6. Het recital

verstreken-jaren-6
 

Ik had eerst geen notitie van het nieuws genomen: bij ons orkest deden wel meer muzikanten proefspel, goede en minder goede. Toch moest dit een bijzondere kandidaat of liever kandidate geweest zijn, want ik hoorde de strijkers en vooral degenen die in de proefspelcommissie gezeten hadden lang napraten over haar spel. De violiste was met een eigen pianist gekomen en dat was de reden dat ik haar niet had begeleid.

Haar naam viel toen ik in een koffiepauze toevallig bij een paar strijkers aan tafel zat. Ik voelde mijn gezicht van kleur verschieten. Haastig mompelde ik dat ik iets vergeten had en liep weg naar de stille gang om voor het mededelingenbord mijn gedachten te ordenen.

Na de woensdagochtendrepetitie moest ik naar Broekmans & van Poppel om bestelde bladmuziek af te halen.

Toen ik de glazen deur met een routinegebaar achter me dichtgetrokken had, zag ik dat ze vlak voor me stond.

Ik zocht steun tegen de kast met componistenbiografieën en bedacht dat ik dit beeld uit mijn hoofd zou kunnen tekenen als ik met potlood op papier even goed was als met stokken op trommelvellen.

Cecilia stond net als ik te wachten tot de lange rij geholpen was. Bij het binnenkomen van de klant na mij keek ze om en herkende me onmiddellijk.

Ze groette hartelijker dan ik van haar verwachtte en minder afwezig; ik hoefde me niet af te vragen of haar blik in mijn richting was gegaan of al dan niet toevallig langs me heen. Ik kreeg zelfs de indruk dat ze blij was een bekende tegen te komen en ik merkte dat ze nog zonder aarzelen mijn naam wist.

‘Jij werkt hier in Amsterdam?’ vroeg ze.

‘Als pianist. Ik geef hier en daar solorecitals. En ik ben slagwerker en pianist in het orkest waar jij bent aangenomen.’

‘O ja?’

Ik knikte, bijna verontschuldigend.

‘Dat je slagwerk speelt begrijp ik. Maar wat doet een pianist in een orkest?’

‘Er zijn stukken waarin een piano zit,’ legde ik uit, als aan een willekeurige kennis. ‘Rooskens doet bijvoorbeeld graag Petroesjka en de Symfonie in drie delen van Strawinsky. En ik ben er voor de audities. Maar jij was geloof ik met je vaste pianist?’

Cecilia schudde haar hoofd.

‘Een vaste begeleider heb ik niet; deze was me door iemand aanbevolen en ik wou absoluut goed voorbereid auditie doen.’

Een perfectioniste was ze altijd geweest. Ik wilde persoonlijker worden, maar kon de juiste woorden niet vinden. Achter het slagwerk in het orkest had ik geen moeite me te uiten: met het zachtste tremolo als het nodig was, of met zulke slagen dat de blazers voor me met opgetrokken wenkbrauwen achteromkeken. Zonder muziekinstrument was het moeilijker de goede toon te vinden.

Omdat we zover opgeschoven waren dat Cecilia bijna aan de beurt was, moest ik snel iets verzinnen. Opeens bedacht ik dat niets meer voor de hand lag dan hier een duo voor viool en piano uit te zoeken. Misschien lag daar een mogelijkheid de draad weer op te nemen.

Cecilia bleek voor samenspel wel wat te voelen en de Vioolsonate van Janáček die ik kocht was een gelukstreffer: het stuk lag buiten het ijzeren repertoire en zij kende het nog niet. Ze moest er nu snel vandoor, zei ze bij de tramhalte voor het Concertgebouw, maar morgen zou ze misschien naar de repetitie komen luisteren om haar nieuwe orkest wat beter te leren kennen.

Hoewel ik alle tijd had, ging ik haastig naar huis om Janáček op de piano te zetten.

Nog geen etmaal later was Cecilia er inderdaad. We repeteerden de Prélude à l’après-midi d’un faune van Debussy, waarin ik mijn best deed de cymbales antiques antiek te laten tinkelen.

In de pauze pakten alle blazers en slagwerkers in om snel te vertrekken. Ik had geen haast. Bekeken door belangstellende strijkers kwam Cecilia naar me toe en gaf met ‘Voortreffelijk Janse, uitstekend kerel’ een meteen al perfecte imitatie van Rooskens’ tenor. In Vaughan Williams na de pauze was ik niet meer nodig en zij nog niet, omdat haar contract de volgende maand pas zou ingaan.

Alsof we het jaren zo gewend waren, gingen Cecilia en ik achter in de repetitiezaal naast elkaar zitten om ons te laten meevoeren op de brede strijkersakkoorden van de Fantasia on a theme by Thomas Tallis. Mijn allereerste concert kwam me voor de geest. Ik was in de vaste overtuiging geweest dat het zwevende geluid in de Haarlemse Concertzaal afkomstig was van de palmen op het podium aan weerszijden van het orkest. Pas bij het volgende concert was ik erachter gekomen dat de strijkstokbewegingen van de violisten niet toevallig gelijk op gingen met de ijle geluiden. De naïeve manier van luisteren was met mijn zevende jaar verloren gegaan. Instrumentenkunde, harmonie en contrapunt hadden een musicus van me gemaakt. Toch kon ik me over muziek soms nog verwonderen als over een natuurverschijnsel. In de Thomas-Tallis-fantasie was er die eigenaardige stuwing in de strijkers, opkomend en weer afnemend als een versnelde film van eb en vloed. Ik keek niet opzij naar Celia, maar bij het doodtij hoorde ik haar adem.

Kort na 1 april kwam het eerste concert met Cecilia vooraan bij de eerste violen. Het was bijna als vroeger in het schoolorkest: weer zat ik schuin achter haar. Nu meters verder weg en hoger, en met Rooskens achter de directielessenaar in plaats van Bienemann. Desondanks dichterbij.

Vanaf de eerste dag op het gymnasium was Cecilia me opgevallen, al sprak ik haar nooit, omdat ze in de parallelklas zat. Pas door de keus voor alfa kwamen we in dezelfde vijfde klas. Meer dan fantaseren deed ik niet, want net zo min als voor andere jongens leek ze belangstelling te hebben voor mij en de viool leek daarvoor een vanzelfsprekend excuus. Ik zat bijna altijd achter haar, omdat we voor de meeste vakken niet van lokaal veranderden. De banken zaten ongemakkelijk, maar ze bleven onwrikbaar op hun plaats staan en eigenlijk wilde ik het niet anders. Bij een excursie naar Leiden had ik Cecilia herkend in Merit, de beminde, de zangeres van Amon van het Egyptische dubbelbeeld in het museum; alleen leek ik niet op de versteende mannelijke helft. Anders dan het beeld van blanke kalksteen had Cecilia donker haar, diepbruin als haar ogen. Ze had een opvallende alt en al praatte ze geen Haarlems, ze sprak ook niet geaffecteerd zoals de anderen uit haar buurt. Had Cecilia vriendinnen? Ze deed met alles mee, maar of ze in de klas of daarbuiten vrienden of zelfs maar vriendinnen had, betwijfelde ik.

