4. Het vioolconcert

verstreken-jaren-4

 

Ik zag de zon ondergaan. Kitscherig, een ander woord was er niet voor. Steunend op de vensterbank bekeek ik een hemel, nonchalant geschilderd met vegen roze en bloederig rood, boven het kerkhof van de Nikolai-parochie, dat eruitzag als een decor met gipsen monumenten en zerken van bordkarton. Om de scène compleet te maken, zouden er nog een paar figuranten het schemerige pad op moeten komen: een jonge vrouw en een klein kind, die aan het eind knielden bij een glanzende, niet door klimop overwoekerde grafsteen… Wat een perverse gedachte! Begon deze cynische tijd al vat op me te krijgen?

Nu was het echt of een regisseur, verdekt opgesteld achter het met een zandstenen helm en eikenloof versierde monument voor generaal-majoor Keibel, een aanwijzing gegeven had: ik hoorde muziek. Drie mannenstemmen zongen een marsmelodie, begeleid door een operetteorkest:
 

De tijd die dringt, ga aan de gang!

Het is al laat, de weg is lang!

En morgen vroeg, voor d’eerste zonnestraal,

verkondigt elke krant met groot kabaal:

het allermeest esprit heeft het Berlijns genie!

Op een halve tel afstand werden de zangers gevolgd door een bibbersopraan zonder ademsteun. Mevrouw Lerch was weer thuis van haar werk. Was het de gloed van de ondergaande zon die haar inspireerde? Misschien eerder de glans van de koperen hoorn op haar trotse bezit, de grammofoon. Mijn benedenbuurvrouw van tweehoog had me verteld dat de operetteplaten haar enige troost waren, nu haar man aan het front was. Mij was Paul Linckes Frau Luna te veel van het goede: gisteren had ik er nummers uit gespeeld, vanavond moest ik eruit spelen, morgenavond en overmorgenavond. Wat me nog meer ergerde, was dat er op tafel geen partituur van mezelf lag, die me aan het werk hield en me andere dingen deed vergeten.

Ik had het idee dat het lawaai in de buurt me veel meer hinderde dan vroeger. De kakofonie begon wanneer ik hooguit drie, vier uur geslapen had. Regimenten schoenen en laarzen klotsten de treden op en af. Kruiers en sjouwers kozen mijn trappenhuis uit om ruzie te maken. Honden blaften een obstinaat ritme. Papegaaien scholden als sergeants tegen rekruten. Uitzinnige zuigelingen krijsten om melk en schone luiers. Melkboeren, bakgens en krantenventers schreeuwden hun hele route door de straat. Kinderen blèrden op de stoep. Vuilnisbakken wachtten een ogenblik stilte af om geniepig om te kiepen en hun inhoud over straat uit te braken. Karren en rijtuigen ratelden op de keien. Zwepen knalden. Trams belden. Autoclaxons blaatten. Draaiorgeltjes jengelden. In de Charité had ik een bordje op een standaard gezien met in grote letters SILENTIUM en een pijl, wijzend naar de operatiekamer. Dat moest hier staan, met de pijl in de richting van mijn bed. Maar het zou wel niet helpen: iemand die dag en nacht verwisselde, die heftig op de piano hamerde en daarna om stilte vroeg, hoefde niet op begrip te rekenen. Nog een geluk dat aan de achterkant van het huis de rust van het kerkhof heerste.

Ik keerde me van het raam af en ging zitten met mijn ellebogen op tafel. Wat verlangde ik naar een vredige, doordeweekse zomerdag in het Grunewald of aan de Müggelsee! Een Keizerrijk voor een zomer met muziekpapier en inspiratie in een houten componeerhuisje! In het noorden, op Rügen of Usedom, het gekras van het potlood op papier in harmonie met de ruisende branding van de Oostzee. Of in het zuiden, in het Poetenwald bij Markneukirchen, met boven me een vogelroep en het raadselachtige suizen van wind door hoge sparrentoppen. Halfnaakt naar buiten kunnen lopen, in een zomer zonder koude, duisternis en oorlog, een paradijselijke zomer als een bestand in de verwoestende tijd… Zulke dingen leken sinds augustus ‘14 onbereikbaar. En zelfs mijn gewone Berlijnse pleziertjes waren vergald. In de Friedrichstrasse liep ik Café Kerkau met zijn vijftig biljarts voorbij, net als de nieuwe bioscoop aan de Nollendorfplatz. Bij Aschinger, Bützow en het Romanische Café moesten ze mijn gezicht vergeten zijn. Ik ging niet meer de draaideuren door van Wertheim in de Leipziger Strasse om zomaar, doelloos over lopers en tapijten tussen palmen te wandelen en rijkdommen op uitstaltafels te bekijken en te luisteren naar zoevende liften, babbelende klanten, ritselend pakpapier, rinkelende kassabelletjes en ver pianospel.

De deurbel.

Wie kon dat zijn op deze tijd? Voor de postbode of een leverancier was het veel te laat en voor Siegmund of een andere vriend te vroeg. Ik had geen zin in bezoek, met een avondoptreden in een volle zaal voor de boeg. Met lood in mijn schoenen liep ik de donkere gang in om open te doen.

Siegmund stond voor me. Hij lachte, met een zweem van geheimzinnigheid op zijn gezicht, alsof hij iets te weten was gekomen wat ik nog niet wist. Dat hij me kwam afhalen was niets bijzonders, want de Mendelssohnstrasse lag op zijn route van de Raabestrasse naar het Kristallpalast. Maar hij was veel vroeger dan anders. Hij gaf me een hand, hing zijn hoed en jas aan de kapstok en nam zijn vioolkist mee naar de woonkamer.

‘Laat je buurvrouw het vanavond maar van ons overnemen in het Kristallpalast,’ zei hij, terwijl hij naar beneden wees, waar de grammofoon Schlösser, die im Monde liegen uit zijn hoorn toverde. Ik had de wals al zo vaak gehoord en gespeeld, dat ik de noten voor me zag: dit was nummer 3 in het pianouittreksel van Frau Luna, linkerpagina, eerste systeem.

‘Haar repertoire is te klein,’ zei ik.

Siegmund legde zijn vioolkist op de piano.

‘Over repertoire wil ik het met je hebben, Karl. Daarom ben ik zo vroeg.’

‘Neem een stoel.’

Siegmund trok het jasje van zijn rok uit, hing het over de rugleuning en liet zich met een zucht op de stoel zakken.

‘Wat zit je in het donker.’

Ik stond op om de gaslamp aan te steken.

‘Je wou het programma van vanavond veranderen en met me bespreken?’ vroeg ik, de gordijnen dichttrekkend.

Hij schudde zijn hoofd.

‘Daar zou ik niet zoveel tijd voor nodig hebben.’

‘Is er iets gebeurd? Zijn er zieken en moeten we eerder naar de zaal om repertoire door te nemen met de remplaçanten?’

‘Nee.’

‘Dan heb je honger. Of dorst. Ik zal wat maken in de keuken.’

‘Blijf zitten,’ zei hij kortaf. ‘Ik wil dat je een vioolconcert gaat maken.’

Een terechtwijzing leek het, door de toon en de blik: die van een oudere professor in de compositie tegenover een begaafde student die zijn studie dreigt op te geven. Terwijl ik zeven jaar ouder was dan Siegmund en als musicus niet zijn mindere. Ik wist na al die jaren dat hij veeleisend was en een docerende toon kon aanslaan. Hinderlijk was dat niet, als het om de zaak ging. Van onze directeur kreeg hij veel gedaan en van ons praktisch alles. Maar nu overviel hij me. Een vioolcert componeren… Hij moest begrijpen dat organiseren en componeren twee volkomen verschillende dingen waren. Musici kon je soms overtuigen. Noten moest je misleiden. Ze waren zo gewend geraakt aan hun vaste exercities, dat je ze alleen door list en bedrog de kazerne uit kreeg om ze fantasievoller werk te laten doen.

‘Ik heb toch een Vioolsonate geschreven,’ zei ik om tijd te winnen.

Ik zag Siegmund achter zijn lessenaar zitten, het Allegro, Adagio en Presto regel voor regel op zijn viool spelend, sommige maten vier, vijf keer op verschillende manieren, en de beste streken en vingerzettingen in zijn partij noterend.

‘We hebben hem voor de oorlog gespeeld,’ zei ik.

Hij gaf geen antwoord.

‘En ik heb nog mijn Pianotrio,’ zei ik. ‘Viool, cello, piano.’

‘Ik weet het.’

‘We zouden het eens kunnen doorspelen, als Jakob ervoor voelt.’

Stilte.

‘Over een vioolconcert heb ik nooit gedacht.’

Siegmund sloeg zijn armen over elkaar.

‘Ik wil het Vioolconcert van Karl Hirschberg spelen,’ zei hij.

Het klonk of dat concert lovende kritieken in het Neue Zeitschrift für Musik en andere vakbladen had gekregen en op de nominatie stond om compleet met opusnummer in de achtste druk van Riemanns Muziek-Lexicon opgenomen te worden.

Demonstratief wees Siegmund naar zijn vioolkist.

‘Is mijn viool niet goed genoeg?’

‘Je overvalt me,’ zei ik. ‘Ik moet erover nadenken.’

‘Dat is de bedoeling. Jij kunt meer dan leuke stukjes van anderen arrangeren voor salonorkest. Het allermeest esprit heeft het Berlijns genie…’

‘Nummer 4a.’

‘Dat zal wel. Je hebt vóór de oorlog al vijftig opusnummers geproduceerd, als ik me goed herinner.’

Ik knikte. Het leek lang geleden.

We zwegen.

Beneden drensde de grammofoon.

‘Karl, je moet je als componist door die rotoorlog niet het zwijgen laten opleggen,’ zei Siegmund. Hij pakte de Berliner Zeitung am Mittag van tafel, vouwde hem uit en ging er met een plotseling neutrale gezichtsuitdrukking achter zitten lezen, alsof mijn woonkamer een wachtkamer in de Charité was. De kop die de verjaardag van de Keizer meldde schreeuwde me tegemoet. Mevrouw Lerch had haar volgende Lincke-plaat uit de kast gehaald en zong nu haar geliefde duet uit de eerste akte mee: De wind waait goed, ik krijg meer moed!

Ik probeerde het halfjaar van mijn leven dat sinds het uitbreken van de oorlog verstreken was te overzien en te begrijpen. Wat had ik me uitgesloofd! Het hele salonrepertoire afgedraaid. Alle schnabbels aangenomen waarvoor ze me vroegen, omdat andere pianisten naar het front moesten. Samen met Siegmund aan de drie Brahms-sonates gewerkt: dat was zo goed om mijn gehoor en mijn techniek aan te scherpen… Met Siegmund, Jakob, Max en Georg Schuberts Forellenkwintet gestudeerd, totdat Georg, ons fundament op de contrabas, onder de wapenen geroepen was. Voor Orpheus had ik een stapel veelgespeelde arrangementen gemaakt, zonder potloodklad en praktisch zonder doorhalingen. Mijn bankrekening was er een stuk gezonder op geworden, al kon inflatie de zaak snel verzieken. Ik had ontzettend veel werk verzet. Maar één ding had ik niet gedaan: componeren.

Mijn plan om een om een opera te schrijven naar Vor Sonnenaufgang van Gerhard Hauptmann had ik eind augustus, na zijn ondertekening van de Verklaring van de 93, opgegeven. Ik begreep niet waar Hauptmann en de tweeënnegentig andere kunstenaars en geleerden de moed vandaan haalden om de verwoesting van Leuven door onze troepen botweg te ontkennen en het Duitse militarisme voor te stellen als beschermer van de Duitse cultuur. Mijn nog niet verstuurde, eerbiedige brief aan de Nobelprijswinnaar had ik gebruikt om het fornuis aan te steken. Zijn naturalistische drama leek me opeens onverteerbaar taai. Ik was terechtgekomen in een vicieuze cirkel van niet meer componeren en niet meer uitgevoerd worden, geen kritieken meer lezen en niet meer gerecenseerd worden, geen opdrachten meer krijgen en niet meer op gang komen. Een zwartkijker was ik geworden, die sinds de herfst nauwelijks zonlicht had gezien. Mijn leven was een surrogaatleven onder kunstlicht in een kristallen paleis. Mijn publiek ontvluchtte de leegte thuis en de berichten in de kranten in amusementsmuziek: eindeloze series walsen, marsen, polka’s, tango’s, onesteps en twosteps. Ik speelde als een automaat waar mensen munten in bleven gooien.

Op de roes van de eerste augustus was de kater van de tweede gevolgd. En nadat ik later in de maand de allereerste lijst met slachtoffers aan de muur van de Militaire Academie in de Dorotheenstrasse had gespeld en vlak voor mijn neus een gewondentransport Berlijn had zien binnenrijden, had ik als componist gezwegen. Hier in de straat hadden nog eind september tot vierhoog de vlaggen uitgehangen om te vieren dat een van onze onderzeeboten anderhalfduizend Britse zeelieden de verdrinkingsdood had ingejaagd. Toch was het hoerageroep onder de bevolking langzaam maar zeker zwakker geworden. De Keizer en de Legerleiding deden nog steeds of ze het grote Duitse volk in doordachte operaties met zorgvuldig berekende offers aan manschappen en materieel naar een overwinning voerden die heel Europa uit zijn crisis en indolentie zou verlossen. Als we maar moedig volhielden, zouden we overwinnen. Nog even de kiezen op elkaar! Maar steeds meer mensen begrepen dat onze jonge generatie in lugubere loopgraven werd opgeofferd aan een waanidee. De feestpreek vandaag van hofpredikant dr. Dryander, die in de krant stond samengevat, was weer een gruwelijk staaltje oorlogspropaganda…

‘Nu heb je lang genoeg nagedacht,’ zei Siegmund. Hij sloeg de B.Z. am Mittag dicht, vouwde hem dubbel en gaf er met de vlakke hand een klap op.

‘Schrijf je een vioolconcert?’

Ik kon geen antwoord geven. Zei ik nee, dan was ik niet meer waard dan deze slappe krant, alleen nog goed om de kachel mee aan te maken. Als ik ja zei, was het des te erger wanneer mijn impotentie als componist chronisch zou blijken te zijn.

‘Ik wil me niet bemoeien met dingen die me niet aangaan,’ zei Siegmund. ‘Het kan zijn dat het spelen van walsen en marsen je genoeg bevrediging geeft.’

