Fabels 110-121

44888 (1)

 

Eliëzer Sjteinbarg

 
 

Heren

 

Ik zie altijd waar hij thuis is

 

En dat voor een heer

 

110. Heren
111. De ramp
112. De angst
113. Simpelmans
114. Het toppunt
115. Het varken en de kraai
116. Het varken en het paard
117. Het varken en de nachtegaal
118. Smerig zwijn
119. Het wanhopige varken
120. Boven de trog
121. Het varken en de haan

 
 

Heren

Ik zie altijd waar hij thuis is:
Ereplaats aan tafel in ’t moeras;
Hij is de volvette heer des huizes,
Door mijn sjtetl gaat zijn pas.

 
 

En dat voor een heer

’t Varken komt op een mooi erf met groen,
Doet wat het moet doen,
Zoekt wat met zijn snuit,
Rochelt ontevreden: ‘Bah, er is geen fluit!
Ik ben hier heel erg teleurgesteld:
Geen trog en geen vuilnisbelt,
Niets dan steen en gruis.
En dat voor een heer! Op naar ’t fornuis!’

 
 

110. Heren

Misschien kent u ze: reb Fiessel-Fessel
En reb Essel-Fressel;
Deze heren zijn twee varkens, oudgedienden,
Die zich aan de trog steeds goed bedienden;
Ronde buikjes, maar de snuitjes ergeren zich groen en geel.
(Heb je geen problemen, maak je je zorgen om het geheel!)
De trog is nu leeg en alles is opgesoupeerd.
Om te zorgen dat het eten goed verteert
Gaan ze liggen praten over alles, over iedereen,
En dat praten is ook roddelen meteen.
Eerst over de oude knol, die graag trapt tegen poten.
Dan over de buurman, dwaas als alle plaatsgenoten,
Die een winkel moest beginnen,
Maar de klanten weghoudt, want hij laat geen varken binnen.
De koe en het kalf worden ook niet vergeten,
Daarop zijn ze erg gebeten:
Zo de moeder, zo het kind!
Nu de honden, onbemind:
‘Hier kun je de straat niet door!’
En reb Fiessel-Fessel kankert door:
‘Als er één blaft, dan blaffen ze allemaal!
Karikaturaal!
Elke dag breekt de stok hun poten doormidden,
Maar denk niet dat ze uit inkeer bidden:
Zij zien altijd dieven, iedere seconde!
Alles heeft een grens, behalve de brutaliteit van honden:
Die blaffen zelfs nog tegen de maan!’
‘Naar de hemel taal uitslaan!’
‘Ja, dat heb ik zelf gezien, en het is dinsdag, weet je wel?’
‘Niets gebeurt er! Waar is Gabriël
Met zijn stok? Waar? Want het is een zootje,
Heel de wijk die gaat hier naar zijn grootje!
Kom, we maken een hoop herrie, alle honden hiervandaan!
En dat er nog varkens leven zeggen we de maan!’

 
 

111. De ramp

Zomer in het dorp. Roerloos de lucht.
Is de sjabbat soms naar de woensdag gevlucht?
Alles dromerig, beneveld, en de zon is heet.
Ergens in de verte opent de hemel een spleet,
Laat daaruit een kraai vertrekken,
Die zich uit begint te strekken zoals soms een uur zich uit kan strekken
Als je wachten moet, maar geen geduld hebt. Kijk, een bliksem flitst!
Nog een ogenblik – een regenbui verfrist!
Na die grote hitte is de frisse regen
Een verkwikking en ook voor de ziel een zegen:
Deze regen komt gelegen.
Maar er klinkt een wild geroep,
Varkens rennen rond als gekken, dan schreeuwt heel de groep:
‘Wolken, knor, knor! Wolken, knor, knor! Wolken, knor!’
‘Waarom schreeuw je je toch schor,
Waarom?’ vragen dan de honden.
‘Hoor je dat geluid dan niet? Alsof de keuken gaat te gronde!’
‘Wolken? Nou en? Waarom maken jullie die grimassen?’
‘Dan moeten we douchen en ons wassen!’
Roept de hele zwijnenbende.
‘Ja, wij voelden het vanochtend al! Wat een ellende!
Nee, merci!
Iiii!’
Ja, de varkens krijgen een wasbeurt in deze regenvlagen
En zo snel hun poten hen maar kunnen dragen
Hollen ze naar modderkuilen
Om zich voor de regen te verschuilen.

