waaier uitgespreid,
Als de staart van een kalkoen,
Met de kof samen wil hij niets doen:
‘Nee, die kof is niet zo koosjer, dat is zeker:
Die moet naar de dokter en de apotheker!’
Zo ruziën alle letters in de woorden,
Vluchten naar andere oorden,
En ze zijn al afgesplitst.
Tegen één letter wordt veel gehitst
Door de zetters in de grote drukkerijen.
Hij kan daar niet echt gedijen,
Over hem zijn hele veten,
Jongens, dat wil je niet weten!
Maar als het is voorbeschikt, dan komt het puntje goed
Op de hoed.

 
 

128. I

Tsaddik, o mijn tsaddik, die is je van het
In mijn kleine alfabet!
Hij is wel krom, op het oog,
Maar baadt zich iedere morgen in de regenboog,
Lang en slank komt hij dan uit het bad
En begeeft zich op een gouden blad
Direct naar mij toe
Voor een aai en nog meer speels gedoe.
Daarna vraag ik hem naar nieuws en sterke staaltjes
En hij glimlacht en vertelt verhaaltjes.
Een ervan wil ik hier nu berichten.
Op een dag wilde chirek gaan dichten.
Je wilt heel graag in lyriek iets kwijt,
Dat gevoel wordt dan een soort afwezigheid,
Waaruit een gedicht opdoemt,
Ook ontboezeming genoemd.
Iets ongrijpbaars wil er op papier,
Maar de vraag is: hoe krijg ik het hier
En hoe houd ik de regie?
‘I!’ De chirek heeft zo’n drang van binnen
Om iets nieuws, iets spannends te beginnen.
In zijn punt
Hang naar avonturen, onverdund –
Ik werd wakker op het kopje van de patach-sjin
En toen in het holst van moeder nacht,
Door het maan-geheim en sidderpracht,
Had verlangen mij bewogen,
Ik was tot de droom, het hoogste punt, gevlogen
Tussen deze wereld en die hoge,
Tot de pupil van Gods ogen,
Die in dromen ligt verzonken
Zoals dauwdruppels in bloemen blonken,
En mijn diep verlangen had hem toen gewekt,
Als een vonk door een balg die zich strekt,
Hij ontwaakte met de kracht in hem ligt,
In de sterke dagesj vloog hij als een schicht,
In de dagesj van de wereld, soeverein,
Die niet branden kan van pijn,
Had ik me met hem verenigd
En eeuwig de nood gelenigd:
Eenheid en voorgoed!
Maar doe ik daaraan wel goed?
Misschien moet ik met de sjin van storm naar voren
Om me te bewegen naar de hoge toren,
Naar de stalen waw
In de spits, die leidt de bliksemschichten af,
En vandaar steeds feller rood te gloeien
En in onweders dan donderend mijn “i” te loeien?’
Wat een taal, ’t is ongehoord!
Maar tussen het woord
En de daad
Zit nog een hiaat:
Regen, vorst en harde winden.
Aan het einde van de wekentijd is hij te vinden,
Wandelend al op de groene zomen,
Waar de gouden letters dansen tussen bomen,
En daar ziet hij een chirekje onder een zajin.
Nu doe ik mijn eigen zin
En ik filter de geschiedenis
Tot substantie over is,
En ik zie:
Zij zingen een ander liedje en dat is niet “i”,
Maar iets anders: “eej”!
Tseree, zajin, zeej:
Zo klinken ze met hun twee!
Dan gaat er echt geen jaar overheen,
Want het derde komt meteen
En dat speelt een grote rol.
De tseree wordt namelijk segol.
En die segol, doet die mee
Aan lyriek? Kritiek? O, nee!
Eerst was er een puntje – ik bespaar ’t je –
Nu twee begerige oogjes met een baardje.
Begerig? Naar wat? Wat trekt hem aan?
’t Is de kern van het bestaan,
Dus het drietal vet en bed en pret!
Meer niet, wat dan nog?
Hij verkoopt zich aan de duivel nog, dat joch,
Voor een bagel!
Dat was het verhaaltje van de chirek, zo werd die een segol.

 

waw: de letter w in het Hebreeuws en Jiddisj.
zajin: de letter z.
tsaddik: de letter ts.
sjin: de letter sj.
Letters kunnen worden voorzien van een klinkerteken:
patach (een liggend streepje onder de letter): de klinker a.
patach-sjin: “sja”, wat betekent: “stil!”
chirek (een puntje onder de letter): de klinker i.
tseree (twee puntjes naast elkaar onder de letter): de klinker ee.
segol (drie puntjes – twee naast elkaar en een eronder – onder de letter): è.
dagesj (een puntje midden in de letter): versterkt de letter (medeklinker).