7. Reprise

verstreken-jaren-7

 

1

Moeder liet de motor van haar Trabantje pruttelen, liep naar het rechterportier en hielp vader uit de auto. Ze stak haar hand naar me op en maakte aanstalten om weer in te stappen. Het was dus de bedoeling dat ik vader even gezelschap hield, terwijl zij inkopen deed. Ik legde mijn schaafje op de werkbank en zette de radio af. Nabeschouwingen over de conferentie in New York, waarin de Geallieerden Duitsland zijn volledige soevereiniteit teruggaven, moest ik maar in de avondkrant van 1 oktober lezen. Omdat vader een vol boodschappennet bij zich had, ging ik snel naar buiten om hem de last uit handen te nemen.

Het leek wel of hij weer wat langzamer liep, als een oud horloge, dat niet abrupt stopt, maar iedere dag een minuut verder achterloopt. Ook beefde hij vandaag nogal: een teken van onraad in zijn hoofd of in de wereld; het eerste door het laatste of het laatste door het eerste. Hij zou wel weer iets te pruttelen hebben over de oude maatschappij, die niet gauw genoeg instortte, of over de nieuwe, die niet vlot genoeg werd opgebouwd. Zijn gekanker was natuurlijk terecht. Alleen werd het voor hem steeds moeilijker om er een samenhangend verhaal van te maken dat langer duurde dan vijf minuten.

In het boodschappennet zat een groot voorwerp, verpakt in kranten.

‘Het bewijs dat ze ons altijd hebben voorgelogen!’ zei vader hees.

‘Eerst gaan we naar binnen,’ zei ik als tegen een kind en duwde de deur voor hem open.

Maar hij bleef op straat staan.

‘Johann, je moet dit bekijken! Hier buiten, en in het volle licht!’

Ik trok het pak uit het boodschappennet en verwijderde het krantenpapier. Wat er te voorschijn kwam was een stuk hout, gezaagd uit een spar.

In de groeven van de schijf was van binnen naar buiten een lied opgetekend dat begon als een lofzang op vette jaren en langzaam maar zeker veranderde in een treurzang over magere jaren. De jaarringen werden steeds smaller en eindigden in een bast die gehavend was door spechtensnavels, voor zover niet weggerot onder een lijkwade van witte schimmeldraden. Opeens voelde ik iets kriebelen. In een reflex trok ik mijn hand terug. De schijf hout belandde met een klap op de stoep voor de deur, narollend als een kolossale munt op een tapkast. Een stuk bast viel eraf en vochtig, vermolmd hout met vuilwitte larven werd blootgelegd. Een dik, bruin behaard kevertje probeerde een goed heenkomen te vinden. Snel zette ik mijn voet op het miniatuur-pantserwagentje. Dat hout mocht de werkplaats niet in! Ik stopte het weer in de kranten en het net en zette het bij de voordeur.

Mijn vader en leermeester beefde. Het beven nam toe met de emoties; zo gaf zijn kwaal me, zonder dat ik het wilde, inzicht in zijn gemoedstoestand. Dat het onbewogene in zijn gezicht en het onderdanig gebogene in zijn houding maar schijn waren, wist ik allang.

Ik loodste hem over de treden de werkplaats in en schoof een stoel onder hem aan. ‘Hoe kom je aan dat hout?’ vroeg ik. ‘Van je overbuurman met die Poolse motorzaag?’

Hij brandde meteen los.

‘Veertig jaar lang hebben de betonkoppen gedacht dat ze zich alles konden permitteren! Ze hebben roofbouw gepleegd op de mensen en op de natuur. Van de ene kant van Saksen hebben ze een maanlandschap gemaakt door de bruinkool af te graven. Van de andere kant een puinhoop door het uranium uit de grond te halen en het radioactieve afval open en bloot te laten liggen. De bossen op het Ertsgebergte hebben ze veranderd in een steppe door de fabrieken alle chemische troep ongefilterd de lucht in te laten blazen. Geen wonder dat de bomen crepeerden. De betonkoppen hadden minachting voor de natuur, terwijl ze met al hun fabrieken het gewoonste stukje vurenhout voor een viool niet konden namaken!’

De spar waaruit dit gedegenereerde hout kwam, was na het wanbeheer van de mens een makkelijke prooi geweest voor de stormen en spechten van boven en de dennenscheerders en letterzetters van beneden.

‘Jarenlang mocht niemand één foto maken of één woord schrijven over de toestand van de bossen. Toen de politici dat niet meer konden tegenhouden, noemden ze het sterven van de bossen een natuurramp. Maar het is geen natuurramp; het is een politieke misdaad. Goed dat je grootvader niet meer leeft… Wat zou die woedend zijn geworden om al die gevallen sparren en dat onbruikbare hout!’

Vader wilde nog iets laten zien. Uit zijn jaszak kwam het oranjerode kader te voorschijn van het om zijn onthullingen gevreesde tijdschrift.

‘In de westkrant die ik gekregen heb staat het allemaal precies.’ Bevend met zijn vroeger zo vaste vioolbouwershanden zette hij de leesbril op zijn neus. Hij bladerde in het stukgelezen nummer van Der Spiegel tot hij een paar aan de hoek omgevouwen pagina’s vond en begon me aangestreepte zinnen voor te lezen.

‘Hier is het laatste woord nog niet over gezegd,’ besloot hij.

Ik moest de foto’s bekijken van de bossen op het Ertsgebergte, beter gezegd van het landschap op die plaats, dat met zijn boomstaketsels deed denken aan de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog na jaren loopgravengevechten.

Ondanks alles was er aan vaders verhaal één ding dat me beviel: het was nieuw.

Het was geen reprise van het oude verhaal over de tocht naar Rusland – heen in de zomer, terug in de winter; heen per tank, terug te voet. Niet het verhaal over de apparatsjiks in de muziekinstrumentenfabrieken. Niet het verhaal over de chef die ‘s morgens werkte achter Neues Deutschland en ‘s middags achter de Freie Presse en daarvoor door zijn kameraden bevorderd was tot Held van de Arbeid. Het verhaal dat vader altijd eindigde met de uitspraak dat het bouwen van violen voor onze familie nooit een manier was geweest om een partij te behagen, een lintje te krijgen of in het nieuws te komen. De Starks bouwden om het bouwen.

‘Er moet iets gedaan worden,’ zei vader, doodmoe opeens. ‘De oorlog tegen de mensen is afgelopen. Nu moet het uit zijn met de oorlog tegen de bomen. Wat nog niet verloren is moet gered worden. Ik laat het hout uit het Ertsgebergte hier. Zelf heb ik ook een stuk. Je moet het aan je klanten laten zien.’

Ik beloofde mijn best te doen. Als ik het hout in quarantaine mocht houden: vraatzuchtige kevers kwamen mijn werkplaats niet in.

Buiten hoorde ik moeder terugkomen van haar boodschap. Ze kon vader weer meenemen naar zijn eigen, stilgelegde werkplaats. Als hij weer wat energie had, kon hij daar zijn schaarse bezoekers opstoken tegen de verdelgers van de bossen.

 

2

‘Ik wil niet te veel beslag leggen op uw tijd, meneer Stark,’ zei Martin, toen ik na de reparatie achteroverleunde. ‘Uw werkplaats is geen spreekkamer.’

‘Soms is het verschil niet zo groot,’ lachte ik.

Mijn klant werd stil. Misschien was de opmerking niet in goede aarde gevallen.

‘Ik zit ergens mee en wil uw mening erover weten.’

‘Ik luister.’

‘We hebben allemaal onze problemen met de Wende en de Eenheid,’ zei Martin. ‘U waarschijnlijk ook.’

Ik zuchtte, pakte mijn agenda van mijn werkbank en hield hem open.

‘Je ziet: dinsdag 2 oktober is leeg. Ik heb dus ook mijn zorgen. Niet alleen over de teruglopende inkomsten en andere materiële zaken. Het verontrust me dat we jaren op viooleilandjes hebben geleefd. En dat die nu overspoeld worden door de vloedgolf uit het Westen.’

Martin trok zijn wenkbrauwen op.

‘Deze werkplaats was een viooleilandje,’ legde ik uit, ‘dat dag in, dag uit een toevlucht was voor gestrande vioolliefhebbers. Die vergelijking is niet overdreven, als je denkt aan alle vertrouwelijke gesprekken die ik hier achter de werkbank, met het schaafje in de hand, gevoerd heb. Jullie concertzaal was ook een viooleiland. Iedere avond waren de concerten uitverkocht en de liefhebbers vochten om een kaartje. Er was weinig ander vertier dan die muziek, dat is waar, maar bij jullie konden de mensen de narigheid en de lelijkheid een paar uur vergeten.

Mensen als wij hebben ons nooit veel bekommerd om geld: we konden er toch niet veel behoorlijks voor kopen. En roem, macht en carrière zijn nog steeds geen dingen waarvan wij wakker liggen. Van violen wel: ik kom hier wel eens midden in de nacht om een bepaald stuk hout weer op te pakken.’

Martin glimlachte.

‘Een jaar geleden,’ vervolgde ik, ‘hebben we gedemonstreerd voor de Wende. We waren bezield door de leuzen, het grote doel, het samen optrekken in de kou, de warmte in de overvolle kerk… Dat was de tijd van de poëzie. Nu is het de tijd van het proza. Zo heeft president Václav Havel in Tsjecho-Slowakije het gezegd. De vrijheid is er en vanavond luisteren de hoge gasten in Berlijn naar de Negende van Beethoven, met het slotkoor over de broederschap van de mensen… De Wende moest komen, Martin. Maar hij heeft bij mij een gevoel van leegte achter

gelaten. Het is of ik mijn hele leven, mijn kindertijd, mijn leertijd, mijn jaren als meester, gefotografeerd heb met een camera waar, nu ik hem openmaak, geen film in blijkt te zitten. Ongelukkig ben ik niet, maar ik had me de tijd na de Wende toch anders voorgesteld, met een nieuwe saamhorigheid. Misschien ben ik een politieke naïeveling…

Nu ter zake: jij zit ergens mee. Daar moeten we het over hebben.’

