Fabels 1-36

Detail shot of hammer forging hot iron at anvil

 

Eliëzer Sjteinbarg

 

[Zie in “Eigen literair werk” het essay “Over het vertalen van de fabels van Eliëzer Sjteinbarg]

 

Hamer en ijzer

De vuist

1. De hamer en het stuk ijzer
2. Het slachtmes en de zaag
3. Ongegronde haat
4. De ondergang van de wereld
5. Het paard en de zweep
6. De kus
7. De redding
8. De crimineel
9. De kat en de worst
10. Kikkers
11. De rechter
12. Voor het hemelse gerecht
13. De stok
14. Twee vogeltjes
15. Bij reb Todresl op het erf
16. De adviseur
17. De bajonet en de naald
18. De borstel en de laars
19. De paraplu, de wandelstok en de bezem
20. De tafel die vragen stelde
21. Gods voorvechters
22. Het vlas en de aardappelbloempjes
23. De zwarte radijs
24. Kleerhangers
25. De kater en de flater
26. Meneer Vlegel
27. De zedenmeester
28. Meneer Blaf-Af
29. De hond
30. De kat en de hond
31. Lucifers
32. De naald en de draad
33. Hemden
34. Aaltje en het naaldje
35. Een verhaal zonder eind
36. Geschiedenis

 
 

Hamer en ijzer

Hé daar, hamertje!
Kom maar in mijn kamertje!
Dan zal ik iets wijzen:
Door de zware hamer kreunt en huilt het ijzer.

 
 

De vuist

De hamer die slaat en slaat,
En het ijzer roept om hulp, heeft het te kwaad:
‘God zij met je! Waarom sla je? Ons verbindt
Toch een broederschap? Wij zijn Gods kind!
IJzer zijn wij beiden! Ben je ziende blind?’
‘Broeder? Gods kind?’ lacht de hamer, ‘dat lijkt me niet juist!
Jij ligt op het blok en ik, ik ben de vuist!’

 
 

1. De hamer en het stuk ijzer

Kinderen, de wereld is abominabel!
Bitter ook. Verkwikken we ons met een fabel.
Toen de ijzeren kop van de sterke hamer
Bij de smid Jochanan in de kamer
Sloeg op het stuk ijzer, keer op keer,
Zei hij, gestreng in de leer:
‘Wees verstandig en geduldig,
En zeg tegen niemand: jij bent schuldig!
Weet:
Ik ben niet de schuld van al jouw leed.
Schelden, schreeuwen is meer iets voor ruwe knapen.
Denk nu toch eens na:
Ben ik schuldig, dat ik sla?
Wat ben ik? Ben ik meer dan een wapen
In de handen van de smid?
En de smid, denk jij dat daar iets kwaads in zit?
Je vergist je, op mijn woord!
Want de arme smid, die stikt de moord.
Hij is doodmoe van de slagen
En hij snakt naar rust.
Maar wat moet hij doen? De man is uitgeblust.
Kijk, daar buiten staat een zieke wagen,
En je ziet: zijn linkeras is krom;
De smid zorgt dan dat de as weerom
Gezond wordt en sterk –
Want het dalen van de berg was te zwaar werk.
Maar ook over deze wagen
Hoor je niet te klagen.
Die moet altijd rollen,
Met zich laten sollen:
Hij moet mee waarheen de paarden jagen.
Geef de paarden ook niet op hun kop.
Slepen is zwaar, maar er zit niets anders op.
De zweep die hen slaat is wel geduldig,
Maar is ook niet schuldig.
’t Is een eindeloos verhaal… En de idee hierin:
Schelden, schreeuwen heeft geen zin,
Want begrijpen houdt vergeven in…’
‘Kaïn!’
Roept het ijzer, dat met vuur gaat strooien,
‘Nieuwe hamers en methoden!
Hij slaat dood en is een broer! Goede raad
Voor degeen die mokerslagen ondergaat
Op een aambeeld? Ga nou gauw! Ik dank je voor de eer!
O, die pijn, ik kan niet meer –
Ik wil schelden, schreeuwen, zonder gefilosofeer!’

 

Kaïn: de moordenaar van zijn broer Abel (Genesis 4:8)

 
 

2. Het slachtmes en de zaag

Er zijn van die dagen
Dat een slachter zomaar een blok hout moet zagen.
En vandaag
Ziet het slachtmes bij toeval de zaag
En gebruikt zijn scherpe tong.
‘Kijk eens,’ zegt het, ‘naar dat grove jong.
Wat een tanden, bah, om je te schamen!
Wat een weerzinwekkend rotgezicht heeft hij!
Harde bramen!
Allerhande
Tanden,
Zelfs een hele rij.
Treife is hij, om te janken!
En wat zeg je van zijn uiterlijk? En van zijn houten kleren?
Voor ik deze ruwe bink ga observeren
Wil ik eerst de naam van Hem die mooi en lelijk voortbrengt danken.
Blij ben ik met gladde flanken
Zonder bramen
(Amen),
Op mijn koosjer lemmet nergens vlekken, nergens kloven.
En de vrome reb Elkone neemt (attentie!)
Mij in handen met een heilige intentie,
Met een zegen, een gebaar naar boven.’
‘Ja,’ zegt dan de zaag naïef (bedoelt hij er iets mee?)
‘Zou je mij de vraag voorleggen:
Moet de reb een zagen-zegen zeggen?
Zeg ik: te veel eer.
Nou, dan heb ik het gewoon niet meer!
Ik ben maar een ambachtsman, meneer.
Mijn leventje kent geen glitter,
In de hoek staan is niet bitter.
Nee, ik ken mijn plaats en ben zelf helemaal tevree.
Want ik zaag alleen maar hout in twee.
Maar jij – en dat is niet niks – jij snijdt een hals in twee!

 

*

Dit verhaal heeft geen bijzonder prettige portee:
Nog steeds wordt een zaag, een ambachtsman, gedegen,
Veelal door familie doodgezwegen,
Succes heeft een slachtmes daarentegen,
Eén: het slacht, en twee: het krijgt de zegen.

 
 

3. Ongegronde haat

‘Joine, houd je oren open:
Het wordt tijd om te verkopen.
Deze koe is aan haar eind
En de melkopbrengst verdwijnt.
Haast een uur zit ik al met mijn handen hier omhoog –
Goddank is de emmer niet meer droog.’
Dit zei Chaje-Beile, die haar koe aan ’t melken was.
‘Kom,
Wie is er zo dom,
Wie koopt er nou zo’n karkas,’
Antwoordt Joine, ‘of het moet zijn voor het blok!
Wil je dat ik overleg met slager Rosenstock,
Of met Chajiem Silberhut?
‘Goed!’
Dit gesprek hoort de koosjere koe,
En dan slaan opeens de doodsangst en het duister toe.
‘Moedertje, waar ben je? Kom me helpen!’ loeit het uit haar mond,
Kijk, het slachtmes op mijn hals, straks val ik op de grond!’
‘Geen gedoe!’
Zegt de hond (die staat erbij).
‘Jij bent al heel oud en moe,
’t Wordt tijd voor de slagerij.
Ik ga daar vaak ruiken
En ik kan ook best een fijne kluif gebruiken…’
‘Houd jij maar je bek, jij hondse hond!’
Schreeuwt de koe, die weer wat kracht hervond.
‘Ik berust erin, bijwijlen,
Dat reb Joine en zijn Beile
Mij nu aan de dodelijke slager geven:
Daarmee kan ik nog wel leven…
‘k Weet nog wat mijn moeder, mijn behoeder, zei
Als ze aan haar uiers werd getrokken: ‘k Blijf erbij,
Dochter: melken (het begin)
Sluit het eind (het slachtmes) in.’
Joine heeft gelijk, ik weet waarom:
Melk, daar ging het altijd om.
Jaren heeft hij me gemolken, nu brengt hij me naar de slacht.
Heb jij als wildvreemde hond mij ook al in je macht?
Beste mensen, hoor eens even:
Mijn melk hield hem niet in leven,
Vriend noch vijand was ik metterdaad.
God behoede me voor ongegronde haat.’

 
 

4. De ondergang van de wereld

Op een dag kreeg meneer Hond in plaats van eten een stok toegediend.
Wat dan nog? Misschien had hij die wel verdiend.
Nu niet, maar een and’re keer.
Maar een hond, die leeft van snaaien, die niet naar de bijstand gaat,
En steeds weer het slechte pad opgaat,
Hoe boet die voor fouten van weleer?
Al dat slaag staat meneer Hond niet aan
En hij schreeuwt alsof de wereld zal vergaan.
Tot de buurhond roept hij: ‘Luie donder,
Kom in actie, want de wereld gaat ten onder!
Alles, merk je?
Iedereen denkt aan zichzelf en aan zijn eigen kerkje.
Aan zijn eigen mesthoop, aan zijn bot bij het fornuis.
Niemand is meer veilig, overal gespuis!
Niemand gelooft in God, niemand is eerlijk.
Veiligheid op straat? Nee, je vergist je deerlijk.
Wat: gij zult niet stelen en niet doden?
Zonder God is er niets meer verboden.
God verwerpen ketters en belagers.
Heel de wereld zucht onder de slagers.
Slagers met een dikke buik en een scherp mes.
Ik sta op de bres.
Dat de wereld niet vandaag vergaat, maar morgen.
Honden, blaf maar hard, dat wij daarvoor gaan zorgen!
Wie weet helpt ons God de Vader.’
‘Miauw!’ reageert de zwarte kater
Tergemerg
(In een kwade, groene, vuurspuwende berg
Met een rug bolrond gebogen
Kijken naar de hond twee boze ogen).
‘Hoor eens: waarvoor dient dat schreeuwen, beste man?
Als een hond een keer wat klappen krijgt, vergaat de wereld dan?’

