2. Dissonant

verstreken-jaren-2

 

Zacht zong de losse g-snaar van mijn viool de opmaat van de treurmars. Vanaf die eerste toon klonk de muziek uit Beethovens Eroica in het hele orkest geïnspireerd: een hemelsbreed verschil met de nuchtere middagrepetitie. Het was alsof we onze tonen streken op één grote viool; de herhaling van ons thema in de hobo klonk als de klaagzang van een menselijke stem en de begeleidende ritmen in de strijkers leken roffels op een omfloerste trom. Het tempo van de treurmars was zo langzaam, dat die op momenten meer leek stil te staan dan voort te gaan.

De reprise bracht schot in de mars: Beethoven keerde zijn tweede thema om, waardoor het opwaarts ging en won aan kracht. Het fugato gaf me het gevoel of de grootse muziek niet alleen een treurmars was voor de overleden Johann Lübeck, maar ook een opmars van de levenden boven de grond die niet langer wilden hokken in krotten en tobben in donkere werkplaatsen. Voorop gingen de tweede violen, op de voet gevolgd door de eerste. Zwaarder materieel kwam met de celli en de contrabassen en de klarinetten en fagotten, versterkt door de hoorns. De trompetten bliezen het sein tot de opstand. Stokken hamerden op paukevellen als vuisten op poorten van paleizen, maat voor maat met meer verbetenheid. Maar de poorten weken niet.

De held van de Eroica was oorspronkelijk Napoleon Bonaparte geweest. Tot die zich door de paus tot keizer had laten zalven en zichzelf de kroon had opgezet. Toen had Beethoven de titelpagina uit het manuscript van zijn Derde symfonie gescheurd, haar op de grond gegooid en vertrapt: niemand mocht zich boven andere mensen stellen en misbruik maken van zijn macht! Ook de overleden Johann Lübeck was, op zijn bescheiden manier, wars geweest van Napoleontisch machtsvertoon. Onze koningen met hun beperkte macht waren hem liever; hij had consequent aan hun kant gestaan, alles verfoeiend wat naar kruitdamp van revolutie rook. Toen hij in ’48 door een speling van het lot aanvoerder van de oproerige menigte was geworden, had hij de gelegenheid een volksheld te worden welbewust voorbij laten gaan.

Het einde van de treurmars kwam met een doffe paukenslag, pizzicati van de bassen als vallende klompen aarde op een kist en flarden van het thema, neerdwarrelend als de halfvergane laatste blaren van een boom.

Orkest en publiek in Diligentia stonden op. Terwijl ik keek naar de immortellenkrans op de directielessenaar – er lag geen partituur en we hadden de treurmars zonder dirigent Johannes Verhulst gespeeld – gingen mijn gedachten terug van dit woensdagavondconcert naar Lübecks begrafenis, afgelopen zaterdag. Ook op Eikenduinen was Beethovens treurmars gespeeld, niet door ons Diligentiaorkest, maar door de Grenadiers en Jagers en de muzikanten van de Stedelijke Schutterij, geleid door kapelmeester Völlmar. Op de met een dunne laag sneeuw bedekte begraafplaats hadden honderden mensen de plechtigheid bijgewoond. Slippendragers waren schilder Van Hove, beeldhouwer Koelman, Van den Bergh namens de dichters en Verhulst voor de componisten. De kist was gevolgd door Lübecks familieleden, Prins Frederik, vele notabelen en belangstellenden, de leden van dit Diligentiaorkest, waarvan Lübeck tot vijf jaar geleden dirigent was geweest, en alle collega’s en leerlingen van de Koninklijke Muziekschool, die hij geleid had tot zijn dood.

Wie daar Lübecks opvolger zou worden in het hoogste ambt van de Nederlandse muziekwereld, dat was de grote vraag. De kandidaten waren Johannes Verhulst en Frits Nicolai, die op Eikenduinen het Toonkunstkoor had gedirigeerd in Lindpaintners Graflied. Wie van die twee het werd, bepaalde minister Thorbecke.

Gekuch en gestommel maakten een eind aan de minuut stilte in Diligentia. De bode kwam de krans op de directielessenaar verwisselen voor de partituren: de Suite van Lachner, Viotti’s Vioolconcert, Mendelssohns Hebriden-ouverture, de muziek van Rossini en Paganini en Beethovens Leonore-ouverture. Hoboïst Evert Horsthuis stond op om de a te geven en we begonnen voor de tweede keer te stemmen.

Met de krans was mijn treurnis om Lübeck verdwenen, zo vlug dat ik me daar haast voor schaamde, en met de stapel partituren kwamen de gemengde gevoelens die ik steeds weer had wanneer onze vaste dirigent Johannes Verhulst achter de lessenaar ging staan. Uit piëteit tegenover Lübeck applaudisseerden publiek en orkest niet. Ik klapte trouwens nog maar zelden voor Verhulst en tikte nooit tegen de lessenaar, omdat het slecht was voor het hout van de strijkstok. Als tweede concertmeester naast Jean Baptiste Buziau zat ik vrijwel aan de voeten van de forse man met het blozende gezicht, die ze de Grote waren gaan noemen. Maar ik deed niet meer mee aan de bewieroking van de componist en dirigent die de muziekpaus van Nederland wilde worden. Ik was sinds het jaar dat we elkaar hadden leren kennen niet veel veranderd. Hij wel: zijn eens zo vurige belangstelling voor nieuwe muziek was uitgedoofd. Het liefste zou hij geen andere componisten dirigeren dan zijn vroegere vrienden Mendelssohn en Schumann. Natuurlijk speelde ik vanavond graag Mendelssohn, en Schumann en hij waren geniaal. Maar die twee componisten leefden niet meer en nieuwe genieën hadden de deuren van de Europese conzalen opengestoten. Behalve in Dilitia: daar hield Verhulst angstvallig de deur dicht.

Ik had me lang voor dit concert verheugd op de komst van Izydor Lotto uit Parijs. Het werd de tweede keer dat hij als vioolsolist optrad met ons Diligentiaorkest. De eerste keer had hij Buziau en mij hele verhalen verteld over zijn jeugd als zoon van een joodse straatmuzikant in Warschau en zijn optreden als wonderkind. Lotto had overigens meer in zijn mars dan een viool: een stapel partituren. Hij had compositie gestudeerd bij Ambroise Thomas aan het Parijse Conservatorium.

Ik hoorde dat hij zich sinds de vorige keer nog had ontwikkeld: hij was krachtiger gaan spelen, terwijl de sierlijkheid in de staccati en de trillers er niet onder geleden had. Na zijn eerste solo, het Allegro uit het Zeventiende vioolconcert van Viotti, werd hij terecht een paar keer teruggeroepen.

Toen Lotto later op de avond het podium opkwam voor zijn tweede solostuk, was het in het volgepakte Diligentia benauwd en warm geworden; het publiek was onrustig en de gaspitten bromden en flikkerden. Wel een passende atmosfeer voor Le streghe, Paganini’s grillige variaties op een thema van Süssmayr. Ik speelde De heksen zelf ook, al durfde ik de halsbrekende toeren op een podium niet uit te halen. Het was in Paganini niet genoeg, op de toets van je viool de weg te weten; je moest de zorgeloze precisie hebben van een slaapwandelaar in een dakgoot.