‘Wat ik u wou vertellen, gaat over naïveteit,’ zei Martin. ‘Naïveteit tegenover macht.’

‘En jij bent de naïeveling in het verhaal?’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Het gaat over ons orkest. Ik speel er nu vijf jaar. Mede dank zij die viool van u. Ik weet nog hoe de Chef me na mijn proefspel kwam feliciteren. Beduusd was ik door de complimenten van de beroemde man, die zwaargewicht, voor wie ze zelfs in het Westen in de rij stonden. Met zo’n prachtige toon zou ik het hier wel redden, zei de Chef vaderlijk, terwijl hij me een schouderklopje gaf. Hij wist niet dat ik gespeeld had op een van een collega geleende viool, omdat mijn eigen instrument te slecht was. Wat had ik de pest in, toen die mooie viool weer terug moest…’

Het viel me op dat Martin zijn dirigent geen enkele keer bij zijn naam noemde.

‘De overgang naar een toporkest was moeilijk. En mijn eigen viool werkte niet mee. Maar ik vertrouwde op de sympathie van de Chef. Die voelde ik ook, al werd hij na zekere tijd steeds lastiger, tot in het extreme. Vaak pikte hij mij eruit wanneer er bij de eerste violen iets niet klopte. Het leek wel of hij me wilde provoceren. Maar alleen door veeleisend te zijn kun je iemand vooruithelpen, nietwaar? Met diezelfde veeleisendheid had de Chef zijn succesplaten opgenomen. Ik kreeg het idee dat hij me op de proef wilde stellen om te kijken of ik hard genoeg was voor de eerste lessenaar. Er waren dagen dat ik kapot de repetitiezaal uitkwam. Maar ik vocht om me te handhaven en daarbij rekende ik op de sympathie van de Chef achter dat masker van hardheid. Ik was omringd door oren. Oren die alles hoorden: wat ik zei over de directeur, over de plaatsvervangend directeur, over het premiestelsel, over de verkiezingen, over televisieuitzendingen van de andere kant, over mijn familie in het Westen… Iedere stembuiging, ieder grapje registreerden die oren. De Chef had alleen oor voor de muziek, dat was algemeen bekend. Die had maling aan de politiek en kon zich door zijn internationale bekendheid heel wat vrijheden permitteren. In plaats van met het dialectisch en historisch materialisme hield hij zich bezig met astrologie en daar kwam hij ook voor uit. Ik bewonderde hem, niet om die sterrenwichelarij, maar om zijn onafhankelijkheid en zijn durf.

Zoals ik u zei, mijn viool voldeed niet in een toporkest. De toon kwam niet over het voetlicht. Ik moest een andere hebben. Maar waar ik ook zocht, ik kon geen geschikte viool vinden, en dat lag zowel aan de prijs als aan de schaarste aan topinstrumenten. Wat was er vroeger niet schaars? Na de plaatopname van de symfonieën van Schumann zat het me tot hier. Het geploeter op mijn oude viool en het vergeefse gezoek naar een nieuwe hingen me zo de keel uit, dat ik op een dag besloot om aan te kloppen bij de directeur. Die man met al zijn relaties in de partij en de ambtenarij moest mij helpen.

Mijn toon irriteerde hem, dat wil zeggen mijn spreektoon. Op wat voor instrument ik speelde, was mijn zaak. Die vioolkist kon ik net zo goed dichtlaten, want hij had een dringende afspraak.

Toen werd ík geïrriteerd: was hij niet medeverantwoordelijk voor het materiaal waar zijn werknemers op moesten spelen?’

‘Tot op zekere hoogte,’ zei ik. ‘Maar je had het anders aan kunnen pakken. Je vangt meer vliegen met stroop dan met azijn. Wat zei hij?’

‘Daar is het gat van de deur! Ingerukt mars! Alsof ik een rekruut was met een geweer in plaats van een musicus met een viool.

Dat ik uiteindelijk toch een goed instrument in handen kreeg, had ik te danken aan iemand uit een ander orkest, die zei dat ik eens in uw werkplaats moest gaan kijken. En aan de financiële regeling die u voorstelde.’

Ik knikte.

‘Een jaar of anderhalf geleden begonnen er in het orkest dingen te veranderen,’ ging Martin verder. ‘U weet het waarschijnlijk. Van ons concert in Amsterdam kwamen we met vier orkestleden minder terug. De leiding schrok en annuleerde de concerten in Parijs. Een paar maanden later kwam de zomer; toen waren de vluchtelingen over de Hongaarse grens naar Oostenrijk niet meer te houden. En in de herfst viel de Muur.’

‘Ik dacht dat je een verhaal zou vertellen dat niet goed eindigde.’

‘Het is nog niet afgelopen. Na de Wende eisten wij, dat wil zeggen alle orkestleden, inzage in de persoonlijke dossiers die er van ons moesten bestaan. Die eis werd door de leiding ingewilligd. Ze moesten wel, wilden ze op hun stoel kunnen blijven zitten. Omdat ik – afgezien van die woordenwisseling met de directeur – geleerd had voorzichtig te zijn in mijn uitlatingen en omdat ik zelfs lid van de vakbond geworden was, dacht ik in mijn akten niet veel bijzonders te zullen vinden. Maar tussen het stereotiepe gespioneer, waar iedereen mee te maken had gehad, vond ik aantekeningen van een gesprek tussen de directeur, de plaatsvervangend directeur – de hoogste Stasi – en de Chef. Ze bespraken het gedrag van een ondergeschikte die kritiek leverde op de arbeidsomstandigheden in het orkest en op de stijl van leiding geven van de kameraden in de directie. De Chef had spontaan een voorstel gedaan: hij zou de arbeidsmoraal van de jonge collega kritisch bekijken, hem de duimschroeven aanleggen en dan kijken hoe lang hij dat uit kon zingen.

In het kantoor speelden scènes uit repetities en concerten zich als een film voor me af, en ik begreep opeens de dubbelzinnigheid van blikken en opmerkingen van de Chef in mijn richting. Hij had vele mogelijkheden om me te belasten, en hij had ze allemaal gebruikt. Ik had de zwaarste diensten gekregen en de minste tournees naar het Westen. Op die reizen was ik ‘s avonds streng verhoord; ze moesten precies weten waar ik geweest was, met wie ik had gepraat en waarover. Naast me aan de lessenaar kwam een collega te zitten die Stasi-medewerker was. Ik had moeilijke passages vaak alleen moeten spelen. De concertmeester had opmerkingen over mij te horen gekregen die ik op de derde rij niet kon verstaan. Zelfs de glimlach van de Chef begreep ik nu. Ik had hem gezien zoals ik hem wilde zien en niet zoals hij was. Zijn doel was niet het harden van het staal, maar metaalmoeheid.’

‘Je hebt de akten toch wel gekopieerd?’

‘Natuurlijk. Meteen na de Wende stond er zo’n kopieerapparaat.’

Martin stond op om de papieren voor de dag te halen.

Tussen de regels door keek ik tersluiks hoe hij voor zich uit zat te staren.

‘Weet de Chef het al?’ informeerde ik, toen ik alles gelezen had.

‘Ik had het erbij kunnen laten,’ zei Martin. ‘Maar dat bevredigde me niet. Ik heb eerst maanden nagedacht en toen besloten, kopieën van de akten op te sturen naar zijn huisadres.’

‘Er zijn leukere soorten post denkbaar. Heb je al antwoord?’

‘Het antwoord kwam gauw. Een bedeesde stem aan de telefoon bevestigde de ontvangst en vroeg of het nu de bedoeling was een advocaat in de arm te nemen. “Ach,” zei ik, “zulke mensen kan ik van mijn salaris niet betalen.” “Ik bedoel: moet ík een advocaat nemen?” vroeg de Chef. Ik: “Het ligt eraan hoe uw sterren staan.” Hij: “Ben je van plan die informatie aan een westkrant te verkopen?”’

‘Wat heb je gezegd?’ vroeg ik, opgewonden ineens.

‘Dat ík geld niet het belangrijkste vond in het leven. En dat ik een persoonlijk gesprek met hem wilde. Morgenmiddag zien we elkaar. Wat moet ik in godsnaam tegen die vent zeggen?’

Die Martin! Hij had zijn tegenstander uit de hoogste gewichtsklasse met een heupworp op de grond gekregen en aarzelde nu om de houdgreep aan te leggen. De kadaverdiscipline zat bij onze mensen diep.

‘Is er in het orkest een collega die je in vertrouwen kunt nemen?’ informeerde ik.

Hij knikte. ‘Een van de hoboïsten, lid van de ondernemingsraad. Nooit iets met de partij of de Stasi te maken gehad.’

‘Heeft hij telefoon?’

‘Ja.’

‘Heb je het nummer bij je?’

Martin pakte zijn agenda.

‘Pak straks mijn telefoon. Zorg dat die collega alles weet en met je meegaat. Dan ben je gedekt, in het geval dat de stand van de sterren ondertussen veranderd is. En dan… Je vraagt de Chef op de man af, hoe hij nu denkt over de dingen die daar op papier staan en zijn gedragingen tegenover jou. Als hij oprecht zijn excuses aanbiedt, dan stel jij voor het dossier te sluiten. Denk maar aan Beethovens Negende, de broederschap van de mensen en zo… De muziek gaat door en je moet die paar jaar tot zijn pensioen nog met de Chef samenwerken.’

 

3

Op een omgekeerd bierkrat had ik voor mijn naar het atelier verplaatste televisie zitten kijken naar de plechtige Vereniging van de beide Duitslanden. De zwart-donkergrijs-lichtgrijze vlag met de hamer en passer tussen korenaren was gestreken en de omvangrijke kanselier Kohl had ons kleine minister-presidentje De Maizière afgelost. Omdat ik zat te luisteren naar de rede van de nieuwe president, had ik Hermann niet binnen horen komen.

