5. IJle geluiden

verstreken-jaren-5

 

Luister!’ zei moeder, terwijl ze met de zondagse handschoen nog om haar vingers naar boven wees.

Vader en ik bleven staan en hielden op met praten. Van onze schoenen begon wat smeltwater te druppen, maar zij zag het niet.

‘Ik hoor mensen!’

Ze had gelijk: wij hoorden ook geluiden van boven.

‘Die moeten dan vandaag gekomen zijn. Zo staat het twee maanden leeg en zo heb je opeens nieuwe buren.’

Met haar hoed op en alleen de bovenste knoop van haar jas los ging ze aan tafel zitten, waardoor het leek of zij aan het verhuizen was in plaats van de mensen boven ons.

Erg lang had de nieuwjaarsvisite bij oom Leendert in Noord niet geduurd: moeder wilde niet in het donker met de pont over het IJ. De nieuwe mensen waren dus ervaren verhuizers of ze hadden maar weinig meubels.

‘En dat uitgerekend op een feestdag,’ mopperde moeder. Ze klappertandde en schokte met haar schouders, alsof ze de nieuwe buren van zich af wilde schudden. ‘Getverderrie, het is hier om te sterven van de kou!’

Vader maakte aanstalten om het vuurtje in de kachel op te poken.

Het was vannacht weer flink gaan vriezen. Min acht, had vader gezegd en je kon hem geloven, want hij fantaseerde nooit. Er werd geschaatst op de Kostverlorenvaart en de Haarlemmertrekvaart. Onderweg naar oom Leendert en tante Annie hadden we heel wat sportieve rijders gezien in plusfour, trui en muts. Ook een uitgegleden man die probeerde overeind te komen en op sommige pleinen kleumende oude mensen bij potten met vuur.

De dag na Nieuwjaar moest vader weer naar kantoor. Juist toen moeder naar de keuken was gegaan, hoorde ik van boven nieuwe geluiden. Deze keer kwamen ze niet van slordig schuivende meubels. Het waren hoge, lang aangehouden tonen, vier verschillende. Daarna kwam er muziek. Ik werd opeens razend nieuwsgierig, vooral naar het instrument dat die ijle geluiden maakte.

Toen ik een tijdje geluisterd had zonder iets te zien, kon ik het niet meer uithouden. Buiten werd ik misschien iets wijzer over de geluiden boven ons: wie weet kon ik van de overkant van de straat naar binnen kijken. En als dat niet lukte, kon ik met mijn schaatsen altijd nog een mooi stuk ijs opzoeken.

Hoe ik buiten ook ging staan, zien kon ik niets. Wel had ik op de deurpost een nieuw naamplaatje van email ontdekt, boven het onze geschroefd en iets te groot voor de deurpost. Wat ik gedacht had, klopte. Op het nieuwe bordje stond:

 

David Mendel
violist

Het was dus een viool die ik gehoord had! Het beroep en de naam van de buurman maakten van het bordje iets bijzonders en het onze stak er saai bij af. Om de een of andere reden kon je op een bordje ook niet gemeenteambtenaar laten zetten. Was dat wel een vak?

Toen vader thuiskwam, moe en verkild, was de viool na een paar uur pauze weer gaan spelen.

‘Daar hadden we nou net behoefte aan,’ zei vader humeurig. ‘David Mendel, violist.’

‘Ik heb ze gezien, toen ze de straat op gingen,’ zei moeder opgewonden. ‘Een kleine man met een bril. Ik was blij dat ze eruit gingen: uren is hij vandaag bezig geweest op dat ding. Dat wordt nog wat…’

‘Ja, Rob, er staat ons nog wat te wachten,’ zei vader.

‘Zij is broodmager,’ ging moeder door. ‘Gelukkig hebben ze geen kinderen. Erwten en bonen zijn ook al niet meer te krijgen. Ik wist bij God niet wat ik voor jullie op tafel moest zetten.’

‘Zware muziek,’ bromde vader. Hij stond op om de radio in te schakelen en iets te zoeken waarmee het bakelieten kastje de geluiden van boven overstemmen kon. Lou Bandy met Zoek de zon op en Schep vreugde in ‘t leven was nergens te vinden, maar na lang piepen en kraken haalde vader de vier Volendamse harmonikaspelers binnen, die Daar bij die molen zongen.

‘Wel even beter, naar mijn bescheiden mening,’ vond hij.

‘Die vent zou tenminste kunnen vragen wanneer het ons uitkomt, dat vioolspelen,’ snerpte moeder boven de vier harmonika’s uit. ‘Ja, er staat ons nog wat te wachten.’

Er stond ons zeker nog wat te wachten en iedere avond verheugde ik me meer op de volgende dag. Ik vergat met vader te praten over de grote tocht op de schaats naar Marken. Hij begon er ook niet over: misschien was het hem te koud geworden. Heel de tijd luisterde ik naar de viool en ook als die niet speelde dacht ik eraan. Die viool was niet te vergelijken met de klokken van de Westertoren, het draaiorgel in de straat, de koffergrammofoon van oom Leendert of de fanfare op de verjaardag van Koningin Wilhelmina. Het geluid was licht en leek te zweven, alsof de violist niet met beide benen op de vloer stond boven ons gestucte plafond.

Ik zag hem voor het eerst uit het raam van mijn kamer. Terwijl hij bevroren sneeuw wegschraapte en in de goot schoof en as op het trottoir strooide, kon ik hem van boven bekijken. De nieuwe buurman deed het karweitje anders dan anderen in de straat: minder zwoegend en met iets zwierigs, en hij stond even naar het resultaat te kijken voor hij naar binnen ging. Zelfs zijn hoed was anders. Ik hoorde hem langskomen en een paar minuten later de trap weer aflopen. Door het raam zag ik dat hij een smalle kist bij zich had met een hoes van canvas eromheen. Hij stak over en liep snel de straat uit, zonder op de gladde stukken stoep zijn evenwicht te verliezen.

Toen ik op een middag weer een keer met mijn schaatsen de deur uitging, besloot ik de trap niet af, maar op te gaan. Moeder was in de keuken bezig en stond niet voor het raam te kijken welke kant ik uit ging.

Zo voorzichtig mogelijk sloop ik de trap op en ging voor de deur op de grond zitten om van dichtbij te kunnen luisteren. De ijle vioolgeluiden achter de vreemde voordeur deden me af en toe denken aan het zingen uit kerken. Niet alle kerken hadden het, maar wel de Vondelkerk, waar we op een zondagochtendwandeling langsgekomen waren. Ik had daar flarden gehoord van een vreemde muziek: het moesten mannen zijn die zongen, maar wat ze zongen leek niet op het gewone zingen in school en op de radio. De woorden had ik ook niet kunnen verstaan. Net zoals die zang achter de glas-in-loodramen van de kerk zweefde achter deze deur de muziek van de viool. Nu moest iets wat vloog als een vogel een keer terug naar de aarde om te eten of te drinken. Dat gebeurde dan ook: toen een koffiemolen begon te knarsen, hield de viool op. Er werd gepraat in een taal die ik niet verstond, ook niet toen ik mijn oor plat tegen het tochtige sleutelgat in de voordeur legde.

Plotseling hoorde ik stappen, stappen in de gang. Vlug haalde ik mijn oor van de deur en liep zo snel en stil als ik kon naar beneden om buiten te gaan schaatsen.

Al was een viool van hout, het leek wel of deze van metaal was en of er in mij een magneet zat. Iedere dag ging ik nu naar boven in plaats van naar beneden. Ik deed mijn best om stil te zijn.

Op een middag had ik mijn schaatsen weer om mijn nek gehangen om mijn handen vrij te hebben en snel weg te kunnen lopen wanneer dat nodig mocht zijn. Hoe het gebeuren kon begreep ik niet, maar een van de schaatsen begon te slingeren en stootte met zijn punt tegen de voordeur, alsof hij aanklopte, brutaal als de beul.

Het vioolspel stokte.

Even gebeurde er niets. Toen kwamen passen dichterbij. Met mijn adem ingehouden bleef ik zitten. De voeten bleven twee tellen staan en liepen daarna in mijn richting. De deur ging open.

Voor het eerst zag ik de buurman niet van boven maar van beneden. Hij had een bril met dikke glazen en daarachter aardige, donkere ogen.

Hij keerde zich om en riep naar de huiskamer iets wat ik niet verstond.

Ik bleef staan en hoopte dat moeder niets gehoord had en niet – wat was dat mens altijd nieuwsgierig – aan de deur zou komen.

‘Heb je angst voor me?’ vroeg de buurman lachend.

Ik schudde mijn hoofd: natuurlijk was ik niet bang. Hij moest alleen niet zo hard praten, gebaarde ik met mijn vinger tegen mijn lippen.

‘Ben jij soms van beneden?’ vroeg de buurman zacht. ‘Van Koehdaik?’

Ik knikte.

‘Hoe heet je van je voornaam?’

‘Robert.’

‘Ach so… Wat doe je hier voor de deur, Robert?’

‘Luisteren.’

‘Dat is altijd beter dan afluisteren. Dus je bent een muziekliefhebber?’

Zo had nog nooit iemand me genoemd. Maar hij had gelijk. Ik knikte.

‘Muziekliefhebbers mogen altijd binnenkomen om te luisteren.’

Ik zei niets.

‘Nee? Je luistert liever met je oor tegen het sleutelgat?’

Hij bukte zich en gaf een kleine demonstratie.

Ik aarzelde.

Zijn vrouw kwam achter hem staan.

‘Komt u binnen, meneer Koedijk,’ zei de violist met een soort buiging.

‘Had u er nog iets te drinken bij gehad willen hebben?’ vroeg zijn vrouw.

Ik wist hoe vader schold op violisten en makers van zware muziek, maar mijn nieuwsgierigheid won het. Ik moest die viool zien.

De huiskamer van de bovenburen was tot op de centimeter even groot als die van ons, met de ramen, de deuren, de schoorsteen, de aansluiting voor de lamp en de knoppen van het licht op precies dezelfde plaats. Verder zag alles er anders uit. Het leek wel of ik in een ander land was. Het land van de tegenvoeters. Tussen hun gebied en dat van ons lag een op zijn kant gelegde houten schutting, met aan de achterkant ons gestucte plafond.

Onze huiskamer stond propvol. Deze kamer was leeg. Er was ruimte om te lopen. Er was licht. Je merkte aan de weerkaatsing van de zonnestralen uit de open, strakblauwe lucht dat er buiten sneeuw lag. Op onze vensterbanken stonden dichte rijen planten in bonte potten en voor de ramen hingen tulen gordijnen, verschillende lagen zelfs, die alles dempten wat naar binnen kwam. Wij hadden kunstbloemen onder glazen stolpen, tafeltjes met kanten kleedjes, een eettafel met een Perzisch tapijt, een glimmende klok met een herder en een herderinnetje met strikjes, alles van koper. Hier stonden alleen twee zilveren kandelaars. Aan de muur hing tussen de bleke vierkanten van de vorige bewoners niets, behalve twee vergeelde affiches met in grote letters het woord TANZ en de naam FANNY MENDEL. Zo heette de buurvrouw dus. Midden in de vreemde kamer stond een hoog, schuin tafeltje met één poot. Wat je erop legde zou er meteen weer afrollen, maar boeken en papieren bleven erop staan. Ik zag een geheimschrift van staande strepen en liggende lijnen, krullen aan het begin van die lijnen en zwermen bolletjes en vlaggetjes; net het omslag van een feestprogramma in een vreemde taal. Het waren muzieknoten, wist ik. Op de grote tafel, die hier niet in het midden stond maar aan de kant, zag ik de kist die ik kende en die nu zijn geheim onthulde. Erin lag op glanzend fluweel de viool, als een sprookjeskoningin die zich even te ruste had gelegd, moe van het mooi-zijn.

De bovenbuurman glimlachte geheimzinnig en klemde de viool tussen zijn kin en schouder. Het instrument viel niet, toen hij zijn handen ervan afnam. Hij pakte een dunne stok en begon langzaam over de snaren te strijken. Aandachtig luisterend draaide hij aan knoppen; daardoor gleden de snaren geleidelijk naar de goede toon. Toen hij klaar was, ging hij voor de papieren staan en begon te spelen. Zo zag het er dus uit wat wij beneden alleen maar hoorden.

