Elegie aan het Bodenmeer

Muurschildering-in-het-Dominikaner-klooster-in-Konstanz-–-foto-Ingeborg-Kriegsman

 
 

Geoffrey Hartman

 

En naar Konstanz in het jaar des Heren negentienhonderdnegenenzeventig
naar harp, fluit, viool, in het Dominicanenklooster,
kwamen, streng maar schoon, als hervormde giften,
nu in de farmacopee van het geweten:
de klanken van het Collegium Musicum Judaicum.
 
Vertolkend voor een begrijpend auditorium
vernieuwde psalmen van leed en vreugde,
gered uit de vuren van de Endlösung.
 
Iedere overlevende uit een ver verleden verleden
werd opgegraven door componist en voorzanger; christelijke oren
die verlangden naar “Liebster Jesu, mein Verlangen” of
Schubert, Mozart en de herleefde Monteverdi,
luisterden geduldig naar Süsskind von Trimper en “Zoeg sjoin Rebbenjoe”.
 
Ik had voor de sjofar nog nooit applaus gehoord, God beware me,
de teroea gedola en die schrijnende laatste toon,
die al klinkt op de adem van de Messias.
 
Ik ving het woord “catastrofe” op, dat eenmaal klonk,
over de niggoen van een jonge Poolse rabbijn,
“als levensuiting”, zei de voorzanger, “vóór zijn
martelaarschap” – dat wil zeggen voor zijn slachting door Kruisvaarders.
 
Het programmaboekje sprak een even uitstekend Duits
als de voorzanger in zijn zwarte pak: zo moest het zijn,
zei ik tegen mezelf, dit oecumenisch mengelmoes
van “liederen van het joodse volk”, “oudste klanken”,
“Urklänge” in kamermuzikale gedaante.
 
Mag Jiddisj niet meer zingen
met zijn eigen stem? Aan het einde der tijden,
wanneer Gods wateren de aarde bedekken
als kennis, zal – geloven chassidiem –
zelfs de Tora vloeibaar worden, en gezang
zal zijn waar de Tora was, en Jiddisj
(voeg ik eraan toe) zal blijken die zang te zijn.
 
“Sjloef sjoin main Fejgele, sjlies daine ejgele…”
Hoe kan ik zonder zulke troost mijn ogen sluiten?
Na beelden van de opgehoopte doden in de kampen,
wetend waarom muziek gespeeld werd in de kampen:
wie kan luisteren naar deze voorname musici
zonder in hen die andere lijken te aanschouwen?
Nachamoe, nachamoe, ami.
 
Deze zesde juli was voor Jan Hus gedenkwaardig,
ik zie rondom me op de elegante witte muren
(als getekend door een archaïsche Matisse)
de zwakke, gestileerde foltering van martelaren:
doorstoken, doorboord, doorgezaagd, verbrand, gevierendeeld,
onthoofd, gekraakt, verscheurd, vastgenageld,
verblind, ontmand, bekneld, opengereten.

 

Elegy at the Bodensee. Uit Religion and Literature, Vol. 16, No. 1 (Winter 1984), South Bend, IN, The University of Notre Dame. Een analyse van dit gedicht is te vinden in hoofdstuk 4.46 van A Tool of Remembrance, elders op deze website.
foto: muurschildering in het Dominicanenklooster in Konstanz, voorstellend de hervormer Jan Hus in de gevangenis.