We waren in de eerste variatie toen ik rechts van me een venijnige klap hoorde. Lotto’s viool: een van de snaren had het begeven! Dit was niet die duivelse Paganini-solo op één enkele snaar; hier had je ze alle vier nodig.

Verhulst tikte af.

Omdat ik Buziau geen aanstalten zag maken, stond ik op en bood Lotto mijn viool aan. De solist knikte zwijgend en gaf mij zijn instrument. Het kussentje kon onder mijn viool blijven zitten: Lotto en ik verschilden niet veel in lichaamsbouw. Ik ging zitten met Lotto’s viool op mijn knieën en liet de gerafelde darmsnaar hangen.

Het stuk begon opnieuw. Met mijn ogen dicht had ik het gevoel of mijn vertrouwde instrument behekst was, doordat het Paganini speelde zonder dat ik er een vinger naar uitstak. Aan niets kon ik horen dat dit voor de solist een vreemde viool was.

Izydor Lotto had het publiek overtuigd. Hij werd nog vaker teruggeroepen dan voor de pauze. Alle keren liet hij mijn viool in de hulde delen en met een buiging gaf hij me het instrument terug.

Toen ik na het slotstuk, Beethovens Leonore-ouverture, de stemkamer inging, kwam Lotto meteen naar me toe.

‘Mille mercis! U hebt mijn solo gered!’

Hij vroeg of hij het instrument nog eens vast mocht houden: voor rustig bekijken was geen tijd geweest. En bij zijn vorige optreden hadden we het alleen over zijn avontuurlijke jeugd en zijn leerjaren gehad. Toen was mijn viool hem tussen alle andere niet opgevallen. Nu des te meer. Dit instrument werkte mee in plaats van tegen, vond hij.

‘Begint uw voornaam met een S?’ vroeg hij, wijzend op het brandstempel *S* in het achterblad.

‘Nee,’ zei ik. ‘Mijn naam is Maarten, Maarten Brandt. De bouwer heet Stark. Als u de viool onder het licht houdt, ziet u zijn naam op een mooi etiket.’

Fecit Adamus Stark in Neukirchen Anno Domini 1840,’ las Lotto. ‘Deze viool komt dus uit Saksen. Kijk eens: een gedicht! Viva fui in sylvisFui dura occisa securiDum vixi tacuiMortua dulce cano.’

Ik vertaalde de verzen voor hem.

‘U verkoopt uw Stark niet?’ informeerde Lotto.

‘Voor geen prijs.’

‘Jammer dat ik hem terug moet geven. Hoe komt u eraan?’

In mijn beste Frans vertelde ik hem het verhaal.

‘In de zomer van ‘36, bijna negenentwintig jaar geleden dus, was Mendelssohn hier om in Scheveningen de baden te gebruiken.’

‘Ah, Mendelssohn…’ Lotto neuriede de inzet van het Vioolconcert en ik hoorde dat het een lievelingsstuk van hem was.

‘Johann Lübeck, de man die we vanavond herdacht hebben, de vroegere directeur van onze Koninklijke Muziekschool en de vioolleraar van Johannes Verhulst, Jean Baptiste Buziau en mij, heeft toen bij Mendelssohn belet gevraagd. Met in zijn tas de Ouverture in bes-mineur van Johannes Verhulst. Die was twintig jaar en surnumerair violist aan de toenmalige Hofkapel, die Lübeck leidde.’

‘Uw dirigent is dus ook componist.’

Ik knikte.

‘Ik heb nog nooit iets van hem gehoord. Schrijft hij goed?’

‘Hier wordt hij de Grote genoemd, de Enige. Mendelssohn vond dat jeugdwerk zo goed, dat hij onmiddelijk bereid was Verhulst als leerling aan te nemen, in Leipzig uiteraard. Daar heeft Verhulst vier jaar gestudeerd en gewerkt als dirigent van het orkest Euterpe. Hij raakte intiem bevriend met Mendelssohn, Schumann en Ferdinand David. Op een avond in het koffiehuis maakten ze kennis met Adam Stark, een vioolbouwer uit Markneukirchen. Toen Verhulst terugkwam in Den Haag had hij een instrument van die bouwer bij zich. Niet voor zichzelf, maar voor mij. Ik was een halve generatie jonger dan hij en een veelbelovende jonge violist. Goede en betaalbare violen waren schaars – en zijn dat nog steeds, dat hoef ik u niet te vertellen – dus ik was geweldig blij. En ook trots, dat ik deze viool kon aanschaffen door bemiddeling van de grootste componist van Nederland.’

Ondertussen was die veelbesproken componist de stemkamer binnengekomen, in het gezelschap van minister Huyssen van Kattendijke, lid van het Diligentiabestuur en president van de Commissie van Toezicht van de Muziekschool. De minister knikte naar mij en commenteerde Lotto uitvoerig; daarna keerde hij zich om en ging in een andere hoek van de kamer met Verhulst staan praten. Het zou wel over de vacature aan de Muziekschool gaan. Kon ik dat gesprek maar afluisteren!

De donderdagse voorstelling van de Franse Opera in de Schouwburg was voorbij. Tijdens het lange applaus voor Rossini’s Barbier de Séville bedacht ik opgelucht dat ik tenminste in dit orkest niet met Verhulst te maken had. Maar werd hij directeur van de Koninklijke Muziekschool, dan beheerste hij twee van de drie instellingen waar ik werkte. Ook uit de school zou hij alles verbannen wat in zijn oren storend dissoneerde.

In de stemkamer van de Schouwburg vroeg Evert Horsthuis of ik met hem en een paar andere collega’s meeging om nog wat te drinken. Evert was plezierig gezelschap: hij kon goed improviseren aan de piano en zijn imitaties van bekende personen waren in de cafés, de orkesten en de Muziekschool beroemd. Toch zei ik nee, want ik wilde alleen zijn, om te kunnen nadenken.

Zwijgend begon ik mijn viool schoon te maken en in te pakken. Gisteravond was ik Verhulst tegenover Lotto niet afgevallen: ten eerste had de violist uit Parijs niets met deze Hollandse kwestie te maken en ten tweede hadden we gepraat over vroeger, over de viool die Verhulst me had toegespeeld. Maar vanavond moest ik iets verzinnen om te voorkomen dat de man die ik jaren had bewonderd straks met de betrekking ging strijken.

Ik vroeg me af of minister Thorbecke, die de directeur moest benoemen, goed op de hoogte was van de bezwaren tegen Verhulst. En of hij wel besefte dat concurrent Frits Nicolai veel meer was dan een goede pianoleraar voor zijn dochter. Thorbecke was een groot muziekliefhebber: hij verzette de ministerraad wanneer wij in Diligentia een concert gaven dat hij wilde horen. ‘Kunst is geen regeringszaak,’ had hij gezegd, dat was waar. Maar het ging hier niet om centen; alleen om een handtekening. Misschien zag Thorbecke de gevaren van zoveel macht in de handen van één man. Als hij tenminste zelf niet te veel in de ban van de macht was. In ieder geval had hij zijn ervaringen met reactionairen, Willem II en Willem III voorop. Verhulst was jarenlang geprotegeerd door Willem II: de Koning had hem het ridderkruis van de Nederlandse Leeuw bezorgd en het directeurschap van de Hofmuziek, dat erebaantje met duizend gulden jaarsalaris.