De muziek klonk hier, niet gedempt door vloerkleden, planken, stof, vulsel en stucwerk, veel sterker en glanzender dan onder de vloer en buiten de deur. Ik had nooit gedacht dat een kleine viool zoveel geluid kon maken en ook niet dat je zo hard moest werken om dat geluid eruit te krijgen. De stok gleed niet over de snaren als een schaats over ijs, maar hij moest weerstand overwinnen. De rechterhand met de stok werkte hard, en ook de linkerhand was de hele tijd druk bezig: als een opgejaagd beest met vier pootjes sprong hij steeds naar een andere plek en als hij even stilstond hijgde hij bevend na. Door dat beven leek het geluid mooier te worden.

Het viel me op dat de violist anders keek dan de mannen die eens in de week met het draaiorgel de straat door kwamen. Dat de manser die rondging met de centenbak nooit lachte, kon ik begrijpen, want hij was mank. Maar ook de man die aan het wiel mocht draaien om een karton met gaten door het orgel te laten zigzaggen en poppen op trommen en bekkens te laten slaan keek altijd of hij er niet bij hoorde en zelfs of hij een hekel had aan muziek.

Na een tijdje sloeg de linkerhand van de buurman het blad om met een razendsnelle beweging, die me deed denken aan de vleugelslag van een vogel. Aan de andere kant stonden dezelfde lijnen, maar met weer andere witte en zwarte noten. Weer werd er gevlagd of het feest was. Ik moest denken aan zaterdagochtend, wanneer juffrouw Terpstra alle lichten uitdeed behalve de lamp op haar tafel, om voor te lezen uit Alleen op de wereld. Wat de buurman met zijn viool vertelde, had daar iets mee te maken. Het was niet spannend en het was geen verhaal dat je navertellen kon, maar toch ging het ergens over.

Met een paar lange streken op twee snaren tegelijk was de muziek afgelopen. De buurman legde de viool op tafel.

‘En?’

Ja, wat moest ik zeggen?

‘De bladen met muzieknoten lijken op dat ding in het draaiorgel,’ zei ik. ‘Ik bedoel dat karton met gaatjes dat telkens omklapt.’

‘Zo heb ik het nooit bekeken, maar je hebt gelijk. Een mooie Nederlandse traditie, die grote orgels op straat, vind je ook niet, Fanny?’

Hij sprak net als zijn vrouw goed Nederlands, maar je kon horen – Nederlands klonk een beetje als “Niederlandsj” – dat ze ergens anders vandaan kwamen.

‘We hadden je wat te drinken beloofd,’ zei de buurvrouw. Ze ging naar de keuken en kwam terug met grenadine, een groter glas dan ik thuis kreeg.

Ik wist echt niet meer wat ik moest zeggen en begon met langzame teugjes te drinken om niet te gauw klaar te zijn. Ondertussen keek ik met mijn ogen van hem naar haar en van haar naar hem. De buurman was bezig met de muziekbladen, terwijl zijn vrouw me vriendelijk aankeek. Ze was mager, vond ik, magerder dan alle andere vrouwen die ik kende. Haar jukbeenderen staken uit; het haar was strak achterover gekamd en samengebonden met een lint, zoals je dat alleen bij meisjes zag. Ondanks haar magerte zag ze er helemaal niet ongezond uit, zelfs wel sportief, met stevige benen.

Ze hadden gezegd dat ik rustig nog eens terug kon komen. Ik wachtte tot er een paar lange dagen voorbij waren.

‘Je houdt dus echt van muziek,’ zei meneer Mendel nadenkend.

Hij had me al een muziekliefhebber genoemd. Nu was ik ook nog een bondgenoot.

‘Heb je geschaatst?’ vroeg hij, wijzend naar de doorlopers die ik weer bij me had.

Ik haalde mijn schouders op.

‘Je kunt ze hier neerleggen. Ze zijn droog, zie ik. Vertel eens: speel je een instru

ment?’

‘Nee, meneer.’

‘Voel je iets voor vioolspelen, dat je terugkomt?’

Die vraag had ik niet verwacht. Ik knikte, zo hard dat mijn tanden ervan tegen elkaar klapperden.

‘Hoe oud ben je?’

‘Tien.’

‘Tien. Als je even tijd hebt, haal ik een viool voor je.’

Mevrouw Mendel keek me aan met haar wenkbrauwen opgetrokken en haar lippen getuit.

Mijn hart begon te bonzen. Ik kreeg een viool in handen!

‘Dat wil zeggen: een halve,’ voegde meneer Mendel er lachend aan toe, terwijl hij zich in de deuropening omdraaide.

Een halve viool! Een met minder snaren? Of een met een stuk eraf gezaagd? Een speelgoedviool van het Waterlooplein? Hield hij me voor de gek? Vond hij me bemoeiziek en wilde hij van me af zijn? Mischien had vader gelijk, als hij zei dat zulke mensen iets mankeerde in hun bovenkamer en dat ze niet te vertrouwen waren. Toch bleef ik staan om te zien waar de violist mee aan zou komen zetten.

De viool was echt, al was hij niet zo groot als het instrument waarop ik de buurman zelf had zien spelen. Toch vond ik ook deze veel mooier dan de andere muziekinstrumenten die ik ooit had mogen vasthouden: de blokfluit van juffrouw Terpstra en de tuba van oom Leendert, die met zijn buizen en ventielen en zijn beker als een schoorsteen aan een fabriek deed denken. De zacht glanzende viool zag er van dichtbij kwetsbaar uit. En toch ook weer niet. Het hout van de kast leek me heel erg dun en de snaren liepen over een smal bruggetje, waar allerlei stukjes uitgezaagd waren. Wat stonden die vier snaren strak gespannen! Dat die viool niet kapotgedrukt werd!

Meneer Mendel nam een andere stok, korter dan de vorige en schroefde eraan. Daarna draaide hij aan de knoppen van de halve viool. Hij leek niet zo tevreden, legde de viool neer en begon de stok over een bruin blokje te strijken.

‘Colofonium.’

‘Colofonium…’ herhaalde ik het geheimzinnige woord, want ik wou alles onthouden.

‘Hars, om de haren stroef te maken.’

‘Hars uit een echte boom?’

‘Jazeker. En de haren van de strijkstok komen uit een echte paardenstaart. Alles hier is echt, meneer Koedijk. En de snaren worden van schapendarmen gemaakt; zo’n mekkerend schaap kan na zijn dood nog heel mooi zingen.’

Toen was het klaar. Hij hielp me de viool onder mijn kin te leggen. Zonder handen kon ik het instrument zo vasthouden dat het niet op de grond viel. Ik voelde me een dwergje dat op een tafel keek.

‘Nu je rechte arm,’ zei meneer Mendel.

‘Allebei mijn armen zijn recht.’

‘Ik bedoel je rechte arm en niet je linke arm. Met je rechte arm houd je straks de stok vast. Met je linke arm houd je de klankkast vast, voorlopig.’

Hij wees me hoe ik mijn vingers op de stok moest zetten en mijn duim eronder; ik mocht hem vooral niet met de volle vuist vastpakken. Dat was niet zo makkelijk. Daarna ging hij achter me staan, nam mijn rechterhand en stuurde mijn strijkstok over de snaren. Na een paar keer liet hij los en toen ging het meteen een stuk moeilijker. De stok was wel dun, maar zwaarder dan hij eruitzag, wat natuurlijk aan de lengte lag. Er kwam geluid uit de viool, dat wel, maar mooi vond ik het niet en heel anders dan wanneer de buurman speelde.

‘Niet knijpen in die stok,’ zei meneer Mendel. ‘Ontspannen bij alles wat je doet.’

Ontsjpannen, ja: hij had makkelijk praten! Na een tijdje werd het niet beter, maar slechter en het eindigde in geknerp, alsof er een deur openging waarvan de scharnieren in jaren niet gesmeerd waren.

‘Word je moe?’ vroeg meneer Mendel.

‘Nee, nee!’

‘Volgens mij wel, jongeman.’

Hij had gelijk: het was een onwennige houding, veel moeilijker dan toen ik voor het eerst op schaatsen stond.

Ik moest nu even rusten, zei meneer Mendel, terwijl hij de viool en de stok van me overnam.

Toen hij de twee instrumenten naast elkaar hield, kon ik het verschil goed zien: de halve viool was kleiner; niet de helft, maar centimeters, net genoeg voor mij om hem goed vast te kunnen houden. Ik zag wel dat het hout van de andere viool veel mooier was: vurig rood in plaats van gelig bruin. En toen meneer Mendel de twee violen na elkaar bespeelde, hoorde ik dat je ze niet kon vergelijken. De halve viool klonk als iemand die zong met een wasknijper op zijn neus, terwijl de grote viool alles in de kamer mee liet zingen.

‘Het is een studieviool,’ legde meneer Mendel uit, alsof hij het had over een trouwe hond van het vuilnisbakkenras. ‘Op de studieviool moet je studeren, daarop moet je zwoegen. Op de sjtark gaat het vanzelf. Ik heb mazzel met zo’n viool…’

Blijkbaar had ik het met mijn gekras niet helemaal verpest, want weer zei meneer Mendel dat ik terug mocht komen, en ook zijn vrouw knikte duidelijk van ja. Als ik dat tenminste wilde, want dan zou het ernst worden. Maar dat was nu juist mijn bedoeling.

De derde keer dat ik kwam stelde meneer Mendel voor met mijn ouders eens over vioolles te praten.

Ik verstijfde van schrik.

‘Doet u dat alstubieft niet! Ze hebben een hekel aan violen en zware muziek! Een gruwelijke hekel!’

Aan violisten ook, maar dat zei ik er niet bij.

‘Ach so…’ zei meneer Mendel. ‘Dan begrijp ik wel dat je je bezoekjes hier geheim wilt houden. Maar ik word nogal eens uitgescholden, begrijp je, en ik heb geen behoefte om ook nog een stiekemerd genoemd te worden. Je kunt les krijgen, maar dan wel met toestemming van…’

Zonder iets te zeggen wees hij drie keer naar beneden.

Onmogelijk!

‘Als ze aan de weet komen dat ik viool speel, dat ik bij u viool speel, dan maken ze er een eind aan,’ zei ik.

‘Nu begrijp ik waarom je steeds je schaatsen bij je hebt en waarom die droog zijn.’

Ik knikte.

‘Wat ga je doen als het ijs gebroken is?’

Daar wist ik niet zo gauw een antwoord op.

‘Nou, vooruit dan maar,’ zei meneer Mendel. Hij haalde een boekje uit zijn binnenzak en begon erin te bladeren. Toen noemde hij een paar tijden dat hij de deur uit was om bij leerlingen thuis les te geven.

‘Ik heb er hier ook een paar, zoals je al gehoord hebt, maar de rest van de tijd ben ik beschikbaar. Dan kun je altijd aankloppen voor een lesje.’

Ik bedankte hem.

‘Het wordt wel moeilijk voor je, zonder studie thuis.’

Dat begreep ik.

‘Over geld praten we later nog wel eens,’ zei hij.

Dat was iets waarover ik nog helemaal niet had gedacht.

‘Ik zal alle sneeuw voor u ruimen,’ beloofde ik. ‘En as strooien.’

Hij glimlachte.

Langzamerhand kwam alles op zijn plaats. De viool op het kussentje op mijn schouder. Mijn kin in de kinhouder. Mijn schouder niet te hoog. Mijn elleboog niet te hoog. Mijn pols niet te hoog. En alles ook niet te laag. De strijkstok recht, haaks op de snaren. Niet te dicht bij de kam. Ook niet te dicht bij de toets. En op één snaar tegelijk. Er was veel om aan te denken! Maar alles kwam op zijn plaats. De viool begon bij me te horen.

Wanneer ik moe werd, gingen we aan tafel zitten met potlood en muziekpapier. Dan deed meneer Mendel me voor hoe je de tonen van de vier losse snaren als noten op de vijf lijnen van de balk kon schrijven. Hoe je een opstreek – dat je omhoogging met de stok – moest noteren en hoe een afstreek. Die twee streken voelden en klonken niet hetzelfde.