 
 

5. Het paard en de zweep

‘Ik wou dat een ramp hem velde,
Dat hij me niet langer kwelde,
Deze rotkoetsier,
En ook jou, vampier!’
Dit verklaart
Nu het paard
Aan de zweep.
‘Waarom ga je steeds over de streep?
Waarom toch slaan jullie mij als gekken?
Denk je dat het licht is om de kar te trekken?
En hoe komt het dat jullie altijd vergeten
Dat ik allereerst mijn gerst moet eten?
En is er geen haver daar?
Maar
Praten heeft geen zin: de zweep ligt klaar!
Stond je zoals ik in lichterlaaie,
Dan zou je wel stoppen met dat zwaaien
En geen striemen achterlaten.
Wat, alweer? Ik roep om hulp in alle straten!’
‘Zwijg!’ Daar klapt de zweep met een zwiep van zijn tong.
‘Het is waar,’ zegt hij, ‘je trekt gestaag
Deze wagen op een hongerige maag
En dan raakt natuurlijk uitgeput zo’n long.
Jij krijgt klappen,
Mag ik je verklappen,
Niet omdat je niet wilt trekken,
Maar omdat je gaat verrekken,
Want je hebt je door de mannen
Voor hun wagen laten spannen.’

 
 

6. De kus

Ieder heeft zijn grillen of wel iets wat raar is.
En een hoge functionaris,
Reb Nisl, die vlotte,
Had ook een gewoonte: altijd na het eten
Aan tafel gezeten
Kloof hij op de botten.
Daar kluift hij een bot, al klaargelegd,
En het bot verheugt zich en het zegt:
‘Borden, schalen, groot en klein!
Kijk eens wie mij kust! De baas! Wat is dat fijn!
Ik ben binnen,
Glaasje fijn, zoals je ziet!
Kinnesinne?
God verhoede, barst maar niet.
Wat word ik gekloven, met zijn rode mond gelikt!’
‘Ach, je bent getikt,’
Antwoordt nu een bord,
‘Nog maar kort
En je wordt
Uitgezogen tot het merg –
Meneer Beentjes, vindt u dat dan erg?’

 
 

7. De redding

Eerlijk zijn, zegt men, is nogal moeilijk,
Stelen is verfoeilijk!
Slecht gesteld
Is het in de wereld, waar je ook maar gaat of staat. –
Snel loopt de wolf naar de tsaddik van het veld
En verwacht een goede raad.
Wie die tsaddik is? Dat is bekend: het is de vos!
Voor zijn oordeel loop je uren door het bos!
Aldus sprak de tsaddik wijs en vroom:
‘Volg de weg en tel tot de dertiende boom;
Daar vind je een kuil, een diepe,
Uitgegraven door een monster, type
Zwarte adder, ’t is een kwade
(Hopen wij op zijn genade,
Dat geen kwade winden naar ons mogen blazen!)
Vul voor mij die kuil met levertjes van hazen
Of van schapen, lammetjes, van eenden of van kippen,
Duifjes ook: al wat niet zondig is volgens onze begrippen!
Die moet je dan eten voor het ochtendgloren
– Zorg dat je maag leeg is van tevoren –
Elke maand na nieuwe maan,
Boze geest kan dan niet slaan.
Wolf en hond en beer, de hele horde
Zal goed, vroom en eerlijk worden!
Dan rijst uit de grond de redding,
Grasjes spruiten uit de bedding –
Gods wil inderdaad!
De remedie is probaat:
“Heerlijk, lever” is toch bijna “eerlijk leven”?’
Aldus sprak de tsaddik. En hoe eindigde dit streven?
Moeilijk te vertellen, bitter om te horen!
Ach, ach, hoeveel levens gingen er verloren!
En er banen
Zich nu stromen bloed en tranen
Immers: eerlijk wil men worden, wil de redding gloren!

 

tsaddik: vrome en wijze man.

 
 

8. De crimineel

Een vroom bloemetje dat was geplukt
Zei me eens bedrukt:
‘Zonden straft de hemel af
En voor goede daden geeft de aarde straf.’
En daarover gaat mijn fabel, hier gedrukt!

 

*

‘Broertje,’ zegt het spiegeltje tegen de zeep,
Heb je last van twijfel? Waar zit toch de kneep?
Is het soms de stille “knager”?
Heb je, God verhoede, iets op je geweten?
Ik zou heel graag willen weten:
Waardoor word je toch zo mager,
Waardoor kwijn je steeds meer weg van dag tot dag?’
‘’t Is een hard gelag!’
Zegt het zeepje met een zucht,
Koud en warm is het, ze kwellen me geducht.’
‘Kom tot inkeer, joh! Men zegt:
Al het slechte is terecht…’
‘Wat nu?
Ik een crimineel? Wat cru!’
‘Spreekt vanzelf! Waarvoor denk je dat straffen zijn?’
‘Maar ik zeep de wereld in en maak haar rein!’

 
 

9. De kat en de worst

O, wat jammerde de kat van onbehagen:
‘Mauw, miauw! Het baasje is me helemaal vergeten
En de meid heeft me geslagen!
Wat heb ik een honger! Eten wil ik, eten!
Bij wie kan ik huilen, bij wie me beklagen?
Mauw, ik kan niet meer van honger en van dorst!’
Haar komt tegemoet een buikige, met vlees gevulde worst,
Die de kat dan op haar nummer zet
(Helpen doet het niet, maar zeggen moet hij het).
‘Foei, niet huilen,’ zegt hij, ‘ik vind dat dat bij een kat niet past.
Hongerig? Nou en? Eén dag zonder gevreet,
Is dat erg? ’t Is goed als je niet eet.
Dat houdt in dat je God niet vergeet!
Inkeer zonder dat je vast?
Nee, waar moet dat heen met heel je buik vol vlees en vet?
Water, zout, een steen als kussen op je bed!’
‘Mja…’ zegt de kat, ‘mooie kreten
Zorgen niet voor eten…
‘k Ben jouw woorden al vergeten…
Alleen wat ik vreet, onthoud ik… Zoals katten zijn…
Ik ben maar een kat en heb een kattenbrein…’
Als de worst dan wegrent, wordt hij snel gegrepen
En verslonden, de les inbegrepen.
Daarop gaat de kat, terwijl zij les en worst loopt te verteren,
Naar de muizen, om die eens een les te leren.

 
 

10. Kikkers

Herrie in de modderpoel, een drukte is het daar!
Zijn de kikkers opgestaan tegen de ooievaar?
Veel gekwaak en veel gejoel:
‘Vrijheid in de modderpoel!
Telkens worden wij geluidloos opgeslokt,
Nu is het genoeg! Nu wordt geknokt!
Eerste punt: wij willen een eind aan de toestand maken,
Voortaan moeten wij hier ongehinderd kunnen kwaken
En zo nodig installeren wij een “kwakement”,
Ieder moet zijn mening kunnen zeggen, elk moment,
Bruisen moet nu het moeras!
Ons zij ook iets goeds en moois gegund!
Tweede punt:
Bloemen! Gras!
Hier is enkel smerig slijk!
Met een roosje voelen we ons rijk!’
(Is dit ambitieuze kikkertaal?
Zeg dat dan de nachtegaal!
Uit het bosje klinken steeds zijn zondige gezangen
En die wekken zoete dromen en pervers verlangen
In de glibberige, kille modderplas).
Het begint te wiegelen in het moeras!
Wat nu? Moet de ooievaar het leven laten?
Dan vloeit er bloed door de modderstraten!
Zondag, maandag, tot en met sjabbat…
Voor elkaar! De kikkers deden dat!
Kikkers dansen, kikkers springen…
Veel geluk! De ooievaar konden we hier bedwingen!
Wat staat ons nu nog te doen? We moeten modder pakken,
Nieuwe modder op de oude klodders plakken,
Dan overal schimmel, groen,
Waarop slijm en rotte draden nog voor het fatsoen.
(Dat moeten de beste vaklui voor ons doen!)
En er kwam in de kwaakmaatschappij
Ook een stembus, met zeshonderddertien lovertjes erbij,
Met ambities, speeches, fracties ook en feesten,
Heel de nacht kwaakten ze door, die beesten!
En ze braken zich het hoofd
Tot ze hadden – God geprezen en geloofd –
Uitgekozen drie wel heel voorname namen.
Het moeras hoefde zich daarvoor niet te schamen:
Quis-Que-Quod-Qua-Papegaai, die spreekt wel zeven talen,
Waarmee alle kikkers pralen,
En de vrome, zwarte chassied reb Kra-Krak
Met zijn profetieën van het dak;
En vooral
Meneer Knal,
De verdiensten van die specht zijn zeker groot
En zijn keppeltje is rood!
En gezien het feit
Dat zij aan het slijk hun wijsheid geven en hun tijd,
Moet men in hun levensonderhoud voorzien.
En lest best
Heeft de ooievaar zelf op zijn hoge nest
Van zijn overheidssubsidie afgezien.
In een uur nam hij met trek
Nog een lekker groepje kikkers in zijn bek –
Eten!
En de modder? Onzin! Al vergeten!
En de kosten stegen meters
Met de vele nieuwe vreters…
En het nieuwe modderleven bracht niets beters!

 

zeshonderddertien: het aantal geboden en verboden in het orthodoxe jodendom.
chassied: vrome jood.
keppeltje: mutsje, gedragen door religieuze joden.