Toch maar met collega’s praten? Evert en de anderen nog gauw achternagaan? Samen belet vragen bij minister Huyssen van Kattendijke, de president van de Commissie van Toezicht, die mij van gezicht kende? Nee: een comité dat kwam klagen, aanbevelingen doen of eisen stellen, zou zo iemand alleen maar irriteren. Bovendien kostte het organiseren van een oppositie veel tijd. En Anna zou meteen in de contramine zijn: breng je broodwinning niet in gevaar, denk aan Herman en Matthijs… Beter kon ik als solist iets ondernemen, zonder er iemand in te mengen. Om daarover na te kunnen denken, moest ik over de stille Vijverberg naar huis lopen en niet via de artiestenuitgang en het Plein. Ik sloot mijn vioolkist, pakte overjas en hoed en liep de kant van de hoofdingang uit.

In de hal van de Schouwburg was de lucht van parfum te snijden en de ruiten dropen van het water. De dames en heren wachtten binnen op rijtuigen, omdat ze het buiten te koud vonden. Me keer op keer excuserend schoof ik met mijn vioolkist door de menigte naar de uitgang.

Het uitzicht op het Lange Voorhout, de koude wind in mijn gezicht en de schreeuw van een koetsier deden me plotseling denken aan die roerige avond in maart 1848, zeventien jaar geleden.

Een groep schreeuwende mensen had de deuren van de zaal opengestoten en drong binnen met een geur van koude buitenlucht om zich heen. De lauwe, geparfumeerde sfeer was verstoord en het ongehoorde gebeurde: we moesten ophouden met spelen! Overal klonken kreten van protest. We gingen staan om de zaal te kunnen overzien. Beschaafde heren zwaaiden met hun vuisten en maakten aanstalten om die te gebruiken; Haagse dames gilden en krijsten als heksen. Achteromkijkend zag ik op de gezichten van mijn collega’s iets van geamuseerde verbazing. We moesten met onze instrumenten naar buiten komen, riepen de indringers. Lübeck was erg snel akkoord gegaan. Door de chaos in de zaal en de andere ruimten drongen we naar de uitgang.

Voor ons op het Lange Voorhout deinde een onwerkelijk licht; lantaarns en flakkerende toortsen verlichtten duizenden en duizenden gezichten in een decor dat al het platte hout en karton op een schouwburgtoneel in de schaduw stelde. De menigte moest tot aan de Dennenweg en de Laan van Roos en Doorn staan! Een vreemd geluksgevoel overweldigde me; ik had met mijn strijkstok Mendelssohns Festlied of een van Schumanns vurige koren willen dirigeren. De afgebroken muziek uit de benauwde zaal was vergeten, overstemd door het tumult van de menigte. ‘Hoera! Hoera!’ hoorde ik roepen. ‘Oranje boven!’ Maar verderop ook ‘Weg met de ministers!’ ‘Eendracht maakt macht!’ en zelfs ‘Leve de Republiek!’ Er waren spandoeken in de kleuren van de Nederlandse vlag, met de woorden Volk Vrijheid Vaderland. De duizenden kwamen overal vandaan, zag ik aan hun kleding: uit herenhuizen en handelskantoren, werkplaatsen en fabrieken.

Daar stond ik met mijn viool.

Een duw tegen mijn vioolkist bracht me terug in 1865. Iemand rende voorbij om een rijtuig aan te houden. Ik was een obstakel op het bordes voor de uitgang. Met de kist tegen mijn lichaam gedrukt liep ik de treden af, naar de Vijverberg met het stille voetpad langs het water. Op een afstand ratelden de rijken in hun rijtuigen voorbij.

Op die avond in maart ‘48 hadden de rijken aan het Lange Voorhout hun ramen en deuren potdicht gehouden, uit angst voor de opdringende menigte. Lübeck had zijn witte zakdoek gepakt en die haastig aan de punt van zijn dirigeerstok geknoopt. Hij gelastte ons zoveel mogelijk lawaai op onze instrumenten te maken, onverschillig in welke maat en toonsoort. Zijn opdracht streek me tegen de haren in: krassen op de viool had hij me afgeleerd! En dit was heel wat anders dan een feestlied… Maar ik wilde opgenomen worden in de menigte en meebetogen, desnoods met lawaai in plaats van muziek. Wat een zonderlinge toestand! De stok met de witte vlag dirigeerde ons straat in, straat uit, linksaf, rechtsaf. Waar wilde Lübeck heen? Ging hij de menigte voor of werd hij erdoor opgejaagd? Hij zocht de smalste stegen uit, waardoor het voor de honderden, duizenden demonstranten steeds moeilijker werd ons te volgen.

Aan het eind van de Vijverberg sloeg ik linksaf en liep door de Gevangenpoort naar het Buitenhof. Ik passeerde het standbeeld van Koning Willem II en ging de smalle Halstraat in naar de Groenmarkt.

Opeens had ik zijn opzet doorzien. Lübeck leidde ons om de tuin en hij wilde maar één ding: voorkomen dat de menigte optrok naar het Paleis. Ik had dat spelletje niet mee willen spelen, maar ik moest verder, om met mijn viool niet onder de voet gelopen te worden. Achteromkijkend had ik gezien hoe betogers de dikke Adriaan van Bevervoorde op de schouders hesen, waarna ze hem in het gedrang niet meer konden houden en hem op de keien lieten vallen. Lübeck liep door in een voor zijn haast vijftig jaar ongehoord tempo. ‘Snel, snel!’ riep hij hijgend. ‘Voor ze die oproerkraaier… op de been helpen! Voor ze stenen door de ramen gooien… Ze mogen geen tijd krijgen… om de boel kapot te maken!’ De blazers, zelfs Evert en de geharde collega’s die ook bij de Grenadiers en Jagers speelden, waren buiten adem van het lopen en blazen. Ik was opgehouden met de heksenketelmuziek die van me verwacht werd en verdedigde met mijn vrije arm mijn Adam Stark.

De menigte was uiteindelijk verspreid. De toortsen in de stad waren uitgegaan als nachtkaarsen en de orde was hersteld. Later hoorde ik hoe politie en autoriteiten in Amsterdam waren opgetreden. Had de jacht op de honderd exemplaren van dat Communistisch Manifest nog iets onbeholpens gehad, de bestraffing van de gearresteerde demonstranten was meedogenloos: ze waren veroordeeld tot acht, tien of twaalf jaar gevangenisstraf plus geseling en tepronkstelling. Mijn gedroomde Vrijheidslied was niet ontaard in hels kabaal: het was al begonnen als vals gekras.

De betogingen hier en in het buitenland hadden ons één ding opgeleverd: de nieuwe grondwet. Koning Willem II was zo geschrokken – in Parijs was Louis-Philippe al van zijn troon getuimeld – dat hij een ongewoon besluit had genomen. Om een opstand te verhinderen had hij de voorzitter van de Tweede Kamer laten komen en gevraagd welke grondwetswijzigingen het parlement eiste.