‘Vind je het niet vervelend?’ vroeg hij na een paar keer.

‘Juist fijn!’ zei ik en ik meende het.

Vader en moeder dachten er anders over, al wisten ze niet dat ze het over mij hadden.

‘Wat een eindeloos gekras op dat jammerhout vanmiddag!’ zei moeder achter de overhemden. ‘Heen en weer, heen en weer en nog een keer.’ Het strijkijzer ging neer. ‘Je moet wel in hoge nood zitten als je zulke stoethaspels aanneemt! Ik neem tenminste aan dat hij of zij het niet zelf was.’

Zij speelt geen viool, wou ik zeggen, maar ik hield me nog bijtijds in.

‘Het was geloof ik weer Heet Boven, Greet,’ zei vader, lachend om zijn woordspeling. ‘Meneer Woedlieg van Heetboven zal zich wel omdraaien in zijn graf.’

Ik voelde dat ik de strenge lessen van meneer Mendel zonder complimenten als “je hebt echte vioolhanden” of “je bent een rasmuzikantje” niet zou volhouden.

Omdat het zo goed ging, mocht ik op een keer de andere viool proberen, de viool die meneer Mendel altijd zijn sjtark noemde. Hij bleef erbij staan als een suppoost van het Rijksmuseum. Al na een paar minuten nam hij het instrument weer van me over, omdat ik mijn linkerarm onder de grote viool niet goed ontspannen kon. Toch had ik al gemerkt dat er uit de sjtark veel meer toon kwam en dat hij je hielp in plaats van je tegen te werken. Nadat hij het instrument overgenomen had, legde meneer Mendel het op tafel, draaide de lamp erboven aan en wenkte me dichterbij. Hij keek met de ogen van oom Leendert die zijn zeldzaamste postzegels te voorschijn haalde.

‘Je moet erin kijken,’ zei hij.

‘Hoe dan?’

‘Er zitten in iedere viool twee prachtige f’s zoals een guldenteken. Die harde Nederlandse gulden is een gat waar je doorheen kunt kijken. Doe dat maar eens. Je hebt tenslotte ervaring in sleutelgat kijken.’

Fecit Adamus Stark,’ las ik hardop. ‘In Neukirchen.’

‘Sjtark, in Noikirchen,’ verbeterde meneer Mendel. ‘Dat wil zeggen: Adam Stark heeft deze viool gemaakt.’

Vandaar het woord “Stark”! Ja, natuurlijk had iemand deze viool ooit gemaakt. Met zijn handen. Uit een stuk hout.

‘Het stadje Neukirchen – Markneukirchen heet het tegenwoordig – ligt precies in het midden van Duitsland, zevenhonderd kilometer hiervandaan.’

Veel verder dan ik ooit was weggeweest.

‘Vlak bij het Rijksprotectoraat Bohemen,’ voegde meneer Mendel er met een akelig lachje aan toe.

Alles vragen wat me niet duidelijk was duurde te lang en ik wou meer horen over de man die de viool gebouwd had.

‘Er worden daar nog steeds veel violen gemaakt. Ondertussen zijn er kleine en grote oorlogen gevoerd, maar de vioolbouwers daar gaan door, zolang ze hout en twee handen hebben. Violen zijn altijd nodig. De mensen die oorlogen winnen willen dat vieren en de mensen die oorlogen verliezen willen getroost worden. Allemaal hebben ze muziek nodig.’

Anno Domini 1840,’ las ik. ‘Is deze viool zo oud? Honderd jaar?’

‘O, er zijn op de wereld nog veel oudere violen. Wat staat er verder?’

‘Het lijkt wel een gedicht.’

‘Dat is het ook. Lees maar wat er staat.’

Viva fui in sylvis…’

‘Foei!’ zei meneer Mendel.

Deed ik iets verbodens?

‘Zo moet je het uitspreken,’ lachte hij.

Fui dura occisa securi,’ las ik, met voor iedere u een oe. ‘Dum vixi tacui. Mortua dulce cano…’

‘Doeltse, Robert.’

‘Wat betekent dat?’ vroeg ik, na het zo goed mogelijk herhaald te hebben.

‘Het is Latijn. Er staat: “Ik leefde in de bossen.”’

Hoe kon een viool in de bossen leven? Of woonde de vioolbouwer in een hut in het bos?

‘Het slaat natuurlijk op de boom,’ legde meneer Mendel uit. ‘Ik dacht dat je dat wel door zou hebben! Je hebt toch een boom nodig om een viool te maken? Twee bomen zelfs: een spar voor het bovenblad en een ahorn voor het onderblad. Dan zegt het vers over die boom: “Ik werd geveld met een harde bijl.” Een levende boom ruist met zijn blaren en kreunt in de storm, maar maakt verder geen geluid. Daarom staat er: “Zolang ik leefde, zweeg ik.” Ik denk wel eens aan onszelf als ik in mijn viool kijk. Wij moeten ook zwijgen over bepaalde dingen…’

‘David…’ zei mevrouw Mendel fronsend, terwijl ze opkeek van haar boek.

Ik dacht aan mijn lessen hier, waar ik ook mijn mond over moest houden.

‘Dan de laatste regel,’ zei meneer Mendel. ‘Die betekent: “Nu ik dood ben, zing ik lieflijk.”’

Ook aan de buitenkant was iets te lezen: op het onderblad, vlak bij de hals, stond in het prachtig gevlamde hout een *S*.

‘Hoe hebben ze die letter erin gemaakt?’ vroeg ik.

‘Hij heeft hem erin gebrand.’

‘Wie?’

‘De bouwer. Die heet immers Stark? Adamus Stark fecit: heeft hem gemaakt, dat heb je net zelf gelezen.’

‘Waarom heeft hij die S erin gebrand?’

‘Als herkenningsteken.’

Misschien moest ik niet zo kleinzerig zijn. Toch deed het me pijn, dat er met een gloeiend ijzer een letter in de prachtige viool gebrand was. Het instrument leek zo op een mens, met een middel, een hals en een hoofd, een hoofd met vier afstaande oren om goed te kunnen horen. Als je speelde, gaf je hem een arm en een stem.

‘Je hebt mazzel, dat je deze viool nog altijd in je bezit hebt,’ zei mevrouw Mendel, die haar boek neergelegd had en met haar ellebogen op tafel en de handen onder haar kin aan tafel ging zitten. ‘We zijn de afgelopen tien jaar het een en ander kwijtgeraakt, maar zijn Stark heeft hij nog. Ik was gelukkig niet van een instrument afhankelijk, alleen maar van deze voeten.’

Mevrouw Mendel draaide haar stoel en stak zonder achterover te leunen een tot in de tenen gestrekt been uit, ver boven het tafelblad. Ik wist niet wat ik zag! Ze was zo anders dan andere vrouwen, niet alleen veel aardiger maar ook veel leniger. Dat kwam, ze was balletdanseres geweest, vertelde ze. Vroeger, in Duitsland. Niet dat ze zo oud was, maar boven de veertig moest je echt wel ophouden met dansen. Hier had ze niet aan werk kunnen komen en ook niet aan een goede oefenruimte, waar je iedere dag naar hartelust kon lopen en springen, zonder benedenburen lastig te vallen. Springen! Ik kon me de andere vrouwen die ik kende, vriendinnen van moeder, niet springend voorstellen. Die hadden te veel kleren en vlees om hun lichaam.

‘In Berlijn danste ik de hele dag,’ zei Fanny Mendel. ‘Toen we hier kwamen, ging de regelmaat eruit. En nu ben ik een beetje te oud.’

Meneer Mendel haalde zijn schouders op.

‘Ook voor kinderen,’ zei zijn vrouw peinzend en niet speciaal tegen mij.

Tot mijn verdriet kon ik de halve viool niet meenemen. Al was het instrument bij meneer Mendel in de beste handen, ik voelde me na de les, bij het teruggeven van de viool, een vader die zijn kind te vondeling legt.

Thuis luisterde ik aandachtig naar iedere viooltoon die uit de radio ontsnapte en naar iedere toon van boven. Ik hoorde dat de paar beginners die bij meneer Mendel kwamen – meestal ging hij naar leerlingen toe – ongeveer hetzelfde moesten doen als ik. Zij speelden ook de oefening strijk-rust-strijk-rust, waarin de rust bedoeld was om je armspieren te ontspannen. Meneer Mendel speelde liedjes,waarbij de leerlingen op een losse snaar het ritme meestreken. Ook Broeder Jacob speelden ze, op alle vier de snaren. De meeste leerlingen konden niet zelf hun viool stemmen, omdat je daar veel kracht in je linkerhand en geoefende oren voor nodig had. Ik hoorde hoe meneer Mendel het voor ze deed. Wanneer dat gebeurde probeerde ik mijn gehoor te scherpen, terwijl moeder ontstemd in elkaar kromp.

Op een dag, toen we tijdens een les zaten te eten, begon vader de strijk-rust-oefening mee te doen. Hij gebruikte zijn vork als viool en zijn mes als strijkstok en liet de kartelrand over de vork raspen.

‘Pas op mijn goeie bestek, Koedijk,’ viel moeder tegen hem uit. ‘Laat dat artistieke gedoe.’

Vader slaakte een aanstellerige zucht. ‘Ik speel zomaar wat. Straks is ze nog bang dat ik mijn betrekking bij de gemeente opzeg om violist te worden. Muziek is leuk, vind je ook niet, Rob? Maar de schoorsteen kan er niet van roken. Een viool is ook geen instrument voor een Hollandse jongen. De mensen die je ermee ziet lopen hebben naar mijn bescheiden mening van die verwaande gezichten. Of ze kijken maar schlemielig. Gelukkig schaats jij liever. Schaatsen in de gezonde buitenlucht is heel wat beter dan binnen zitten krassen op een viool.’

Hij liet de kartelrand nog een keer over de vork ratelen, legde zijn strijkstok van roestvrij edelstaal neer, boog zich naar me toe en gaf me een schouderklopje.

‘Stel je voor, Rob. En dan zeker les bij die kunstenmaker van boven? Maar jullie moeten niet denken dat ik niet weet wat mooi is. Ik was namelijk van plan jullie mee uit te nemen.’

‘O, wat leuk,’ zei moeder. ‘Waarheen?’

‘Naar het Rembrandt-Theater, Greet,’ zei vader plechtig. Hij stond op, pakte de krant en vouwde hem wijd open. ‘Hier: de nieuwe film van Heinz Rühmann: Hoera, ik ben papa!’

Moeder straalde.

‘Onze eigen papa krijgt van ons wel een hoeraatje, hè Robbedoes?’

Dat kon hij krijgen.

‘Ze schrijven,’ ging vader verder, ‘Een grote film van dolle grappigheid en ontroerende tederheid. In ons bijprogramma: Mijnenvegers in actie. Nou, Rob, we kunnen ons hart ophalen.’

Om naar meneer Mendel te kunnen gaan verzon ik smoesjes over vriendjes. Vaak ging ik ook echt naar een vriendje, om het spel vol te kunnen houden en de jongens uit de straat en de klas niet links te laten liggen. Maar over de vioollessen kon ik met niemand praten. Zelfs niet met Bertus van de kruidenier, die van een theekist uit zijn vaders winkel, een lat en een touw een bas had gemaakt. Er kwam geluid uit het instrument en Bertus kon de liedjes van de radio meeplukken, maar ik vond de grove, hoekige kist niet lijken op een echt strijkinstrument met sierlijke lijnen. En het slappe touw was heel wat anders dan echte snaren, die gespannen waren als de spieren van een schaatser voor de start.

Ik schaatste een paar keer per week. En gelukkig bleef het vriezen, zelfs zo hard, dat de soldaten oefenden op de dichtgevroren inundaties. Vader wilde dat ik veel sportte. Meneer Mendel hoopte, als hij mijn schaatsen zag, dat ik niet te veel zou krassen. Tijdens zijn training werd er hard gewerkt en ik kreeg net zoveel eelt op mijn vingertoppen als op mijn tenen.

Ik stond er zelf verbaasd van hoe makkelijk het spelletje ging, al begreep ik dat ik niet slordig moest worden.