 
 

112. De angst

Heel terneergeslagen, zijn kop naar de grond,
Alsof hij iets ernstigs ondervond,
Of zijn zieke lichaam doet ontzettend zeer,
Loopt het varken maar heen en weer.
Vraagt het paard: ‘Heer Zwijn, bent u gezond?
Ik hoor maar geen blij geluidje uit uw mond.
Komt dat huilen u ten goede?’
‘Helemaal niet. God verhoede!’
‘Wat dan?’ ‘Broer, enorme pech.
Ach, en al die pech gaat ’s nachts niet weg.
Hopen voer, een berg van rijstebrij –
En voor wie zijn die bestemd? Ze zijn alleen voor mij.
Maar ik kan niet kiezen, zonder dat ik me doorsnij –
Bang dat jij iets krijgt van al die lekkernij!

 
 

113. Simpelmans

‘Bij dezen kom ik u een fijne feestdag wensen.
U denkt: hij is het vast vergeten! Goeiemensen!’
Dit is hoe reb Langoor reb Zalman groet,
Nu hij hem bij de deur ontmoet.
Maar Zalman die knijpt dicht zijn neus
En roept: ‘Schiet op! Loop naar de duivel, kneus!’
Hij vloekt erbij en spuwt.
‘Waarom,’ vraagt nu de gast, ‘word ik hier weggeduwd?
Waarom die boosheid? Moet ik eerder komen?
Nou graag, als u dat wilt zal ik niet schromen:
U bent in huis de enige!
Ik moet nog naar een hele menigte:
De rov,
De dajan, en de meester in de hof,
De chazzan en de slachter
Achter,
En Godl de koetsier, hier in de stad,
Een gastvrij man is dat,
Die toch nog van een boerderij geniet –
Je moet geen ruzie maken, vindt u niet?
Je moet je overal vertonen.
Niemand wacht dus op mij voor spek en bonen
En laten wij elkaar nu goed verstaan:
Er is altijd een reden om te gaan,
Want –’
Maar nu heeft Zalman in zijn hand
Een hout van aanzienlijke grootte
En slaat op de koosjere poten!
Het varken holt naar huis, halsoverkop.
En Simpelmans gaat met zijn maten
Deze gebeurtenis bepraten.
Hij knort: ‘Wat vinden jullie, als je dit zo ziet?
Een lichtgeraakt persoon! Excuses hielpen niet!
Een stuk hout, wel zó lang!
Maar toch niet schuldig:
Waarschijnlijk wachtte hij al ongeduldig.
Daarom zeg ik nu in ieders belang:
Voortaan je wensen al bij zonsopgang!’

 

rov: rabbijn.
dajan: deskundige in de joodse religieuze wetgeving.
chazzan: voorzanger.

 
 

114. Het toppunt

Evert Zwijnstra wilde ergens op bezoek gaan, naar het scheen –
Goten ze een stroom verwensingen over hem heen,
Op zijn kop, ook als een soort van tegengas!
Denkt u nu dat hij beledigd was?
Dan kent u hem niet. Want in een prima sfeer
Wandelt hij, de heer,
Rochelend en kalm,
In zijn walm,
Weer.
Houden ze hun neus dicht en ontsteken ze in woede?
Laat ze! Hij is niet ontmoedigd, God verhoede –
De remedie: ’t rituele bad!
Want een kwestie van fatsoen is dat!
Hij is bij zijn doel,
Heeft gevonden wat hij zocht: een modderpoel.
Na goed rondgerold te hebben gaat hij verder als flaneur
Met een heerlijke odeur.
Maar contact met anderen is niet meer voor hem weggelegd.
Er vliegt zelfs een steen! Dat is vervelend, en hij zegt:
‘Dit is het toppunt! Hoe meer ik doe aan hygiëne,
Hoe meer zij gooien met stenen!’