Thorbecke had toen de opdracht gekregen een nieuwe grondwet op te stellen. Met het kabinet dat hij in ‘49 – tegen de zin van de nieuwe Koning Willem III – kon formeren, had Thorbecke geprobeerd ook in de praktijk iets te verbeteren. De armen waren er slecht aan toe. Er was iets gebeurd, maar weinig, veel te weinig… Nu, met zijn tweede kabinet, had Thorbecke de slavernij in het hele Koninkrijk afgeschaft en het bestaansrecht van de vakverenigingen erkend. Het was weer iets, maar nog steeds veel te weinig. Waarom deed de minister niet meer? Er is een wet, had hij zelf gezegd, dat kapitaal steeds kapitaal aantrekt en overal groeit, dat de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer. Eén opmerking van hem over de tegenstelling tussen arm en rijk was me bijgebleven: ‘Wie vindt de toon waarin die dissonant zich oplost?’ Een wetgeving die het staatsburgerschap aanbiedt aan iedereen, terwijl maar weinigen het werkelijk kunnen verwerven, zo’n wetgeving kun je alleen maar ironisch noemen, had hij ook gezegd. Het ergerde me dat we met meer dan drie miljoen moesten toekijken hoe de tweeduizend rijksten van het land gingen stemmen. Die moesten onderweg maar eens uit hun koets stappen, hier op de Vismarkt, om te zien hoe de armen elkaar verdrongen voor de goede vis in de kramen, terwijl de bedelaars tussen honden en katten de straat afgraasden op zoek naar viskoppen en afval. Dat was een ander dringen dan het ellebogenwerk van de rijken voor de deuren van onze Schouwburg en Diligentia om een zitplaats in de zaal te bemachtigen!

Twee jaar geleden had Thorbecke eindelijk besloten een grootscheeps onderzoek te laten doen naar de kinderarbeid in de bedrijven, nadat Jacob Cremer hem zijn verhaal over fabriekskinderen had toegestuurd. Ik had bij het lezen van dat boekje een grimmige woede gevoeld en nog beter begrepen hoe goed onze Herman en Matthijs het getroffen hadden, dat ze ongestoord naar school konden. Na Jacob Cremer hadden de onderwijzers in een brief aan de minis

ter nog eens onderstreept hoe funest de fabrieksarbeid voor het schoolbezoek was.

Terwijl ik de Grote Markt schuin overstak naar het Boterhuis, bedacht ik dat ik ook op mijn eigen terrein een hele serie misstanden zou kunnen opsommen. Maar ik kon niet zo schrijnend schrijven als Cremer of zo vlammend als Multatuli. Ik kon alleen mooi vioolspelen.

Bij het zien van het ijs op de Prinsegracht voelde ik pas goed hoe koud het was. Ik drukte mijn hoed vaster op mijn hoofd. Natuurlijk, het ging in de muziek niet om kleren aan je lijf, een dak boven je hoofd en brood op de plank. Toch was het onrechtvaardig dat er voor de grote massa Hagenaars: de arbeiders van meubelfabriek Horrix, pletterij Enthoven en ijzergieterij De Prins van Oranje, de schoenmakers van het Westeinde, de joodse handelaars van de Voldersgracht, de winkeliers uit de Hoogstraat, de klerken van de ministeries en de dienstboden uit het Hofkwartier, dat er voor de muziekliefhebbers onder hen maar één mogelijkheid was om een goed orkest te horen: het korps van de Grenadiers, in de zomer.

Het geld, de kleding en de ontwikkeling die ze nodig hadden om naar concerten van ons te komen luisteren hadden de armen niet; maar ook de winkeliers of kooplieden die dat alles wel in huis hadden, hoefden het niet in hun hoofd te halen het lidmaatschap van Concert-Diligentia aan te vragen. Alleen onze generales op woensdagmiddag mochten ze bijwonen. Maar dan hadden ze geen tijd. Voor hen was het hoogst bereikbare de engelenbak in de Schouwburg bij onze Franse Opera. Om die staanplaatsen vochten ze.

Ze waren ook gekomen naar de goedkope volksconcerten die de Maatschappij Toekomst nog niet lang geleden had georganiseerd, ten bate van de kas van weduwen en wezen. Maar die serie bestond niet meer: Verhulst had de proefnemingen met de concerten na drie keer opgegeven. Omdat hij te ver weg woonde, volgens sommigen. Woedend was ik geweest. Hij was de armoede van zijn jeugd zeker al vergeten! Ik zou over Verhulst een boek kunnen schrijven, als ik die kunst machtig was…

Het zou me nog wel lukken van het nieuwste hoofdstuk, over de mogelijke benoeming aan de Muziekschool, een verzoekschrift aan Thorbecke te maken. Maar dat zou terechtkomen in de ambtelijke molens van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en die maalden traag. Als de minister het na weken of maanden onder ogen kreeg, had hij al een directeur benoemd. Cremer had het niet bij zijn verhaal over de fabriekskinderen gelaten: die was persoonlijk voor de zaak gaan pleiten. En pas toen had de minister serieuze maatregelen genomen.

Bij het politiebureau bleef ik staan. Dat moest ik ook doen! De benoeming was een onbetekenende kwestie vergeleken bij die van de fabriekskinderen, maar toch… Op audiëntie gaan bij Thorbecke. En voor het gesprek mijn gedachten op papier zetten. Anna hoefde daar niets van te weten. Op de brug over de Prinsegracht voelde ik hoe het kille zweet in mijn handschoenen stond. Een audiëntie in de ministeriële werkkamer zou meer van mijn zenuwen vergen dan een première op het podium van Diligentia of in de bak van de Schouwburg, waar de viool onder mijn kin en de stok in mijn hand altijd een soort bescherming leken te geven. Ik zou de Commissie van Toezicht passeren: de graaf, de baron, de ridder en minister van marine, de burgemeester, de juristen. Maar een burger moest zich direct tot zijn minister kunnen wenden. Mijn besluit om Thorbecke te benaderen stond vast.

Door mijn getreuzel had ik het koud gekregen. Haastig liep ik de laatste honderd meter naar huis, waar Anna op me zat te wachten.

Vrijdag moest ik naar Weygand & Co. om een bestelde partituur af te halen. Het eerste wat ik bij het binnenkomen van de winkel zag, was het portret van Verhulst. De Grote was in zijn jonge jaren bediende in de muziekhandel geweest, zodat hij tussen de bedrijven door volop had kunnen grasduinen in interessante partituren van de nieuwe componisten van toen.