‘Er is goede muziek bij,’ zei ik. Een miserabel antwoord…

‘En het kan zijn dat je tevreden bent met een publiek van officieren en wapenfabrikanten.’

‘Die opmerking neem je terug.’

‘Goed: ik neem die opmerking terug.’

‘Wat dacht je trouwens van jezelf?’

‘Ik kan niet componeren,’ zei Siegmund nuchter. ‘Alleen maar vioolspelen en een orkest leiden. Het is mijn taak om dat zo goed mogelijk te doen en de broodwinning van twaalf man veilig te stellen. Ik probeer op mijn manier de oorlog door te komen. Maar jij, jij bent componist. Tenminste…’

Ik kon het ja niet over mijn lippen krijgen en bleef bewegingloos zitten. Toch voelde ik dat dit de kans was uit mijn impasse te komen.

Had Siegmund aan mijn gezicht gezien dat ik over het dode punt heen was? Of gokte hij daarop? Hij stond op en stak zijn hand naar me uit, alsof hij me in één beweging overeind wilde helpen en feliciteren.

Ook ik stak mijn hand uit.

Dat doet de Berlijnse lucht, lucht, lucht! tetterde de grammofoon.

Ik moest wennen aan het idee weer te componeren.

Al te hooggespannen verwachtingen van Siegmunds kant kon ik het beste meteen de kop indrukken.

‘Op de vooroorlogse manier verder componeren kan ik niet. Een vioolconcert of wat voor stuk dan ook in de stijl van Unwiederbringlich is ondenkbaar, hoe goed die opera op zichzelf ook mag zijn. Ik kan geen tweede pianoconcert schrijven in de stijl van het eerste en na de Symfonie in A gewoon doorgaan of er niets gebeurd is en een Symfonie in B schrijven.’

‘Je krabbelt terug?’

‘Dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat ik niet op de oude manier door kan gaan. Een romantisch vioolconcert – door het Duister naar het Licht – kan ik niet meer componeren. Het is nacht en licht is niet in zicht. De tijd van de eindeloze melodische lijnen, de zwelgende harmonieën, de schitterende climaxen en finales is voorbij.’

Siegmund knikte zwijgend, zijn handen onder zijn kin.

Over deze dingen pratend kreeg ik het gevoel of er het afgelopen halfjaar diep in me verborgen iemand was doorgegaan met denken over componeren, iemand die me nu zijn ideeën influisterde.

‘Ook de tijd van de grote bezettingen is voorbij. Ik zou nu een klein, wendbaar ensemble kiezen. En daarbij geen stersolist, die het concert met het Städtische Orchester in Leipzig speelt, dan hier langskomt voor een uitvoering met Leo Blech en de Philharmonie, om dan na een avond met de Verein Hamburger Musikfreunde in de trein te stappen en nog even Amsterdam met Willem Mengelbergs Concertgebouw-Orkest aan te doen. Ik denk aan een solist die de primus inter pares is, zoals jij dat bij ons orkest bent.’

‘Dat is ook precies wat ik dacht.’

‘En ik denk aan een ander publiek. Dat is de moeilijkste factor, omdat ik daar geen invloed op heb. Niemand kan de ontwikkelingen voorspellen.’

‘Soms gebeuren er dingen die je een beetje hoop voor de toekomst geven,’ zei Siegmund. ‘De nieuwe Volksbühne: daar spelen de acteurs en de musici in een theater dat hun publiek voor ze bij elkaar heeft gespaard. De Middagconcerten zijn een groot succes, weet je dat? Het is helemaal geen probleem tweeduizend plaatsen bezet te krijgen voor een goed concert. En het is niet de elite die daar zit.’

‘Ik wil ook niet meer componeren voor de elite,’ zei ik, ‘voor de ingewijden en de recensenten. Ik wil naar een verstaanbare muzikale taal, zonder één millimeter op te schuiven in de richting van Max Winterfeld en Paul Lincke. Wat voor publiek er over een paar jaar zal zijn, wie kan dat zeggen? Alles is het laatste halfjaar in een razend tempo veranderd. De oude wereld is ingestort. En een nieuwe is er niet.’

‘Ik heb honger,’ zei Siegmund. ‘Als je wilt, maak dan nu iets te eten klaar.’

Ook mijn maag begon in opstand te komen.

Ik ging naar de keuken en stak het lampje boven de tafel aan. Petroleum begon schaars te worden, maar ik had nog een kleine voorraad en hield nu eenmaal meer van de olielamp dan van gaslicht. Na de asla geleegd te hebben, schudde ik wat kolen in het fornuis en draaide de trekklep open. Siegmund kwam aanlopen met de krant. Ik scheurde de voorpagina aan stukken, verfrommelde het relaas van de verjaardag van de Keizer en hield er een lucifer onder. Siegmund, die de weg wist in mijn keuken, haalde het koffie-extract uit de kast. Ik pakte de ketel en draaide de kraan open.

‘Als je aan een kleine bezetting denkt, Karl,’ zei hij plotseling, ‘waarom schrijf je dan niet direct voor Orpheus?’

Verbaasd keek ik hem aan.

‘Je ketel loopt over,’ zei hij.

Ik draaide de kraan dicht, goot het overtollige water in de gootsteen en zette de ketel op het fornuis. Ons eigen orkest! Het lag voor de hand en toch was het idee niet in me opgekomen. Mijn fantasie werkte door, niet gehinderd, eerder gestimuleerd door het ritueel van het koffiezetten. Koffie-extract in de ketel doen. Water opgieten. Het vuur temperen. De koffieketel op de hoek van het fornuis zetten. Kopjes uit de kast halen. Ik sneed boterhammen af en belegde ze met dunne plakjes van de kaas die ik voor veel geld had kunnen kopen. De sandwich-mode had hier en in het Kristallpalast de anti-Engelse campagne overleefd.

‘Zwart?’ vroeg ik.

‘Pikzwart vandaag.’

Ik goot het brouwsel van koffie en cichorei door het zeefje.

‘Deze oorlog moet eerst voorbij zijn,’ zei Siegmund, ‘voor ik serieuze plannen voor Orpheus kan gaan maken. Dat betekent weg uit het Kristallpalast. De organisatie in eigen hand nemen. Fuchs weet hier natuurlijk niets van. Een eigen zaal openen. Of een reisorkest oprichten, dat het publiek opzoekt in plaats van het naar zich toe te laten komen. Films van goede regisseurs begeleiden. Grammofoonplaten maken. Nieuwe muziek presenteren. Jouw Vioolconcert. Afrekenen met de surrogaatmuziek die we nu spelen.’

Ik lachte: hij had het nog niet bestaande Vioolconcert al opgenomen in zijn plannen voor betere tijden… Ondertussen moesten we met surrogaatmuziek en surrogaatvoedsel eerst de oorlog door. Met deze namaakkoffie, met dit grauwe, kleffe oorlogsbrood, dat iedere week slechter werd, omdat ze er steeds meer aardappelmeel, roggemeel en ondefinieerbare rommel in stopten. Er heerste nog geen hongersnood, maar de een of andere vorm van rantsoenering kon niet lang meer uitblijven. Op zee blokkeerden de Engelsen de toegang tot Hamburg en Bremen en op het land blokkeerden berekenende boeren en handelaren de graanvoorziening van Berlijn.

Siegmund stond op, rekte zich uit en maakte aanstalten om de tafel voor me op te ruimen.

‘Karl, ik stel voor dat we gaan. Dan kunnen we in de zaal een paar passages uit Sarasate repeteren en als we tijd overhebben een deel Brahms.’

‘Ik ga me verkleden,’ zei ik.

Wanneer het niet sneeuwde of ijzelde, gingen Siegmund en ik te voet. We ademden buitenlucht na de muffe huislucht of de door sigaren, sigaretten, dranken, parfums en zweet verpeste zaalatmosfeer. Na de laatste rit van de trams en de S-Bahn spaarden we het geld voor een huurrijtuig uit. We kregen immers nog maar tweederde van de honderdvijftig mark die we voor de oorlog verdienden. Daarbij was een rit met de tram of de S-Bahn niet altijd een genoegen: het kon gebeuren dat je een kwartier lang een oorlogsinvalide in zijn ogen of blinde kassen moest kijken. Wij liepen. Op straat konden we vrijuit praten, hoewel het voorkwam dat we de hele weg niets tegen elkaar zeiden. Siegmund was de laatste paar weken opvallend zwijgzaam onderweg. Het belangrijkste van alles vond ik, dat het halfuur in de vrieslucht de lauwe salonmuziek uit onze oren verdreef.

Sinds de zomer hadden we de stad op onze dagelijkse route van de Mendelssohnstrasse naar de Friedrichstrasse zien veranderen. Berlijn was niet alleen steeds donkerder geworden, maar ook steeds dunnerbevolkt, vooral met mannen. De helft van de auto’s was gevorderd en veel trams waren wegens gebrek aan bestuurders en passagiers buiten dienst gesteld. Vóór de oorlog had de stad miljoenen inwoners binnengehaald om Parijs en Londen naar de kroon te steken. De vooruitgang was snel gegaan. De achteruitgang ging nog sneller.

We namen niet altijd dezelfde weg. Vanavond sloegen we op de Alexanderplatz rechtsaf en gingen daarna links onder de S-Bahn door, waar boven ons een locomotief zijn grote witte stoompluim in de vrieslucht blies. We liepen langs de Markthal, door de Kaiser-Wilhelm-Strasse en over de Spreebrug naar de verlaten Lustgarten. Dit deel van de stad was even representatief als doods en leek vreemd grondgebied of een niemandsland. Het rijke, bonte vlaggengala, zoals de krant het genoemd had, was bij zonsondergang verdwenen. Niets herinnerde meer aan de festiviteiten en aan de dienst die vanochtend om tien uur in de Dom gehouden was. De ruisende orgelklanken en het geluid van de claxon van de keizerlijke auto waren weggestorven en deze dag behoorde tot de roemrijke geschiedenis van het Duitse Rijk. Maar mijn herinneringen aan de eerste dag van augustus kwamen ook vanavond op als jeuk in een litteken bij onweer.

Na de desperate aanslag in Sarajevo was de bloedsomloop van de stad, nog opgejaagd door de zomerhitte, steeds koortsiger geworden en op die zaterdag 1 augustus had zelfs de grootste botterik – of juist de grootste botterik – geweten dat het normale leven afgelopen was. Siegmund, die koppig wilde doorwerken, had een extra repetitie afgesproken op een ongewoon vroege tijd. Maar er was geen doorkomen aan geweest. De hele stad stond op zijn kop. We konden niet meer voor- of achteruit: het leek of reusachtige vuisten alle Berlijners door de straten naar het centrum hadden geduwd en samengeperst tussen het Slot, het Tuighuis, het Oude Museum en de Dom. Het Elisabeth-regiment, dat zich na de aflossing van de wacht voor het Slot aan de andere kant van het plein had moeten melden, kon geen kant meer uit. De kapel had van de nood een deugd gemaakt, was gaan spelen en had het ongehoord grote koor begeleid in een eindeloze serie liederen: Es braust ein Ruf wie DonnerhallHeil dir im SiegerkranzIch hatt’ einen Kameraden… Wrange titels, achteraf beschouwd, maar op dat moment bezorgde de muziek me een brok in mijn keel. Siegmund had op zijn horloge gekeken, een staccato vervloeking uitgestoten en iets over reactionaire massahysterie in mijn oor geroepen. Mijn gemoed was volgeschoten; ik had me door het zingen laten meeslepen en bij een massaal hoera mijn strohoed de lucht in gestoken. Voor me op straat lag de gevallen hoed van een ander, platgetrapt tot een grijsgespeelde grammofoonplaat. De oorlog leek opeens een uitweg uit burgerlijkheid en kleinzieligheid, een verlossing van vulgariteit, dwang en conventies. Een bevrijding uit Crystal Palace. Nu schaamde ik me voor die emoties en ik was blij dat ik geen mars of hymne had gecomneerd die me in minder bloeddorstige tijden nagedragen kon worden. Die Ernst Lissauer zou nog spijt krijgen van zijn Hassgesang gegen England. Zijn lied had in alle kranten gestaan. De leraren hadden het hun scholieren voorgelezen en de officieren hun soldaten. Het was op muziek gezet, door duizenden koren gezongen en alle zeventig miljoen landgenoten hoorden het nu te kennen. Het had Zijne Majesteit behaagd, de kunstenaar de Rode Adelaarsorde te verlenen. Maar ik had al een halfjaar niets meer geschreven; de inkt in mijn pen was opgedroogd en vastgekoekt. Op die warme augustusdag had ik mensen met verhitte hoofden vol zweet en tranen zien meezingen, -klappen en -stampen of hun leven ervan afhing. Een verdwaalde Fransman in de menigte zou bij de Pariser Einzugsmarsch verbleekt zijn van angst onder de voet gelopen te worden door de Teutoonse horden. Die hadden getrappeld van ongeduld tot hun heersers in het Slot klaar waren met de besprekingen; tot de Keizer, kanselier Bethmann-Hollweg, stafchef Moltke en marineminister Tirpitz datgene deden waar zij op stonden te wachten: de rest van Europa de oorlog verklaren!

Om vijf uur was het ogenblik dan eindelijk gekomen: de Keizer had zijn handtekening gezet onder het bevel tot algemene mobilisatie. Mijn oren tuitten van het heidense kabaal. Half zeven was onze monarch Wilhelm II op het balkon verschenen om een korte toespraak tot zijn volk te houden. Ik kon me de verzoenende rede nog goed herinneren, alleen al omdat de man voor me, die geen woord wilde missen, met de hakken van zijn laarzen op mijn tenen had gestaan. Uit het diepst van het Keizerlijke hart waren we bedankt voor onze liefde en trouw. En het was waarachtig of de menigte verliefd was op het onbereikbare idool daar op het balkon van het Slot. Siegmund had tijdens het gejuich en applaus misprijzend in zijn neus gepeuterd en in zijn zakdoek een tegensignaal getrompetterd. Toen hij weer verstaanbaar was, zei de Keizer dat hij in zijn volk geen partijen meer kende, alleen nog Duitsers; alle partijen die zich ooit tegen hem gekeerd hadden vergaf hij. Het ging er nu om dat we elkaar als broeders bijstonden. Dan zou God het Duitse volk helpen overwinnen. Het hek was van de dam. De massa aan zijn voeten was nog harder gaan juichen en zingen: Die Wacht am Rhein natuurlijk en Ein feste Burg ist unser Gott, het strijdlied van de protestanten. Heel Berlijn vierde een groot feest, veel en veel groter dan de zesenvijftigste verjaring op deze kille januaridag. De cafés en de Biergärten waren overvol geweest en toen we eindelijk in Crystal Palace zaten, hadden ook onze obers het Berliner Kindl niet meer aan kunnen slepen. Het was een nacht geweest met piccologegil, tromgeroffel en kopergetetter. Tot zonsopgang hadden we de dronken horde moeten bevredigen met militaire marsen, vaderlandse liederen en zatte walsen.