 
 

115. Het varken en de kraai

Pas op, kinderen, en maak ruim baan,
Want daar komt de dikzak aan!
Wat een herrie maakt hij en wat is het dat hij zegt?
Hij is kwaad op alles, want er heerst geen recht.
‘Wie zorgt er dat alles schoon is?’ roept hij, ‘ik!
Waar het smerig is werp ik een blik,
Controleer – het helpt niet, maar het is mijn plicht.
Kom ik op een erf, krijgen ze mij in ’t zicht,
Moet ik op de vlucht slaan voor vijanden.
Vaak wordt er gevochten: wat een schande!
Ja, men is ondankbaar. Heb ik niet genoeg geharkt
En gereinigd op de markt?
Moet ik dat bekopen?
‘Nee hoor,’ zeggen ze, ‘je kunt hier rustig wat rondlopen!’
Ik ga dus mijn eigen gang,
Doe mijn werk hier zonder dwang
En ze hoeven me niet eens te vragen.
Maar mij slaan? Waarom word ik geslagen?’
‘’t Is niet fraai!’
Roept reb Kraai,
Die komt vliegen over dalen, velden, parken
En landt op de rug van ’t varken.
‘Ja, ze zijn heel slecht en wreed:
Hier miskennen ze mij, hun profeet,
Want ze gooien stenen en geen brood!
Idioot!
Broer, ga mee naar het Beloofde Land, hier is het om te rillen,
En we horen wel of men ons mist in de kehilles!’

 

kehille: joodse gemeente

 
 

116. Het varken en het paard

Kijk:
Het paard en het varken geven blijk
Van waardering voor elkaar als goede buren:
‘Buurman bij de trog, een goedemorgen!’
‘Buurman bij de ruif, een dagje zonder zorgen!’
‘Volgens mij vertoont de zon vandaag wel kuren:
Als een jonge merrie dartelt ze over de wegen,
Dat betekent regen.’
‘Rochel! Daardoor raak ik niet van streek:
God laat nooit Zijn varkens in de steek.
Laat maar regenen, want dat betekent modder, lekker vies!
‘Ja, precies!’
Blaast het paard bezorgd door zijn neusgaten,
‘Daardoor raak ik juist in alle staten!
O, die modder! Dan raak ik van hoef tot oor besmeurd!’
‘Is het dan zo erg dat dat gebeurt?
Paardje, doet dat jou dan geen plezier?’
‘Jij hebt het over plezier? O nee, zoiets zit me tot hier!
Ik heb vandaag nog een lange weg te gaan!’
‘Rustig aan!’
‘Jij hebt makk’lijk praten, maar mij staat het tegen,
Altijd maar die regen
En die wegen, o, die wegen!’
‘En wat is er met die wegen?’ ‘Die zijn toch een modderpoel?’
‘Nou en? Echt een paard, zonder gevoel!’
‘Echt een varken, met die varkenspraat!’
‘Moet je zien: nu wordt hij kwaad!
Op je nuchtere maag al een confrontatie!’
Zegt het varken en zoekt een moddertraktatie.

 

*

Later tot het paardje zegt de wagen:
‘Broertje, laat je toch niet op stang jagen:
In de modder heeft een varken niets te klagen!’

 
 