De nieuwe componisten van nu schreven niet minder interessante stukken, waar – anders dan Verhulst meestal beweerde – veel in te ontdekken was. Ze schreven in hun orkestwerken ongekend virtuoze vioolpartijen. Jammer genoeg componeerden ze geen solostukken voor viool. Iemand als Liszt zou eens een sonate of een briljant concert moeten schrijven. Van de traditioneler ingestelde Brahms hadden we na de prachtige pianokwartetten misschien meer te verwachten. Ik begreep niet waarom het Vioolconcert van Schumann, waar de componist me zelf nog over had verteld, niet uitgegeven werd. Hield Clara dat achter, of was er iets mee aan de hand? Schumanns Adagio en Allegro opus 70 lag hier in ieder geval voor me klaar. Toen mijn collega Van de Velde me verteld had dat die hoornsolo uitgegeven was met een alternatieve solopartij voor viool, was ik meteen naar Weygand gegaan om de partituur te bestellen.

Al bij het doorbladeren aan de toonbank werd ik enthousiast. Dit stuk zag er net zo goed uit als de twee vioolsonates. Schumann had me gezegd, dat alles wat in de wereld gebeurde hem ter harte ging: politiek, litetuur, mensen. Over alles had hij zijn gedachten, die dan een uitweg zochten in de muziek. Dit Adagio en Allegro leek zulke energieke muziek.

‘Houdt u ook van Schumann?’ zei iemand vlak achter me.

Ik keek om en zag Akkerman, mijn jongste collega van de Muziekschool. Hij stond met Schumanns Kinderszenen in zijn handen.

‘Ja zeker! Ik heb hem zelfs gekend. Ook zijn vrouw Clara. Ik heb met ze gegeten, gedronken, gewerkt.’

‘Dat moet een hele tijd geleden zijn.’

‘Elf jaar, ruim elf jaar.’

Het was of de verkoper in plaats van een nieuwe partituur een vergeelde map voor me had neergelegd, een map met concertprogramma’s, een daguerreotypie, gedroogde bloemen, dagbladen met haastig neergekrabbelde flarden van gesprekken en schetsen in de marge en vioolpartijen vol streken en aantekeningen.

Ik vroeg Akkerman of hij ook naar de Muziekschool moest.

Hij knikte. Vandaag had hij de pianoklas van de beginners, waar hij hulponderwijzer was.

Als ik haast had en van Weygand & Co. snel naar de Muziekschool moest, liep ik de Nieuwstraat uit naar de Spuistraat en ging dan linksaf. Nu gaf ik Akkerman te kennen dat we de andere kant uit gingen, naar de Groenmarkt: ik wilde straten zien waar ik met Schumann gelopen had.

Het was koud, net als toen, maar onbehaaglijk. De wind was gedraaid naar het noordwesten en ijskoude vlagen met de stank van de Riviermarkt deden de tranen in mijn ogen springen. Een zwaaiend uithangbord maakte naargeestig knarsende geluiden.

Akkerman keek me afwachtend aan: waar bleven mijn verhalen over Schumann?

‘Hier liep ik sinterklaasavond 1853,’ zei ik, toen een paar luidruchtig rammelende karren voorbij waren. ‘Met Robert en Clara Schumann. En met Johannes Verhulst. We bekeken de winkels en de Bazaar met de feestverlichting. Er was veel volk op straat. Ouders met kinderen.’

‘Misschien ben ik als kleine jongen u tegengekomen,’ zei Akkerman. ‘Zonder te weten wie daar liepen.’

Jaren verstreken. Mensen kwamen ons tegemoet en gingen voorbij, een ogenblik verlicht door een gaslantaarn; dan sloegen ze achter ons de hoek om van een donkere zijstraat. Schumann was al meer dan acht jaar dood en Akkerman kon hem alleen nog leren kennen uit zijn noten en mijn voetnoten.

‘Die avond gingen we nog om half elf repeteren. Clara Schumann aan de piano, Buziau eerste viool, Simon alt en Giese cello.’

‘En u tweede viool.’

‘Ja. Schumann zag mijn bijzonder mooie instrument – de viool die ik hier bij me heb – en wilde weten wie de maker was. Hij bleek Adam Stark uit Markneukirchen in Saksen te kennen: in de Coffee Baum in Leipzig had hij met die bouwer kennisgemaakt. Goed; op die sinterklaasavond repeteerden we het Pianokwintet.’

Akkerman kende het stuk niet, zag ik aan zijn gezicht. Natuurlijk kon ik de thema’s voor hem neuriën en uitleggen wat de componist ermee deed; ik kon hem vertellen dat de treurmars in Schumanns Pianokwintet minder groots, maar inniger was dan die in Beethovens Eroica; dat het begin eigenaardig haperde, dat het vervolg hymnisch en troostrijk was en de triolenpassage, waarin de altviool zich zo dapper staande hield, meeslepend. Maar het wezen van het stuk onder woorden brengen was even moeilijk als een liefdesverklaring afleggen in het Egyptisch.

‘Het was de mooiste sinterklaasavond van mijn leven,’ zei ik. Meer kon ik niet zeggen.

We staken de Groenmarkt over, tussen de karren en kramen van de Scheveningers doorlaverend en gladde plekken vastgevroren sneeuw en visafval omzeilend. In de Hoogstraat was het te rumoerig om herinneringen op te halen. Voor we rechtsaf de Plaats opgingen, bleef ik even staan en wees met mijn vioolkist richting Noordeinde en Zeestraat.

‘Een week eerder, eind november, ging Schumann met zijn dienstbode Bertha en met Verhulst naar Scheveningen. Hij had de zomer van ‘52 in de Keizerstraat gelogeerd, bij lantaarnopsteker Kooper, en hij wilde hem, zijn vrouw Gerrebregt en hun dochter Gerritje nog eens opzoeken. Met zulke mensen kon hij goed praten.’

‘Heeft Schumann hier uw orkest gedirigeerd?’

‘Ja, in Diligentia. Daar ging Beethovens Leonore-ouverture, dezelfde die we eergisteren speelden, en zijn eigen Tweede symfonie. Maar van het hele dirigeren kwam niet zoveel terecht. Toen Schumann het podium opkwam, zag ik al dat de dirigeerstok aan zijn pols was vastgebonden. Dat had zijn vrouw gedaan, hoorde ik later.’

Akkerman fronste zijn wenkbrauwen.

‘Schumann was niet helemaal in orde,’ legde ik uit. ‘Hij leek heel andere tempi in zijn hoofd te hebben dan in zijn partituur. Het ging onmogelijk langzaam. Onder het dirigeren zei hij wel steeds: ‘Bravo, meine Herren, bravo!’ maar hij dreigde zijn Tweede symfonie volkomen in de war te slaan. Buziau gaf demonstratieve inzetten en nam de leiding zoveel mogelijk over. Ondertussen stond Schumann achter zijn directielessenaar verzaligd omhoog te kijken, alsof hij vergeten was dat hij moest dirigeren. Bij zijn eigen orkest in Düsseldorf had hij diezelfde maand al grote problemen gehad; ze lieten hem daar alleen nog zijn eigen werk uitvoeren.’

‘Ik had zijn vrouw graag piano horen spelen.’