Terwijl we Unter den Linden opliepen, kreeg ik de indruk dat Siegmund ook aan deze dingen liep te denken. Terloops opzij kijkend zag ik onder de rand van zijn hoed dezelfde blik als in augustus.

Ik herinnerde me Kurts verhalen over de tweede helft van het feest, de zondag na de afkondiging van de mobilisatie. Onze heetgebakerde trompettist had er langer over gedaan om de bloedige consequenties van de oorlogsverklaring te overzien. Bij mij waren het afstompende hameren op de piano, de oorlogsgeilheid en het aanroepen, nee commanderen van God in de loop van de zaterdagnacht op mijn zenuwen gaan werken. Ik had de zondagochtend en -middag gebruikt om achter potdichte ramen en gordijnen slaap in te halen en daarna mijn hoofd onder de koude kraan in de keuken te ontnuchteren. Ik kotste van een oorlog die nog moest beginnen.

Kurt niet: die had ons zondagavond, met blauwe kringen onder zijn ogen en dikke lippen, waarmee hij nauwelijks nog blazen kon, een ademloos relaas gedaan over de openluchtdienst bij het Bismarckmonument voor de Rijksdag. Daar had de kapel van de Gardefuseliers geopend met het Niederländische Gebet. Het mooiste vond Kurt het door de hele menigte meegebeden onzevader: als dat geen indruk op de Heer maakte! Hij had Davids luidruchtige boer niet eens gehoord. Na het begin met het protestantse gezang was de dienst met het katholieke Grosser Gott, wir loben dich afgesloten. Met het grote doel van de vernietiging van Frankrijk, Engeland en Rusland voor ogen staken protestanten en katholieken de koppen bij elkaar, net als Keizer en bisschoppen. Ook Keizer en kunstenaars vonden elkaar in een adembenemende omhelzing.

Haast iedereen werd meegesleept in de oorlogsroes en wie zich schrap zette kon klappen verwachten. Groepen linkse sociaal-democraten hadden nog een paar duizend demonstranten tegen de oorlog op straat gebracht – in die dagen een te verwaarlozen aantal – maar 4 augustus hadden zelfs hun afgevaardigden in de Rijksdag voor de oorlogskredieten gestemd. Misschien waren ze anders door de massa afgeslacht. Nog in december, een paar weken geleden, had Karl Liebknecht bij de stemming over de nieuwe oorlogskredieten als enige sociaal-democraat en zelfs als enig lid van de Rijksdag tegengestemd. Die durfde de generaals, de regering, de rechtse afgevaardigden, de oppositie in zijn eigen partij en het chauvinistische gepeupel te trotseren! Ik zou bang zijn voor een mes tussen mijn ribben ineen onbewaakt ogenblik. Hij was het niet; liet daar althans niets van merken. Ik bewonderde hem en Rosa Luxemburg. Op de meeting waar Siegmund en ik geweest waren, meer dan een jaar geleden, had zij gezegd dat de Duitse soldaat zijn moordwapen niet tegen zijn buitenlandse broeders zou gebruiken. Die uitspraak kwam haar te staan op een jaar gevangenisstraf, die ze in de vrouwengevangenis aan de Barnimstrasse, twee straten bij mij vandaan, nog moest uitzitten. Een prachtige vrouw met zekere artistieke gaven, zeldzaam bij een politicus! Ondanks alles was ik geen lid geworden van de partij van Rosa, Karl en Siegmund: toen het erop aankwam hadden te veel kameraden voor de oorlog gestemd.

Op de reclamezuil tegenover de zaak van Julius Staudt op de hoek van de Friedrichstrasse kondigde de Philharmonie grote feestconcerten aan. Er was ergens een patriottische kunstavond op 30 januari en vanavond vierde Café Krone de Keizerlijke verjaardag. Het was vast leuker in het Metropol-Cabaret van Rudolf Nelson aan de Behrenstrasse of in Circus Sarrasani. Daaronder stonden wij:

 

KRISTALLPALAST Friedrichstrasse * Dir. R. Fuchs

Gerenommeerde Keuken! Uitgelezen Wijnen!

Salon-Orkest ORPHEUS * o.l.v. Siegmund von Falkenstein

Nieuwe Wereldsuccessen!

Op het eerste aanplakbiljet na de oorlogsverklaring had Siggi Falk weer als vanouds Siegmund von Falkenstein geheten. Niet uit opportunisme; eerder uit zelfbehoud. Voor de Wagnerianen en de meer gecultiveerde chauvinisten was Siegmund de legendarische, door de vijand vervolgde Germaanse held uit de Walküre. Parvenu’s dachten bij de naam Siegmund von Falkenstein misschien aan een afgelegen landgoed met geroskamde paarden en personeel met de pet in de hand; inderdaad had Siegmunds familie lang geleden wat land in Oost-Pruisen bezeten. Militairen konden denken aan moed en vaderlandsliefde, omdat de achternaam leek op die van Falkenhayn, de nieuwe stafchef van de landmacht. Ook ik speelde weer onder mijn eigen naam, nadat ik het Italiaanse pseudoniem Carlo Cervomonte, dat ik alleen voor de salonmuziek gebruikte, had laten vallen. Op een oorlogsverklaring van Italië aan Duitsland en de Dubbelmonarchie wegens aanspraken op Tirol wilde ik niet wachten. Misschien maakten agressieve chauvinisten geen verschil tussen echte Italianen en Duitsers met Italiaanse pseudoniemen.

Honderden directeuren in de stad hadden aan het begin van de oorlog ijlings de naam van hun etablissement veranderd. Ook onze slimme Fuchs. Voor de bendes met verfkwasten, ladders en mokers door de Friedrichstrasse trokken om anti-Duitse opschriften – wat dat ook mochten zijn – uit te roeien, had hij het kwetsbare glazen paneel met CRYSTAL PALACE haastig van de gevel laten schroeven om het te vervangen door een nieuw met de naam KRISTALLPALAST in gotische letters. Van hoofdcommissaris Traugott von Jagow van bureau Alexanderplatz verwachtte hij weinig bescherming en hij was niet de enige ondernemer die er zo over dacht. Nu speelden collega’s van ons niet meer in Café Windsor maar in Kaffee Winzer en niet meer in The Continental Bodega maar in Continental Bodega, zonder het aanstootgevende lidwoord en met de klemtoon zwaar op de laatste lettergreep. De naam Salon-Orkest Orpheus klonk onverdacht. Daarbij streelde de naam van de muzikant aller muzikanten onze ijdelheid. We hadden, ongewoon voor een salonorkest, alle twaalf een conservatoriumopleiding in Berlijn, Leipzig of Dresden achter de rug. De enkele muziekkenner onder ons publiek hoorde zelf dat we goed waren en de rest had het van horen zeggen. De bezoekers uit de provincie bazuinden rond dat we zelfs voor Berlijn iets unieks te bieden hadden. Voor de chauvinisten sprak het vanzelf dat de musici in het Duitse Rijk een elite vormden: in hun ogen waren alle Duitse vaklieden een keurkorps vergeleken met de knoeiers in Frankrijk en Engeland, om over Rusland maar te zwijgen.

We waren aangekomen bij de Schlösser, die im Monde liegen, zoals Siegmund het gebouwencomplex met het elegante afdak van glas in gietijzer noemde, en we gingen door de artiesteningang naar binnen. Het was nog halfdonker. Terwijl ik de deur openhield voor licht uit de gang, liep Siegmund door naar de schakelkast naast het podium om de toneelverlichting aan te doen. De elektrische hoofdverlichting van kristallen kroonluchters, die van de nachten dagen maakte, moest nog uit blijven. Fuchs cijferde op zijn kantoortje wat hij kon om het energieverbruik in oorlogstijd te drukken.

Ik opende de klep van de Bechstein om mijn vingers los te spelen met een toonladder over zeven octaven, het cis-mineur van Liszts Tweede Hongaarse rapsodie.

‘Mag ik een a?’ vroeg Siegmund, toen ik klaar was met de gebroken drieklanken.

Zelfs de toon van zijn zacht aangestreken a-snaar was zo kernachtig, dat hij droeg tot in de verste hoeken van de zaal, of die nu vol of leeg was. Deze viool vroeg om een concert, en ik begreep niet waarom ik zelf nog niet op dat idee was gekomen. Siegmund zei wel eens dat hij mij graag hoorde spelen, maar dat hij niet zou willen ruilen, omdat een piano met zijn hamers en mechaniek in een gietijzeren raamwerk te veel op een machine leek. En afgezien daarvan kon je je eigen piano niet overal mee naartoe nemen.

‘Speel eens een melodie zonder vibrato,’ vroeg ik, toen hij alle vier de snaren gestemd had.

‘Genre?’

‘Doet er niet toe. Als het maar vibratoloos is, zo strak als in een dubbelgreep.’

Grijnzend koos hij de huilerige inleiding van de Csardas van Monti, die zonder vibrato en met af en toe opzettelijk een snerpende losse snaar glazig en onwerkelijk klonk, alsof de snaren van een antiek klavecimbel gestreken werden in plaats van aangetokkeld.

‘Ja,’ zei ik, ‘zo klinkt een viool wanneer het romantische vernis eraf gekrabd is. Die kant wil ik uit in mijn Vioolconcert.’

‘Je hebt het al over jouw Vioolconcert.’

Ik lachte.

‘Zonder vibrato spelen is moeilijk,’ zei Siegmund.

‘Omdat je het niet gewend bent.’

Hij knikte. ‘En omdat je met vibrato allerlei slordigheden kunt verbergen, net zoals een slechte pianist dat doet met zijn rechterpedaal.’

‘Die strakke klank zoek ik. Een minimum aan vibrato. Ook losse snaren wil ik gebruiken. En ik dacht de viool veel in de uiterste registers te laten spelen, laag op de g-snaar en hoog op de e-snaar, om een andere expressie te krijgen. Denk aan de manier waarop Bach de Evangelist in zijn Matthäus-passie laat zingen: zo hoog, dat de tenor niet de kans krijgt om gevoel in zijn voordracht te leggen. Hij kan met de recitatieven alleen berichten doorgeven.’

Siegmund keerde zich om en ging staan spelen met zijn gezicht naar de donkere zaal. Na een paar noten herkende ik Erbarme dich uit de Matthäus-passie, de aria met de obligate viool. Ik speelde wat ik me van de begeleiding in b-mineur herinnerde. Siegmund streek precies zo sober als ik wilde. Zo had ik deze muziek nog niet eerder gehoord.

Waar de solo-alt hoorde in te zetten hield hij op.

‘Ik kan hierna geen Zigeunerweisen van Sarasate repeteren,’ zei ik.

‘Dan doen we Brahms.’

Ik sloeg de partituur van de Eerste sonate open. Dit was edele muziek, verheven boven de nerveuze drukte van de Zigeunerweisen en gedreven door een rusteloos verlangen van een heel andere orde.

Zacht zette ik in met de brede akkoorden in de lage ligging. Ik speelde dit eerste deel van de Brahms-sonate bijna uit mijn hoofd. Hoe beter de compositie, hoe logischer en dwingender de gedachtegangen van de componist, des te gemakkelijker dat ging. Zo kon ik Siegmund matenlang observeren. En zijn viool.

Van de heersende modes onder violisten trok hij zich niets aan: in plaats van een Italiaans instrument of een Duits met een beroemde naam bespeelde hij een viool die hij enkel en alleen om de bijzondere toonkwaliteit had gekozen. Jaren geleden had hij het instrument ontdekt bij een vioolhandelaar hier in de stad. Het was gebouwd door een weinig bekende Saksische meester, ook nog in een periode die bepaald niet als bloeitijd in de vioolbouw te boek stond. Hoe deze viool in Berlijn beland was, daar was Siegmund niet achter gekomen. Het brandstempel *S* op het onderblad was niet zijn merkteken, want het zat onder de oorspronkelijke, prachtig rode lak. Bouwer Adam Stark had het waarschijnlijk aangebracht omdat een etiket zo makkelijk te vervalsen was. Ik vond het een genot avond aan avond naar deze Stark te luisteren, omdat hij een meesterwerk liet schitteren en een grauw stuk nog wat glans gaf. Daarbij kwam dat Siegmund altijd goed te horen was, zelfs in een fortissimopassage van het hele orkest. Ook onze cellist Jakob en tweede violist David Mendel bespeelden instrumenten uit Markneukirchen: Jakob een Immanuel Gläsel van een halve eeuw oud en David een vrij jonge, mooi afgewerkte Heinrich Theodor Heberlein. Goede instrumenten, maar geen partij voor Siegmunds Adam Stark.

We waren juist begonnen aan de reprise, toen ik iemand stommelend de zaaldeur hoorde opendoen. Een onhandig persoon of iemand met zijn handen vol. Misschien een schoonmaakster, die het parket van de dansvloer nog een laatste keer wilde aanvegen of inspecteren op gevaarlijk gladde plekken, waar de gasten konden uitglijden en hun benen breken.

Toen ik fronsend tegen de schijnwerpers de zaal inkeek, zag ik wie daar binnenkwam.

Georg.

Ik stond op het punt enthousiast hallo te roepen, toen ik zag dat hij op krukken steunde. Siegmund legde zijn viool op een stoel en liep naar de ingang van de zaal, waar Georg was blijven staan.

Voor de wit gedekte tafels met porselein en kristal en de glanzende spiegels aan de wanden leek onze contrabassist een bedelaar. Zijn ongeschonden burgerhoed vloekte met zijn door luizenbeten en blauwe plekken gehavende gezicht. Ik moest naar de krukken kijken, maar mijn angst voor een naar achter omgevouwen en dichtgespelde broekspijp was ongegrond: Georg had zijn benen en zijn voeten nog.