Ik stond op en bukte me om de televisie zachter te zetten.

‘Grüss Gott!’ zei hij op zijn Beiers.

Het “Hoe is het, Johann?” was in de loop der jaren veranderd in “Gegroet, meester-vioolbouwer”, “Wessi groet Ossi” of “Grüss Gott”.

Met een sigaret in zijn mondhoek liep hij door mijn werkplaats, planken betastend en vitrines openend. Ik voelde me in een minuut tijd tien jaar ouder worden dan de broer met wie ik toch maar één jaar scheelde. Het verschil zat hem niet alleen in het beter vallende pak zonder valse plooien en het grotere brilmontuur. Hij had niets grauws in zijn gezicht en in zijn hals minder rimpels. Misschien zou ik nog wat kunnen inhalen door af en toe mijn vale voorschoot af te doen en in een pastelkleurig trainingspak over de keien te gaan hollen. Maar dat zou opvallen in dit kleine stadje.

‘Je wordt verdomme nog onbereikbaar! Jullie telefoon, daar heb ik het nog niet eens over; een postduif doet het beter. Nu jullie echt geld hebben, kopen jullie ineens allemaal een auto. Eindeloze files met tweedehands wagens: niet om door te komen.’

‘Moet het weer zo worden als vroeger?’

Hij grijnsde en blies een rookwolk uit.

‘Is Rosemarie niet meegekomen?’ informeerde ik om het gesprek een andere wending te geven.

‘Geen tijd. Ongelofelijk: in de tien jaar dat we hier weg zijn is er niks veranderd, ook na de Wende niet, behalve de westauto’s en de bananen. Markneukirchen is nog steeds hetzelfde openluchtmuseum. De slagbomen mogen dan weg zijn, je ruikt de grens nog. Ook in Berlijn: zodra je de Brandenburgse Poort door bent en de Linden oploopt, waaien het stof, de bruinkool- en de tweetaktwalm je tegemoet. Leonore niet thuis?’

‘Die is een weekje bij die Poort,’ legde ik uit. ‘Ze wou het feest van onze Vereniging daar meemaken, met een Berlijnse vriendin.’

Als een goede gastheer informeerde ik of hij iets te drinken wilde.

‘Bonenkoffie,’ bestelde hij.

We dronken al een jaar niets anders meer.

Tijdens het koffiezetten in de keuken herinnerde ik me hoe iedereen Hermann uit de weg was gegaan, alsof hij aan een besmetlijke ziekte leed. Hij had geen krimp gegeven. Toen hij tien jaar geleden eindelijk zijn uitreispapieren gekregen had, was hij in Beieren gaan wonen. En later met een vrouw uit München getrouwd. Ik voelde me op zoveel manieren aan dit verouderde, ouderwetse, oudbakken stadje verbonden, dat ik niet geprobeerd had weg te komen. Hij had in het Westen de regels van de markt snel en feilloos geleerd met de ijver van een late bekeerling. We waren begonnen met één viool, die hij na de levering nonchalant op de achterbank het land had uitgereden. Aan de grens hielden ze van westerse sigaretten. Daarna had hij hout gebracht, steeds door een andere grensovergang. Duur, goed hout; ik kon het zelf niet uitzoeken, maar hij wist wel degelijk wat hij kocht. Ik maakte er violen van, boven op mijn officiële quantum. Het geld, de extra oostmarken plus een fooi in harde valuta, kon ik goed gebruiken. Hij de violen ook. Dat de balans niet in evenwicht was en steeds verder naar zijn kant doorsloeg, daar had ik nooit iets van gezegd. Uit bescheidenheid, aangeleerde gehoorzaamheid of angst. Nu wilde ik met Hermann een nieuwe verhouding op een gezondere basis.

‘Veranderen bergen in goud, wanneer broeders samenwerken,’ hoorde ik Richard von Weizsäcker nog juist zeggen, toen ik met de koffie binnenkwam. ‘Het hoeft geen goud te zijn, en bovenal gaat het ook niet zonder zusters. Maar we moeten onder ogen zien: zich verenigen betekent leren delen. Met alleen maar leningen tegen een hoge rente laat de Duitse eenheid zich niet financieren. In het openbare leven en in het privéleven gaat het om anders inrichten, om meehelpen, besparen, geven. Vele goede voorbeelden laten zien…’

‘Je bent niet spraakzaam, broertje,’ interrumpeerde Hermann onze president. Hij begon van de hete koffie te slurpen.

‘Er is vandaag veel om over na te denken en veel om aan te wennen,’ zei ik, de televisie nog zachter zettend. ‘Ze zeggen: nu moet samengroeien wat samenhoort. Wij willen dat. Maar er wordt een zware wissel op onze energie getrokken. Sinds juli en de monetaire unie hebben we hier allemaal te kampen met een gebrek aan opdrachten. Repareren is zowat het enige wat we nog doen. Ik heb mijn gezel al moeten ontslaan. En als het hier zo doorgaat, duurt het niet lang of de muziekinstrumentenfabrieken en een aantal werkplaatsen storten in. Dan moeten heel wat vioolbouwers gaan uitkijken naar ander werk, dat nauwelijks te vinden is. Alles heeft hier eeuwenlang om de instrumenten gedraaid, zoals je weet.’

‘Jij houdt de werkplaats toch zeker aan? En het hout?’

Ik knikte.

‘En het huis?’

‘Jazeker.’

‘En vader het huis?’

‘Vraag het hem zelf,’ zei ik. Dit was geen manier om een gesprek te voeren.

‘We moeten over zaken praten,’ zei Hermann en stak een nieuwe sigaret op. ‘Je zei dat je hoofdzakelijk nog repareert. Maar je bent hoop ik niet vergeten dat ik nieuwe violen bij je besteld heb.’

‘Ik weet het.’

‘Weet je ook hoeveel tijd er al verstreken is?’

Hij deed zijn dure horloge af, zette het naast zich op mijn werkbank en masseerde zijn pols.

‘Het is nu 3 oktober: anderhalf jaar.’

‘Weet je ook het aantal instrumenten nog?’

‘Ja zeker: tien, waarvan ik je er vijf geleverd heb. Ik ben nu eindelijk klaar met alle dringende reparaties: mijn klanten in het Gewandhausorkest, de Staatskapelle en de kleinere orkesten hadden haast om nog vóór de monetaire unie te komen en te betalen. En ik wil ze niet kwijt, omdat ik van ze afhankelijk ben. Ze kunnen nu immers ook naar een concurrent in het Westen.’

‘Je komt je afspraken niet na,’ zei Hermann. ‘Je bent toch zakenman en niet alleen maar bouwer? Hoe denken jullie de tent hier open te houden na de Vereniging?’

‘Ik doe mijn best. Na de monetaire unie hoopte ik je gauw te spreken. Ik had over de prijs willen praten.’

Hij fronste.

‘Over de prijs praten? Kom eerst je afspraken na. Ik kom de mijne na: ik betaal op tijd. Oostmark wordt westmark. Zorg jij dat je op tijd levert.’

Ik voelde mijn mond droog worden.

‘We hebben onder het oude regime altijd met fantasieprijzen moeten werken. Niemand heeft hier ooit een reële kostenberekening gemaakt, de kleine bedrijven niet, de grote niet, de Kombinate niet. Prijzen werden voor ons bedacht. Het oude bedrag in westmarken is veel te laag en het is niet overdreven om het op te trekken naar westniveau, dat wil zeggen te vermenigvuldigen met drie of vier.’

‘Het leven is hier een stuk goedkoper,’ pafte Hermann. ‘Ik heb een paar etalages bekeken, dus ik weet waarover ik praat. Je mag blij zijn dat ik me aan mijn afspraak houd.’

Dit was het vulgaire kapitalisme uit onze schoolboekjes van voor de Wende… Ik beheerste me en zei: ‘Als we de prijs eerst op een reëel niveau gebracht hebben, geef ik je op de resterende vijf violen tien procent korting, als compensatie voor de vertraging en de eventueel gederfde rente.’

Hij stond op, stak zijn sigaret in zijn mondhoek en greep bij wijze van grap de strijkstok van mijn werkbank; licht door zijn knieën gezakt hield hij de stok als een degen horizontaal voor zich uit. ‘Reprise!’

Het was of ik het zingende gekletter van stalen degens tegen elkaar hoorde. Maar ik bleef zitten: mijn materiaal was hout.

Toen hij zag dat ik zijn hernieuwde aanval niet beantwoordde, liet hij het masker van sportiviteit vallen.

‘Johann,’ zei hij, de strijkstok wegleggend. ‘Zo gaat dat niet. Het is niet mijn gewoonte te marchanderen. Ik houd me aan de afgesproken prijs.’

Ik besloot me niet op te winden. ‘We normaliseren de prijs, ik geef je tien procent korting en bouw zo snel mogelijk. Als je wilt, leggen we nu een termijn vast.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Die vijf violen die je geleverd hebt…’

‘Zijn goed terechtgekomen?’

‘O, ze zijn best te bespelen. Maar ik heb je misschien nog niet verteld dat ik ze bij ons in München aan violisten van de Philharmonie en de Beierse Radio heb laten zien. Als je wilt weten wat ze ervan zeiden…’

‘Natuurlijk wil ik dat weten.’