‘Misschien komt Clara hier nog eens terug. Ze reist heel Europa af: deze winter is ze in Sint-Petersburg geweest. Er waren in Diligentia veel belangstellenden. Natuurlijk je pianocollega Van der Does. Na het concert werden wij, dat wil zeggen Schumann en zijn vrouw, Verhulst en een paar vrienden, uitgenodigd bij Lübeck thuis. Het Pianokwintet speelden we 6 december in Diligentia, met een hele rij andere stukken. Ik heb het programma nog. Het oratorium Der Rose Pilgerfahrt ging die avond. Schumann leidde het niet zelf, maar gaf de dirigeerstok aan Lübeck, omdat hij zich niet lekker voelde. Na afloop werd hij overladen met rozen. Je kon zien dat de hulde in Nederland hem goeddeed en ik ben er trots op dat hij hier zo ontvangen is: het was zijn laatste buitenlandse huldiging, voor hij twee maanden later instortte. In februri ‘54 begon hij te hallucineren: hij hoorde engelen zingen, die veranden in duivels en riepen dat hij een zondaar was, dat ze hem in de hel gingen gooien.’

We liepen een poos zwijgend verder.

‘Had u hier al een vermoeden dat het slecht met hem zou aflopen?’

‘Ik herinner me alleen dat hij zich af en toe eigenaardig bewoog, net zo langzaam als bij het dirigeren. Ook had hij – vertelde Lübeck me onder vier ogen – soms moeite met praten. En hij had gehoorstoornissen: soms maakte een uren aanhoudende toon hem gek. Misschien zijn dat voortekenen geweest van zijn krankzinnigheid.’

Ik was opgelucht dat we het Toernooiveld naderden. Watervrees had ik niet, maar op het pad langs de Hofvijver was ik me steeds onbehaaglijker gaan voelen, alleen door de wetenschap dat Schumann twee maanden na ons afscheid in de Rijn gesprongen was. Na zijn redding hadden ze hem op eigen verzoek naar een inrichting gebracht…

‘Hier logeerden ze,’ wees ik. ‘In hotel Doelen. Later bij Paulez aan het Korte Voorhout. Het hoogtepunt van de tournee was het optreden in Rotterdam. De Rotterdammers kwamen na het concert met een verrassing: voor het Badhotel organiseerden ze een fakkeltocht en een concert door een groot mannenkoor met harmonieorkest. Wouter Hutschenruyter had een paar stukken bewerkt: van Schumann zelf de Geburtstagsmarsch, oorspronkelijk voor piano vierhandig…’

‘Die ken ik,’ zei Akkerman, ‘die heb ik wel eens gespeeld.’

‘En het mannenkoor uit Der Rose Pilgerfahrt. Van Mendelssohn het Festlied an die Künstler en in de originele zetting het Vlaggenlied van Verhulst. Schumann zei dat zijn muziek in Nederland misschien nog meer gewaardeerd werd dan in zijn eigen land. Rotterdam had natuurlijk de meeste indruk gemaakt, maar ook in Amsterdam en Den Haag was hij enthousiast ontvangen. Hoewel hier niet door iedereen.’

‘Door wie dan niet?’

Ik wees naar het paleis van Prins Frederik aan het Korte Voorhout, voorbij de Koninklijke Schouwburg.

‘Schumann en zijn vrouw werden uitgenodigd door Prins Frederik en Prinses Louise. De ontvangst was niet vorstelijk, moet ik zeggen, eerder armzalig. Clara Schumann speelde prachtig Beethoven en Mendelssohn, maar het prinselijke publiek zat de hele soiree door haar muziek heen te kletsen. Natuurlijk werd de beroemde Clara aan Prins Frederik voorgesteld. Robert stond naast haar. Aan hem vroeg de Prins: “Bent u ook muzikaal?”’

‘Hoe is het mogelijk!’ riep Akkerman.

De schildwacht voor het paleis volgde ons achterdochtig met zijn ogen.

‘De grootste componist van Europa kon de vraag van de Prins met ja beantwoorden. Toen wilde Zijne Koninklijke Hoogheid weten op welk instrument.’

We waren het paleis gepasseerd en liepen de Prinsessegracht op naar het monumentale gebouw van de Tekenacademie en de Muziekschool.

Akkerman wilde nog van me weten wanneer Schumann en Verhulst bevriend waren geraakt.

‘In ‘38,’ zei ik, ‘het jaar dat Verhulst in Leipzig ging studeren. En het was een intieme vriendschap. Veel liederen van Schumann heeft Verhulst – zijn zangstem is lang niet slecht – voor de eerste keer gezongen, uit het manuscript, met de compo

nist aan de piano. Hij speelde met Schumann ook vierhandig; hij maakte lange wandelingen met hem en werd opgenomen in de kring van de Davidsbündler. En Schumann droeg zijn Ouverture, Scherzo en Finale aan de “erg ongewone Hollander” op.’

Dat maakte indruk. En terecht. Alleen teerde Verhulst op die roem als een egel in zijn winterslaap op het voedsel uit het warme jaargetij.

‘Dat Verhulst Schumann dus in ere houdt, kan ik goed begrijpen. Maar niet dat hij vijandig staat tegenover de componisten van de nieuwe richting. Dat is niet in de geest van Schumann. Die heeft me zelf verteld dat hij na het zien van Tannhäuser veel waardering voor Wagner had gekregen en dat hij Liszt met zijn Années de pèlerinage en Berlioz met de Symphonie fantastique geniale componisten vond. Geweldenaren alle drie.’

‘Voor wie bent u?’ vroeg Akkerman bij de ingang van het gebouw.

Ik bleef staan.

‘Voor Wagner net zoveel als voor Liszt en Berlioz en voor de nieuwe componisten net zoveel als voor de oude.’

‘Ik bedoel: voor wie als onze nieuwe directeur? Verhulst of Nicolai?’

‘Dan heb ik je verkeerd begrepen. Ik ben voor een directeur die zorgt voor harmonie en die niet bang is voor een dissonant.’

Het weer van zaterdag en zondag had de stad het aanzien gegeven van een mislukt decor in de Schouwburg. De sneeuwwitte zetstukken en het achterdoek waren vuil geworden en begonnen scheuren te vertonen; de man achter de windmachine had een slok te veel op en de illuminatie ter ere van de verjaardag van de Koning was deels uitgewaaid. Het laatste tot verdriet van Herman en Matthijs, die zich na het sleetjerijden op de zondagmiddag verheugd hadden op de feestverlichting; Herman was zo driftig geworden, dat Anna en ik hem maar met moeite hadden kunnen kalmeren.

De maandag werd voor mij een opera met drie lange bedrijven. Eerst een ochtend met de vioolklas. Dan een middag met studie thuis op Schumanns vioolsolo en op partijen van de Franse Opera en Diligentia; tussendoor notities voor een eventuële audiëntie bij de minister. Tot slot de generale van Mermets vervelende opera Roland à Roncevaux, een lange avond met tweeënveertig man in de benauwde orkestbak van de Schouwburg. Wat in het laatste bedrijf van deze dag achter de coulissen gebeurde was het belangrijkste: de Commissie van Toezicht van de Muziekschool vergaderde over de voordracht van een kandidaat.

De Tekenacademie leek achter haar front met Griekse zuilen nog meer op een mausoleum dan anders. Met tegenzin ging ik de trap op naar de Muziekschool op de bovenste verdieping.