 
 

11. De rechter

Meneer Chaper-Chaperowitz-Chaperescu
(De beer, hij is in het bos de rechter)
Ging eens liggen, niet helemaal nuchter,
Gaf zichzelf toen in zijn slaap een klap, een heel groteske –
Hij was erg geschrokken,
En hij dacht toen: ‘Stel je voor, dat dit bos was een stad,
Alle dieren kwamen vrijdags uit het openbare bad,
Schoongewassen, fijn en vroom als geitenbokken…
Kan een rechter echter onder vromen
Tegenwoordig aan zijn trekken komen?
Waarvan leeft een rechter? Van verhalen in de kranten?’
Hij begint te brullen in zijn slaap,
Tot het tiende dorp beeft ieder schaap.
Alarm bij de buren, vrienden en verwanten,
Die maken hem wakker, spuwen op zijn hoofd, driemaal,
Hij vertelt het hele droomverhaal.
Ieder ziet zijn onrust, jaagt hem niet op stang.
‘God zij met je,’ zegt de vos, ‘wees maar niet bang!
Mijn recept in het geval
Van die kronkelwegen en die paden krom en smal:
Is er een schaapherder, dan zijn er ook honden!
Maar geef God een rechter, dan heb je ook zonden!’

 
 

12. Voor het hemelse gerecht

Zwarte kraai komt van de begraafplaats gevlogen
En gaat op de sjoel af:
Nu staat Sjloime Zalmen de angst in de ogen,
De deugdzame dienaar van God siddert als een loelav,
Terwijl zeven engelen hem wegbrengen naar het hemels gerecht.
Wat is er? Hij heeft nooit een vlieg kwaadgedaan en nooit iets miszegd…
Zijn koe begint een proces.
Gerechtigheid wil ze, dit is het adres.
De waarheid die boort door de berg als de zon door de donkere wolken! –
Ze zegt: ‘Meneer Sjloime, die heeft me gemolken,
Ik heb alles wat ik had aan hem gegeven,
Aan hem en zijn vrouw en zijn kinderen, hij had er zeven.
Mijn eigen kind was altijd in alle staten
En telkens moest het dan hongerig blaten
En afwachten of ze niet vergaten
Wat melk uit mijn uier over te laten voor hem.
Maar dat is niet alles, ik zeg het met klem!
Hij moest toen mijn hart ook nog breken:
Mijn kindje, het telde destijds geen vier weken,
Werd onverbiddelijk naar de slachter gebracht!
Het eerste, het tweede, het derde: geslacht!’
De hemelse rechters worden steeds bleker:
‘En jij hebt je uit laten melken?’ ‘Jazeker!’
‘Je hebt toch horens gekregen, en daarmee stoot je toch krachtig?’
‘God allemachtig!’
‘Je hebt toch tanden van staal gekregen, en heb je daarmee niet gebeten?’
(De hemel wil ’t weten!)
‘Dan had ik nu wel om vergeving gesmeekt.’
Nu fronst het gerecht en de sterren staren verbleekt:
‘Je hebt toch poten met keiharde hoeven bezeten,
En heb je hem niet als op Jom Kippoer op zijn borst geslagen?’
‘Je slaat toch jezelf, niet een ander, die dagen?’
‘Direct naar de hel!’
(En heel in de verte rommelt een donderslag fel)
‘Direct naar de hel! Ze zal boeten, die koe, voor haar schuld!
Want stom-onderdanig en met dof geduld
Heeft zij Sjloime Zalmen, mijn knecht, onverhuld
Steeds meer op het slechte pad gebracht
En een mes aangereikt voor de slacht –
Vervloekt zal ze zijn tot het tiende geslacht!’
Door duivels wordt nu de koe gegrepen
Voor kwelling en pijniging met harde zwepen.

 

sjoel: synagoge.
Jom Kippoer: Grote Verzoendag.
op zijn borst slaan: een teken van berouw.

 
 

13. De stok

Kijk, daar is de duivel en hij brengt een stok.
Allemachtig, wat een kletskous, wat een spreker!
Ja, hij is de echte, grote zedenpreker.
Voor de koe is hij de knuppel in het hoenderhok:
‘Jij moet melk geven je hele leven,
Want dat staat geschreven!
Dan zal je gegeven worden. Moet ik dat uitleggen?
Ja, ik denk het wel. Koe, dat wil zeggen:
Geef je eerst een emmer vlug,
Krijg je met een lepel terug;
Geef je met je horens,
Krijg je terug met dorens.
Ik zeg: laat je melken!
Bomen dorren, grassen welken –
Goede daden,
Voorspoed van familieleden,
Altijd en eeuwig gezworen kameraden,
Hier beneden
En hierboven in de hemel.
Kom niet met gezemel!
Aanstonds komt hier met haar emmer je bazin…
Kom nou, is die je te min?
‘t Kalf staat in de stal en daarom ben je kwaad
Dat jij voor het melken buiten staat.
Wil je trappen, stoten, echt?
Nou, dan kom je in de hel terecht!
Luister goed naar mij: je mag niet slaan en trappen!
Dat zou je toch moeten snappen.
Nee, geen gekrakeel,
Zelfs al ligt het slachtersmes al op je keel…’
Zo zegt de stok wat de koe niet mag
En geeft tegelijk een harde slag.

 
 

14. Twee vogeltjes

Deze lentedag kent gouden grootsheid overal.
Kijk toch: er wordt uit duizenden emmers van kristal
Leven, licht en vreugd gegoten.
Maar twee vogeltjes zitten in kooitjes opgesloten!
Waarom is dat zo beschikt?
Omdat door hun liedjes het hart wordt verkwikt!
Heeft de slachter dan de waarheid als een duifje afgeslacht?
Welke wreedaard heeft er ooit zo’n kooi van ijzerdraad bedacht?
Kijk: het oudste vogeltje dat doet het rustig an.
Als het dan niet kan zoals je wilt, dan moet je willen hoe het kan.
Dat weet iedereen, dan valt het ongeluk nog mee.
Maar het jongste vogeltje, o wee,
Dat gaat door de nood steeds heviger tekeer
En het springt druk heen en weer,
‘t Gaat en staat en gaat en staat,
Worstelt en bijt in het ijzerdraad,
Pikt en heeft er moeite mee.
‘Specht!’ zegt dan de oudste vogel, ‘doe toch niet zo dwaas!
Echt, dat ijzerdraad is jouw snavel de baas!
Wees toch kalm, ga toch het vaantje strijken!’
Maar complete rust is moeilijk te bereiken.
Dan komt mooie Rochele eraan om toe te kijken.
En haar blauwe ogen werpen blikken
Die zien hoe het vogeltje in zijn vergeefs verzet bijna zal stikken.
En het is alsof het beestje met zijn snaveltje pikt in haar hart;
Ze springt op – ’t is een geval apart! –
En ze doet het kooitje open met een vast besluit.
Beide vogeltjes slaan nu hun vleugels uit.
Dan in ’t vrije veld
Naar een hoge boom gesneld!
Tot de drukke zegt de stille:
‘Wat had je een haast, waarom dat gillen?
Kijk naar mij: ik had geen haast, ik heb geen kik gegeven.
Toch kan ik nu, God zij dank, als jij in vrijheid leven.
Zinloos is dat huilen ongeremd!
Want je wordt gered, als het is voorbestemd!’

 

*

Redding, stille, komt als je erop vertrouwt,
Maar het helpt niet als je steeds je snavel houdt!

 
 

15. Bij reb Todresl op het erf

Kennen jullie soms het dorpje van reb Todresl, de rijke?
’t Is daar mooi en goed, je vindt daar blijken
Van geluk en zegen.
Op het erf kom je hele families ganzen, honden tegen,
En ook een kalkoenenpaar, verder een koe, een geit,
En een duiventil altijd.
Daarom gaat het hier in dit verhaal. –
Want het duifje koert: ‘Ze zijn zo vrolijk allemaal,
Maar ik word beklemd door diepe droefenis,
Het gemis is groot…’
Als ik dan vraag hoe het zit met dat gemis,
Koert het zachtjes: ‘Steeds verdwijnt een soortgenoot!’
Als je dan voorzichtig vragen stelt,
Hoor je wat hem kwelt:
Elke donderdag maakt het dienstmeisje haar entree,
Pakt een duif en neemt die mee…
En die duif is dan verdwenen, komt nooit meer terug!
Wat betekent dat? Eindigt het leven dan zo vlug?
Het verlies is erg – erger is de onzekerheid!
En ze gaan dan ook raad vragen bij de geit.
Nee, dat is niet goed, vindt hij en schudt eens met zijn sik,
Goede vrienden zijn bepaald niet in hun schik!
Maar hij komt nu niet op diepere gedachten.
‘Diepere gedachten?’ zegt de haan, ‘dit riekt naar slachten!’
‘Slachten? Wat is dat dan? Slecht of goed?’
‘Slacht is slecht! ’t Is wat een slachter doet!’
‘Wat betekent slacht?’
‘Kukleku! Heb je daarover nog nooit nagedacht?
Jullie komen vast net uit het ei!
Bij de slacht trekt iemand aan je hals, daarbij
Gaat hij met iets scherp als arendsklauwen – dat doet zeer –
Over je hals heen en weer:
Tsjak!
En dan staan je ogen glazig strak!’
‘God verhoede! Dit hoor ik de eerste keer!’
Hevig bevend slaat de tortelduif zijn vleugels neer.
‘En hoe weet je dat? Hoe? Hoe?
Toe, we moeten vluchten!’ koert de tortelduif, ‘toe, waar naartoe?’
‘Vluchten! Vluchten!’ roepen allen, ‘dan ontlopen we de straf!’
‘Door en door bedorven en ook zondig,’
Blaast de kalkoen dubbelmondig,
‘Vluchten voor de bijl en rennen op het slachtmes af!
Eerst de opstand, dan de vlucht!’
‘Goe goe,’ zegt de eend en kijkt omlaag in plaats van in de lucht,
‘Goe goe goed, de jongeren zijn altijd ongeduldig,
Blijven zitten, dat is wat ik huldig,
Of de ouderen ook willen vluchten is de vraag,
Want zij weten: ons erf is al ouder dan vandaag,
Velen zijn ons voorgegaan en velen zullen volgen,
Als het zo beschikt is, word je toch verzwolgen!’
‘Kukleku!’ kraait dan de haan, ‘jullie zullen verrekken!’
‘Mè mè mè,’ mekkert de geit, ‘men zal jullie ontdekken!
Ik was hem een keer gesmeerd
Naar een vreemde tuin… Mè mè men heeft mij toen een harde les geleerd!
O, ze zijn me toen mè mè mè met een stok gaan slaan,
Onmè-menslijk, ik ben door een hel gegaan!’
Ouderen die schrikken, jongeren delibereren
En blijven maar redeneren,
Dan –
Is reb Todres een besnijdenisfeestje van plan!
In de keuken heeft hij op de bank laten draperen
Alle tortelduiven, ganzen en de haan
Met de kalkoen bovenaan;
Kraaien, gakken, razen, tieren doet de hele bende –
Op wie? Op de duifjes! Van hen komt toch de ellende!
Door die hoogvliegers, die hap,
Is het erf gesneuveld in één klap!
‘Door en door bedorven, en maar dromen!’
‘Ik heb dit onge-ge-geluk altijd aan zien komen!’
‘Kukleku! Wij zijn in alle staten!’
‘Duiven zondigen en dus moeten wij veren laten!’