Toen ik laat op een donkere middag het blokje hardlopen en het natmaken van schaatsen en schoenen overgeslagen had, pakte moeder me met duim en wijsvinger bij mijn kin.

‘Waar ben jij geweest?’

Zonder iets te zeggen hield ik mijn schaatsen omhoog.

‘Wel vreemd dat je er helemaal niet verkild uitziet. Het is nota bene hartstikke koud buiten. En je hijgt niet.’ Haar greep verslapte. ‘Maar ik zal niet klagen, want je goeie goed is mooi schoon en je schoenen zijn niet afgetrapt. Scheelt me weer een hoop werk, Rob.’

Vooral op woensdagmiddag waren er meer leerlingen. Wanneer er vóór mij iemand was, maakte ik me nergens druk over. Maar kwam ik als eerste of als enige, dan wachtte ik bij meneer Mendel vijf minuten met spelen. En hard lachen deed ik niet.

Op een vrijdagavond na het eten vroeg ik of ik nog een uur bij een vriend mocht gaan spelen.

Moeder keek bedenkelijk. ‘Woont die vriend ver weg?’

‘Dichtbij.’

‘Laat hem maar gaan,’ zei vader.

Moeder haalde haar schouders op. ‘Voor deze keer dan. Maar op tijd thuis, denk erom.’

Zoals gewoonlijk klopte ik, om de bel niet door het trappenhuis te laten schallen. Fanny Mendel deed open en glimlachte vriendelijk, hoewel ik aan haar gezicht kon zien dat ze me niet verwacht had. Ik vroeg me nog af of ik gelegen kwam en of het niet beter was bij een vriendje van school aan te bellen, maar ik stond al binnen.

Er hing een andere sfeer in hun huis. Het leek die van een feest, maar zonder de drukte; het zou de verjaardag kunnen zijn van een ernstige, grijze grootvader. Ik rook een heerlijke etenslucht – het leek kippensoep – waarvan ik meteen trek kreeg, zelfs na onze pan hutspot.

De tafel was gedekt met een wit laken. Waar anders de twee violen lagen, stonden nu de twee zilveren kandelaars, met brandende kaarsen erin. Gegeten hadden meneer en mevrouw Mendel, zag ik aan de borden, maar ze waren nog aan het natafelen. Op schoteltjes lag allerlei lekkers: boterkoek, appels en sinaasappels, pinda’s, noten, rozijnen en chocola.

Zonder de viool wist ik niet direct wat ik moest zeggen en ook niet of ik moest blijven of gaan.

‘Eet u altijd met kaarsen op tafel?’ vroeg ik maar.

Ze lachten.

‘Alleen op vrijdag,’ zei meneer Mendel. ‘Ik ben nu eenmaal een zoon van het oude volk. Ga zitten.’

Hij schoof een stoel voor me aan.

Natuurlijk was hij de zoon van iemand, van zijn vader, maar hoe kon hij ook nog de zoon van een volk zijn? Was ik ook een zoon van een volk?

‘De vrijdagavond is traditie,’ zei Fanny Mendel.

‘Meeverhuisd uit de Beethovenstraat,’ voegde meneer Mendel eraan toe.

‘Daar wonen veel joden,’ zei zijn vrouw. ‘Ook uit Duitsland.’

Toen ze dat zei, drong het tot me door dat haar man en zij niet alleen Duitsers, maar ook joden waren en dat deze avond daar iets mee te maken had. Ik was nog nooit bij joden thuis geweest en had er onder mijn vrienden geen, doordat er hier in de buurt praktisch geen woonden.

‘Je hebt natuurlijk al gegeten en gedronken,’ veronderstelde Fanny Mendel. ‘Maar misschien heb je nog zin om te nasjen.’

Doordat ze naar de lekkere dingen op tafel wees, begreep ik wat ze bedoelde.

Fanny Mendel keek lachend hoe ik mijn hand uitstak naar de pinda’s, wat me verlegen maakte.

‘Neem gerust,’ zei ze. ‘En je wilt er zeker grenadine bij?’

Ik knikte.

Na het afruimen van de tafel vertelden meneer en mevrouw Mendel een paar verhalen over bijzondere en grappige bewoners van de Beethovenstraat, Nederlanders zowel als Duitse immigranten.

‘David, we moeten wel de tijd in de gaten houden,’ zei Fanny Mendel plotseling.

Meneer Mendel haalde zijn horloge uit zijn vestzak.

Ik had hem herhaaldelijk op het horloge zien kijken, vooral wanneer het einde van de vioolles naderde, maar nu zag ik pas wat een vreemd geval het was. Het had een mooi versierde, zilveren kast aan een zilveren ketting en twee gewone wijzers, maar de geëmailleerde wijzerplaat had geen cijfers. In plaats daarvan stonden er twaalf vreemde tekens op.

Meneer Mendel zag me kijken.

‘Mooi hè? Geërfd van mijn grootvader.’

‘Wat zijn dat voor tekens?’

‘Hebreeuwse cijfers: alef, beth…’

Hij noemde ze allemaal op.

Ik begreep nu pas hoe laat het was.

‘Dan moet ik weg: het is acht uur!’

‘Kwart voor acht,’ zei Fanny Mendel afgemeten. ‘Die man heeft zijn eigen tijd.’

‘Ik zet het altijd een kwartier voor,’ legde meneer Mendel uit. ‘Dan kom ik nooit te laat op een les of een concert. Als ik één keer te laat kom, ben ik gesjochten: dan vragen ze me geen tweede keer.’

‘Maar als u het een kwartier voor zet, houdt u uzelf toch voor de gek?’

Hij knikte.

‘Ik houd mezelf voor de gek, daar heb je gelijk in. Maar ik heb zo het gevoel dat ik nog wat tijd overhoud. Het lijkt of er eindeloos veel tikken in dit horloge zitten. Of het niet op kan. Maar dat is bedrieglijk. Iedere tik die je hoort is voorbij. De jaren verstrijken. Op een dag zegt de veer in dit horloge “pang!” En dan is het afgelopen. Of neem de kaarsen in deze kandelaars: ze branden op en…’

‘David, je gaat wel erg ver tegen een jongeman van tien,’ zei Fanny Mendel. ‘Robert, neem nog wat kesause mangelen of chocola. En als je je mond leeg hebt, moet je maar weer eens naar beneden gaan, anders worden ze ongerust of misschien wel boos.’

Toen ik thuiskwam – nadat ik nog een blokje hardgelopen had om naar buitenlucht te ruiken in plaats van naar binnenlucht, pinda’s en chocola – zag ik dat moeder uit haar humeur was.

‘Waar bleef je? Je weet toch dat er vorige maand twee jongens door het ijs gezakt zijn en verdronken, hier vlak bij?’

‘Op het IJsselmeer,’ verbeterde ik.

‘Hadden ze bij dat vriendje geen klok?’

‘Jawel, maar ik kon er niet op kijken.’

Ze gaf me geen straf. Maar het leek wel of ze wraak nam voor mijn nasjen hierboven. Voor ik moest gaan slapen nam ze een extra grote lepel en schonk hem zo vol, dat de levertraan er bol in stond. In één keer moest de smeerboel naar binnen.

‘Zienderogen flinker!’ zei ze, als in de reclame.

Ik kokhalsde en keek lang niet zo blij als het jongetje in de krant.

Op 21 februari brak de zon door. De dooi zette in. Schaatsen werd te gevaarlijk en op sommige kanalen en grachten zelfs onmogelijk, doordat de Stadsreiniging het ijs begon te breken. Ik mocht niet buiten spelen: eerst was er ijzel en later kwamen de straten vol water en modderpoelen te staan. Moeder kreeg nachtmerries waarin haar zoon doorboord werd met ijspegels die als dolken va de daken vielen. En inderdaad waren er wel scherpe stukken ijs naar beneden gekomen. Ik mocht niet eens gaan kijken, als de brandweer in actie kwam bij een ondergelopen kelder of een tram met kortsluiting. Het betekende dat ik dagenlang geen vioolles kon krijgen. Als moeder niet keek, wreef ik met de vingertoppen van mijn linkerhand over harde en ruwe dingen, om te zorgen dat het eeltlaagje niet te dun werd. Verder luisterde ik naar de geluiden van boven.

Ik kon niet zeggen dat moeder geen opmerkingsgave had, want na de tweede vrije middag waarop mijn les niet door kon gaan, zei ze aan tafel:

‘Er wordt vandaag gelukkig minder gefiedeld. Zouden de verdiensten soms teruglopen? Het is hier ook geen buurt voor violisten.’

‘Meneer Mendel komt uit de Beethovenstraat,’ zei ik. Misschien begrepen ze dan dat hij geen armoedzaaier was. Maar meteen wist ik: die overhaaste opmerking was niet slim.

‘Zo, uit de Brede Jodenstraat…’ zei vader.

‘Hoe weet jij dat, Rob?’ vroeg moeder.

‘Ik kwam hem op straat tegen.’

‘En toen zei hij: “Luister jij eens even, jongen van Koedijk: weet jij wel dat ik uit de Beethovenstraat kom?”’

‘Zeur niet, Greet,’ zei vader. ‘Het valt me mee. Maar dan is het voor hem een achteruitgang dat hij nu hier woont. Net zoals het voor ons een vooruitgang is. Naar mijn bescheiden mening tenminste.’

Ik haalde opgelucht adem.

‘Niet dat ik deze straat als ons eindstation zie,’ vervolgde vader. ‘Als ik weer opslag krijg, als… Dan kunnen we ons weer verbeteren. Dan kunnen we – ik noem maar een buitenplaats – naar de koperen-knopenbuurt. Nog later komen we misschien ooit in een mooie straat in Zuid terecht. En als die Mendel zo doorgaat, moet hij naar de Uilenburgerstraat en daarna eindigt hij in een barak. De een stijgt op de ladder, de ander daalt. Zo is het leven.’

Het bloed schoot naar mijn hoofd. Ik pakte mijn zakdoek om mijn woede te smoren in een snuitpartij.

Toen ik weer buiten mocht spelen, moest ik iets nieuws bedenken. Dat was niet zo moeilijk: in plaats van schaatser werd ik voetballer. Ik pompte mijn versleten voetbal op, die ik in november het laatst had getrapt, en nam hem mee naar vioolles.

Fanny Mendel speelde een sjieke mevrouw uit de Beethovenstraat, die haar neus ophaalde en vroeg of die oude bal niet modderig was. Meneer Mendel legde de bal op tafel, zette hem een hoed op en noemde hem onze nieuwe bondgenoot. Wij veranderden net zo makkelijk van bondgenoot als de vurer aller germanen, zei hij: een vreemde opmerking.

Wel begreep ik dat het heel bijzonder was dat hij mij nog steeds voor niets vioolles wilde geven. Rijk waren ze vast niet meer, anders waren ze niet van de Beethovenstraat naar hier verhuisd. Ik kon meneer Mendel wel om zijn hals vallen, want ik had via via hoord dat een privéles een gulden vijftig of twee gulden, ja soms wel een rijksdaalder kostte. Op de Volksmuziekschool was het minder duur, zeiden een paar jongens van school. Die waren het trouwens niet waard: ze klaagden dat ze iedere dag moesten studeren; aan de piano zaten ze op de klok te kijken of het half uur studeren nog niet om was, dan konden ze eindelijk voetballen. De omgekeerde wereld!

‘Waarom gaat die jongen niet op het harmoniecorps?’ had oom Leendert voorgesteld. ‘We repeteren op de Dokmaatschappij aan de Meeuwenlaan, elke vrijdagavond in de kantine. We hebben een derde trompet nodig. Als jullie Rob wil, kan hij meteen beginnen. Ik zit in het bestuur en ik heb een paar handige medebestuurders, die les kunnen geven.’

Voor ik een antwoord kon bedenken, had moeder het gedaan.

‘Over dat donkere water iedere keer, met die pont, helemaal naar Noord, getverderrie…’ zei ze, alsof het ging om een expeditie naar de Noordpool. ‘Kan het nog verder weg?’

Ik vond het ook te ver.

Vader was nooit zo’n grote vriend van moeders broer.