117. Het varken en de nachtegaal

Zachtjes! Geen geluid! Blijf even staan!
Stil! De nachtegaal die slaat nu aan:
‘Kwik, verkwik het hart, verkwik,
In mijn schik!
Heerlijk is dit ogenblik!
Kwik!
Blik na blik
Vliegen we terug, zo kwiek, zo kwiek!
Bliksemschicht gaat snel!
Als nu niet, nu niet, nu niet, wanneer dan wel?
Zing een villanel!
Opgeveerd!’
Hemel, open u! Waarom gekwinkeleerd?
Wees nu stil en stoor hem niet,
Niet voor and’ren is zijn lied,
Maar zijn psalm is voor hemzelf alleen;
En meteen
Hoor ik een klein vogeltje gevangen in een cel,
Zo benauwd en in de knel,
En het wordt onwel –
Buiten adem moet het meelijwekkend hikken
Tot zijn eigen zieltje, moet zijn eigen zieltje hem nu laten stikken,
Hem voor eeuwig laten stikken in een traan?
Hoor eens aan
Hoe het sterker, helderder nu wordt:
Sterren dansen op een bord!
Halleluja! Ergens resoneert een snaar,
Dit geloof is diep en waar!
Tss! Daar vloog een cherub licht
Door de lucht om al die zangen
Op te vangen,
En omhoog draagt hij die zangen allemaal
In een vurige bokaal. –
Meneer Knorrestein, de heer des huizes, welgesteld, gespekt,
Doet een tukje met zijn koosj’re pootjes uitgestrekt,
Moet dan gapen en komt overeind,
Waarbij heel zijn onderkin gezellig deint;
Geeuwend zegt hij: ‘Burp!’ en laat een grote boer
En dan vraagt hij: ‘Hé daar, nachtegaaltje, ouwehoer,
Wie was toch je zangleraar?
Burp! (twee fijne boeren zomaar na elkaar!)
Zing maar, bastaardje, ik zal je niet vergeten!
Als jij zingt, verteert mijn maag beter het eten!’

 

koosjere pootjes: het enige koosjere zijn de gespleten hoeven.

 
 

118. Smerig zwijn

Smerig zwijn –
Hij mag dan een varken zijn,
Slechtheid hoef je bij hem niet te zoeken.
Je mag op hem schelden en hem zelfs vervloeken,
Maar hij weet: dat vloeken legt hij naast zich neer
En scheldwoorden doen zijn maag geen zeer.
Daarom: kom je op het erf of in de stal,
Ga je eigen gang en geniet bovenal.
Negeer complimenten, complicaties,
Profiteer maar van de situaties,
Tenzij, God verhoede, ze gaan slaan,
Dan voel je vanzelf wel aan
Dat er met een stok niet valt te spotten.
Je gaat weg en houdt je bek. Morgen tenslotte
Kom je wel weer terug, je krijgt echt geen complex.
En hij treft het: bij de deur ligt nu de oude heks,
Ja, die heks, de zwarte kat, en die warmt daar haar poten
En ze wast met zorg haar snuitje, koosjer, onbespoten.
‘Miauw, een gast hier in de stad!
En hoe gaat het met u, meneer Nimmerzat?’
Mauwt ze en haar groene oogjes steken echt.
‘Goed, niet slecht,
Maar het zou nog beter kunnen,’ zegt het zwijn,
‘Zoals in de Bijbel staat.’ Dan loopt hij door en maakt zich klein.
‘Blijf staan!’ roept ze, ‘blijf staan!’ Maar hij loopt al door.
‘Wat moet er dan in de Bijbel staan, druiloor?’
‘Hebben ze daar in de kamer nog de vaten
Ge… gelaten
Met de kool?’
Ze springt op hem af: in dekking gaan is het parool!
‘Jouw gebeente zal tot stof vergaan!
Blijf niet staan!
’t Varkensstaartje is maar truttig
En voor niemand nuttig!’
En zij gaat tekeer op zijn gezicht, bijtend als vitriool:
‘Wil ik Bijbel,’ krijst ze, ‘wil hij kool!’
Smerig zwijn proeft de smaak van de dood
En de zwarte kat lijkt geel en groen en rood.
Hij rent weg en scheldt, niet op de kat met heibel,
Maar de Bijbel
Zit hem dwars!
Daar vindt hij een modderpoel na een heel snelle mars
En koelt zijn geplaagde snuit:
‘Sst, dat met de Bijbel is nu uit!’