 
 

16. De adviseur

Niet één dag en ook geen twee, maar zeven
Is reb Muisje in zijn hol gebleven.
Om te denken, dat alleen.
(Denken dat kan iedereen.)
Nadat hij een week heeft overlegd
Heeft hij een vergadering belegd.
Tien minjaniem vooraanstaande muizen kwamen daar
En zaten om hem te horen klaar.
Reb Muis, onvervaard,
Een krul in zijn staart,
Niest uitvoerig en zegt: ‘Waarde heren!
Na lang denken moet ik constateren:
Al het kwaad komt voort uit haat!
Haat komt voort uit jaloezie, die is de wortel van het kwaad!
Daarom is het zonneklaar
Dat het hele leven bungelt aan een haar
En de kat, dat monster, kwaad en wild,
Is geërgerd dat die kleine muis
Net als hij een staart heeft aan zijn kruis!
Noem het maar een chotspe als u wilt!
Daarom, broeders, al uw moed bijeengegaard
En dan gecoupeerd die staart!
Op uw tanden bijten is niet overbodig,
Maar ’t is nodig!
Is de korte staart in orde,
Dan is ook de zwarte kat poeslief geworden!
Onze zwarte kater doet geen krab en ook geen beet,
Zowaar als ik reb Muis heet!’
‘Wat moeten we nu toch van die poespas denken?’
Peinzen ouderen, ‘och jongens, moeten wij ons lichaam krenken?
Wat te doen? Een zondebok bedenken?
Wie wil bijten, wordt gebeten!
Beide staarten afgereten!
Heeft dit muisje nog een staartje? Nee, ’t is klaar!’
En een hooggeleerde geest, aanwezig daar,
Adviseert een verzoekschrift aan de kattenrelatie:
“Wij vragen consideratie
Metterdaad
En uit medelijden met ons muizen ook een goede daad:
Met uw hooggeschat en scherpgespitst gebit
Onze staarten af te bijten.” Het staat zwart op wit.
Onverschrokken
Willen ze de schurk nu met een glimlach lokken.
Wat is dat? U lacht? Ja, lacht u maar!
Alle muizen huilden die nacht alles bij elkaar.
Want ze merkten – dit is niet bedoeld voor wie veel heeft geleden –
Ach en wee! De kat is vijand van de muis, ook al is die besneden!

 

*

Blinde bedelaars, draai op uw orgel treurmuziek
En u, vrome schrijvers, pen dit rijm in uw kroniek:
“Mieze muize mijn,
Is je staartje klein
Of is het heel groot,
Wees voor katers en hun tanden altijd als de dood!”

 

minjan (meervoud: minjaniem) quorum van tien mannen, nodig voor het gebed.
chotspe: schande.

 
 

17. De bajonet en de naald

Iemand (wie het was weet ik niet meer)
Komt terug uit de oorlog met een bajonet en een geweer
En hij zet ze op die dag
In een kast waar een naald lag.
Wat een reuzennaald is het!
Denkt de naald, oog in oog met de bajonet,
Kleren maakt hij uiteraard van ijzer of van blik,
En met reuzensteken, niet als ik,
Voor Gog en Magog of voor een and’re reus die hem betaalt…
En de bajonet? Die ziet de naald:
Wat een piepklein bajonetje!
Waarom komt het sjtetl hier niet als verzetje
Kijken met veel ah’s en oh’s?
Wat een grappig dingetje, ik heb wel zin in kattenkwaad!
‘Zeg eens, broertje, is het echt waar wat ze zeggen hier op straat?
Dat jij vurig bent en soms gevaarlijk boos?
Dat je in één klap steekt door zo’n zeven vliegen?’
‘Niet waar!’ roept de naald, ‘ze liegen!
Bij de Tora-mantel kan ik zweren, met verlof:
Linnen steek ik, linnen! Dat is een soort stof…’
‘Haha!’ Het geweer schiet in de lach.
‘Haha! Hij steekt zomaar linnen, dag aan dag!’
‘Willen jullie,’ vraagt de naald dan, ‘dat ik prik in blik?
Niet goed snik!
‘Ik mis jullie lengte!’
‘Help, ik houd het niet meer in die engte!’
Roept dan het geweer, ‘ik plof! Ik schiet!’
‘Wacht eens,’ zegt de naald, ‘ik speel toch echt niet op de man!
Blik niet, linnen niet – wat steken jullie dan?’
‘Mensen,’ zegt de bajonet, ‘en anders niet!’
Lachen moest de naald: ’t was ongehoord,
En misschien duurt dat gelach nog voort:
Hihihi en hahaha en hohoho!
‘Als ik linnen steek,’ zegt hij, ‘dan steek ik altijd zo
Dat hemden ontstaan of dat soort zaken;
Maar een mens – je steekt en steekt en steekt, wat ga je daarvan maken?’

 
 

18. De borstel en de laars

Heen en weer
Danst een borstel op het laarzenleer!
Sterker, sterker wordt de dans
En steeds helderder de glans:
Het is heel interessant!
Deze laars is echter arrogant:
Aan zijn voet draagt hem de rijke meneer Sjmoel;
Hij vindt dat belangrijk (’t is de laars die ik bedoel),
Dit is hem te min
En hij ziet met tegenzin
Borstel, die maar door de keuken zwerft
En nu zijn humeur bederft.
Hij wordt heel erg kwaad
En schreeuwt dan vol haat:
‘Van mij wordt verwacht dat ik dit maar verdraag!
Moet je hem zien dansen hier voor mijn gezicht, die blaag!
Ai, het liefste gaf ik hem een harde trap,
Dan was hij doormidden in één klap!’
‘Trek het u niet aan, heer Laars,’
Zegt de borstel, ‘al dat naars.
Zonder mij kunt u niet glanzen,
Daarom mag ik op u dansen!’

 
 

19. De paraplu, de wandelstok en de bezem

Op wie zingen we een loflied nu?
Logisch: op geen ander dan de paraplu.
Hij die met zijn waardigheid
Over ons zijn vleugels spreidt,
Als hij wil de lucht in vliegt,
Ons beschermt en nooit bedriegt,
Die bij regen en bij hitte nooit verzaakt,
Kortom: die altijd zo trouw over ons waakt.
Onverwachts komt nu de wandelstok erbij.
‘Ik ben ouder!’ roept hij, ‘en de wereld steunt op mij!
Wie spleet ooit de zee? Mijn opa, op hem kwam het aan!
En daarbij komt nog: respect! Want ik kan slaan!
Wie mij niet gehoorzaamt moet wegwezen!’
‘Ik gehoorzaam niet,’ zegt nu de bezem,
‘k Geloof niet dat ik schrok!
Ik ben groter dan de plu en dan de stok!
Ik ben,’ zegt hij, ‘hier de baas en ik ben groot!
Wie hier niet van nut is veeg ik in de goot!’
Dit gesprek komt nu meneer ter ore
En het is niet wat hij graag wil horen:
‘Paraplu en wandelstok en bezem, dat zijn dus drie bazen!
En ik? Is wat ik zeg maar een holle frase?’
‘Jij,’ roepen de drie als hun doctrine,
‘Bent door God geschapen om ons te bedienen!’

 

‘Wie spleet ooit de zee?’: Toespeling op Mozes die de zee splijt in Exodus 14:21.