Op mijn eerste vrije middag nam ik de trein naar Zandvoort en stapte uit in Overveen. De lange, hellende weg naar de oudste Bloemendaalse duinen met hun in de zeewind scheefgegroeide dennen was me vertrouwd. Ik hield van het landschap, dat karig was in de lente en herfst en in de winter ongenaakbaar. De drukte en de hitte van de zomer bevielen me hier net zo min als aan het strand.

Met kloppend hart liep ik tot voor het huis en bleef staan voor het hek rondom de grote tuin. Terwijl ik knielde om mijn schoenveters los en weer vast te maken, zag ik dat er afgezien van een televisieantenne niets was veranderd aan het huis, dat door de vorm van het dak en de schoornen zo’n Engelse indruk maakte. Het verschil met mijn oude Haarlemse huis was groot: ik woonde in een smalle donkere straat met altijd hetzelfde weer, een straat fantasieloos recht en plat als een liniaal uit het kantoor van mijn vader.

Hoewel het Engelse huis er nog steeds voornaam uitzag, leek het kleiner dan vroeger. Een paar keer was ik binnen geweest, op een klasseavond. De woonkamer had een open haard met oude leren clubfauteuils eromheen. Wij hadden een kolenkachel en prullige souvenirs op de imitatiemarmeren schoorsteenmantel; de tafel stond bij ons midden in de kamer en het enige mooie voorwerp was mijn piano met zijn mathetisch strenge toetsenbord. Bij Cecilia werd een lange wand van de woonkamer in beslag genomen door een grote kast met veel Franse en Duitse naast nog meer Engelse en Amerikaanse boeken en tijdschriften. Op de klassenavonden was het me nooit gelukt een gesprek met Cecilia aan te knopen, hoewel we genoeg muzikale onderwerpen van gesprek hadden gehad. Een keer had ik een ingebonden jaargang van Das Orchester uit de kast gehaald. Voor ik erin kon bladeren kwam ze aangelopen en nam me het boek uit handen, omdat iedereen in een andere kamer klaarzat voor een veelbelovend spel: klasgenoten herkennen van babyfoto’s. Ik liep haar na tot in de keuken waar ze toastjes voor ons klaarmaakte, alleen. ‘Zoek je wat?’ vroeg ze op een neutrale toon, terwijl ze zich omdraaide. Jou, wilde ik zeggen, maar dat leek de op een na laatste zin van een slechte roman. Beschaamd ging ik de keuken uit en liep naar de kamer waar mijn schaterende klasgenoten elkaar de kartelrandfoto’s al uit handen rukten.

Acht jaar had ik Cecilia niet meer alleen horen spelen: eerst had ze aan een ander conservatorium en in Amerika gestudeerd en nu bijons orkest ging ze op het podium onder in de tuttiklank en in de strijkers-stemkamer in het ellebogengevecht van meer dan twintig vioolsolisten. Ik hoorde haar pas toen we de Sonate van Janáček gingen repeteren. Omdat ik de noten wel kon dromen, had ik alle aandacht voor de viool. Sommige orkesten lieten kandidaten anoniem proefspelen achter een gordijn. Als lid van zo’n commissie had ik Cecilia’s viooltoon uit duizenden herkend, hoewel er iets veranderd was: door de krachtiger streek was de toon intenser, hoewel niet minder mild geworden en de hoge e-snaar was zijn laatste scherpte kwijt. Onder haar handen klonk de kortaangebonden muziek van Janáček niet verbrokkeld; de motieven sloten zich aaneen tot een grote lijn. Ze moest in die korte tijd goed over het stuk hebben nagedacht. Blijkbaar beviel mijn pianospel haar ook, want toen we klaar waren tikte ze bij wijze van compliment met haar strijkstok tegen de lessenaar en zei:

‘Bravo, meneer Janse.’

Ik moest denken aan haar vader, die mij als begeleider van zijn dochter hardnekkig zo genoemd had; het was een beleefdheidsformule die me, anders dan bij Rooskens en Cecilia zelf, irriteerde door zijn neerbuigendheid. Altijd als ik hem zag, had haar vader – geen muzikant, maar muziekinstrumentenimporteur – zijn oordeel over ons spel klaar. Mijn vader niet; die werkte hard om een goede piano en lessen bij Toonkunst op de Nieuwe Gracht voor me te betalen en dat gaf hem het recht zich met de resultaten te bemoeien, maar hij deed het niet, misschien omdat de muziek voor hem een geheimzinnige wereld was met eigen regels.

‘Meneer Janse vindt de viool schitterend,’ zei ik.

Cecilia legde het instrument in de kist en trok met een ruk een losgeraakte haar van de strijkstok.

‘Het is nog niet schitterend genoeg. Ik denk erover om door te studeren.’

‘Bij wie?’

‘Bij iemand anders in Amerika misschien. Ivan Galamian bijvoorbeeld.’

‘En je bent hier net aangenomen.’ Ik deed mijn best om mijn stem gewoon te laten klinken.

‘Dan speel ik toch weer ergens anders voor,’ zei ze nuchter. ‘De ervaring die ik hier in Amsterdam opdoe is meegenomen, maar ik ben niet van plan mijn hele carrière in een orkest te blijven zitten.’

Terwijl ik de glazen van mijn bril schoonveegde en Cecilia haar viool, voelde ik plotseling hoe onaangenaam het was in de opslagruimte van het orkest, al hadden we die zelf gekozen. Ik wilde niet repeteren op de etage waar ik al van mijn laatste jaar conservatorium woonde en die ik nog steeds niet voor iets representatievers had geruild en Cecilia had een ontwijkend antwoord gegeven op mijn vraag waar ze nu woonde.

We spraken af voor overmorgen en gingen naar buiten, waar het prille voorjaarsweer minder kil leek dan de atmosfeer in de bergruimte waar we uit kwamen. We namen de tram in verschillende richtingen.

Thuis haalde ik mijn hele verzameling bladmuziek overhoop tot ik vond wat ik zocht: de pianosuite Op een overwoekerd pad, die Janáček zoals ik wist gecomponeerd had na de dood van zijn dochter. Ik sloeg de partituur open en speelde Onze avonden, Een weggewaaid blad, Woorden schieten tekort en alle andere delen.