Het was koud in mijn kamer. Die van Van der Does hiernaast was vast en zeker warmer: hoe ouder en lastiger de leraar, des te hoger Bodaan de kachel opstookte, kreeg ik wel eens de indruk. Als de pianist van de Koning en de Koningin-moeder zijn zin niet kreeg, kon hij keffen als een nerveuze rashond.

Beter dan hier in de kou mijn viool uit te pakken, kon ik kijken of Evert Horsthuis al op zijn kamer zat: zijn gezelschap was altijd een remedie tegen een slecht humeur.

Hij studeerde op een loopje uit Roland à Roncevaux. Ik trok mijn handschoenen uit en klopte.

In zijn kamer was het beter uit te houden. Ik legde mijn vioolkist op tafel.

‘Hoe denk je dat de Commissievergadering vanavond afloopt?’ vroeg ik, mijn overjas uittrekkend.

Evert blies zijn inzet uit Beethovens treurmars.

‘Ik vraag me af wanneer de benoeming afkomt,’ zei ik.

‘De ambtelijke molens malen niet zo snel. Het is vandaag maandag 20 februari. Dan wordt het wel 1 april of 1 mei, dat de Grote hier zijn entree maakt als redder van de Koninklijke Muziekschool.’

‘’Ik heb Frits Nicolai nog niet afgeschreven. Jij dus wel.’

‘De afgelopen dagen heb ik hem helemaal niet gezien,’ zei Evert, terwijl hij zijn hobo naast mijn vioolkist legde. ‘Er komt alleen maar gedragen orgelmuziek uit zijn kamer. Het klinkt of hij er niet veel fiducie meer in heeft.’

Ik keek naar het ingewikkelde kleppenstelsel van de hobo. Evert had me het instrument wel eens in handen gegeven; ik kreeg er geen geluid uit en het functioneren van de meer dan tien kleppen was me even onduidelijk als dat van de acht leden van de Muziekschoolcommissie.

‘Maar Nicolai komt bij Thorbecke thuis om de dochter pianoles te geven. Hij heeft aan de Koninginnegracht alle kans om zijn belangen te behartigen. Hij is ook een echte diplomaat, terwijl Verhulst altijd maar zegt wat hem voor de mond komt.’

‘Verhulst en Thorbecke zijn inderdaad tegenpolen,’ erkende Evert. Hij leek met zijn wat grove trekken in niets op de Minister, maar maakte toch een prachtige imitatie van de bekende stijve bovenlip en strenge oogopslag.

Ik schoot in de lach. Zou ik over mijn audiëntieplan vertellen?

‘Nee, Maarten,’ zei Evert, ‘ik denk niet dat Nicolai veel kans krijgt om een goed woordje voor zichzelf te doen. Thorbecke is veel te eigengereid.’

‘Het wordt tijd dat hier iets verandert,’ zei ik. ‘De laatste jaren onder Lübeck is de fut eruit geraakt.’

Evert knikte.

‘De nieuwe directeur,’ ging ik verder, ‘zou het schooljaar ’65-‘66 moeten beginnen met een grondige reorganisatie: meer aandacht voor de nieuwe componisten; meer samenhang tussen de vakken; meer toezicht op de opkomst en het studeren. Dan komen er ook meer goede afgestudeerden. Verhulst is voor zo’n vernieuwing niet de juiste man. Hij is te makkelijk geworden en verwend door de kritiekloze bijval. Eigenlijk al door de protectie…’

‘Frits Nicolai was ook een protégé.’

‘Zeker,’ gaf ik toe. ?Je zou een romantisch verhaal over hem kunnen schrijven: Leidse weesjongen heeft het geluk eerst de kinderloze en muzikale majoor van een invalidenhuis tegen te komen en daarna de beroemde componist Litolff. Maar Verhulst is sinds de protectie van de Koning en de Maatschappij Toonkunst op zijn lauweren gaan rusten.’

‘De afgelopen vijftien jaar heeft de Grote niet veel bijzonders gecomponeerd,’ zei Evert. ‘Gelegenheidsstukken, feestcantates op bestelling voor herdenkingen van Rembrandt, Schiller en Tollens: triomfbogen in tonen… Nee, dan zijn vroege werken.’

Hij ging aan de piano zitten, deed de klep boven de toetsen omhoog en begon iets te spelen wat ik onmiddellijk herkende, een passage met een keten van tussendominanten, een harmonisch avontuur van maat tot maat. Wat een muziek… Een vage schaamte bekroop me: mocht ik een groot kunstenaar als Johannes Verhulst wel afvallen?

Ik onderdrukte mijn sentimentele gevoelens, pakte een stoel en schoof aan bij de piano.

‘Dit vond ik twintig, vijfentwintig jaar geleden verbluffend modern en ik vind de Symfonie nog steeds mooi, net als de liederen en de Mis. Maar waar blijft de Tweede symfonie? Waarom componeert Verhulst geen verrassende dingen meer? Hij doet of er sinds de dood van Schumann niets gebeurd is in de muziek.’

‘Nicolai ook,’ zei Evert.

‘Die is als componist altijd middelmatig geweest. Die verloochent zijn verleden niet. Maar als dirigent en leraar staat hij wel degelijk open voor de nieuwe muziek en daar gaat het hier in de Muziekschool om.’

Evert schoof zijn stoel achteruit en stond op. ‘Jullie begrijpen de echte vrijheid niet; dat is een heel andere vrijheid dan de vrijheid die voortkomt uit het onzekere, het onregelmatige en het afschuwelijke, quasi geniale dat op het ogenblik zo in de mode is!’

De Verhulst-imitatie was perfect, tot in het beroemde Haagse accent.

‘De muziek van Wagner is als een uitbarsting van de Vesuvius: alles goud en rood en vlammen! Maar als de echte Mozart-zon weer opkomt, is dat toch een andere gloed…’

Dat waren Verhulsts eigen woorden.

Evert ging zitten, concentreerde zich en begon te spelen. De aanhef van Lohengrin, de opera waarmee dirigent Hermann Levi in Rotterdam zo’n indruk had gemaakt op ons, bezoekers uit Den Haag. In het voorspel was de opera nog geen vuurspuwende berg; eerder een lavameer vol gloeiende melodieën en harmonieën. Sommige musici werden duizelig als ze over de rand keken, terwijl anderen al bij voorbaat uit de buurt bleven, bang voor een uitbarsting. Al was de piano maar een surrogaat voor de glanzende violen, Wagners muziek verloor niet haar magie.

Halverwege het voorspel kon Evert niet verder: zijn geheugen liet hem in de steek.

‘Dit noemt Verhulst toekomstmuziek,’ zei ik.

‘Dan ben ik het voor één keer met hem eens.’

‘Maar hij bedoelt: toekomstmuziek die alles wat mooi en groots is verdringt.’

Evert trok zijn wenkbrauwen op.

‘Ik hoorde,’ zei hij, ‘dat ze hem de ouverture van Glucks Iphigeneia in Aulis hebben laten dirigeren. Je weet dat de ouverture zonder onderbreking in de eerste akte overgaat en dat Wagner voor concertuitvoeringen een slot van vijfentwintig maten heeft gecomponeerd. Verhulst wist dat niet. Toen ze hem vertelden dat hij eindelijk Wagner had gedirigeerd, was hij ziedend!’