 
 

20. De tafel die vragen stelde

Een tafel die filosoof wordt! Zullen we die aandacht schenken?
Een tafel begon zomaar te denken.
Langzaamaan werd het penibel
En hij kreeg last van een wiebel.
Een van al zijn vragen luidde:
Wat heeft de klok te beduiden?
Iets is er wat zich in hem voltrekt
Als hij tikt en wekt…
Ieder kijkt naar hem… Hij begrijpt de loop der tijd…
Eens gelijkgezet loopt hij altijd.
Hebben ze hem eenmaal opgewonden,
Doen zijn ziel en tegelijkertijd zijn wijzertjes de ronde,
Maar zelfstandigheid is ver te zoeken!
Of neem reb Arundl, dat kastje met boeken!
Die vindt zich een intellectueel sieraad,
Maar vertelt alleen maar leugens, beuzelpraat.
En dat deftig heerschap met zijn glazen hoge hoed?
’s Nachts is hij een ziende, overdag een blinde, goed
Gek is dit!
Hij krijgt heel wat binnen met zijn linkerpit!
Wat een drank er in die keel verdwijnt!
Heeft hij ingenomen, wordt hij druk en schijnt…
En dan produceert zijn tong maar borrelpraat!
Goed dat er een schaar die tongen knipt bestaat!
Past dat bij een glazen hoge hoed, zo zelfvoldaan?
En dat heerschap wil alleen op tafel staan,
Want andere plekken zijn meneer te min!
Met allerlei kwesties houdt de filosoof zich in.
Raakt een tafel door die vragen uit zijn evenwicht,
Zorg dan dat er gauw iets onder ligt.
(Anders, God verhoede, gaat het mis allicht!)
Sjeindl zag het schoonheidsfoutje
En ze stak onder de poot een houtje.
Het was weer zoals het hoort!
Maar het houtje op de grond riep: ‘Help! Ik word vermoord!
Waarom trap je, lompe schoen?
Dat jíj iets niet snapt, wat kan ík daaraan doen?!’

 

Pit, drank, schaar die tongen knipt, glazen hoge hoed: het gaat om een olielamp.

 
 

21. Gods voorvechters

’t Herdertje zet zijn fluit aan zijn mond
En voelt spelend Gods erbarmen,
Dat kan stralen, fonkelen, verwarmen
En dat de wereld omrondt
Als de trouwring rondt de vinger van de bruid.
‘Mè, mè, mè!’ mekkert een schaap het uit
En er flitst een bliksem in haar ogen,
‘Groot, natuurlijk, is Gods eeuwig mededogen,
Warm en lief en mild is dat,
Maar waar is mijn koosjer lammetje, mijn schat?
En als God wil dat de boze wolf haar kind zal vreten,
Waarom zorgt Hij nu dan dat de moeder haar kind niet meer kan vergeten?
Waarom schrijnt het zo in hart en ziel?’
Vragend zoekt ze troost voor ’t lammetje dat haar ontviel.
Dan ziet ze: de herder slaapt, en zij gaat aan de haal,
Naar de rebbe in de stad. Hier komt een eng verhaal!
Hoor: een schaap begint tegen God zomaar een proces!
Maar het geitje van de rebbe geeft een les:
Mijn baas is nog vromer dan de slachter,
Altijd in een boek, van voor tot achter,
Hij is echt
Een godvrezend man en dat is slecht!
Voor hem is wat God doet steeds terecht!
Daarop rent het schaap naar ’t bos gezwind,
In de hoop dat ze een dajen vindt
En wel eentje die voor God niet bang is.
(Anders ziet ze niet wat van dit proces het belang is!)
Ze verwachtte wel dat vos en beer
Sterker stonden tegen God de Heer
Dan de rebbe. ‘Schaam je, schaap!’
Roept de vos, ‘verwijt je God, recht voor Zijn raap,
Dan komen de jagers en nemen bloedhonden mee!
Help! Ellende! Wee, o wee!
Weinig
Pluimvee grijp ik en ik reinig,
Zijn de zonden niet verdwenen in één klap?’
En de beer bromt: ‘Slechte grap!
Houd je bek en geef haar maar aan mij!’
‘Jij?’
De vos doet een greep. ‘Aan jou, jij dwaas?’
‘Ja, want ik ben hier de baas!’
‘En je bent zo’n ezel!’
‘Jij een kwezel!’
‘Slome duikelaar!’
‘Houd je bek! Ik stamp je in elkaar!’
Door elkaar te bijten worden ze het onderwerp van spot,
En dat door de zaak van het schaap tegen God!

 

koosjer: ritueel geschikt (voor de slacht).

 
 

22. Het vlas en de aardappelbloempjes

Op een akker groeiden pas
Naast het vlas, een heel gewoon gewas,
Kleine bloempjes, blauw en wit,
Fraai van kleur en fijn van snit,
Met tussen de kroonbladen een hart van goud.
Daarbij had God voor hen iets heel moois gebouwd;
Geen van al die bloemen werd tekortgedaan:
Elke bloem mocht op een eigen bergje staan
Om naar zich te laten kijken
En de wereld te verrijken.
Was het dan zo gek dat al die bloempjes wat verbeelding kregen?
Dat kwam alle vlasplanten heel ongelegen
En die tegenstanders konden daar niet tegen:
‘Buren, opgesteld
In één en hetzelfde veld,
Die steeds in dezelfde regenbuien baden,
Die dezelfde hemel altijd behoed tegen hagel, tegen schade
Op een slecht moment –
Waarom zijn die zo verwend?
Luister alsjeblieft: als in zo’n zachte nacht
Je een vaag gevoel krijgt dat je naar iets smacht,
Dat er een woord opkomt of dat je iets wilt vertellen,
En die bloempjes bloeien dan zo pront,
Alsof er geen vlas bestond!’
En dan roept het vlas de goede oude kraai en het beklaagt zich luid.
‘Kra, kra, kra!’ Die barst in lachen uit.
‘Jullie buren zijn niet zomaar iemand.
Echt, ik roddel over niemand,
Daarentegen,
Onder ons gezegd en ook gezwegen:
Op zichzelf hebben die bloempjes niet veel waarde,
Maar hoe, denk je, halen ze hun inspiratie uit de aarde?
Zij onttrekken alles aan de aardappels, zo arm en zwart.
(Ik drukte ze graag aan ’t hart.)
Die, vergeten door de zon en door de hemel, zijn nooit moede
Heel de wereld – niet maar enkelen – te voeden!’
‘Waar zit dan de ziel in al die knolletjes zo rond?’
‘In de moedergrond.
En op ieder ligt, mijn waarde,
Een klein hoopje aarde!’

 
 

23. De zwarte radijs

Op een dag bericht de bittere Zwarte Radijs
Aan de Bijenkorf: ‘Uw dochter brengt me van de wijs!
(Honingraat bedoelde hij.)
En hierbij
Ben ik nu zo vrij
Om te vragen naar haar hand.’
‘Hoor eens, dat vind ik nogal gênant!’
Antwoordt Bijenkorf, ‘een blanke tortel
Daalt niet af tot een bestofte wortel.
Ga maar naar je broers en zussen, vlug!’
Zwarte Radijs zegt terug:
‘Kom nou toch, waarom doet u opeens zo stug?
Maar daar laat ik het niet om,
Want ik kom
Net uit bad en ben helemaal rein
En ’t is fijn
Dat ik nu geschikt zal zijn.’
‘Fijn?’ reageert Bijenkorf, ‘Ja, fijn is dit,
Maar sinds wanneer wordt een zwarte wit?’
Zwarte Radijs zegt terug:
‘Kom nou toch, waarom doet u opeens zo stug?
Bijenkorf, om kort te gaan:
‘k Heb me van mijn huid ontdaan
En me daarna nog expres
Zitten koosjeren en schrapen met een mes!
En nu ben ik lelieblank!’
‘Ik bedank!’
Antwoordt Bijenkorf, ‘hij is een hork!
Wil hij soms soep eten met een vork?’
Zwarte Radijs zegt terug:
‘Kom nou toch, waarom doet u opeens zo stug?
Maar uw dochtertje is puur,
Daarom ga ik voor haar door het vuur.
Niets is me teveel gevraagd!
En God helpt je wel als je iets waagt.
En dit is het wonder:
Ik heb me eerst in de ketel en toen in de pers gewaagd
En ik voel me nu veel frisser en gezonder.
Al mijn ruwheid liet ik daarin achter
(Narigheid maakt ons toch immers zachter?)
Waarom nog van trouwen afgezien?’
Bijenkorf denkt: ‘Tja… Misschien…
Schuilt er dan toch een blank hart onder een zwarte huid.
Hij zal samensmelten met de bruid –
Binnenkort is hij dan dolgelukkig hier.’
Goed! Zwarte radijs suddert in honing en plezier.
De rabbijn komt heel gelegen
En spreekt zelfs ook nog de zegen
Over de aardvruchten uit!
En de koosjere ziel, Honingraat, de bruid?
Haar wenst hij een goede reis
Als aanvulling op Zwarte Radijs!

 

koosjeren: ritueel geschikt maken.