Toen ik de volgende dag thuiskwam van de orkestrepetitie en de trap opliep, hoor

de ik mijn telefoon. Haastig rende ik de resterende treden naar boven, morrelde de deur open, griste de hoorn van de haak en noemde mijn naam.

‘Rutger’s International Management,’ zei een sonore mannenstem.

‘De nieuwe naam is indrukwekkend, Rutger,’ hijgde ik.

‘Maar jij haalt nog geen Olympische tijd. Lend me your ear, mister Johnson: I have a problem. Er is een gat gevallen in mijn Speciale Serie in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Ik weet wel dat sommige mensen bedenkingen hebben tegen een pianist die ook slagwerker in een orkest is: of zo iemand er wel een subtiel toucher op na kan houden enzovoort. Maar eigenwijs als ik ben, vind ik dat je eindelijk eens je debuut in die Kleine Zaal moet maken.’

‘Wat voor probleem is het?’ vroeg ik nog nahijgend.

‘Eigenlijk geen probleem maar een problème,’ zei Rutger met een lange uithaal. ‘Die verdomde Jean-Jacques Synovie zit met pijntjes aan zijn pols bij moeder in Parijs en heeft gebeld dat hij de eerste weken geen toets mag aanraken, laat staan Ravel en Brahms spelen. Je hebt nog tien dagen de tijd, makker. Heel wat grote solisten zijn hun carrière begonnen als invaller.’

Ik had nu geen tijd om iets te zeggen over Rutger Houtzagers succesverhaal met zijn eerste hoofdstuk over een pover reclamemannetje in Koog aan de Zaan. Dit was een kans. Hoe pakte ik dat het beste aan?

‘Praten moet je in het onderste stuk van de hoorn,’ hoorde ik Rutger zeggen.

‘Ken je de naam Cecilia Leduc?’ vroeg ik.

‘Namen hebben geen geheimen voor mij,’ zei hij zelfverzekerd. ‘Het schijnt dat ze het de laatste tijd heel leuk doet op de…’

‘Viool.’

‘Right. Hoezo?’

‘Ik wou je voorstellen er een viool-pianorecital van te maken. Ik zeg je dat je er geen spijt van krijgt: die violiste zal een sieraad in jouw Speciale Serie zijn. Haar viool trouwens ook.’

Na een voor zijn doen lang moment van overpeinzing ging Rutger met een viool-pianoduo akkoord en vroeg me zo snel mogelijk terug te bellen om het programma en het curriculum vitae van de violiste door te geven. Hij begon over het honorarium, dat ook na aftrek van de procenten en gedeeld door twee nog interessant was, maar ik luisterde nauwelijks. Zodra Rutger neergelegd had, belde ik het kantoor van het orkest om Cecilia’s telefoonnummer aan de weet te komen.

Voor het eerst sinds ik haar kende had ik haar aan de lijn. Ze juichte niet, want een spontane reactie lag niet in haar aard, maar ze wilde heel graag meedoen, merkte ik. Behalve Janáček stelde ik Brahms voor, al lag die componist haar minder. Toch zei ze ja, omdat ze de vioolsonates nog niet zo lang geleden gestudeerd had, met als voornaamste doel het leren kennen van drie standaardwerken uit het repertoire. Ze vroeg een kwartier bedenktijd om uit te maken welke het zou worden.

Ik zocht de drie partituren bij elkaar en begon ze door te bladeren, hoewel ik van opwinding nauwelijks stil kon zitten. Ze waren lastig, erg lastig en een grote moeilijkheid was de balans tussen de viool en de piano. Welke sonate zou ze kiezen? Hoe zag ze onze samenwerking? Dit was de Eerste: dwepend, weemoedig, als in gedachten verzonken. Hier lag de zonnige Tweede, waarboven ik met potlood een opmerking uit een Brahms-biografie had genoteerd:

 

In Erwartung der Ankunft einer geliebten Freundin

En dan was er de onrustige en hartstochtelijke Derde, die anders dan Een en Twee in de concertzaal meer tot zijn recht kwam dan in een intieme ruimte. Jaren geleden had ik op de titelpagina een andere notitie gemaakt, die voor zover ik me herinnerde afkomstig was uit een brief van Brahms aan Clara Schumann. Brahms zag zijn d-mineursonate onder haar vingers zacht en dromerig aan de wandel gaan en zichzelf peinzend meelopen door wat hij het orgelpunt-struikgewas noemde.

Ik hield van deze componist. De laatste winter van mijn gymnasiumtijd was zijn Altrhapsodie mijn leidmotief geweest. Zelfs nu kende ik de woorden van Goethe, zonder ze ooit uit mijn hoofd geleerd te hebben, nog zonder haperen:

 

Aber abseits, wer ist’s?

Ins Gebüsch verliert sich sein Pfad,

Hinter ihm schlagen

Die Sträuche zusammen,

Das Gras steht wieder auf,

Die Öde verschlingt ihn.

Ik kon ze niet anders horen dan uit de mond van Kathleen Ferrier, begeleid door het ruisen van schellakplaten. Vroeger had ik Cecilia een keer gevraagd of ze graag Brahms speelde. Ze zou zijn Vioolconcert ooit op haar repertoire nemen, maar verder vond ze hem een stugge componist, een echte Noordduitser eigenlijk, niet passend bij haar viool uit het zuiden van Oost-Duitsland. Bij mijn verhuizing naar Amsterdam had ik de platen van Ferrier meegenomen en veilig opgeborgen. Toen ik van mijn moeizaam verdiende geld een eigen platenspeler had gekocht en opeens aan de opname van de Altrhapsodie dacht, bleek die onhoorbaar, omdat de nieuwe draaitafels geen 78 toeren meer op hun repertoire hadden.

De telefoon. Ik bedwong me en liet een paar zenuwslopende belsignalen voorbijgaan.

Zij was het en ze wilde de Derde.

Het begon me steeds meer te storen dat we samenspeelden in de kille opslagruimte van het orkest, maar ik kon Cecilia met haar viool nu eenmaal niet uitnodigen op mijn benauwde etage. Toch wilde ik haar in een andere omgeving zien dan tussen vuile, bekraste harp- en contrabaskisten – wie weet ooit geïmporteerd door haar vader – die in het hoge, witte licht stonden als goedkope doodkisten in het pakhuis van een begrafenisondernemer. Daarom nodigde ik haar uit om na een late middagrepetitie mee te gaan naar Le Gourmet in de buurt van het Concertgebouw, waar we over twee dagen zouden optreden.