Behoedzaam omhelsden we hem.

‘Wanneer ben je teruggekomen?’

‘Gisteren. Met een Rode-Kruistrein.’

Hij vroeg naar Dietrich, die in Noord-Frankrijk diende en haalde opgelucht adem, toen hij hoorde dat onze klarinettist volgens de laatste berichten nog leefde.

‘Bier?’ vroeg Siegmund. ‘Schultheiss? Berliner Kindl? Je zegt het maar.’

‘Cognac.’

In een wankel evenwicht op de krukken nam Georg zijn hoed af en knoopte zijn jas los.

Terwijl Siegmund naar de keuken ging, begeleidde ik onze contrabassist naar een stoel dicht bij het podium. Het was vreemd, hem te zien hinken en in te wijd geworden burgerkleren op een gouden stoel met purperen bekleding te zien zitten. Siegmund en ik leken met onze ongeschonden gezichten en onze avondkleding rijkeluiszoontjes die nog niets hadden meegemaakt.

Hoewel Georg bij ons nooit een groot drinker was geweest, sloeg hij de cognac in één keer naar binnen.

‘Nog een?’

Georg knikte.

Met de snelheid van een apotheker die eerste hulp moet bieden liep Siegmund met het lege glas terug naar de keuken.

‘Ben je verder de oude?’ vroeg ik.

Georg goot ook zijn tweede cognac als een geneesmiddel naar binnen.

‘Ik ben ontluisd en hier in het badhuis geweest. Maar om te zeggen dat ik de oude ben… Je kunt niet uit de loopgraven komen zoals je erin gegaan bent.’

‘Wat is er met je been gebeurd?’ De routine waarmee ik oorlogsinvaliden op straat voorbijliep, was weg.

‘Een Tommy heeft er twee weken geleden een paar kogels ingeschoten. Ik heb een grote vleeswond en mijn scheenbeen is geraakt. Als ik zit is het uit te houden, maar zodra ik op het been ga staan doet het pijn. In het veldlazaret hebben ze de bloeding gestopt en het been ingezwachteld, maar ze hadden het zo druk, dat er geen tijd was om de kogels eruit te halen. Dat moet hier.’

‘Verschrikkelijk,’ zei ik.

Hij haalde zijn schouders op.

‘Als dat gebeurd is, moet ik naar de herkeuring. Maar ik kan me niet voorstellen dat ze me nog goedkeuren en terugsturen. Het had veel erger kunnen zijn, dat heb ik wel gezien in het lazaret. Ik kan nog spelen. Mijn hoofd en mijn handen zijn in orde. Tussen de linies heb ik twee Engelse handen met armstompjes eraan in het prikkeldraad zien hangen.’

Siegmunds gezicht verstrakte.

‘De mensen die hun mond vol hebben van de heldhaftige strijd aan het front zijn onbenullen of fanatici. Een groot deel van de tijd gaat het gevecht niet tegen de vijand, maar tegen vocht en kou, tegen het water dat tot je knieën staat, tegen vliegen, mijten, luizen, vlooien, muggen, kevers, ratten. Meer dan naar kruitdamp ruikt het naar lijken, rotting en stront. Bij het eerste loopgravengevecht heb ik mijn broek volgescheten en ik merkte het uren later pas. Alleen achter het front kon ik proberen even een geciviliseerd mens te zijn. Daar kon ik me wassen, andere kleren aantrekken en brieven schrijven, brieven in een normaal Duits zonder de schunnige taal uit de loopgraven. Niet dat ik daar zelf niet aan meedeed: je gaat vanzelf meepraten over de stofwisseling, want op het moment dat je schijt voel je dat je leeft.’

‘Jullie zijn geen centimeter vooruitgekomen,’ zei Siegmund.

‘Wat ons betreft gaat het ook niet vooruit, maar zo snel mogelijk achteruit,’ zei ik.

Georg knikte.

‘De jongens die al sinds de zomer aan het front zijn, hebben het allemaal even beroerd. Ze zijn ziek, verzwakt, verdoofd, gewond, gedemoraliseerd. Ze zijn op van de zenuwen of ze hebben een shell-shock. Ik heb ook gruwelijke dingen meegemaakt, maar ik kwam pas aan het front na de twee grote gevechten om Ieper in oktober en november. Nauwelijks anderhalve maand had ik gevochten, toen ik deze schotwond opliep. Dank zij die kogels kon ik naar huis. Ze hebben erger voorkomen. Ik heb na Kerstmis zelfs alle hoop in de mensheid nog niet opgegeven.’

Kerstmis… Zouden de summiere berichten, toespelingen eerder, over ongehoorde, schandelijke toestanden aan het front op waarheid berusten? Siegmund had me in de Vorwärts regels laten lezen over gebeurtenissen die in kranten van het midden en van rechts “tekenen van zwakte bij de vijand” heetten.

‘Jullie zullen me niet geloven,’ zei Georg, terwijl hij zich rechtop hees in zijn stoel. ‘Ik heb niet achter, maar voor de borstwering gestaan. In het niemandsland.’

‘Het is dus echt gebeurd,’ zei ik.

Hij knikte. ‘Het is echt gebeurd. Maar als ik het in een bioscoop had gezien, had ik gezworen dat het in scène gezet was.’

‘Toen ik eind november aan het front kwam, had het al maanden abnormaal geregend. Maar in december was er een regelrechte zondvloed. Er kwam geen gewoon water naar beneden: de kleur was grijs, bij vlagen zwart, en groen in de granaattrechters. Op de modderpaden en de wegen veranderde de regen in slijm. In de loopgraven waadden we tot onze knieën door het water. Er was met potten en pannen niet tegenop te hozen. Af en toe zakte een van ons tot zijn borst in de modder; dan moesten we hem er met touwen weer uit zien te trekken. Jullie begrijpen dat veel van ons leden aan reuma en loopgravenvoeten. Daar hadden de Engelsen een stuk verderop natuurlijk evenveel last van als wij. Nu is de mens een eigenaardig wezen, dat zelfs in de loopgraven niet gauw kapot te krijgen is: aan de overkant was er een soldaat die telkens weer begon te zingen.’

‘Jullie lagen dus op gehoorsafstand van elkaar,’ zei ik.

‘Ja zeker: we hoorden de Engelsen hoesten en door het water waden. Ik begreep waar die soldaat vandaan kwam, want hij zong O’ a’ the airts, een Schotse ballade. Steeds weer kreeg ik kippenvel als de vijand zong en ik merkte tot mijn geruststelling dat ik nog niet afgestompt was. Op een dag, toen er geen officier in de buurt was, ben ik een van die Engelse liederen gaan zingen:

 

Where are the lads of the village tonight?

Where are the lads we knew?

In Piccadilly or Leicester Square?

No, not there! No, not there!

They’re taking a trip on the Continent…

Ze zullen aan de andere kant eerst wel vreemd opgekeken hebben. En ik was verbluft toen ze met me mee gingen zingen!

Op kerstavond werd het kouder. Misschien denken jullie dat het daardoor nog slechter werd, maar dat was niet zo. Want door de vorst was het afgelopen met de modder in de loopgraven. We zakten niet meer weg en de stemming werd zienderogen beter. Hoewel we wisten dat het verboden was, wilden we Kerstmis vieren zoals thuis: met kerstbomen. Jullie weten dat we na de enorme verliezen van de eerste maanden al veel reservisten hadden. Dat waren mannen met vrouwen en kinderen; die dachten nog meer dan wij aan Kerstmis thuis. De fanatiekste officieren lieten duidelijk merken dat ze liever de jongste lichtingen hadden, direct uit de discipline van de kazerne, in plaats van reservetroepen uit de verwekelijkte burgermaatschappij. Toen het kerstavond werd, haalden we van overal achter het front kleine sparrenboompjes in de loopgraven. We zetten er kaarsen in, echte of geïmproviseerde. Het is de gewoonste zaak van de wereld om met Kerstmis een kerstboom neer te zetten, maar het was op die plaats en die tijd zo ongewoon, dat de Engelsen in de bomen met de vreemde lichtten een list zagen en begonnen te vuren. ‘Stop!’ riepen we. ‘Niet schieten!’ Het kon geen valstrik zijn, omdat het aansteken van een lucifer al levensgevaarlijk was. Korporaal Geyer had gezegd: juist met Kerstmis moesten we bedacht zijn op een verrassingsaanval, want de Engelsman was veel te bot en materialistisch om te begrij

pen wat Kerstmis betekende. Hoe dan ook, we schoten niet terug en zodra het vuren even ophield, zetten we de kerstboompjes terug op de borstwering. Toen begonnen we kerstliederen te zingen. Zangstemmen hadden we geen van allen en goede tenoren en bassen waren hier schor geworden. Toch heb ik nooit van mijn leven een mooier koor gehoord. O, Tannenbaum zongen we, Es ist ein Ros’ entsprungen en Stille Nacht, heilige Nacht. Nu zwegen niet alleen de Spandau-mitrailleurs, maar ook de Vickers-machine-guns. Ook aan de andere kant begonnen ze te zingen: The First Noel en daarna Oh Come, All Ye Faithful, precies hetzelfde lied als ons Adeste, fideles. Nadat we zo tweetalig gezongen hadden, kwam over de bevroren velden het geluid van het stemmen van een viool. Dat is een vakman, hoorde ik. Jammer dat ik geen instrument bij me had. Toen de violist ophield met spelen, klommen we op de borstwering van onze loopgraven en begonnen te klappen. Hij speelde nog een tijd door en eindigde met ons volkslied en het hunne. De Engelsen, die ook uit hun loopgraven geklommen waren, applaudisseerden. Wij gaven drie hoeraatjes en begonnen Home, Sweet Home te zingen of te neuriën. De Engelsen waren net zo ontroerd als wij. We wisten alleen niet wat we tegen elkaar moesten zeggen. De vreemde taal was de moeilijkheid niet, maar we konden niets bedenken, nadat we maandenlang op elkaar geschoten hadden. ‘Happy Christmas,’ zeiden de meeste Engelsen, maar dat klonk al net zo vreemd als hun ‘Hello, Fritz’. Ik vroeg dus of zij het ook zo’n teringzooi vonden.

Toen het Eerste Kerstdag licht werd, zagen we sneeuw liggen op de hard bevroren grond, sneeuw die alles bedekte met een smetteloos witte laag. Rijp lag op de takken die nog aan de bomen zaten. Er was een dichte mist, die een tijd bleef hangen. Alles zag eruit als een decor. Met kloppend hart – we hadden dan wel die ongewone kerstavond achter de rug, maar wat we deden betekende een etmaal eerder nog zelfmoord – gingen we het niemandsland in. Ik vond de Tommy die de vorige avond viool had gespeeld en maakte kennis met hem, alsof ik op een receptie was. Hij was een Schot en heette Laurence Mackenzie, Laurie in de wandeling. We konden als muzikanten meteen goed met elkaar overweg. Hij ging zijn viool halen en speelde me de nieuwste ragtimes en onesteps voor. Veel bekijks natuurlijk. Saksers en Angelsers, zei hij toen hij uitgespeeld was, moesten vroeg of laat wel tot een verbroedering komen. In het niemandsland kwam de sfeer van kerstavond terug, en ik geloof niet dat er bij de Engelsen of bij ons iemand in de vervloekte loopgraven achterbleef. Ook korporaal Geyer niet: die stond met zijn neus vooraan, omdat hij wilde kijken hoe de vijandelijke loopgraven en stellingen eruitzagen.

We gebruikten de gelegenheid voor het begraven van onze doden, die soms al maanden tussen de linies lagen en leerachtige hoofden en bevroren ogen gekregen hadden. Tijdens de begrafenis las de Engelse aalmoezenier Psalm 23. Bij ons was er een theologiestudent uit Halle, die een bijbel bij zich had en dezelfde verzen in het Duits las. Ik neem aan dat jullie Psalm 23 niet uit je hoofd kennen. Ik ook niet, maar Christian, die student, heeft de woorden voor me opgeschreven.’

Georg haalde een beduimeld papier uit zijn binnenzak. Ik kwam overeind om het aan te nemen. Nadat ik het opengevouwen had, las Siegmund over mijn schouder mee.

 

De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken.

Hij doet mij nederliggen in grazige weiden;

Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.

Hij verkwikt mijne ziel,

Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om zijns naams wil.

Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods,

ik zoude geen kwaad vrezen, want gij zijt met mij;

uw stok en uw staf, die vertroosten mij.

Georg vouwde het stukgelezen papier dicht en stopte het als een boodschappenlijst in zijn binnenzak. Door een onhandige beweging van zijn elleboog vielen de krukken, die hij tegen de armleuning van zijn stoel had gezet, met veel gekletter om.

Ik bukte om ze op te rapen en voor de rand van het podium te leggen.

‘Die regels gingen over ons,’ zei Georg en knikte een paar keer, alsof hij iemand was van een grijze generatie, die jeugdherinneringen ophaalde. ‘Daarna baden de aalmoezenier en Christian het onzevader voor, zin voor zin in twee talen, en alle soldaten baden blootshoofds mee. Na het amen zwegen we. Nooit heb ik zo’n stilte gehoord als op dat ogenblik.’

Ik betrapte me op gedachten over een compositie op de woorden van deze psalm.

Siegmund zat te staren. Het gastheer spelen en behagen met een lange avond amusementsmuziek was geen prettig vooruitzicht.

‘Na de plechtigheid gingen we eten, zij in hun loopgraven en wij in de onze, alsof we meededen aan een Wandervogelkamp. Het ontbrak er nog aan dat we liedjes uit Zupfgeigenhansl zongen. Toen we onze goelasj onbedreigd opgegeten hadden, gingen we het niemandsland weer in. De zon stond op zijn hoogst en de mist was weg. We waren verlegen met de situatie en we wisten ons geen houding te geven, nu er geen ritueel meer was.