Inderdaad: zo zag Verhulst eruit als hij ziedde.

‘En toen hij in Amsterdam ergens moest dirigeren waar ze de vorige avond Wagner hadden gespeeld, vroeg hij of de zaal al gelucht was!’

Ik lachte. ‘Als Lübeck in zijn goede tijd een keer nieuwe muziek op het programma zette, dan hoorde je aan het applaus in Diligentia dat die muziek helemaal niet slecht viel. Maar zijn laatste jaren bij ons had hij gewoon geen zin meer in iets nieuws. Het was in ‘60 hoog tijd dat hij wegging. Ondertussen zijn we er niet op vooruitgegaan. Bij Lübeck was het sleur en bij Verhulst is het onwil, maar hun programma’s lijken op elkaar.’

Het begon druk te worden op de gang. In de kamers naast ons werd al gestemd en ingespeeld.

‘Tijd om te beginnen,’ zei Evert. Hij stond op, rekte zich uit en gaapte. ‘De leerlingen staan voor de deur. Dat gaat gewoon door, ook zonder directeur.’

Ik pakte mijn jas en handschoenen en mijn instrument.

‘Die viool,’ zei Evert nog, wijzend op de kist. ‘Dat de Grote jou die indertijd heeft toegespeeld, was dat ook niet een beetje protectie?’

Even voelde ik me beschaamd. ‘Dat is al een kwart eeuw geleden, zei ik. ‘En het is dezelfde viool niet meer: ze is verpest door Wagneriaanse dissonanten.’

Ik was naar de Muziekschool gelopen over het Binnenhof, langs het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Wat ik wilde zeggen als ik de kans kreeg, stond op een papier in mijn binnenzak. Gisteren, maandag, had de Commissie vergaderd; de uitkomst was nog niet bekend, maar het werd hoog tijd dat ik meer deed dan met mijn viool langs het Ministerie lopen.

Het was druk in de hal. Tussen gaande en komende mensen van de Tekenacademie stond een groep collega’s van de Muziekschool opgewonden te praten.

Dichterbij komend ving ik de namen Gevers Deynoot en Lagemans op.

‘En de thesaurier?’ hoorde ik Evert Horsthuis vragen.

‘Ja, baron De Salis heeft voor Verhulst gestemd. Mr. Vollenhoven ook. Maar er is met de vuist op tafel geslagen…’

Hoe was dat uitgelekt? Via personeel? Of was het bluf?

‘Wie hebben er voor Nicolai gestemd?’ vroeg iemand.

De collega’s begonnen zo druk door elkaar te praten, dat ik er nauwelijks wijs uit werd. Ik ving de namen op van Lantsheer en Knuyse de Mey. En die van de president, ridder Huyssen van Kattendijke. Dan had die als medeoprichter van het Diligentia-orkest tegen zijn dirigent gestemd.

Vier stemmen voor Verhulst. Dan waren er ook vier voor Nicolai: Lantsheer, Knuyse de Mey, Huyssen van Kattendijke en Van Bylandt.

‘De stemmen staakten dus,’ zei ik.

‘Nee: graaf Van Bylandt was afwezig. Het was vier tegen drie voor Verhulst.’

Evert keek me aan en haalde zijn schouders op.

De Grote had de kleinst mogelijke meerderheid gekregen. De dirigent van Toonkunst, Caecilia en Felix Meritis in Amsterdam en Diligentia in Den Haag had ook de Koninklijke Muziekschool binnengehaald.

Ik voelde een hevige weerzin tegen dit vale, kille kunstpaleis, waar ze beneden gipsen koppen natekenden en boven gipsen koppen naspeelden. Liever dan in dit mausoleum zou ik in het Haagse Bos of op het Scheveningse strand staan. Al was het daar kouder, het was er tenminste niet muf.

Maar als een gehoorzaam leraartje bleef ik binnen. Nadat ik mijn viool in het tempo van Beethovens treurmars de trap op had gesleept, trok ik de deur van mijn kamer achter me dicht en ging met mijn overjas aan op een stoel zitten. De vioolkist bleef dicht: in spelen had ik niet de minste zin.

Ik was al een tijd aan het werk met mijn vioolklas, toen er werd geklopt.

Evert keek om de hoek van de deur.

‘De Commissie heeft een brief ontvangen,’ fluisterde hij.

‘Van wie?’

‘Thorbecke.’

‘Dat kan niet. Zo snel gaat dat niet.’

‘Typisch Thorbecke,’ zei Evert. ‘Een andere minister zou gewacht hebben.’

Doorspelen, gebaarde ik tegen de leerling die achter de lessenaar stond.

‘Ik stoor toch niet? Zal ik straks terugkomen?’

Ik greep hem bij zijn kraag. ‘Zeg wat je weet.’

‘Volgens mij had Thorbecke zijn besluit allang genomen. Hij heeft Frits Nicolai benoemd.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Jaaa… Er schijnt een lek te zijn. Zelfs met de minister van marine als president is de Commissie niet waterdicht.’

‘Dan heeft Thorbecke de Commissie gepasseerd. Wat zullen ze kwaad zijn, Gevers Deynoot en de anderen die voor Verhulst gestemd hebben!’

‘Weet je wie ook kwaad is? De pianist van de Koning en de Koningin-moeder! Van der Does loopt te schelden op Thorbecke en de ministeriële willekeur. Weet je wat hij zegt en wat voor gezicht hij trekt?’

‘Evert, de leerlingen…’

‘Hij gaat zijn ontslag indienen, zegt hij.’

‘Dat zou dan niet het eerste impul

sieve besluit van Van der Does zijn. Weet je nog van die soiree, toen het orkest dat een van zijn leerlingen moest begeleiden niet compleet was? Toen hij weigerde te dirigeren?’

‘Ja,’ grijnsde Evert. ?Maar later heeft hij toch mooi zijn excuses moeten aanbieden. Ik heb ook nog horen fluisteren dat de Commissie van Toezicht opstapt, niet alleen de leden die voor Verhulst gestemd hebben, maar de hele Commissie. Ik stap nu ook op.’

Ik complimenteerde de leerling die klaar was met zijn etude. Ondertussen maakte ik mijn vioolkist open en pakte mijn Adam Stark, de bondgenoot die nooit opstapte of impulsieve dingen deed. Na gestemd te hebben, gaf ik de beurt aan de volgende leerling. Als de klas straks de deur uit was, kon ik het papier met de aantekeningen uit mijn binnenzak halen en in de kachel gooien. Dat had ik niet meer nodig. Verhulst zou wel zieden van woede, zodra het nieuws hem ter ore kwam. Ik hoorde hem in gedachten al tieren in het Haags, en hoe kwader hij was, des te platter hij praatte. Zijn bewonderaars zouden niet minder verontwaardigd zijn en beweren dat de Grote het slachtoffer van een intrige geworden was. Ik durfde er iets om te verwedden dat ze hem op ons eerste Diligentiaconcert een minutenlange staande ovatie gingen brengen.

Ik zou blijven zitten, met mijn viool.

 

 hoofdstuk 3. Erfgenamen