Het was de eerste keer dat ik bij Cecilia iets merkte van nervositeit. Die bleek zich bij haar te uiten in plotseling starende blikken en een nog grotere gelijkenis met het Egyptische beeld. Tot mijn teleurstelling was de kok van Le Gourmet bij de soep niet zo geweldig op dreef als anders. Misschien kwam het doordat ik zelf ook niet vrij was van zenuwen: ik had bij vlagen het gevoel dat dit restaurant een verkeerde keus was en dat het met dat recital in de Kleine Zaal ook slecht zou aflopen. Was het wel zo’n goed idee om te gaan samenspelen in de eerste zaal van Nederland? Kon je mijn liefhebberen op de piano met Cecilia’s spel vergelijken? Misschien was ik door het dagelijkse gedram op het slagwerk in het orkest ongemerkt grover gaan spelen. Tijdens de carré de porc impératrice stelde ik me voor hoe ik achter haar het podium op zou komen, met welke gezichtsuitdrukking ik de ovale zaal zou overzien en hoe ik mijn knieën in bedwang zou houden. De meest banale risicofactoren had ik al uitgeschakeld: mijn rok was gestoomd en in een broekzak zat een witte zakdoek tegen vochtige toetsen en vingertoppen. Ik voelde me of ik examen moest doen voor haar, voor Houtzager, voor het Handelsblad, De Telegraaf en Het Parool en voor het verwende publiek en het leek wel of ordinaire examenvrees de eetlust die ik nog had ging bederven.

Alsof ze mijn gedachten gelezen had, zei Cecilia na lang zwijgen met traag zagende messen:

‘Herinner je je ons eindexamen nog?’

Ons eindexamen… Dat van haar was uitstekend. Het mijne matig. Misschien had ik beter gekund, maar ik had alles op de pianostudie gegooid: dat was mijn enige manier om boven de middelmaat uit te komen.

‘Laten we het niet over examens hebben, vlak voor een recital.’

‘Goed,’ zei ze. ‘Het past eigenlijk ook niet bij een diner hier. Toen je pas in Amsterdam zat, at je waarschijnlijk niet in Le Gourmet?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Eten deed ik thuis, tussen de bedrijven door. Ik had mijn vrije tijd nodig voor het kopiëren van muziek, partituren en partijen, omdat ik in het begin nog te weinig verdiende met schnabbels en lessen. Jij hebt het waarschijnlijk nooit hoeven doen. Ik ben het gaan haten, dat monnikenwerk met Oostindische inkt op transparante vellen, omdat ik steeds weer kleine fouten maakte met verstrekkende gevolgen. Een balk overslaan, dat te laat merken en zo twee bladzijden verspelen.’

Cecilia kon het zich wel voorstellen.

Terwijl het hart in mijn keel klopte, zei ik een half woord, waaraan ze genoeg zou hebben, als ze een goed verstaanster was.

‘Het was wel een onverwachte teleurstelling dat jij niet in Amsterdam ging studeren, maar in Den Haag.’

Verbaasd keek ze op van haar bord en legde haar mes neer.

‘Je zei zo terloops dat het het Koninklijk Conservatorium zou worden,’ voegde ik eraan toe.

‘Ik kan me niet herinneren wanneer ik je dat gezegd heb,’ zei ze met het servet voor haar mond.

Als om haar goede wil te tonen vroeg ze hoe ik ooit met slagwerk begonnen was.

Ik vertelde haar mijn routineverhaal. Hoe ik als kind had leren slaan en roffelen in onze buurtharmonie, voor haar een exotisch milieu met zijn uniformen en majorettes. Hoe ik in ons gymnasiumorkest op verzoek van meneer Bienemann plaats maakte voor een andere, mindere pianist, omdat er nu eenmaal pianisten te veel en slagwerkers te weinig waren. Dat wist ze natuurlijk nog. Ik vertel

de hoe ik op zolder mijn oude stokken terugvond en mijn oefenplankje, een stuk hout met een laag rubber erop. Het roffelen had ik zo grondig geleerd – maandenlang tweemaal rechts en tweemaal links op het ritme van het woord “pan-nen-koe-ken” – dat ik het niet was kwijtgeraakt. Als interessant detail vertelde ik dat ik de Intocht der Gladiatoren zelfs nog uit mijn hoofd kende. Dat vond ze knap, zei ze, hoewel het duidelijk was dat ze zulk repertoire niet kende. Ik kwam bij de plechtige middag dat ik naar Alphenaar aan de Kruisweg ging om nieuwe stokken, een kleine trom en etudeboeken te kopen. Ondanks de drukte voor het eindexamen en het toelatingsexamen piano had ik mijn slagwerktechniek zo kunnen opvijzelen, dat ik ook voor dat hoofdvak toegelaten was. Mijn nieuwe pianoleraar was bijzonder tevreden geweest over mijn spel, maar hij had niet begrepen waarom ik er zo nodig een luidruchtig en proletarisch vak als slagwerk bij moest doen. In de slagwerkafdeling vonden ze mijn pianostudie niet gek: daar had je wat aan als je een slaginstrument met een toetsenbord moest spelen.

Het sloot goed op elkaar aan, vond Cecilia.

Tijdens de koffie vielen we terug in het zwijgen van de eerste gangen. Ik dacht aan een mogelijkheid om niet over vroeger te praten maar over nu, maar het was of ik voor een strenge commissie zat, die mijn onderwerpen van gesprek een voor een afkeurde. Ik keek veel naar Cecilia, en om haar niet te irriteren keek ik ook regelmatig een andere kant uit.

Onder de tafel stond haar vioolkist.

‘Dit is nog steeds dezelfde viool als vroeger?’ informeerde ik, hoewel ik het antwoord wist. De stilte moest verbroken worden.

‘Ja.’

‘Geen Italiaan, geloof ik?’

‘Nee, een Duitser.’

‘Jakob Stainer?’

‘Dat was een Tiroolse bouwer. Zijn violen zijn trouwens al niet meer te betalen voor een orkestmusicus. Nee, een Adam Stark, uit Markneukirchen in Saksen. Gebouwd in 1840.’

‘Waar komt hij vandaan, ik bedoel: wie was de vorige eigenaar?’

‘Een vioolhandelaar.’

‘En daarvoor?’

‘Weet ik niet precies. Volgens de handelaar een goede violist, die spoorloos verdwenen is.’

‘Hoe kan een goede violist zomaar verdwijnen?’

‘Hij is gedeporteerd. In ‘42 of ‘43.’

Mijn hoofd leek leeggelopen als een gootsteen. Ik was niet in staat een minder rampzalig onderwerp te verzinnen.

In het restaurant werd het snel voller. Cecilia bukte zich om haar vioolkist te pakken. Wilde ze weg? Ze trok de kist naar zich toe om hem tussen haar stoel en een poot van de tafel te zetten. Overeind gekomen met een blos op haar gezicht, begon ze met de vingers van haar linkerhand zachtjes op het tafelblad te trommelen. Het leek eerst een viooletude; later dacht ik er Brahms in te herkennen. Ik keek naar haar vingers, die niet alleen gaaf en slank waren, maar als werkvingers kortgeknipte nagels en eelt op de toppen hadden. Opeens zag ik dat mijn hand op de hare lag.