Wie er begon weet ik niet meer, maar opeens stonden we elkaar verhalen te vertellen, verhalen over thuis. Ik vertelde Laurie over jullie en Crystal Palace. Ik kon me niet meer voorstellen dat ik ooit gekankerd had op de operettetjes die ik moest spelen voor mijn brood: ze leken me de mooiste muziek van de wereld. Om van het Forellenkwintet niet te spreken. We zongen liederen voor elkaar. We gaven elkaar cadeaus. Ik heb jullie hele kerstpakket aan de Engelsen gegeven. We deelden allemaal uit. En we ruilden: onze kranten tegen hun Punch, een humoristisch tijdschrift. Onze sigaren tegen hun fantastische corned beef. Tabak was het meest in trek: zoals alle soldaten over stront praten en vloeken als ketters, zo roken ze als schoorstenen. In ruil voor een beetje tabak kreeg ik chocola, koekjes, een paar handschoenen en van Laurie iets bijzonders.’

Hij leunde achterover en strekte zijn gezonde been om ruimte te maken in zijn broekzak.

Tot onze verbazing kwam er een horloge aan een ketting te voorschijn.

‘Alleen staat het stil. Misschien is er water ingekomen. Ik zal het laten repareren. De ruil was ongelijk en ik voelde me nogal opgelaten. Behalve dat ik kerstcadeaus kreeg, kon ik urenlang vrij rondlopen. Toen zag ik pas goed wat we van het Vlaamse land gemaakt hadden: een dodenakker, omgeploegd door bommen en granaten en besproeid met bloed. Maar wij leefden nog en waren voor een tijd verlost van de oorlog. De Tommy’s en de Fritzen hadden vriendschap gesloten. Schietschijven met platte kaki petten of helmen met pieken waren menselijke gezichten geworden. Violist Laurie en contrabassist Georg wisselden handtekeningen uit, alsof ze het een eer vonden met elkaar gevochten te hebben. Laurie maakte zelfs een foto van me. Applaus. Buiging. Tot de volgende keer. Ik liep door het niemandsland in een roes van geluk. Ik zeg jullie nog een keer: had ik mezelf in de bioscoop gezien, dan had ik niet in mijn eigen bestaan geloofd. En misschien geloven jullie mijn verhaal ook niet.’

We ontkenden het in alle toonaarden.

‘Ook met de Fransen en aan het oostfront met de Russen schijnt er hier en daar een verbroedering geweest te zijn,’ zei Georg, ‘maar niet zo sterk als bij ons met de Engelsen. De Fransen stonden op eigen bodem en de Engelsen en wij niet.’

‘Hoe lang heeft het bestand geduurd?’ vroeg Siegmund.

‘Bij ons anderhalve week. We hebben elkaar een gelukkig Nieuwjaar gewenst en zijn een paar dagen later weer op elkaar gaan schieten. Waarom? Ik weet het niet. Waarom we niet massaal geweigerd hebben? Ik weet het niet. Wie mij geraakt heeft? Ik weet het niet. Ik hoop niet dat het de Schotse muzikant…’

De zijdeur achter het toneel sprong open. Druk pratend en met de vrije hand gesticulerend kwamen de collega’s met hun instrumentkoffers het toneel op. Blijkbaar waren hun treinen tegelijk S-Bahnstation Friedrichstrasse binnengereden. Toen ze hun koffers neergelegd hadden en tegen de podiumverlichting de schemerige zaal inkeken, ontdekten ze ons. Acht man sprongen van het hoge podium, trokken Georg uit zijn stoel omhoog, omhelsden hem hardhandig en ontdekten, toen hij kreunde van de pijn, dat hij niet stevig op zijn benen stond. De nieuwe klarinettist, die hem nog niet kende, en de remplaçant op de contrabas waren voorzichtiger. Georg moest vertellen. Maar hij was doodmoe. Voor de binnenkomst van het publiek, dat hoorbaar de poorten van ons paleis begon te belegeren, wilde hij naar huis. Morgenavond zou hij terugkomen om de anderen verslag te doen. We vonden allemaal dat hij zonder eten niet mocht gaan. Na het voer uit de gamellen moest hij weer eens echt voedsel proeven, van de kwaliteit die hier aanstonds de Posinsky’s voorgeschoteld kregen. Siegmund zou zorgen dat het klaargezet werd in de keuken. Georg kon dan van daaruit met stille trom via achterdeur en binnenplaats verdwijnen, om niet door de artiesteningang of de feestelijk verlichte zaal en entreehal de straat op te hoeven strompelen en als een vlieg in een glas sekt de feestvreugde van de dames en heren te bederven. De voorstelling ging door en het was onze taak de illusie van het na-ons-de-zondvloed in stand te houden.

We hadden nog tien minuten respijt voor de zaaldeuren opengingen. Tien minuten precies, want weinig dingen in Friedrichstadt stonden zo onwrikbaar vast als de openingstijd van het Kristallpalast. De late binnenkomers moesten vragen over Georg voor zich houden en de tijd die restte gebruiken om te stemmen en in te spelen. Klaus spande zijn trommelvellen; Anton trapte zijn harmonium; het strijkkwintet spande zich in om niet overstemd te worden door de vier blazers. Ik had al ingespeeld en omdat ik niet hoefde te stemmen, kon ik achteroverleunen. De nerveuze bedrijvigheid op het podium liet een rilling gaan door het idyllische, zonbeschenen berglandschap naast me. Het tafereel op het achterdoek was voortgekomen uit de fantasie van de decorschilder, maar het deed me altijd denken aan landschappen in het Saksische Vogtland. Het componeerhuisje voor mijn Vioolconcert, daar zou het moeten staan… Ik dacht aan de zomer in Bad Elster bij Markneukirchen, waar ik in de Kurkapelle voor het eerst met Siegmund en Georg had gewerkt. Het contrabastalent kwam uit de streek, terwijl Siegmund en ik het winterseizoen in Berlijn werkten. In verschillende theaterorkesten, waardoor we elkaar vóór Bad Elster alleen van naam kenden. De verdiensten, het bier, de bergen, het spelen in de zoele buitenlucht en de drie Vogtlandse meisjes hielden ons die zomer in Bad Elster. Tussen de bedrijven door had ik een goed stuk van de eerste akte van Unwiederbringlich op papier gekregen.

Siegmund stak zijn strijkstok omhoog en vroeg om stilte: het was bijna tijd.

Het doek met het idyllische landschap rimpelde een laatste keer en kwam stil te hangen tegen de muur erachter. Aan de binnenplaats draaide het aggregaat op volle toeren. De elektrische kroonluchters gingen aan en toverden de schemerige ruimte om in een feestzaal. Het grauwe marmer werd fijn dooraderd wit; de pluche stoelen kregen een diepe purperen gloed en het verguldsel van de rijk bewerkte poten begon te glanzen; door de schittering van de luchters leken de met Versailles-achtige spiegels beklede wanden te wijken.

De deuren gingen open. De series spiegelingen lieten de groepjes binnenkomende bezoekers groeien: een paar dames werden een modeshow; drie, vier heren een notabelenclub en samenscholende officieren een elitekorps. Onze obers verdubbelden zich tot rijen variétéartiesten die de glazen sekt en uitgelezen wijnen na eindeloos repeteren precies gelijk en symmetrisch konden schenken. Einzug der Gladiatoren! Orpheus zette in en overstemde het geroezemoes van begroetingen, het geaffecteerde gelach en de kreetjes van bewondering met de trompetstoten en de wervelende chromatiek van Julius Fučiks triomfmars. Het feest was begonnen.

Er gingen bladzijden voorbij dat ik niet aan een publiek dacht. Dan was het of er niet alleen links achter, maar ook rechts voor me een doek hing, een halfdoorzichtig gaas tussen de echte wereld van het podium en de schijnwereld van de zaal. Wat er achter het scherm gebeurde ontging me dan, al zag niemand dat aan mijn gezicht. Siegmund daarentegen maakte iedere avond de indruk of hij uren op de voorstelling had gewacht, nerveus als een raspaard voor een draverij op Hoppegarten. Hij was de publiekstrekker. Liefhebbers van vioolspel en muziek kwamen hier ruimschoots aan hun trekken. Gasten die voor het dansen kwamen, voelden dat Siegmund von Falkenstein een Stehgeiger was bij wie ze niet uit de maat raakten. Wie niet luisterde of danste, had aan Siegmunds gezicht met de glande ogen en het donkerbruine, golvende haar genoeg te zien. En wie voor al die dingen ongevoelig was, kon luisteren naar de pikante geruchten dat Falkenstein onder één hoedje speelde met de linkse sozi’s.

Als iedere avond presenteerden we na het openingsnummer een operaselectie. Voor vandaag had Siegmund La Bohème van Puccini uitgezocht, omdat in deze tijd een Italiaanse opera beter te verkopen was dan een van Tsjaikovski, Rimski-Korsakov, Bizet, Massenet, Thomas of een andere componist uit een land van de Entente. Jammer van die leuke Orpheus in de onderwereld van Offenbach… Dat de maker van het Puccini-arrangement Emile Tavan heette en violist aan de Parijse Opera was, wist toch niemand; ook de grootste chauvinisten zouden straks voor hem applaudisseren. In de regie van het programma was de lange operaselectie noodzakelijk om de obers en het publiek gelegenheid te geven vorderingen te maken met het diner. Chef-kok Ziegenhals moest de logistieke problemen oplossen, de obers mochten op hun marsroute geen gehaaste indruk maken, de heren moesten voor de dansnummers kwamen over het menu de dames bespioneren en hun jachtterrein afbakenen en de dames wilden vanachter de vorken en messen een blik werpen op de avondtoiletten en de verdere camouflage van de vijand.

Naast de stamgasten, die ik taxeerde als hogere ambtenaren, mensen uit de handel, fuifnummers uit de garderegimenten en grondbezitters uit de provincie, zag ik hier de laatste maanden een nieuwe groep verschijnen. Geen lagere ambtenaren en middenstanders, die met moeite de touwtjes aan elkaar knoopten, en al helemaal geen proletariërs: die bleven buiten om de Friedrichstrasse te vegen en er de nieuwe U-Bahn aan te leggen. Het waren de Posinsky’s, de nieuwe rijken, die hier kwamen opsouperen wat ze elders aan de oorlog verdienden. Ons publiek ging er niet op vooruit. De opgedofte vrouwen die hier kwamen vond ik meestal niet om aan te zien. En zij hadden op hun beurt alleen maar oog voor Siegmund, die jonger en attractiever was dan ik en Stehgeiger. Vioolspelen werkte waarschijnlijk meer op hun fantasie dan pianospelen, een liefhebberijtje dat ze zelf ook beoefenden. Een pianoleraar hoorde erbij, net als een coupeuse of beter nog een couturier. Atelier Pechstein hier in de straat en de ontwerpers in het welgestelde westen van de stad hadden nog steeds werk. Want er gebeurde veel aan het modefront. Al voor de oorlog was het korset gevallen, tegelijk met de bloemen in de kapsels. De taillelijn was opgegeven. Eén moedige vrouw begon ermee, spitsroeden lopend, en een paar weken later marcheerden alle dames in dezelfde wapenrusting het Kristallpalast binnen, alsof ze nooit anders gedaan hadden. Na de zomer was het razendsnel gegaan: toen iedereen dacht aan een vlotte overwinning, rukte de taille weer even op; de rokken werden ruimer en de ruches rijker. Maar toen de oorlog vastliep in de loopgraven, werden de soberder jurken zuiniger uit de stof gesneden. En nu begon de solidariteit met de strijders aan het front en in de wapenindustrie gestalte te krijgen: hier en daar verscheen iets militairs in de snit, terwijl sommige ontwerpers met een oplettend oog naar werkkleding begonnen te kijken. Waar mannen wegvielen moesten vrouwen hun plaats in de fabrieken bezetten, wat alleen kon in praktische kleding. De inspannende bezigheden aan tafel en op de dansvloer waren in de nieuwe kleding langer vol te houden. Misschien kwam er nog een tijd dat vrouwen dansten in jurken genaaid uit overtollig geworden mannenuniformen, op muziek uit een nieuwe succesoperette Frauen in Feldgrau.

In de eerste pauze werden Siegmund en ik achter het podium bestormd met vragen over Georg. Wat was er nu precies met hem gebeurd? En waar was het gebeurd? Had hij veel pijn? Moest hij terug naar het front? Wij zeiden dat hij dat het beste zelf vertellen kon: morgenavond zou hij terugkomen om verslag uit te brengen. Twee kogels zaten er in zijn been, dat konden we wel zeggen.

Kurt vond deze kogels een aanleiding om de militaire marsen van het programma af te voeren, definitief, met ingang van morgen: we hoefden ons niet alles te laten welgevallen. De Oostenrijkse marsen konden we als concessie handhaven. Die waren wel sentimenteel maar niet zo vulgair als onze militaire marsen met altijd weer diezelfde stramme ritmen, signaalachtige thema’s en ronkende titels. Deutschlands Waffenehre! G’wehr raus! Soldatenblut! Siegreich vom Kampf zurück! Heil dir im Siegerkranz! David had al sofakussens gezien die Heil dir im Siegerkranz speelden als je ertegen leunde en champagnekoelers in de vorm van een mortier. Met die militaristische propaganda wilde Kurt niets meer te maken hebben. Sommigen, onder wie de twee remplaçanten, hadden geen mening, maar de meerderheid ging met Kurt mee. David, Siegmund en ik waren tegen. Siegmund hield voet bij stuk en zei dat we geen mars minder zouden spelen. Er was maar één soort stukken die we categorisch weigerden: nummers als Adieu, Herr Poincaré of Joffre, pack deine Koffer, die ze in de cabarets speelden – de goede als dat van Rudolf Nelson niet te na gesproken – de Pariser Einzugsmarsch en de Ki-Ka-Kamerun-Polka over de domme nikkertjes. Hadden we daarvoor een sozi als orkestleider? vroeg Kurt geïrriteerd. Siegmund vond dat we ons door een demonstratieve weigering militaire marsen te spelen belachelijk zouden maken. Niemand zou ervan onder de indruk raken, behalve Arkadia en het Lindencasino, die hun omzet zouden zien stijgen. De chauvinisten onder onze bezoekers konden we niet veranderen. We speelden voor de mensen die door de oorlog nog niet afgestompt waren. En Kurt mocht blij zijn dat hij geen trompettist was in een van de dertig militaire kapellen.