 
 

119. Het wanhopige varken

’t Varken: wat een dag was dat vandaag!
Dag of ramp, dat is de vraag!
(Ieder varken zat dan al in zak en as.)
En de eerste die kwaad op hem was:
De boerin.
Waarom? Zomaar. Er stond op het erf een ding met bijna niets erin,
Teiltje, schaaltje, wat het ook geweest mag zijn,
Maakt niet uit, maar zeker weten: zijn pootjes zijn rein.
Hij was niet op het terrein.
Varken maakt een wandeling,
Niet belangrijk is dat ding,
Wel die paar aardappels daarin, hoe dan ook.
Kijk, daar heb je de boerin, ze zwaait al met de pook!
En ze pookt en pookt almaar,
Al krijst hij hier alles bij elkaar.
Dat helpt niet en hij druipt af en zoekt dan vlug
Naar een koele poel, niet voor zijn woede, maar zijn rug.
(Als het brandt, dan brandt het als een vuur!)
Zo belandt hij ineens in de moestuin van de buur.
Dat is niet zo erg en hij vindt ook troost hier –
Zeg nu zelf: beleeft u aan het werken in de tuin altijd plezier?
Dan begint hij in de tuin te ploegen en te graven
Met zijn neus en met zijn snuit, die vrome-brave,
Tien keer beter dan de buurman met zijn schop.
En net nu hij graaft (hij gaat er helemaal in op)
Staat daar buurman met zijn grote stok
En die zet hem voor het blok:
Hij is baas in deze tuin,
Slaat het varken op zijn kruin!
Het varken vlucht naar de kant,
Twee keer is hij al verbrand –
En daar staat een paard uit een gerstzak te vreten.
’t Varken zegt: ‘Smakelijk eten!’
‘Dat kun je vergeten,’
Is het antwoord van het paard.
‘Hoezo? Is de smaak niet goed bewaard?
Laat mij maar eens proeven, alleen proeven uiteraard.’
Hij duwt met zijn snuit en krijgt een schop.
Hij begint te vloeken, legt er nog een schepje bovenop:
‘Hé paard, is het naar je hoofd gestegen?
Dat je mag branden in een vurige regen!
Dat hier alles door een modderzee wordt weggedreven!
Alles moet kapot! Want in zo’n wereld kan geen varken leven!’

 
 

120. Boven de trog

Kijk, daar staat een trog vol met van alles, fijn en minder fijn –
Het is nauwelijks een trog: geen rozengeur en maneschijn.
Een kieskeurig heer eet zich ongans:
Knorremans,
Koosjerpootje, treifebuikje.
Onder ’t kauwen gromt hij: ‘Dit is niet het puikje!
Geen smaak en geen geur heeft dit!
Ik snap hoe het zit:
Voor de beste
Mag je het verpesten.
Voor de koe, de voordringster, de beste zemelen,
Voor dat rotpaard haver uit de hemelen!
En voor mij geldt: als de trog maar vol is, wees niet karig!
Maar ik stik haast, nee, ik ben nog lang niet jarig!
Urgh, ik boer die rommel op!
Ziet mijn baas wel hoe ik tob?
Die staat daar te praten, ’t lijkt hem niet te interesseren!’
Zonder eetlust blijft hij consumeren,
Alles wat hij kreeg,
En hij vreet de trog tot op de bodem leeg.

 

koosjer: ritueel geschikt.
treife: ritueel ongeschikt.

 
 

121. Het varken en de haan

Uit een volle trog propt het zich vol, het vette varken,
En het is te merken
Dat het onderschrijft de verzen: “Gij zult schrokken,
Anders zit gij met de brokken!
Door het eten bovendien
Zult gij langer leven en de komst van de Messias zien.”
Ondertussen komt de rode kraaier aangevlogen
En hij krijst: ‘Wat doe je? Heb toch mededogen!
Vandaag is het vasten, nota bene!
Aan de hemel is vandaag een wilde bezemster verschenen,
Zegt men, en die maakt met vuur hier korte metten,
Zal de wereld op zijn kop gaan zetten,
Slachters huilen, van hun messen vallen bloeddruppels als tranen,
En jij hebt je hoofd nog in de trog! Lijd jij aan wanen?
Maak je je niet druk? Je bent een tsaddik, varken koosjerpootje!’
‘Dwaasheid!’ zegt het varken, ‘ik ga echt niet naar mijn grootje!
Laat het eind maar komen, laat de wereld maar verrekken,
Want een varken vindt altijd nog modder waarin het zich uit kan strekken!’

 

tsaddik: vroom en wijs man.