‘Irriteer ik je met mijn getrommel?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Laten we maar afrekenen,’ zei ze, zonder een poging te doen haar hand onder de mijne uit te halen.

Koortsachtig zocht ik in mijn herinneringen een eerder moment dat ik Cecilia had aangeraakt. Behalve een dans in de aula van het gymnasium kon ik niets bedenken. Het liefst wilde ik als het Egyptische dubbelbeeld onbeweeglijk blijven zitten.

De ober hielp me door langs te komen en ik betaalde met een overdreven fooi, alsof die hem gunstig moest stemmen. Toen ik Cecilia in de lege garderobe in haar jas hielp, kon ik me niet meer bedwingen, pakte met beide handen haar schouders en drukte mijn lippen in haar haar. Ze draaide zich langzaam om; zonder me aan te kijken sloeg ze haar armen om mijn middel. Ik zocht het donkere vlekje dat de geliefde viool na al die verstreken jaren in haar hals had achtergelaten en kuste het.

Ze bukte zich om haar vioolkist op te nemen en maakte aanstalten om naar buiten te gaan.

Ik kon me niet herinneren hoe ik in mijn jas was gekomen; de geur van haar hals had me in verwarring gebracht. De vrijages met de blokfluitiste, die ik op het Conservatorium tegen het lijf was gelopen, waren voorspelbaar geweest als de blokfluitmuziek, maar nu was alles anders: ik wist niet of ik voorzichtig of voortvarend te werk moest gaan.

Ze liep naar dezelfde tramhalte als na onze eerste ontmoeting in de muziekwinkel. Toen de tram na korte tijd kwam, stapte ze haastig in, zette de viool tussen haar knieën, keek me door het licht bewasemde raam aan en glimlachte zonder te zwaaien. Ik keek de tram na tot hij huilend en tandenknarsend om de hoek verdwenen was en besloot langs het Concertgebouw naar huis te lopen.

Onze namen stonden inderdaad op de affiches aan het Gebouw; niet op de gewone manier, want daarvoor was het al te laat geweest, maar op stroken die over de zieke Jean-Jacques Synovie geplakt waren. Gerrit en Cecilia: niet bepaald een harmonische combinatie van voornamen. En dan de achternamen. Gerrit Janse. Janse, Jansen, Janssen en Janszen waren de gewoonste Nederlandse achternamen, die in het telefoonboek vele kolommen besloegen, zodat mensen me soms niet konden vinden. Ik eindigde zonder n, als een boer uit Biggekerke. Leduc: met hetzelfde aantal letters was Cecilia’s naam moeiteloos de meerdere. Misschien was de rijke muziekinstrumentenimporteur ook nog familie van de Parijse muziekuitgever. Voor een volgend concert kon ik mijn naam verengelsen. Maar ik wilde geen naamgenoot zijn van de oorlogszuchtige Amerikaanse president. Gerald Jones dan? Dat leek al iets op Gerald Moore, de beroemde begeleider. Ach, aanstellerij. Ik koos de stilste straten voor de weg naar huis en de lanen van het Vondelpark, om me ieder woord en ieder gebaar van Cecilia voor de geest te kunnen halen.

Onze generale repetitie onder zakelijk tl-licht ging uitstekend. Ik luisterde nooit naar collega’s die beweerden dat aan een goede uitvoering een zwakke generale voorafgaat.

Thuisgekomen zette ik bij gebrek aan een bruikbare opname het pianouittreksel van de Altrhapsodie op de piano om een paar van de mooiste passages door te spelen. Maar ik kwam niet verder dan bladzij een. Fantasieën over vroeger kregen de overhand. Toen ik in mijn conservatoriumtijd verliefd was geworden of iets wat daarop leek, had ik tegelijk een vage onvrede gevoeld. Belachelijk. Was ik Cecilia iets verplicht? Wist zij nog van mijn bestaan af? De verliefdheid op de fluitiste had niet lang geduurd en ik kon me de lippen aan het mondstuk en het gezicht daarboven nauwelijks meer herinneren. Nadat mijn gevoelens onder de vijfentwintigste herhaling van Händels Sonate in F bijna bezweken waren, was ik eens stevig op het slagwerk gaan studeren. Toen was het over.

Ik sloeg de Brahms-partituur dicht en begon te denken over de mogelijkheden na het slotapplaus van morgen.

Zoals altijd voor een concert was ik te vroeg. Ik ging het befaamde podium van de Kleine Zaal op en probeerde de vleugel, die perfect gestemd was en de akoestiek, die ons niet zou remmen.

Halverwege deel twee van Janáčeks Overwoekerd pad ging de deur naar het podium open. Cecilia verscheen in een lange jurk in een kleur blauw waarvoor Dior en Saint Laurent luisterrijke namen hadden kunnen bedenken. Ze zag dat ze indruk maakte en liep op hoge hakken, haar voeten recht voor elkaar zettend, zodat haar heupen zwenkten, een mannequinronde over het podium terug naar de deur. Met haar viool en een gezicht dat op werken stond kwam ze terug, waarna we de tijd namen om zorgvuldig te stemmen. De mouwen van haar jurk waren kort, waardoor ik de spanning van haar rechterarm tijdens het aanstrijken van de losse snaren kon zien. We besloten het hymnische tweede deel van de Brahms-sonate te spelen en een stuk van het eerste deel.

Om half acht trok ik me terug om me te verkleden. In de tijd die restte kwam behalve Rutger, die ons op zijn joviale manier succes wenste, niemand de uiterlijke rust in onze solistenkamer verstoren. Cecilia zei dat ze een hekel had aan de gewoonte van sommige musici uit het orkest om voor een concert alle riskante passages nog eens te proberen: dan was het te laat. Al was de voorbereidingstijd roekeloos kort geweest, we hadden veel werk verzet en we konden elkaar vertrouwen. Om acht uur verscheen Rutger in een bizar onderdanige ober-creatie om koffie te brengen. We dronken langzaam en probeerden kalm te blijven.

Kwart over acht: we moesten op. Het was vol, zag ik in een oogopslag, maar tijdens mijn buiging voor het applaus keek ik niet welke critici, collega’s en bekenden er in de zaal zaten. Ik ging zitten en sloeg voor Cecilia de a aan. Met een paar schijnbaar achteloze streken had ze het stemmen voor elkaar.