Ik had het zeker ook aan Siegmund te danken dat mijn pianotechniek op peil bleef. Kwamen de anderen maar een enkele keer aan bod – Kurt studeerde ijverig op het halsbrekende Carnaval van Venetië – ik moest iedere avond solistisch optreden en nooit met twee keer achter elkaar hetzelfde. Daardoor kreeg ik niet de kans een luie pianist te worden. In deze rotte wereld was vakmanschap ons laatste houvast, vond Siegmund, en hij had gelijk. Het treurigste wat ik me op een podium kon voorstellen was een pianist met trillende handen en een verzopen kop met losse, bruine tanden, onderdanig buigend tot de bezoekers merkten dat het pianospel afgelopen was. Voor mij was er altijd een behoorlijk applaus, hoewel ik in mijn hart verlangde naar meer: gefundeerde bijval van een publiek dat alleen maar oor had voor mijn muziek en er niet bij zat te eten, te drinken en te praten. Misschien kreeg ik dat pas als deze oorlog voorbij was. Of als hij nog veel langer duurde.

Mijn Tweede Hongaarse rapsodie – niet de vereenvoudigde uitgave die je in andere etablissementen hoorde, maar de originele versie van Liszt – had succes: na de langzame lassan had ik de friska dan ook in een roekeloos snel tempo gespeeld. Toch werd de zaal pas echt stil toen Siegmund zijn viool stemde. Vorken en messen gingen neer en servetten omhoog naar de monden. De viool won het nu eenmaal altijd van de piano, net zoals de musicus op het podium het altijd won van de componist in het kamertje achteraf. Vioolspelen, dat er niet toevallig uitzag als een ballet van vingers en armen, was een gave van de Heer; componeren was bureauwerk en pianospelen iets nijvers aan een toetsenbord. Wie niet begaafd was moest ijverig zijn.

Terwijl ik mijn pianolampje aanknipte, doofde de podiumverting op één schijnwerper na, een lichteiland voor de vioolsolist. Het solonummer was nu eens niet De kanarie van Poliakin of Monti’s Csardas, maar de veel moeilijker Zigeunerweisen van De Sarasate. Siegmund wist er echt iets van te maken: wat de tweederangs componist liet doorgaan voor zigeunerleed werd op de Stark in Siegmunds handen werkelijk verdriet. Bij vlagen werd ik er zelf door meegesleept en dan vergat ik alles in een blinde musiceerwoede. Op andere momenten zag ik, terloops opzij kijkend, dames met zakdoekjes in de weer. Wie weet werden er echte oorlogstranen geplengd. Dan hoefde dit stuk misschien geen stilistisch hoogstandje te zijn. Dan was het te verdedigen om een paleis op te trekken, de zaal te bekleden met spiegels en te verlichten met luchters, een podium te bouwen, er een schijnwerper op te richten en een musicus te vragen een rok aan te trekken en een viool te pakken.

Het applaus duurde lang en de dames en heren stonden zelfs van tafel op. Orpheus verscheen met zijn lier, de dieren aan zijn voeten, waar de gasten ophielden met klappen om de catalogus met ons beeldmerk in goudopdruk op te nemen en tussen de meer dan duizend stukken van ons repertoire de titel van het pasgespeelde nummer nog eens na te slaan. Voor anderen waren de titel en de naam van de componist minder belangrijk; hun ging het om de violist en zijn “gave”. Een onzinnige term volgens Siegmund: hij had zijn scherpe oren en behendige vingers van niemand cadeau gekregen, maar ze zelf gemaakt in jaren van moeizaam studeren. Hij bedankte minzaam glimlachend voor het applaus en ogenschijnlijk verrast voor het compliment van Fuchs, die altijd zorgvuldig het ogenblik koos om binnen te komen voor zijn rondje handen schudden langs de tafels.

Ik telde de nummers en de pauzes niet meer. We speelden balletten en karakterstukken, de eerste met vuur, de laatste koel en technisch. De karakterstukken deden hun naam geen eer aan, maar we wisten dat de oudere bezoekers eraan gehecht waren en daarom hielden we er een aantal op het programma. Met routine streken, bliezen en sloegen we ons erdoorheen. We speelden romances, rêveries, caprices, nocturnes, idylles, cavatines, pensées of meditaties, zonder zelf één moment romantisch, dromerig, grillig, nachtminnend, idyllisch, zangerig, nadenkend of meditatief te worden. Eén karakterstuk was wegens al te veel gebrek aan karakter van het programma afgevoerd. Tot het uitbreken van de oorlog hadden we, om niet achter te blijven bij andere orkesten en bij draaiorgels, speeldozen en grammofoons, Jessels Parade der Zinnsoldaten gespeeld. Honderden keren, misschien meer dan duizendmaal. Het publiek had er tot vervelens toe om gevraagd. In sommige andere etablissementen maakten de muzikanten er theater van met kolbakken, trommeltjes en houten sabels. Dat speelgoed was door de oorlog opzijgeveegd. We probeerden andere waardeloze genrestukken te vergeten en uit het repertoire het beste te halen: verfijnde stukjes van Dvořák, Grieg en Sinding en liederen van Tosti in bewerkingen van Tavan. Alleen op uitdrukkelijk verzoek speelden we de werkjes van Ludwig Siede: Liebelei, Erster Kuss, Leuchtkäferchens Stelldichein en hoe ze heten mochten. Eilenbergs Mühle im Schwarzwald had niet veel meer te malen, net zo min als Langes tandeloze Grossmütterchen. Je vroeg je af waar die componisten hun succes aan te danken hadden. Hoe kon Badarzewska-Baranowska’s Gebed van een jong meisje zo inslaan dat de componiste zich geroepen voelde een Tweede gebed van een jong meisje te schrijven en ten slotte zelfs het Verhoord gebed of Antwoord op het gebed van een jong meisje? Waarom werd er om die pianostemmersvirtuositeit gevraagd? Misschien omdat deze tijd zoveel niet-verhoorde gebeden kende.

De overgang naar het blok walsen beviel me: die stukken hadden tenminste nog vitaliteit. Het nummer uit Soldatenblut dat we hadden zullen spelen, schrapten we, omdat we na Georgs verhaal in zo’n titel geen zin hadden. Kurt had niet helemaal ongelijk. We vervingen die wals door de Kaiserwalzer van Strauss en de Geschichten aus dem Wienerwald. Dat waren bovendien betere composities.

Wat de Kaiserwalzer betrof: David had ons gisteren met een priemende wijsvinger in de catalogus al gewezen op het vorstelijke aantal keizerlijke muzieken. We hadden behalve de Kaiserwalzer van Johann Strauss de Kaisermarsch van Franz von Blon, Hurrah, der Kaiser opus 40 van Fritz Thormann, Des Kaisers Waffenruf van Josef Franz Wagner en van diezelfde Wagner dan nog Die Fahne des Kaisers en het onvergetelijke Kaiser, dich verlassen wir nicht. ‘Geef de Keizer wat des Keizers is,’ zei David. Hij had het plan geopperd de zesenvijftigste verjaardag van het staatshoofd te vieren met een speciaal Keizerprogramma, waarbij we de verschillende Keizers die tot dit alles geïnspireerd hadden in een nieuwe Heilige Alliantie zouden verenigen. We konden dat programma schrijven met Kaisertinte en allemaal het podium opkomen met een Es-ist-erreicht-snor, zodat vierentwintig opgedraaide snorrepunten het staatshoofd een saluut zouden brengen. Siegmund verwachtte moeilijkheden: één beeltenis van de Keizer getuigde van eerbied, maar twaalf besnorde keizershoofden op een rij betekenden net zoveel majesteitsschennis als twaalf gekruisigde Jezussen heiligschennis. David vond dat de man die altijd onze liefde en trouw vroeg, die ook verdiende, omdat hij zo’n groot muziekliefhebber was. Dat de Keizer veel van opera en theater hield wisten we, maar misschien kenden we niet allemaal de naam Dietrich Graf von Hülsen-Häseler? Nee, sommigen niet. Die man was chef van het militaire kabinet geweest, zei David. Hülsen trad vaak op voor de Keizer en zijn gasten, niet met een verhaal over militaire zaken en ook niet als muzikant, maar als danser, en wel in een elegante tutu. Keizerin Auguste wilde er niet bij zijn, wanneer de graaf zijn pirouettes en arabesken draaide, maar de Keizer en zijn gasten hadden jaren van het ballet genoten. Tot Hülsen tijdens een van zijn voorstellingen, een jaar of zeven geleden, zijn fatale hartaanval kreeg. Dat was nog eens dansen, en lijden voor de kunst!

We eindigden de avond met nieuwe Amerikaanse dansen, het programmaonderdeel waar de jongere generatie de hele avond op gewacht had. Wij vonden niet alles even geweldig. De tijd had de beste composities er nog niet uitgezeefd. Maar de dansen waren pittig en het kon niet anders of iets van die nieuwe ritmen en syncopen zou doordringen in mijn komende composities, het Vioolconcert voorop.

De laatste paar jaar was het aantal nieuwe dansen met sprongen toegenomen, net als het aantal partituren en partijen met copyright New York, Boston of Buenos Aires. En sinds een jaar of twee, drie speelden we de onestep, de ragtime en de tango hier in het Kristallpalast. Na de danswedstrijden in het Admirals-Palast was het snel gegaan. De wals had het rijk niet meer alleen. Ons beschaafde publiek danste de nieuwe onestep precies volgens de regels, maar in de danszalen bij mij in de buurt en verder in de buitenwijken dansten ze een variant in het ritme van de twostep. De Schieber noemden ze die. Een mooie pas was het niet, maar je kon er alles van tango tot cake walk mee dansen. Voor zover je in de buitenwijken nog kon dansen, want de afgelopen maanden waren daar steeds meer danszalen ingericht als reservelazaret. Over de Schieber kwamen bij de politie klachten binnen. Alsof er in deze tijd niets anders was om over te klagen! Het heette dan dat er in het openbaar onzedelijk gedanst werd: de paren maakten niet alleen de gewone bewegingen, maar de vrouw spreidde de benen zo, dat je de onderjurk en de kousen kon zien; of het ene been gleed bij het naar voren buigen van het andere been zover over de vloer naar achteren, dat de rok opschoof, en daardoor kon je niet alleen het beklede onderbeen, maar zelfs een stuk van het blote bovenbeen zien. Zulke uitwassen mocht de hoofdcommissaris niet tolereren!

Op die manier werden we natuurlijk nooit een wereldstad als Londen of Parijs… Wij, de collega’s en Fuchs, zagen aankomen dat de Engelse en Amerikaanse onestep en ragtime Duitsland en het continent veroverden en dat er een eind kwam aan het monopolie van de wals en aan de zogenaamde zuiverheid van de Duitse muziek. Rokken zouden steeds verder opschuiven, niet tegengehouden door politieverordeninggen. Uitgevers zouden met oude voorraden bladmuziek blijven zitten. Orkesten die niet met hun tijd meegingen zouden brodeloos worden.

Vooral de jongere lichtingen van het publiek hadden nog uren door willen gaan met Nieuwe Wereldsuccessen. Het moest onder Siegmunds leiding ook goed dansen zijn: zijn tempi waren constant en iedere avond gelijk en zowel de muzikanten als de dansers wisten bij iedere versnelling, vertraging en fermate waar ze aan toe waren. Maar we moesten sluiten. Een zucht van teleurstelling ging door de zaal.

Eén toegift nog, besloot Siegmund met goed gespeelde spontaniteit. Hij rekte het nadenken en koos wat we gisteren niet zonder bijgedachten hadden afgesproken: het nummer uit Hurra, wir leben noch van Victor Hollaender. De vijf jaar oude revue deed het nog steeds goed en de tekst had een onvoorziene actualiteit gekregen:

 

Over een uurtje zijn we perdutto,

over een uurtje zijn we caputto,

over een uurtje komt er een plof,

over een uurtje zijn we weer stof.

Het zat erop. Siegmund mat zijn dank voor het applaus breed uit en haalde ons, chef-kok Ziegenhals en directeur Fuchs een voor een voor het voetlicht. Onder het buigen en handen schudden moest ik opeens denken aan de man die niet Hollander heette, maar er een was: mijn oude pianoleraar James Kwast van het Klindworth-Scharwenka-Conservatorium. Door hem na mijn eindexamenconcert de hand te drukken had ik – via zijn leraar Theodor Kullak en diens leraar Carl Czerny – Ludwig van Beethoven de hand gedrukt. En via mijn compositieleraar Reinecke was ik zo in contact geweest met Mendelssohn en Schumann.

Als iedere avond hadden we een redeloze haast om naar huis te gaan. We waren net kinderen na een partijtje, met misselijke taartjesmagen en tot barstens toe volle blazen die dringend geleegd moesten worden. Ik sloot snel de vleugel, waarvan de dichtklappende klep het idyllische landschap op het achterdoek een laatste maal deed rimpelen. Zo snel als de kwetsbare instrumenten en het breekbare Kristallpalastfatsoen het toestonden, pakte Orpheus in en verliet het podium. Ik betrapte me erop dat ik de Berlijnse politie dankbaar was dat ons etablissement moest sluiten. Een Stehgeiger zou dat zeker zijn na een avond staan.

Met zijn vioolkist als ijsbreker baande Siegmund ons een weg door het dicht opeengepakte publiek dat op het trottoir tot voor de artiesteningang van het Kristallpalast stond na te praten en op rijtuigen te wachten. Hij werd een paar maal staande gehouden door heren die hem amicaal bij zijn schouder pakten en hem met dikke tong moeizaam geformuleerde complimenten maakten. Met onderdrukte irritatie en een professionele glimlach op zijn gezicht deed hij een paar keer of hij luisterde, maakte zich daarna los, trok de rand van zijn hoed dieper over zijn voorhoofd en stak abrupt de straat over, gevaarlijk dicht voor een rijtuig.

De trams en de S-Bahn reden niet meer. Sommige heren met onbeperkte middelen slenterden nu naar een nachtclub of een bordeel in de buurt. Anderen namen haastig het rijtuig naar het volgende vertier; wanneer ze erbij wilden horen moesten ze doorzakken en tegen zonsopgang bewusteloos in bed vallen, om ‘s avonds tegen zessen op te staan met dorst en hoofdpijn, die ze in de volgende ronde weer moesten wegdrinken.