Vanaf het begin had ik gedacht dat ik nog jong was voor vioolles: een gewone viool was te groot en ik had een halve nodig. Maar meneer Mendel zei dat ik met tien jaar juist laat was.

‘Wanneer word je elf?’

‘In april.’

‘Het is het beste om er op de kleuterleeftijd mee te beginnen.’

Ik schrok. Dan al? Kon het dan nog goedkomen?

Meneer Mendel zag mijn teleurstelling en hij lachte.

‘Zo’n wonderkind als Theo Olof ben je niet.’

Dat moest hij er nodig nog bij zeggen!

‘Maar je hebt wel degelijk talent. Pak de viool en speel die laatste oefening nog eens. Moet je zien, Fanny, hoe hij die strijkstok vasthoudt! Ik hoef maar één keer iets te zeggen en hij begrijpt het.’

Ik hoorde dat hij het meende en het niet uit medelijden zei, en ik begon te gloeien van trots.

‘Leert u me dan het vibrato?’ vroeg ik, want met het beven van je linkerhand kon je de toon mooier maken. Als ik dacht dat meneer Mendel even niet oplette, probeerde ik het soms, maar hij hoorde alles en het mocht niet van hem. Kon ik maar thuis studeren, zonder dat er steeds iemand op mijn vingers keek!

‘Wanneer je drie posities zuiver kunt spelen, zal ik je het vibrato leren,’ beloofde meneer Mendel. ‘Ik wou dat ik meer van die ongeduldige leerlingen had.’

Hij zuchtte, nam zijn bril af en veegde met zijn handen over zijn voorhoofd en ogen.

‘Goede leerlingen heb ik veel te weinig. En de gevorderden met serieuze plannen, ik kan je precies vertellen bij wie die les willen hebben: Louis Zimmerman, Ferdinand Helmann, Oscar Back.’

Hij noemde na wat nadenken nog twee beroemde vioolleraren en toen waren de vingers van zijn linkerhand op.

Toch kon ik niet zeggen dat meneer Mendel de moed liet zakken. Hij mocht dan bang zijn dat de veer in zijn horloge sprong, ondertussen genoot hij van muziek. Hij sleepte me mee in zijn enthousiasme, niet alleen wanneer hij mijn eigen lessen voorspeelde, maar ook wanneer hij met allerlei moeilijke stukken aan kwam zetten. Ik moest mijn oren altijd openhouden en zoveel mogelijk goede muziek beluisteren, zei hij. Alleen al voor de viool was er veel moois dat nauwelijks iemand kende…

Hij zou bijvoorbeeld graag de eerste uitvoering in Nederland geven van het Vioolconcert van zijn overleden vriend Karl Hirschberg, een ongewoon stuk, alleen al omdat er maar een orkest van twaalf man voor nodig was. Het concert was voor een andere vriend van hen beiden geschreven, maar die was in de Wereldoorlog gesneuveld. Eigenlijk was het stuk ook voor deze viool, deze Stark gecomponeerd. Meneer Mendel had van de gesneuvelde violist de viool geërfd en daarmee ook het vioolconcert, het Afscheidsconcert, zoals het heette. Kort na de Wereldoorlog had hij er in Berlijn de eerste uitvoering van mogen geven.

Nu vergat meneer Mendel dat hij met een vioolles bezig was. Hij stemde zijn viool nog zorgvuldiger dan anders en begon uit zijn hoofd dat stuk te spelen. Het was vreemde, hoekige muziek, nu eens heel laag, dan weer duizelingwekkend hoog. Zelden had ik meneer Mendel zo ingespannen zien spelen: het was of hij het concert verdedigen moest.

Toen hij klaar was, stond ik op en begon te klappen. Fanny Mendel kwam naast me staan en klapte mee. Ons vierhandige applaus in de bijna lege kamer was klein, maar vurig.

Meneer Mendel begon te buigen. Wij bleven klappen. Hij pakte de strijkstok over in zijn linkerhand, waarmee hij de viool vasthield en nam met zijn rechterhand de zakdoek uit zijn zak. Met een groots gebaar wiste hij de zweetdruppels van zijn voorhoofd. Ons applaus wilde maar niet ophouden. Meneer Mendel hield zijn wijsvinger voor zijn brillenglas en boog en strekte die, als een kleine ruitenwisser over een beslagen autoruit. Fanny Mendel en ik lieten de regenbui van het applaus nog harder klateren. De solist boog zo diep als hij kon en keek alsof wij hem iets heel moois cadeau hadden gedaan.

‘Je hebt er een vereerder bij gekregen, David,’ zei Fanny Mendel, toen we ophielden, omdat onze handpalmen begonnen te gloeien. Ze pakte een paar gedroogde bloemen uit een vaasje en gooide die voor zijn voeten.

Meneer Mendel gaf haar een kushand terug en deed of hij heel verliefd op haar was. En misschien was hij dat ook.

‘Nu moeten we ophouden,’ zei ze. ‘We maken hem stapelmesjogge. Die man heeft een fantasie, hij denkt geloof ik dat het Concertgebouworkest achter hem staat.’

‘Helemaal niet…’ zei meneer Mendel. ‘Nee hoor. Ik dacht aan de Berliner Philharmoniker.’

Hij deed zijn viool in de kist, sloot het deksel en legde de bloemen erop. En hij begon te vertellen over het concert van het Concertgebouworkest waar hij de 14e naar toe was geweest. Alleen, ja: die kaarten waren duur genoeg. Ferdinand Helmann had het nieuwe Vioolconcert van Paul Hindemith gespeeld: een wereldpremière. Onder Willem Mengelberg natuurlijk. Vorig jaar november was hij ook geweest: ook weer Mengelberg, toen met de Nederlandse première van het Vioolconcert van Ernest Bloch. Wat een geweldige violist was die Joseph Szigeti! Meneer Mendel liet me het programma zien, dat hij bewaard had. Ik vond het mooi, vooral ook de artiestenfoto.

‘Zo zuiver als die man speelt!’ zei meneer Mendel. ‘Wil je het programma hebben? Doe ik je daar een plezier mee? Ik kan toch niet alles bewaren. Jammer genoeg kan ik je niet meenemen naar een concert. Misschien wel naar een volksconcert: dat kost maar vierenzestig cent. Maar we krijgen natuurlijk geen toestemming van beneden. Zoonlief die meegaat met een vreemde man… Maar beter een programma dan niets, vind je niet, Robert?’

Ik knikte.

‘Joseph Szigeti is leerling geweest van Jenö Hubay,’ zei hij, ‘en die was in Berlijn leerling van Joseph Joachim.’

Het waren natuurlijk belangrijke namen, maar hoe moest ik ze onthouden?

‘En die heeft weer met Schumann samengewerkt, met Robert en later met Clara.’

Van die mensen had ik de namen tenminste al een keer eerder gehoord.

Ik kon maar niet begrijpen waarom ze zo’n violist als meneer Mendel niet overal vroegen. In plaats daarvan moest hij verschrikkelijk veel moeite doen om aan schnabbels te komen.

Hij had me uitgelegd wat dat rare woord betekende. Wanneer iedereen met griep in bed lag, moest jij zorgen dat je een blakende gezondheid had. Bij een schnabbel speelde je één concert of een paar concerten mee, in plaats van er vast bij te horen. Dat was altijd moeilijk: je was niet aan het orkest gewend en rondom je zaten ze op fouten te wachten; maakte je er te veel, dan werd je geen tweede keer gevraagd. Het was dus veel beter om vast in een orkest te zitten, zei meneer Mendel, maar met schnabbels was hij ook al geholpen. Hij vertelde waar hij allemaal al aangeklopt had om werk. Ik wist niet dat er zoveel theaters, concertzalen, restaurants, cafés, bars, kunstkringen, orkesten en dirigenten waren. Een enkele keer hadden ze hem toevallig net nodig, maar meestal hoefde hij zijn viool niet eens uit te pakken. Steeds vaker zeiden ze dat het hun geweldig speet, maar dat Nederlanders voorgingen. En soms konden ze geen joden aannemen. Zijzelf hadden die regeling niet bedacht, maar zo was het nu eenmaal. Daar moest hij begrip voor hebben.

‘Ik zou wel auditie bij het Concertgebouworkest willen doen,’ zei meneer Mendel. ‘Maar als ik aan Mengelberg denk, krijg ik de zenuwen. Eduard van Beinum zou beter zijn. Bruno Walter is vorig jaar weggegaan, jammer genoeg.’

‘Een van de violisten,’ vervolgde hij in het Nederlands tegen Fanny, ‘heeft me in de stemkamer verteld hoe moeilijk het drie jaar geleden geweest is om professor doctor Willem Mengelberg af te houden van een tournee door Duitsland. Een gotspe! Er waren er genoeg die het niet wilden, optreden in een land waar componisten verboden zijn: Mendelssohn, Meyerbeer, Offenbach, Rubinstein, Mahler, Korngold, Schönberg, Weill…’

Ik was overdonderd door al die namen. Wat waren er veel componisten die ik nog nooit gehoord had! Waarom waren die allemaal verboden?

‘Niet zozeer om hun muziek,’ legde meneer Mendel me uit, ‘maar omdat ze joden zijn. De nazi’s hebben zelfs een standbeeld van de grote componist Mendelssohn omvergehaald. En wat zei Mengelberg? Dat dat een vervelende toevalligheid was. Gelukkig hoeft Mendelssohn het zelf allemaal niet mee te maken. Die zit op een van de hoogste wolken in de componistenhemel en ziet het allemaal aan, wat daar beneden gebeurt.’

Meneer Mendel pakte zijn viool op.

‘Deze muziek mag in Duitsland niet meer gespeeld worden, Robert,’ zei hij na het stemmen.

Hij speelde.

Toen hij ophield, was ik sprakeloos. Mooier en lieflijker kon muziek niet zijn. Dat iemand zoiets had kunnen bedenken!

‘Dat was uit het eerste deel van Mendelssohns Vioolconcert. Wat denk je: is dat muziek van een slecht mens?’

Het idee!

Meneer Mendel verplaatste zijn aandacht naar de e-snaar, die hij met de fijnstemmer nog wat bijstemde.

‘En wat vind je hiervan?’

Ik hoorde muziek die ik haast niet kon geloven; een langzame melodie, die na iedere regel een stapje hoger ging en een stapje dichter naar de hemel steeg. Ik kreeg er kippevel van en een prikkerig gevoel in mijn nek. Deze muziek was heel anders, maar net zo mooi als het Vioolconcert van Mendelssohn. Kiezen tussen die twee kon ik niet. Ook niet tussen huilen en lachen. Eerder voelde ik een soort heimwee, maar waar ik dan naar verlangde, zou ik niet kunnen zeggen. De componist die deze muziek bedacht had, zat zeker naast Mendelssohn op de hoge wolk.

Ik hoorde dat het stuk nog niet afgelopen was, toen meneer Mendel ophield.

‘Het is te lang om het helemaal te spelen en daarbij gaat dit langzame deel zonder onderbreking over in een lang slotdeel,’ legde hij uit. ‘Dit is het Adagio uit het Vioolconcert van Robert Schumann, een vriend van Felix Mendelssohn. Je hebt dus dezelfde voornaam als hij, maar dat zal wel toeval zijn… Deze muziek hebben ze in Duitsland niet verboden. Begrijp jij er wat van?’

Ik schudde mijn hoofd. Volgens mij liepen daar mensen rond die niets van muziek begrepen.

‘Ik zou zo ontzettend graag de Nederlandse première geven van dit concert van Schumann. Drie jaar geleden is het boven water gekomen en in Düsseldorf heeft Georg Kulenkampff het voor het eerst gespeeld, met de Berliner Philharmoniker. Het had bijna honderd jaar in de kast gelegen, zonder dat iemand er ooit iets mee gedaan had. Kulenkampff is een goede violist; in januari is hij hier in het Concertgebouw geweest om met Van Beinum, Spohr en Stephan te spelen.’

‘Ik begrijp niet hoe iemand zulke muziek kan bedenken,’ zei ik.

Fanny Mendel lachte.

‘Ik heb gehoord,’ zei meneer Mendel, ‘dat Schumann midden in de nacht opstond om dit te noteren. Hij dacht dat de engelen hem deze melodie voorzongen.’