‘Dan moet je wel begrijpen dat… Ik bedoel, het is nooit leuk om regelrecht…’

‘Een ogenblikje,’ zei ik, zijn rook wegwuivend. Ik stapte de werkplaats uit en liep naar het hok waar ik een deel van mijn houtvoorraad bewaarde. Hij mocht alles in twijfel trekken; dat deed ik zelf ook en daar was de Wende debet aan. Maar er was een grens: twijfel aan mijn vakmanschap ging te ver. Dan kon hij zijn hout en zijn opdrachten meteen weer in zijn auto gooien. Ik zag de laatste keer dat hij gekomen was voor me. Ratelend had hij de handrem aangetrokken; met het diplomatenkoffertje onder zijn arm was hij uitgestapt, de dure deur van de geleasde auto met zijn merkschoen dichttrappend. Zoals iemand de dingen behandelde, ging hij met mensen om. Ik kon hem zijn hout en zijn opdrachten teruggeven. Was Leonore maar thuis, dan hoefde ik de beslissing niet alleen te nemen. Ik liep een tijdje heen en weer in het hok met het hout. Nu kon ik nog terug naar de werkplaats om te zeggen dat ik wat hard van stapel was gelopen, zenuwachtig als ik was door al die veranderingen om me heen. Maar hij had aan de andere kant van de grens jarenlang van mijn schertsloon geprofiteerd, terwijl ik aan deze kant met het illegale bouwen een beroepsverbod en een gevangenisstraf had geriskeerd. Ik trok het hout dat van hem afkomstig was uit het rek, legde het op de grond en sloeg er een touw omheen met een stevige knoop. ‘Dit is je hout.’

‘Inderdaad, dit is mijn hout,’ zei hij met iets tussen een lach en een rokershoest. ‘Dat was mij bekend. Wat wil je daarmee zeggen, meester-vioolbouwer?’

Voor het eerst in jaren zag ik onzekerheid in zijn gezicht. Het was een genoegdoening, al deed die me financieel pijn.

‘Dit is je hout,’ herhaalde ik. ‘Pak het aan. Of neem je geen dingen aan van vreemde mannen?’

Hij stak zijn vlezige, beringde vingers uit en nam het hout uit mijn vereelte handen.

‘Eruit.’

Eén woord moest zijn zware lichaam in beweging zetten.

‘Wat zullen we nou krijgen?’ zei hij, als een manager die de gehoofddoekte Turkse schoonmaakster op de stoel achter zijn bureau vindt.

‘Eruit.’

Hij stond op en probeerde zijn schermhouding weer aan te nemen. Het zag er belachelijk uit.

‘Een jaar geleden hebben wij onze vrijheid veroverd,’ zei ik. ‘Vandaag verenigen we ons met jullie, uit eigen vrije wil. Maar jij wilt die eenheid niet. Jij wilt annexatie. Ossi groet Wessi. Gooi je hout in je auto en verdwijn.’

Hermann maakte een renstart waarbij zijn brede banden de keien haast uit de straat wrikten en volgde de weghelft van de spookrijder.

Terug in mijn werkplaats zag ik dat hij zijn horloge op mijn werkbank had laten liggen. Ik raakte het dikke ding met de metalen band niet aan, net zo min als het hoopje op de stoep voor de deur: peuken en as, uit de autoasbak gevallen als patroonhulzen uit een machinegeweer. De voorspelde buien zouden het wel opruimen, en anders pakte ik de bezem. Het horloge uit Genève, velen hier in de stad zouden er hun ogen en vingers niet af kunnen houden, maar ik liet het lopen. Tussen de roodbruine violen met hun volmaakte vorm vloekten de tweelingschakeltjes van de band met de onmogelijke combinatie van goud en staal. De wijzerplaat was overwoekerd met uitdijende Romeinse cijfers en een overdaad van wijzertjes en functies; wie weet las zijn Rosemarie zelfs haar dagen van zijn pols af. Ik liet het ding liggen zoals hij het daar neergelegd had, opdat hij het steeds in het oog kon houden: tijd was geld! Als de batterij de wijzers niet meer aandreef, zou ik geen nieuwe kopen. Vroeg hij zijn eigendom terug, dan zou ik het hem sturen: ik leverde op tijd.

 

4

Zijn naam was Lawrence J. Schmidt, zei het kaartje; zijn beroep Composer en zijn functie Professor of Music aan een mij onbekende universiteit in Californië. Alle universiteiten in Californië waren me onbekend. Het was al mooi dat ik als een van de weinigen in deze negorij een paar woorden Engels kende. De naam van zijn instituut stond in een boog van witte letters op de blauwe sweater die hij boven zijn rood met groen geruite broek droeg.

Oorspronkelijk kwam zijn familie hier uit de buurt. Dat hij Saksen bedoelde, begreep ik pas toen ik het woord Saxony op papier zag staan. Hij was een Amerikaan op zoek naar zijn roots, zijn wortels in een verre streek en lang verstreken jaren. Inderdaad zou hij hier in andere kleren en na een lachontwenningskuur niet opvallen. Ik moest “Larry” zeggen. Dat deed ik, onwennig, hoewel niet met tegenzin.

Eerst feliciteerde hij me ongewoon hartelijk met de bijeenkomst vandaag van het nieuwe, democratisch gekozen Duitse parlement. En met de Eenheid, die zonder bloedvergieten tot stand was gekomen en geen reprise leek van de eenheid van 1871, die bij de buurlanden niet populair was geworden.

‘Wie te laat komt, die bestraft de geschiedenis,’ zei hij met een Gorbatsjov-citaat, kijkend naar het portret van onze oude dictator, waarvoor ik bij wijze van tralievenster een luchtrooster had geschroefd.

‘Neem maar mee, Larry,’ bood ik aan. Amerikanen waren gek op Europese souvenirs: ze hadden tonnen Berlijnse Muur in kleine brokjes naar hun land gesleept en daar een lucratieve handel van gemaakt. ‘Dat hoofd ken ik nu van voren en van achteren.’

Ik pakte een schroevedraaier om het transport van de gevangene naar de kapitalistische natie nummer 1 voor te bereiden.

‘Fantastisch,’ zei Larry in een onderonsje met de afgezette leider achter de tralies. ‘Werkelijk fantastisch. Erich Honecker, ik ga je ophangen boven mijn stuk Muur.’

Het bespaarde hem een foto. Hij was al aan zijn tweede gele doosje bezig, om alle absoluut fascinerende dingen in mijn werkplaats vast te leggen. Ik kende weinig tot geen Amerikanen en vroeg me af hoeveel in zijn manier van praten gemeend was en hoeveel gespeeld. Het kon best zijn dat vriendelijkheid bij hen, anders dan bij ons, een tweede natuur geworden was. Naar alles wat ik zei luisterde hij even geïnteresseerd. Jammer genoeg kende ik maar weinig Engels, maar zijn Duits was tamelijk vlot, alleen wat dik van tong. Als hoogleraar in de muziekwetenschap en kleinzoon van een Saksische immigrant moest je die taal wel kennen, vond hij.

Na alle violen in mijn vitrines gefotografeerd te hebben, probeerde Larry ze ook allemaal. Hij deed dat niet impulsief, zoals de meeste klanten, maar systematisch, nadat hij ze genummerd had. Uiteindelijk bleven er twee over. Hij informeerde naar de prijs en die leek hem mee te vallen. Ik was door een Wessi aan de weet gekomen dat ik voor mijn producten – sinds gisteren “made in Germany” – een kwart vroeg van wat de bekendste Newyorkse bouwer voor een viool van dezelfde kwaliteit wilde hebben. Larry legde de twee instrumenten naast elkaar op mijn werkbank, ging zitten en trommelde een tijdje met zijn vingers op het tafelblad. Daarna wees zijn hand een van de twee aan, trok een chequeboek en vulde het bedrag in.

Zulke klanten moest ik meer hebben! Na de rekening geschreven te hebben, haalde ik een extra stel van de beste snaren die ik in huis had en legde het in de kist.

‘Als je wilt, Johann, stuur ik je de compact disc met mijn Vioolconcert,’ stelde hij voor.

Dat wou ik wel, maar zo’n speler had ik niet en ik kende ook niemand die er een had. Niet erg: hij zou er een cassette bij sturen.

Toen schakelde hij over op een ander onderwerp: hij wilde alles weten over de Muur. De dag dat die openging moest absoluut fascinerend geweest zijn.

Dat kon je wel zeggen.

De professor legde zijn camera neer, ging gemakkelijk zitten en was een en al oor voor mijn geïmproviseerde college nieuwste geschiedenis.

‘Iemand die niet zijn hele leven hier gewoond heeft, Larry, kan zich niet goed voorstellen wat voor indruk de val van de Muur op ons maakte. We geloofden het niet. We waren bang om weer bedrogen te worden. Wanneer de gevangenisdeur na achtentwintig jaar opengaat, ben je het eerste ogenblik huiverig om naar buiten te gaan: het licht verblindt.

Maar het bericht was waar.

Mijn vrouw en ik stapten in de auto en reden in een eindeloze colonne richting Beieren. Vroeger moesten we schriftelijke toestemming hebben om in de vijf kilometer brede grensstrook te komen en vrienden die daar woonden te bezoeken. Op een dag in 1960 kregen die mensen bevel binnen vierentwintig uur te vertrekken; hun boerenbedrijf werd opgedoekt en huis en stal gingen tegen de vlakte. Ze moesten weg uit het grensgebied en maar zien dat ze elders aan de kost kwamen.

In november werden we bij de grens ontvangen met gejuich en bloemen. In een opwelling hadden we een fles sekt en een paar glazen meegenomen en in Hof, de eerste stad in Beieren, toostten we op straat met wildvreemde mensen, die net zo gelukkig waren als wij. Vanaf die dag veranderde alles. Een half jaar geleden kregen we de eerste vrije verkiezingen in bijna zestig jaar en een nieuwe regering. Met de altviolist Lothar de Maizière als minister-president.