Wij liepen. Op dit uur dat Berlijn het best te verdragen was, konden we ons zweet laten opdrogen en onze longen volzuigen met ijskoude lucht, die een zweem van kolenstook droeg, maar niet verpest was door lauwe drankwalm en parfums. Na de uren achter de piano met mijn voeten op de pedalen kon ik mijn benen strekken en Siegmund mocht eindelijk zijn grijns afleggen en loopviolist zijn in plaats van staviolist. Onderweg was hij nooit een drukke prater, zeker niet als er nog mensen van ons publiek in de buurt waren. We liepen dan ook het hele stuk Friedrichstrasse uit zonder een woord te wisselen.

Toen we bij het Victoria Café linksaf de Linden opgingen, liepen we een pas of tien achter twee officieren, die uit de richting van de Brandenburgse Poort kwamen. Hoewel ze uiteenlopende maten en gewichten hadden, sloegen de hakken van de laarzen onder hun lange officiersjassen hetzelfde marsritme op het trottoir, waardoor het leek of er één paar laarzen liep. Ik versnelde mijn tempo, om niet met de militairen in de pas te lopen en merkte dat Siegmund hetzelfde deed. We vielen midden in een gesprek, dat door de ongegeneerd luide toon waarop het gevoerd werd gemakkelijk te volgen was, wanneer er geen rijtuigen voorbijreden.

‘Die hebben we de voet kunnen dwars zetten,’ zei de langste van de twee met een basstem. ‘God straffe het perfide Albion!’

‘Kleinzielige kruideniers zijn het, die Engelsen,’ zei de tenor. ‘En de Fransozen Gallische grappenmakers.’

‘Haha,’ lachte de bas, ‘niet slecht getroffen.’

‘Die twee volken hebben wat ik altijd noem een smokingcultuur. Maar Duitsland, Duitsland is oprecht. Voor ons is de oorlog een innerlijke noodzaak. Wat wij willen is oorspronkelijkheid, waarheid, zelfvervulling. Wij vechten tegen banaliteit, huichelarij, tirannie…’

De rest ging verloren onder paardehoeven.

‘Een weldaad, een genade. Ondanks de dood en de vernietiging waarmee hij gepaard gaat. Ja, ik vind eigenlijk dat de oorlog iets heeft van een kunstwerk.’

Siegmund keek me aan. Hij had me gisteren gezegd dat “Leven als God in Frankrijk” volgens hem niet toevallig een Duits spreekwoord was. Stinkend jaloers waren ze in het Slot en in de Kazerne. Het middelpunt van de wereld van de schoonheid was nog altijd niet het Spree-Athene, maar Parijs, zelfs als je domweg rekende. De Champs-Elysées waren langer dan de Linden waar we liepen. De Seine was vele malen breder dan de Spree. De Arc-de-Triomphe hoger dan de Brandenburgse Poort. De Notre-Dame ouder dan de Dom. Het Louvre rijker dan het Oude Museum. Montmartre uitdagender dan Friedrichstadt. Iets wat op de Eiffeltoren leek bestond hier niet. Alleen de Berlijnse kazernes wonnen het. De overwinning van ‘71 was niet genoeg; de Pariser Einzugsmarsch werd nog steeds gespeeld.

‘Engeland en Frankrijk zijn tenminste nog tegenstanders van formaat,’ zei de officier met de grootste schofthoogte. ‘Maar dat verdomde België, dat onze opmars zo vertraagd heeft…’

‘Tot we de Krupp-kanonnen inzetten.’

‘Tot we de Dikke Bertha inzetten – dat België zie ik als een politieke misgeboorte. De zogenaamde Belgische nationaliteit heeft haast iets komisch. Eigenlijk moet je medelijden met die mensen hebben. Het zijn wel Europeanen, geen muizevallenverkopers als de Serviërs of ongewassen boeren als de Russen, maar wij zouden België moeten inlijven om het zijn bestemming te geven.’

‘Natuurlijk,’ zei de ander, die begon te gebaren alsof hij een stafkaart voor zich had. ‘Heel het gebied van Limburg, Brabant, Antwerpen en Vlaanderen zou Duits moeten worden, tot aan Calais. Dan weten we waarvoor we gebloed hebben. Holland hebben we links laten liggen…’

‘Rechts.’

‘Goed, geografisch rechts. Het Hollandse broedervolk zal zich in de toekomst graag bij ons aansluiten, wanneer het ziet dat wij de leiding in Europa hebben overgenomen. Maar zover is het nog niet. We moeten eerst doorvechten om dit karwei af te maken, desnoods tot de jonge mannen op het slagveld grijze haren hebben. Eerst afrekenen met Frankrijk en Engeland.’

Als op afspraak gingen we nog wat sneller lopen om de twee officieren te passeren. Voor me zag ik een speknek onder hoog opgeknipt borstelhaar en daarop een hoofd, in de uniformkraag gevat als een elektrische lamp in een fitting. De zijkant vertoonde het litteken van een duel en de voorkant een Ludendorff-blik onder zware wenkbrauwen. Ik probeerde me voor te stellen hoe koning George, president Poincaré en tsaar Nicolaas zulke hoofden bekeken. Ondanks alle verschillen misschien net als wij: met een mengeling van geamuseerdheid, verachting en angst.

De officier naast me keek terug en leek vooral belangstelling te hebben voor Siegmunds vioolkist. In het Kristallpalast merkte ik meer dan eens dat reactionaire politieke opvattingen liefde voor de muziek niet uitsloten, al had ik dat toen ik jonger was nooit willen aannemen. Kon ik voor mijn Vioolconcert maar een muzikale taal bedenken die zulke mensen niet verstonden!

Door de wind in de rug konden we het gesprek nog een heel eind volgen.

‘Volgens mij,’ zei de bas, ‘is dat de Stehgeiger uit het Kristallpalast in de Friedrichstrasse. Ik ben daar vorig jaar een avond geweest. Die kerel hoeft niet onder te doen voor de Parijse artiesten.’

‘Meer nog: ook de Franse mijnstreek. Het wordt hoog tijd dat we doorbreken en de Fransen en Engelsen in hun loopgraven te grazen nemen.’

‘Hoe heet hij, Falk, Falkenhayn, Falkenstein… Die naast hem is geloof ik zijn pianist.’

‘Als ze er eerst maar uitgebombardeerd zijn,’ zei de ander. ‘Dan kan het eindelijk vrede worden.’

In plaats van woorden kwamen er wolkjes uit Siegmunds mond. Het tempo van zijn ademhaling gaf zijn graad van irritatie aan. Ik voelde dat hij de lange weg van het ruiterbeeld van koning-componist Frederik de Grote tot de Mendelssohnstrasse niets meer zou zeggen. Ik ook niet. In mijn hoofd dreinde de schlager van Hollaender na: Over een uurtje zijn we perdutto, over een uurtje zijn we caputto, komt er een plof… zijn we weer stof… Ik wilde zo snel mogelijk naar huis om met Siegmund verder te praten over het Vioolconcert.

Eerst moesten we nog de Lustgarten over, de barre, winderige vlakte tussen Dom en Slot. De twee ondoorgrondelijke gebouwen waren donker en door God en de Keizer verlaten. In deze buurt woonde geen mens; hier lag niemand wakker, piekerend over honger of huisuitzetting of over mannen en zonen aan het front. Ik begon mijn passen langs het Slot te tellen: honderd… tweehonderd… driehonderd… vierhonderd… vijfhonderd… vijfhonderdtwintig.

We staken de tweede Spreearm over. We passeerden de Heilige-Geist-Strasse. We sloegen rechtsaf. De Spandauer Strasse leek tweemaal zo lang als anders. We gingen linksaf. Er kwam geen eind aan de Königstrasse. De Alexanderplatz was een verlaten slagveld met in de verte Jagows hoofdbureau van politie. We waren er nog niet: de hele Neue Königstrasse lag nog voor ons.

Niets was zo fnuikend voor grote plannen als kou. Terwijl Siegmund de petroleumlamp aan de muur boven de keukentafel ontstak, schepte ik kolen in het fornuis. De temperatuur in de kleine keuken liep snel op, zodat we ons konden bevrijden van de vlinderdas, de knellende boord en de jas van de rok: het uniform van de lakei. Ik trok een trui aan, de versleten trui waarin ik de winter van ‘13 mijn Symfonie gecomponeerd had, en gaf Siegmund een andere. Daarna maakte ik de laatste twee van mijn moeizaam veroverde beugelflesjes Schultheiss open.

We gingen aan de keukentafel zitten. Het was of de warmte en de alcohol Siegmund begonnen te ontdooien. Hij wreef zijn handen en zijn armen om de bloedsomloop te stimuleren. De schlager van Hollaender was uit mijn hoofd verdwenen, net als de marsen, walsen, tango’s en operettes. Ik voelde dat ik hard gewerkt had, maar ons optreden in het Kristallpalast en de wandeling naar huis leken achteraf niet meer dan een korte onderbreking van het echte werk. Alsof we moesten vergaderen aan de hand van een strikte agenda, gingen we verder waar we gebleven waren.

De stijl van het concert en de klank van de soloviool waren aan de orde geweest. Zeker zo belangrijk was de klank van het ensemble.

‘Met dezelfde bezetting kan ons orkest totaal anders klinken,’ zei ik. ‘De rangorde wil ik afschaffen, de verdeling in eersterangs en tweederangs instrumenten, in solisten en begeleiders. De tweede viool gaat niet meer slaafs met de eerste mee. De altviool moet niet meer bladzijdenlang na de tel spelen of vervelende tussenstemmen invullen. De contrabas wordt verlost van zijn tonica en dominant. De fluit krijgt andere dingen voorgeschreven dan trillers en kokette loopjes en het koper hoeft eens niet de hele tijd te schetren. Het slagwerk wordt ontketend. Er moet een polyfonie ontstaan van gelijkwaardige stemmen. Ieder instrument is een individu en tegelijk een onderdeel van de groep. Orpheus wordt bevrijd.’

‘Daar voel ik veel voor,’ zei Siegmund.

‘Eén instrument wil ik eruit halen.’

‘En dat is?’

‘Het harmonium. Het is te traag, te vroom. We hebben het nu nodig als imitator en vervanger van ontbrekende instrumenten: hobo’s, fagotten en hoorns. Maar ik wil in mijn Vioolconcert geen vulsel. Ik zeg niets van de Lyra Orchester-Ausgaben van Weninger, Schreiner en Haensch. Daar zijn die invulpartijen juist handig. En ik vind dat ook de arrangementen van Tavan knap in elkaar zitten. Zelfs met een pianotrio kun je alle noten nog spelen. Alsof ze gemaakt zijn voor oorlogstijd.’

‘Voor oorlogstijd…’ herhaalde Siegmund. Hij zette de fles aan zijn mond en dronk langzaam een paar teugen. ‘Ik zou willen dat het Vioolconcert op de een of andere manier betrekking heeft op de oorlog. Dat het onze gevoelens en gedachten in deze oorlog weergeeft. Het zou een aanklacht tegen de oorlog moeten zijn, een muzikale tegenhanger van de etsen van Käthe Kollwitz.’

‘Een vioolconcert als aanklacht tegen de oorlog? Dan zou ik eerder denken aan vocale muziek. Georgs Psalm 23 bijvoorbeeld. Die zou ik kunnen gebruiken voor een cantate of een lied voor solostem en piano.’

‘Dat moet je zeker doen. Met voor Georg een obligate contrabaspartij.’

‘Ja: Uit de diepten roep ik tot U. Maar we gaan nu niet uit van een tekst. We praten over instrumentale muziek, een vioolconcert. Daar kan ik moeilijk een expliciet anti-oorlogsstuk van maken: een instrumentaal muziekstuk is nu eenmaal geen pamflet. Het kan niet zoals een roman of een schilderij iets uitbeelden of een stelling verkondigen. Het kan geen beeld van de oorlog geven en er ook niet tegen protesteren. Je zou hooguit kunnen zeggen dat het componeren zelf, het creatieve werk, een protest is tegen de vernietiging van de oorlog.’

‘Ik heb nog een idee, Karl. Ik gooi het niet zomaar bij je op de keukentafel, maar ik heb er dagen over lopen denken. Je zou als thema’s soldatenliederen kunnen kiezen: het muzikale materiaal dat de soldaten van de verschillende oorlogvoerende landen zelf geproduceerd hebben. Er zijn genoeg mogelijkheden voor een componist: je kunt variaties op een soldatenlied schrijven of verschillende liederen contrapuntisch laten samengaan.’

Ik wilde Siegmund niet teleurstellen. Toch kon ik niet toneelspelen en doen alsof ik zijn idee zo bijzonder interessant vond. Het stond me zelfs tegen. Componeren, operaties verrichten op noten, was het mooiste wat er bestond en ik kon me nu al niet meer indenken dat ik het een halfjaar lang had opgegeven. Maar aan het werk gaan met soldatenliederen van het front was voor mij ongeveer even aantrekkelijk als het provisorische haastwerk in een veldlazaret voor een arts met liefde voor zijn vak. Iets anders was Georgs verhaal over de viool in het niemandsland. Dat was inspirerend; alleen leverde het een idee, geen materiaal.

‘Die soldatenliederen zijn belangrijk en inspirerend. Aan het front. Met alle respect, Siegmund, de melodieën zijn nogal banaal en allesbehalve origineel. Dat moet ook, willen alle soldaten ze direct mee kunnen zingen. Ze zijn geschreven met een dik, rood potlood in plaats van met een fijne, scherpe pen. Aan het front doen ze dienst, maar de concertzaal stelt andere eisen. Die liederen kunnen het Vioolconcert niet dragen.’

Siegmund keek zwijgend voor zich uit.

‘Met de beste bedoelingen en het grootste engagement krijg ik nog geen goed vioolconcert op papier,’ zei ik. ‘Componeren is voor een groot deel een kwestie van berekening.’</p

Siegmund maakte opeens een uitgeputte indruk.

Ik kreeg het gevoel dat we vannacht niet verder zouden komen. Misschien lag dat aan onze vermoeidheid: het was laat, we waren het Kristallpalast, Berlijn en de oorlog moe. We konden er vannacht beter een punt achter zetten, om morgen uitgerust aan het werk tegaan. Misschien ergerde mijn doceertoon Siegmund. Wat mij in hem stoorde, was zijn ongeduld. Het leek wel of hij haast had met het Vioolconcert en ideeën op tafel legde uit angst voor uitstel of afstel. Hij moest begrijpen dat ik niet op de knop van een componeerautomaat kon drukken om er een meesterwerk uit te laten rollen. Hij mocht niet uitgaan van mijn vooroorlogse muziek: die was verleden tijd. Ook niet van de arrangementen die ik de afgelopen maanden voor Orpheus gemaakt had: die waren routinewerk, nadat het denkwerk door de componisten gedaan was. Ik begreep dat Siegmund me wilde helpen, maar dat had hij al gedaan door me uit de impasse te halen. Het componeren moest hij aan mij overlaten, en hij kon me alleen nog helpen met viooltechnische adviezen en morele ondersteuning.