Na de eerste paar regels wist ik dat alles goed zou gaan. Ik volgde haar als een schaduw. “U moet niet volgen,” hoorde ik in gedachten de hoge stem van Rooskens. “Wanneer u volgt, bent u te laat!” Het was ook geen volgen wat ik deed, net zo min als zij vooropging en de soliste speelde: we waren gelijk, we voegden onze instrumenten samen tot een snaarinstrument van hoger orde dat alles deed wat wij wilden. We speelden de Vioolsonate van Janáček. Ik speelde de tien delen van zijn Overwoekerd pad voor pianosolo. Zo traag als de tijd in de solistenkamer verstreken was, zo snel verstreek hij op het podium.

In de pauze bleven we geconcentreerd en we hadden geen last van het gebruikelijke gebabbel met bezoekers die de mens achter de musicus wilden leren kennen: Rutger Houtzagers bas en buik versperden de deur van de solistenkamer.

We zetten de Derde sonate van Brahms in. Ik hoorde aan haar manier van spelen dat Cecilia in anderhalve week tijd gewonnen was voor mijn lievelingscomponist met zijn ernstige en hartstochtelijke stijl en ik speelde of dit mijn laatste recital op dit podium was in plaats van mijn eerste. Alles speelde ik uit, de mengelingen van majeur en mineur, de zonnige maten en de maten van schaduw, iedere aarzelende vertraging en iedere hoopgevende versnelling. Met grote energie stormden we samen naar het slotakkoord.

Na twee tellen doodse stilte barstte het applaus los. Een tournee met haar, dacht ik terwijl we hand in hand bogen, dat was wat ik nu nog wilde.

In de solistenkamer omhelsde ik haar.

‘Dank je wel, Gerrit,’ zei ze met een verhit gezicht. ‘Voorzichtig, mijn viool… We moeten terug: hoor je dat applaus niet?’

Voor het eerst had Cecilia mij voor iets bedankt. Met groot zelfvertrouwen stapte ik het podium op, ging aan de vleugel zitten en liet haar opnieuw stemmen. Ze nam er wellustig de tijd voor. In de paar seconden na de lege kwinten lieten we de heftige emoties van Brahms wegebben. Onze toegift had niets van het energieke slot van de Brahms-sonate: het was het Leise, einfach uit de Tweede sonate van Schumann.

Het applaus kwam haast als een inbreuk op de tedere sfeer die we teweeggebracht hadden, maar we waren er gelukkig mee: het was, met de bloemen, het teken dat we de beproeving hadden doorstaan.

In de solistenkamer zakten we vormloos onderuit in onze stoelen. Ik nam mijn bewasemde bril af en voelde nu pas hoe groot de inspanning geweest was.

‘Van dit concert zou ik een band willen hebben,’ zei Cecilia. ‘Heel mooi ook, jouw solo. Maar aan alles komt een eind.’

Ik knikte en veegde met mijn zakdoek over mijn voorhoofd.

‘Had jij nog mensen uitgenodigd? Je ouders of zo?’ vroeg ik, al waren dat niet de eerste mensen die ik wilde zien.

‘Mijn vader is op zakenreis en mijn moeder is mee.’

‘Weer naar de States?’

Ze lachte. ‘Nee, niet naar Amerika!’

‘Weet je nog wat meneer Fletcher altijd zei? Dat je je proefwerken niet voorbereidde; hij dacht dat je alleen maar op je Amerikaanse vakanties teerde.’

‘Ik bereidde ze ook niet voor. Die brave man, echt British. Mijn ouders zijn naar Berlijn deze keer.’

‘Oost of West?’

‘Allebei. Naar West voor gesprekken met managers van Bechstein. En naar Oost om contacten te leggen met bureaucraten voor de import van goedkope instrumenten uit de DDR. En jouw ouders? Die ken ik helemaal niet.’

‘Ze zijn helaas verhinderd door een griepje,’ legde ik uit en probeerde het niet knullig te laten klinken.

Ze glimlachte. ‘Volgende keer beter.’

Er klonk een enthousiaste en toch beschaafde roffel op de deur. Ik had er een trompetstoot bij willen geven: Cecilia was over de volgende keer begonnen!

Rutger kwam binnen met nog meer bloemen.

‘A rich, warm yet centred quality of tone,’ zoemde hij sonoor, terwijl hij op Cecilia afging en haar met een buiging zijn boeket aanbood.

‘Okay, Rutch,’ zei ze, niet onvriendelijk, maar meer dan haar hand gaf ze niet om te kussen.

‘En al deze pracht na tien dagen repeteren. Dat kan alleen als je jaren hebt samengespeeld.’

Nu pas liet hij haar hand los.

‘Vandaag was het de tweede keer,’ zei ik.

Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Gee! Faith works miracles…’

‘Gerrit heeft gelijk,’ zei Cecilia. ‘En de eerste keer is zeven jaar geleden.’

‘Acht,’ zei ik. ‘In ‘57.’

Rutger sloeg zijn armen over elkaar. ‘Het wordt wat met jullie. Mark my words. Bouw nu een repertoire op. Dan kan Rutger’s International Management dingen gaan organiseren. Als jullie dat tenminste willen.’

Ik keek Cecilia aan.

Haar terugkijken duurde iets langer dan anders. Ze veegde de zweetdruppels en de hars van haar viool, wikkelde het instrument in de doek en legde het in het blauwe pluche. Ik wilde met haar alleen zijn, maar we moesten ons nog verkleden en het was na Rutgers veelbelovende aanbod niet verstandig zijn uitnodiging bij Keyzer nog iets te drinken af te slaan. Daar zouden behalve onze drukke agent nog wel meer mensen zijn met wie we moesten napraten.

Dat bleek mee te vallen. Net als Cecilia dronk ik een paar glazen; genoeg om mijn stemming goed te houden en te weinig om de greep op de gebeurtenissen te laten verslappen.

‘Hoe was die eerste keer van jullie?’ vroeg Rutger Houtzager met een dubbelzinnigheid die tweede natuur was geworden.

‘Wij hadden op het gymnasium muziekles van een meneer Bienemann,’ begon ik.

‘Hoewel: les in de gewone zin was het eigenlijk niet,’ vulde Cecilia aan. ‘Degenen die zich daarvoor opgaven leerde hij noten lezen. Hij was cellist in het Noordhollands en eens per week tussen de middag stond hij bij ons voor het koor en het orkest.’

Ik probeerde Rutger een idee te geven van Bienemann en voor ik er erg in had werd mijn verhaal een “Tombeau d’Ernest”, een eerbetoon aan onze overleden muziekleraar. Het leek mijn agent niet exclusief te interesseren: ik zag hem telkens afdwalen naar vrouwenbenen in het café. Maar dat kon me niet schelen.