De eerste tekenen van verandering hadden we hier in Markneukirchen een maand daarvoor gezien, een jaar geleden nu. Op 7 oktober, toen nog onze nationale feestdag. Bij de Nikolaikerk hadden mensen kaarsen neergezet als een stil protest tegen het verkiezingsbedrog eerder dat jaar. Kaarsen werden ook meegedragen in de eerste echte demonstratie. Die was op dinsdag 7 november: de verjaardag van de Russische revolutie. De 7e konden nog maar weinig mensen de moed opbrengen om de straat op te gaan, maar 8 november waren het er al meer: dertig of veertig, als ik me goed herinner. Na die week werd hier iedere woensdagavond gedemonstreerd. De Volkshausplatz – de straatnamen uit het regime: Karl-Marx-Strasse, August-Bebel-Strasse, Ernst-Thälmann-Platz en de rest zullen hier weer verdwijnen – die Volkshausplatz was de verzamelplaats. Het werd voor de politie en het stadsbestuur steeds moeilijker om de demonstraties tegen te gaan. Daarom bedachten ze andere methodes. We kwamen later aan de weet dat ze achter de gordijnen van een onverlicht raam in het stadhuis een secretaresse hadden neergezet met een verrekijker en een bloknoot; die moest noteren wie daar buiten liep om zijn stem tegen staat en partij te verheffen. Op de 9e demonstreerden er al een stuk of vijftig mensen. Ze kregen ruzie met de agenten en met sympathisanten van de Volkspolitie. Het bekvechten ging vooral over twee dingen: de schaarste aan consumptiegoederen en de schaarste aan buitenland. We mochten op het laatst bijna nergens meer naar toe: zelfs de Sovjetunie begon verdacht te worden. Het antwoord van de politie bestond uit omsingeling, klappen en arrestaties. Maar die hielpen allemaal niet meer. De overheid had te veel jaren laten verstrijken zonder naar ons te luisteren. We waren een drempel over en niemand kon ons meer terugslaan. Veertig jaar – eigenlijk zesenvijftig jaar – hadden we gewacht op democratie! Na de 9e trok de staatsmacht zich terug. Dat was een vreemde ervaring. De weken daarna waren er geen tientallen, maar duizenden demonstranten. Soms liepen er achtduizend mensen mee, meer dan de hele bevolking van Markneukirchen. Die winteravonden met het koude weer en de verhitte gezichten zal ik nooit vergeten. Ik kan je er foto’s van laten zien, Larry, die je een indruk geven. Je kunt ook naar de Nikolaikerk: daar is een tentoonstelling over de Wende met foto’s en originele spandoeken.

De meeste leuzen die werden meegedragen zul je wel kennen van de reportages op de televisie. De eenvoudigste waren de mooiste:

 

Wij zijn het volk!

Niets vergeten!

‘Stop!’ Larry stak zijn hand op om mijn lange monoloog te onderbreken. ‘Wacht een minuut, Johann. Geef me een stuk papier, dan kan ik die leuzen noteren, voor ik ze verkeerd citeer of vergeet.’

Op dicteersnelheid vervolgde ik mijn verhaal.

 

Zaag de partijbonzen om, bescherm de bomen!

Larry grijnsde onder zijn grote snor.

Maar toen ik hem het verzuurde sparrenhout uit het Ertsgebergte liet zien, lachte hij niet meer.

 

De Stasi in de fabriek gehaald:

alleen voor werk wordt loon betaald!

‘Een vioolbouwer uit het hart gegrepen,’ zei hij met een blik van verstandhouding.

 

Geen districtsleiding maar waterleiding!

‘Aan ambtenaren hadden we geen gebrek,’ legde ik uit, ‘maar wel aan een goed functionerende waterleiding.’

 

Demonstranten staan niet stil,

als een os of ezel ‘t wil!

En dat, Larry, was een variatie op het kinderversje dat jouw man achter de tralies citeerde naar aanleiding van de eerste demonstraties in Leipzig en Berlijn: “’t Socialisme staat niet stil, als een os of ezel ‘t wil!” Er was ook een spandoek met een foto van Honecker waarvoor tralies geschilderd waren, en dat was de inspiratie tot mijn knutselwerk. Verder werd onze DDR-hymne weer gezongen met de oorspronkelijke, maar al jarenlang verboden tekst over het ene Duitsland.’

Voor een buitenlander was Larry ongewoon goed op de hoogte: hij neuriede de eerste regel foutloos.

‘De demonstraties eindigden bij de kerk. De velen die er niet meer in konden, hoorden de forumdiscussie buiten door de luidsprekers, die de dominee ter beschikking had gesteld. Iedere week was er een gebed voor degenen die gevangen zaten wegens een vluchtpoging uit de Republiek of een ander politiek vergrijp.

Dan moet ik je nog vertellen van een incident: een buschauffeur, lid van de vrijwilge politie, wilde met zijn bus op ons inrijden…’

‘That bloody bastard,’ zei professor Lawrence J. Schmidt.

Mijn kennis van het Amerikaans was toereikend.

‘Ik ben er goed van afgekomen, en hij heeft zijn straf gekregen: ontslag, niet alleen bij de politie, maar ook bij zijn bedrijf. De angst was weg. De redenaars in de kerk richtten zich direct tot de Stasi-medewerkers: die moesten hun superieuren maar rapporteren wat er gezegd werd. De bevolking riep machthebbers ter verantwoording, wat hier nog nooit gebeurd was. Het hoofd van het district Klingenthal moest aftreden. De tweede of derde week van december was de laatste demonstratie; daarna had dominee Sembdner de kerk nodig om de kerstviering voor te bereiden. Die was op zichzelf al een demonstratie. Het klinkt je misschien ongelofelijk in de oren, maar voor de Wende mochten hier zelfs kerstengeltjes niet bij hun gewone naam genoemd worden; die onschuldige wezentjes van hout of geblazen glas heetten in de winkel “gevleugelde decembermaandfiguren”.

De acties hadden hun doel bereikt. Soms had ik tijdens de woensdagavonddemonstraties het gevoel dat ik alles droomde. De oppermachtige staat, die mij als burger en ondernemer voor iedere afwijking van de lijn gestraft had, stortte plotseling in. Het is snel gegaan: gisteren zijn we met West-Duitsland verenigd. Drie maanden geleden kregen we het echte geld, de nieuwe honderdjes, met in plaats van Karl Marx, Clara Schumann erop.’ Ik praatte zelden zo lang achter elkaar. Moe leunde ik achterover in mijn stoel.

‘Van Marx naar Schumann: een absoluut fascinerende revolutie,’ vond Larry.

Hij was werkelijk heel happy met mijn verhaal. En met mijn viool niet minder.

‘Je maakt violen,’ zei hij. ‘Maar speel je ze ook?’

‘Dat hoort bij het vak.’

‘Heb je muziekpapier in huis?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Wil je dan met liniaal en vioolbouwerspotlood een vel muziekpapier voor me maken?’

‘Hoeveel balken?’

‘Ik heb er denk ik acht nodig,’ zei Larry. ‘Je kunt daarna rustig doorgaan met je werk, als je wilt. Binnen een halfuur ben ik klaar.’

Ik nam een blokschaafje en begon te werken aan een onderblad, telkens opzijkijkend hoever hij was. Voor hij begon te componeren nam hij een foto van me. Sneller dan mijn spaanders eraf gingen, kwamen zijn noten erop. Alles deed hij uit zijn hoofd, zonder viool of piano. Twee keer had hij een vlakgom nodig, meer niet. Absoluut fascinerend.

‘Alsjeblieft, Johann,’ zei hij ten slotte. ‘Free counterpoint.’

Vrij, en gratis: zoveel woorden Engels kende ik wel.

 

FREE COUNTERPOINT

 

To Maestro Johann Adam Stark

Markneukirchen, Saxony, Germany

October 4, 1990

Boven de muzieknoten stond mijn naam. Meer nog: de muzieknoten waren mijn naam. Een a, een d, weer een a en dan een e, alle op losse snaren, werden gecompleteerd door een es; wanneer je de e op zijn Italiaans een m(i) noemde en de es een s, stond er dus “Adam S”. Ik beloofde een houten lijst voor de compositie te maken en haar naast mijn meesterbrief en de gesigneerde violistenfoto’s aan de muur van mijn werkplaats te hangen.

Toen we het vioolduet voor de tweede keer doorgespeeld hadden, moest Larry tot zijn grote spijt weg. De komende dagen had hij een druk programma: in Eisenach, Arnstadt, Leipzig en nog meer steden Bach achterna. Trots pakte hij de nieuwe Johann Adam Stark en de oude dictator achter de tralies en nam afscheid. Even trots legde ik de compositie met opdracht op mijn werkbank naast de cheque.

 

5

Bert begon niet over het spectaculaire vuurwerk bij de Rijksdag en de Brandenburgse Poort, waarvan hij ondanks het late uur wel iets op de televisie gezien moest hebben. Dat was woensdag geweest, twee dagen geleden: een lange tijd voor een kind. Hij ontdekte het horloge, dat ik in een hoekje van een vitrine gelegd had; zonder naar de eigenaar te vragen bekeek hij alle knopjes en wijzertjes. Ondertussen observeerde ik mijn buurjongen, die ik graag in de werkplaats had, omdat hij gek was op violen, hout en gereedschap. Hij wist al dat hij vioolbouwer wilde worden en dat vak hier bij oom Johann wilde leren. Ongevraagd veegde hij de vloer aan en las de diktemeter af, wanneer ik schaafde aan een blad. Soms gaf ik hem een stukje vurenhout, een beitel en een vijl, met de opdracht het blokje hout net zolang te klieven en rond te vijlen tot het een bruikbare stapel was. Met zijn schouders opgetrokken en het puntje van zijn tong tussen zijn lippen ging hij dan aan het werk. Een van zijn stapels speelde, zonder dat de violist dat wist, in het Leipziger Gewandhausorkest. Het kon goed zijn dat er in Bert een echte vioolbouwer zat, maar of er in deze stad over pakweg vijfentwintig jaar nog van die mensen nodig waren, dat wist niemand. Mijn gezel had een andere baan moeten zoeken.

Vandaag hoefde Bert geen hout. Wat hij van me wilde was een verhaal over hout.