Ik moest denken aan een gezegde van vader: “alsof er een engeltje over je tong piest”. Dat moesten andere engelen zijn.

‘Echt waar?’

Meneer Mendel haalde zijn schouders op.

‘Het schijnt dat Schumann in die tijd allerlei dingen hoorde die gewone mensen niet hoorden. Soms veranderden de engelenstemmen in stemmen van duivels, dan werd hij gek van angst. Na dit Vioolconcert is hij in de Rijn gesprongen.’

‘In de rivier?’

‘Ja.’

‘In het water? Zo diep als het IJ?’

‘Ja.’

‘Met opzet?’

‘Neem ik aan.’

‘En toen?’

‘Hij is door een Nederlandse visser uit het water gehaald. Nou was het carnaval en de mensen op straat hebben vreselijk om Schumann gelachen, toen hij druipnat de hele weg naar huis moest. Hij wilde opgenomen worden in een inrichting, omdat hij niet op een gewone manier verder kon leven. Hij had een krankzinnig hoge bloeddruk en misschien kwam het daardoor dat hij zulke aanvallen kreeg. Maar gek was hij volgens mij niet: als je zijn muziek hoort en zijn stukken leest over de strijd van de Davidsbündler tegen de Filisters…’

Wie waren dat nu weer, wou ik vragen, maar meneer Mendel was al verder.

‘Jullie hebben geen Schumannen en Mendelszonen, maar toch een heleboel goede componisten.’

‘Wie dan bijvoorbeeld?’

Ik kende ze niet.

‘Johannes Verhoelst.’

‘O, bedoelt u soms Johannes Verhulst? Van de Johannes Verhulststraat?’

‘Ja, die. Dat was een goede componist en een vriend van Felix Mendelssohn en Robert Schumann. Loop maar eens door die buurt, dan kom je een massa knappe componisten tegen: Schuyt, rechtsaf: Van Bree, linksaf: Ban, weer links: Jacob Obrecht, een stukje terug: Hacquart… Maar het is een eigenaardig land hier: jullie geven die kunstenaars een gouden naamplaat in het Concertgebouw en een straatnaambord in Zuid, maar spelen doen jullie ze niet. Ik moest uit Duitsland weg, maar ik sta klaar om overal de muziek uit mijn land te spelen: Mendelssohn, Schumann, de sonates van Brahms, en alle entartete componisten, noem ze maar op.’

Het begon te tollen in mijn hoofd. Nog nooit had ik zoveel componisten achter elkaar gehoord. Ik wou ze wel onthouden, maar mijn hoofd was te klein.

Fanny Mendel vond ook dat het allemaal wat veel geworden was. Wist David wel wie er op de repetities altijd van die ellenlange verhalen vertelde? Juist: Willem Mengelberg.

Wanneer meneer Mendel me binnenliet, deed hij soms of ik een mannetje was dat aan de deur kwam om een voetbal te verkopen. Juist op het moment dat hij, meneer Mendel, geen bal nodig had. Een andere keer was ik Bep Bakhuys of een andere beroemde voetballer. Ik speelde weer een spelletje tegenover moeder: na iedere vioolles rende ik met de bal aan de voet een blokje om, dan zag het eruit of ik uren gevoetbald had.

Eén keer ging het bijna mis. Na mijn les had ik geluisterd naar de les van de volgende leerling. Toen ik – heel onvoorzichtig – tegelijk met hem de trap afliep, ging onze deur open en moeder kwam naar buiten.

‘Rob, wat deed jij daarboven?’

‘Ik heb hem gewezen waar meneer Mendel woont,’ bedacht ik snel.

‘Waarom gaat hij dan niet naar binnen? Trouwens, hij kan toch lezen? Er is toch een naamplaatje op de deur? “David Mendel, violist”. Overbekend artiest. Kom meteen binnen.’

De jongen bleef eerst staan en was daarna zo slim om de paar treden naar boven te lopen, terug naar Mendels voordeur.

‘Kom je nou nog binnen, of hoe zit dat?’ drong moeder aan.

‘Welkom bij de kruidenier,’ zei meneer Mendel op een dag, toen hij voor me opendeed. Hij sloot de deur, maakte een danspasje en zong: ‘Zand, zeep en soda…’ op de melodie van Rats, kuch en bonen.

Was dat een nieuw spel? Het moest wel, want als hij ergens niet op leek, dan op een kruidenier.

‘Het zit zo,’ legde hij uit. ‘Toen ik hier kwam, had ik geen werkvergunning nodig. Dat gold alleen voor bepaalde beroepen. Maar vijf jaar geleden hebben ze voor alle buitenlanders zo’n vergunning verplicht gesteld. Ieder half jaar moet ik die opnieuw aanvragen. Voor de vreemdelingenpolitie moet ik dan kunnen aantonen dat ik een inkomen heb. Vijf jaar geleden liep het helemaal niet met vioolspelen. Om nu te kunnen zeggen dat ik hier een bezigheid had, nam ik een kruidenierszaak, compleet met klanten, over van een andere immigrant, die doorreisde naar Amerika. Tweehonderd gulden kostte die zaak: veel geld. Zo werd ik kruidenier. Als ik naar mijn klanten ging, vooral in Zuid, kwam ik allerlei andere immigranten tegen: een advocaat die worst verkocht, een filoloog die met brood liep te venten. Later kreeg ik meer leerlingen en schnabbels. En toen kon ik mijn kruidenierswinkel aan de volgende schlemiel overdoen.’

Ik vond het een vreemd verhaal en ik kon het me allemaal niet goed voorstellen. Daarom vroeg ik hem aan het eind van de volgende les, toen er na mij niemand kwam:

‘Waarom bent u hier eigenlijk gekomen?’

Ik zei het zo aardig als ik kon.

Hij ging zitten en Fanny kwam erbij aan tafel.

‘Zeven jaar geleden ben ik ontslagen. Van de ene op de andere dag. “U hoeft morgen niet terug te komen,” zeiden ze. Geen discussie mogelijk. Ik stond op straat. En het was niet omdat ik mijn werk niet goed had gedaan.’

‘U had toch nieuw werk kunnen zoeken?’

‘Nee,’ zei Fanny Mendel. ‘Niet alleen het werk, maar het hele leven werd ons onmogelijk gemaakt. We moesten wel weg uit Duitsland.’

‘We hebben gelijk gekregen,’ zei meneer Mendel. ‘Het bewijs is de Kristallnacht.’

Weer iets nieuws! Het klonk mooi en doorzichtig. Maar meneer Mendel hielp me uit de droom.

‘Kristallnacht is eigenlijk een verkeerde naam. “Pogromnacht” zou beter zijn.’

Wat was een pogrom? Het klonk dreigend. Was dat kristal soms gebroken?

‘9 November 1938, anderhalf jaar geleden, was de afschuweste nacht uit ons leven,’ zei Fanny Mendel, ‘ook al waren we jaren weg uit Berlijn. Op de radio hoorden we wat er gebeurde, en oude vrienden hebben ons geschreven wat de nazi’s in onze buurt aangericht hebben.’

Dat moesten de mensen zijn over wie vader wel eens iets aan moeder voorlas uit de krant.

‘De nazi’s zijn naar de synagoge in onze buurt gegaan. Eerst hebben ze daar de ramen ingegooid. Toen zijn ze binnengedrongen en hebben met de hele meute de banken een voor een kapotgeslagen. Ze hebben de thorarollen te voorschijn gehaald, de gebedenboeken verscheurd en alles op een grote hoop in het midden van de synagoge gegooid. Een is achter het orgel gaan zitten om het Horst-Wessel-Lied te spelen, het lied van Hitler en de nazi’s. Toen er niets meer over was om kapot te maken, hebben ze de hoop met petroleum overgoten en in brand gestoken. Ondertussen speelde het orgel, tot dat ook in brand vloog.’

‘Zo ging het niet alleen met de synagoge in onze wijk,’ vervolgde meneer Mendel. ‘Honderden zijn er verbrand. Van duizenden winkels zijn de ruiten ingeslagen; ze zijn leeggeplunderd en verwoest. Tienduizenden joodse mannen zijn opgepakt. Joden mochten niet meer naar concertzalen, naar theaters, bioscopen, musea, parken, zwembaden. De scholen en universiteiten werden gesloten voor onze kinderen.’

‘Maar u hebt toch geen kinderen?’

‘Eigenlijk werden alle joodse kinderen onze kinderen,’ zei Fanny Mendel.

Haar man ging verder met het verhaal.

‘Een nazi schreeuwde tegen mij: “Jood, ga van de stoep af! Je maakt de Duitse straat vuil!” We moesten in aparte wijken wonen. En alle joden moesten een gele ster met de j van jood op hun jas dragen. De nazi’s riepen dat wij een minderwaardig soort mens waren.’

Meneer Mendel nam zijn bril af, veegde met zijn zakdoek de glazen schoon en nam meteen zijn ooghoeken mee. Daarna legde hij langzaam de veren om zijn oren.

Vader en moeder hadden het onder elkaar wel eens over deze dingen, maar mij vertelden ze nooit iets. Waarom niet? Misschien dachten ze dat ik daar te klein voor was. Duitsland leek me een groot, onheilspellend land, of eerder een zee, dieper, kouder, zwarter dan het IJsselmeer in de winter. En zonder reddingboten.

‘Ik vraag me wel eens af wat de grootste ramp in ons leven was,’ zei meneer Mendel tegen zijn vrouw, ‘30 januari ‘33 of 1 augustus ‘14.’

‘’33,’ antwoordde Fanny Mendel. En ze vervolgde tegen mij: ‘Toen die dingen gebeurden, leek het ons het beste een paar maanden weg te gaan, naar een veiliger land. We dachten aan Nederland, vooral aan Amsterdam: we wisten dat we daar in vrede konden leven. En we hoopten dat we er iets in de muziek en de dans konden doen. Nederland was niet zo ver. En de taal leek ons vrij makkelijk te leren. Daar hebben we ons in vergist. De paar maanden zijn ondertussen zeven jaar geworden. Daar hebben we ons ook in vergist.’

‘Maar in Nederland hebben we ons niet vergist,’ zei meneer Mendel. ‘We worden hier met rust gelaten. Hier is geen oorlog geweest, geen revolutie, geen inflatie. Heinrich Heine zei honderd jaar geleden al: wanneer de wereld vergaat, ga ik naar Nederland, want daar gebeurt alles vijftig jaar later. Maar zonder gekheid: in de Wereldoorlog is Nederland neutraal gebleven. Sinds Napoleon is hier geen oorlog meer geweest.’

Ik kon het niet meer volgen, hoewel het nog steeds Nederlandse woorden waren die ze spraken. Het leek of ze niet meer met mij zaten te praten. Als de één een zin gezegd had, nam de ander het over; om beurten legden meneer en mevrouw Mendel elkaar uit waarom ze hier gekomen waren. Ik zat met mijn ellebogen op tafel en keek van links naar rechts en van rechts naar links.

‘Ik had vanaf het begin wel het gevoel dat we hier welkom waren,’ zei Fanny Mendel. ‘Maar toch niet dat de mensen naar ons luisterden, laat staan dat ze geloofden wat wij over de nazi’s te vertellen hadden.’

‘Bij Rudolf Nelson in La Gaîté pakken ze het slimmer aan,’ zei meneer Mendel. ‘Daar zeggen ze het niet, maar ze zingen het. Als ze dat liedje brengen van Harold Horsten over het dichterbij komen van laarzen, dan voelt het Nederlandse publiek wat er aan de hand is. En dat liedje met die opgestroopte mouwen…’

Fanny Mendel knikte.

‘Liever borden wassen in Amerika, dan bang zijn in Duitsland.’

Meneer Mendel schudde zijn hoofd en trok zijn schouders op.

‘Ik wil niet naar Amerika. Niet nog een keer emigreren. Amerika is te groot… Fanny, we vergeten de jongen. Een vrolijker onderwerp.’

‘Wanneer ben je ook weer jarig?’ vroeg hij me.

‘Na pasen,’ antwoordde ik, ‘1 april.’

‘Geen geintje?’

‘Nee, echt waar.’