 
 

24. Kleerhangers

Is de strenge vorst weer daar,
Komen gasten bij elkaar
En gaan lekker warm de hele nacht een kaartje leggen.
(Ja, je weet toch wat ze zeggen?
Als de nachten lengen, kom je slaap tekort.)
Als de ruimte met veel gasten krapper wordt
Wordt er aan de hangers ook steeds meer gesjord
Door veel wintermantels en bontjassen, zwaar en dik.
‘Help, ik stik!’
Roept een kleerhanger nu bleek
Naar zijn buurman, ‘o, ik breek!
Ik houd het niet meer, dat bont,
Broertjes, ik val op de grond!’
‘Ied’re hanger draagt de last
Van een gast,’
Troost zijn buur,
‘God zal helpen op den duur.’
‘Hoe lang duurt het dan nog tot die duur?’
Zucht de derde zuur,
‘Zal God helpen? O, wat zeer doen onze haken,
En niemand komt hier een eind aan maken
Door te zeggen:
’t Is genoeg, je mag nu wel je last afleggen.’
‘Helpt de baas niet meer?’
‘Waarom zwijgt U tegen ons, o Heer?
Als wij breken doet dat U ook zeer!’
‘Onzin! Kleerhangers laten Hem koud,
Hangertjes van hout.
Bidden tot de Heer! Waar is je trots gebleven?
Schaam je! Opzitten en pootjes geven!’
‘Wat moeten we dan doen?’ ‘Vloeken, schelden!
Het ligt aan de kou, die zich laat gelden:
Iedereen trekt nu zijn bontjas aan
En in een warm huis wordt die gauw uitgedaan.
Draagt iemand zijn jas niet langer,
Gaat die aan de hanger.
Luister goed: dit is geen tijd voor hangerige types,
Maar voor hangers met principes.
Voor een hanger is dit de proef op de som!’
‘De proef op de som?’ zegt dan een hanger, ‘k werk me krom!
Ik wil niet, ik kan niet en ik ben geen held,
Nee, ik ben geveld.
Daarom hoop ik nog een wonder mee te maken,
Dan zal ik mijn pijn als een dode af kunnen haken
En mijn tong naar jullie en mezelf uit kunnen steken:
Stomme haken, ’t is bekeken!
Lichtgewichten,
Heb je zelf ooit iets gedaan om je lot te verlichten?!’

 
 

25. De kater en de flater

Soms heb je in goede jaren
Niet voor slechte kunnen sparen,
Óf je bent het sparen in de goede jaren al vergeten,
Óf je hebt in goede jaren meer gehongerd dan gegeten.
Hoe dan ook: de kater verlaat Katerland
En slaat op de vlucht naar Flaterland.
Maar dat is beslist geen kattenpis,
Als de kat ertegen is –
Want die houdt voor hem een zedenpreek:
‘Ja, ik ken dat! Weer laat je me in de steek!’
En ze maakt op straat verschrikkelijk kabaal.
Dan het paspoort: ’t is een heel verhaal;
Houd je ogen open en je oren!
Zowel vader als opa zijn hier geboren,
Beiden dienden in het krableger twee volle jaren,
Werden in de oorlog met de vogels bijna martelaren.
Eerst zegt Scheeloog Hoerenzoon pedant:
‘Jij bent een bekeerling in dit land
En bekeerlingen vinden wij heel interessant.
Jij blijft hier om je belasting te betalen!’
Onze kater probeert zijn gelijk te halen
Met zijn overredingskunsten eerste klas,
Maar hij krijgt zijn paspoort pas
Als hij geeft aan Scheeloog Hoerenzoon
‘t Onverdiende loon:
Een zoet broodje, dik besmeerd.
(Dat wordt gewaardeerd!)
Dan begint de reis al gauw.
Nou,
Die zal hij niet snel vergeten.
Niet zozeer de reis als wel de grenzen, hoe ze heetten.
En al dat omkopen.
Zonder smeergeld laat zo’n lomperik je echt niet lopen.
Hij zoekt eerst het gaatje van zijn boterbagel in jouw jas
En dan de tabak van zijn pijp in jouw rook en as,
Want in smokkelen ben je misschien wel heel bedreven…
Maar leven is overleven.
Heeft de kater, Goddank, Flaterland bereikt, doodmoe,
Komt de flater naar hem toe.
Flater is net als de kater zwart,
Maar zijn hart, een flaterhart,
En zijn oog zijn onverbiddelijk
En hij schreeuwt: ‘Laat zien die pas, onmiddellijk!’
Dan bewijst de kater zijn manieren,
Geeft hem de papieren
En het laatste beetje smeergeld dat nog over is gebleven
(Want hij ziet: dat moet nu even,
Eerst een fooi betalen, anders lukt het nooit.)
Als een hond die je een been toegooit
Is de flater nu tevree opeens,
Met de kater is hij ’t roerend eens
En hij zegt: ‘We steken er een op.’
Dan scharrelt de kater met enig getob
Vuursteen en tabak diep uit zijn zakken op,
Waarna ze gaan zitten op een steen
Om te roken en te praten, gezellig bijeen,
Oeverloos te keuvelen
Als water dat stroomt van heuvelen,
Zo van: ‘Wat kost dan bij jullie de tabak?’
En van: ‘Stuur je muisjes met de post in een groot pak?’
‘Ik verlang,’ zegt dan de kater, ‘naar een vrijer land.
Want bij ons is de toestand riskant.
Zaai je graan, rogge en bieten,
Zijn belastingen het enige wat op komt schieten!
Honger is in ieder huis en gat ons handelsmerk.
Is het dan zo gek dat muizen weglopen als uit een kerk?
En wat voor een priester koosjer is, is treife voor een kater.
Tot de lippen stijgt bij ons het water!
Dan zeg ik – niet tegen jou – steek dan je tong maar uit!’
‘Hoor eens,’ zegt de flater, ‘jij bent een schavuit!
Nauwelijks ben je hier binnen of je maakt de dienst al uit!
Een spion, hè? Jouw gezicht, bekend is dat,
Ik heb het al eerder bij de hand gehad!’
‘Ik heb het over mijn Katerland, God sta me bij!’
‘Jij
Wilt mij afleiden, dat is een waanidee!
Dit is niet de juiste plaats, o nee!
Een spion is echt geen haan en ook geen hoen,
Maar een rotvent. Dus moet ik voor Flaterland mijn plicht nu doen:
Zo, je bent gearresteerd!’
Zonder aanklacht werd de kater naar de nor getransporteerd.
In een vloek en een zucht werd hem recht gedaan,
Is hij naar de moeder van de nacht teruggegaan,
Weg uit Katerland en Flaterland – dus niet eens naar zo’n slecht bestaan.

 

*

En nog altijd zingen kinderen op straat er,
Eens ging er van Katerland naar Flaterland een kater,
Die gepakt werd door de flater
En geslagen met een bijl.
De kronieken vermelden in stijl,
Onverholen – –
En het liedje draait maar als de mallemolen
Van de kater die zich naar het einde haast
Dat de kater opjaagt en hem angst inblaast.

 

koosjer: ritueel geschikt.
treife: ritueel ongeschikt.

 
 

26. Meneer Vlegel

Meneer Vlegel, zeg ik jullie, is een hond vol vuur!
Ik weet niet of hij wel trouw is op den duur,
Of hij ruw van aard is, last heeft van opvliegendheid
En of hij graag bijt –
Wat je van hem denken wilt, dat staat je vrij.
Hoe dan ook: komt er iemand voorbij,
Dan blaft meneer Vlegel woedend en bepaald niet zacht!
‘Waf, waf! Dat wordt diefstal en controle van de slacht!’
En ter ere van een gast bijt hij die soms ook open.
Op een dag ziet hij van ver reb Natke lopen.
(Hierbij moet ik memoreren:
’s Nachts wil Natke altijd psalmen reciteren…
Op weg naar de klaus krijgt hij de leiding van de maan,
Maar de sukkel komt steeds op de zolder aan.)
‘Waf!’ roept Vlegel, ‘een bezoeker die ons stoort,
Voor die gasten waak ik altijd buiten bij de poort!
Kijk: hij lijkt onschuldig, doet zijn mond niet open.
Jij denkt dat je om mij heen kunt lopen?
Nee, jongen, ik houd je in de gaten!
Zelfs geen draak met duizend koppen wordt hier doorgelaten!
Wacht maar, zolderkruiper, kippendief,
Of is soms je leven je niet lief?
Ik ben echt niet gek! Of loop je nu te hopen
Dat je mij wel om kunt kopen
Met een stukje vlees, een mooie mergpijp of een broodje?
Wie het probeert, legt het loodje!
Scheer je weg of ik scheur je aan stukken!’
‘Nee,’ zegt Natke, ‘dat zal je niet lukken.’
(Hij raakt niet gauw uit zijn evenwicht door dat geblaf.)
‘Stil, vriend, rustig! Af!’
En gooit naar de hond een lekker been.
‘Nee!’ roept Vlegel, ‘dat wil ik niet! Weg! Meteen!’
En met het zondige been loopt hij dan heen.

 

klaus: kleine synagoge.