‘Wat voor een verhaal?’ vroeg ik. ‘Moet ik net als vroeger nog eens vertellen van Pinocchio, de pop die uit hout gesneden werd? Die een lange neus kreeg als hij vals speelde, en die aan het eind een mens werd? Zal ik een Pinocchio voor je snijden uit een stukje vurenhout?’

‘Nee. Sprookjes zijn voor kleine kinderen.’

‘Hoe hout groeit en waar? Over jaarringen? Hoe je een boom velt, zonder eronder te komen? Hoe het hout droogt?’

‘Hoe het hout brandde.’

Ik begon te begrijpen welk verhaal hij wilde horen. ‘Tja…’ zei ik. ‘Een vioolbouwer vertelt niet graag over hout dat brandt.’

Zijn geduld met mij raakte op, zag ik.

‘De brand van 1840 dus,’ probeerde ik nog. ‘Toen gingen alle houten huizen, de school, het stadhuis en de kerk in één nacht…’

‘1980,’ zei hij.

1980: zijn geboortejaar, mijn rampjaar. Hij had het verhaal vast al eens gehoord, maar kinderen deden graag herhalingsoefeningen in huiveren.

‘Goed, Bert. Ik zal het vertellen. Als je tegen treurige verhalen kunt en als ik ondertussen door mag werken.’

Hij knikte.

‘November was het. Vijftien graden vorst. Hard bevroren grond. Nog geen sneeuw. Het was een gewone winterdag. Tot tien uur ‘s avonds. De sirene van de brandweerauto alarmeerde ons. Toen ik de straat opliep met tante Leonore – iedereen was er, ook jouw vader en moeder; jij lag thuis in je wieg – zag ik de vlammen al hoog oplaaien. Ze stegen ver boven de stad uit.?

Er kwam een frons in zijn anders zo rimpelloze voorhoofd.

‘Je weet misschien hoe bang dieren zijn voor vuur. Zo bang waren wij ook. Het was moeilijk voor ons om het hoofd koel te houden en niet in paniek te raken. Ik kon me opeens voorstellen hoe het in 1840 was, toen de hele stad in brand stond! Wat voor hulpmiddelen hadden ze in die tijd? Niet meer dan een stelletje emmers van leer of stro en een paar primitieve brandspuiten in een gebouwtje op de Markt. De emmer water die iedereen thuis had, hielp natuurlijk bitter weinig: dat was een druppel op een gloeiende plaat.’

Bert fronste weer, maar nu uit ongeduld: hij wilde niet zover terug in de geschiedenis.

‘Niet dat onze vrijwillige brandweer met zijn auto’s, zijn slangen en zijn schuimblussers tien jaar geleden veel kon uitrichten. Toen Horst en Jürgen Voigt en de andere brandweermannen ter plaatse waren, stonden ze voor een halve ruïne. Ook het woonhuis ernaast was al zwaar beschadigd. Het enige wat ze konden doen, was de huizen nathouden. Uit het brandende woonhuis konden ze nog wel een paar bezittingen redden, maar het leek te zwaar beschadigd om het weer op te bouwen. De brand werd pas lang na middernacht geblust, om een uur of twee, denk ik. Stel je voor, Bert: de hitte was zo enorm, dat de lampen op de grote brandweerauto smolten. Van de kant van de auto die naar het vuur had gestaan was de rode lak afgebladderd.’

‘Er waren gewonden?’ vroeg hij zakelijk.

Ik legde mijn hout opzij: het werk moest maar even wachten tot het verhaal uit was. ‘Een van de brandweermannen had brandwonden; een ander een kapot been. Die twee zijn weer genezen. Het huis is zelfs weer opgebouwd. Maar al onze houtvoorraden waren verwoest. Sommige dateerden van rond de Eerste Wereldoorlog: ze waren zestig, zeventig jaar oud! Als jij ooit vioolbouwer wordt, krijg jij nog te maken met de gevolgen van de brand.’

Hij knikte ernstig.

‘Een houtvoorraad aanleggen doe je niet alleen voor jezelf, maar ook voor je zoons en je kleinzoons. Je kent Johannes Rubner. Die arme man had acht dagen tevoren al het hout voor zijn contrabassen naar de opslagplaats gebracht. Je begrijpt dat hij veel grotere stukken hout gebruikt dan iemand die violen, alten en een enkele cello bouwt. Bewaking was er niet; er stond niet eens een hek om de opslagplaats. Nou, Bert… zoals ik het nu verteld heb, zo was het. Het verhaal is uit.’

Ik wilde mijn hout weer opnemen, toen hij vroeg: ‘Maar het begin? Hoe is het vuur begonnen? Hout kan toch niet uit zichzelf gaan branden in de winter?’

Ik verdacht hem ervan dat hij ook dat verhaal kende, maar het nog eens uit mijn mond wilde horen.

‘Brandstichting,’ zei ik.

Hij was boos. Een goed uitgangspunt voor een toekomstige vioolbouwer.

‘Had iemand het hout in brand gestoken?’

‘Ja. In het midden van de opslagplaats was het aangestoken met takken en met kaarten, ansichtkaarten uit hotel Zur Post.’

‘Waarom daarmee?’

‘Geen idee. Misschien alleen maar omdat de dader papier nodig had dat makkelijk vlamvatte. Er was maar weinig voor nodig om het hout aan het branden te krijgen: er hingen honderden boven- en onderbladen voor gitaren; dichtbij lag ook nog celluloid voor slaginstrumenten. Door het stof en de wind waren de omstandigheden voor een brand ideaal.’

‘Wie was de dader?’

Gek: ik zag de jongen voor me en had hem in mijn werkplaats meer dan eens luidkeels vervloekt, maar nu kon ik niet op zijn naam komen. ‘Ik ben de naam vergeten.’

‘Expres?’

Als het in de vioolbouw niet lukte, kon Bert altijd nog psycholoog worden.

Ik haalde mijn schouders op.

‘Het was een jongen van toen een jaar of twintig. Opgegroeid zonder vader en zonder een goed gezin. Wat hij precies deed voor de kost kan ik me niet herinneren, wel dat hij een ongeschoold arbeider was.’

‘Waarom stak hij jullie houtopslagplaats in brand?’

‘Hij wilde iets doen wat de aandacht trok en iets wat de Duitse Democratische Republiek benadeelde. Dan zou hij een paar jaar tuchthuis krijgen, maar daarna wel door het Westen vrijgekocht worden, dacht hij. Blijkbaar wist hij niet dat de minister van buitenlandse zaken van de BRD – sinds eergisteren ook onze minister – dat nog maar weinig deed.’

‘En toen?’

‘Hij is voor de rechter gekomen in Karl-Marx-Stadt.’

‘Chemnitz, oom Johann.’

‘Je hebt gelijk. Zijn plan mislukte. In de rechtszaal had zelfs zijn moeder geen goed woord voor hem over. Stel je voor, dat jouw moeder niets meer van je weten wil! Maar hij zei dat hij geen berouw had en het weer zou doen, om de Duitse Democratische Republiek te schaden. Nu waren er miljoenen mensen die vonden dat de DDR geschaad moest worden en dat het hier een ellendig land was om te wonen. Maar met brandstichting verande je daar niets aan. De rechtbank vond hem toerekeningsvatbaar: ze vonden dat hij in staat was te begrijpen wat hij gedaan had en ze gaven hem een lange gegenisstraf, twaalf of vijftien jaar, precies weet ik het niet meer.’

Twaalf jaar: voor iemand van tien een onvoorstelbaar lange tijd.

‘Je kent meneer Richter, Eckart Richter, de baas van onze Vioolbouwersbond. Die was toen hier de brand uitbrak op een congres in Bulgarije. Daar kreeg hij het nieuws te horen. Het sloeg in als een bom, ook bij de buitenlanders, want iedereen wist wat voor een juweel onze houtopslagplaats was. De brand zette de klok jarenterug. Praktisch al het hout dat je hier ziet en dat achter ligt heb ik voor echt geld in het Westen moeten kopen.’

 

6

Laat op de zaterdagmiddag naderde het geluid van een langzaam rijdende auto. Als vanzelf legde ik de krul die ik aan het snijden was neer. Ik had in de loop van de jaren een aversie gekregen tegen langzaam rijdende automobilisten en nog meer tegen bestuurders die in stilstaande auto’s bleven zitten. Vroeger wilden dergelijke mensen alles weten over onze bovenkamer, tegenwoordig over ons huis en onze grond.

Toen ik me van mijn stoel oprichtte om uit het raam te kijken, zag ik een auto met een gele kenkenplaat, die voor mijn huis stopte. Er stapten een man uit en een knappe, lichtblonde vrouw. De twee bekeken mijn naambord en de gevel van mijn huis. Ze leken me niet het slag westerlingen dat je hier de laatste tijd veel zag: loom slenterende benen in vrijekleren, goedkope spullen in dure tassen proppende handen, achterlijkheid signalerende wijsvingers, onophoudelijk kauwende open monden. De man deed de volgepakte bagageruimte van de oude Volvo open en haalde een viool te voorschijn. De versleten kist kon een kwarteeuw oud zijn, de man het dubbele en de vrouw iets daar tussenin.

Ze belden, wat alleen terughoudende of verre klanten deden. Minder bescheiden klanten liepen door, omdat ze gewend waren overal door te lopen en mensen van hier, die wisten dat de deur overdag nooit op slot was, riepen mijn naam.

Haar naam was Suzanne den Hertog en hij stelde zich voor als Gerard Möller. Een Duitse achternaam, die me in verband met de vioolbouw vaag bekend voorkwam. De twee mensen zagen er heel gewoon uit; toch kon je zien dat het buitenlanders waren: het was alsof ze uit de werkplaats kwamen van een bouwer die hield van lange, smalle en fijnbesneden modellen.

‘Waar komt u vandaan?’ vroeg ik.

‘Erfurt.’