‘Ernst Bienemann was een kleine, tengere man; hij praatte altijd snel en tegelijkertijd heel zorgvuldig. Technisch was hij geen meesterdirigent – daar hadden we ook geen behoefte aan – maar hij was wel een groot pedagoog: zonder één keer zijn stem te verheffen haalde hij uit ons het beste resultaat. Cecilia was concertmeesteres van het orkest en ik speelde slagwerk, omdat er te veel pianisten waren; het aanbod van instrumenten was natuurlijk niet erg evenwichtig. Ik speelde toen al aardig slagwerk omdat ik in mijn lagere-schooltijd…’

‘Pan-nen-koe-ken,’ zei Rutger met een blik op het menu.

‘Goed,’ ging Cecilia verder. ‘Bienemann kwam op het idee om in de aula een kamermuziekavond te organiseren met Gerrit en mij als laatste attractie. Wij waren de beste muzikanten van de school. Wij zwoegden uren per dag, terwijl de anderen zeiden dat ze plezier in muziek het belangrijkste vonden. Bienemann wist dat wij allebei naar het conservatorium wilden. We hebben toen de Romance in F van Beethoven gespeeld.’

Uit eigenbelang en om Rutger Houtzager niet langer te vervelen praatten we verder over het Management. Eindelijk leegde Rutger zijn laatste glas whisky, rekende af en liet ons alleen. Om zijn goddelijke Française naar huis te brengen, zoals hij zijn Citroën DS noemde.

Ik stelde Cecilia voor naar mijn etage te gaan om nog wat te drinken en na te praten. Ze knikte en pakte haar viool. Ik nam haar tas, de mijne met mijn rok en de bloemen.

We gingen de donkere Van Baerlestraat op.

‘Het is makkelijk te lopen,’ zei ik, ‘en het is heerlijk buiten, vind je niet?’

Ze knikte. Een paar minuten hoorde ik niets dan haar hakken op het trottoir, die tikten als een krachtig uurwerk.

‘Laten we door het Vondelpark gaan,’ stelde ik voor. ‘Dat is korter.’

‘Dat zal wel, maar het lijkt me niet zo veilig: mijn viool, begrijp je?’

‘We snijden door het park een heel stuk af.’

‘Vooruit dan.’

We sloegen de Willemsparkweg in. Ik woonde driehoog aan de Derde Kostverlorenkade. Niet bepaald een opgewekte naam en dan nog de Derde, alsof de Eerste en Tweede te goed voor me waren. Maar dat telde niet: ik zou Cecilia thuis ontvangen.

De hele Willemsparkweg maakte ze geen aanstalten om iets te zeggen, zelfs niet bij het passeren van de vioolzaak van Möller. Het stoorde me niet; ik begon haar zwijgzaamheid prettig te vinden en bovendien kon ik mijn gedachten de vrije loop laten.

De repetitie bij haar thuis voor de kamermuziekavond van Bienemann gleed als een zwartwitfilm voorbij. ‘Waar repeteren we,’ had Cecilia gevraagd, ‘bij jou? Jij woont toch dicht bij school?’ Dat was waar, maar ik wilde niet dat ze bij mij thuis kwam en stelde voor bij haar te repeteren. Natuurlijk was ik veel te vroeg aan de voet van de steile helling en daarom reed ik in een langzaam tempo nog een eind om, de harsige geur van de dennen inademend en me in gedachten voorbereidend op de auditie. Want wat was het anders? Nog steeds te vroeg en buiten adem na de klim kwam ik bij Cecilia’s huis aan. Ze deed zelf open en ze glimlachte, maar net als anders was ze niet erg spraakzaam. In de gang stonden rijlaarzen in een vrouwenmaat. Ik vroeg me af of zij de ruiter was of haar moeder. Een groot deel van Cecilia’s leven was onbekend terrein voor me. De groet van haar vader had dezelfde geaffecteerde, nonchalante stijl als zijn sjiek versleten colbertje. Hij schoof zijn paperassen van de antieke secretaire in een aktentas en vertrok naar zijn studeerkamer. In de tuin blafte een hond. Ik hoorde een bars commando: ‘Af! Lig!’ en het slaan van een deur. Daarop kwam de moeder binnen. Ik kende de frons op het tanige gezicht. Het gesprek verliep stroef. Cecilia pakte het colofonium uit haar vioolkist en begon de strijkstok te harsen. Terwijl ik aan de nieuwe Bechsteinvleugel ging zitten, stelde ze een paar vragen over mijn opvatting van het tempo. Ze vroeg me een a aan te slaan, de eerste toon die ik speciaal voor haar speelde, en stemde haar viool. Ik deed nog een poging een soort gesprek op gang te brengen. ‘Is het een kostbare viool die je hebt?’ ‘Mm.’ ‘Hoeveel…’ ‘Nee,’ interrumpeerde ze met haar strijkstok al boven de snaren, ‘geen Stradivari of Guarneri, maar wel een heel goed Duits instrument. Maak je over die viool maar niet druk.’

‘Zal ik hem erbij nemen?’ vroeg ik op de hoek van de Jacob Obrechtstraat, toen Cecilia de koffer in haar andere hand nam.

‘Nee, je hebt je handen al vol. En mijn viool geef ik niet uit handen, ook niet aan jou.’

Opeens had ik me achter de Bechstein gegeneerd voor mijn lompe gevraag naar nota bene de prijs van de viool. Ik begreep dat we niet pratend maar spelend samen moesten komen en zonder verder iets te zeggen zette ik in. Ze had het stuk met haar leraar goed voorbereid. Haar viooltoon was rond; de lage g-snaar sprak zonder krassen aan en de hoogste tonen hadden maar weinig scherpte. Ik paste mijn toucher aan, voor zover mijn techniek het toeliet. Toen we de Romance voor de derde keer speelden, ging de telefoon. Omdat haar moeder niet meer in de kamer was, legde Cecilia haar viool voorzichtig op tafel en nam op. Het was een familielid of een kennis, die blijkbaar vroeg wat ze aan het doen was. Ze antwoordde dat ze repeteerde met een pianist, een klasgenoot. Een stilte. ‘Och, gaat wel…’ zei ze schouderophalend. Sloeg dat op mij? Het gesprek duurde lang en ik kon het niet volgen; met spelen moest ik wachten. Ik pakte het Handelsblad van tafel en begon werktuiglijk te bladeren. Cecilia staarde luisterend en met haar vingers op haar dijbeen trommelend uit het raam. Ik legde de krant weg en begon ook uit het raam te kijken naar de half verwilderde tuin met tussen scheve sparren een overwoekerd pad waarvan ik niet kon zien waar het eindigde. Eindelijk was het gesprek met een beleefdheidsformule en een zucht van Cecilia afgelopen. ‘Wie was dat?’ vroeg Cecilia’s moeder, terwijl ze binnenkwam. ‘Als jullie toch niet meer spelen, laat ik nog een keer thee zetten.’ ‘Alstublieft,’ zei ik stijfjes. De intimiteit van de muziek was weg. De moeder begon te praten over de concerten die ze dit seizoen gehoord had en nog zou horen. Omdat het orkest hier zo onder de maat was, “shocking” zelfs, had ze een abonnement genomen op een serie van het Concertgebouwkest, een schètterende serie van grèute klasse… De namen Theo Olof en Herman Krebbers vielen en die van Klemperer en Van Beinum. Cecilia zei niet veel, maar als ze wat zei, was het zonder het geaffecteerde van haar ouders en zonder Engelse uitdrukkingen. Na de thee van het dienstmeisje speelden we de Romance nog een keer voor het fronsende moederhoofd en we spraken af de volgende repetitie na schooltijd in de aula te houden om aan de lastige akoestiek van die zaal te wennen. Ik had het op de uitvoering moeilijker dan Cecilia, omdat ik niet zoals zij steeds op hetzelfde superieure instrument speelde; op een piano met de stugge pedalen van een landbouwtractor ploegde ik door de dorre akoestiek van de volle aula. Had haar vader de school niet één avond een piano uit zijn magazijnen kunnen lenen? Ondanks alles was het een vruchtbaar concert en meneer Bienemann dacht wel dat we het zouden redden op het conservatorium. Hij herhaalde dat drie keer. Ik was gelukkig met de nieuwe verstandhouding met Cecilia; we waren in de Romance steeds samen geweest, zonder het demonstratieve tellen en knikken waar de andere ensembles niet buiten konden.