 
 

27. De zedenmeester

Bij wie is het hart toch zo van slag?
’t Is een stille, warme zomerdag.
Blaffer ligt nu bij de kudde in het veld
En het is de hele wereld die hem kwelt.
Traag verstrijkt de tijd met luie, lompe stappen
En hij is te moe om naar vliegen te happen…
(Voorbij is de tijd dat hij op hazen jaagde
En zich zelfs aan vossenstaarten waagde.)
Alle schaapjes springen, dartelen fijn in het gras,
Maar hij is er niet mee in zijn sas.
Hij houdt niet van flauwiteiten…
Hij wil liever met zijn scherpe tanden in iets bijten.
En hij grijpt de schaapjes om ze eens de les te lezen:
Allen zijn ze even zondig en niet een wordt er geprezen.
‘Schurken, dat jullie iets ergs mag overkomen!’
Blaffer spreekt met scherpe tong en uit zich zonder schromen.
‘Ja, ik ken jullie en al die grillen, streken en gebreken!
Schaamteloze types met allerlei dievenstreken!
En die bokken met hun sik: vrolijke fransen!
Zoeken de messias of ze lopen al te dansen
En ze kruipen in het hoge graan!
En die vrome geiten springen maar in vreemde tuinen af en aan!
Anarchisme, armoe, algemeen bezit!
En van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat nog dit:
Mè, mè, mè aan één stuk door,
En ook ’s nachts nog, lekker hoor,
Dat refreintje kan ik nu wel dromen.
Onze herder laat het maar over zich komen.
Er is ook geen wet die jullie slachting tegenhoudt!
Schapenbout
Wordt zelfs toegestaan door de rabbijn!
Kom tot inkeer, boeven, voor het ooit te laat zal zijn!
Neem de les ter harte en word nu gezond!
Wees fatsoenlijk, respectabel, goed, fijn: wees een hond!
Maar het heeft geen zin: ik blaf tegen dovemansoren!’
‘Blaffer, is dit nodig? Dit wil ik niet horen!’
Zegt een bok die op hem af komt lopen.
‘Zeg je mening maar, kom, doe je bek eens open!
Nee? Dan zal ik je wat zeggen.
Blaffer, je kunt niet weerleggen
Wat ons allemaal, van groot tot klein,
Duidelijk zal zijn:
Blaffer vreest de slachter niet, o neen,
Omdat hij verdorven is, een treife been;
Ons blijft elke vrome vreten, dik of slank:
Wij zijn koosjer en niet treife, God zij dank!’

 

koosjer: ritueel geschikt.
treife: ritueel ongeschikt.

 
 

28. Meneer Blaf-Af

Meneer Blaf-Af is een hond die blaft,
Wat hem veel plezier verschaft.
Echter: stop je hem iets toe bijwijlen,
Dan begint hij steeds te kwijlen.
Of hij daardoor iets verdient?
’t Is een regel, beste vriend:
Neem wat men je gunt,
En vraag wat je kunt.
En daarom, in Godesnaam,
Houden we het aangenaam.
’t Is een feit:
Alles heeft zijn tijd.
Blaffen is een been en zwijgen is soms vlees. Geheid!
(Geef een hond niet iets tegen zijn zin.
Maar met wat vet gaat een heilig woord er altijd in!)
Op een keer wordt er ’s nachts ingebroken:
Iemand heeft de ruiten stukgestoken
En het huis geplunderd tot de laatste cent:
Hoe pak je die vent
Vóór het laatste oordeel?
’s Morgens ziet de hond nog niet veel voordeel,
Want de stok die komt hem wakker maken:
‘Hond, waar was je? Het is toch jouw taak om ’s nachts te waken?
Aanslaan, blaffen, dreigen, bijten!’
Roept de hond: ‘Wat is me te verwijten?
Vreselijk! Valse beschuldigingen!
En wat wil je me nu af gaan dwingen?
Nee, ik ben geen Bileam en blaf niet zonder doel,
Ik leef vanuit mijn gevoel.
Nu ben ik ontzet!
Het gebeurde op het uur van ’t nachtelijk gebed;
Ik schrik wakker en zie wie daar stonden:
Wat is deze avond anders dan andere avonden?
Ik blijf, God bewaar me, zitten met veel vragen:
Waarom al dat pakken, al dat haasten, al dat jagen?
Door het raam zelfs, bliksemsnel!
En mijn hart zei: slapen, kan dat nu nog wel?
Want je ziet de wond’ren van Egypte,
’t joodse volk dat slavernij ontglipte
En nu naar Jeruzalem ontkomt…
Had ik moeten blaffen tot ooit de Messias komt?
Is dat dan een eer?
Ik kom echt niet uit de goot, zo is het ook nog eens een keer!’
Dit is toch allesbehalve vaag.
Maar de stok weet nu één ding: Blaf-Af houdt vol, dus slaag!

 

Bileam: profeet wiens ezel hem wilde weerhouden van misdaden (Numeri 22).

 
 

29. De hond

Op een keer begint het paard tegen de hond te klagen
Over de zweep en de wagen
En vertelt met bitterheid:
‘’t Was vandaag ellende, gister
Was de dag sinister
En waar morgen weer toe leidt?
Misschien nadert er van ver een nieuwe nare tijd…’
‘Weet je,’ zegt de hond, ‘je mag best klagen;
Narigheid van anderen is te verdragen
En zelfs bergop slepen is niet zwaar!’
‘Ja, ik weet het, ook al ben ik moegestreden,
Maar ik weet het… Kortgeleden
Bracht ik tien – misschien meer – lammetjes weg naar het abattoir.
Heel de weg moesten de stakkers mekkeren… Het brak mijn hart…
En ik sleepte ze de berg op, want de zweep sloeg hard!
Ja, ik deed het sleepwerk, ondanks al dat blaten…’
‘Worden daar ook honden toegelaten?’
‘God verhoede! Honden slaan ze daarvandaan!’
‘Val dood!’ Vaart de hond tegen hem uit, ‘val diep met je kop in de aarde!
Kijk nu toch eens aan:
Er is handel, maar alleen voor paarden!’

 
 

30. De kat en de hond

Vrome Tante
Is de vroomste kat van al haar geestverwanten.
En die zullen uit hun hoofd wel kennen
Zowel het klassieke werk de Tsennerenne
Als de Kav-ha-Joosjer.
Op haar kop draagt zij een mutsje en een brilletje, tevree
Eet zij enkel boter en nooit vlees en zelfs geen ree
En haar bekje is steeds schoon en koosjer.
En op pesach loopt ze steeds op sokjes,
Anders zou ze kunnen trappen op gezuurde brokjes.
Ze strooit ook veel woorden en citaten in het rond
En legt daarbij steeds de vinger op de wond.
‘Komt het boze oog, stuur het naar sjoel, dat is je taak.’
‘Val nooit voor zoete verleiding als een blok.’
‘Gij zult niet begeren.’ ‘Neem geen wraak
En koester geen wrok.’
Ja, ze heeft een mannenkop. En daarom zegt de rebbe: ‘Evengoed
Als het mutsje past haar het bont van de mannenhoed.’
Als de Tante bij een sjabbatmaal de koegel lekker vindt
Sjolent smikkelt en dan sjabbathymnen spint,
Komt de hond: ‘Ik wou dat je een botje voor mij overliet!’
Hoe bestaat het dat een hond van sjolent en van sjabbatrust geniet?
Tante vraagt hem: ‘Nu of straks?’
‘Nu!’ smeekt hij en zijn gezicht heeft ook iets maks.
‘Je lijkt mij wat hypocriet.
En je blaft: ik geloof je niet!’
Als zijn pogingen verzanden
Maakt de hond zich uit de voeten, knarsend op zijn tanden.
Op een and’re dag
Vraagt de kat of zij een beetje boter lenen mag.
Zegt de hond: ‘Bereid door moeder, deze keer.’
Nu lust de kat de boter niet meer!
Dat is dat. Maar nu wordt het echt erg.
Men zegt: een berg komt niet tot een and’re berg,
Maar een kat en hond ontmoeten elkaar… bij een lekker been…
Tante steekt een trillend pootje uit en maakt amok,
Kromt haar rug en mauwt meteen:
‘Rothond, denk na! Neem geen wraak, koester geen wrok!’
‘Schiet op, heks, loop naar de duivel en laat me alleen!’
De hond laat zijn tanden zien en blaft met veel lawaai.
Nee, zijn voorouders stonden niet bij de berg Sinaï!

 

Tsennerenne: bekend Jiddisj werk uit de 16e eeuw.
Kav-ha-Joosjer: Jiddisj religieus werk uit de 18e eeuw.
sjoel: synagoge.
koegel: sjabbatgerecht.
sjolent: sjabbatgerecht.
‘Neem geen wraak en koester geen wrok’: Leviticus 19:18.

 
 

31. Lucifers

In een kleine, donk’re cel, haast als sardientjes in een blik,
Op elkaar gepakt en rijen dik,
Ligt een hoop agressief grut,
Brand- en heethoofdzwaveltjes,
Zwaluwtjes met zwatelsnaveltjes:
Lucifers zijn het.
Zoveel koppen, zoveel zinnen, hitsig
Is de een, dus wordt de ander bitsig!
‘Ga opzij! Ga aan de kant!
Als ik hieruit kom, steek ik de straat in brand!’
‘Opschepper, je durft niet verder dan de straat!’
Zegt een ander kwaad.
‘In een brand vernietig ik de hele stad!
Eén ding mag niet plat:
’t Reuzenrad
Van de bron daar bij het bad.
Als dat ooit in rook opgaat, waar moet de duivel dan
’s Nachts zijn zwarte katten laten razen?
Ja, misschien het rad ongemoeid laten. Maak een plan!
Als de wind er maar geen vonken naar gaat blazen!’
And’ren roepen: ‘Laten staan dat is krankjorum!
Weg die handel en dat schorem!
Je moet heel de wereld zengen als een zwijn!
En een vlammenzee verandert alles in woestijn!
Wordt het voor de kerk dan ook te warm,
Slaat die dan alarm
Met veel klokgelui als laatste teken,
Dan moet daar de duivel een vlammende tong uitsteken
En de zwarte katten
Moeten wolken roet en rook in de gezichten kwatten!
Weet er iemand hoe de deur hier open moet misschien?
Laat ons vrij, in Godsnaam, want dan laten wij iets zien!
Dan gaat de deur open en men stuurt ze allen heen,
Een voor een,
En wat steken ze aan na al hun tiraden?
Sigaretten! Goed geraden!

 

*

En bevalt dat, kameraden?