‘Ik bedoel…’

‘Amsterdam, Nederland.’

Terwijl ik stoelen voor ze klaarzette en het zaagsel van de zittingen klopte, vertelde Möller dat ze een korte tournee maakten met een Schumann-Brahms-programma. Ze begaven zich op glad ijs doorSchumann in zijn geboortestreek te spelen, maar tot nu toe hadden ze geen schade opgelopen.

‘Muzikaal tenminste niet,’ voegde Suzanne den Hertog eraan toe.

Möller zei dat ze overmorgen, maandag 8 oktober, een concert in Leipzig moesten geven. Hij verheugde zich erop, omdat hij allang een keer naar die stad had gewild voor een pelgrimage naar de Thomaskerk van Bach, het Gewandhaus en café Zum Coffee Baum, waar Schumann en Mendelssohn stamgasten waren geweest. Verder wilde hij daar naar de Nikolaikerk, die beroemd geworden was door de politieke forumdiscussies van vorig jaar.

‘Leipzig is de afgelopen halve eeuw geruïneerd,’ waarschuwde ik. ‘Het is een stad vol stank en puin, waar Bach, Schumann en Mendelssohn geen dag zouden willen wonen. Als ik vragen mag: hier in de stad wonen vijfentwintig, dertig vioolbouwers; waarom hebt u mij uitgezocht?’

De knappe Suzanne lachte en stond half op, alsof ze wilde zeggen: zullen we dan maar weer gaan?

Möller zei dat ze naar het centrum gereden waren en in de muziekwinkel op de Ernst-Thälmann-Platz hadden geïnformeerd of er in de stad nog een vioolbouwer woonde met de naam Stark.

‘Twee,’ zei ik, ‘van wie één gepensioneerd.’

Wat zochten ze?

‘Interessante werkplaats,’ zei Möller. Als ik het niet erg vond, keek hij wat rond. Hij las mijn ingelijste meesterbrief aan de muur en bekeek de foto’s van klanten ernaast: ik had ze van Zwickau tot Berlijn, van Warschau tot Minsk en in de andere richting nu zelfs tot in Californi‘. Hij bekeek de compositie die er sinds twee dagen provisorisch hing. Het langste bleef hij staan bij de vitrine met de nieuwe violen en de alt.

‘Die altviool maakt me nieuwsgierig. Een groot model met een brede klankkast. Die zou ik graag eens willen proberen.’

Ik deed de vitrine open en nam het instrument eruit. Al aan de manier waarop hij het van me aannam, zag ik dat hij een goede muzikant was. Ik gaf er een mooie altstok van Dölling bij.

Möller stemde op zijn gemak en begon te spelen, inderdaad met een soepele stokvoering.

‘Wat een heerlijke alt,’ zei hij na een paar minuten. ‘Hij spreekt prachtig aan; hij heeft een opvallend brede toon op de c-snaar, en is toch mooi evenwichtig.’

‘Het instrument wordt natuurlijk nog beter de komende jaren.’

‘Het ziet er ook prachtig uit.’

‘Aan de krul heb ik drie dagen gewerkt.’

‘Dat is te zien. Is deze alt al verkocht?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Hebt u een piano?’ vroeg zijn begeleidster.

‘Ja. Geweldig is hij niet, maar wel gestemd. Komt u maar mee naar de huiskamer. Ik ben op het ogenblik een man alleen: mijn vrouw is een week naar Berlijn en komt morgen weer thuis.’

Ik liet de voordeur aanstaan, maar deed de werkplaats, waar Möllers vioolkist achterbleef, op slot: de tijden veranderden.

‘De Tweede sonate in Es?’ vroeg Suzanne den Hertog aan Möller. En aan mij: ‘Misschien voelt u iets voor de Tweede altvioolsonate van Brahms, eerste deel? Mag ik de muziek van de piano halen en de klep openzetten?’

‘Tegen beide geen enkel bezwaar. Hebt u een lessenaar nodig, meneer Möller?’

‘Ik denk dat we het stuk van de vorige tournee nog uit ons hoofd kennen. Het kan zijn dat we een paar foutjes maken.’

Ik liet me in een makkelijke stoel zakken. Ook voor mij was deze alt nog vrij nieuw. Maanden geleden had ik haar geprobeerd, maar ik kon mezelf niet met dit dubbeltalent op de viool en de altviool vergelijken. De solopartij was beweeglijk en ging in grote sprongen van de donkere c-snaar naar de licht gevoileerde hoge a-snaar. Late, ernstige Brahmsmuziek, met iets van bitterheid, maar ook van berusting, een altviool, mijn altviool, op het lijf geschreven. De bescheiden fabriekspiano kon deze expansieve muziek niet aan: de hoge tonen klonken blikkerig en de lage geknepen. Maar mijn fantasie maakte het tekort goed. Muziek horen was routine geworden en als klanten in de werkplaats of hier in de huiskamer speelden, luisterde ik meer naar mijn instrument dan naar het stuk. Door alle enerverende gebeurtenissen van het afgelopen jaar had ik nog minder muziek dan vroeger tot me toegelaten. Dit stuk trof doel. Ik kreeg kippenvel van de Brahms-sonate, de altviool, de kilte van de met kunstleer beklede stoel in de kamer en de invallende duisternis buiten, en rolde mijn mouwen omlaag.

‘Sorry voor de kleine geheugenstoornis vlak voor de reprise,’ zei Suzanne den Hertog zakelijk, nog voor ze het zachte slotakkoord aansloeg. Ook Gerard Möller had een paar steekjes laten vallen, maar hij kwam niet met de gebruikelijke excuses van een klant: moe van de rit, slechte dag vandaag, niet kunnen studeren, vingers niet los, onbekend instrument. Hij zei niets en bekeek mijn alt opnieuw aan alle kanten.

‘Laten we weer naar de werkplaats gaan,’ stelde ik voor. ‘U kwam dacht ik met een ander instrument.’

‘Ik hoop dat u tijd hebt voor een reparatie: mijn viool heeft een scheur opgelopen.’

Toen hij de kist openmaakte, was ik die scheur op slag vergeten. Wat was dit voor een viool? De vorm, de kleur, de lijnen van het bovenblad, de f-gaten, de krul, de wendingen van de oren, alles ongewoon mooi. Waar kwam dit instrument vandaan? Wie bouwde er zo?

Opeens wist ik het: Adam Stark… Daarom hadden de Nederlanders mij gezocht. Hier lag een Adam Stark uit de rode periode. Vanaf 1840 had hij zulke violen gebouwd, instrumenten die je zelden tegenkwam, omdat er weinig waren en omdat de eigenaars ze niet graag verkochten. Wat ik dacht werd bevestigd door het brandstempel *S* achterop en door het etiket:

 

fecit Adamus Stark

in Neukirchen Anno Domini 1840

Zijn gewone manier van signeren. Het jaartal 1840 kwam ik bij hem en andere bouwers uit de stad zelden tegen, wat niet verwonderlijk was. Onder zijn naam stonden vier regels:

 

Viva fui in sylvis

Fui dura occisa securi

Dum vixi tacui

Mortua dulce cano

Naar de betekenis moest ik gissen, want behalve “dood” en “levend” kende ik geen woord.

‘Een Stark, met een gedicht… Wat betekent het?’

‘Dat zal ik u direct vertellen. De scheur hier bij het f-gat: zou u die snel kunnen repareren? Ik kan zo geen concert geven op deze viool.’

‘Centrale verwarming,’ taxeerde ik. ‘Maakt u zich geen zorgen: morgen herstel ik de schade en overmorgen kunt u weer spelen. Als u vandaag of morgen wilt studeren, geef ik u een viool of de alt te leen.’

Opgelucht gaf Möller de vertaling van het gedicht. Het betekende: “Levend was ik in de bossen. Ik werd geveld met een harde bijl. Zolang ik leefde zweeg ik. Nu ik dood ben zing ik lieflijk.”

‘U weet dat etiketten veel vervalst worden,’ zei ik. ‘Maar dit is origineel: u hebt een echte Adam Stark. En u bent hier aan het goede adres, want de bouwer is inderdaad een ver familielid van mij. Het was toen een slechte tijd in de vioolbouw, niet kwantitatief, maar kwalitatief. Adam Stark leverde als een van de weinigen in deze stad altijd hoge kwaliteit. Dit is het eerste instrument uit 1840 dat ik van hem zie en dat is niet toevallig.’

‘Nee?’

‘Hier in de stad ziet u alleen maar grote, stenen huizen, niet ouder dan anderhalve eeuw, precies anderhalve eeuw. Dit huis is van eind vorige eeuw, uit de tijd van Keizer Wilhelm. U moet u voorstellen: tot anderhalve eeuw geleden was dit een houten stad. De mensen verlichtten hun huizen met kaarsen en fakkels, en het brandgevaar was groot. In 1840 is alles aan deze kant van de Schwarzbach in vlammen opgegaan. Na de brand hebben de vioolbouwers in plaats van violen een tijdlang huizen moeten bouwen. Dit instrument zou van het begin van het jaar, voor de brand in april kunnen zijn. Adam had het misschien al verkocht of hij heeft het uit de vuurzee kunnen redden. Hij is zijn werkplaats en zijn voorraad hout in elk geval kwijtgeraakt. Wat hij daarna meegemaakt heeft, daar moet ik naar gissen.’

De viool had honderdvijftig jaar minuscule krasjes en putjes in het bovenblad. Niets bijzonders, iets als ouderdomsvlekjes op een gezicht of patina op een bronzen beeld. Na beter kijken zag ik in de buurt van de kam sporen van een grote, maar vakkundig uitgevoerde reparatie.

‘Een stapelbreuk, vijfentwintig jaar geleden,’ legde Möller uit. ‘Toen ik de schade zag, vroeg ik me af of het instrument nog te redden was.’

‘Er zijn veel oude violen met stapelbreuken,’ zei ik.