We gingen door de grote ijzeren poort het park in en ik voelde de etree als de inwijding in een verbond. Af en toe keek ik ongemerkt opzij naar Cecilia, met wie ik een duo vormde, een duo met vooruitzichten. De boombladeren in het Vondelpark waren nog onvolgroeid, zodat de kruinen boven ons zich niet aaneensloten, maar er was het begin van een vorstelijk bladerdak. Cecilia ademde diep, op hetzelfde moment als ik. Viva fui in sylvis, begon het vierregelige vers op het etiket in haar viool, dat ze me had voorgelezen. Het was gemakkelijk Latijn. “Levend was ik in de bossen.” Wat toepasselijk… Ik kreeg het gevoel dat ik naast Cecilia in dit park pas echt begon te leven. Fui dura occisa securi: “Ik werd geveld met een harde bijl.” Dum vixi tacui: “Toen ik leefde, zweeg ik.” Mortua dulce cano: “Nu ik dood ben, zing ik lieflijk.” Mortua dulce cano… Ik proefde de bitterzoete woorden. Het was lang geleden dat ik voor mijn Haarlemse raam had staan luisteren naar een merel die een Ode aan Cecilia zong, naar het ritselen van boombladeren of naar het hoge, ijle geluid van een propellervliegtuig met onbekende bestemming. We konden de sterren en de maansikkel aan de onbewolkte nachthemel zien en de frisse, geurige lucht van het park was na de rokerige atmosfeer van het café en de uitlaatgassen van de straat een verademing. Andere wandelaars waren er zo laat op de avond en zo vroeg in het jaar niet. Of toch:op de weg waar we liepen, naderden drie mannen, die de hele breedte in beslag namen. Cecilia ging in het gras lopen en ik met mijn tassen aan de rand van het asfalt.

Op het moment van passeren raakte een hoek van de grootste tas die ik droeg een been van een van de mannen. Hij draaide zich half om en greep mijn bovenarm.

‘Te beroerd om effe opzij te gaan?’

Strak omspande de mouw van zijn leren jasje de arm waarmee hij me vasthield.

Ik was bereid voor wie dan ook opzij te stappen: het enige wat ik wilde was met Cecilia naar huis gaan.

‘Ga je gang,’ zei ik en probeerde een stap opzij te doen. Ik zag hoe Cecilia haar viool tegen zich aan klemde.

‘Gelijk maar jijen en jouen? Een brutale bek, mooie meneer?’

‘Die meid is mooi,’ zei de man achter hem.

Een kauwgumachtige massa verhuisde op de tong naar de andere kant van de openstaande mond voor me; speekseldraden bleven als rafelige harpsnaren tussen tanden hangen. De man deed een snelle, trefzekere greep naar onze bloemen en gooide ze met een vies gezicht in de struiken. Jammer, maar zonder die trofeeën konden we wel verder. Terwijl de andere twee zo dicht bij me kwamen staan dat ik hun adem kon horen en ruiken, had hij met de tweede snelle greep mijn bril te pakken, die met geknakte poten de bloemen achternavloog.

‘Geef dat dingetje maar effe bij mijn in bewaring,’ zei de tweede man tegen Cecilia.

‘Blijf eraf met je poten, ik ga gillen!’ fluisterde ze schor; wankelend op haar hoge hakken omklemde ze haar viool als een drenkeling een stuk wrakhout.

‘Niks geen gegil. Hier dat jammerhout!’ zei nummer twee en wrikte het instrument los. Met de buitgemaakte vioolkist begon hij een groteske parade heen en weer over de weg. De derde man nam Cecilia in een ijzeren greep en duwde haar tussen de struiken. Nagels had ze niet, maar ze probeerde haar tanden te gebruiken. Ik liet de tassen vallen om haar achterna te gaan. Opeens was daar de punt van een mes vlak voor mijn bijziende ogen. Ik hoorde hoe Cecilia zich op de grond liggend verzette. De man die de viool op haar had buitgemaakt legde de koffer neer en begon tergend langzaam aan de ritssluitingen van de hoes te trekken. Het plein met de jongens die graaiden naar de nieuwe trommelstokken die uit mijn tas staken. Voor ik me erop kon gooien waren ze er al mee aan de haal. Mijn vastgeklemde polsen en mijn hoofdhuid brandden als vuur. Ik moest toekijken hoe ze de stokken op straat aan splinters sloegen of braken tussen de roestige spijlen van het hek, gierend van de lach. Op mijn lippen stond het schuim. Schaamden de ritsen zich niet? Ze gingen volgzaam mee met de rondingen van de koffer. De barbaar verbrak de sloten. Het deksel ging open. Hij trok uit de doek en het pluche de viool. De brute hand greep de strijkstok. Een gruwelijk gekras. Ik deed een stap vooruit. De viool had ik opgegeven. Maar haar niet. Daar was de punt van het mes. Ik kreeg geen adem meer. Wat voor geluiden waren dat uit haar keel? De viool kreunde. De kam klapte weg onder de snaren. Zinloos hingen ze op de klankkast. Een gekraak als van menselijke botten. De stapel boorde zich met geweld door het bovenblad.
 

hoofdstuk 7. Reprise