 
 

32. De naald en de draad

Aan zijn werkbank zit kleermaker Samuël,
En de naald gaat bliksemsnel,
Achter hem daar sleept de lange draad,
En de naald steekt en zegt kwaad:
‘Lang eind, waarom laat je je op sleeptouw nemen?
Waarom haak je aan? Kun je geen afstand nemen?
Er zijn tegenwoordig al genoeg problemen.
Waarheen ik ook ga, hij volgt me als een schim!’
Zegt de draad: ‘Jij hebt een oogje, kijk! Wees slim!
Wat ben ik? Een draadje en niet meer,
Maar jij bent van staal en hebt een puntje als een speer.
Jij neemt steeds het voortouw weliswaar,
Maar door mij blijven de stukken aan elkaar.’

 

*

Welke indruk wil ik met die fabel wekken?
Dat mag je nu zelf ontdekken.
Laat de draad zichzelf maar trekken.

 
 

33. Hemden

Hemden hangen aan de lijn,
Hangen daar te kwekken,
En al hun gesprekken
Zijn op politiek terrein.
‘Op termijn
Zal er oorlog tussen Gog en Magog zijn,’
zegt een herenoverhemd en zwaait zijn mouwen op.
‘Ja, jij slaat de spijker op zijn kop!’
Antwoordt een arm onderhemd beducht.
‘Nog nooit heeft de wereld zo onder de wasstamper gezucht!
Nog nooit is het hete water ons tot de lippen gestegen!
Ja, het einde nadert – maar daarover nu gezwegen!’
‘Nog nooit… Nog nooit… Dat zegt hij altijd!
Steeds wil hij zijn wasstamperverhaal hier kwijt!
Smerigheid is het refrein!’
Spot een meisjeshemd met kant en met borduursel fijn,
Duffel-knuffel-wiegel-waaiend in de liefkozende wind.
‘Ja, natuurlijk, dat is wat ons hemden samenbindt…’
Zegt een ouder hemd dan en het fladdert amper,
‘Waarom bang zijn voor de stamper?
Het heeft geen zin om te klagen:
Hemden werden altijd al geslagen…’
‘Houd je snufferd,
Sufferd!
Dat is achterhaald!
Pak maar gauw een naald
En een lapje en naai dat maar op je mond!
Moeten wasstampers en hemden ruzie blijven maken aan het front?’
‘Stil toch, blaas niet zo hoog van de toren!
Want de wasstamper kan, God verhoede, ons nog horen!
Oren heeft de schutting en de wind voert nieuwtjes aan!’
‘Maar de stamper kan ons niet meer doen dan slaan,
En dat doet hij al.’
‘Dom geval!’
‘Houd je bek!’
‘Nee, ik roep van deze plek:
Als de stamper slaat, heeft hij een goede grond!
Niet de stok is schuldig, maar de hond!’
‘Slaan moeten ze jullie uitentreuren!
Hoor je wat ik zeg? Aan stukken moeten ze je scheuren!’
‘Let op wat je zegt!’
‘Kijk eens hoe die schurk je uitlacht, regelrecht!’ – –
Zoals nu moet het ook duizend jaar geleden gegaan zijn:
Je hangt aan de lijn
En je praat verhit op politiek terrein!

 

Gog en Magog: mythische reuzen (Ezechiël 38).

 
 

34. Aaltje en het naaldje

Over helden
Moet de rusteloze dag ons hier iets melden
Met trompetgeschal,
En nu het al schemert, nu de eerste ster
Schittert koortsig, stil, ellendig op de ster
Van de aarde, en haar begeleidster in ‘t heelal,
De door vele tranen schoongewassen maan, verschijnt heel ver,
Zal ik je van naaister Aaltje iets vertellen. ‘k Steek van wal.
Aaltje
Vertrouwt een geheim toe aan haar naaldje.
Kijk maar: door het oog rijgt ze een aangepunte draad,
En die is haar lot, die zwarte draad.
Maar de naald ziet dat niet als haar plicht,
Knijpt haar oogje dicht.
Aaltje zit er echter mee omhoog
Dat de draad er niet doorheen gaat, door dat oog!
En door al dat dom gepriegel
Raakt ze nu geërgerd, wordt ze kriegel,
En ze steekt maar en ze steekt,
Totdat ze de naald ten einde raad om medewerking smeekt
En zich met haar blik en heel haar lichaam ingraaft in dat oog.
Maar de naald verliest de draad uit ’t oog
En ze giebelt,
Aaltje wordt nu met haar zwarte draad vrolijk gekriebeld!
De naald plaagt haar en maakt flauwekul,
Aaltje heeft de draad te pakken, maar die hangt nu in haar pijpenkrul!
Zelfs een engel kan de draad niet door die naald heen duwen.
Aaltje is ook maar een mens, met zenuwen,
En in hoge nood
Roept ze: ‘Krijg de ziekte, jij! Val dood!
En ook alle and’re scherpe naalden die zo steken!
O, jullie werkschuwen,
Ik zou graag op jullie allen spuwen
En je dan in stukken breken!
Jullie halen het bloed onder mijn nagels vandaan!
Maar wat moet ik? Knarsetanden zal niet gaan,
Hoezeer ik me ook inspande,
Want heb ik dan nog mijn tanden?
Al die witte en die gave?
Ook de naald heeft ooit voor mijn gebit een graf gegraven!
Witte tanden heb ik niet meer, maar ik heb wel witte haren,
Zwart waren ze ooit, maar naar de hel zijn ze al jaren!
Nu zijn ze van zilver. Ik ben rijk,
Maar ik geef het weg, neem het gelijk!
Zilver op mijn hoofd, dat me zo erg bedrukt, val uit!
God, er ligt een laagje sneeuw op mijn hoofdhuid!
Heb ik daar dan om gevraagd?’
En ze rukt het uit, het zilver dat haar plaagt.
En de naald kijkt toe en denkt nu dit:
Hoor eens: nooit geweten dat ik zoveel macht bezit!
En ze zegt tot strijkijzer en schaar:
‘Jongens, dit krijgt een naald toch maar voor elkaar!’

 
 

35. Een verhaal zonder eind

Luister: een verhaal:
Op straat, onder een loodzware baal,
Ligt een ezel en reb Chajiem geeft hem slaag.
Wil hij hem tot rede brengen? is de vraag.
En geduldig ondergaat de ezel deze pijn.
Zou die ezel, denk je, soms belust op klappen zijn?
‘Stop, reb Chajiem! Waarom zoveel razernij?
’t Is een levend wezen! Heb toch medelij!’
Zeggen mensen die daar staan.
‘Als een ezel niet wil opstaan,’ roept reb Chajiem, ‘moet je slaan!
Willen jullie hem soms dragen en zo verdergaan?’
‘Straks dan breekt uw stok nog!’ ‘Nou, dan pak ik wel een andere!’
En hij blijft het koppig dier mishandelen.
Mensen zeggen: ‘Ezel, sta toch op!
Als je maar op straat blijft liggen krijg je klop!’
Maar de ezel zegt kordaat:
‘Nee, ik blijf juist liggen omdat hij me slaat!’
Dit verhaal heeft dus geen eind:
Door het slaag wil hij niet opstaan – hij krijgt slaag want hij komt niet meer overeind.

 
 

36. Geschiedenis

Ja, de kater wilde de historie van zijn volk gaan schrijven.
Met de beste wensen willen wij niet achterblijven.
Nee? Waarom niet?
Omdat zo’n legendenboek geen leuke dingen biedt?
Is de jeugd van tegenwoordig te kort van memorie
Voor gedegen studie van de eigen volkshistorie?
Wat wordt er dan wel van je verwacht?
Rondzwerven en liedjes mauwen door de nacht?
Naar de vleesplank gaan, waar je een lekker hapje steelt?
En de meid maar zorgen dat ze eerlijk alles deelt?!
Weinig hersens en geheugen, moet ik concluderen.
Laten ze studeren en tenminste leren
Dat het leven echt geen pretje is – dat is een feit,
En dat het verstand traag is, het komt pas mettertijd.
Dus ervaring is belangrijk, daaraan heb je wat,
Heel belangrijk… Buiten dat
Moet ook opgetekend worden hoe in ’t verleden
Onze voorouders leefden en streden.
Laat de jeugd niet denken – dan heeft ze het mis –
Dat het leven pas bij hen begint en met hen afgelopen is!
En diep in de nacht pakte het dier
Inderdaad een pen, inkt en papier
En schreef al direct wat woorden neer:
Allereerst noteerde hij een “Loof de Heer”
Met de ophalen en neerhalen incluis
En als sierlijk hoogtepunt een levendige muis.
Dan het een en ander van de schepping en de Bijbel en ‘t geschatte
Aantal pagina’s en dan heel groot: “Geschiedenis der Katten”.
Verder – stop!
Als rook uit een schoorsteen verdwijnt alles uit zijn kop!
Voor zijn ogen komt een waas, als in een droom hevig geschrokken
Ziet hij stukken, brokken,
En een dikke nevel daalt er op de hoogtepunten neer…
Daarop rent hij naar de schoorsteen, kust die zeven keer,
Gaat weer zitten, zwaait zijn staart en spitst zijn oren,
Knabbelt op zijn pen, voelt zich verloren:
Wie, wat, waar, wanneer: het is vergeten allemaal
En er zit geen leven in. Nou, dan maar een verhaal!
Maar dan flitst het opeens in zijn ogen,
Hij neemt een besluit. En nu naar het papier gevlogen:
Nagels – vogels –
Voedsel – kogels –
Tandjes – botjes –
Krols – iets vlotjes –
Katje – grabbel –
Kluifje – knabbel –
Muisjes, bloed, gevaar –
En dat is het, de Geschiedenis is klaar!