Met een demonstratieve beweging – de haren rezen hem te berge – liet ik zien dat een vallende viool meestal op de kam terechtkomt. Die kam slaat tegen de ene kant van het bovenblad en de stapel tegen de andere kant: dat moet slecht aflopen.

Opeens wist ik waarvan ik de naam Möller kende: van het huis boven aan de Lutherplatz waar de naam “H. Th. Heberlein” nog in wazige letters op de gevel stond – zoals er op onze gevels nog wel meer namen uit het verleden doorschemerden. Ik had van horen zeggen, dat daar lang geleden een Möller was opgeleid, die ook hier in de stad geboren was. Eind vorige eeuw waarschijnlijk.

‘Helaas heb ik geen vioolbouwers in de familie,’ zei de Nederlander. ‘Mijn naam heeft een u in plaats van een o met Umlaut. De klank is in mijn taal hetzelfde. De Möller zou Max Möller geweest kunnen zijn, vroeger een bekende vioolbouwer in Amsterdam. De zaak bestaat nog steeds, in de buurt van het Concertgebouw. Ik moet u alleen vertellen dat de laatste bouwer, Möllers kleinzoon, kortgeleden om het leven is gekomen bij een roofmoord in zijn huis.’

Ik vroeg naar bijzonderheden, maar Muller wist ze niet. Toen informeerde ik waarom de vorige eigenaar deze prachtige Adam Stark verkocht had en wat voor man dat was.

Het was een vrouw geweest, zei Muller, een eerste violiste uit het Amsterdamse orkest waarin hij toen zat. Ze speelde geweldig, maar jammer genoeg was ze al heel kort na haar komst weer vertrokken, naar Amerika. De viool was ernstig beschadigd en ze wilde van het instrument af. Meer door haar haast dan door de schade was de prijs flink gedaald. Nu had de viool opnieuw iets opgelopen, maar dat was een kleinigheid vergeleken bij de ramp van vijfentwintig jaar geleden.

‘Als de stapel door het onderblad gaat, is dat pas echt een ramp,’ zei ik, de viool omkerend. ‘Dan daalt de waarde meteen met de helft. Je moet dan namelijk een dikke voering aanbrengen, wat niet best is voor de klank. Een stapel door het bovenblad is veel minder erg, en deze scheur nog weer minder. Uw viool moet natuurlijk wel open.’

Reparaties waren als operaties aan je kind, vond Muller.

Dat kon ik me wel voorstellen. Normaal gesproken hield ik niet zo van operaties op andermans kinderen, maar dit was geen normale viool, geen normale tijd en niet helemaal andermans kind. Daarbij zat ik te springen om werk, al liet ik dat niet merken. ‘Deze viool is zo bijzonder, dat ik er andere dingen voor opzij zet en morgenochtend meteen begin. Als de scheur gelijmd is, verzegel ik hem met klosjes. Er gaat een nieuwe stapel in en dan moet het instrument een uur of zes in de lijmklemmen. Ik maak het schoon en geef het een poetsbeurt. De lak wordt nauwelijks beschadigd en waar dat mocht gebeuren, retoucheer ik alles. Morgenavond is de viool klaar en overmorgen kunt u in Leipzig spelen.’

Het was ondertussen helemaal donker geworden. Muller en Suzanne den Hertog zeiden dat ze nog een kamer moesten zoeken. Ik belde hotel Sächsischer Hof en beloofde mee te gaan om de weg te wijzen. Morgen wilden ze rondkijken in de buurt. Ik raadde ze het muziekinstrumentenmuseum in het Paulus-Schlösschen aan met de honderd jaar oude vioolbouwerswerkplaats: werkbank, gereedschap, petroleumlamp, witte violen en het draagstel waarmee de bouwer de violen naar de klanten bracht. Maandagmorgen kon Muller de oude Stark in gave toestand afhalen. Als hij wilde, konden we dan verder praten over de nieuwe Stark. Ik was blij met zijn belangstelling voor mijn altviool, maar wou hem niets opdringen, omdat dat averechts zou werken.

‘Kunnen we met de alt nog een keer naar de piano?’ vroeg Suzanne.

Een vleug van haar parfum hing er nog. Ze speelden het laatste van Schumanns Märchenbilder: Langsam, mit melancholischem Ausdruck.

Toen het slotakkoord geklonken had, zette ik drie glazen op tafel en trok een fles schuimende sekt open. We dronken op Adam Stark en op de Vereniging.

 

7

Ik opende de brandkast waarin ik de kostbaarste instrumenten bewaarde en haalde er de Adam Stark uit. Nu de viool glansde in de ochtendzon, kon ik mijn ogen niet van haar schoonheden afhouden: de elegant gesneden lijnen, f-gaten en krul; het fijne, regelmatig generfde vurenhout; het fantasievol gevlamde esdoornhout; het zwarte ebben; de dieprode lak. De scheur in het bovenblad stoorde, maar ernstig was de schade niet en voor vanavond zou de viool weer de oude zijn.

Onze nationale feestdag mocht geschiedenis zijn, voor mij was zondag 7 oktober een privéfeestdag en het klokgelui van de Nikolaikerk leek wel voor mij bestemd. Ik knoopte mijn blauwe voorschoot vast en praatte als een goede dokter wat met de patiënte, om haar gerust te stellen. Ze moest open, maar dat was voor haar eigen bestwil. Het kon goed zijn dat ze in haar lange leven al een aantal van die operaties achter de rug had; één in ieder geval. Ik had Muller en de schöne Müllerin gezegd dat ze er maar niet bij moesten blijven. Geen van allen konden ze ertegen, de violisten.

Stap voor stap kleedde ik het instrument uit en legde de kinhouder, de kam, het staartstuk en de oude snaren voorzichtig opzij. De kale viool was als een niet meer jonge vrouw die zonder sieraden, make-up en korset toch haar voornaamheid niet verloor. Ze lag in een parfum van verfijnde rozemarijn en lavendel, krachtige terpentijn en lijnolie, vluchtige spiritus en alcohol. ‘Zonder verdoving?’ informeerde ik naar gewoonte. Voor het in het corpus te zetten, bevochtigde ik het mes om de beenderlijm beter te laten oplossen. Uiterst behoedzaam, maar zonder kleinzerigheid, zoals het hoorde wanneer je een familielid opereerde, begon ik te snijden. Het mes volgde de welvingen van de rand met de vier punten. Alleen bij de hals stribbelde het bovenblad even tegen. Daar kwam de Latijnse versregel aan het licht: Mortua dulce cano. Beschadigd, hersteld, opnieuw beschadigd, maar niet tot zwijgen gebracht. Terwijl ik de stapel uit de klankkast nam, de ziel van de viool, het nietige houtje van zes millimeter dik en zes centimeter lang, moest ik aan een houten estafetstokje denken. Ik zag een loper voor me die op zijn laatste benen de eindstreep bereikte, terwijl de volgende, frisse atleet het hout van hem overnam om het verder te dragen, tot hij op zijn beurt uitgeput in elkaar zou zakken.

Fecit Adamus Stark in Neukirchen Anno Domini 1840… Wat zou ik graag kennismaken met alle mensen die deze viool sinds dat jaar bespeeld en gehoord hadden! Dat moest een eindeloze staande receptie worden. Het Neue Gewandhaus in Leipzig zou te klein zijn en zelfs het Congrescentrum in West-Berlijn, dat nu bij ons hoorde. Beter kon ik in Sächsischer Hof hier in Markneukirchen een zaaltje huren voor een reünie met al mijn familieleden die violen gebouwd hadden: Hanns, Gottfried, Nickel, Johann, Lorenz, Adam en degenen die ik niet van naam kende… We woonden al eeuwen in deze stad. Nog liever dan het hotel was me het achterzaaltje van de Bayerische Bierstube op de hoek: dan konden ze zo uit hun eeuwige werkplaats komen, zonder hun voorschoot af te leggen en hun zondagse kleren aan te trekken, de mannen met de verschillende gezichten en haardrachten boven de eendere vioolbouwershanden.

Eerst zouden we drinken: de beste pils uit het vat. De feestredes zouden we overslaan. Ons Beiers gekleurde Saksisch was in de loop van de tijd veranderd en misschien zouden we elkaar niet eens zo makkelijk kunnen verstaan. Geen woord zouden we vuilmaken aan onze ervaringen in de Dertigjarige Oorlog, de Volkerenslag tegen Napoleon, de brand van de stad, het Rijk van Keizer Wilhelm, de Oorlog van de loopgraven en het gas, het Duizendjarig Rijk dat twaalf jaar geduurd had, de Arbeiders- en Boerenrebliek die het veertig jaar had uitgehouden, en de Vereniging met het Rijke Westen. Ons vak was ons genoeg. Ieder in de kring zou de vioolkist die hij meegenomen had op tafel leggen. Dan zouden we onze instrumenten uitpakken, ze tokkelend stemmen en van hand tot hand laten gaan voor een nauwlettende inspectie. We zouden de lak keuren en het licht laten spelen in de vlammen van het esdoornhout. Onze blik zou van de sierlijk gesneden krul naar de hals glijden en langs de lijnen van de inleg naar de harmonisch in de welving van het bovenblad gesneden f-gaten. We zouden turen naar het binnenwerk, de klosjes en de randen en daartussen het etiket met ons aller achternaam; dan zouden we de violen op een armslengte afstand houden, ze omdraaien en nog eens omdraaien, met een vereelte duim vlak bij het oor de snaren aantokkelen en goedkeurend knikken, zonder een woord of een lach. Dan dronken we nog een pils. Na de laatste teug zouden we onze lippen afvegen, opstaan en elkaar zwijgend de hand drukken om voor altijd afscheid te nemen.

 

Eerder gepubliceerd bij De Bezige Bij, Amsterdam, 1992. Een eerdere versie van hoofdstuk 1, De beproeving, verscheen in De Gids. augustus 1991.