Omdat ik niet wilde dat we teleurgesteld uit elkaar zouden gaan, probeerde ik iets opwekkends te zeggen.

‘Het moet in ieder geval een heldere en duidelijke muziek worden. Daar zijn we het helemaal over eens. Zonder vooroorlogse clichés: die spelen we al genoeg.’

Hij knikte.

‘Geen overladen muziek à la Richard Strauss, Reger of Humperdinck,’ zei ik. ‘Een stuk zo eenvoudig en helder als een symfonie van Haydn.’

Met opzet liet ik de naam vallen van een van zijn lievelingscomponisten.

Siegmund ging verzitten. Het leek of ik hem op een idee had gebracht. Met een paar lange teugen leegde hij zijn fles bier.

‘Wat denk je hiervan,’ zei hij. ‘Je kent de Afscheidssymfonie van Haydn. Ik weet niet of je ook weet waarom dat stuk gecomponeerd is.’

Ik kende het stuk en het bijbehorende verhaal al zeker twintig jaar, maar ik hield mijn mond.

‘Vorst Esterházy nam zijn orkest en zijn componist Haydn een hele zomer mee naar het nieuwe slot dat hij had laten bouwen. Na maanden zonder hun vrouwen en kinderen kregen de muzikanten genoeg van het zomerverblijf. Maar ze wisten dat ze bij Esterházy niet hoefden aan te komen met de vraag of ze terug mochten naar de stad. Daarom vroegen ze Papa Haydn om hulp. Die schreef bij wijze van petitie een symfonie. Om een lang verhaal kort te maken: na de snelle finale komt er nog een onverwacht Adagio. Midden in dat deelpakken de eerste hobo en de tweede hoorn hun partij, blazen hun kaars uit en gaan met hun instrumenten het podium af. Zestien maten later verdwijnt de fagot. Dan de eerste hobo en de contrabas. De een na de ander vertrekt en het wordt steeds donkerder op het podium. Ten slotte blijven de eerste en tweede viool, die met demper spelen, over. Maar ook die blazen hun kaars uit. Kapelmeester Haydn wilde als laatste opstappen, maar Esterházy hield hem staande. Hij had de bedoeling begrepen en gaf zijn musici toestemming de volgende dag te vertrekken. Dit zou mutatis mutandis een model kunnen zijn voor het Vioolconcert.’

Het idee kon zeker bruikbaar zijn. Ik pakte mijn flesje en dronk het langzaam leeg, terwijl ik in gedachten het Adagio hoorde, dat zo goed gelukt was, dat Haydn het voor zijn eigen begrafenis had besteld.

‘We laten de anekdote en de feodale achtergrond voor wat ze zijn,’ zei ik. ‘Van het gedwongen verblijf in het zomerpaleis van de Prins maken we het gedwongen verblijf in de winterse loopgraven van de Keizer. We vergeten dat je vervelend werk en levensgevaarlijk werk niet kunt vergelijken.’

Siegmund staarde voor zich uit.

‘In plaats van een Afscheidssymfonie een Afscheidsconcert,’ voegde ik eraan toe. ‘Daar zal ik de komende dagen over nadenken.’

Ik stond op en rekte me uit. Het zou nog moeilijk worden hier overdag in alle rust te componeren. Ik moest eens met Fuchs gaan praten. Misschien had die ‘s middags een rustig hoekje voor me in het Kristallpalast. Het alternatief: hier in de stilte van de nacht componeren en overdag in de herrie slapen, was niet aanlokkelijk.

‘Jij bent toch vrijgesteld, Karl?’ vroeg Siegmund plotseling.

‘Van de dienst?’

‘Ja.’

‘Geef de krant eens,’ vroeg ik, terwijl ik mijn bril afzette.

‘Daar hebben we het fornuis mee aangemaakt.’

‘Ach, natuurlijk. In ieder geval: de kop over de verjaardag van de Keizer had ik zonder bril nog kunnen lezen, maar de reportage niet meer. Met mijn potlood kan ik de juiste lijn van de notenbalk niet meer vinden, laat staan met een geweer de vijandelijke linie. Daarbij komt: ze roepen mijn lichting nog niet op. Er moeten eerst nog meer slachtoffers vallen in de jongere lichtingen.’

Ik zette mijn bril weer op en kreeg Siegmund scherp in het vizier.

‘Waarom vraag je dat?’

Hij zei niets.

‘Waarom vraag je dat?’ herhaalde ik.

‘Ik heb een oproep gekregen,’ zei hij toonloos.

Hij was van lichting ‘05 en had al twee jaar gediend. De gedachte dat hij ooit opgeroepen kon worden moest ik verdrongen hebben en Siegmund zelf praatte nooit over het onderwerp. Ik was er steeds van uitgegaan dat hoofdcommissaris Jagow rekening hield met de sfeer onder het publiek – mensen die zich amuseerden protesteerden niet – en dat hij een orkest als dat van ons en de orkestleider zou ontzien. Het Kristallpalast werd immers ook niet als hulplazaret ingericht.

Die overwegingen telden blijkbaar niet. Misschien wel dat Siegmund bij de gehate sozi’s hoorde.

Buiten naderde het klakkende geluid van paardenhoeven voor een wagen. Het was als het tikken van een reusachtig uurwerk, dat zich schrapend klaarmaakte om het uur te gaan slaan.

‘Wanneer ga je?’ vroeg ik.

‘Begin maart.’

Begin augustus had Wilhelm gezegd: ‘Jullie zijn weer terug in het vaderland voor de blaadjes van de bomen vallen.’ De Keizer had de blaadjes van de bomen laten vallen, maar vierhonderdduizend onderdanen die hij met schetterende feestmuziek naar het front had gestuurd waren niet in het vaderland teruggekeerd. Nu begonnen in stilte de knoppen van nieuwe blaadjes te groeien.

‘Hoelang weet je het al?’

‘Twee weken.’

‘Waarom heb je niets gezegd?’

Hij zuchtte en wreef in zijn ogen.

‘Ik wou eerst, zonder bijgedachten, met je praten over een vioolconcert. Mijn vioolconcert. Ik moest proberen je weer aan het componeren te krijgen. Hoe ik dat het beste kon doen, daar heb ik dagen en nachten over lopen piekeren.’

‘Ook tijdens onze wandelingen naar het Kristallpalast en naar huis?’

‘Vooral toen.’

‘En als ik nee had gezegd?’

‘Daar hield ik geen rekening mee. Het was een gok.’

Een gok… De ware gokkers zaten in het Slot en de Kazerne. De oorlog was Gods wil, beweerden ze. Alsof ze met de Heer een telefonische verbinding hadden. Duitsland had in Europa een grote taak te vervullen en daarvoor moest het losbreken uit zijn omsingeling. De tijd van Duitsland was gekomen. Het zou Frankrijk in zes weken op de knie‘n krijgen met geweldige legers, die in stipt op tijd vertrekkende treinen comfortabel naar het front zouden reizen. Met het Schlieffenplan, Krupps Dikke-Bertha-houwitsers en God als adviseur zouden onze troepen onoverwinnelijk zijn. Mochten het plan en de houwitsers ondanks alles niet werken, dan hadden ze God nog achter de hand. De Belgen zouden volgens plan opzijgaan om onze soldaten doortocht te verlenen. In plaats daarvan waren ze onder leiding van koning Albert voor hun leven gaan vechten. De frisse, vrolijke oorlog had een paar dagen geduurd. De maanden daarna waren honderdduizenden jonge mannen doodgebloed in de verovering van een paar kilometer Vlaamse en Franse modder, waarin de mannen van de volgende lichting als blinde mollen rondwroetten.

‘Ik red me er wel uit, Carlo,’ zei Siegmund na een lange stilte, met de stem van iemand die midden in de nacht uit een diepe slaap wordt wakker gestompt.

Hij kon niet meer doen dan zichzelf moed inspreken. Met het verwisselen van de rok voor het uniform zou hij zijn greep op de gebeurtenissen verliezen. De organisator zou een radertje in een organisatie worden. Minder nog: een stuk kanonnenvoer of een proefkonijn voor nieuwe, verschrikkelijke wapens. Of alleen maar een toevallig obstakel in de baan van een verdwaalde granaatscherf. Zijn naam zou verdwijnen van de Berlijnse affiches en misschien terugkomen in een brief met een vreemde plaatsnaam als Ieper, Poelkapelle of Steenstrate en de formule Gevallen op het veld van eer. Misschien zou hij in leven blijven en jaren moeten dienen. Dan zouden eerst zijn vingers ongevoelig worden. Daarna zijn oren. Dan zijn hoofd. Ten slotte zijn hart. Hij zou dingen gaan vergeten. Eerst grepen uit de viooltechniek. Dan muzikale finesses. Ten slotte zijn liefde voor de muziek zelf. Fuchs zou met een bevende, starende orkestleider niets meer kunnen beginnen en een opvolger moeten aanwijzen. Ik kon met zo’n violist mijn Vioolconcert niet instuderen.

‘We kunnen viooltechnische details per brief bespreken,’ zei Siegmund.

‘En je Stark?’ vroeg ik na een minuut stilte.

‘Ik heb een oud jammerhout, en dat gaat mee. Mijn Stark laat ik in Berlijn. Ik geef hem in bruikleen aan David. Die moet mijn invaller worden: hij kent het repertoire en de gang van zaken. Als jij een wakend oog op hem houdt, kan hij het aan. Hij is wel erg jong, maar ook erg goed. En misschien vinden de dames en heren zo’n jonge Stehgeiger juist interessant. Ik zal het allemaal met Fuchs bespreken. De viool blijft bij Orpheus en jullie kunnen haar iedere avond horen. Als ik niet terugkom, is de viool voor David.’

Ik dacht aan de versregels op het etiket in het instrument, die Siegmund me ooit had laten lezen. Fui dura occisa securi: Ik werd geveld met een harde bijl. Ook als Siegmund niet geveld werd, zou voor hem in de loopgraven de tijd stilstaan. Hier in mijn kamer zou hij razendsnel verstrijken; ik moest gaan woekeren met gerantsoeneerde uren. Met potlood en muziekpapier zou ik mijn kleine oorlog tegen de Grote Oorlog voeren en als ik na verbeten tegenstand de laatste maatstreep zou trekken, had ik een overwinning behaald.

Werkte ik hard, dan kon ik Siegmund voor hij ging misschien al de eerste opzet laten zien.

Siegmund was opgestaan. Hij begon mijn trui over zijn hoofd uit te trekken. Ik liep naar het raam en keek door de kier tussen de gordijnen de duisternis in. Pas over een uur of zes zouden de grafstenen vaalblauw kleuren en de kale boomtoppen het eerste licht opvangen. Bij zonsopgang zou ik opstaan en achter het muziekpier gaan zitten als een achterop geraakt Berlijns genie.

Siegmund haalde zijn vingers door zijn haar, deed het jasje van zijn rok aan en stak de vlinderdas in zijn binnenzak. Het was of de concertkleding zijn gezicht ouder en vermoeider maakte en de afstand tussen ons groter. Ik nam de olielamp van de keukenmuur en zette hem neer in de gang. Siegmund legde zijn vioolkist bij de kapstok, trok zijn jas aan en stak zijn hand uit om de hoed van me aan te nemen. Ik liet zijn hoed vallen en omhelsde hem voor het eerst sinds ik hem kende. De kou van zijn jas drong door tot mijn huid en deed me huiveren. Siegmund bleef een ogenblik staan, maakte zich zwijgend los, drukte de hoed op zijn hoofd en liep met zijn vioolkist naar de voordeur. Een groteske schim danste voor hem de drempel over. Ik liep achter hem het portaal op om hem nog iets te zeggen, maar de woorden kwamen niet over mijn droge lippen. Zonder achterom te kijken daalde hij af in het kille, duistere trappenhuis.

Hij was nog niet verdwenen. Morgen – nee, niet morgen, vandaag nog – zaten we samen op het podium en het duurde nog weken tot het afscheidsconcert. Hij zou als altijd de nummers van het programma aankondigen, de inzetten geven en begeleid door mij zijn soli spelen. Over een paar weken zou hij het publiek met schwung de veelbelovende stehgeiger David Mendel voorstellen.

Straks zou ik aan het Vioolconcert beginnen, wat er ook gebeurde. Nu moest ik proberen de oorlog te vergeten en in slaap te komen.

Slapen… Ik voelde dat me dat met geen mogelijkheid zou lukken, al was ik doodop en moest ik aan één stuk door gapen. Mortua dulce cano… Zou het Vioolconcert een in memoriam worden? Mijn slapen begonnen onrustbarend te kloppen. Ik kon niet rustig meer blijven staan. Achter in mijn mond kwam een wrange smaak, die ik niet weg kon slikken en die sterker en sterker werd. Mijn maag begon in opstand te komen en ik kreeg het gevoel of ik mijn walging van de oorlog moest uitdrukken in een geweldige boer, die maar niet wilde komen.

De keukendeur stond nog open. Ik rende de paar passen naar het aanrecht en ging voorovergebogen voor de gootsteen staan, steunend op de kille stenen rand van het aanrecht. Golven van bitterheid persten zich door mijn slokdarm, mond en neus naar buiten. Hijgend liet ik stuiptrekking na stuiptrekking voorbijgaan. Ik draaide de kraan open, liet zure etensresten weglopen en dronk om de wrange smaak uit mijn mond te spoelen. Bevend duwde ik de stop in de gootsteen, deed terwijl de kraan liep mijn overhemd uit en plensde ijskoud water in mijn gezicht en mijn hals. Ik trok de stop uit de afvoer en huiverde. In de gootsteen met het wegdraaiende water verscheen een met glimmende spiegels beklede zaal, waarin dansparen draaiden en wervelden over het gladde parket. Een onweerstaanbare kracht zoog ze naar de kolkende afvoer. Een diep, obsceen gegorgel. De balzaal was leeg.

 

hoofdstuk 5. IJle geluiden