Het grote cadeau op mijn verjaardag was een mooie, leren voetbal. Vader en moeder hadden hem uitgezocht omdat ik zo graag en zo vaak speelde. Ik bedankte ze voor de fijne bal en voor het partijtje, waarvoor ze zich uitgesloofd hadden.

Toen ze allemaal vertrokken waren, de voetbalvriendjes, de buurvrouw van beneden, oom Leendert en tante Annie, de andere tantes en ooms, opa en oma, moest ik naar mijn kamer.

Nauwelijks lag ik in bed, of ik hoorde boven het stemmen van de Stark. Meneer Mendel ging spelen! Dat deed hij ‘s avonds zelden of nooit. Ik ging er speciaal voor liggen en zag voor me wat vader en moeder nog nooit gezien hadden: hoe meneer Mendel eruitzag met een viool onder zijn kin.

Na het stemmen begon mijn hart nog heftiger te kloppen: hij begon aan het Vioolconcert van Mendelssohn! Ik ging op mijn rug liggen om allebei mijn oren vrij te hebben en iedere toon goed tot me door te laten dringen. Heel even moest ik denken aan moeders geheven wijsvinger op Nieuwjaarsdag: “Luister! Ik hoor mensen!”

Net was het Vioolconcert goed op gang gekomen, of ze kwam binnen om te vragen of ik al sliep.

‘Nee.’

‘Ik ben de levertraan vergeten.’

‘Ik ben jarig.’

‘Nou, goed. Kun je niet in slaap komen?’

‘Mm.’

‘Je moet schaapjes tellen, Robbedoes,’ zei ze, me tegen de haren in strijkend.

‘Kan ik niet.’

‘Die vervelende Mendel ook. Hij fiedelt anders nooit zo laat. Je kunt er vast niet van slapen.’

‘Nee.’

‘Ik wou dat hij eens ophield en aan het kind hier dacht. Zal ik met de bezem tegen het plafond tikken?’ Ze lachte. ‘Nee, dat is zonde van het stucwerk. Zal ik aanbellen en zeggen dat hij op moet houden met die stomme viool?’

‘Nee,’ zei ik. ‘Laat maar.’

Aanbellen durfde ze toch niet, dat wist ik zeker. Met een natte zoen wenste ze me welterusten. Ondertussen waren er heel wat tonen verloren gegaan.

Het leek wel of meneer Mendel dat wist, want toen ze weg was, speelde hij het hele eerste deel nog een keer. Ik stelde me voor hoe lang het duurde voor er een ander stuk op de lessenaar stond. Het kwam precies uit. Hij begon de langzame melodie te spelen uit het Vioolconcert van Schumann, de componist die naast Mendelssohn op de wolk in de componistenhemel zat. Ik wist nu zeker dat meneer Mendel het voor mij deed en dat het mijn verjaarscadeautje was. Lang zal hij leven kon hij niet spelen. Een cadeautje verpakt in papier met een strik erom kon hij niet geven. Maar een veel groter cadeau waren al die vioollessen. En dit Vioolconcert van Schumann. Het ging over dingen waarover je niet praten kon en waarover je zelfs geen lied kon zingen. Alleen een viool, die geen woorden nodig had, kon daarover zingen, zo, dat je een gevoel van vrede kreeg. Ik herinnerde me hoe David Mendel verteld had over een andere David, een herder, die zijn muziek gebruikte om boze, oorlogszuchtige geesten te verdrijven. Hij deed het niet met een viool, want die bestond duizenden jaren geleden nog niet, maar wel met een snaarinstrument, met een harp. Als zijn koning door boze geesten bezeten was, speelde David zijn harp. Dan sloegen de geesten op de vlucht, zodat Koning Saul opgelucht kon ademhalen.

De zaterdag na mijn verjaardag hoorden we door de radio een rauwe, bezeten stem. Na de verhalen van boven luisterde ik beter en ik deed mijn best om iets van het Duits te verstaan. Ik begreep niet alles, maar wel dat ze geprobeerd hadden Hitler te vermoorden. De aanslag was mislukt. Na de woedeuitbarsting kwam er een groot orkest, dat bolle, opgeblazen muziek speelde.

‘Het is een heel andere mentaliteit, van die Duitsers,’ zei vader. ‘Gelukkig is Berlijn ver weg. Gelukkig gebeuren zulke dingen bij ons niet.’

‘Zet uit,’ zei moeder. ‘Getverderrie, ik krijg de zenuwen van die griezel.’

Het leek wel of Hitler wraak wilde nemen. De 9e zei de radio, dat de Duitse legers Denemarken en Noorwegen binnengevallen waren. Dat was bedoeld als straf, omdat de Noren mijnen hadden gelegd in de wateren rondom hun land.

‘Ja, het zijn ernstige tijden,’ zei David Mendel. ‘Ernstige tijden, in de politiek en in de portemonnee. Ik hoop één ding: dat ik mijn Stark niet hoef te verkopen.’

Dat hoopte ik ook! Ik had geen viool, maar als ik er een had, zeker zo een, zou ik alles doen om hem te houden. Het was dus wel iets bijzonders, dat ik ook deze woensdagmiddagles weer voor niets kreeg.

‘Ik kan hem van de hand doen en een goedkoper instrument zoeken. Toch is dat het allerlaatste wat ik doe.’

Het was goed dat zijn vrouw niet in de kamer was, want van haar mocht hij niet over geld praten.

Opeens kwam er een grijns op David Mendels gezicht.

‘Luister, Robert. Ik zal je eens een leuk kunstje verkopen. Dan wil ik van jou horen wat je ervan vindt. Ik ben even Stehgeiger.’

Hij speelde heel knap een razendsnelle toonladder, maar dat was blijkbaar nog niet wat hij bedoelde. Hij stemde bij en begon vervolgens aan een stuk dat ik niet lelijk, maar wel wat huilerig vond. Opeens ging het verder in vliegende vaart: de noten kwamen in zo’n tempo voorbij, het was of ik me vast moest houden aan mijn stoel! Ik herinnerde me nu, dat ik beneden al eens flarden van het stuk gehoord had. Om het horen ging het niet alleen; je moest zien hoe de linkerhand als een acrobaat over de snaren heen en weer rende, zonder te struikelen, en hoe de stok op die snaren danste.

‘En? Hoe vind je de Csardas van Monti?’ vroeg David Mendel met een scheef lachje.

‘Heel knap.’

Fanny Mendel, die juist binnenkwam, knikte.

‘Heel knap,’ zei David Mendel. ‘Ja, ik heb er driftig op gestudeerd. Meer niet?’

Ik wist dat ik wel wat tegen hem kon zeggen.

‘In het begin huilt het, maar het huilt aanstellerig. Ik vind het niet zo mooi als Schumann en Mendelssohn.’

‘Het is een mierzoete bonbon,’ vond David Mendel. ‘Goede bonbons zijn duur en met deze kun je dan ook veel geld verdienen.’

‘Dus u speelt ook wel muziek die u niet zo mooi vindt?’ vroeg ik.

‘Je bent een kleine realist. Ja, ik speel dikwijls in een bioscoop, een café of een restaurant. Dan kom ik thuis met heel wat meer dan je in een symfonieorkest krijgt.’

‘David, hij is tien,’ zei Fanny Mendel vanuit de hoek van de kamer waar ze met een boek was gaan zitten.

‘Elf.’

‘Nou goed, elf, maar wat moet Robert met die verhalen over geld?’

‘Waar speelt u dan?’ vroeg ik.

‘Hier in Amsterdam bijvoorbeeld bij Heck op het Rembrandtplein.’

‘O, bij het Rembrandttheater. Daar zijn we naar de film geweest.’

‘Bij Heck hebben ze iedere maand een ander beroemd orkest,’ zei David Mendel, terwijl hij zijn viool weglegde en ging zitten. ‘Marek Weber, die vroeger in Hotel Eden in Berlijn speelde, Dajos Béla, Casanova, Nat Gonella, Paul Godwin – wat komen er eigenlijk veel uit Berlijn – Marcello Lanfredi, noem ze maar op. Een engagement bij Heck op het Rembrandtplein, dat is voor veel muzikanten in het vrije vak het hoogste.’

Voor hem niet; dat was wel duidelijk.

‘Al die muzikanten en artiesten komen naar de muziekbeurs in De Kroon, ook op het Rembrandtplein, om schnabbels op te doen. Niet dat ze met hun armen over elkaar gaan zitten wachten. Zo gaat dat niet. Soms moet je eerst een potje met iemand biljarten en hem laten winnen om een schnabbel te krijgen. Ik kan langzamerhand wel een bal raken en nog beter een bal missen. Iedereen kent iedereen. Soms maakt iedereen ruzie met iedereen. ‘Je zet me helemaal in de merode,’ zei laatst iemand tegen mij. ‘Ik kan niks verdienen door jou, want jij pikt mijn vaste schnabbel af!’ Maar een vaste schnabbel, die bestaat per definitie niet. Ik heb een paar orkesten genoemd die goed zijn in hun soort. Er zijn ook een heleboel slechte. Sommige orkestleiders kan het geen bal schelen of je zuiver en ritmisch speelt. In een moeilijke passage zijn ze al tevreden als de eerste en de laatste noot kloppen. Er wordt geschmierd, dat is niet mooi meer. En zo verknoei je je techniek, wanneer je niet oppast.’

‘Ja,’ zei Fanny Mendel. ‘Bovendien heeft hij geen zin in grappen zoals in het orkest van Cor en Jeanne Köhler: acht volwassen kerels die op een ocarina blazen, je weet wel, zo’n fluitje van een cent.’

David Mendel stond op, liep naar de kast waarin hij zijn bladmuziek bewaarde en haalde er na wat zoeken een klein boekje uit.

‘Als dit in jouw taal geschreven was, zou ik het je nu meegeven,’ zei hij. ‘Hierin staan de Musikalische Haus- und Lebensregeln van Robert Schumann, een serie adviezen voor degenen die goede musici willen worden. Ik moet even zoeken… “Die Gesetze der Moral sind auch die der Kunst…” Nee, verder naar voren. Ja, deze zocht ik. Luister: ik zal proberen hem voor je te vertalen.

 

Mit Süssigkeiten… Met zoetigheid, taart en bonbons maak je van kinderen geen gezonde mensen. Net als de echte kost moet de geestelijke kost eenvoudig en krachtig zijn. De grote meesters hebben in voldoende mate voor de laatste gezorgd; houd het daarop.

En die erboven staat is er ook een om te onthouden, Robert:

 

Spiele, wenn du älter wirst, nichts Modisches. Speel als je ouder wordt niets modieus. De tijd is kostbaar. Je zou honderd mensenlevens moeten hebben om alleen al het goede dat er is te leren kennen.

David Mendel legde het boekje op tafel en haalde zijn zilveren horloge uit zijn vestzak om te zien hoe lang we nog hadden. Plus een kwartier.

‘Er is nog een probleem bij dat proefspelen,’ zei hij. ‘Bij een klassieke auditie vinden ze het niet altijd een aanbeveling, als je in een strijkje hebt gespeeld. Maar het omgekeerde is ook niet goed: de violisten in een caféorkest willen niet graag een collega die beter en zorgvuldiger speelt dan zij. Ik speel alle noten die er staan en ik kan niet opeens gaan schmieren.’

Fanny Mendel schudde haar hoofd.

‘De tijd is kostbaar,’ ging hij verder. ‘Robert Schumann zei het al. De jaren verstrijken en ieder jaar gaat er iets verloren.’

Ik moest aan het vreemde horloge denken.

‘Er komt toch ook wat bij?’ zei ik. ‘Je leert toch?’

‘Jawel, maar je vingers, je handen en je lichaam laten je langzamerhand in de steek. Je wordt een dagje ouder. En die afschuwelijke audities… Als ze me na afloop eerst lang laten wachten en dan met een of ander smoesje zeggen dat ze me niet nemen, dan…’

Fanny Mendel klapte boos haar boek dicht.

‘Ik weet zeker dat je gauw weer een goede schnabbel krijgt,’ zei ze, toen hij naar haar keek.

David Mendel lachte.

‘Eerst zien, zei blinde Maupie.’

‘Hoe gaat dat wanneer u proefspel moet doen?’ vroeg ik.

‘Je komt daar, er zit een commissie en een pianist. Je speelt een solostuk met begeleiding. Ik doe soms het concert van Mendelssohn, soms de Csardas van Monti, wat ik denk dat ze willen horen. De ene keer laten ze je een heel deel uitspelen; de andere keer zeggen ze na een bladzij dat ze genoeg gehoord hebben. Daarna moet je van blad spelen, dat wil zeggen het onbekende stuk dat ze je voorzetten foutloos laten horen.’

Ik betrapte me erop dat ik klamme handen kreeg.

‘Wanneer moet u weer?’

‘Overmorgen. Laat op de avond, na de voorstelling. Geen ideale tijd: de hele dag zit je te piekeren over een bibberende strijkstok, die een rijtje staccato-nootjes speelt in plaats van één strakke toon.’

Drie avonden later kon ik niet in slaap komen.

Toen de klok in de huiskamer twaalf had geslagen, hoorde ik buiten de bekende passen naderen. Haastig sloop ik naar het raam en zag David Mendel thuiskomen. Had hij de baan gekregen? Ik wilde het raam openschuiven en roepen, maar ik bedacht op tijd dat vader en moeder wakker zouden worden. En wat moest ik roepen?

Hij schudde zijn hoofd, toen ik hem de volgende les naar de uitslag vroeg. Er was geen tijd om te praten.

Voor het eerst speelde ik een stukje van een grote componist. Het was iets van Bach, een melodie uit de Bauernkantate. Veel leerlingen speelden dit pas na een jaar, zei David Mendel. Maar al deed ik het nog zo goed, hij trok een ernstig gezicht.

‘Dit kan zo niet doorgaan, Robert.’

‘En ik doe zo mijn best. Ik kan er niks aan doen dat ik alleen maar hier kan studeren.’

‘Dat is het hem. Je hebt veel aanleg. Maar je kunt nog veel sneller opschieten wanneer je thuis op een eigen viool studeert en niet alleen maar hier. Bovendien: je bent wel goochem, maar onze komedie is toch een keer afgelopen. La commedia è finita! En dan? Dan kun jij geen viool meer spelen en ik heb het als stiekemerd bij jouw ouders verprutst. Binnenkort moet ik bij ze aankloppen om te vragen of je officieel les mag hebben. Beter is het nog als jij er zelf over begint.’

‘Als ze het al goedvinden dat ik vioolles neem, sturen ze me vast naar een andere leraar.’

‘Tja…’ zei David Mendel peinzend. ‘Hoe voorkomen we dat ze de zaak versjteren? Ik kan mijn lessen heel goedkoop maken, maar dan denken ze misschien dat ik een snertleraar ben. Heel duur kan ook weer niet, dan prijs ik mezelf

uit de markt. En het instrument: de halve viool wordt binnenkort te klein voor je en een hele viool is nog te groot. Je moet een driekwartviool hebben. Waar halen we die vandaan? Ik heb zelf geen geld om er een te kopen.’

Iets ergers dan ophouden met vioolspelen kon ik me niet voorstellen. Het ging juist zo goed en het leek wel of mijn oren werden schoongemaakt, niet met de natte punt van moeders handdoek, maar door de strenge opmerkingen van mijn leraar. Steeds groter werd het verschil tussen de muziek boven bij David Mendel en Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad, Warum ist es am Rhein so schön en Rats, kuch en bonen, die vader en moeder beneden opdienden. Dat was niet de eenvoudige en krachtige kost die Robert Schumann bedoeld had.

Ondertussen was moeder begonnen aan de grote voorjaarsschoonmaak. Het hele huis werd uitgevlooid en binnenkort zou ze ook mijn kamer overhoophalen. Om te voorkomen dat het programma met Joseph Szigeti en zijn viool ontdekt werd, haalde ik het weg achter de kast op mijn kamer en stopte het onder mijn hemd.

De 19e april kondigde de regering voor ons hele land de staat van beleg af. “Beleg…” Het was een woord dat me deed denken aan de verhalen van juffrouw Terpstra over de Tachtigjarige Oorlog, aan de Spanjaarden voor Haarlem. Niet aan nu.

Minister-president De Geer wekt op tot koelbloedigheid en vertrouwen,’ las vader voor uit de krant. ‘En geeft nogmaals de verzekering van handhaving der neutraliteit naar alle kanten. Wij steunen op onszelf… Saevis tranquillus in undis.’ Trots op zijn kennis vertaalde hij: “Rustig te midden der woedende baren.”’

Dezelfde dag kwam ik David Mendel op straat tegen, wat niet vaak gebeurde. Hij had zijn viool bij zich en hij straalde.

‘Eindelijk mazzel gehad!’ zei hij. ‘De Graaf van Luxemburg heeft me niet klein gekregen! Hij is ook maar de baas in een klein rotlandje. Ze hebben me uit hun vorige productie laten spelen en alles was er, van de eerste tot de laatste noot. En goed! Ze hebben me genomen om mijn toon. Dus ook om mijn viool. Stark heeft gewonnen.’

Hij haalde diep adem, perste zijn lippen op elkaar en maakte met zijn vrije vuist een boksgebaar in de lucht.

Ik wilde juichen, maar dat kon niet, zeker niet op straat, en daardoor wist ik me met mijn houding geen raad.

David Mendel praatte in hoog tempo verder. Hij moest hard studeren, want de 29e zou hij bij de Fritz Hirsch-operette beginnen. Dan was de première van de nieuwste succes-operette van Emmerich Kálmán: Freut Euch des Lebens. ‘De vrolijkste operette van dit seizoen,’ zei hij opeens met een grafstem. En opgewekt weer: ‘Voorlopig zijn we uit de nood.’

Het was alsof de natuur het mee wilde vieren. Hemelvaartsdag kwam met stralend lenteweer. Ik mocht mijn sandalen aan en mijn pak van army drill met de korte mouwen en de korte broek.

Maar de politiek werkte niet mee. Op 7 mei werden alle militaire verloven ingetrokken en andere voorzorgsmaatregelen aangekondigd. De 8e begonnen ze met de versperring van de autowegen.

Vader zei: ‘We hebben een verklaring van Hitler dat hij Holland niet zal binnenvallen. En we hebben de Waterlinie. Die oorlog komt er niet: we hebben het in ’14-‘18 klaargespeeld en nu zal het ook wel lukken, naar mijn bescheiden…’

‘Zeg het dan,’ onderbrak moeder hem.

‘O ja. We hebben een verrassing voor je, Robbedoes. Wat denk je? In juli, over twee maanden al, gaan we een week, een hele week, op vakantie naar de Achterhoek, vlak bij de Duitse grens. Dat heb ik zo kunnen regelen. Wat vind je daarvan? Je kunt daar heerlijk voetballen. Misschien gaan we dan samen eens een balletje trappen.’

Ik viel ze om de hals. Vakantie buiten! Maar terwijl ze vertelden hoe het in juli allemaal zou gaan, bedacht ik dat vakantie ook betede: twee keer geen vioolles. David Mendel had gezegd dat het zo niet langer door kon gaan, dat hij aan moest kloppen om met vader en moeder over lessen te praten. En dat het nog beter was als ik daar zelf over begon. Toch wilde ik daar nog niet aan denken. Ik zou wel zien wat er gebeurde en als het misging, bedacht ik wel een oplossing. Voorlopig was de les van overmorgen het belangrijkste: zaterdagmiddag 11 mei, vier uur.

Het was al bijna licht, toen ik plotseling wakker werd. Ik had het vreemde gevoel of ik wakker gemaakt was. Er waren geluiden die ik niet kon thuisbrengen. Zouden die het zijn geweest? IJle geluiden, die leken op het zoemen in een wespennest. Plotseling, heel ver weg, geknetter en gerommel van de donder. Ik stapte uit mijn bed en lichtte het gordijn op om uit het raam te kijken. Je kon al zien dat het vandaag mooi weer werd zonder wolken. Waar kwam het onweer dan vandaan? Ik schoof het raam open en hoorde door een ander open raam het geruis van een radio waarop iemand een zender aan het zoeken was. Hier en daar gingen deuren open en mensen kwamen de straat op. De meesten herkende ik. Dus ik droomde niet. Een overbuurman klom op het dak. Wat gebeurde hier? Hoe laat was het? Ik sloop naar de huiskamer om op de koperen klok te kijken. Half vijf pas! Ik ging niet naar de slaapkamer van vader en moeder, maar terug naar het open raam van mijn eigen kamer.

‘Van die radioberichten word je ook niet wijzer,’ hoorde ik iemand zeggen.

‘Waar komen die vliegtuigen vandaan?’

‘En waar gaan ze heen?’

‘Ze zijn uit het westen gekomen,’ veronderstelde iemand. ‘Om vier uur.’

‘Luister!’ zei een ander, met zijn wijsvinger omhoog. ‘Luister! Schiphol!’

Ja: de verre donderslagen kwamen uit de richting van het vliegveld.

Het was licht, maar het leek wel of niemand meer helder denken kon. Ze bleven allemaal buiten staan om door elkaar te lopen en te praten.

‘Ik heb gehoord dat er parachutisten naar beneden gekomen zijn…’

‘Mensen, wind je toch niet op!’

‘Het schijnt tegen Engeland te gaan.’

‘Ik vind het anders maar griezelig.’

‘Het wordt prachtig weer!’ kakelde de buurvrouw van beneden. ‘Dat kunnen ze ons tenminste niet afnemen!’

Ik had het gevoel of ik van boven in een ren keek waar een steen in was gegooid. Sommige kippen zonder kop liepen door elkaar te kakelen, terwijl andere in een hoekje bleven zitten om er angstig hun ei uit te persen.

Haastig, maar geluidloos trok ik mijn pak aan en schoot in mijn sandalen. Ik liet de voordeur op een kier, sloop de trap af en stapte naar buiten.

Een eindje verder stonden David en Fanny Mendel al op straat. Maar het leek meer of ik verdwaald was in een toneelstuk met mensen die David en Fanny Mendel naspeelden, zonder veel talent. Ze zagen eruit alsof ze door iemand uit hun bed waren gehaald met de opdracht onmiddellijk hun koffers te pakken en te vertrekken. Fanny, die ik altijd slank had gevonden, leek nu voor het eerst mager. David had geen hoed op; hij keek dof uit zijn ogen en zag er bleek uit. Misschien was het na zijn voorstelling met Fritz Hirsch in de Stadsschouwburg laat geworden en had hij pas een paar uur kunnen slapen.

Toen dacht ik in een flits: kwamen die vliegtuigen soms uit Duitsland? David had al zoveel vreselijke dingen over dat land verteld!

Ik zag hoe hij het zilveren horloge uit zijn vestzakje nam en het lang bekeek. Hij klapte het dicht en stopte het eerst naast en toen in zijn zak.

Toen hij opkeek stond ik naast hem.

‘De vliegtuigen…’ zei ik.

‘Ze gooien bommen op Schiphol,’ zei Fanny.

David nam zijn bril af, waardoor zijn ogen groter en bezorgder werden, masseerde met duim en wijsvinger de pijnlijke plekken op zijn neus en zuchtte.

Hevig geknetter klonk in de verte. Het zweet brak me uit. Buiten blijven staan was levensgevaarlijk! Ik keerde me om, rende naar huis, naar binnen, de trap op en mijn kamer in, en gooide me voorover op mijn bed. Mijn borst hijgde en mijn hart bonsde wild. De ijle geluiden van boven… Er kwamen andere ijle geluiden overheen vliegen! Mijn ogen begonnen heet en prikkerig te worden en ik voelde straaltjes langzaam over mijn wangen lopen. In de kamer van vader en moeder kwam een dof gestommel op gang. Ik had ze zeker wakker gemaakt door het geren op de trap of het dichtslaan van de voordeur. Ze wisten nog steeds niets van mijn vioolspel. Maandenlang had ik het stilgehouden. Maar vandaag zou ik het ze vertellen. Als ze me daarvoor straf wilden geven, dan moesten ze dat doen. Ik balde mijn vuisten. Vandaag zou ik ze zeggen dat ik later violist wilde worden, violist en anders niets.

 

hoofdstuk 6. Het recital